Klein spinnekopje.
Reading edition
Wel, aardig spinnekopje! wat ben-je bitter kleen! Hoe durf-je zoo te loopen, en dat nog wel alleen? Zeg, heb-je dan geen moeder, geen zuster of geen meid, En niet als ik een bedje, waarin ge u ’s avonds leît?— Wel, aardig spinnekopje! als ik je eens bij me nam, En gaf je een rozenblaadje voor avond-boterham; Maar zult ge dan beloven, wanneer ge grooter zijt, Dat gij die kleine vliegjes niet meer zoo vinnig bijt?