← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

W.

Reading edition

W, dɐb’ljû; W. = Wednesday, Weak, Welsh, Western (postal district, London), Winterline (Plimsoll-merk op schepen); Wallach(ian), Walt(er); W(ater) C(loset); W(estern) C(entral postal district); Wed(nesday); Wel(sh); Whf. = Wharf; W(est) I(ndies); W(est) I(ndian); Wisc(onsin); Wk. = Week; W. N. A. = Winter line North Atlantic (Plimsoll-merk); W(est) Long(itude); Wm. = William; W(orshipful) M(aster) = achtbare meester; W(est) N(orth) W(est); Wp. = Worship; Wpful = Worshipful; W(riter to the) S(ignet); W(est) S(outh) W(est); W(ashington) T(erritory); Wt. = Weight.

Wabash, wôbaš.

Wabble, wob’l, subst. schommeling; — verb. schommelen, waggelen, weifelen; —r; Wabbly = schommelend, waggelend.

Wad, wod, subst. bundel, bos, vulsel, prop watten, enz., geweerprop, pak banknoten, geld; — verb. tot eene prop maken, een prop zetten op, opvullen, watteeren: A —ded box = een gewatteerd doosje, bekleede kist; —-hook = krasser (om proppen uit een geweer te halen); Wadding = opvulsel, watten, prop: The paper had served as — for the gun.

Waddington, wodiŋt’n.

Waddle, wod’l, subst. waggelende, schommelende gang; — verb. waggelen; —r.

Waddy, wadi, wodi, knots, stok; — verb. met een knots doodslaan.

Wade, weid, waden, doorwaden, met moeite gaan door: We were wading up to our knees through the mud = waadden tot onze knieën door den modder; —r = die waadt, hooge waterlaars, steltlooper = Wading-bird.

Wadi, wodi, rivierbedding, die in den zomer droog is.

Wadsetter, wodsetə, de crediteur, die bezittingen in Wadset (= in pand) heeft, en de inkomsten in afbetaling der schuld geniet (Schotl.).

Wae, wei, wee (Schotl.). Zie Woe.

Wafer, weifə, subst. ouwel, wafel, oblaat; — verb. ouwelen, dichtplakken: Beetle — = papier of ouwel om torren te dooden; Holy (Sacramental) — = hostie; —-cake = knijpkoekje, ijzerkoekje.

Waffle, wof’l, wafel; —-iron = wafelijzer.

Waft, wâft, subst. wenk, sein, ademtocht sjouw (scheepst.); — verb. voeren of dragen, overbrengen, drijven, seinen: To hoist the flag with a — = de vlag in sjouw hijschen; —age, wâftidž, vervoer, overbrenging; —ure = wenken, ademtocht.

Wag, wag, subst. het heen en weer schudden; — verb. schudden, schommelen, wiebelen, er van door gaan, spijbelen, kwispelstaarten: He played the — from school = spijbelde; To — the finger = den vinger (dreigend) opsteken; There was much —ging of heads at his insolence = men schudde algemeen het hoofd over; The dog —ged its tail = kwispelstaartte; That will set the tongues —ging = daar zal wat over gepraat worden; Thus the world —s = zoo is ’s werelds beloop; The boy —ged from school = spijbelde; Thus I — through the world = scharrel ik door den tijd; ’t Is merry in hall, when beards — all = onder mannen alleen, gaat het lustig toe; —tail = kwikstaartje; lichtekooi.

Wag, wag, grappenmaker, spotvogel, snaak; —gery = snakerij, ondeugende aardigheid: He is full of —gery = hij zit vol looze streken; —gish = grappig, ondeugend, schalksch; subst. —gishness.

Wage, weidž, subst. (meestal —s) = loon, huur, soldij; vacatiegelden (Amer.); — verb. wagen, wedden, ondernemen, kneden, gelijk staan met: The advance of — = verhooging; Living — = het loon dat een menschwaardig bestaan verzekert; The —s of sin is death = de bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6, 23); —-earners; —-fund = loonfonds; —-rate = loon(standaard); —-work = loonarbeid; He —d war on mankind = voerde strijd tegen.

Wager, weidžə, subst. weddingschap; aanbod van een beklaagde om op een bepaalden dag onder eede te zullen verklaren dat hij een bedrag niet schuldig was en elf getuigen mee zal brengen ter bevestiging; — verb. wedden, verwedden: I will lay you a — = wed met u; What is your —? = hoe hoog hebt gij gewed; Name your — = waar wed je om? — of battle = beslissing door een tweegevecht; I — you are wrong.

Waggle, wag’l, subst. waggelende gang; — verb. waggelen, heen en weer bewegen, wippen: To — one’s tail = wippen met den staart (v. vogels).

Wag(g)on, wag’n, vracht- of goederenwagen: Dinner — = dienbak op rollen; He is on the water— now = afschaffer; —-master = wagenmeester; —-shed = remise; —-vault = tongewelf; —age, —idž, vracht(loon), wagenpark; —er = vrachtrijder; —ette, wagənet, wagentje, soort brik; —ing = vervoer per wagon.

Wahabee, Wahabi, wəhâbî, aanhanger eener Mahomedaansche secte; —ism = beginselen der —s.

Waif, weif, onbeheerd goed, strandgoed, weggeloopen vee, door de dieven bij de vervolging weggeworpen goederen, zwerver, vagebond, sjouw (noodvlag): —s and strays of society = verlaten kinderen, zwervers.

Wail, weil, subst. weeklacht; — verb. weeklagen, beweenen.

Wain, wein, wagen, vrachtwagen: Arthur’s of Charles’s — = Groote Beer; Lesser — = Kleine Beer.

Wainscot, weinskot, subst. wagenschot; lambriseering; — verb. met hout beschieten of bekleeden.

Waist, weist, middel (v. het lichaam), keursje, kuil (Scheepst.): He tightened his coat to give himself a —; —band = broeksband, roksband; —-belt = gordel, koppel; —cloth = (Ind.) lendendoek; schans- of dekkleed; —coat, weskət, weistkout, vest, wambuis: Strait —coat = dwangbuis; —er = kuilgast.

Wait, weit, subst. wachttijd, hinderlaag, oponthoud, pauze (—s = muzikanten, die met Kerstmis en Nieuwjaar serenades plachtten te brengen bij notabelen); — verb. wachten, afwachten, wachten op; bedienen, vergezellen: To lay — = een hinderlaag leggen; To lie in — = op de loer liggen; He may — a little longer = dan kan hij lang wachten; Dinner —s = het eten is klaar; The paper may — till to-morrow = kan wachten tot, blijven liggen; Something that will not — = iets dat niet kan wachten; To — dinner for a person = met het eten wachten op; I will — your return = wachten op; Am I to — you there? = moet ik daar wachten, tot gij komt? You have kept me —ing = mij laten wachten; To — at table = bedienen; I have been —ing for you (for) ever so long = heb ik weet niet hoe lang op u gewacht; Who —s on you? = past u op, bedient u; We herewith — on you with the abstract of your account = hierbij hebben we de eer, u te zenden; He —ed (up)on the mayor = maakte zijne opwachting bij; We — on you, o Lord! = wij wachten op u, o Heer; Who is going to — up for me = wie zal opblijven tot ik thuis kom; Waiter = kellner, bediende, stommeknecht, presenteerblad; Waiting: To play a — game = de kat uit den boom kijken; The boats are in — on the little pier = liggen klaar aan; The cabs in — = de klaar staande; Ladies in — = (gehuwde) hofdames; Lords in — = kamerheeren; —-gentleman = kamerheer, kamerdienaar; —-maid, —-woman = kamenier; —-room = wachtkamer; Waitress = kellnerin.

Waive, weiv, verlaten, afzien van: I — my claims = zie af van mijne rechten; —r.

Wake, weik, subst. waken of wakker zijn, wijdingsfeest van eene kerk, feest, waken bij een lijk; zog, kielwater, spoor; — verb. wakker zijn, wakker worden, wekken, opzitten, opblijven, opwekken, opvlammen: We followed in the — of the steamer = in het kielwater; They followed in your — = zij kwamen onmiddellijk achter u aan; He left a — of victory behind him = behaalde overwinningen waar hij ook kwam; A laugh woke about the corners of his mouth = een lachende trek kwam om zijn mond; —-robin = gevlekte aronskelk; —ful = wakend, waakzaam; subst. —fulness; Waken = wekken, oproepen, aansporen: —er = wekker, prikkel; Waker = wekker, waker; Waking: —-hours = de uren dat men niet slaapt.

Wakley, wakli; Walcott, wolkət; Waldenses, woldensîz, Waldensers; adj. Waldensian.

Wale, weil, zelfkant; berghout (scheepst.). Zie Weal = striem.

Wales, weilz; Walhalla, walhalə, wolhalə.

Walk, wôk, subst. wandeling, gang, pas, wandelplaats, laan, weg, baan, kring, tak, branche; — verb. gaan, loopen, wandelen, betreden, slaapwandelen, spoken, doen wandelen of loopen: A milkman’s — = ronde, klanten; Humble — of life = nederige stand, beroep; In all —s of life = levenssferen; In this walk he is without a competitor = in deze afdeeling (vak); To go for (To take) a — = uit wandelen gaan; Carriages have to — here = moeten stapvoets rijden; Does your friend —? = is uw vriend een slaapwandelaar (= Does he — in his sleep?); To — the chalk = langs een krijtlijntje loopen om te toonen, dat men niet dronken is; To — the hospitals (wards) = kliniek loopen; Will you — the little three-year-old? = den kleine van drie jaar bij het handje nemen; To — a minuet = een menuet dansen; The pirates made their victims — the plank = spoelden .… de voeten (fig.); He had to — the plank = ontslag nemen; The watchman had just —ed his round = de ronde gedaan; They —ed the streets = liepen ’s avonds langs de straten, leidden een zedeloos leven; They —ed into the eatables = spraken geducht aan; To — off = (hoofdpijn) door wandelen verdrijven; To — one’s legs off = zich te schande loopen; He —ed over us = deed ons zijne macht gevoelen; To — over (the course) = geen partij hebben, een gemakkelijke overwinning (= A —-over) hebben; The Tories were allowed to — over = de conservatieven wonnen den zetel (terwijl de liberalen geen candidaat stelden); Somebody is —ing over my grave = er loopt een hondje over mijn graf; He —ed up to me = kwam naar mij toe; Walker, subst. wandelaar, lanterfanter: Hookey — = Loop! “Mot je mijn hebben?” Walking: —-gentleman = figurant; —-lady = figurante; At a —-pace; —-stick = wandelstok; —-ticket = ontslag(briefje) (= —-papers, Amer.); Walkist = wandelaar van beroep.

Wall, wôl, muur, wand, wal, verdediging; — verb. ommuren, versterken, als een muur oprijzen (up): To drive (push, thrust) to the — = in ’t nauw drijven, verpletteren; Give him the — = laat hem aan den hoogen kant loopen (tusschen den muur en u zelf); To go to the — = het onderspit delven, geruïneerd zijn; What with her painting, what with her music the household affairs went a little to the — = leed de huishouding er eenigszins onder; His health went to the — = nam af; He was weak and went to the — = en bezweek, stierf; Every one went to the — to make room for him = ging op zij; To have one’s back to the — = vastberaden weerstand bieden; I have taken the — of him = ik heb het van hem gewonnen; The enemies were within the —s = binnen de muren der vesting; He is a fool and ever shall (be), that writes his name upon a — = gekken en dwazen schrijven hun namen op deuren en glazen; —s (may) have ears = de muren hebben ook ooren; The opening was —ed up = werd dichtgemetseld; —-creeper = muurkruiper (soort v. specht); —-eye = glasoog (ziekte bij paarden); adj. —-eyed: Because you are —-eyed you think we have the same blank outlook = omdat gij blind zijt denkt gij dat dit met ons ook het geval moet zijn; —-flower = muurbloem (ook fig.); —-fruit = vrucht(en) van leiboomen = —-fruit trees; —-moss = soort v. korstmos; —paper = behangsel; —-pepper = muurpeper; —-piece = soort v. haakbus; —-plate = onderlaag voor balken op een muur; —-sided = met rechtopstaande zijden boven de waterlijn; —-spring = rotsbron; —-Street = straat waar de effectenbeurs staat (N.-York): He lost his money on —-Street = met speculeeren; —-tree = leiboom; —wort = lage vlier.

Wallaby, woləbi, soort kangeroe.

Wallace, wolis; Wallachia, woleikjə, Wallachije; —n, subst. en adj. (bewoner) van —: —n sheep.

Wallah, wola, koopman, bediende: Competition — = iemand, die na een vergelijkend examen bij de Indian Civil Service is gekomen.

Wallet, wolət, knapzak, geldbuidel, portefeuille, leeren taschje.

Wallis, wolis.

Walloon, wolûn, subst. Waal, Waalsche taal; adj. Waalsch.

Wallop, woləp, koken, borrelen, opborrelen, duchtig ranselen: This is only a tickling to the —ing you’ll get to-morrow = nog maar kietelen bij het pak slaag dat je morgen krijgt; —ing = reusachtig.

Wallow, wolou, subst. plas; — verb. wentelen, plassen, rollen, woelen: The — of the sea = het rollen; To — in pleasure = zwelgen in genot.

Walmer, wômə; Walmsley, wômzli.

