Treuzeltje.
Reading edition
Treuzelaartje! treuzelaartje! Altoos, altoos tijds genoeg.... Schaam je wat—als iemand vroeg: Heb je een aardje naar je vaârtje? Was je moederlief zoo traag?.... Zeg, wat antwoordt ge op die vraag?— Maar, voor ’t antwoord (had ik ’t graag) Dien ik zelf nog wel te zorgen, Want ook dáárin zijt ge traag!..... ’t Luidt:—“Kom ik er niet van daag, Och! dan kom ik er toch morgen!”
Neen, mijn liefje!... met geteuter Komt ge er ook op morgen niet!— ’t Geeft u eens nog zielsverdriet Dat gepeuter en geleuter! Als ge nadert aan den dag, Die nog nooit een morgen zag, Zal, in vruchteloos geklag, De verloren tijd u rouwen.... Liefje! nu ’t nog wezen mag, Och! gebruik nu uur en dag, Steek de handen uit de mouwen!
Treuzelaartje, treuzelaartje! Anders zijt ge lief en goed; Maar, ik bid je, maak wat spoed: Of dat snaartje heeft een staartje! ’t Klinkt nu nog als jokkernij; Maar, arm kind! voor u en mij Kwam er vreeslijke ernst wel bij, Zoudt ge eens Andrer hulp behoeven.... ’k Smeek dus: maak me haastig blij! En—moet er getreuzel bij.... Treuzel enkel.... in ’t bedroeven!