De kromme boom.
Reading edition
Wel, boom, wat zijt ge krom gegroeid! ’t Is haast, alsof gij om wilt zakken; En hoe verward zijn al uw takken, Alsof gij nooit nog waart gesnoeid; ’t Is waar (ik zeg het zonder schroom) Ik vind je leelijk, kromme boom!
—Ja, kind! het is zoo als gij zegt, Ik moet mij zelv’ óók leelijk vinden: Had ik mij vroeger laten binden, Dan was ik nu niet krom, maar regt; ’k Was dan misschien een pronk van ’t woud... Nu ben ik slechts onbruikbaar hout.
Nog gistren (’k hoorde ’t met verdriet) Zeî tuinman: “Waart ge jong gebogen, Dan stondt gij als een lust der oogen; Nu zijt ge brandhout, anders niet!” Gij vindt mij leelijk, lieve kind!.... Zorg, dat geen mensch ’t ook U eens vind’.—