Walnut, wôlnɐt, wolnɐt, walnoot.

Walpole, wolpoul.

Walrus, wolrɐs, walrus.

Walsh, wolš; Walsingham, wolsiŋ’m; Walter, wôltə; Waltham, wolth’m; Walton, wôlt’n.

Walt(y), wolt(i), rank (v. schepen).

Waltz, wôlts, subst. wals(muziek); — verb. walsen; —er.

Walworth, wolwəth.

Wamble, womb’l, misselijk zijn: My stomach —s = het breekt me op.

Wampee, wompî, wampiboom (China).

Wampum, womp’m, schelpkoralen, schelpgordel door de Roodhuiden als geld of versiering gebruikt.

Wan, won, adj. bleek, ziekelijk, flets; subst. —ness.

Wand, wond, roede, tooverstaf, staf: Charming (Magic) —; —ed basket = teenen mand; —like.

Wander, wondə, zwerven, ronddolen, malen of ijlen, afdwalen (van het onderwerp), op een dwaalspoor brengen: Your wits are —ing = ge hebt er een paar op den loop; You are —ing from the subject = dwaalt van uw onderwerp af; He —ed in his mind = ijlde; —er = zwerver; Wandering, subst. afdwaling, rondzwerving, ijlen of malen; adj. zwervend, onvast: They lead a — life = een zwervend leven; The — Jew = de Wandelende Jood; — kidney = wandelnier; — tribe = nomadenstam.

Wanderoo, wondərû, een gebaarde zwarte aap.

Wandsworth, wonzwəth.

Wane, wein, subst. afneming, vermindering, verval; — verb. afnemen, verminderen: On the — = aan het afnemen, aan het afsterven; Waning strength = verminderende krachten.

Wanghee, waŋhî, bamboes (wandelstok).

Wanley, wonli.

Want, wont, subst. gebrek, behoefte, gemis, armoede, nood; — verb. ontberen, missen, ontbreken, noodig hebben, wenschen, verlangen: —-of-confidence-vote = motie van wantrouwen; I do it for (through) — of better employment = uit gebrek aan; They are in — of everything = lijden aan alles gebrek; He is greatly in — (is in great —) of = heeft hoog noodig; He died of — = kwam van gebrek om; She felt the — of it = gemis er van; To supply a much needed — = in eene lang gevoelde behoefte voorzien; First supply the —s of the poor, and then give way to luxury = voorzie eerst in de behoeften der armen; — one = op één na; What do you —? = wat moet je? I — mamma = ik zoek naar ma’tje; I — you to go there = ik wensch dat gij daarheen gaat; You are —ed = men zoekt je; The piano —s tuning = moet gestemd worden; I — for nothing that money can procure = ik heb alles wat voor geld is te krijgen; It —s ten minutes to (of) five = het is 5 min. vóór vijf; — to know! = Och, kom! (Amer.); Volunteers were not —ing = er was geen gebrek aan; Three more are —ing = er mankeeren nog drie; Nothing is —ing to my happiness = er ontbreekt niets aan mijn geluk; I shall not be —ing to send you word = zal u zeer zeker zenden; He was never found —ing = mankeerde nooit, liet iemand nooit in den steek.

Wanton, wont’n, subst. lichtmis, boeleerder, boeleerster, malloot; adj. losbandig, wulpsch, dartel, speelsch, brooddronken, lichtzinnig, moedwillig, fladderend; — verb. dartelen, stoeien, mallen: In — sport = in overmoed; subst. —ness.

Wapentake, wop’nteik, wap’nteik, weip’nteik, district (in Yorkshire).

Wapiti, wapiti, wopiti, N.-Am. hert of eland.

Wapping, wopiŋ.

War, wö, subst. oorlog, strijd, vijandschap, vijandelijkheid; — verb. beoorlogen, strijdvoeren: A — was carried on between these powers = er werd oorlog gevoerd tusschen; To declare — against = den oorlog verklaren aan; We are engaged in a — = in een oorlog gewikkeld; To make — on = oorlog voeren tegen; To be at — = in oorlog zijn; He was at — with his own hands and feet = wist geen weg met; The spirit is at — with the flesh = voert strijd tegen; To go to — with = oorlog aangaan met; It was — to the knife (to the death) between them = het was een strijd op leven en dood; Holy — = heilige oorlog, kruistocht; — of independence; A council of — (—-council) was held = krijgsraad werd gehouden; Several men-of-— = onderscheidene oorlogschepen; Many prisoners of — were made = krijgsgevangenen; —ring against his better self = strijd voerende tegen zijn beter ik; —-chest = krijgskas; —-council = krijgsraad; —-cry = oorlogskreet, oorlogsleuze; —-dance = oorlogsdans; — Department = Ministerie van Oorlog (Amer.); —-drum = krijgstrom; —fare, subst. strijd, (wijze van) oorlog (voeren), vijandelijkheden; — verb. oorlog voeren, kampen, strijden; —farer = krijgsman; —-horse = strijdros; —-insurance = assurantie tegen krijgsgevaar; — Office = Ministerie van Oorlog; —-paint = oorlogsverf (Indianen); gala, groot tenue; —-path = oorlogspad: We are on the —-path = op expeditie; —-ship = oorlogsschip; —-song = krijgslied; —-steed = krijgsros, strijdhengst; —-torch = oorlogstoorts; —-wasted = verwoest; —-whoop = oorlogskreet, krijgsgeschreeuw; —-worn = in den dienst versleten; —like = krijgshaftig, strijdbaar, oorlogs …: —like paraphernalia (parəfəneiljə) = oorlogstoebereidselen.

Warble, wöb’l, subst. gekweel, lied; gezwel op den rug van een paard; — verb. kweelen, zingen, trillers slaan; —r = kweeler, zangvogel.

Ward, wöd, subst. bewaking, wacht, verdediging, bescherming, afweer, het pareeren, hechtenis, kerker, voogdijschap, minderjarigheid, pupil, wijk, stedelijk (kies)district, afdeeling of zaal in een hospitaal, werk (van een slot), buitenplein; — verb. bewaken, verdedigen, beschermen, terugdrijven, afweren: To be held in — = in verzekerde bewaring gehouden; To keep watch and — = streng de wacht houden; To put in — = gevangen zetten; The thrust was —ed off by me = gepareerd; —-mote = vergadering van het bestuur v. een ward; —-penny = bewakingsgeld, waakgeld; —robe = kleerkast, garderobe: —robe keeper = —rober = bediende bij de —robe; —-room = officierskajuit aan boord van een oorlogsschip; —ship = voogdijschap, minderjarigheid; Warden = bewaker, bewaarder, custos, rector van sommige colleges; vrederechter (Amer.); soort peer: Lord — of the Cinqueports = ambtenaar oorspronkelijk belast met de (kust)verdediging der Cinque-ports; thans bezoldigd eereambt, onvereenigbaar met het lidmaatschap van het Parlement; —-pie = perenpastei; —ship = bewaarderschap; Warder = bewaker, wacht; commandostaf: —s of the Tower = ambtenaren ter bewaking v. staatsgevangenen in den Tower.

Ware, wêə, waren, goederen; soort zeewier; — = Aware, Beware: — oars! = pas op de riemen! (bij het passeeren van een andere boot); — wire, Sir! = pas op het prikkeldraad (jachtterm); China — = porselein; Earthen— = aardewerk; Hard— = ijzerwaren; —house = pakhuis, magazijn, entrepôt = Bonded —house; —house-keeper = —house-man = pakhuishouder, pakhuismeester; —house-warrant = cedel; —housing = het opslaan van goederen in pakhuis of entrepôt; —-housing-system = het entrepôt-stelsel; —-room = pakkamer, uitstalkamer.

Warham, wor’m.

Wariness, wêrinəs, subst. v. Wary.

Warlock, wölok, toovenaar, geestenbezweerder; —ry = toovenarij.

Warm, wöm, adj. warm, heet, vurig, ijverig, enthusiast, hartstochtelijk, intiem, versch, hartelijk, gegoed, rijk; ook subst.; — verb. verwarmen, afranselen, warm worden, zich opwinden: — contest = heete strijd; — colour; To give one’s hands a — = z’n handen warmen; Have a — = warm je eens goed; He is — = zit er warmpjes in; You are getting — = je brandt je (bij het blindemanspel); This place is too — for me = ik ben hier niet op mijn gemak; They made the town — for him = hij kreeg het te benauwd; To sit pretty — = er warm inzitten; He —ed to his subject = zijn onderwerp sleepte hem mede; —ed up remains of the evening meal; —-blooded = warmbloedig; —-hearted = hartelijk, oprecht; —er = wie of wat verwarmt; Warming, subst. pak slaag; adj. verwarmend: —-pan = beddepan, iemand die eene betrekking vervult om deze open te houden tot de bedoelde persoon ze vervullen kan; groot ouderwetsch horloge; Warmth = warmte, vuur, gloed, hartelijkheid.

Warn, wön, waarschuwen, aanzeggen, oproepen: I — you against such a behaviour = waarschuw u voor; He —ed us of the coming of the general = kondigde aan; They were —ed off the hunt, being unfit to ride = nun werd aangezegd, niet mee te gaan op jacht; The infirm and aged are —ed off = worden hier niet toegelaten (worden gewaarschuwd weg te blijven); —er; Warning = waarschuwing, aankondiging, dienstopzegging: My mistress has given me — = heeft mij den dienst opgezegd; I gave you proper — of it = heb u behoorlijk er voor gewaarschuwd; Take — of his example = spiegel u aan; — notice-boards = waarschuwingsborden.

Warp, wöp, subst. schering (— and woof), kromming, boegseerlijn, werptros; slib; — verb. kromtrekken, krimpen, verdraaien, een verkeerde richting geven, scheren, kunstmatig besproeien of inundeeren, boegseeren, verhalen, bevloeien; —ed = krom, verdraaid, vertrokken: A —ed, unframed photo stood on his desk = een kromgetrokken; His conclusions are occasionally —ed by sympathy = zijne voorliefde maakt dat zijne conclusies wel eens wat verdraaid zijn; —er = werkman, die de schering aanzet; Warping: —-bank = dam om het water op een stuk land te houden; —-machine, —-mill = handmolen tot het maken der schering.

Warrant, worn’t, subst. volmacht, machtiging, proces-verbaal, bevel tot inhechtenisneming, borgstelling, garantie, cedel, aanstelling door den korpskommandant; — verb. waarborgen, garandeeren, machtigen, toestaan, bekrachtigen, verzekeren, instaan voor, betuigen, verdedigen: — to appear = dagvaarding; The death-— was signed by the king = doodvonnis; A search-— = bevel tot huiszoeking, opsporing, enz.; — of apprehension, arrest = bevel tot aanhouding of arrestatie; — of attorney = procuratie of notarieele volmacht; — of caption = steekbrief; — of distress = bevel tot beslaglegging; —s were issued = bevelschriften werden uitgevaardigd; Without a — = ongemotiveerd; — officer = officier met rang tusschen luitenant en sergeant, dek-officier (te vergelijken met onze onder-luitenants en adjudant-onderofficieren) bij warrant aangesteld; I — you that he is a clever fellow = verzeker u, sta er voor in; I — it good = sta er voor in, dat het goed is; —able = verdedigbaar, wettig (= — by law), oud genoeg voor de jacht er op (v. herten); —ee, wor’ntî, die gewaarborgd wordt; —er = volmachtgever, waarborger = —or, wor’ntə, wor’ntö; —y, subst. belofte, waarborg.

Warren, wor’n, konijnenpark, fazantenpark, vischweer, krot; —er = opzichter.

Warrior, worjə, krijgsman.

Warsaw, wösô.

Wart, wöt, wrat: —-hog = soort van Amer. wild zwijn; —-wort = kroontjeskruid; —less = zonder wratten; —y = vol wratten, wratachtig.

Warwick, worik; —shire, worikšə.

Wary, wêri, omzichtig, behoedzaam.

Was, woz, imperf. (enkelv.) van to be.

Wase, weiz, weis, kussen door sjouwers op het hoofd gedragen.

Wash, woš, subst. wassching, de wasch, slappe thee, spoeling, kabbeling, golfslag, kielwater, aanslibbing, moeras, watertje voor de toilettafel, dunne metaallaag, vernisje, dun verflaagje, schijnkoop; — verb. wasschen, afwasschen, afspoelen, bespoelen, uitwisschen, met eene dunne verflaag bedekken, met een metaallaagje bedekken, reinigen (van erts): The — and turmoil of the water = het klotsen en de beroering; I’ll do the — = ga de wasch aan kant maken; To give one’s face a — = zich het gezicht wasschen; We must have a — = ons eens wasschen; I have sent them to the — = heb ze in de wasch gedaan; This soap won’t — clothes = met deze zeep kunnen geen kleeren gewasschen worden; It don’t — = kan niet gewasschen; That won’t — = dat gaat niet (op); To — dishes = borden wasschen; To — one’s hands of = zijne handen in onschuld wasschen; zijne handen aftrekken van; All their sins were —ed away = zij werden van al hunne zonden gereinigd; Those spots cannot be —ed out = gaan er in de wasch niet uit; A —ed out creature = bleek; To — out an affront; She —ed up the tea-things = waschte af; Copper —ed with silver = verzilverd koper; —-ball = zeepbal; —-board = waschplank, zetboord (op boot of sloep); —-gilding = nat vergulden; —-hand-basin = waschkom; —-hand-stand (—-stand) = waschtafel; —-house = waschhuis; —-leather = zeemleer; —-pot = waschkom, waschbak; —-tub = waschtobbe; —able = goed blijvend in de wasch; Washer = waschvrouw, waschmachine, ringplaat (onder de moerschroef); —-man = waschbaas, waschman, bleeker; —-woman = waschvrouw; Washiness, subst. v. Washy; Washing: —-day; —-dress, —-fabrics = japon, stoffen, die tegen de wasch kunnen; —-glove; —-machine = waschmachine; —-powder = waschpoeder.

