Nemen en geven.
Reading edition
Ei! goeden morgen, Peereboom! Wat zijt ge rijk geladen; Ik zie, van welken kant ik koom’, Meer vruchten haast dan bladen; ’t Is waarlijk, of zich blad bij blad In peer bij peer veranderd had.
En waar gij, lieve Peereboom! Zoo heerlijk staat te prijken, Roept Vader:—“Jongen! nu niet loom Daaronder staan te kijken; Kom flink er in—zoo’n groote schat Blijft groot nog, al verliest hij wat!”
Dus, allerbeste Peereboom! Zal ’k maar niet lang meer temen En van uw peertjes zonder schroom Een fermen zak vol nemen; En ’k geef dan elken buurknaap wat, Die zulk een milden boom niet had.