’t Jagertje.
Reading edition
Jaapje woû een veldhoen schieten, En hij trof zijns buurmans schaap. Ieder zeî: Wat domme knaap!— Jaapje liet zich ’t niet verdrieten, En hij laadde zijn geweer Voor een’ ander’ keer.
Met zoo greep hij ’t in zijn handen, Schoot en trof een vetten haas; Ieder riep: Je bent een baas!— Jaapje liet ze watertanden, En hij bragt hem blij te moê Naar zijn’ buurman toe.—
’k Heb in vroeger tijd gelezen: “Hans komt door zijn domheid voort!” ’t Is niet altijd waar, dat woord, Mag ’t ook nu en dan eens wezen; Maar, wanneer ge een domheid doet, Maak haar gaauw weêr goed!