Washington, wošiŋt’n, Washington; —ian, wošiŋtounj’n, subst. inwoner v. W.; afschaffer; adj. afschaffers …; v. Washington: The —ian movement = —ianism = afschaffersbeweging, hunne beginselen.

Washy, woši, waterig, zwak, dun, krachteloos: —-looking wine = dunne, krachtelooze wijn.

Wasp, wosp, wesp: He has his head full of —s = hij heeft allerlei kuren; —-waisted = met wespentaille; —ish = met eene wespentaille, prikkelbaar, giftig; —ish-headed = prikkelbaar, opvliegend; subst. —ishness.

Wassail, wosil, wasil, subst. drinkgelag; gekruid bier met wijn met Kerstmis of Nieuwjaar en opgediend in den —-bowl; — verb. drinken (op het welzijn van); —-cup = beker waaruit wassail werd gedronken; —er = drinkebroer; —ers = lieden, die met Kerstmis zingend rondgaan.

Waste, weist, verwoesting, vernieling, afneming, achteruitgang, verspilling, verlies, woestenij, wildernis, onbebouwde grond, gruis, afval, onheil, vlak; adj. woest, onbruikbaar, overvloedig, waardeloos, onnut; — verb. verwoesten, vernielen, verminderen, afnemen, verspillen, weggooien, uitteren, verteren, kwijnen, laten vervallen: In mere — = onnut; To lay — = verwoesten; Your candle is running to — = loopt af; To let a garden run to — = laten verwilderen; To — (away) one’s money, time = verkwisten; His illness had —d him to skin and bones = had hem geheel uitgeteerd; — not want not = die wat spaart, die wat heeft; The ticket would be —ed = zou ongebruikt blijven liggen; —-basket = papiermand = —-paper-basket = prullenmand; —-book = memoriaal; —-gate = afvoersluis; —-paper = scheurpapier; —-pipe = afvoerbuis; —-sheet = vel misdruk; —-water = condensatiewater; —-weir = afvoerweer; —r = doorbrenger, dief aan de kaars, elger; Wastrel = afval, woestenij; verwaarloosd kind, kind zonder thuis of onderkomen, doorbrenger.

Wat, wot, fam. voor Walter.

Watch, wotš, subst. wacht, waakzaamheid, het waken, oplettendheid, schildwacht, wachtpost, horloge, uurwerk; — verb. waken, bewaken, gadeslaan, de wacht houden, acht geven: Alarum — = wekker; Keyless — = remontoir; Repeating — = repetitie-horloge; Stem-winding — = remontoir; I am on the — = sta op den uitkijk, lig op de loer; To keep good — = goed oppassen, waken; The — was relieved = de wacht werd afgelost; My — has run down = mijn horloge is afgeloopen; I set a — over them = ik liet hen bewaken; He set his — to the city-clock = regelde zijn horloge naar; Many eminent lawyers were —ing the case = woonden het proces bij; I —ed the thunderstorm from this elevated position = ik sloeg het onweer gade; He —ed over my childhood = hij waakte over mijne kindsheid; He —ed through the long night = waakte den ganschen nacht; To — home = nakijken tot iemand thuis is; —-box = schilderhuis, wachthuisje, horlogekast = —-case = horlogekast; —-chain = horlogeketting; —-dog = waakhond; —-fire = wachtvuur; —-glass = horlogeglas; —-guard = horlogeketting of -lintje; —-hand = horlogewijzer; —-house = wachthuis; —-key = horlogesleutel; —-light = nachtlicht; —-maker = horlogemaker; —man = nachtwaker, nachtwacht, baanwachter; —man’s rattle = ratel van een nachtwacht: To spring a —man’s rattle = een ratel slaan; —-night = laatste nacht van het jaar: I attended a —-night service in the Wesleyan chapel = woonde den kerkdienst van het oude jaar in het nieuwe bij; —-stand = horlogestander; —-tower = wachttoren; —word = wachtwoord, leus, motto; —er = waker, wacht, waarnemer, bespieder; Watchful = waakzaam: I have always been — of your interests = altijd nauwlettend behartigd; subst. —ness.

Water, wôtə, subst. water, watervlak (= Piece of —), bronwater, regen, urine, zee, rivier, glans van diamant of parel, effecten uitgegeven zonder gewaarborgden interest; — verb. besproeien, bespoelen, nat maken, van water voorzien, drenken, water innemen, verwateren, roten, moireeren, watertanden: A great deal of — had flowed under the bridge (Much — had flowed from the rivers to the sea) since that time = er was heel wat water door den Rijn gestroomd; Diamonds of the first — = van het zuiverste water; Gentlemen of the first — = hoogsten rang; He is a prig of the first — = een verschrikkelijke kwibus; Bilge — = water onder in een schip, dat niet uitgepompt kan worden; Low — = laag water: To be at at low — = in geldverlegenheid zijn; Slack — = dood tij; He has — on the brain = hersenvliesontsteking; That will not hold — = dat is lek; Your reasoning won’t hold — = uwe redeneering houdt geen steek; To make — = lekken, wateren, urineeren; Our ship made foul — = raakte met de kiel den bodem; To take the —s = de baden gebruiken; He threw cold — over my enthusiasm = gooide een emmer koud water over; To tread — = watertreden; This kept my head above — = deed mij in ’t leven blijven, redde mij; You must put on plenty of pace when riding at — = als je over een sloot moet springen To go by — = over zee gaan; To convey by — = per scheepsgelegenheid vervoeren; For all —s = van alle markten thuis; We were in deep —(s) = in een moeilijke positie; You have got into hot — = gij zit er leelijk in; Champagne flowed like —; To spend money like —; My mouth —s = het water loopt me om de tanden; The flowers were —d = werden begoten; To — horses = water geven; It made my mouth — = het deed me watertanden; To set a person’s mouth —ing = doen watertanden; After —ing we sailed away = nadat wij versch water ingenomen hadden; —-back = warmwaterbak of reservoir in een fornuis; —-bailiff = soort kommies, vroeger opzichter der visscherij: —-bath = waterbad; —-bearer = Waterman (Dierenriem); —-bed = waterbed; —-bottle = karaf; —-buck = waterbok (Z.-Afr.); —-bug = watertor; —-butt = water- of regenton; —-carriage = vervoer te water; —-cart = sproeiwagen; —-closet = closet, W.C.; —-cock = waterkraan; waterhoen; —-colour = waterverf, schilderij in waterverf = Painting in —-colours; —-colourist = waterverfschilder; —course = stroompje, stroom, waterloop; —-craft = schepen, booten, enz.; —-crane = waterpomp (voor een locomotief); —-cress = waterkers; —-crowfoot = water-boterbloem; —-cure = waterkuur: —-cure establishment; —-deck = waterdicht dek voor een huzarenpaard; —-dog = waterhond; —-drain = draineerbuis; —-drainage = draineering; —-dray = soort zolderschuit; —-dressing = koudwatercompres; —-drop = droppel water, traan; —-engine = schepmolen; —fall = waterval; —-flag = gele lisch; —-flea = watervloo; —-flood = overstrooming; —-fly = oevervlieg; —-fowl = watervogel; —-furrow, subst. voor of greppel om water af te voeren; — verb. draineeren door greppels; —-gall = gat in den grond door hevigen regen; bijregenboog; —-gas = watergas; —-gate = sluis, vloeddeur, waterpoort; —-gauge = peilglas; —-gilder = iemand die de kunst verstaat van —-gilding = watervergulding; —-gruel = watergruwel; —-gruelish, flauw, smakeloos; —-hen = waterhoen (-hennetje); —-kelpie = watergeest; —-level = waterstand, waterpas-instrument; —-level-line = waterpeil; —-lily = waterlelie, plomp; —-line = waterlijn (diepgang van een schip); —-logged = vol water geloopen door een lek en daardoor ten prooi aan golven en stroom; —-lot = onder water staand bouwterrein (Amer.); —-man = schuiten voerder, jolleman, waterman (die de huurpaarden op hun standplaats van water voorziet); blauw zijden halsdoek; —-mark = watermerk, waterhoogte, waterpeil; —-meadow = weide die door irrigatie besproeid kan worden; —-melon = watermeloen; —-meter = watermeter; —-mill = watermolen; —-nymph = najade; —-omnibus = trekschuit; —-ordeal = waterproef; —-parsnip = breedbladige watereppe; —-pitcher = waterkan; —-plant = waterplant; —-poise = hydrometer, waterpas; —-pot = waterpot, waterkan; —-power = waterkracht; —-pox = waterpokken; —proof, subst. voor water ondoordringbare stof of jas; adj. tegen water bestand; — verb. ondoordringbaar maken voor water; —-ram = hydraulische ram; —-rat = waterrat; —-rate = waterbelasting; —-ret = —-rot; —-rocket = waterrot (vuurwerk); —-rot = roten; —-scape = rivier- of zeegezicht (schilderij); —shed = waterscheiding; —side = waterkant; —-snake = waterslang; —souchy. Zie Zoutch; —-spaniel = waterhond; —-spout = waterpijp, spuwertje, waterstraal, waterhoos; —-supply = wateraanvoer; —-tank = reservoir; —-tap = waterkraan; —-tight = waterdicht; —-vole = waterrat; —-wagtail = gele kwikstaart; —way = waterloop, waterweg, vaarwater; —-weed = waterpest; —-wheel = scheprad; —-works = de waterleiding (ook met fonteinen, etc.); —-worn = door het water gerond of afgesleten; —age, wôtəridž, loon voor vervoer te water; —ed = gewaterd, moiré: A —ed-down belief = verwaterd; Watering: —-can = gieter; —-call = hoornsignaal om de paarden te drenken; —-cart = sproeiwagen; —-place = wed, plaats om water in te nemen, badplaats; —-pot = gieter; —-trough = drinkbak (voor paarden); Waterish = waterig, vochtig, verwaterd; subst. —ness; Waterless = droog, zonder water. Zie Watery.

Waterloo, wôtelû.

Watery, wotəri, waterachtig, waterig, smakeloos, flauw: — eye = vochtig oog; — kingdom = de zee.

Watson, wots’n; Watt(s), wot(s).

Wattle, wot’l, subst. horde van twijg of teen, deklat, takje, teenen twijgje, lel van haan of kalkoen, baarddraad van visschen, soort v. acacia (Australië); — verb. met teenen twijgjes binden of vlechten, met eene horde omringen; —-bark = bast der Austral. acacia; —-bird = soort bijenwolf; —-work = werk van gevlochten teen; —d; Wattling and daubing = het bouwen van hutten van gevlochten twijgen en leem.

Waugh, wô.

Waul, wôl, krollen, janken, gillen.

Wave, weiv, subst. golf, baar, golvende lijn op stoffen, moiré-zijde, enz., golving, sein (door wuiven); — verb. golven, wapperen, wenken, wuiven, wateren, moireeren: The ship was tossed on (by) the —s = op (door) de golven geslingerd; He —d his hand and motioned me to a chair = hij wuifde met zijne hand; —-length = afstand tusschen twee golven; —-motion = golvende beweging; —-offering = beweegoffer (Levit. VIII, 27); —-shell = golving (bij aardbevingen); —-worn = door de golven afgesleten of gerond; —d = gegolfd, gewaterd; —less = kalm, rustig, onbewogen, zonder golfslag; —let = golfje, rimpel; —like = golvend.

Waver, weivə, weifelen, aarzelen, waggelen, flikkeren: I — in my conviction = mijne overtuiging raakt aan het wankelen; —er = weifelaar, besluitelooze; —ous, —y = weifelend.

Waverley, weivəli.

Waveson, weivs’n, wrakhout, strandgoed.

Waviness, weivinəs, subst. v. Wavy = golvend, op en neer gaand, gegolfd.

Wax, waks, was, lak; woede; wasachtige afscheiding, oorsmeer, pik; — verb. met was bestrijken, wrijven, lakken; wassen, toenemen, grooter worden: As close (tight) as — = zoo dicht als een pot; He sticks to me like — = hij hangt aan me als een klit; There is a man of — = jij bent een beste kerel; A stick of sealing-— = pijp lak; His eyes are —ing dim = worden dof; —-candle = waskaars; —-chandler = waskaarsenmaker; —-cloth = wasdoek; —-doll = wassen pop; —(ed)-end = met was bestreken naai- en schoenmakersgaren, pikdraad; —-flower = kunstbloem (van was); —-light = waskaars; —-light coil = ineengedraaide waslont (om lichten aan te steken); —-match = waslucifer; —-model(l)ing = het maken van figuren of beelden (in was); —-taper = waskaars; —-tree = pruikenboom; —-vesta = waslucifer; —-wick = waspit; —work = wassenbeelden, anatomische preparaten v. was: Madame Tussaud’s —works (familiaar: —ers) = Mevr. T.’s wassenbeeldengalerij; The —work room = wassenbeeldenzaal; —worker = die in was werkt, bij; —ed = gewast; —en = van was, wasachtig, week als was; —iness, subst. v. —y = als was, met was, wasachtig, toornig, meegaand; stijf.

