Onpartijdig.
Reading edition
Braaf is braaf en slecht is slecht! Of het vrind of vijand doet; Daarom, jongens! hoû-je goed, Dat ge trouw uw meening zegt, Dat ge spreken durft in ’t regt: “Dat is braaf, en dat is slecht.”
Heb-je een’ goeijen kameraad, Daar ge magtig veel van houdt, En hij is soms boos of stout, Zeg hem dan: “Mijn beste maat! “Dat is slecht”,—of, “dat is kwaad!” ’k Wed, dat hij het verder laat.
Vond-je er één’ een’ raren kwant, Maar ge zaagt er, nu of dan, Eens wat braafs of nobels van, Geef hem dan uw regterhand En vertel aan allen kant: “Hij is toch een ferme klant!”
Maar bedenk u eigen goed, Eer ge tot een’ ander’ spreekt, Of je zelv’ ook wat ontbreekt, Dat ge nog verhelpen moet:— Zeg dan eerlijk, wat ge ook doet: “Dàt was kwaad, en dàt was goed.”