Way, wei, subst. weg, voortgang, reis, levensloop, afstand, plan, manier, wijze, opzicht, kijk, spoed of beweegkracht, gebruik, gewoonte, aanloop, middel, vak: He has a — with him = hij heeft zoo iets over zich; Where there is a will there is a — = willen is kunnen; That’s the — = zóó moet het, zoo gaat ie goed; It’s that —, is it? = ah! zit de vork zóó in den steel; That’s the — of wives = zoo doen onze vrouwtjes; It is the other — about (round) = het is juist andersom, omgekeerd; — in, — out = ingang, uitgang (opschrift op een bordje of plank); He told me so by the — = in ’t voorbijgaan, tusschen haakjes; I send you my photo by — of apology = bij wijze van excuus; That is by — of learning a trade = het is met het doel om; We went there by — of Cologne = via Keulen; It is not the first time by a long — = op lange na de eerste maal niet; For once in a — = bij uitzondering, voor een enkelen keer; You are very much in my — = ge hindert me erg, staat me leelijk in den weg; Take the old home in your — for a wedding-trip = maak uwe huwelijksreis zóó, dat ge ’t oude huis kunt bezoeken; In a general — = over ’t algemeen; The picture is, in a —, finished = in zekeren zin; Have you nothing for me in the — of a parcel? = geen enkel pakje; That is rather out of the — here = dat komt hier niet te pas, hoort hier niet; Will you get out of the —? = wil je maken, dat je weg komt; An out-of-the-— place = afgelegen plaats; I shall be glad to put myself out of the — on your account = mij om uwentwil wat last te getroosten; Such work is out of my — = ligt niet op mijn weg; He was put (got) out of the — = uit den weg geruimd; Keep out of harm’s — = zorg dat u niets kwaads overkomt; He went out of his — to inform me of it = gaf zich heel veel moeite; I won’t go out of my — to benefit you = wil geen moeite doen te uwen behoeve; He lives over the — = hier tegenover; The ship got under — (weigh) = ging anker op; We have enjoyed this right of — for ever so long = het recht om over dit pad te gaan; —s and means = bronnen van inkomsten: The committee of —s and means has granted the supply = de financieele commissie heeft het crediet toegestaan; Any — he didn’t know what to answer = in elk geval; He is in a bad — = er slecht aan toe; He has got into bad —s (fallen in evil —s) = op ’t verkeerde pad geraakt; You are wrong every — = in alle opzichten; She is in the family — = ze moet bevallen; The village lies half — between the towns = halverwege tusschen; He went London — = den weg naar Londen op; He begged his — back to his native village = ging al bedelende; Clear the —, there! = maak ruim baan; Come this —, sir = kom eens hier, baas(je); Come your —(s) = allo! ga mee; He elbowed his — through the crowd = baande zich een weg door; He got his own — = kreeg zijn zin; He went his —(s) = ging heen, vertrok; He has gone the — of all flesh (of all the earth) = hij is gestorven; His influence goes a long — with the minister = hij heeft veel invloed bij; He will always have his (own) — = zijn zin hebben; Will you lead the —? = vooropgaan; I had lost my — = ik was verdwaald; He is sure to make his — in the world = zal zijn weg wel vinden; At your age you must make (a) — for another = moet ge plaats maken, wijken; We made the best of our — home = maakten dat we zoo gauw mogelijk thuis kwamen; You must take your own — = gij moet zelf weten wat ge doet; He took his — to Antwerp = vertrok naar; interj. (= Away) weg: — back! = terug; Go (your) — = ga weg! Oh, do — John = Och toe, Jan, houd stil! (Launching) —s = stapelblokken (Scheepst.); —-bill = geleibrief, factuur, soort van vrachtbrief; lijst van de passagiers (in een diligence) of der goederen (in een vrachtwagen): Express, ordinary, parcel —-bill = lijst van de ijl-, vracht-, bestelgoederen; —-board = leemader; —-bread = groote weegbree; —farer = reiziger; —faring = het reizen; —faring-tree = wollige sneeuwbal; —going = vertrekkend, reis—: —going crop = oogst van het land die aan den opvolgenden pachter behoort; —(z)goose = jaarlijksche maaltijd aan de knechts eener drukkerij in Engel.; —lay, weilei, weilei, belagen, opwachten (om te bestelen, etc.); —layer = belager; —-leave = recht van overweg of vergoeding voor ’t gebruik; —-maker = baanbreker, voorlooper; —-mark = wegwijzer; —-passenger = onderweg opgenomen passagier (Amer.); —side, subst. weg, kant van den weg: Tales of a —side inn = verhalen in eene herberg aan den weg; —-station = tusschenstation (Amer.); —-warden = wegopzichter; —sore = —-worn = moe van het reizen.

Wayward = dwars, grillig, eigenzinnig; subst. —ness.

Waywode, weiwoud, gouverneur v. stad of provincie (Rusland); —-ship.

We, wî, wij: It is — = wij zijn het.

Weak, wîk, zwak, uitgeput, ziekelijk, niet sterk, broos, onvoldoende, gebrekkig: This coffee is as — as ditch-water = zoo slap als spoelwater; He is as — as water in his wife’s hands = als was in de handen van zijne vrouw; That is his — side and it is there you must take him = dat is zijne zwakke zijde; The — spot in the scheme = het zwakke punt; In the struggle for life the —est go to the wall = bezwijken de zwaksten; — verbs = zwakke werkwoorden; —-eyed = met zwakke oogen; —-headed = met gering verstand; —-hearted = flauwhartig; —-kneed = gemakkelijk bezwijkend, niet vastberaden; —-made = zwak gebouwd, onsterk; —-minded = zwak, besluiteloos; —-sighted = met een zwak gezicht; —-spirited = lafhartig, beschroomd; Weaken = verzwakken, verslappen, verdunnen; —er; Weakling = zwakkeling, bloed, stumperd, ook adj.; Weakly, adj. en adv. zwak, slapjes; Weakness = zwakheid, slapheid: To have a — for = zwak hebben voor.

Weal, wîl, subst. welzijn, geluk, gemeenebest; striem of streep, teeken van striemen; — verb. striemen: — and woe = wel en wee; The common, general, public — = het algemeene welzijn of nut.

Wealth, welth, rijkdom, overvloed = —iness; adj. —y = rijk.

Weald, wîld, open boschland: The — = zich door Kent en Surrey uitstrekkende vlakte.

Wean, wîn, spenen, afwennen, vervreemden, onttroggelen: She had no desire to — him from Bessie = aan B. te onttroggelen; —ling, subst. gespeend kind of jong; adj. pas gespeend.

Weapon, wep’n, wapen, doorn, prikkel: I had no — handy but a poker = een pook was het eenige wapen dat ik bij de hand had; “Hands up, —s down” = handen omhoog, wapens neerleggen! —ed = gewapend, toegerust; —less = ongewapend.

Wear, wîə.

Wear, wêə, subst. het dragen of gedragen zijn, dracht, slijtage, mode; — verb. dragen, slijten, afslijten, doorbrengen, vernielen, uitputten, wenden of ophalzen (van een schip): The building and its ornaments had suffered much from the — and tear of time = door den tand des tijds; There is yet a good year’s — in that coat = die jas kan nog best een jaar gedragen worden; To be very little the worse for — = nog niet veel versleten; To be all the — = algemeen gedragen worden; She —s the breeches = heeft de broek aan, is de baas; He wore a look of amazement = keek verbaasd; She carried a mantle to — it in the night-time = zij had een mantel over den arm, om dien ’s avonds te dragen; You — your sweet smile to day = hebt uw vriendelijken glimlach; To — the willow = om de(n) geliefde treuren; Time has worn away most of the inscription = afgesleten; The night wore itself away = ging langzaam voorbij; One way and another the day —s away = op de een of andere manier komen we den dag door; These marks will never — away = zullen nooit weer uitslijten; The water has worn off the stone = rond gesleten; All his wild pranks will — off with time = al zijne wilde streken zullen er met den tijd wel uitgaan; Time wore on = ging voorbij; To — out = afdragen, uitputten, uitmergelen, afmatten, doorbrengen: I was worn (out) with fatigue = kapot van, uitgeput; To — ill = zich slecht houden; His patience is wearing thin = raakt op; This cloth —s well = houdt zich goed in het dragen; You — (your age) well = gij houdt u goed voor uw leeftijd; —able = geschikt om te dragen; —er = drager, wat uitslijt; —ing: —ing-apparel = lijfdracht, kleederen.

Weariness, wîrinəs, vermoeidheid; Wearisome = vermoeiend, vervelend; subst. —ness; Weary, wîri, adj. vermoeid, moede, vermoeiend, bezwaarlijk; — verb. vermoeien, moe worden, afmatten, vervelen, hinderen, hunkeren naar (for): I am — of working = het werken moe; I am — with working = moe van het werken; I soon wearied of (zelden with) the same succession of fields and houses = spoedig verveelde mij; The soldiers were wearied out = geheel uitgeput; To be wearied out of patience = zijn geduld verliezen.

Weasand, wîz’nd, luchtpijp.

Weasel, wîz’l, wezel: Catch a — asleep! = jij zult mij te pakken nemen! —-faced = met een scherp en mager gezicht.

Weather, wedhə, subst. weder of weer; — verb. zich goed houden, weerstaan, doorstaan, (laten) verweeren, overwinnen, te loever omzeilen: Fair, fine, settled — = mooi, bestendig; Foul, Wild — = slecht, onstuimig; How is the —? = What is the — like? = wat voor weer is het; The ship was under a stress of — = had met hevige stormen te kampen; The — has been very settled these three weeks = wij hebben de laatste drie weken vast weer; The cold — at last breaks = ten slotte slaat het weer om; The ship makes good (bad) — = houdt zich goed (slecht) in een storm; To sing and dance all —s = de huik naar den wind hangen; — and wind permitting = wind en weder dienende; To — a cape = bovenlangs zeilen; To — a point = bovenlangs zeilen; winnen trots tegenstand of moeilijkheden; To — a ship = de loef afsteken; This ship is sure to — (out) the storm = dit schip zal bepaald den storm doorkomen, zich goed houden in; —-anchor = anker aan de windzijde; —-beaten = door stormen geteisterd, verweerd: A —-beaten coast, face = eene door stormen geteisterde kust, verweerd gelaat; —-bitten = verweerd; —-board, subst. windzijde, plank gespijkerd over de stukpoorten v. een opgelegd schip; rand aan een raam voor het afvloeien v. water (= —-boarding); — verb. planken over elkander spijkeren tegen het doordringen van regen, sneeuw, etc.; —-bound = door het weer teruggehouden of opgehouden; —-box = weerhuisje; —-breeder = een mooie dag waarop zich een onweder schijnt samen te pakken; —-cloth = verschansingskleed, presenning; —cock = weerhaan, wispelturig persoon: She is rather —cocky = wispelturig; —-eye: He keeps his —-eye open = hij is op zijn hoede, hij weet drommels goed wat hij doet; —-fish = modderkruiper; —-ga(u)ge, loef, voordeel: To get the —-gauge of a person = iemand de loef afsteken; —-glass = weerglas; —-house = weerhuisje; —-mo(u)ldings = overhangende lijst (boven deur of venster); —-proof = tegen het weer bestand; —-prophet = weervoorspeller; —-quarter = loefzijde, windkant; —-report = weerbericht; —-roll = het overhalen van het schip naar loefzijde; —-side = loefzijde; —-strip = tochtlat; —-tide = stroom of tij van uit de lijzijde; —-vane = windwijzer; —-wise = weerkundig; —-worn = verweerd; —ed = door het weer geteisterd, verweerd; —ing = verweering; glooiing, afwatering; —ly = loefgierig.

Weave, wîv, weven, samenweven, verzinnen, smeden: To — all pieces on the same loom = alles over één kam scheren; Weaver = wever; —-bird = wever(vogel); draaikever; —-fish = pieterman; —’s shuttle = weversspoeltje; Weaving: —-loom = weefgetouw.

Weazen, wîz’n, verwelkt, verdroogd, mager: A —, piping, shrill Hurrah! = een scherp, pieperig, schel Hoera! —-faced = met mager, uitgedroogd gelaat; zie Wizen.

Web, web, subst. weefsel, (spinne)web, baard, groote rol papier, vlies voor het oog, zwemvlies; — verb. als met een weefsel bedekken; —-eye = nagelvlies op het oog; —-foot = zwempoot; —-footed = met zwempooten; Webbed = met zwemvliezen: — feet; Webbing = geweven banden voor gordels, etc.

Wed, wed, huwen, trouwen, vereenigen, nauw verbinden, samensnoeren: He has been —ded to truth from his infancy = de waarheid is zijne leidsvrouw geweest; Wedding = huwelijksfeest, trouwfeest, bruiloft: It was only a marriage and no —, there was no breakfast and no feasting = het was slechts eene huwelijksplechtigheid zonder feestelijkheden, etc.; Silver, golden, diamond — = 25-, 50-, 60-jarige bruiloft; Paper, wooden, tin, crystal, china — = 1-, 5-, 10-, 15-, 20-jarige bruiloft; —-breakfast = lunch na de huwelijksvoltrekking; —-cake = bruiloftstaart; —-card = huwelijkscommunicatie; —-day = trouwdag; —-dower = huwelijksgift; —-favours = rozetten door de bedienden gedragen; —-feast = huwelijksfeest; —-garment; —-gown; —-ring = trouwring; —-tour, —-trip = huwelijksreis(je).

Wedge, wedž, subst. wig, keg, klomp, staaf; de laatste op de lijst bij het Classical Tripos (het B.A. examen for honours in classieke talen te Cambridge); — verb. met geweld indrijven of inbrengen, met eene wig of wiggen bevestigen, splijten, spouwen: Take care (beware) of the thin (small) end of the — = hoed u voor den eersten stap; To — one’s way = dringen door; —-bone = wiggebeen; —-inscription = opschrift in spijkerschrift; —-shaped = wigvormig = —wise.

Wedgwood ware, wedžwudwêə, soort aardewerk, genoemd naar den uitvinder Josiah Wedgwood (1730–95).

Wedlock wedlok, huwelijk: Born out of — = buiten huwelijk geboren; To enter upon — = in ’t huwelijk treden.

Wednesbury, wenzb’ri.

Wednesday, wenzdi, Woensdag.

Wee, wî, klein: A — bit = een klein beetje.

Weed, wîd, subst. onkruid (ook fig.); tabak, sigaar; voor de fokkerij ongeschikt dier, paard dat “volbloed” lijkt, doch niet is; kleed(ing); kleed (meest —s); — verb. wieden, uitroeien, uitrukken: Are you a lover of the —? = rookt gij graag; Ill —s grow apace (never wither) = onkruid vergaat niet; She was dressed in her (mourning) —s = in haar weduwenrouw; Many defects will have to be —ed out first = uitgeroeid; —-grown = met onkruid begroeid; —(ing)-hook = wiedijzer; —-prairie = prairieland met veel wilde bloemen en struiken; —er = wieder, werktuig of ijzer om mee te wieden; Weeding: —-shears = wiedschaar; —-tongs (—-forceps) = wiedtang; Weediness, subst. v. Weedy = vol onkruid; lang opgeschoten, slap, waardeloos als fok- en renpaard; sjofel.

Week, wîk, week: Will you come a — from Sunday = Zondag over eene week; Next —, Last — = aanstaande, verleden week; The last — = de laatste week; The next — = de volgende week; Next — or — after = de volgende week of de week daarna; To-day (This day) — = vandaag over acht dagen; — and — about = om de andere week; — in, — out = week in, week uit; I’ll call again a — or ten days after this = ik kom over een dag of acht, negen nog wel eens weer aan; A prophetic — = zeven jaren; —day = werkdag; —-end = van Zaterdag tot Maandagmorgen; Weekly, subst. en adj. wekelijksch (tijdschrift); adv. elke week, wekelijks.

Ween, wîn, denken, wanen, meenen.

Weep, wîp, subst. het schreien; — verb. schreien, weenen, beweenen, beklagen, druppelen, vochtig zijn: She had a private — = schreide in haar ééntje; He wept for joy = hij schreide van vreugde; They wept over their losses = schreiden bij (om) hun verlies; Weeper = weener, klager, witte rouwband om den arm, lang rouwfloers aan den hoed, rouwsluier, lange baard (= —ers); Amer. bruine aap: Drooping whiskers of the kind that used to be called Piccadilly —ers; Weeping: —-ash = treuresch; —-birch = treurberk; —-elm; —-rock = dropsteen; —-spring = sijpelende bron; —-tree = treurboom; —-willow = treurwilg.

Weet, wît, watersnip, riethoen.

Weever, wîvə, pieterman (visch).

Weevil, wîvil, soort snuitkever, kalander, koornworm; —led —(l)y = vol wormen.

Weft, weft, inslag, weefsel.

Weigh, wei, subst. zeker gewicht (van wol ± 82,554 K.G.; van koren ± 1453,946 L.; Zie Wey); — verb. wegen, opheffen, opwegen, toewegen, overwegen, neerbuigen, van gewicht zijn, gelden, schatten, hoogachten: We are getting under — at last = eindelijk gaan we anker op, op weg; He was —ed and found wanting = gewogen en te licht bevonden; I have been —ing it carefully = zorgvuldig overwogen; They —ed anchor = zij lichtten het anker; His great responsibility —ed him down = drukte hem; The flour was —ed out to the poor women = toegewogen; That does not — (with him) = dat beteekent niets (bij hem); —-bridge = brugbalans; —able = weegbaar; —age, weiidž = weegloon; waaggeld; —er = weger; Weighing: —-house = waag; —-machine = bascule; Weight, subst. gewicht, zwaarte, druk, last, belangrijkheid, invloed; — verb. gewicht of zwaarte toevoegen aan, bezwaren: Brute, Gross — = bruto gewicht; Dead — = zware last, onnutte last, eigen gewicht (van vat, etc.); Net — = netto gewicht; Set of —s = stel; He is a person of some — = beteekent vrij wat, heeft invloed of aanzien; The jovial light — became a serious man = het vroolijke zieltje-zonder-zorg; You have given me short — = gij hebt mij te weinig gewicht gegeven; That has no — with me = weegt niet bij mij; It has a special — just now = is thans van bijzonder gewicht; This book is worth its — in gold = is zijn gewicht in goud waard; To carry great — = van veel gewicht zijn; This I give you only to make — = om het gewicht vol te maken; To pull up the —s of the clock; His mind must not be —ed with all that stuff = niet bezwaard worden; His words were —ed with the sorrow of parting = waren droevig door; Weightiness, subst. v. Weighty = gewichtig, zwaar, belangrijk, overtuigend, drukkend.

Weir, wîə, waterkeering of dam, omheining van palen of netten in eene rivier om visch te vangen.

Weird, wîəd, onheilspellend, akelig, somber, bovenaardsch; subst. noodlot, voorspelling, betoovering: — Sisters = schikgodinnen; (= —s); To dree one’s — = zich in zijn lot schikken (Schotl.).

Welch, welš, bedriegen, er van door gaan met de ingezette weddingschappen; —er.

Welcome, welk’m, subst. welkom, vriendelijke ontvangst; adj. welkom; — verb. verwelkomen: Most — home = hartelijk welkom thuis; And — = en van harte; You are quite — to it = het is tot je dienst, je moogt het gerust aannemen; You are — to go = gij kunt om mij wel gaan; He might have died and — = om mijn part was hij doodgegaan; To bid — = welkom heeten; He made us — = hij bereidde ons eene vriendelijke ontvangst; To outstay one’s — = langer blijven dan den gastheer aangenaam is; —r = die verwelkomt of vriendelijk ontvangt.

Weld, weld, subst. wouw of verf-reseda; het wellen (v. metalen); — verb. wellen, nauw verbinden: His statements are not thrown together, but properly —ed = maar zitten behoorlijk in elkaar; —able = wat geweld kan worden; —er = wie welt; A —ing heat came from the furnace = eene verschrikkelijke hitte; —ing-furnace.

Welfare, welfêə, welvaart, voorspoed.

Welkin, welkin, hemelgewelf, zwerk.

Well, wel, subst. wel, put, bron, ijskelder (fig.), trappenhuis, advocatenbank in de rechtszaal, wagenbak, bun of vischkaar; — verb. opwellen, ontspringen, vloeien: The — of a carriage = flesschenkeldertje van een wagen; The — of an orchestra = zitplaats (in een theater) voor het orkest; She is at the —s = gebruikt de wateren; Tears would — (up) into her eyes = welden dan op in hare oogen; The —ing tears suffused her eyes = de opwellende tranen; —-boat = visschersschuit met bun; —-deck = deel van het dek tusschen bak en groote hut; —-drain = draineerbuis; — verb. draineeren; —-head = bron, oorsprong, bronwel; —-hole = ruimte voor ascenseur of wenteltrap; —-room = drinkvertrek (van geneeskrachtige wateren), hoosgat; —-sinker = putgraver, -boorder; —-spring = bron; —-staircase = wenteltrap; —-sweep = lange stok om water te putten; —-water = wel- of bronwater.

Well, wel, adj. wel, juist, goed, gezond; adv. goed, wel, gezond, gelukkig, geheel en al, ten volle: I am very — = ik ben heel goed; I am — with that family = op goeden voet; It is — with = staat goed met; Where it is — with me, there is my country = waar het mij goed gaat; That’s — = in orde; It is all very — for B. to talk of burning the books = B. kan wel zeggen, dat..; It is always — to look ahead = het is altijd goed om; When the old die, it is —, they have had their time = is het maar goed; Ah, life is delicious; — to live long! hoe heerlijk is het; The — and the ailing = gezonden; —, I never = heb ik ooit van m’n leven! —! = welnu! Hoe staat het? etc.; — done = Bravo! All’s — that ends — = eind goed al goed; Leave — alone = het betere is de vijand van het goede, begeer niet het onderste uit de kan; You had as — stay at home = ge deedt net zoo goed; He is virtuous as — as rich = zoowel … als; You may — say so = dat zegt gij wél; All — and good = alles goed en wel; If you have some better engagement — and good = enfin, dan is het niet anders; He was sitting — back in his arm-chair = flink, ver achterover; The servant is — enough, but = vrij goed; The clergy are — to the fore in this novel = spelen eene eerste rol; He is — nigh sixty = welhaast; To be —-off = goed “af” zijn, het goed hebben; To be —-off for = goed voorzien van; At six we were — on our way = een heel eind op weg; We are — on in July = een groot deel van Juli is al om; To be — out of = gelukkig af zijn van; Before he was — out of the room = goed en wel de kamer uit was; —-a-day = helaas! —-advised = goed geraden, welonderricht; —-affected = genegen, welgezind; —-appointed = volledig uitgerust, keurig ingericht; —-authenticated = door goede autoriteit gestaafd; —-balanced = evenredig, gelijkmatig; —-behaved = van goed gedrag, fatsoenlijk; —-being = welzijn; —-beloved = veelgeliefd, dierbaar; —-born = van goede geboorte; —-bred = beschaafd, welopgevoed, van goede afstamming; —-chosen = juist gekozen; —-conditioned = in goeden staat; —-content(ed) = gelukkig, tevreden; —-derived = van goede afkomst; —-deserving = verdienstelijk; —-disposed = welgezind; —-doing = plichtsbetrachting, rechtschapenheid; —-dressed; —-educated; —-favoured = knap uitziend; —-fed; —-founded = op goede gronden steunend; —-informed = goed op de hoogte; —-knit = krachtig gebouwd, wat goed in elkaar zit; —-known = (wel)bekend; —-lined = goed gevoed, flink gespekt (fig.); —-mannered = van goede manieren, welgemanierd; —-meaning = welmeenend, goedig; ook subst.; —-meant = oprecht, hartelijk; —-met = heil, welkom; —nigh = bijna; —-paid = goed betaald; —-proportioned = goed geëvenredigd; —-read = belezen; —-refined = hoogst beschaafd; —-remembered = welbekend; —-reputed = te goeder naam bekend, beroemd; —-seasoned = goed gekruid, goed gedroogd (hout): An army of —-seasoned soldiers = beproefde soldaten; —-set = goed geplaatst, gespierd, krachtig gebouwd; —-spoken = vriendelijk; —-thumbed = beduimeld, veel gelezen; —-timed = tijdig; —-to-do = welgesteld: The —-to-do = de gegoede burgerstand; —-wisher = wie een ander het goede toewenscht of het goed met hem meent; —-won = eerlijk verdiend; —-worn = afgedragen, versleten, druk betreden.

Wellesley, welzli; Wellington, weliŋt’n: — (boot) = laars met lange schacht.

Welsh, welš, subst. en adj. (taal of bewoners) van Wales: —-flannel = fijne soort v. flanel; —man = inwoner van Wallis; —-rabbit, —-rarebit, Zie Rabbit; —-wig = kalotje (van wol of sajet); —woman.

Welsh, welš, zie Welch(er).

Welt, welt, subst. boordsel, reepje leer tusschen bovenleer en zool; striem, buil, houw, slag; — verb. boorden, afzetten, ranselen, verwelken, slap (kleverig) worden: Shoes worn to the — = totaal afgedragen.

Welter, weltə, subst. rollen (der golven), verwarring, poel; — verb. zich wentelen, rollen, baden; —-race = rennen met de zwaarste belasting; —-weight = zware belasting, zwaar gewicht (worstelen).

Wemyss, wîmz.

Wen, wen, wen, uitwas.

Wench, wenš, jong meisje of jonge vrouw, negerin (Amer.); meid, boel; — verb. boeleeren; —er = boeleerder.

Wend, wend, gaan, zich begeven naar: We —ed our way to the town = begaven ons.

Wend, wend; —ic; —ish, subst. en adj. (taal) van de Wenden.

Went, went, imperf. van to go.

Wentletrap, went’ltrap, wenteltrap (slak).

Wept, wept, imperf. en p.p. van to weep.

Were, wɐ̂, wêə, imperf. van to be.

We’re, wîə = we are.

Wer(e)gild, wɐ̂gild, weergeld.

Wer(e)wolf, wɐ̂wulf, weerwolf.

Wert, wɐ̂t, 2e pers. sing. imp. van to be.

Wesley, wezli, Wesley: Wesleyan, subst. en adj. (lid van de secte) door W. gesticht; —ism.

West, west, subst. Westen; adj westelijk; adv. ten westen, naar het westen: The — End = Westeinde, aristocratische wijk in Londen; A —-ender = bewoner van ’t Westeinde; — India; — Indian; The — Indies; To the — of the city = ten westen van de stad; —ering = afstand naar het westen, westelijke koers; —erly = westelijk; Western = westersch, westelijk: The — Empire = het Westersch-Romeinsche rijk; —most = het meest naar het Westen gelegen. Zie Westward.

Westmeath, westmîdh; Westminster, wes(t)minstə; Westmor(e)land, wes(t)möland; Westphalia, westfeiljə, Westfalen; Westphalian, subst. en adj. (bewoner) van W.

Westward, westwəd, naar het Westen, westwaartsch; —s = ten westen, westwaarts.

Wet, wet, subst. vocht, nat, vochtig weer, regen, slokje, “hapje”; adj. nat, vochtig, regenachtig, miezerig, beneveld; — verb. bevochtigen, nat maken, weeken, doorweeken, dronken maken: Have a — = neem een “hapje”; Something to keep the — out = een hapje tegen de vochtigheid van ’t weer; I am — through = doornat; Her face was — with tears = nat van tranen; A very — jew = een echte “spekjood”; To have a — night of it = flink drinken; At eleven o’clock sharp, — or fine = bij regen of mooi weer; — the other eye! = op één been kan men niet loopen; He is a —-blanket = hij is een spelbederver; He is a —-bob = jongen (te Eton) die aan watersport doet; —-dock = drijvend dok; —-nurse = min; —-pack = natte omslag; —-shod = met lekke schoenen; —ness = natheid; To get a —ting = nat regenen; —tish = nattig, eenigszins vochtig.

Wether, wedhə, hamel: Bell-— = belhamel (ook fig.).

Wetteravia, wetəreivjə, Wetterau.

Wey, wei, zekere maat (zie Weigh).

Weymouth, weiməth.

Whack, wak, subst. slag, opstopper, handslag, aandeel in den buit, poging; — verb. ranselen, verdeelen, betalen; interj. pats! To go —s = gelijk op deelen; He has had his — = zijn deel gehad, genoten; Say the word and it is a — = en de koop is gesloten; To take a — at = eens probeeren; Out of — = in wanorde; Justice was not fairly —ed out = toebedeeld; Whacker = infame leugen; Whacking = kolossaal.

Whale, weil, walvisch: Your story is very like a — = uw verhaal is heel onwaarschijnlijk, niet te gelooven; —-bird = soort stormvogel; —-boat = walvischsloep; —-bone = balein; —-fin = balein; —-fishery = walvischvangst; —-hunting = walvischvaart; —-louse = parasiet van den walvisch; —-man = walvischvaarder; —-oil = walvischtraan; —-ship = Groenlandsvaarder; —r = walvischvaarder; iets groots of plomps; Whaling: —-master, kapitein van een —-ship.

Whall, wôl, glasoog (Z. Wall).

Whalley, woli.

Whame, weim, horsel = —-fly.

Whang, waŋ, subst. leeren riem, geesel, slag, bons, stuk of snede; — verb. ranselen, geeselen.

Whap, wop; Zie Whop.

Wharf, wöf, subst. werf, kaai; — verb. lossen, vertuien; —age, wöfidž, kaaigeld, (= —-charges), werven, ankerplaats; —-porter = sjouwerman; —ing = werven in ’t algemeen, los- of ligplaats; Wharfinger, wöfinžə, kaaimeester.

Wharton, wöt’n.

What, wot, wat, wat voor, welk, hetgeen, hoe, zulks, deels: — day of the month is to-day? = de hoeveelste is het vandaag; — is the game? = hoe staat de partij; — is your name? = hoe heet ge; — is the (best) news = wat voor nieuws is er; — is the time (of day), — time is it? = hoe laat is het; — is up there? = wat is daar aan de hand; — do you call that? = hoe noemt ge dat? Mr. —-do-you-call-him = Meneer van der Hummes; — money have you got? = hoeveel geld heb je; He gave away — money he had = al het geld; I will tell you — = ik zal je eens wat zeggen; — ho! = hei daar! — next? = en dan; — of that = wat doet dat er toe; — then? = wat zou dat; — matter if they are = en wat doet het er toe of …; — nonsense = wat een onzin; It won’t do to get into a groove, —? = niet waar? — about him? = hoe gaat het hem; He got — for = kreeg er van; — if he comes = wat zullen we doen zoo hij komt, als hij nu eens komt; — (care) though I am but poor? = wat hindert het; — though he comes = aangenomen (wat hindert het); — between … and = deels door … deels door = — with … — with; He called me fool and — not = en wat al niet; He knows — is — = hij heeft zijn weetje wel; —e’er, —ever, —soever = al wat, wat ook, hoedanig ook: —ever is that on your head? = wat drommel heb je toch op je hoofd; Nobody —ever = niemand wie ook; —like = van welken aard.

Whatnot, wotnot, étagère.

Whaup, wôp, wulp.

Wheal, wîl, puistje, striem; mijn.

Wheat, wît, tarwe: Bearded — = spelt; —ear = tapuit (vogel); —-ear = tarweaar; —-moth, (—-worm) = korenworm; —en = van tarwe: —en bread = tarwebrood.

Wheedle, wîd’l, flikflooien, vleien, bepraten: He —d me out of 5 pounds, —d me into lending him that sum = hij kreeg er mij door mooie praatjes toe, hem vijf pond te geven, leenen; He could — the tire off a cart-wheel (He could — a horse’s hind leg off) = hij kon je het hemd van ’t lijf bedelen; —r = vleier, flikflooier.

Wheel, wîl, subst. wiel, rad, stuurrad, rijwiel, vuurrad, rad van fortuin, cirkelgang, zwenking, schijf; — verb. wentelen, ronddraaien, op raderen vervoeren, in een cirkel bewegen, van raderen voorzien, om eene as draaien, wenden, kruien, zwenken, (wiel)rijden: He was broken upon the — = werd geradbraakt; To grease the —s (fig.) = de hand stoppen; To help the — over = over het doode punt heen helpen; To put one’s shoulder to the — = flink aanpakken; He put a spoke in your — = hij heeft u een spaak in ’t wiel gestoken, in de wielen gereden; I feel myself to be a fifth — to the coach = dat ik het vijfde rad aan den wagen ben; —s within —s = gecompliceerd plan, onduidelijke motieven; We were —ing along at a fast rate = snorden voort; — it back = rol het achteruit; —-animals, —-animalcules = raderdiertjes; —barrow = kruiwagen; —-boat = raderboot; —-carriage = voertuig op wielen; —-chair = rolstoel; —-cutter = radsnijder; —-drag = remschoen; —-horse = Wheeler; —man = roerganger, wielrijder; —-shaped = radvormig; —-steamer = raderboot; —-window = rozet; —woman = wielrijdster; —work = raderwerk; —wright = wagenmaker; —ed = op of met wielen, per as; Wheeler = wieldraaier, radermaker, wielrijder, disselpaard: The leaders and the —s = de voorste en de achterste paarden van een vierspan.

Wheeze, wîz, snuiven, zwaar ademhalen, hijgen; subst. snuiven; aardigheid; snufje: To crack a — = een mop tappen; A new — = een nieuw snufje; Wheezy = snuivend, hijgend, aamborstig.

Whelk, welk, puistje, striem; wulk (schelpd.).

Whelm, welm, overstelpen, indompelen, bedekken, verpletteren, vernietigen.

Whelp, welp, subst. jonge hond, welp, zoon, jonge man, guit; — verb. jongen werpen: Bitch in — = drachtige; —less.

When, wen, wanneer, toen, als: At the very time — he told me this = juist toen hij; Even — you told me so = juist toen; Since —? = sedert wanneer; Since — = sedert welken tijd; — due = op vervaltijd; — received = na ontvangst; — young = in mijn jeugd; —as = wanneer, terwijl; Whence = vanwaar, waaruit; —soever = waar ook vandaan; Whenever (—e’er) = wanneer ook, telkens wanneer = Whensoever.

Where, wêə, waar, waarheen, alwaar: — are you going? = waar gaat ge naar toe; I don’t know —all he is going = waar hij al … heengaat; —-about(s), adv. nabij welke plaats, waar ongeveer; subst. verblijfplaats, woonplaats, adres: We discovered the —-abouts of the missing lady = waar de vermiste dame was; I sent him to the —-about(s) = heb hem de laan uitgestuurd; —as = terwijl, daarentegen, aangezien, nademaal; —at = waarop; —by = waardoor, waarbij; —fore = waarom, met welk doel, zoodat; —in = waarin; —into = waarin; —ness = plaats waar zich iets bevindt; —of = waarvan; —on = waarop (= —upon); —soever = waar dan ook; —to, —unto = waarheen, waartoe, met welk doel; —ver, wêrevə, waar ook; —with = waarmede; —withal = waarmee; subst. middel (v. bestaan): He has not got the —withal to live = heeft geen middel van bestaan.

Wherry, weri, soort roeiboot, veerboot; soort cider; —-man = veerman.

Whet, wet, scherp maken, wetten, prikkelen, opwekken (v. eetlust, etc.); —-slate = oliesteen = —-stone-slate; —-stone = wetsteen, slijpsteen; —ter = slijper, slijpsteen.

Whether, wedhə, pron. welke van twee; coni. hetzij, of: — he come or go = hetzij hij kome of ga; — or no(t) = al of niet.

Whew, wjû, Poeh! Bah! Foei!

Whewell, wjû’l.

Whey, wei: —-cure; —-tub = weivat; —ey = —ish = weiachtig.

Which, witš, welk, hetwelk, die of dat, welke: — is yours? = welke (van deze) is van u; He knows — is — = kent ze uit elkaar, hij weet er alles van; Added to — = waar nog bij komt; —ever, —soever = welke ook.

Whiff, wif, subst. haal, trekje, ademtocht, haastige blik, soort van lichte roeiboot, soort scharretong; — verb. dampen, uitblazen v. rook: He got a — of the nice dish = kreeg in den neus; I will take a — or two = een paar trekjes doen.

Whiffle, wif’l, subst. fluitje; — verb. met rukken waaien, fluiten, telkens veranderen, uitvluchten maken, wegblazen, doen weifelen; —-tree = zwengelhout.

Whig, wig, subst. Whig, liberaal (van de oude school); adj. van de partij der Whigs; —gery = beginselen der Whigs = —gism; adj. —gish: subst. —gishness.

Whigging, wigiŋ: To give a person a — = afranselen, een schrobbeering geven.

While, wail, subst. tijd, tijdruimte, wijl, poos; — verb. verdrijven, korten; coni. terwijl, zoolang; —s = soms; The — = ondertusschen; In the mean— = middelerwijl; Quite a — = een tijd lang; A good (little) — ago = een heele poos (een poosje) geleden; It is hardly worth (your) — to look at = haast de moeite niet waard (dat gij …); He visits us between —s = zoo nu en dan; Listen for a — = een oogenblikje; I see your name in the papers once in a — = zoo nu en dan; She has got money to invest every once in a — (Am.) = telkens; Not yet a — = vooreerst niet; I have —d away my time in reading this book = mijn tijd gezellig doorgebracht met; Whilere, wailêə = Whilom, wail’m, wailoum, voorheen, vroeger; Whilst = terwijl: The — = ondertusschen.

Whim, wim, gril, kuur; windas, soort kaapstander, mijn: She is full of —s = vol kuren.

Whimbrel, wimbr’l, regenwulp of kleine wulp.

Whimper, wimpə, subst. gegrien, geteem; — verb. grienen, teemen: Without a — = zonder een kik te geven.

Whimsical, wimzik’l, grillig; Whimsicality = grilligheid = —ness; Whimsy = gril; adj. grillig.

Whin, win, gaspeldoorn; basalt (= —-stone); —-berry = blauwe boschbes; Red —-berry = roode boschbes; —chat = kleine walduiker; —ny = vol gaspeldoorns; vol basalt, basaltachtig. Zie Whinny.

Whine, wain, subst. gejammer, gekerm, geteem; — verb. jammeren, kermen, teemen; —r; In a whiney-piney voice = jankerig.

Whinny, wini, subst. gehinnik, gebriesch; — verb. brieschen, hinniken. Zie Whin.

Whip, wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.), schuim, pikeur, agenda door den Whip (= Whipper-in) gezonden; — verb. snel bewegen, snellen, wippen, springen, het snoer uitwerpen, hengelen in, afvisschen, overhands naaien, wikkelen, gappen, knuppelen, takelen, geeselen (ook fig.), zweepen, tot schuim slaan of kloppen: He is a passable — = vrij goed voerman; He rode to it — and spur = spoorslags; Crack (Smack) went the —s = de zweepen klapten; To crack (smack) a — = doen knallen; To — a custard = vlade klaarmaken, kloppen; Do you want me to help you to — the devil round the stump? = dat ik u zou helpen knoeien en bedriegen; We have —ped this part of the stream = afgevischt; It was —ped about (around) with brown paper = gewikkeld in; He —ped it from us = gapte het van ons; He —ped his head into the window = stak plotseling zijn hoofd naar binnen; The tooth was —ped out in less than no time = werd er uitgewipt; They —ped up the cherries = gapten weg; —ped cream = slagroom; —ped eggs = tot schuim geklopt eiwit; —-cord = zweepkoord, snaar; —-hand = rechterhand, voordeel, meerderheid: He did not frequently venture to take the —-hand of her = haar den boel uit de hand te nemen; As you have the —-hand of me, you may be as humorous as you please = daar je me in je macht hebt; —-handle: To have (keep) the —-handle = het heft in handen hebben (houden); —-lash = het slag v. eene zweep; —-saw = trekzaag; —-staff = helmhout; —-stitch = overhands naaien, innaaien, ondiep ploegen; subst. overhandsche steek; —-stock = zweepstok; Whipper (—ster) = geeselaar, zweeper, werkman, die de wipper bedient; —-in = pikeur, leider der honden bij een vossenjacht; invloedrijk parlementslid, dat o.a. zorgt dat zijne partij bij eene belangrijke stemming tegenwoordig is en aan wien in ’t algemeen de partijdiscipline is toevertrouwd; —-snapper = kereltje, nietig ventje; Whipping: —-post = geeselpaal; —-top = drijftol.

Whipple-tree, wip’ltrî = Whiffle-tree.

Whip-poor-will, wipûwil, soort geitenmelker.

Whir, wɐ̂, subst. gesnor, gegons (v. opvliegende vogels); — verb. snorren, gonzend of ruischend opvliegen; interj. rrrr!

Whirl, wɐ̂l, subst. warreling, draaikolk, snorren, kronkeling, krans; — verb. snel ronddraaien, in snellen draai medevoeren, dwarrelen, snorren: They were —ed away = snorden weg; We were quickly —ed back to D. = snorden terug; —pool = maalstroom, draaikolk; —wind = wervelwind: She was in a —wind of passion = werd voortgesleurd door haren hartstocht; —windish activity = onstuimige; —er = wie of wat ronddraait; Whirligig, wɐ̂ligig, draaitol, warreling, draaimolen, draaikever: The — of time = het snelle vlieden van den tijd; —-ventilator = ventilatierad.

Whish, wiš, sissen, suizen, suizend voortsnellen; interj. Sst.

Whisk, wisk, subst. boschje gras (stroo of haar), kleine borstel of bezem, eierklopper, veeg, slag (van een zweepkoord), windstoot; — verb. snel vegen of borstelen, kloppen, rondsnorren, zich snel bewegen: To — along = voortsnellen; To — away = wegvegen, snel afdoen, snel wegnemen, wegwippen; To — down = snel afrukken; To — off = snel wegvegen, afrukken; He —ed with his pocket-handkerchief at a fly = sloeg met.

Whisker(s), wiskə(z), bakkebaard(en), snor (van katten, enz.); —ed = met bakkebaarden.

Whisket, wiskət, mand, korf; kleine draaibank.

Whisk(e)y, wiski, korenbrandewijn of whisky; sjees voor één paard.

Whisp, wisp. Zie Wisp.

Whisper, wispə, subst. gefluister, geruisch, wenk; — verb. fluisteren, ruischen, suizen, influisteren: To give the — = een wenk (tip) geven (sport.); In a — = fluisterend; In a pig’s —, Zie Pig; The elder boy —ed the girl = fluisterde het meisje iets in; He —ed it in my ear = fluisterde het mij in ’t oor; —er = fluisteraar, oorblazer; Whispering: —-gallery (—-dome) = fluistergaanderij of -gewelf.

Whist, wist, subst. zeker kaartspel; interj. St! Stil: Hold your —, Sir! = je mond; —-drive = whistpartij (vaak om prijzen).

Whistle, wis’l, subst. gefluit, fluitje, keel; — verb. fluiten, gieren, schel geluid voortbrengen: It is not worth the — = niet noemenswaard; Not to care a penny — for = geen lor geven om; You pay (too) dear for your — = betaalt uwe liefhebberijen duur; I’ll wet my — first = ik moet eerst mijn keel eens smeren; He can — back the parrot’s call = precies nadoen; She —d her lover down the wind = wou niet meer van hem weten; With this experience everything he had ever cared for was —d down the wind = voor goed voorbij, verdwenen; You may — for it = ge kunt ernaar fluiten; He has been whistling for a wind = hij heeft door fluiten eene bries trachten te krijgen (matrozenbijgeloof); The train was —d off = op het fluitje werd het sein tot vertrek gegeven; —r = fluiter, aamborstig paard; houder van een geheimen drankwinkel = Whistling-shop.

Whit, wit, zier, jota, weinigje: Not a — = in geenen deele; Every — = in elk opzicht.

Whitaker, witəkə.

White, wait, subst. het wit, witte kleur, blanke, mikpunt, eiwit, oogwit; adj. wit, rein, lief, zuiver, blank, vlekkeloos; — verb. pleisteren: She was dressed in — = in het wit; To hit the — = in de roos schieten; He showed the —s of his eyes = het wit; If eggs are boiled too lightly the — does not set = stolt het eiwit niet; —s = fijn tarwemeel, witte goederen; witte vloed; — ant = termiet; — bear = ijsbeer; — clover = witte klaver; — corn (crop) = tarwe, rogge, gerst of haver; It was a — day for you (a day to be marked with a — stone) = geluksdag voor u; He showed the — feather = hij gaf blijk van lafhartigheid; — Friars = Karmelieten; — frost = rijm; — gold = platina; — goods = witte goederen; At a — heat = witgloeiend (ook fig.); — herring = groene haring, pekelharing; — iron = ruw ijzer, blik; —land = leembodem; It was the —st of — lies = het onschuldigste van alle noodleugentjes; — money = zilvergeld; — nights = slapelooze; — rent = belasting van acht stuiver (aan den Hertog van Cornwall) in Devon en Cornwall; belasting in zilver; — rope = ongeteerd touw; — sale = verkoop v. — goods; — Sea; You are as — as a sheet = als een doek; To get (turn) — = bleek worden; —d sepulchres = gepleisterde graven; —bait = witvisch; — beam = witte lijsterbes; —-beard = oude man; —-blaze = bles; —boy = lid van een geheim genootschap tegen de landheeren (Ierland 1761); —-ear = tapuit, witstaart; —-face = bles (paard); —fish = houting, adelvisch; —-foot = (paard met) witte plek (op den poot); —-handed = met blanke, reine (onbezoedelde) handen; —-headed = met grijze haren; —-lead = loodwit; —-limed = gewit; —-livered = lafhartig; —-meat = melkspijzen; wit vleesch; —-paint = loodwitverf; —-pot = pudding van melk, brood, eieren, suiker, enz.; —-smith = tinsmid; —-stocking = groote witte vlek op den poot v. een paard; —tail = —-ear; —-thorn = hagedoorn, meidoorn; —-throat = grasmusch; —wash, subst. witkalk, witsel; — verb. witten, reinigen, den goeden naam teruggeven, homologeeren: To give a room a —wash; To —wash a man’s misconducts = misdragingen vergoelijken; —washer = witter; —wood = boomen met wit hout; —n = wit maken, bleeken, bleek of wit worden; —ner = bleeker, bleekwater; —ness = witheid, bleekheid, reinheid, onschuld.

Whitechapel, wait-tšap’l; Whitefield, waitfîld; Whitehall, waithôl.

Whitey, waiti, witachtig.

Whither, widher, werwaarts, waarheen: —soever he goes = waarheen hij ook gaat.

Whiting, waitiŋ, fijngemalen kalk, witkalk; wijting (soort v. visch).

Whitleather, witledhə, wit leder.

Whitlow, witlou, fijt; klauwzeer (schapen).

Whitmonday, witm’ndei, witmɐndi, Pinkstermaandag; Whitsunday, wits’ndei, witsɐndi, Pinksterzondag; Whittuesday = Pinkster drie; Whitsun, wits’n = pinkster - -, Pinksteren; Whitsuntide, wits’ntaid, (de drie) Pinkster(dagen); Whitsunweek = Pinksterweek.

Whittle, wit’l, subst. mes; wollen mantel; — verb. snijden, scherp maken, bestrijden, besnoeien, verkorten: The radicals want to — down Parliament till nothing remains but the House of Commons = het Parlement te besnoeien.

Whiz, wiz, subst. snorrend of gonzend geluid; — verb. snorren (van kogel of pijl): —zing temples = bonzende (kloppende) slapen.

Who, hû, wie, die: “She is Miss le Marchant.” Miss le —? = juffrouw le “wàt”? — goes there? = werda! —ever = alwie = —soever.

Whoa, wou(ə) ho! (tegen paarden).

Whole, houl, subst. het geheel; adj. geheel, gezond, ongeschonden: (Up)on the — = alles wel beschouwd, over het geheel; Take the — of it = neem alles maar; — and sound = frisch en gezond; My — duty = volle, volledige; — milk = volle melk; The — town = de geheele stad; The — truth = de volle waarheid; To make — = repareeren; —-blood = afstammend in rechte lijn; —-hogger = iemand, die niet van halve maatregelen houdt; —-hoofed = éénhoevig; —-length = van het eene einde naar het andere in de volle lengte: —-length picture = ten voeten uit; —-note = heele noot; Wholeness = ongeschondenheid; Wholesale = groothandel, engros zaak: By — = engros; zonder onderscheid, in ’t algemeen; adj. in ’t groot handelend, goedkoop, zonder onderscheid te maken; — business = engros zaak; — cost (price), — merchant; Wines — and retail = in ’t groot en klein; They were killed — = bij massa’s; To sell —; Wholesaler; Wholesome = gezond, heilzaam: — morals = gezonde zedelijkheid of zeden; — teeth = gave tanden; subst. —ness = gezondheid, heilzaamheid; Wholly, houli, geheel en al, volkomen.

Whom, hûm, wien, dien, dat: —soever = wien ook.

Whoop, hûp, luid schreeuwen, naschreeuwen, uitjouwen; subst. geschreeuw, gekras; interj. hu! — of battle = krijgsgeschreeuw; —ing-cough, hûpiŋkof, kinkhoest.

Whoot, hût; Zie Hoot.

Whop, wop, slaan, ranselen; subst. slag; —per = iets kolossaals, groote leugen: That’s a —per = dat is een leugen alsof het gedrukt was; —ping, subst. pak ransel; adj. kolossaal: A —ping lie.

Whore, hö, hoer; — verb. hoereeren, afgoderij bedrijven; —-master = —-monger = hoereerder; Whoredom = hoerdom, afgoderij; adj. Whorish: subst. —ness.

Whorl, wɐ̂l, haspel, winding van eene schelp: —ed = gedraaid of gekronkeld.

Whortle, wɐ̂t’l, blauwe boschbes = Whortleberry.

Whose, hûz, wiens, welker, welks, wier; Whosesoever = van wien ook; Whoso = al wie = Whosoever.

Whur, wɐ̂, subst. gonzend of snorrend geluid, draai, haast; — verb. gonzen, snorren, knorren, de letter r ratelend uitspreken.

Why, wai, subst. het waarom; adv. waartoe, waarom? interj. wel! That is — = deswege; I wish to know the — and the wherefore = het waarom en waartoe; It’s not yours to reason — = de reden te vragen; —so = waarom? —, I never saw such a fool = wel, wel! ik heb nooit zoo’n dwaas gezien; —, there is enough left = daar is toch genoeg over, niet waar?

Whydah, widə.

Wick, wik, pit (v. lamp of kaars); bocht, baai: To turn up the —; —-yarn = lampenkatoen; —ing = los katoen voor het maken van —s.

Wicked, wikid, slecht, zondig, goddeloos, onzedelijk, ondeugend, snaaksch; subst. —ness.

Wicken(-tree), wik’n(trî), gewone lijsterbes.

Wicker, wikə, subst. rijs, teen, wilgentakje, mandewerk; adj. van teenen of twijgjes (= —ed); —-basket = teenenmand; —-bottle = mandflesch; —-chair = rieten stoel; —-cradle = mandewieg; —work.

Wicket, wikət, deurtje, poortje, kijkgat, schuif, de drie in den grond geslagen paaltjes met een dwarspaaltje er op (v. cricket); —-keeper.

Wiclif(fe), wiklif.

Wide, waid, breed, wijd, ruim, uitgestrekt, veelomvattend, ver van (met of): A — answer = verkeerd; His glory resounded far and — = heinde en ver; Your answer is (not) — of the mark = geheel en al mis (niet zoo ver mis); — of the truth = geheel bezijden; The door is — open; —-awake, subst. slappe, lage vilten hoed met breeden rand; rand; adj. goed of klaar wakker, bij-de-hand, klaar, gevat; —-quoted = waarvan de noteeringen sterk uiteenloopen; —-skirted = met breede randen, uitgestrekt; —-spread = heinde en ver verspreid; The agreement was very —ly drawn = omvatte, zoo te zeggen, alles; To differ —ly = hemelsbreed verschillen; —n = verwijden, verbreeden, wijder worden; —ness = grootte, uitgestrektheid.

Widgeon, widž’n, smient, fluiteend.

Widow, widou, subst. weduwe; — verb. tot weduwe maken, berooven: Being a —, she had no bridesmaids; her train was held up by a boy; —’s bounty = (officiers)weduwpensioen; —’s cap = mutsje door weduwen gedragen; —’s weeds = weduwenrouw; —-hunter = wie op een rijke weduwe uit is; A —-lady (—-woman); —-wail = cnoorum tricoccum; —ed = beroofd, verlaten, eenzaam: He was —ed of his power = beroofd of verstoken; —er = weduwnaar; —(er)hood = weduw(naar)staat.

Width, width, wijdte, uitgestrektheid; —wise = in de breedte.

Wield, wîld, hanteeren, zwaaien: To — authority = uitoefenen; He —ed the sceptre = zwaaide den scepter; It is impossible to — such a sword = te hanteeren; —able = hanteerbaar; —less = niet te hanteeren.

Wife, waif, (getrouwde) vrouw, huisvrouw, gade: The — = vrouwlief; To give (To take) to —; —-beater = vrouwenbeul; —hood = staat eener getr. vrouw; —less = zonder vrouw, ongetrouwd; —like = eene vrouw betamend, vrouwelijk; Wifie = vrouwtje.

Wig, wig, pruik; — verb. een uitbrander geven: Big — = groote hans; —-bag = haarzak; —-block = pruikebol; —-maker; —ged = met eene pruik.

Wigan, wig’n: Here is to the mayor of —, i.e. to ourselves = wij ledigen dit glas op onszelf.

Wigeon = Widgeon.

Wigging, wigiŋ, uitbrander, standje: I gave him a good —.

Wiggle, wig’l. Zie Wriggle.

Wight, wait, subst. persoon, wezen; adj. vlug, dapper.

Wigwam, wigwam, wigwôm, wigwom, Indiaansche hut.

Wild, waild, subst. wildernis; adj. wild, woest, verwilderd, onbebouwd, onstuimig, onredelijk, loszinnig, roekeloos, buitensporig, onordelijk, fel op, ver mis: To drive — = woest maken; She got — = werd “woest”, boos; To go — over = dwepen met; To feel — = woest zijn (fig.); Our flowers have run — = zijn verwilderd, wild opgeschoten; To talk — = overdrijven; — beast; — boar = everzwijn; — look; — project = dol, avontuurlijk; — mare = nachtmerrie; wip: They were riding the — mare = aan het wippen; — oats (Zie Oats); The —est rubbish = de grootste onzin; —-born = in wilden staat geboren; —cat = wilde kat; —cat bank = zwendelfirma; —cat speculation = onsoliede, dolle speculatie; —cat train = trein buiten de dienstregeling; —catter = iemand die grondboringen doet in de hoop petroleum te vinden (Amer.); —-fire = Grieksch vuur, weerlicht, roos (ziekte): The report spread like —-fire = als een vuurtje; —-fowl = wild gevogelte (vooral watervogels); —-fowling = het jagen op —-fowls; —-goose, subst. wilde gans; adj. dolzinnig, dwaas: A —-goose chase = dwaze onderneming, dol plan; —erness, wildənəs, wildernis, woestenij; —ing, subst. in ’t wild groeiende plant, of vrucht daarvan; adj. in ’t wild groeiend; —ness = wildheid.

Wilde, waild.

Wile, wail, slimme streek of zet, list.

Wilful, wilful, opzettelijk, moedwillig, eigenzinnig, halsstarrig; subst. —ness.

Wilhelmina, wilhelmînə.

Wiliness, wailinəs, subst. v. Wily.

Wilk, wilk = Whelk.

Wilkes, wilks.

Will, wil, subst. wil, wilskracht, willekeur, verlangen, testament; — verb. zullen, willen, plegen, wenschen, begeeren, bevelen, vermaken: You may change it at — = naar welgevallen; To have all things at — = alles naar wensch hebben; He holds his power at the people’s — = ontleent zijne macht aan den wil des volks; Of your own free — = geheel vrijwillig; He fell (set) to work with a — = met lust en ijver; With good — = met goeden wil; She would have her — = haar zin; He had a — of his own = was eigenzinnig; To make one’s — = zijn laatsten wil (testament) maken; To work one’s — = zijn wil doorzetten; Good— = welwillendheid, klandizie: Good— to man = in menschen een welbehagen; He bears me a good (an ill) — = is mij welgezind (draagt mij een kwaad hart toe; Zie ook Way); He — get angry = is wel eens boos, wordt gauw boos; Boys — be boys = jongens zijn jongens; He — have me dine with him to-morrow = hij wil mij morgen te eten hebben; — he nill he = of hij wil of niet, willens of onwillens; The Lord —s me to go = de Heer wil, dat ik ga; His cousin —s the estate to his sister = vermaakt; You are free to — your property away to anybody = vrij uwe bezittingen aan wien ge wilt te vermaken; —-power = wilskracht; You are a self-—ed character = eigenzinnig, koppig. Zie Willing.

Will, wil, verk. van William, wilj’m; Willie Winkle = Klaas Vaak.

Willing, wiliŋ: I am — = ik ben bereid, wil wel; God — = indien God het wil; — or not — = — or unwilling = hij mag willen of niet; —ness = gewilligheid, genegenheid.

Will-o’-the-wisp, wilədhəwisp, dwaallichtje.

Willoughby, wiləbi.

Willow, wilou, wilg, wilgentak(-hout), bat: He (she) is wearing the — = treurt of rouwt over een verloren lief; To wield the — = cricketen; —-garland = wilgenkrans; —-tree = wilgenboom; —-warbler = —-wren = fitis, hofzanger; —ed = vol wilgen, met wilgen beplant; —y = vol wilgen, als wilgen, als eene wilg.

Willy-nilly = of hij wil of niet, weifelend, onbetrouwbaar.

Willy, wili, Wim.

Wilt, wilt, verwelken, slap worden, ontzenuwen.

Wilton, wilt’n: — carpet, soort. v. pluche of velours tapijt; Wiltshire, wiltšə.

Wily, waili, sluw, slim.

Wimble, wimb’l, subst. drilboor; — verb. boren, drillen.

Wimbrel, wimbr’l. Zie Whimbrel.

Wimple, wimp’l, subst. kap waarmede de priesters worden bekleed bij de aflegging der geloften; zwarte kap der nonnen; — verb. met een kap bedekken, omsluieren, rimpelen, kronkelen: The wimpling waves = gerimpelde golven.

Win, win, subst. overwinning, gewonnen partij, succes; — verb. winnen, verkrijgen, behalen, overwinnen, zegevieren, bewegen, overreden: — her and wear her = win haar en koester haar; Who —s loses = qui perd gagne; He could not — the ear of the audience = zijn gehoor niet boeien; To — one’s way = (langzaam) vorderingen maken; He has won me over = mij overgehaald; We have won through this dreary time by the help of illusions = zijn dezen naren tijd te boven gekomen; That has won upon the hearts of the people = het hart der menschen ingepakt; We have won upon the enemy = een voordeel behaald op; He so won upon me that .… = kreeg me zoover; —ner = winner; —ning = bekoorlijk, innemend (—s = winst): To have a —ning way with a person = zich bemind maken bij; —ning-post = eindpaal (bij wedrennen).

Wince, wins, terugdeinzen (at), ineenkrimpen, uitvluchten zoeken: He —d from the very thought of death = ijsde bij; He —d under the blow = kromp ineen; Without wincing = zonder een spier te vertrekken.

Winch, winš, subst. haspel, lier; — verb. ophijschen met een lier.

Winchelsea, wintšəlsî; Winchester, wintšəstə: — rifle = soort geweer.

Wind, wind, wind, tocht, lucht(druk), adem, opgeblazenheid, blaasinstrument; — verb. luchten, laten doorwaaien, achter adem brengen, afjakkeren, op adem laten komen: Wood-—s = houten blaasinstrumenten; The delicacy of the — in the prelude = het fijn opgevatte gedeelte voor de blaasinstrumenten; —s and strings = blaasen strijkinstrumenten; The four —s = streken van het kompas; Short — = korte adem; Sound of — and limb = gezond van lijf en leden; Before the — = vóór; Close to the — = scherp bij den wind; Down the — = vóór, met den wind mee; Everything here is going down the — = alles gaat te niet, naar de maan; We were steaming in the teeth of the — (= in the —’s eye) = vlak in den wind; There is something in the — = aan de hand, er broeit wat; To have a thing in the — = lucht van iets hebben; He was three sheets in the — = aangeschoten; Near the — = scherp bij: To sail near the — = iets zeggen, dat “bij ’t kantje af” is; You must go as near the — as you possibly can = het zoo zuinig mogelijk aanleggen; To preach to the —s = te vergeefs; To throw to the —s = zich niet bekommeren om; He sails with the — = hij waait met alle winden; With the — aft, ahead = met den wind van achteren, van voren in; I wish to ascertain how the — blows = uit welken hoek de wind waait; Sits the — in that corner? = waait de wind uit dien hoek; To break — = een boer laten; The horse carries (the) — = draagt zijn kop (neus) hoog; To change the — = van koers veranderen; He got his second — = kwam op adem; I got — of it = kreeg er lucht van; The affair got — = de zaak werd ruchtbaar; I have (take) the — of you = ik ben je de baas; To raise the — = geld los krijgen; I will take the — out of his sails = de loef afsteken; (The part of a ship) between — and water = het deel dat door het rollen van het vaartuig of den golfslag dikwijls boven het water uit komt; gevaarlijke plaats; — and weather permitting = wind en weder dienende; Trade —s (= Trades) = passaatwinden; —bag = windzak, bluffer, praatjesmaker; —bag sleeves = pofmouwen; —bound = door tegenwind opgehouden; —-break = heining of hek om den wind te breken; —-broken = dampig (= Broken-—ed); —-dropsy = trommelzucht (Med.); —-egg = windei; —fall = wat door den wind af- of neergewaaid is, meevallertje, buitenkansje; —fallen = door den wind afgewaaid; —-flower = gentiaan, paarsche anemoon; —-furnace = windoven; —-gall = gezwel onder aan de pooten van een paard; —-gauge = windmeter; —-gun = windroer; —-guard = vóórruit (van auto); —-hatch = mijnschacht waaruit het erts naar boven wordt gebracht; —-instrument = blaas- of windinstrument; —mill = windmolen: You are tilting at —mills = vecht tegen windmolens; —pipe = luchtpijp; —-rode = door den wind tegen den stroom in gedraaid (van een geankerd schip); —-row = zwad gras of een hoop turf (om te drogen); — verb. in regels leggen; —-sail = koelzeil (als ventilator beneden in het schip); —-side = windzijde; —-tight = ondoordringbaar voor den wind; —age = luchtdruk, zuiging, speelruimte (kanon), invloed van den wind op de afwijking van een kogel; —ed: achter adem; vooral gebruikt in samenst.: Long-—ed = van langen adem; Short-—ed = kortademig; —less = zonder wind of adem, glad, vlak; —ward, subst. loefzijde; adj. naar den wind: To —ward = te loever; I have laid my anchor to the —ward = heb tijdig mijne maatregelen genomen; I have got (to) the —ward of him = hem de loef afgestoken; —iness, subst. v. —y = winderig, wind … (— side), opgeblazen.

Wind, waind, winden, draaien, rollen, kronkelen, krom trekken, wikkelen, telkens veranderen; blazen: To — a call = een commando geven met het bootsmansfluitje; The horn was wound = er werd op den hoorn geblazen; To — a ball of worsted = opwinden; He cleverly wound it into his speech = vlocht dat in; The skein was wound off = werd afgewonden; He wound himself out of it = redde er zich uit, draaide er zich uit; He wound his way through all the intricacies of the debate = hij kwam goed en wel door het ingewikkelde debat heen; To — up a letter = besluiten; The thread was wound up = werd opgewonden; — (up) your watch = wind uw horloge op; The band wound up with the national anthem = het orkest speelde het volkslied tot besluit; The business was wound up = werd gelikwideerd; If this sort of thing goes on any longer, I shall be wound up in the bankruptcy court = zal het einde van het liedje een failliet zijn; —-up = likwidatie: —-up sale = finale uitverkoop; —ing-up = slot (van een rede), uitverkoop, faillissement; —er, subst. wie of wat windt, enz., haspel, slingerplant. Zie Winding.

Windhover, windhɐvə, windhovə, torenvalk.

Winding, waindiŋ, subst. bocht, kronkeling, draai; adj. draaiend, kronkelend, krom, draai …: —-engine = kraan; —-horn = waldhoorn; —-sheet = lijkwa; dief (aan een kaars); —-staircase = —-stairs = wenteltrap; —-tackle = hijschtakel.

Windlass, windləs, lier, gangspil; — verb. opwinden met een lier of gangspil.

Windle-straw, wind’lstrô, boender-(struik-, kam-)gras.

Window, windou, venster, loket; Have you got French —s or sash-—s in your room? = openslaande (ramen) deuren of schuiframen; The book was in the — at Green’s = lag voor het raam bij; He broke all the —s = sloeg alle ruiten in; He came in at the door and got out at the — = en ging weg door het raam; He looked out at the — = hij keek door het raam naar buiten; He looked out of the — = hij keek uit het raam naar buiten; —-blind = zonneblind, jalouzie, (rol) venstergordijn = —-curtain = gordijn; —-cleaning company = glazenwasscherij; —-dresser = étaleur; —-dressing; —-duty = belasting op vensters; —-frame = vensterkozijn; —-glass = vensterglas; —-pane = ruit; —-sash = het op- en neergaande deel van een raam; —-seat = vensterbank; —-slot = venstergleuf; —-tapper = porder; —-tax = belasting op de vensters; —ed = met (veel) vensters.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings