← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

R.

Reading edition

R, ɐ̂; The three R’s = (R)eading, (W)riting and (A)rithmetic; R(iver); R(ex = koning of Regina = koningin); R. A. = Royal Academy, Royal Academician, Rear Admiral (schout-bij-nacht) of Royal Artillery; Rad(ix) = Root; R(oyal) A(gricultural) S(ociety); R(oman) C(atholic); R(ural) D(ean); R(oyal) E(xchange); Recd. = received; Recpt. = Receipt; Ref(erence); Ref(ormed) Ch(urch); Reg(ular); Reg(ius) Prof(essor); Reg(istrar of Regiment); Rel(igion of Religious); Rel(ative) Pron(oun); Rem(ark); Rep(ort of Representative); Rep(ublic) of Repub(lican); Retd. = Returned; Reth(oric); Rev(elation, Revenues, Reverend, Review); R(oyal) H(orse) A(rtillery); R(oyal) H(orse) G(uards); R(hode) I(sland); R(equiescat) I(n) P(ace) = hij (zij) ruste in vrede; Riv(er); R(oyal) M(ail) S(teamer); R(oyal) N(avy); R(eceiving) O(ffice); Rom(an); Rom(an) Cath(olic); R(ight) R(everend); R(oyal) S(ociety for the) P(revention of) C(ruelty to) A(nimals) = Koninkl. Maatschappij tot Bescherming van Dieren; Rt. Hon. = Right Honourable; R(eligious) T(ract) S(ociety); Russ(ia); R(evised) V(ersion); R(ight) W(orshipful) G(rand) M(aster) = Groot-Achtbare Meester; Ry. = Railway.

Rabate, rəbeit, de valk weer op de vuist doen nederdalen.

Rabbet, rabət, subst. sponning; — verb. eene sponning maken; —-plane = sponningschaaf.

Rabbi, rab(a)i, Rabbin, rabin, rabbi, rabbijn; adj. —nic(al), rəbinik(’l), rabbijnsch; —nist, rabinist, Talmudist.

Rabbit, rabit, konijn: Buck, Doe — = mannetje, wijfje; Welsh — = geroosterde sneden brood overgoten met in bier geweekte kaas; onvertrouwbaar paard (sport); —-hole; —-hutch = hok; —-warren = konijnenberg = —ry.

Rabble, rab’l, janhagel, grauw, warboel; ook adj.

Rabid, rabid, dol, krankzinnig.

Rabies, reibiîz, hondsdolheid.

Raca, râkə, onwaardig (Matth. V. 22).

Raccoon, rəkûn, gewone waschbeer (Am.).

Race, reis, subst. geslacht, ras, soort, pittigheid (wijn), loop, snelle vaart, wedloop of wedren, loopbaan, wortel; — verb. snel loopen, wedrennen: I will — you home = ik wil om het hardst met u loopen wie het eerst thuis is; —s = (paarden)wedrennen; The Derby or Epsom —s; —-boat = hardzeiler, boot voor wedstrijden; —-course = renbaan; molenbeek; —-ginger = gemberwortels; —-ground = renbaan; —-horse = renpaard, harddraver; —-track = renbaan; —r = renner, renpaard, rijwiel, hardzeiler.

Racemation, rasimeiš’n, trosvormigheid; Raceme, rəsîm, bloeiwijze in trossen; Racemic, rəsemik, rəsîmik: — acid = druivenzuur; Racemose, rasimous, trosvormig.

Rachel, reitš’l.

Rachitic, rəkitik, adj. v. Rachitis, rəkaitis, Engelsche ziekte.

Racial, reiš’l, ras …

Raciness, reisinəs, subst. v. Racy.

Racing, reisiŋ: — crew = bemanning van een —-boat (—-yacht).

Rack, rak, subst. pijnbank, rad, rek, statief, rooster, ruif, arak; halsstuk van kalfs- of schapevleesch; drijvende wolken; zekere paardepas (tusschen draf en stap); ondergang, vernieling; — verb. pijnigen, op de pijnbank brengen, afpersen, ontwringen, overdrijven, als damp of mist voortdrijven en verdwijnen, met vluggen gang loopen, voorzichtig aftappen of afschenken (om van droesem te zuiveren): To go to — and ruin = geheel te gronde gaan; To live at — and manger = zorgeloos voortleven; To put to the — = op de pijnbank brengen (ook fig.); He —ed his brain(s), his wits about it = brak er zich het hoofd over; —ing-can = klaarkan (voor wijn); —ing headache = brekende; —ing pace = vlugge telgang; —-punch = punch van arak; —-rent = schandelijk hooge huur: The —-rented labourers = de op schandelijke huren zittende arbeiders; —er = iemand, die zulk een pacht vraagt of moet opbrengen.

Racket, rakət, subst. raket; spektakel, rumoer; sneeuwschoen; — verb. pret maken, boemelen: That’s just our — = dat is net wat voor ons; To keep, kick up a — = lawaai, herrie schoppen; He could not stand the — and came to grief = kon niet tegen dat losbandige leven; That will not stand the — = kan niet tegen hetgeen ervan geëischt wordt; —s = raketspel; —ing = rumoerige vroolijkheid; —y = druk tierend, lawaaiig: The —y-tack of the wheels = het geraas.

Racoon = Raccoon.

Racy, reisi, sterk van geur of smaak, pittig, pikant: — of the soil = kenmerkend voor, eigen aan.

Rad, rad, verk. v. Radical.

Raddle, rad’l, rood blanketsel; — verb. schminken, met rood krijt merken: Those jabbering mummers with their —d faces = die schetterende acteurs met hunne rood gegrimeerde gezichten.

Radial, reidj’l, straalvormig; Radiance, Radiancy, reidj’ns(i), straling, schittering, glans; Radiant, reidj’nt, stralend, schitterend, glansrijk; subst. uitstralingspunt, straal: She was — with happiness = straalde van geluk; Radiate, reidjit, adj. straalvormig; straal, straaldier; — verb. reidjeit, uitstralen; Radiator, reidjeitə, uitstralend lichaam, verwarmingstoestel, radiator.

Radical, radik’l, subst. wortel, stam(woord), stamletter, radicaal (pol.); adj. oorspronkelijk, uiterst, radicaal, tot den stam behoorende: — party = radicale partij; — quantity = wortelgrootheid; — sign = wortelteeken; —ism = de beginselen der radicale partij; Radicate, radikeit, vast inwortelen, vast wortel doen schieten: —d abuses = ingewortelde misbruiken; Radication = het diep wortel schieten, wortelvorming.

Radio, reidiou: —-active substances = uitstralend als bijv. radium; subst. —-activity; —gram, reidiəgram = —graph, reidiəgrâf = radiogram; —graphy, reidiogrəfi, radiographeeren; —meter, reidiomətə, radiometer, graadboog, vleugelborstel.

Radish, radiš, radijs, tweeslachtige waterkers: Horse-— = mierik.

Radius, reidiəs, buitenste been van den vóórarm, straal (van een cirkel); Radium, reidiəm, radium.

Radix, reidiks, wortel, basis, grondgetal.

Raff, raf, subst. vuil, schuim, deugniet, gepeupel (= Riff-—): A crowd of shabby —s = schunnige kerels; —-merchant = handelaar in rommel; —ish = schunnig, liederlijk.

Raffle, raf’l, subst. loterij, verloting; — verb. verloten, loten om: The doll was put up in (put up to) a — = werd verloot; You enticed me into raffling for that article = op dat artikel te loten; —r.

Raft, râft, subst. vlot; ophooping van drijfhout in rivieren, troep (Amer.); — verb. vlotten, op een vlot varen of vervoeren: How shall we get rid of this — of people? = hoe raken wij dit zootje kwijt; —sman = vlotter.

Rafter, râftə, dakspar, balk; — verb. van sparren voorzien.

Rag, rag, lap, lomp, vod: All in —s = Worn (out) to —s = in flarden; To boil meat to —s = geheel fijn koken; —s and bones! = vodden en bonken! —-baby = pop; bankbiljet; —-book = een linnen prenteboek, dat gewasschen kan worden; —-bolt = bout met weerhaken; —-fair = voddenmarkt; —picker = voddenraper; —-shop; —-sorter; —-tag-and-bobtail (crowd) = janhagel; —-time = gesyncopeerde maat: —-time airs = negerliedjes; —-man = lompenkoopman; duivel; —-stone = brokkelige steen; —-wheel = kamrad: —-wort = kruiskruid; —ged = ruig, gescheurd, in lompen: —ged schools = scholen voor havelooze kinderen; —gedness = schabbigheid, haveloosheid.

Rag, rag, groenen, baren, donderen, straatschenderij bedrijven.

Ragamuffin, ragəmɐfin, ragəmɐfin, subst. schooier; adj. in lompen, berooid.

Rage, reidž, subst. woede, toorn, geweld, razernij, zucht, manie, vuur; — verb. woeden, razen, toornen: He was in (got into) a — = was (werd) woedend; — for building = bouwwoede; Accordion sleeves are all the — now = waaier-(harmonica) mouwen zijn nu erg algemeen: He is all the — = hij is het voorwerp van algemeene geestdrift; —ful.

Raggee, ragî, Indische grassoort.

Raglan, ragl’n, soort overjas.

Ragout, rəgû, ragout.

Raid, reid, subst. vijandelijke inval, strooptocht, razzia, inval van de politie; — verb. een inval doen, prijzen drukken: A drug store was —ed the other day, and the stock was found to consist wholly of strong liquor = de politie drong onlangs plotseling een (zoogenaamde) drogistzaak binnen; —er.

Rail, reil, subst. slagboom, dwarsstaaf, leuning, spoorstaaf, trein; wachtelkoning; — verb. met hekwerk omgeven, met het spoor verzenden of reizen; schimpen, schelden, beleedigen: It is 40 minutes by — = per spoor; To drive off the —s = doen dérailleeren (ook fig.); To go (get) off the —s = dérailleeren; All —s were high = alle spoorwegactiën stonden hoog; I have —ed it = ik ben met het spoor gekomen; —er = schimper; —-car = spoorrijtuig (Am.); —-fence = houten hek; —-mill = fabriek van spoorstaven; —-road = spoorweg; —-road flat = bovenhuis bestaande uit eene reeks in elkaar loopende kamers.

Railway, reilwei, spoorweg, spoorbaan: Circular (Encircling), Double, Single, Underground — = ceintuurbaan, dubbel-, enkel spoor, ondergrondsche spoorweg; —-accident = ongeluk; —-board = directie; —-bridge; —-car (Amer.) = —-carriage = wagon; —-guard = conducteur; —-guide = gids; —-pass = vrijbiljet; —-share = spoorwegactie; —-signaller; —-sleepers = dwarsliggers; —-ticket = kaartje; —-traffic.

Raillery, reiləri, boert, scherts: He turned it into — = hij maakte er een grapje van.

Raiment, reim’nt, gewaad, kleederen.

Rain, rein, subst. regen; — verb. regenen, laten regenen (—s = regentijd): It was pouring with — = het goot; After — comes sunshine; A small — lays great dust = men vangt meer vliegen met honig dan met edik; As unconcerned as — = doodleuk; Right as — = geheel klaar; lekker als een kip, kiplekker; — or shine = bij slecht weer of mooi weer; It is —ing cats and dogs = het valt met emmers uit de lucht; —bow = regenboog; —bow-hued (—bow-tinted) = met de tinten van den regenboog; —-cloud; —coat; —drop; —fall; —-gauge = regenmeter; —-proof = —-tight = waterdicht, tegen regen bestand; —-water = regenwater; —less; —y = regenachtig; To save money (put by a penny) for a —y day = een appeltje voor den dorst bewaren.

Raise, reiz, verheffen, opheffen, optillen, tot aanzijn brengen, opwekken (van dooden), verhoogen, rechtop zetten, bouwen, opbouwen, heffen, opwerpen; subst. verhooging, opslag: To — a blister = een blaar trekken; To — a blockade (a siege) = opbreken, opheffen; To — the carpets = opnemen; To — a cry = aanheffen; To — the dead = doen opstaan; To — a dust = stof opjagen (fig.); To — the eyes = opslaan; To — a laugh at the expense of a person = iemand belachelijk maken; To — a loan = een leening uitschrijven; I don’t know where to — money = waar ik geld zal loskrijgen; The purchase was —d = de hefboom werd in werking gebracht; To — questions = vragen (kwesties) opwerpen; To — the wind = geld zien los te krijgen; lawaai maken, opschudding veroorzaken; —d letters = letters in reliëf; —d work = gedreven; —r = verbouwer, teler, fokker; Raising-bee = gemeenschappelijk bouwen van een huis door bij elkaar wonende farmers (Amer.).

Raisin, reiz’n, reizin, rozijn.

Raja(h), râdžə, reidžə, Indisch vorst; —ship; Rajpoot, Rajput, râdžpût, afstammeling van de oude krijgmanskaste (Ind.).

Rake, reik, subst. hark, krabber; losbandig mensch; helling van steven, mast of schoorsteen; — verb. harken, of bijeenschrapen, verzamelen, ophoopen, zoeken, ophalen, naspeuren, “opsnorren”, vuren langs of in de lengte van een schip, losbandig zijn, zuipen, overhellen, nauwkeurig onderzoeken: He is as lean as a — = zoo mager als een talhout; A reformed — makes the best husband; To — a fire = inrakelen, dekken; He took the glass and —d it = dronk het leeg; To — up things = oprakelen (fig.); —hell = adj. liederlijk, woest; subst. lichtmis, woesteling; The rakings were put into the dustbin = het opgeharkte; Rakish = liederlijk, losbandig; hellend; subst. —ness.

Rakshas(a), rakšas(ə), booze geest (Indië).

Rale, râl, gerochel.

Raleigh, rôli.

Rally, rali, subst. bijeenbrenging, hereeniging, signaal voor verzamelen, hernieuwde aanval, herstel van orde of krachten of prijzen, scherts, grove boert, relletje; — verb. hereenigen, samentrekken (van verspreide of uiteengejaagde troepen), de krachten of orde herstellen; plagen, schertsen met: She rallied her husband on his credulity = plaagde hem met; Rallying: —-point = punt van verzameling; —-signal.

Ralph, râf, ralf, reif; Ralston, rôlst’n.

Ram, ram, ram, rammei, ramschip; — verb. rammen, rammeien, vaststampen, instampen: Hydraulic — = waterram; —’s horn = ammonshoorn (versteend weekd.); —-rod = laadstok; —mer = heiblok, straatblok, laadstok; —mish = sterk ruikend, stinkend, geil = —my.

Ramad(h)an, ramədân, Ramazan, raməzân, ramadan, 9e maand van het mahomedaansche jaar, de vastenmaand.

Ramayana, râmâjənâ, een Indisch epos.

Ramble, ramb’l, subst. wandeling, uitstapje, zwerftochtje; — verb. rondzwerven, uitstapjes doen, verward zijn, afdwalen, bazelen; —r; Rambling = wijdloopig, stelselloos: A — village = onregelmatig gebouwd.

Rameous, reimiəs, tak.

Ramie, rami, rameh.

Ramification, ramifikeiš’n, subst. v. Ramify, ramifai, (zich) vertakken, takken of spruiten schieten.

Ramose, rəmous, reimous, vertakt.

Ramp, ramp, subst. sprong, hellende weg, bocht; zwendelaar; — verb. klimmen, springen, stoeien; zwendelen: They had some high old —s = gingen er ouderwetsch van door; Only asses — nowadays, save in heraldry = slechts van ezels gebruikt men ramp, etc.; Rampage, rampidž, subst. opgewondenheid, wildheid; — verb. rondspringen (als een gek): The cows seemed to be on the — = schenen dol te zijn; He has been on the — = is er leelijk “van door” geweest; The dog was rampaging through the apartment; Rampageous, rampeidžəs, woest, luidruchtig, schreeuwerig; Rampancy, ramp’nsi, woekeren, toeneming, uitgelatenheid, buitensporigheid; Rampant, ramp’nt, overvloedig, weelderig woekerend, teugelloos, op de achterpooten staande: A lion — = klimmende leeuw; Bribery was — in the former century = was algemeen; —-gardant = klimmend en den toeschouwer aanziende; —-passant = loopend met den rechter voorpoot omhoog; —-regardant = staande en achterwaarts ziende; —-sejant = zittend met de voorpooten omhoog, opzittend (heraldische termen).

Rampart, rampət, rampât, subst. wal; — verb. omwallen.

Rampion, rampiən, akkerklokje.

Rampoor, rampûə; Ramsay, ramzi.

Ramshackle, ramšak’l, losjes, bouwvallig, slecht onderhouden: The four-wheeler was the most ramshackly of vehicles = was het “rapperigste” van alle rijtuigen.

Ramulose, ramjulous, Ramulous, ramjulɐs, met veel kleine takjes.

Ran, ran, imperf. van to run.

Rana, rânə, vorst (Brit. Ind.).

Ranch, rân(t)š, veehouderij, boerderij (Amer.), ook Cattle-—; —er = —ero, ran(t)šêrou, koeherder, opzichter; —eria, ran(t)šərîə, veldhut voor een —ero, dorp, kolonie; —o = veldhut, boerderij voor vee- of paardenteelt.

Rancid, ransid, ranzig, zuur; —ity, ransiditi = —ness = ranzigheid, etc.

Rancorous, raŋkərɐs, kwaadaardig, venijnig, haatdragend; subst. —ness; Rancour, raŋkə, wrok, bittere vijandschap, ingevreten haat: To bear — = wrok koesteren.

Rand, rand: The — = het goudmijndistrict ten westen van Johannesburg (Z. Afr.).

Randal, rand’l.

Randan, rand’n, boot met 3 roeiers, waarvan alléén de middelste 2 riemen hanteert; herrie, brasserij: On the — = aan ’t zuipen; They were rowing (in) — = zij roeiden met hun drieën met vier riemen.

Random, rand’m, subst. toeval, goed geluk; adj. zonder berekening, in het wild, zonder methode: At — = in het wild, zonder doel; A — shot = schot in het wild; To talk at — = onzin uitkramen.

Randy, randi, rumoerig, wanordelijk; subst. helleveeg, wildebras.

Ranee, rânî, vorstin (Brit. Ind.).

Ranelagh, ranəlâ.

Rang, raŋ, imperf. van to ring.

Range, reinž, subst. rij, klasse, zwerftochtje, ruimte, bereik, keten, macht, keukenfornuis, afstand van een schot, schietterrein, omvang; — verb. in eene rij plaatsen, ordenen, rangeeren, zwerven, zeilen langs, reiken, rangschikken: To fire at close — = op zeer korten afstand; He is a dead shot at short — = op korten afstand mist hij nooit; Out of — = buiten schot; Within — = op geweer- of kanonschotsafstand; A long — fire on a position = kanonnade op grooten afstand; A wide — of students = een breede kring; To get (find) the — = den afstand vinden; The revenue-cutter —d the coast = voer langs de kust; The talk —d over many subjects = liep over; He —d over the whole subject = doorliep vluchtig; Their guns — further than ours = dragen; —r = rondzwerver, houtvester, speurhond, roover; —ship.

Rangoon, raŋgûn.

Rani = Ranee.

Ranine, reinin, kikkerachtig.

Rank, raŋk, subst. rij, gelid, standplaats, rang, graad, stand, klasse; — verb. tot klassen brengen, opstellen, in het gelid plaatsen, ordenen: The — and file = alle gewone soldaten; de groote hoop; The — and file cleared the grounds at 8 = het volk verliet het park om 8 uur; The cabman was on his — = de koetsier was op zijne standplaats; To close the —s = de gelederen sluiten; To be promoted, rise, spring from the —s = van soldaat of onderofficier tot officier bevorderd worden; To be reduced to the —s = gedégradeerd worden; He takes — before (of) you = hij staat boven u in rang; You — after me = volgt in rang op; —er = schikker; hij die uit de gelederen officier geworden is, “troupier”.

Rank, raŋk, weelderig, geil, sterk, grof, vet, ranzig, stinkend, bedorven, vuil, vies; echt, waar: A — fraud = een echte bedriegerij; — nonsense = echte onzin; The —est South-Easter = de krachtigste (een echte) Zuid-Oostenwind; subst. —ness.

Rankle, raŋk’l, ontsteken of zweren (van eene wond); wrok hebben, knagen: Is there anything rankling in your mind against me? = hebt gij eenigen wrok tegen mij.

Rannee = Ranee.

Ransack, ransak, plunderen, nasnuffelen.

Ransom, rans’m, subst. losgeld, bevrijding, verlossing; — verb. verlossen, bevrijden, vrijkoopen: They were held to — by the brigands = de roovers hielden hen, tot een bepaalde losprijs betaald zou worden, als gijzelaars; —er; —less = zonder losgeld, etc.

Rant, rant, subst. hoogdravende bombastische taal; — verb. bombast uitslaan, uitvaren: She was —ing and panting with fury = zij raasde en tierde van woede; —er = schreeuwer, drukke prater; —ers = spotnaam v. de eerste Methodisten; —erism = leer der —ers = —ism.

Rantipole, rantipoul, subst. wilde meid of jongen; adj. wild, ruw; — verb. als een gek vliegen; Ranty = wild, rumoerig, woest.

Ranunculus, rənɐŋkjulɐs, ranonkel.

Rap, rap, subst. tik, snelle en pijnlijke slag, knip, valsche halfpenny, duit; — verb. slaan, knippen, hard tikken, kloppen, vervoeren of buiten zichzelf brengen, uitstooten: I don’t care a single — = geef er geen lor om; There is not a — to choose between them = het is lood om oud ijzer; To deal a smart — = een leelijken tik op de vingers geven (fig.); It is not worth a — = het is geen lor waard; Without a — = zonder een duit op zak; To — a person’s fingers (knuckles) = iemand op de vingers tikken (fig.); To — out an oath = vloeken; He —ped out his opinion = flapte uit; He —ped his teeth = sloeg de tanden op elkaar; —per = deurklopper; geestenklopper = —pist = klopgeest.

Rapacious, rəpeišəs, roofzuchtig, hebzuchtig; subst. —ness = Rapacity.

Rape, reip, subst. roof, berooving, verkrachting, onteering; gouw (Sussex); koolraap; — verb. berooven, verkrachten: — of the forest = overtreding der boschwetten; —-cake, —-oil; —-seed, —-seed oil = raapkoek, raapzaad, raapolie.

Raphael, rafəel, Raphael; Rapho, rəfou.

Rapid, rapid, adj. snel (—s = stroomversnellingen); — consumption (decline) = vliegende tering; — fire = snelvuur; — march = looppas; subst. Rapidity = —ness.

Rapier, reipjə, rapier; —-fish = zwaardvisch.

Rapine, rapin, subst. plundering, roof; ook verb.

Rapparee, rapərî, roover (Ierl.), landlooper, deugniet.

Rappee, rəpî, sterke snuif, rappé.

Rappel, rəpel, rapəl, tromsignaal tot verzamelen.

Rapscallion, rapskalj’n, subst. en adj. schurk(achtig).

Rapt, rapt, verrukt, meegesleept: — in his work = geheel opgaande in. Zie Rap.

Raptores, raptôriz, roofvogels; Raptorial: — bird = roofvogel.

Rapture, raptšə, verrukking: In —s = In a — of delight = geheel verrukt; Rapturous = verrukt, hartstochtelijk.

Rare, rêə, zeldzaam, ongewoon, buitengewoon, onberispelijk, prachtig, schaarsch; bijna rauw (Am.), ijl, poreus: The apples were plentiful and — = overvloedig en buitengewoon mooi; —bit = lekker hapje: —ripe, subst. vroege vrucht (vooral vroege perzik); adj. vroegrijp; —ness = Rarity, rêriti, rariti.

Raree-show, rêrišou, rarišou, kijkkast, rarekiek.

Rarefaction, rêrifakš’n, rarifakš’n, verdunning; Rarefy, rêrifai, rarifai, ijl, dun maken of worden: They seem to breathe a more rarefied atmosphere than we = een fijnere lucht.

Rascal, râsk’l, rask’l, subst. schurk, schelm, mager wild; adj. verachtelijk, mager; —dom, râsk’ld’m, het dievenpak; —ity, râskaliti, raskaliti, schurkachtigheid, schelmerij; —lion, râskalj’n, raskalj’n, schurk.

Rase, reiz, schaven, schuren langs, uitkrabben, doorhalen, met den grond gelijk maken, vernietigen.

Rash, raš, subst. huidroos.

Rash, raš, haastig, snel, overhaast, onbezonnen; subst. —ness.

Rasher, rašə, sneetje, reepje: A — of bacon = dun sneetje spek.

Rasp, râsp, subst. rasp; — verb. raspen, afschrapen, krassen, pijnlijk treffen, afschampen (off): He made a —ing attack on the House of Lords = vinnige aanval; —er = rasper, krabber, moeielijk te nemen hek (jacht), driftkop, iets buitengewoons; —y = schor.

Raspberry, râzb’ri, razb’ri, framboos; —-bush = frambozenstruik.

Rat, rat, rat; overlooper, onderkruiper (—s! = onzin!) — verb. ratten vangen; overloopen, onderkruipen: I smell a — = ik ruik lont; He was —ting for a place = trachtte door onderkruipen een baantje te krijgen; He —ted to a duke = flikflooide; The instances of —ting were not many = van onderkruiperij; —-catcher = rattenvanger; —-snake = Indische, op ratten azende slang; —-tail (—’s-tail) = rattestaart (paardenziekte); —’s-bane = rattenkruid; —-trap = rattenval; —ten = de gereedschappen wegnemen of vernielen om het werken te beletten; posten; —ter = rattenvanger, overlooper; —ty = waardeloos, gek.

Ratable, reitəb’l, schatbaar, waardeerbaar.

Ratafia, ratəfîə, rataf(f)ia, soort biscuit.

Ratan, rətan, riet, rotting.

Rataplan, ratəplan, rataplan; — verb. trommelen; Rat-a-tat, ratətat, kloppen, kloppend geluid.

Ratch, ratš, slagrad v. een uurwerk, pal = —et: —et-wheel = palrad.

Rate, reit, standaard, prijs, waarde, maatstaf, plaatselijke belasting, tarief, vracht, snelheid, rang, graad, klasse van een oorlogschip; — verb. schatten, bepalen; berispen, een standje maken: At a cheap (dear, high) — = voor weinig (veel) geld; The train rushed on at a furious — (At express —) = met woedende vaart (met de vaart van een sneltrein); At any — = in elk geval, tot elken prijs; At the — of five per cent. = tegen 5 perc.; At the highest — of exchange = tegen den hoogsten koers; — of insurance (interest, wages) = premie, rentestandaard, loonstandaard; You must not go on at this — = op deze manier; —s = gemeentelasten; He is a first-— fellow = uitstekende kerel; —d by time = ge- of berekend bij (naar) het uur; He —d me for putting in a word = maakte mij een standje; —-cutting = verlaging van tarieven; —-payer = belastingschuldige; —r: He is a first —r = First-— fellow; The vessel is a second —r = schip 2e klasse.

Rath, rath, Oud-Iersche versterkte woning.

Rather, râdhə, eer(der), liever, vooral, in hoogere mate dan, vrij, tamelijk: It is — cold to-day = vrij koud; — less = iets minder; That is — too much of a good thing = dat is wel een beetje veel van het goede; I had (I would, I’d) — = ik wou liever; I had — not = ik wou liever niet; Cold, isn’t it? —! = koud, he! dat zou ik denken; You think it nice? (I do) —! = vindt ge dit lekker? òf ik.

Ratification, ratifikeiš’n, bekrachtiging; Ratify, ratifai, bekrachtigen, goedkeuren.

Rating, reitiŋ, standje; schatting, rang: Persons of £20 — = die £20 belasting betalen.

Ratio, reišiou, verhouding, reden.

Ratiocinate, rašiosineit, gevolgtrekkingen maken; Ratiocination = gevolgtrekking; Ratiocinative = logisch.

Ration, reiš’n, subst. rantsoen, portie; — verb. rantsoen geven, in rantsoenen verdeelen (out): On full —s = op heel rantsoen.

Rational, rašən’l, met rede begaafd: Man is a — and moral being = de mensch is een redelijk, zedelijk wezen; — dress. Zie Bloomers = —s; —e, rašəneilî, opgaaf van redenen, beredeneerde opgaaf, rekenschap; —ism = godsdienst der rede, rationalisme; —ist = aanhanger van het rationalisme; —istic = rationalistisch; Rationality = redelijkheid, gave der rede; —ize = rationalistisch denken; verstandelijk verklaren; subst. —ness.

Ratisbon, ratisbon.

Ratlin(e)s, ratlinz, weeflijnen (scheepst.).

Rattan, rətan, ratən, bamboes, Spaansch riet, wandelstok.

Ratteen, rətîn, ratijn (soort v. wollen stof); Rattinet, ratinet, dun en fijn ratijn.

Rattle, rat’l, subst. geratel, ratel, gereutel, rammelaar, gekakel, ijdel gesnap, babbelkous; — verb. ratelen, rammelen, rochelen, reutelen, aframmelen; verlegen maken, verschrikken (Amer.); beknorren: The death-— = het rochelen of reutelen van een stervende; She —d away for ten minutes = zij babbelde tien minuten achter elkaar door; He is a —-brain = malloot; —-brained, —-headed, —-pated = onbezonnen, dwaas; —-snake = ratelslang (Amer.); —wort = klapperzaad; Rattling = opgewekt, uitstekend; subst. rammeling: To give a person a — = een rammeling geven; A — good light, portrait; He was in a — vein = zat op zijn praatstoel.

Raucous, rôkəs, ruw, schor.

Ravage, ravidž, subst. roof, plundering, verwoesting; — verb. rooven, plunderen, verwoesten: — of time = tand des tijds; —r.

Rave, reiv, ijlen, raaskallen, gek zijn, dol (verliefd) zijn op; —r.

Ravel, rav’l, verwarren, inwikkelen: To — out = uitrafelen, ontwarren: My trousers were —led out at the heels = waren uitgerafeld; —(ment) = verwikkeling.

Ravelin, ravlin, ravelijn (vestingbouw).

Raven, reiv’n, subst. raaf; ongeluksprofeet; adj. raafkleurig, zwart: Don’t be a — = zie het niet zoo donker in; — locks.

Raven, rav’n, verslinden, rooven; —ing = roofzucht; roofzuchtig; —ous = roofgierig, verslindend, vraatzuchtig; subst. —ousness.

Ravine, rəvîn, ravijn, bergkloof.

Ravish, raviš, ontrooven, verkrachten; verrukken: He was —ed with joy = verrukt, uitgelaten; —er; —ing, verrukkelijk; —ment = roof, verkrachting, verrukking.

Raw, rô, subst. rauwe, zeere of pijnlijke plek; adj. rauw, ruw, guur, open, ontstoken, onervaren, onrijp, ongeoefend, niet afgereden, natuurlijk, ongelooid, ongesponnen, onverdund of onvermengd: — recruits = nog niet afgeëxerceerde recruten; — spirit = klare jenever; She is — and awkward = onbedreven en onhandig; To touch a person (up)on the — (upon the — spot) = iemand in zijn zeer tasten; —-boned = mager, beenig; —-head: The —-head and bloody bones = de bullebak met bebloeden kop en bloederige beenderen; —hide = ongelooide koehuid; grove rijzweep; subst. —ness.

Ray, rei, subst. straal, licht; rog; — verb. stralen schieten, schitteren: —ed animals = straaldieren; —less = duister, somber.

Raya(h), râjâ, niet-Mahomedaan in Turkije.

Rayleigh, reili; Raymond, reim’nd..

Raze, reiz, slechten, raseeren: The enemy’s fortress was —d to the ground = met den grond gelijk gemaakt.

Razor, reizə, scheermes; — verb. scheren, wegsnijden, vernauwen (down); —-back = vinvisch; zwijn of paard met spitsen rug; —-bill = alk; —-strap, —-strop = aanzetleder, scheerriem.

Razure, reižə, doorhaling, uitschrapping.

Razzia, ratsiə, râziə, rooftocht, overval, razzia.

Razzle-dazzle, raz’ldaz’l, duizelig (dronken) maken, beetnemen; subst. dronkenschap, herrie, zwendel.

Reabsorb, rîəbsöb, weder opslorpen; subst. Reabsorption, rîəbsöpš’n.

Reaccess, riaksəs, rîəkses, nieuwe toegang, terugkeer.

Reach, rîtš, subst. bereik, draagkracht, uitgestrektheid, bekwaamheid, rak; — verb. uitsteken, uitstrekken, aanreiken, overreiken, verkrijgen, bereiken: — of a river = rak; It was beyond my (not within my, out of my) — = niet in mijn bereik, buiten mijn bereik (macht); He is out of — of the police = hij is buiten bereik der politie; The king is a man of deep — = een knappe kop; — of thought = scherpzinnigheid; He —ed his jacket = kreeg, greep; This writer —es his public = pakt, boeit; What should an author do to — his readers? = te boeien; They could not — at the ceiling = raken, met de handen komen aan; He —ed forth both his arms = stak uit; He —ed out with his long arms = stak uit; News has —ed here that = er is hier bericht gekomen; —-me-down-clothes = gemaakte manskleeding, meest broeken.

Re-act, rî-akt, nogmaals doen of opvoeren; React, riakt, reageeren op, terugwerken; —ion = terugwerking, reactie; —ionary, subst. reactionair; adj. terug- of tegenwerkend; —ive = reageerend, gevoelig voor (to), reactionair; subst. Reactivity.

Read, rîd; Imp. en P.P. red, lezen, aflezen, uitleggen, raden, doorzien, studeeren, luiden: They could not — the clock = op de klok zien; To — futurity = in de toekomst lezen; To — music = van ’t blad spelen of zingen; — me that riddle = los me dat raadsel op; To — between the lines = tusschen de regels lezen; To — for an examination = studeeren voor; He — himself in = hield zijn intreerede; Can you — this off hand = dit zoo voor de vuist lezen? This may be — off both ways = gelezen worden op twee manieren; To — over the proofsheets = nalezen; He read out the 68th psalm = las hardop voor; To — to a person = iemand voorlezen; To — to oneself; I must — up for it first = er mij eerst inwerken; The book —s very well = laat zich goed lezen; The passage —s thus = de passage luidt aldus; To be better-, best-, ill-read = meer, het meest, weinig algemeen ontwikkeld; He is well-— in the classics = hij is goed thuis; —able = leesbaar, lezenswaard; subst. —ableness; Reader = lezer, voorlezer, corrector, leesboek: The general — = de lezer in ’t algemeen, de gewone lezer; Where is my English —? —ship = lectoraat. Zie Reading.

Readiness, redinəs, gereedheid, bereidwilligheid, bereidvaardigheid, stiptheid: — of mind (— of wit) = tegenwoordigheid van geest; — of speech = welbespraaktheid.

Reading, rîdiŋ subst. het lezen, voorlezing, belezenheid; discussie; adj. belust op lezen of studeeren, ijverig: I have done a lot of — = hard gevost; The third — of the bill will take place next week = de derde lezing (artikelsgewijze behandeling van het wetsontwerp); Balliol was not then a — college = in het B. College werd destijds niet hard gestudeerd; I am not a — man = ik houd niet van lezen; —-book = leesboek; —-desk (-stand) = lezenaar; —-lamp; —-party = excursie, studiereisje; —-room = leeszaal.

Reading, rediŋ.

Readjourn, rîədžɐ̂n, nogmaals verdagen; subst. —ment.

Readjust, rîədžɐst, opnieuw regelen en ordenen; subst. —ment.

Readmission, rîadmiš’n, wedertoelating; — verb. Readmit; subst. Readmittance.

Readopt, rîədopt, weder aannemen.

Readorn, rîədön, opnieuw versieren.

Ready, redi, adj. gereed, klaar, bereid, snel, vlug, gemakkelijk, kort, geneigd, nabij, bij de hand, contant; — verb. klaar maken: — all! = klaar om te wenden! — for sea = zeilklaar (zeetermen); They made — for the journey = zij maakten zich klaar voor de reis; Paid in — money = contant; —-made = vooraf gemaakt: —-made clothing establishment = magazijn van confectie-artikelen; —-money transactions = handel à contant; — payment = contante betaling; —-reckoner = boek met tabellen om berekeningen gemakkelijk te maken; —-wit = gevatheid: He is a —-witted fellow = hij is een gladde baas.

Reaffirm, rîəfɐ̂m, opnieuw bevestigen.

Reagent, rîeidž’nt, reageermiddel.

Reaggravation, rîagrəveiš’n, laatste vermaning (de Monitio peremptoria) aan den schuldige vóór de kerkelijke censuur over hem werd uitgesproken.

Real, rîəl, werkelijk, waar, echt, onvervalscht, voortreffelijk: — estate, zie Estate; — money = klinkende munt; — presence = de werkelijke tegenwoordigheid van Christus bij het avondmaal; —ism = realisme; —ist = realist; —istic = realistisch; —ity, rialiti, wezenlijkheid, werkelijkheid, feit: —ities of Irish life = het leven in Ierland; —ization, subst. v. —ize = verwezenlijken, uitwerken, bewerken, beseffen, werkelijk maken, realiseeren, betaald worden, halen: To —ize a joke = snappen; To —ize a price = opbrengen; —ness = —ity; —ty = vast goed, grondbezit.

Real, rîəl, reiəl, rial, reaal (Spaansche munt: ± 11 cent).

Reallege, rîəledž, opnieuw aanvoeren.

Realliance, rîəlaiəns, hernieuwd verbond.

Realm, relm, koninkrijk: Peer of the — = rijksgroote, lid van ’t Hoogerhuis.

Ream, rîm, subst. riem = 20 boek = 480 vel (Printer’s — = 516 vel); — verb. verbreeden, rekken, uitboren; adj. echt, natuurlijk; —er = boorwerktuig.

Reanimate, rianimeit, bezielen, doen herleven; subst. Reanimation.

Reannex, rîəneks, opnieuw aanhechten; subst. —ation.

Reap, rîp, maaien (van koren), inoogsten, verkrijgen, verdienen; —er = oogster, maaier; —ing-hook = sikkel; —ing-machine = maaimachine; —ing-time = oogsttijd.

Reapparel, rîəpar’l, weer kleeden.

Reappear, rîəpîə, opnieuw verschijnen; subst. —ance.

Reapply, rîəplai, opnieuw aanwenden, zich op nieuw wenden (tot).

Reappoint, rîəpôint, opnieuw aanstellen; subst. —ment.

Rear, rîə, subst. achterhoede, achterkant, achtergrond; adj. achterste, laatste: He was (in) at the —, fell, moved to the the — = was op den achtergrond (in de achterhoede), bleef achter, ging naar den achtergrond (de achterhoede); The sepoys brought up the — = vormden de achterhoede; —-admiral = schout-bij-nacht; —-guard = achterhoede; —-line (—-rank) = achterste gelid; —ward, subst. achterhoede, laatste troep; adj. naar de achterhoede, naar achteren.

Rear, rîə, verb. grootbrengen, opkweeken, fokken, bouwen, oprichten, steigeren: The horse —ed and plunged = steigerde en sloeg achteruit.

Rearise, rîəraiz, weer opkomen.

Reascend, rîəsend, weder beklimmen; subst. Reascension.

Reason, rîz’n, subst. rede, vernuft, verstand, oordeel, recht, gematigdheid, billijkheid, reden, evenredigheid; — verb. redeneeren, overreden, bespreken: That’s the — why I declined = daarom; To regain one’s — = weer bij zijn verstand komen; To talk — = zijn verstand gebruiken, verstandig praten; By — of = wegens, van wege; For that very — = juist om die reden; In — = met mate; I will pay you any sum in (all) —, which you may ask of me = elke billijke som; It stands to — that I cannot go there = het spreekt vanzelf; He —ed me into voting for that candidate = heeft mij bepraat om; I could not — him out of his folly = kon hem zijne dwaasheid niet uit het hoofd praten; Reasonable = redelijk, voor redeneering vatbaar, billijk, matig: I shall be back by a — hour = op behoorlijken tijd; — price; subst. —ness; Reasoner = redeneerder; Reasoning = redeneering; Reasonless.

Reassemble, rîəsemb’l, opnieuw verzamelen of bijeenkomen.

Reassert, rîəsɐ̂t, opnieuw bevestigen, zich weer doen gelden; subst. —ion.

Reassign, rîəsain, weder toe- of aanwijzen.

Reassume, rîəsiûm, hervatten, hernemen; subst. Reassumption.

Reassurance, rîəšûrəns, subst. v. Reassure, rîəšûə, opnieuw verzekeren, geruststellen; Reassuring news, tidings = geruststellende berichten.

Reattach, rîətatš, opnieuw verbinden; subst. —ment.

Réaumur, Fr. uitspr.

Reavow, rîəvau, opnieuw betuigen.

Reay, rei.

Rebaptism, rîbaptizm, wederdoop; Rebaptize, rîbəptaiz, herdoopen.

Rebate, ribeit, subst. rabat, korting, speciale (verlaagde) vrachttarieven; soort v. harde zandsteen; — verb. verminderen, rabat geven of korten; —ment = vermindering, korting.

Rebec(k), rîbek, ouderwetsche driesnarige viool.

Rebel, reb’l, subst. oproerling; adj. oproerig.

Rebel, ribel, oproer maken, in opstand komen, muiten: They —led against the lawful authority = kwamen in opstand tegen; —ler = Rebel; Rebellion, ribelj’n, opstand, oproer: The Great — = de Eng. revolutie van 1642–1660; de Amer. burgeroorlog van 1861–1865; Rebellious = oproerig; subst. —ness.

Reboant, reboənt, weerklinkend.

Reboil, rîbôil, opnieuw koken.

Rebound, ribaund, subst. terugstuiting, echo; — verb. terugstuiten, weerklinken, weergalmen: Many a heart is caught in (on) the — = wanneer het nog bloedt na versmaad te zijn door een ander.

Rebuff, ribɐf, subst. terugstoot, weigering, afwijzing; — verb. terugdrijven, afwijzen: To meet with a —.

Rebuild, rîbild, weder opbouwen.

Rebukable, ribjûkəb’l, wat berisping verdient; Rebuke, ribjûk, subst. berisping, standje; — verb. berispen, laken: He caught a — = hij kreeg een standje; —ful = berispend, bitter; —r.

Rebullition, rîbuliš’n, opborreling, opkoking.

Rebury, rîberi, opnieuw begraven.

Rebus, rîbəs, rebus, devies (op een schild), waarbij de naam door eene teekenfiguur of een beeld wordt voorgesteld.

Rebut, ribɐt, terugslaan of -stooten, afweren, van repliek dienen, weerleggen; —tal = weerlegging; —ter = antwoord van den beschuldigde na dat van den aanklager.

Recalcitrance (Recalcitrancy) rikalsitr’ns(i): Carlyle’s style excites — in novices = wekt tegenspraak bij oningewijden; Recalcitrant, rikalsitr’nt, weerspannig, tegenstrevend; subst. weerspannige; Recalcitrate = zich verzetten, tegenstreven; subst. Recalcitration.

Recall, rikôl, subst. herroeping, terugroeping (het signaal daarvoor); — verb. herroepen, opzeggen, terugroepen, zich herinneren: That is past — = onherroepelijk; These two officers are under — and on their journey back = deze twee ambtenaren zijn teruggeroepen; To present one’s letters of — = brieven van rappèl (van een gezant); I can’t — it to mind = me niet herinneren.

Recant, rikant, herroepen; —ation = herroeping: He made a —ation = hij herriep zijne bewering, trok ze in; —er.

Recapitulate, rîkəpitjuleit, in het kort herhalen; subst. Recapitulation; adj. Recapitulative, Recapitulatory: — exercises = oefeningen ter herhaling.

Recaption, rikapš’n, terugname (van een wederrechtelijk onthouden bezit); Recaptor = hernemer, die het buit gemaakte terugneemt; Recapture, subst. herovering, heroverde prijs; — verb. heroveren, terugnemen.

Recast, rikâst, opnieuw gieten of vormen, opnieuw bewerken, nogmaals berekenen; ook subst.: Sixth edition, — and augmented = opnieuw bewerkte en vermeerderde uitgaaf.

Recede, risîd, teruggaan, terugloopen, zich terugtrekken, wijken: He —d into the background = hij trad op den achtergrond; —r.

Recede, rîsîd, rîsîd, weder afstaan aan den vroegeren bezitter.

Receipt, risît, subst. ontvangst, het ontvangene, voorschrift, recept, kwitantie, reçu; — verb. eene kwitantie geven, voor voldaan teekenen: A — for catching birds by putting salt on their tails = een middel om vogels te vangen; He is in the — of a good income = hij heeft een goed inkomen; On — of your favour of the 4th. inst. = na ontvangst van uw geëerde van 4 dezer; He acknowledged the — of my letter = berichtte de ontvangst; To give a — = kwitantie geven; Book of —s and expenditures = van inkomsten en uitgaven; —-stamp = kwitantiezegel.

Receive, risîv, ontvangen, toelaten, aannemen, erkennen, vinden, helen: It was generally —d that he was in fault = men erkende algemeen; He was —d into our club = werd opgenomen; To sit to — on certain days = ‘jour’ houden; To — or visit a pupil = lessen aan huis of buitenshuis geven; —d of Mr. N. = ontvangen van den Heer N. (op kwitanties); —d payment = ontvangen, betaald; Custom long —d = oud gebruik; Receiver = ontvanger (ook instrument), heler, recipient, klok (luchtpomp): The — makes the thief = zonder heler geen steler; — (in bankruptcy) = curator, bewindvoerder; Receiving: —-office = kantoor voor het aannemen van pakketten, etc.; —-ship = wachtschip (waarop de nieuwe matrozen blijven tot ze voor den dienst worden aangewezen).

Recency, rîs’nsi, frischheid, nieuwheid; Recent, rîs’nt, nieuw, versch, frisch, pas geleden (gebeurd): — English = het E. van onzen tijd; subst. —ness.

Recension, risenš’n, critische tekstuitgaaf, herziene en verbeterde uitgaaf: The work exists in two different —s = in twee verschillende critische uitgaven.

Receptacle, riseptək’l, vergaarbak, ontvanger, koker, vruchtbodem, vat.

Receptibility, riseptibiliti, ontvangbaarheid, ontvankelijkheid.

Reception, risepšn, ontvangst, receptie: They prepared a cordial — for him = een hartelijke ontvangst; Receptive: His — faculties are very great = zijn opnemingsvermogen; Receptivity = receptiviteit, opnemingsgave; Receptor = ontvanger.

Recess, rises, opschorting of vacantie, vrij kwartier; afgelegen verblijf, schuilhoek, nis, alcoof: The Easter — will not last more than two weeks = het Paaschreces; The inner —es of the heart = de diepste schuilhoeken; The passage led to an inner — = een verborgen hoek; Recession = verwijdering, terugtrekking, het afstand doen; —al = slot …; subst. gezang bij het uitgaan der kerk.

Rechabite, rekəbait, Rechabiet (Jez. XXXV, 5); geheelonthouder.

Recharge, rîtšâdž, opnieuw aanvallen of laden, eene tegenaanklacht indienen.

Recharter, rîtšâtə, opnieuw bevrachten.

Recheat, ritšît, subst. hoorngeschal om de honden terug te roepen als ze het spoor kwijt zijn; — verb, een recheat doen weerklinken.

Recheck, rîtšek: The luggage (account) had to be —ed first = moest eerst opnieuw gecontroleerd worden.

Recherché, Fr. uitspr. uitgezocht, fijn, keurig.

Recidivism, risidivizm, recidive; Recidivist = recidivist.

Recipe, resipi, recept.

Recipient, risipj’nt, subst. ontvanger; adj. ontvangend.

Reciprocal, risiprək’l, wederzijdsch, wederkeerig, afwisselend; ook subst. —ity, risiprəkaliti = —ness = wederkeerigheid; Reciprocate, risiprəkeit, wederkeerig geven of aandoen, teruggeven, vergoeden: We have —d kindnesses = wij hebben eenige beleefdheden gewisseld; subst. Reciprocation; Reciprocity = wederkeerigheid, reciprociteit.

Recital, risait’l, voordracht, optelling, verhaal, solo, reciet: The — of his story drew tears from the audience = het verhaal van zijne geschiedenis; Recitation = opzeggen, declamatie, voordracht; mondeling examen (Amer.); Recitative, resitətîv, recitatief (muz.); Recite, risait, opzeggen, voordragen: He —d Tennyson’s May-queen; —r = declamator.

Reck, rek, geven om, schelen: I do not — = het kan me niet schelen; Little does he — what are the consequences = om de gevolgen bekommert hij zich geen zier; —less = roekeloos, zorgeloos: I am —less of his words = zijne woorden laten me volkomen koud; subst. —lessness.

Reckon, rek’n, rekenen, onderstellen, houden voor, optellen (up), tellen, afrekenen: That cannot — as an English word = kan niet beschouwd worden; He was —ed among your friends = geteld onder; The English — by pounds, shillings and pence = rekenen met, bij; —ing from what you say = te oordeelen naar; May I — on you? = op u rekenen; These things are too small to be —ed up = te onbeduidend om opgeteld te worden; I cannot — it up = ik kan het me niet begrijpen; Modern thought is not —ed with by him = hij houdt geene rekening met; He appeared to have —ed without his host = hij bleek buiten den waard gerekend te hebben; —er = rekenaar: He is a ready —er = vlug in het rekenen; Reckoning = berekening, rekening, schatting, gissing, bestek (scheepsterm): Even (short) —s make lasting (long) friends = effen rekening onderhoudt de vriendschap; You are out in your — = gij zijt in uwe rekening mis, vergist u = You have lost your —; To leave out of the — = buiten rekening laten; —-book = boek van ontvangst en uitgaaf, journaal.

Reclaim, rikleim, terugroepen, op het rechte pad brengen (fig.), verbeteren, ontginnen, in cultuur brengen van droog gemaakt land; ontginnen; africhten, temmen: They —ed against such measures = kwamen in verzet tegen; He was —ed from his sinful ways by his friend = hij werd op het goede pad teruggebracht; adj. —able; Reclamation, rekləmeiš’n, eisch, verwering, protest, verbetering; ontginning: Scrooge’s — was brought about by the three spirits = S.’s verbetering.

Reclination, reklineiš’n, subst. v. Recline, riklain, achterover leunen, overhellen, rusten, steunen; Reclining: —-board = leun-plank (orthop.); —-chair = verstelbare leuningstoel.

Reclose, rîklouz, opnieuw sluiten.

Recluse, riklûs, subst. kluizenaar; adj. eenzaam, afgezonderd; —ness = afzondering, eenzaamheid = Reclusion, riklûž’n; Reclusive, riklûsiv, eenzaam, teruggetrokken.

Recognition, rekəgniš’n, herkenning; erkenning, betuiging: In — of his many services = ter erkenning van; Recognitory = (h)erkennend; Recognizable, rekəgnaizeb’l, rikognizəb’l, rekəgnaizəb’l, herkenbaar; Recognizance, riko(g)niz’ns, erkenning, teeken, insigne, schriftelijke verplichting tot het betalen van een schuld, tot zich ordelijk gedragen, etc.: They had to enter into their own —s to keep the peace = zij moesten een schriftelijke verklaring afleggen (zich persoonlijk borgstellen), de orde niet weer te verstoren; Recognize, rekəgnaiz, herkennen, erkennen; Recognizee, riko(g)nizî, degene ten wiens behoeve voor de rechtbank dergelijke schriftelijke verbintenis wordt gegeven; Recognizor, riko(g)nizə, riko(g)nizö, afgever van dergelijke verbintenis.

Recoil, rikôil, subst. terugslag, wijking, terugsprong; — verb. terugdeinzen, terugspringen, terugkomen, stooten: Their attacks will — on them = op henzelf weer neerkomen.

Recoin, rîkôin, opnieuw munten; subst. —age.

Recollect, rîkəlekt, opnieuw verzamelen: To — oneself = zich beheerschen, tot nadenken komen.

Recollect, rekəlekt, zich herinneren: I can’t — having ever seen him before = kan me niet herinneren; —ion = herinnering, zelf beheersching: You have grown out of all —ion = je bent zoo gegroeid, dat men je niet meer herkent; adj. —ive.

Recolonize, rîkolənaiz, opnieuw koloniseeren.

Recombination, rîkombineiš’n, subst. v. Recombine, rîk’mbain, (zich) opnieuw verbinden of samenvoegen.

Recommence, rîkəmens, opnieuw beginnen; subst. —ment.

Recommend, rekəmend, aanbevelen, aanprijzen, aanraden: The jury —ed him to mercy; To — itself = zich aanbevelen; adj. —able = aanbevelenswaardig; subst. —ableness; —ation: Letter of —ation; —atory = aanbevelings.…: —atory letter; —er.

Recommit, rîkəmit, opnieuw opdragen (overleveren), weder naar dezelfde commissie terugzenden: To — to prison = weer arresteeren; subst. —ment = —tal.

Recommunicate, rîkəmjûnikeit, opnieuw mededeelen.

Recompense, rek’mpens, subst. belooning, vergoeding; — verb. beloonen, vergelden, schadeloos stellen; —r.

Recompile, rîk’mpail, opnieuw verzamelen of samenstellen; subst. —ment.

Recompose, rîk’mpouz, opnieuw samenstellen, weder geruststellen, weder in orde brengen; subst. Recomposition.

Reconcilable, rek’nsailəb’l, verzoenbaar, vereenigbaar, bestaanbaar; Reconcile, rek’nsail, verzoenen, overeen- of tot harmonie brengen: To — oneself to, To be (become) —d to = zich verzoenen met, zich schikken in; He felt more —d to his work = kreeg meer op met; How can you — it to your conscience? = het met je geweten overeenbrengen; They were —d to each other and to their fate = zij verzoenden zich met elkander en met hun lot; —ment = Reconciliation; Reconciliatory, rek’nsiliətəri, verzoenend.

Recondensation, rîkondənseiš’n, subst. v. Recondense, rîk’ndens, opnieuw verdichten.

Recondite, rek’ndait, rikondit, geheimzinnig, verborgen; afgetrokken, diepzinnig.

Reconduct, rîk’ndɐkt, terugleiden.

Reconfirm, rîk’nfɐ̂m, opnieuw bevestigen.

Reconnaissance, rəkonəs’ns, verkenning: — duty = verkenningsdienst = Reconnoissance.

Reconnoitre, rekənôitə, verkennen, opnemen: Reconnoitring party.

Reconquer, rîkoŋkə, opnieuw veroveren, herwinnen; Reconquest, rikoŋkwəst, herovering.

Reconsecrate, rîkonsikreit, opnieuw wijden; subst. Reconsecration.

Reconsider, rîk’nsidə, opnieuw in overweging nemen; Reconsideration.

Reconsignment, rîk’nsainm’nt, terugzending, hernieuwde zending.

Reconstitute, rîkonstitjût, opnieuw samenstellen; subst. Reconstitution.

Reconstruct, rîk’nstrɐkt, opnieuw samenstellen of bouwen; subst. —ion; adj. —ive.

Reconvene, rîk’nvîn, opnieuw bijeenkomen of roepen.

Reconversion, rîk’nvɐ̂š’n, wederbekeering; Reconvert = opnieuw bekeeren.

Reconvey, rîk’nvei, terugvoeren, overdragen op een vroegeren eigenaar; subst. —ance.

Record, rekəd, gedenkschrift, getuigschrift, getuigenis, verleden, antecedenten, verhaal, register, officieel afschrift, rol of plaat voor phonograaf of gramophoon; kortste tijd, die geregistreerd is (sport): Court of — = hof waar uitspraken in archief worden bewaard; —s = publieke documenten, protocollen, verslag van de hoofdzaken in een geding: Keeper of the —s = archivaris, griffier; That is the most famous name (up)on — = in de geschiedenis vermeld; It is on indisputable — = het staat onomstootelijk vast; To bear — of = getuigen van; This skater has beaten (broken, cut) the — = heeft den besten tijd gemaakt, dus: het oude record geslagen; He has a clean — = een zuiver geweten; I will make a — of it = zal er een register of eene lijst van aanleggen; He wrote his — upon his generation (Amer.) = hij was in zijn tijd een man van beteekenis; —-office = rijksarchief.

Record, riköd, aanteekenen, registreeren, opteekenen, vermelden, als historisch feit overleveren, zingen (van vogels): All the glorious names, —ed in history = in de geschiedenis opgeteekend; Recorder = archivaris, syndicus (de hoogste, door de regeering benoemde rechter in een Borough); registratie-apparaat (telegr.); soort fluit; —ship; Recording-telegraph = druktelegraaf.

Recount, rikaunt, omstandig verhalen; rîkaunt, op nieuw tellen.

Recoup, rikûp, vergoeden, schadeloosstellen, een verlies herstellen: He —ed his energies in the Giant Mountains = herkreeg; I will — all losses you may incur by it = vergoeden; I lost more than this book is likely to — me for = waarschijnlijk zal opbrengen; I never attempted to — myself for the money spent so unnecessarily = mij schadeloos te stellen voor; subst. —ment.

Recourse, rikös, toevlucht, schadeloosstelling: I had — to him = nam mijne toevlucht tot hem.

Recover, rikɐvə, (doen) herleven, herstellen, te boven komen, herwinnen, herkrijgen, terugvinden, vergoeden, inhalen, bevrijden, redden: To — one’s breath = weer op adem komen; To — consciousness = bijkomen; He wanted to — damages = schadevergoeding te krijgen; He could only — second-class expenses = had slechts aanspraak op vergoeding van etc.; To — shipwrecked goods = bergen; He couldn’t — health = zijne gezondheid niet terugkrijgen; He —ed his legs = hij kwam weer op de been; He —ed his nerve = herkreeg zijne zelfbeheersching; He —ed his property = kreeg terug; He —ed himself = herstelde zich; He was —ed from the hands of his enemies = hij werd gered of bevrijd; —ability, subst. v. —able = herkrijgbaar; subst. —ableness; Recovery = herstel, herkrijging: The patient is past — = hopeloos.

Recover, rîkɐvə, opnieuw bedekken.

Recreance, Recreancy, rekriəns(i), lafhartigheid, laagheid, afvalligheid; Recreant, rekriənt, laf, laaghartig, valsch; afvallig; ook subst.

Recreate, rekrieit, zich ontspannen, vermaken, verlustigen; Recreation, rekrieiš’n, ontspanning, afleiding; Recreative = opwekkend, ontspannend, versterkend.

Recreate, rîkrieit, opnieuw scheppen; Recreation, rîkrieiš’n, herschepping.

Recrement, rekriment, uitwerpsel, slakken; adj. —itious.

Recriminate, rikrimineit, eene tegenbeschuldiging inbrengen; Recrimination = tegenbeschuldiging; Recriminative, Recriminatory = een tegenbeschuldiging bevattend; Recriminator = tegenbeschuldiger.

Recross, rîkros, nogmaals oversteken.

Recrudesce, rîkrudes, weer zeer worden, verergeren, weer uitbreken, weer opleven; subst. —nce; adj. —nt.

Recruit, rikrût, subst. rekruut, nieuweling; aanvulling; — verb. recruteeren, versterken, herstellen, met nieuwe kracht bezielen, weer op krachten komen: Will you — the fire? = wat bij het vuur doen; To — the inner man = den inwendigen mensch versterken; He —ed his strength (flesh) on the Riviera = herwon zijne krachten; We must — him and set him on his legs again = hem versterken; A —ing officer (sergeant) = werfofficier; —ing-money = handgeld; —ing-office = werfbureau; —ing-sergeant; —ment = recruteering, herstel, versterking.

Rectal, rektəl: — douche = lavement.

Rectangle, rektaŋg’l, rechthoek; —d, Rectangular, rektaŋgjulə, rechthoekig; Rectangularity = rechthoekigheid.

Rectifiable, rektifaiəb’l, wat verbeterd kan worden; Rectification = verbetering, rectificatie; Rectifier; Rectify, rektifai, herstellen, verbeteren; overhalen (door distillatie).

Rectilineal, rektilinj’l, rechtlijnig = Rectilinear.

Rectitude, rektitjûd, oprechtheid, eerlijkheid, juistheid: Unctious — = huichelachtigheid.

Rector, rektə, bestuurder, rector, Anglikaansch geestelijke, die al de tithes (vroeger de great tithes, those in corn) van de Living ontvangt, doch geen dienst behoeft te doen; —ate, —rit, rectoraat; —ial, rəktôriəl, rectoraal, rector - -; —ship = betrekking of ambt van een rector; —y = pastorie, ambt van een rector.

Rectrix, rektriks, staartveer; mv. Rectrices, rektraisîz.

Rectum, rekt’m, endeldarm.

Recumb, rikɐmb, leunen, rusten; —ence, —ency = rust, leunende of liggende houding; —ent = leunend, rustend, lui.

Recuperate, rikjûpəreit, herstellen: She —d her health = herkreeg; Recuperation = herstel, herkrijging; Recuperative = herstellings - -: — power.

Recur, rikɐ̂, terugkeeren tot, terugkomen op, invallen, zijn toevlucht nemen tot: He —red to it again and again = kwam er telkens op terug; It does not — to me = valt me niet in; It —red to my (mind) memory = schoot mij weer te binnen; —rence, —rency, rikɐr’ns(i), terugkeer, toevlucht: The word is of frequent —rence in this book = komt herhaaldelijk voor; —rent, rikɐr’nt, telkens voorkomend; —ring (rikɐ̂riŋ) decimal = repeteerende breuk.

Recurvation, rîkɐ̂veiš’n, subst. v. Recurve, rikɐ̂v, achterwaarts buigen of gebogen.

Recusance, Recusancy, rekjuz’ns(i), rikjûz’ns(i), hardnekkige weigering (van den godsdiensteed, van de geestelijke suprematie des konings); Recusant, rekjuz’nt, rikjûz’nt, weigerend; subst. weigeraar.

Recusation, rekjuzeiš’n, weigering, verwerping of wraking (van een rechter).

Red, red, rood; subst. rood, roode, roode wijn; (—s = roodhuiden); Bright — = helder-rood; Deep — = donkerrood; He is — on it = hij is er op verzot; To go — in the face = blozen; —-backed shrike = grauwe klauwier; —-book = staatsalmanak, adelsboek; —breast = roodborstje; — cabbage; —cap = goudvink; —-chalk = rood krijt; —-coat = soldaat; —cock crowing = brandstichting, den rooden haan laten kraaien (Schotl.); —-cross banner = banier met het roode kruis v. St. George; —-cross societies; — currant = roode (aal)bes; — deer = edelhert; — grouse = sneeuwhoen; —-gum = huiduitslag (bij kinderen); roest (in koren); —-hand(ed) = op heeter daad: He was caught —-handed = op heeter daad betrapt; —-herring = bokking; —-hot = gloeiend heet; —-lattice = roode jalouzieën van kroegen en bordeelen: —-lattice phrases = gemeene taal; — lead = roode menie; —-letter day = gelukkige dag (omdat de heiligendagen rood gemerkt waren in de almanakken); All —-line = route geheel over Engelsch gebied; —poll = roodharig rund zonder horens; — ribbon = ordelint van de Bathorde; brandy; — Sea = Roode zee; —-shanks = tureluur; Bergschot; —-short = roodbreukig (v. ijzer); —skin = Roodhuid, Indiaan; —start = roodstaartje; —-tape = rood lint voor het binden van akten; adj. bureaucratisch; —-tapism = bureaucratie; —-tapist = bureaucraat; —wing = koperwiek; —wood = roodhout; —den = rood worden, blozen; —dish = roodachtig; —dle = rood krijt.

Redact, ridakt, redigeeren; —ion = het redigeeren of geredigeerde.

Redan, ridan, schans met uit- en inspringende hoeken; trap (Archit.).

Redeem, ridîm, terugkoopen, verlossen, loskoopen, vervullen (van woord of belofte), boeten voor, goedmaken, benuttigen, verlossen: He has —ed his wicked deeds = goedgemaakt; To — a promise = vervullen; Jesus has —ed mankind = Jezus heeft het menschdom verlost; —able = (af)losbaar; subst. —ableness; —er = Verlosser; The one —ing feature = de eenige goede trek.

Redeliver, rîdilivə, weder afleveren, nogmaals bevrijden, rapporteeren; subst. —ance = —y.

Redemand, rîdimând, terugvorderen.

Redemption, ridemš’n, loskooping, verlossing, vrijkooping, lossing: Power of — = recht tot terugkoop; Past — = reddeloos verloren; —ist = Redemptorist, lid van de orde van den Heiligen Verlosser; Redemptive = verlossend; Redemptorist, redemptorist, ligurist; Redemptory price (sum) = losgeld, losprijs.

Redingote, rediŋgout, jas.

Redintegrate, ridintəgreit, verb. vernieuwen, weer volkomen maken; adj. vernieuwd; Redintegration = vernieuwing.

Redirect, rîdirekt, opzenden (van brieven door ze van een nieuw adres te voorzien).

Redistribute, ridistribjût, opnieuw uitdeelen; subst. Redistribution; adj. Redistributive, Redistributory.

Redivivus, ridivaivɐs, herleefd.

Redolence, Redolency, redəlens(i), geur, welriekendheid; adj. Redolent, redəlent: The air in the room was — of attar of roses = was bezwangerd met.

Redouble, ridɐb’l, verdubbelen.

Redou(b)t, ridaut, reduit (vestingbouw).

Redoubtable, ridautəb’l, geducht, gevreesd = Redoubted.

Redound, ridaund, weer neerkomen, terugvallen, strekken: No small profit —s from this business to you = vloeit voort; All this —s on you = valt op u terug; That will — to the credit and advantage of our cause = strekken tot.

Redowa, redəwa, Boheemsche dans; muziek daarbij.

Redraft, rîdrâft, subst. tweede afschrift of afdruk; herwissel; — verb. opnieuw opstellen (ontwerpen, teekenen).

Redraw, rîdrô, opnieuw (een wissel)trekken.

Redress, ridres, subst. herstel (van grieven, b.v.), vergoeding; — verb. verhelpen, herstellen, vergoeden: To obtain —; —able = wat verholpen kan worden; —ment = herstel.

Reduce, ridjûs, terugleiden, terugbrengen tot een vroegeren toestand, verlagen, dégradeeren, ten onder brengen, verminderen, verkleinen, reduceeren, intoomen, rangschikken: To — to ashes = tot asch verbranden; His family was —d to beggary (poverty) = tot den bedelstaf gebracht; The account was —d to half its amount = werd tot op het halve bedrag teruggebracht; This startling order —d us all to powder = we stonden ‘paf’ van; To — to submission = tot onderwerping brengen; The sergeant was —d to the ranks = werd tot soldaat gedegradeerd; In —d circumstances = armoedige; A —d copy = verkleinde copie; A —d family = verarmde; —r; Reducible, ridjûsib’l: To be — to = herleidbaar tot; Reduction, ridɐkš’n, reductie, terugbrenging, overwinning, onderwerping, vermindering, rabat, verkleining, herleiding: — of fractions to a common denominator = gelijknamig maken van breuken; Reductive = verminderend, reduceerend; ook subst.

Redundance, Redundancy, ridɐnd’ns(i), overtolligheid, overdaad; This word is redundant = overtollig, te veel.

Reduplicate, ridjûplikit, herhaald; subst. verdubbeling; — verb. ridjûplikeit, verdubbelen, herhalen; subst. Reduplication; adj. Reduplicative.

Ree, rî, reis, Portugeesche of Braziliaansche muntéénheid. Zie Reis.

Re-echo, rî-ekou, weergalmen, weerklinken.

Reed, rîd, riet, herdersfluit, tongetje, mondstuk, weverskam; —-bird = rijstvogeltje (Amer.); —-fence = rietscherm; —-grass = riet; —y = vol riet, rieten, rietachtig; brouwend.

Reef, rîf, subst. rif; reef; — verb. reven; —-earing = steekbout (scheepst.); —er = een soort jekker = —ing-jacket; —y = vol riffen.

Reek, rîk, subst. damp, rook; — verb. dampen, rooken: The battle-field was —ing with blood; The floor —ed with recent scrubbing; —y = vuil, zwart, rookerig.

Reel, rîl, subst. haspel, klos; waggelende gang, Schotsche dans; — verb. op een haspel of klos winden, draaien; waggelen, dansen: He knows it off the — = op zijn duimpje; I am for settling matters off the — = ik maak de zaken graag zonder talmen en gezeur in orde; His head —s = zijn hoofd draait met hem in het rond; He —ed from the pothouse = kwam waggelend uit; To — off a story = aframmelen.

Re-elect, rî-ilekt, nogmaals kiezen, herkiezen; —ion = herkiezing; Re-eligibility, subst. v. Re-eligible, ri-elədžib’l, herkiesbaar.

Re-embark, rî-əmbâk, (zich) opnieuw inschepen; subst. Re-embarkation.

Re-embody, rî-əmbodi, nogmaals belichamen of inlijven.

Re-emerge, rî-imɐ̂dž, weder bovenkomen; subst. —nce.

Re-enact, rî-ənakt, nogmaals bepalen of voorschrijven of opvoeren; subst. —ion = —ment.

Re-enforce, rî-ənfös. Zie Reinforce.

Re-enter, rî-entə, opnieuw binnentreden; subst. Re-entrance; Re-entrant = inspringend.

Re-establish, rîəstabliš, opnieuw vestigen, herstellen; subst. —ment.

Reeve, rîv, subst. baljuw; kemphaan (het wijfje); — verb. inscheren (scheepst.).

Re-examination, rîəgzamineiš’n, subst. v. Re-examine, rîəgzamin, nogmaals ondervragen.

Re-exchange, rîəkstšeinž, omwisseling, herwissel; ook verb.

Re-export, rîekspöt, wederuitvoer = —ation.

Re-export, rîəkspöt, weder uitvoeren.

Refection, rifekš’n, verversching, kleine maaltijd; Refective, lavend; subst. lafenis.

Refectory, rifektəri, eetzaal, refectorium (in kloosters); lokaal voor ververschingen.

Refer, rifɐ̂, verwijzen, terugvoeren, in handen stellen (voor consideratie en afdoening), nasporen, toewijzen, een beroep doen op, zich wenden tot, betrekking hebben op, raadplegen: The matter was —red to his decision = hem ter beslissing voorgelegd; I — to the very words you spoke = ik beroep mij op (verwijs naar); He —red to a passage unknown to me = had het oog op; —able, refərəb’l, verwijsbaar, betrekkelijk, toe te schrijven; Referee, refərî, scheidsrechter, deskundige; — verb. toezien op; Reference, refərens, verwijzing, betrekking, beslissing, iemand tot wien, of iets waartoe men zich om inlichtingen kan wenden: In — to what you said just now = met betrekking tot; For —s apply to editor = men wende zich tot den redacteur om inlichtingen; This adverb has no — to the principal verb = slaat niet op; To look up —s = plaatsen waarnaar verwezen wordt opzoeken; —s required with application = reflectanten gelieven hunne referentiën op te geven; Many books (works) of — are at the reader’s disposal = vele encyclopedieën, woordenboeken, enz.; Referential, refərenš’l, betrekking hebbende op; Referrible = —able: That is — to what he asserted = kan in verband worden gebracht.

Refine, rifain, zuiveren, louteren, raffineeren, beschaven: —d manners, language, morals = beschaafde manieren en taal, verfijnde zeden; —d sugar = geraffineerde; —ment = zuivering, loutering, beschaving, vorming, gemaaktheid, spitsvondigheid; —r = beschaver, zuiveraar, raffinadeur; haarkloover, uitpluizer; —ry = Refining-works = raffinaderij.

Refit, rîfit, subst. het herstellen of kalfaten; — verb. herstellen, opnieuw uitrusten, kalfaten; subst. —ment.

Reflect, riflekt, terugkaatsen, terugwerpen, weerspiegelen, weerkaatsen; overdenken, overpeinzen, zich ongunstig uitlaten over, hatelijke opmerkingen maken (on); een ongunstig licht werpen op: He wanted me to — on his proposal = na te denken over; That —s on the memory of my deceased friend = dat werpt een smet op; —ion, riflekš’n, terugkaatsing, weerspiegeling, overdenking, berisping, verwijt, kritiek: Do not say so, lest it seem a —ion on your benefactor = het mocht eens een verwijt aan uw weldoener schijnen; —ive = terugkaatsend, overwegend; —or = reflector.

Reflex, rîfleks, subst. weerkaatst beeld of licht, reflexbeweging; —ibility = weerkaatsbaarheid; adj. —ible; —ive = wederkeerend, weerkaatsbaar, terugslaand (op iets verledens): —ive verb.

Reflourish, rîflɐriš, opnieuw bloeien.

Reflow, riflou, terugvloeien, ebben.

Refluence, Refluency, refluens(i), terugvloeiing; adj. Refluent; Reflux, rîflɐks = ebbe: Flux and — = vloed en ebbe.

Reform, riföm, subst. verbetering, hervorming; — verb. hervormen, (zich) verbeteren: I —ed him of his negligence = heb hem afgeleerd; — Act (— Bill) = wet tot betere regeling van het Engelsche kiesrecht (van 1832; uitgebreid in 1867 en 1884/85); —-school = tuchtschool (Amer.); —ation, refəmeiš’n, hervorming, verbetering: House of —ation; —ative = hervormend, verbeterend; —atory, subst. verbeteringsgesticht (= — school); adj. verbeterend; The —ed Church = Hervormde Kerk; —er = hervormer; —ist = hervormingsgezinde.

Refortification, rîfötifikeiš’n, subst. v. Refortify, rîfötifai, opnieuw versterken.

Refract, rifrakt, breken (van stralen): —ed rays = gebroken lichtstralen; —ion = straalbreking: Angle of —ion = brekingshoek; —ive = brekend (van stralen), brekings - -; —or = refractor; —oriness, subst. v. —ory = weerspannig, weerbarstig; moeilijk smeltbaar: —ory to cholera = immuun tegen.

Refrain, rifrein, subst. refrein.

Refrain, rifrein, (zich) weerhouden of inhouden, bedwingen, nalaten: He —ed from saying this = onthield zich; He could not — from weeping = kon niet inhouden.

Refrangibility, rifranžibiliti, subst. v. Refrangible, rifranžib’l, breekbaar; subst. —ness.

Refresh, rifreš, verfrisschen, ververschen, opwekken, verkwikken, proviand innemen: —ing news = opwekkend nieuws, prettige tijding; Refresher = opfrissching; extra honorarium aan een barrister ter bespoediging van eene zaak die lang duurt; Refreshment = verversching, opwekking: To take —; —-bar = “bar”; —-room = restauratiezaal; —-Sunday = vierde Zondag in de vasten.

Refrigerant, rifridžər’nt, verkoelend of afkoelend (middel); Refrigerate = afkoelen, koel houden: Refrigerating-chamber = koelkamer, ijskast; Refrigeration = afkoeling, ijsbereiding; Refrigerator = koelkan, koelvat, koelkamer = Refrigeratory; adj. verkoelend.

Refuge, refjûdž, schuilplaats, toevlucht, asyl, hulp- of redmiddel, uitvlucht, vluchtheuvel: He was obliged to take — with his enemies = eene schuilplaats te zoeken bij; He took — to the wood = nam de wijk; A loud cry was raised for the fire-escapes, but these —s had been removed = deze hulpmiddelen had men verwijderd; The cities of — = de zes vrijsteden (Jos. XX); House of — = asyl voor dakloozen; Refugee, refjudžî, vluchteling, uitgewekene.

Refulgence, rifɐldž’ns; glans, schittering; adj. Refulgent.

Refund, rifɐnd, terugbetalen, vergoeden; subst. —ment.

Refurbish, rîfɐ̂biš, opnieuw bruineeren, polijsten.

Refusal, rifjûz’l, weigering, keus, optie: If this gentleman leaves, you can have the — of his room = kunt u zijn kamer krijgen zoo u verkiest; My proposal met with a flat — = werd kortweg afgeslagen; Refuse, rifjûz, weigeren, afslaan: The horse —d the hedge = wou niet over de heg springen; He —d himself all the comforts of life for the sake of his children = ontzegde zich alle levensgenot.

Refuse, refjûs, refjûz, subst. afval, uitschot; adj. waardeloos: — consumer = verbrandingsoven; — iron = oud ijzer; — milk = afgeroomde; — parts = afval.

Refutable, rifjûtəb’l, refjutəb’l, weerlegbaar; Refutation, refjuteiš’n, weerlegging; Refutatory, rifjûtətəri, weerleggend; Refute, rifjût, weerleggen; —r.

Regain, rigein, herwinnen, weder bereiken: We couldn’t — home in time = op tijd thuis zijn.

Regal, rîg’l, koninklijk.

Regale, rigeil, onthalen (op = with), vergasten, zich te goed doen; subst. feestmaal, lekkernij; —ment = verversching, onthaal.

Regalia, rigeiljə, teekenen der koninklijke waardigheid, onderscheidingsteekenen der vrijmetselaars; privileges aan de Eng. Staatskerk verleend; (merk)sigaar: I am in — = in groot tenu, piekfijn.

Regality, rigaliti, koninklijke waardigheid.

Regan, rîgən.

Regard, rigâd, subst. blik, aandacht, overweging, achting, eerbied, opzicht, betrekking; — verb. waarnemen, letten op, aanschouwen, beschouwen, achten, hoogschatten, geven om, aangaan: In — of; In, With — to = in of met betrekking tot; I am, with kindest —s, yours faithfully = na vriendelijke groeten; Give my best (kindest) —s to = groet hartelijk van me; We still had a — for him = hadden nog genegenheid voor hem; Having no — to the surrounding dangers = niets gevende om; We must leave that out of — altogether = heelemaal buiten beschouwing laten; Will you pay him my —s? = hem mijne complimenten doen; To send one’s kind —s to = laten groeten; As —s the labour-question, it demands an early solution = wat de arbeidskwestie aangaat; —ant = omziende (herald.); —er; —ful = oplettend, eerbiedig: He is —ful of his interests = houdt goed in het oog; —ing = betreffende, met betrekking tot; —less of his duties = onverschillig voor.

Regather, rîgadhə, opnieuw verzamelen.

Regatta, rigatə, roei-, zeilwedstrijd.

Regelation, rîdžəleiš’n, aaneenvriezing van twee stukken ijs.

Regency, rîdž’nsi, regentschap.

Regeneracy, ridženərəsi, wedergeboorte, herleving; Regenerate, ridženərit, wedergeboren; — verb. (ridženəreit), opnieuw voortbrengen, nieuw vormen, wedergeboren worden; Regeneration, rîdženəreiš’n, herleving; wedergeboorte: Baptismal — = wedergeboorte door den doop; Regenerative = vernieuwend, herlevend = Regeneratory; Re-genesis, ridženisis = vernieuwing, nieuwe wording.

Regent, rîdž’nt, subst. regent, bestuurder; adj. regeerend: Prince —; Queen — = Koningin-Regentes; —ship = regentschap.

Reggy, redži.

Regicidal, redžisaid’l, tot een regicide behoorende; Regicide, redžisaid, koningsmoord(enaar).

Regimen, redžim’n, regeering; dieet, leefregel: I am under a — = ik leef op dieet.

Regiment, redžiment, regiment; —al, redžiment’l, regiments …: The —al band = de regimentsmuziek; —als = uniform.

Regina, ridžainə, Regina; Reginald, redžin’ld.

Region, rîdž’n, streek, gewest: I feel a pain in the — of the stomach = maagstreek.

Register, redžistə, subst. register, protocol, meetbrief, jaarboek (—s), kiezerslijst, verslag, gedenkschrift, sleutel of schuif (van kachelpijp); — verb. registreeren, inschrijven, op de kiezerslijst plaatsen, aanteekenen: Hotel — = vreemdelingenboek; The parish — = de registers van den burgelijken stand; —-office = registratiekantoor, bureau van den burgerl. stand, verhuurkantoor voor dienstboden; —-thermometer = zelfregistreerende thermometer; —-ton = ruimtemaat voor schepen (= 2,8316 M.3); His name was entered in the — = werd ingeschreven op de lijst; To make — = registeren (boekdruk.); I wish to have this letter —ed = te laten aanteekenen; I had my luggage —ed = liet mijne bagage inschrijven; To — a vow = zichzelf plechtig beloven; —ed bonds = obligaties op naam; —ed holders = houders van obligatiën op naam; Registrar, redžistrâ, redžistrə, bewaarder der registers, ambtenaar van den burgerlijken stand: —-General = hoofdambtenaar bij de registers van den burgerlijken stand; —’s Statistics, Returns = bevolkingsstatistieken; Registration, redžistreiš’n = inschrijving van geboorte, sterfgevallen, kiezers (= — of voters): —-fee = kosten van inschrijving; —-list = kiezerslijst; —-office = bureau van den burgerl. stand; verhuurkantoor; Registry, redžistri, inschrijving, registratie-bureau.

Regius, rîdžiəs, koninklijk: — professor = bekleeder van een der leerstoelen, door Hendrik VIII aan de Engelsche hoogescholen gesticht.

Reglet, reglət, zetlijn; plat lijstje.

Regnal, regn’l, regeerings …: — years = regeeringsjaren; Regnancy, regn’nsi, regeering, heerschappij; Regnant = regeerend.

Regorge, rîgödž, weer uitbraken.

Regrant, rîgrânt, subst. hernieuwde vergunning; — verb. opnieuw verleenen.

Regress, rigres, teruggaan; subst. rîgres = —ion = teruggang, terugkeer; Regressive = teruggaand.

Regret, rigret, subst. spijt, berouw: — verb. treuren om, bejammeren: To feel — at; I — your having done this = het spijt mij; It is to be —ted = het is te betreuren; —ful = vol spijt of berouw; —table = betreurenswaardig.

Regular, regjulə, regelmatig, geregeld, normaal, stipt, periodiek, echt, flink, tot eene kloosterorde behoorende; subst. ordebroeder, vaste klant, stamgast (—s = — troops = de geregelde troepen): He is a — fool = hij is een echte gek; I am as — as clockwork = een man van de klok; Regularity, regjulariti, regelmatigheid, gelijkmatigheid, methode: Regulate, regjuleit, regelen, ordenen; Regulation, regjuleiš’n, subst. regeling, schikking, voorschrift, statuut, reglement; adj. overeenkomstig het bevel of reglement: — chargers = dienstpaarden; — boot (dress, sword) = model - - -; A — joke = vaste ui of aardigheid; The — of the Rhine = normaliseering; Regulative = regelend; Regulator = regelaar, gangkruk (locomot.), regulateurklok, regulateur; Regulatory = Regulative.

Regulus, regjulɐs, Regulus (een vaste ster in het beeld “Leeuw”); goudhaantje.

Regurgitate, rigɐ̂džiteit, terug (laten) stroomen; subst. Regurgitation.

Rehabilitate, rîhəbiliteit, herstellen (in vroegere rechten of positie), rehabiliteeren; subst. Rehabilitation.

Rehear, rîhîə, nogmaals hooren of onderzoeken; —ing = tweede onderzoek, revisie.

Rehearsal, rihɐ̂s’l, herhaling, repetitie (van tooneelstukken, etc.), verhaal: The — of his experiences made us shudder = het verhaal van zijne ervaringen; Rehearse, rihɐ̂s, repeteeren, opzeggen; —r.

Reid, rîd; Reigate, raigit.

Reign, rein, subst. regeering, macht, overwicht, invloed; — verb. heerschen, regeeren: It happened in the — of Queen Victoria = onder de regeering van: The king —s, his ministers govern = de koning regeert, zijne ministers besturen; A —ing disease = eene algemeen heerschende ziekte.

Reillume, rîil(j)ûm, Reilluminate, rîil(j)ûmineit, Reillumine, rîil(j)ûmin, opnieuw verlichten; Reillumination.

Reim, rîm, riem (Zuid-Afrika).

Reimbark, rîimbâk, (zich) weer inschepen.

Reimbody, rîimbodi, opnieuw inlijven.

Reimburse, rîimbɐ̂s, terug betalen, dekken, schadeloos stellen: He was —d for the costs of his trial = de proceskosten werden hem vergoed; Reimbursing yourself for your charges = na aftrek der door u gemaakte kosten; subst. —ment = rembours, etc.; —r.

Reimport, rîimpöt, opnieuw invoeren; subst. —ation.

Reims, rîmz.

Rein, rein, subst. teugel, bestuur; — verb. besturen, beteugelen, zich laten besturen: To draw — = inhouden, stilhouden; He gave the —s to his folly = liet den vrijen loop; To give a loose — to = den vrijen loop laten aan; To hold the —(s) of (the) government; He holds a tight — over the boys = hij houdt streng in toom, hij rijdt ze op de stang; He lets the — loose at times = laat nu en dan glippen; I wish you would take the —s = dat gij de teugels aanvaarddet, het bestuur in handen naamt; He —ed in the horses = hij hield de paarden in, bracht ze tot staan.

Reindeer, reindîə, rendier.

Reinforce, rîinfös, versterken; subst. versterking: —ment = versterking.

Reins, reinz, nieren, lendenen.

Reinstal, rîinstôl, weder installeeren; subst. —(l)ment.

Reinstate, rîinsteit, in vroegere positie herstellen: He was —d in his office = werd in zijn ambt hersteld; subst. —ment.

Reinsurance, rîinšûr’ns, herverzekering; Reinsure, rîinsšûə, herverzekeren; —r.

Reintegrate, rîintigreit, hernieuwen, herstellen; subst. Reintegration.

Reinvest, rîinvest, opnieuw bekleeden met (aanstellen); subst. —ment.

Reinvigorate, rîinvigəreit, opnieuw bezielen (sterken).

Reis, rei-is, rîz, reis, reis (koperen munteenheid in Portugal en Brazilië).

Reis, rais, reis, titel van hooge Oostersche ambtenaren, scheepskapitein: — effendi = vroegere titel van den Turkschen Groot-Vizier.

Reissue, rîišû, subst. nieuwe uitgave of uitgifte; — verb. opnieuw uitgeven of in omloop brengen.

Reiterate, riitəreit, telkens herhalen; subst. Reiteration, riitəreiš’n; adj. Reiterative.

Reject, ridžekt, verwerpen, van zich af gooien, afwijzen, uitschieten, uitspuwen; subst. —s = uitschot; My suit was —ed = mijn aanzoek werd verworpen, van de hand gewezen; —able = verwerpelijk; —er; —ion = verwerping, afwijzing; —ive = verwerpend.

Rejoice, ridžôis, (zich) verheugen, verblijden: I — at your having come = ik ben blij dat ge gekomen zijt; —r; Rejoicing = vreugdebetoon, feestelijkheid: Great —s on the occasion of the Queen’s accession.

Rejoin, ridžoin, weder vereenigen, antwoorden, hernemen; —der = antwoord, bescheid, dupliek.

Rejoint, rîdžôint, weder samenvoegen, opnieuw voegen (van metselwerk).

Rejuvenate, ridžûvəneit, Rejuvenescence, Rejuvenescency, ridžûvənes’ns(i), verjonging; Rejuvenescent = verjongend, verjongings …; Rejuvenize, ridžûvənaiz, verjongen.

Rekindle, rîkind’l, opnieuw aansteken of aanwakkeren.

Reland, rîland, nogmaals landen of ontschepen.

Relapse, rilaps, subst. wederinstorting (ziekte), het weder vervallen (tot vroegere verkeerdheden, enz.), weer dalen (van prijzen); — verb. weder instorten, weder vervallen (tot slechtheid of zonde); —r; Relapsing fever = terugkeerende koorts.

Relate, rileit, verhalen; toeschrijven of terugbrengen tot, betrekking hebben op; —d = verwant, in zekere betrekking staande tot; —r = verhaler; Relation, rileiš’n, verhaal: betrekking, verhouding, verwantschap, bloedverwant, overeenkomst: “Are not those Comptons —s of yours?” “Connections,” said John, “by marriage”; They bear no — to each other = hebben geene overeenkomst met elkander, staan tot elkaar in geenerlei betrekking of verhouding; —ship = bloedverwantschap; Relative, relətiv, subst. bloedverwant; betrekking hebbend woord, betrekkelijk voornaamwoord; adj. betrekkelijk: That is not — to what he said = heeft niets te maken met; The bomb did —ly little damage = betrekkelijk; The number of good books is —ly insignificant = naar verhouding; subst. —ness; Relativity, relətiviti = betrekkelijkheid, verwantschap, verhouding: The — of all human knowledge = de betrekkelijkheid.

Relax, rilaks, verslappen, verzachten, minder streng of stipt doen zijn; laxeeren, ontspannen: Now she would be cruel, then — into tenderness again = werd ze weer erg teeder en gevoelig; —ant = laxeermiddel; —ation = verlichting, ontspanning, verslapping; —ative, laxeerend, verzachtend.

Relay, rilei, nieuwe paarden, honden, manschappen om af te lossen; poststation; — dogs, — horse: We got a — of horses every two hours.

Relay, rîlei, opnieuw leggen of plaatsen.

Release, rilîs, subst. bevrijding, vrijlating, verlossing, afstand; — verb. ontslaan, vrijlaten (from = uit), afstaan: Deed of — = acte van afstand; —e, rilîsî, iemand, ten wiens behoeve men afstand doet; —ment = bevrijding, etc.; —r = Releasor.

Relegate, religeit, verbannen, sjeezen (v. studenten), verwijderen, verwijzen: This remark might have been —d to a footnote = ware beter op hare plaats geweest onder aan de bladzijde in eene noot; The student was —d to his former pleasures = werd gesjeesd en kon zijne vroegere genoegens weer opvatten; subst. Relegation.

Relent, rilent, toegeven, minder hardvochtig of streng worden, zich laten vermurwen; —ing = toegevend; —less = meedoogenloos; subst. —lessness.

Relet, rîlet, opnieuw verhuren.

Relevance, Relevancy, reləv’ns(i), betrekking, toepasselijkheid; His answer bore no — to my question, was not relevant to my question = was niet toepasselijk (sloeg niet) op mijne vraag; This question is not relevant = ongepast, heeft niets met de zaak te maken.

Reliability, rilaiəbiliti, vertrouwbaarheid: — trial = vertrouwbaarheidsrit; Reliable, rilaiəb’l, be- of vertrouwbaar; subst. —ness; Reliance, rilaiəns, vertrouwen: To have — (up)on, in = vertrouwen hebben op, in; You cannot place any — on him = in hem geen vertrouwen stellen, niet op hem rekenen; adj. Reliant.

Relic, relik, reliquie, overblijfsel, aandenken: —s = (stoffelijk) overschot; —s of the past; Relict, relikt, weduwe, weduwnaar.

Relief, rilîf, verlichting, verzachting, onderstand, bevrijding, ontzet, aflossing, hulp, bijstand, relief: Indoor — = opneming in het Workhouse, of het Ziekenhuis daaraan verbonden; Outdoor — = ondersteuning aan huiszittende armen; Parish — = onderstand der burgerlijke gemeente; To apply for — = om onderstand vragen; To bring into — = doen uitkomen; I came to his — in the right nick of time = ik kwam hem net op tijd te hulp; To give — = onderstand verleenen; —-work = werkverschaffing; Relieve, rilîv, verlichten, lucht geven aan, opbeuren, steunen, onderstand geven, aflossen, ontzetten, doen uitkomen, afzetten: The soldiers were —d guard = afgelost; The monotony of the work was not —d by anything = werd door niets afgewisseld; The brazen sky was not —d by a single cloud = geen wolkje stond aan den strak blauwen hemel; He was —d of his office = ontheven van, ontslagen uit: To — oneself = zijn behoefte doen; Relieving officer = gemeentelijke armverzorger; de oude, de pipa.

Relievo, rilîvou, “relief”.

Relight, rîlait, opnieuw aansteken of ontvlammen.

Religion, rilidž’n, godsdienst (vorm of plechtigheid), eerbied, piëteit: No — was attached to the property = aan dien eigendom was men niet door een gevoel v. piëteit gehecht; To experience, to get — = zich bekeeren, vroom worden (Amer.); To make (a) — of doing a thing = er een gewetenszaak van maken; —ary = godsdienstig, godsdienst …; —ism = kwezelarij; —ist = kwezelaar; Religiosity, rilidžiositi, kwezelarij; Religious, rilidžəs, godsdienstig, godvruchtig, nauwgezet, streng; subst. ordebroeder, monnik, non: He was a —, almost a priest = ordebroeder; The many priests and — = ordebroeders; My sister is almost a — = religieuse; A — house = klooster; All your property will be —ly respected = zullen streng geëerbiedigd worden; subst. —ness = godsdienstigheid.

Relinquish, riliŋkwiš, verlaten, opgeven, laten varen: I have —ed that claim = heb afgezien van; —er = die opgeeft, laat varen of afziet van iets; —ment = afstand.

Reliquary, relikwəri, reliquiënkastje; Relique, rilîk, relik = Relic.

Relish, reliš, subst. smaak, pikante bijsmaak; — verb. graag eten, smaak vinden in, smakelijk maken, goed smaken: To eat with — = met smaak; That gave a — to my desires = verhoogde, prikkelde; He has no — for poetry, for a joke = hij heeft geen zin voor; Have you —ed your dinner? = heeft het je gesmaakt? I did not — the coffee = de koffie smaakte me niet; I do not — such jokes = zulke aardigheden mag ik niet; The remark —es of wit = heeft iets geestigs; —able = smakelijk.

Relive, rîliv, herleven, weer opleven.

Reluctance, Reluctancy, rilɐkt’ns(i), weerzin, tegenzin; Reluctant = weerbarstig, onwillig: I am — to (have a reluctance to) such measures = ik heb een tegenzin in; He was very — to go = ging ongaarne.

Relume, ril(j)ûm, opnieuw ontsteken, verlichten.

Rely, rilai, rekenen of zich verlaten op, berusten op, gronden: That man is not to be relied on = kan men niet op aan; We — on the will = gronden onzen eisch op.

Remain, rimein, (over)blijven, overschieten, verblijven; subst. —s = stoffelijk overschot, nagelaten letterkundige producten, ruïne: It —s to me to do so = mij rest nog; That —s to be seen = dat staat te bezien; Remainder = overblijfsel, restant, saldo, onverkochte exemplaren: He left her a good round sum to be hers for life, with — to her children = die na haar dood aan de kinderen kwam.

Re-make, rîmeik, opnieuw maken.

Remand, rimând, subst. terugzending; — verb. terugzenden: Under — (Jur.): i.e. een beschuldigde is Under —, zoo lang zijn zaak niet is beslist. Hij kan dan zijn, òf in preventieve hechtenis, òf op vrije voeten, mits on bail, i.e. na borgstelling; He —ed his son home = liet … thuis komen; He was —ed till the 20th = tot den 20en in preventieve hechtenis teruggezonden; —ed on bail = na borgstelling, voorloopig vrij gelaten.

Remanet, remənet, restant, uitgestelde zaak.

Remark, rimâk, subst. opmerking, aanmerking; — verb. opmerken, aanmerken: To pass —s on = aanmerkingen maken op; He did not — on that = hij had geene aan- of opmerkingen; —able = merkwaardig; subst. —ableness.

Remasticate, rîmastikzeit, herkauwen; subst. Remastication.

Remediable, rimîdjəb’l, herstelbaar; subst. —ness; Remedial, rimîdj’l, heelend; Remediless, remədiles, rəmediles, ongeneeslijk, onherstelbaar; Remedy, remədi, subst. geneesmiddel, hulpmiddel, rechtsmiddel, vrije namiddag; — verb. genezen, verhelpen: There is no — for it, It is beyond (past) — = er is niets aan te doen; It cannot be remedied = het kan niet verholpen worden.

Remember, rimembə, zich herinneren, te binnen komen, onthouden, gedenken, groeten: Well —ed = goed dat gij er om denkt; — the Sabbath = gedenk den Sabbatdag; I do not — having seen him before = ik herinner me niet; — me kindly to your friend = doe mijne vriendelijke groeten aan; He has “—ed me” very handsomely = goed bedacht (in zijn testament); I should be glad to be —ed = doe alstublieft mijn groeten; Remembrance, rimembr’ns, herinnering, geheugen, heugenis, aandenken: Do it in — of him = doe het te zijner gedachtenis; Within my — = zoolang mij heugt; I cannot call it to — = ik kan het mij niet herinneren: Give my kind —s to = groet van mij; Remembrancer = The City — = vertegenwoordiger van de City in het Parlement; Your letter was a kind — = uw brief heeft er mij vriendelijk aan herinnerd.

Remind, rimaind, te binnen brengen, herinneren: There, that —s me = wacht eens, daar schiet me te binnen; — me of it = help het mij onthouden; Reminder: A gentle — = een vriendelijke aanmaning, wenk; A little — note = briefje om te herinneren aan; Remindful of = gedachtig aan.

Remington, remiŋt’n.

Reminiscence, reminis’ns, herinnering: —s of Carlyle = herinneringen aan C.; Reminiscent = herinnerend: To be — of = zich herinneren; herinneren aan.

Remise, rimaiz, terugzenden, terugschenken; subst. rimîz, rimaiz, afstand; huurrijtuig: To — a claim = afstand doen van.

Remiss, rimis, zorgeloos, onachtzaam, nalatig, lui: He was a very — correspondent; subst. —ness.

Remission, rimiš’n, remissie, vermindering, verslapping, afneming, afstand, vergiffenis: At last there was a — of the hot weather = eindelijk werd het wat minder heet; adj. Remissive (of) = nalatig.

Remit, rimit, terugzenden, overmaken, remitteeren, verslappen, verminderen, vergeven, kwijtschelden, afstand doen; —ting fever = afgaande koorts: The King —ted the sentence of death; His fine was —ted to half the amount = werd tot op de helft teruggebracht; —tance = het overmaken (van geld, etc.), het overgemaakte geld, remise; —tee, ontvanger van de remise; —tent = beurtelings op- en afgaande in kracht: —tent fever; —ter = remittent.

Remnant, remn’nt, overblijfsel, laatste stuk: Special — day = lappendag.

Remodel, rîmod’l, opnieuw bewerken: The work was entirely —led = het werk is geheel omgewerkt.

Remonstrance, rimonstr’ns, vertoog, verzet, protest; Remonstrant, subst. remonstrant; adj. vertoogend, vermanend; Remonstrate, rimonstreit, protesteeren, zich verzetten, excepties opwerpen, onderhouden: I frequently —d with him on his behaviour = heb hem herhaaldelijk onderhouden; subst. Remonstration.

Remora, remərə, de groote zuigervisch.

Remorse, rimös, berouw, wroeging; —ful = berouwhebbend, medelijdend; subst. —fulness; —less = meedoogenloos, wreed, onbarmhartig: subst. —lessness.

Remote, rimout, afgelegen, verwijderd, lang geleden, vreemd aan, afgezonderd, gering: He made a — allusion to this = hij zinspeelde er heel in de verte op; — antiquity = grijze oudheid; — kinsman = verre bloedverwant; — resemblance = flauwe gelijkenis.

Remould, rîmould, opnieuw vormen.

Remount, rîmaunt, remonte (ook: versch) paard; — verb. opnieuw bestijgen, remonteeren, teruggaan: The Army — Commission = remonte commissie; We were getting —s for the cavalry = remontepaarden.

Removability, rimûvəbiliti, afzetbaarheid; Removable, rimûvəb’l, afzetbaar; ook subst.; Removal, rimûv’l, verplaatsing, verhuizing, afzetting, verwijdering; Remove, rimûv, subst. verwijdering, trap, graad, klasse, bevordering; — verb. verwijderen, wegzenden, verplaatsen, verhuizen, afdanken, dooden: The boy gained his — to the form above = ging over; The boy missed his —, was not —d = ging niet over, bleef zitten; He is my cousin to the second — = neef in den tweeden graad (A cousin four times —d = in den vierden graad); Elections at two —s = getrapte verkiezingen; These buildings will be —d = zullen worden afgebroken; I think we shall — the first of July = zullen verhuizen (overgaan); —d = verwijderd, afgelegen, dood; —r: Furniture —r = verhuizer.

Remunerable, rimjûnərəb’l, wat beloond kan worden; subst. Remunerability; Remunerate, rimjûnəreit, beloonen, vergoeden; subst. Remuneration; Remunerative = beloonend, vergoedend = Remuneratory.

Renaissance, rineis’ns, renaissance.

Renal, rîn’l, nier …

Renard, renəd, Reintje de Vos.

Renascence, Renascency, rinas’ns(i), renaissance, wedergeboorte, herleving; adj. Renascent.

Rencounter, renkauntə, subst. ontmoeting, botsing, treffen, gevecht, duel; — verb. onverwachts ontmoeten, botsen, handgemeen worden.

Rend, rend, vaneenscheuren, verscheuren: To — in two, to pieces; It has rent my heart in twain = het heeft mijn hart vaneengescheurd.

Render, rendə, teruggeven, overgeven, weergeven, overzetten of vertalen, bewijzen, maken, berapen; subst. afgifte, beraping (van een muur), overgave, verklaring: To — account = rekenschap afleggen; To — assistance = hulp verleenen; To — homage = hulde bewijzen; To — judgment = vonnis vellen; He wouldn’t — reason = geene reden geven; Would you — me a service? = een dienst bewijzen; To — thanks = dank betuigen; This —ed him unfit for work = maakte hem ongeschikt; The fortress was —ed up to the prince = werd overgegeven; —er.

Rendezvous, rendəvû of Fr. uitspr. subst. plaats van bijeenkomst; — verb. verzamelen, samenkomen; —-flag = verzamelplaatsvlag.

Rendition, rəndiš’n, overgave, uitlevering; vertaling, weergeving.

Renegade, renəgeid, afvallige, deserteur.

Renew, rinjû; hernieuwen, hervatten, nieuwe kracht geven, opnieuw beginnen, herhalen; —able = hernieuwbaar; —al = verniewing, herleving; —er.

Renfrew, renfrû, als persoonsn. renfrû.

Reniform, rîniföm, reniföm, niervormig.

Rennet, renət, (kaas)stremsel; renetappel.

Renounce, rinauns, subst. renonce (in het kaartspel); — verb. verwerpen, zich verklaren tegen, laten varen, afzien van, renonceeren (in ’t kaartspel): I — you and your party = wil niets gemeen hebben met; subst —ment; —r.

Renovate, renəveit, vernieuwen, herstellen; —r of Renovator; subst. Renovation, renəveiš’n.

Renown, rinaun, subst. vermaardheid, roem; — verb. beroemd of vermaard maken; —ed = vermaard, beroemd.

Rent, rent, subst. scheur, scheuring, scheiding; — verb. imperf. en p.p. van to rend.

Rent, rent, subst. rente, huur (—s = inkomsten); — verb. huren, in huur hebben, verhuren: —-charge = erfpacht; —-day = betaaldag (van huur of rente); —-free = kosteloos; —-roll = opgaaf of lijst der pachtinkomsten, bruto pachtopbrengst; —al: The house commanded a good —al = deed eene hooge huur; —al right = erfpacht; —er = huurder, pachter, verhuurder, verpachter.

Rente, Fr. uitspr. rente, staatsschuld(bewijs).

Renter, rentə, fijn mazen. haast onzichtbaar stoppen of aaneennaaien; subst. —er. Zie Rent.

Renumerate, rinjûməreit, optellen, opsommen.

Renunciation, rinɐnšieiš’n, verzaking, afstand; adj. Renunciative.

Reopen, rîoup’n, opnieuw openen of opengaan: The schools — = de scholen beginnen weer; To — a wound (sore) = een oude wonde openrijten (fig.).

Reorganization, rîögən(a)izeiš’n, reorganisatie; Reorganize, rîögənaiz, opnieuw organiseeren of inrichten.

Rep(p), subst. rips; adj. geribd: — note-paper = geribd postpapier.

Repair, ripêə, subst. herstel(ling); verblijfplaats, schuilhoek; — verb. herstellen, vernieuwen, vergoeden, terugkomen op, zich begeven: Beyond — = niet meer te herstellen; In (good) — = goed onderhouden; In bad —, out of —, under — = slecht onderhouden, in verval, in reparatie; To undergo —; Everything was soon —ed to its former state = in vroegeren toestand teruggebracht, hersteld; He —ed to the subject again and again = kwam telkens terug op; I —ed to him for information = wendde mij tot hem; I do not know where to — to = waar ik zal heen gaan, waar mij te bergen; adj. —able; —er (rijwiel)hersteller.

Repand, ripand, geschulpt (v. bladen).

Reparable, repərəb’l, herstelbaar; Reparation, repəreiš’n, herstelling, genoegdoening, schadeloosstelling: He made — for his offensive words = maakte weder goed; Reparative = herstellend, etc.

Repartee, repətî, gevat antwoord: Quick in — = slagvaardig.

Repass, rîpâs, opnieuw voorbij- of overgaan.

Repast, ripâst, maaltijd, voedsel.

Repatriate, ripatrieit, ripeitrieit, repatrieeren; subst. Repatriation.

Repay, ripei, terugbetalen, nogmaals betalen, vergoeden, kwijten: To — oneself = zich schadeloos stellen; adj. —able; subst. —ment.

Repeal, ripîl, subst. intrekking, herroeping, afschaffing; — verb. intrekken, herroepen, afschaffen; —able = herroepelijk; subst. —ableness; —er = voorstander v. de — of the Union = de unie van Engeland met Ierland (1843).

Repeat, ripît, subst. herhalingsteeken (muz.), nabestelling; — verb. herhalen, opzeggen, oververtellen, repeteeren: Let me — to you = opzeggen, reciteeren; I had to — him three times before he answered = moest het hem herinneren; —-order = nabestelling; I have warned him —edly = herhaaldelijk; —er = herhaler, opzegger, repeteerende breuk (= —ing-decimal), repetitiehorloge (= —ing-watch), repeteergeweer of pistool, iemand, die zijn stem tweemaal tracht uit te brengen (Amer.).

Repel, ripel, terugdrijven, afslaan, afstooten, weerstaan, afweren: I — such terms = kom op tegen; —lence = afstootende kracht; adj. —lent: Intoxicating drinks are —lent to me = staan mij tegen; —ler.

Repent, ripent, spijt of berouw gevoelen (hebben), boete doen: I — of it = het berouwt me; She —ed her of her choice = had berouw van; Repentance = berouw: Stool of — = zondaarsbankje; Repentant = berouwhebbend, boetvaardig.

Repeople, rîpîp’l, opnieuw bevolken.

Repercussion, rîpəkɐš’n, terugkaatsing; adj. Repercussive, rîpəkɐsiv.

Repertoire, repətwâ, répertoire.

Repertory, repətəri, repertorium, bewaarplaats, lijst, register: A — of useful science = een schat van nuttige kennis.

Repetend, repətend, repətend, repetent.

Repetition, repitiš’n, herhaling, voordracht; adj. Repetitious, Repetitive.

Repine, ripain, morren, ontevreden zijn, kniezen, klagen: What is the use of repining at God’s will? = wat geeft het of gij mort tegen Gods wil.

Replace, ripleis, weer op de vorige plaats brengen, vervangen, opvolgen: I must — the borrowed sum next week = het geleende teruggeven; He has —d his opponent in the people’s esteem = zijn tegenstander uit de gunst van het volk gedrongen; By what phrase can this word be —d? = kan men dit woord vervangen; subst. —ment.

Replait, rîpleit, rîplît, opnieuw vouwen, dubbel vouwen.

Replant, rîplânt, opnieuw planten, verplanten; subst. —ation.

Replenish, ripleniš, weder aanvullen, bijvoegen: He couldn’t — his small fire = kon niet aanvullen; subst. —ment.

Replete, riplît, vol: — with filth and misery = vol vuil en ellende; Repletion = overlading, volheid.

Repleviable, ripleviəb’l, losbaar, herkrijgbaar; Replevin = (bevelschrift tot) opheffing van beslag; Replevy, riplevi, weer in het bezit krijgen, lossen.

Replica, replikə, copie v. een kunstwerk (door den maker zelf), herhaling (muz.): A — of his father = evenbeeld; In Maggie we have Dot in —.

Replicate, replikit, subst. herhaling (muz.); Replication = antwoord, repliek, herhaling.

Reply, riplai, subst. antwoord, repliek; — verb. antwoorden, repliceeren, hernemen: He made a poor — = gaf een ongelukkig antwoord; The barrister replied on this case = repliceerde met betrekking tot deze zaak; Why did you not — to his accusation? = antwoorddet gij niet op, weerlegdet gij niet; —-(post)card = dubbele briefkaart.

Repolish, rîpoliš, opnieuw polijsten of beschaven.

Report, ripöt, subst. rapport, gerucht, faam, bericht, vonnis, verslag, knal, gebulder; — verb. berichten, verslag doen, rapporteeren, vertellen: To draw up a — = samenstellen; I am your friend in (through) good and evil — = wat de wereld ook van u zegge; The — of the guns was heard far off = in de verte hoorde men het kanongebulder; He was —ed missing, but he soon —ed himself = als vermist opgegeven, doch meldde zich; It is —d = het gerucht gaat; To — against = ongunstig rapporteeren over; The committee —ed upon the bill = bracht rapport uit over; School —; Reporter = verslaggever, rapporteur: He is a parliamentary — = stenograaf bij de Tweede (Eerste) Kamer; —s’ gallery = tribune voor de pers.

Repose, ripouz, subst. rust, kalmte, slaap, gemoedsrust, stilte; — verb. uitrusten, slapen, berusten, zich verlaten of vertrouwen op: To take — = rust nemen; To — confidence in a person = vertrouwen stellen; Reposeful = kalm: Every page is rich in quiet, — beauty = ademt kalme, stille schoonheid.

Repository, ripozitəri, bewaarplaats, pakhuis, magazijn.

Repossess, rîpəzes, weder in het bezit stellen (nemen): He was —ed of his property = werd weer in het bezit zijner goederen gesteld; subst. —ion.

Reprehend, reprihend, berispen; Reprehensible = berispelijk; subst. —ness; Reprehension, reprihenš’n, berisping, blaam; adj. Reprehensive, Reprehensory.

Represent, reprizent, voorstellen, spelen voor, vertegenwoordigen, afbeelden: —ed by counsel = door een advocaat bijgestaan; adj. —able; —ation = voorstelling, rolvervulling, uiteenzetting, vertegenwoordiging; —ative, subst. voorsteller, plaatsvervanger, gevolmachtigde, vertegenwoordiger; adj. voorstellend, vertegenwoordigend, typisch: This work is —ative of the spirit of our age = drukt den geest uit; subst. —ativeness; —er; —ment.

Represent, rîprizent, opnieuw aanbieden; —ation = vernieuwd aanbod.

Repress, ripres, onderdrukken, bedwingen, in toom houden; —ible = bedwingbaar; —ion = bedwinging, beteugeling; —ive = bedwingend, beteugelend.

Reprieve, riprîv, subst. uitstel, bevrijding; — verb. opschorten, uitstellen, bevrijden.

Reprimand, reprimand, subst. strenge berisping, hard verwijt; — verb. reprimand, streng berispen, openbaar bestraffen.

Reprint, rîprint, herdruk; afdruk, nadruk (Amer.).

Reprint, riprint, herdrukken, een afdruk maken; nadrukken.

Reprisal, ripraiz’l, subst. herneming, represaille, vergelding, weerwraak: Letters of — = kaperbrieven; That is a just — against them = rechtmatige represaille op; To make —s (on); Reprise, ripraiz, subst. hernomen schip; refrein: —s = jaarlijksche aftrek (bijv. erfpacht) van de inkomsten uit landerijen.

Reproach, riproutš, subst. verwijt, berisping, blaam, schande, oneer; — verb. verwijten, berispen, afkeuren, beschuldigen: That boy is the — of the family, brings (draws) — on (upon) the family = strekt zijne familie tot oneer; He incurred several —es = haalde zich allerlei verwijtingen op den hals; —es = beurtgezang tijdens de kruisaanbidding in de R.K. kerk op Goeden Vrijdag; I —ed myself for forgetting it = nam mezelf kwalijk; What did he — you with? = wat heeft hij u ten laste gelegd; —ful = schandelijk, verwijtend: His was a —ful conduct = was schandalig; subst. —fulness.

Reprobate, reprəbit, subst. verworpeling; adj. goddeloos, verdoemd; — verb. reprəbeit, verwerpen, afkeuren, verdoemen; Reprobation, reprəbeiš’n, verwerping, verdoeming: The tenet of — = het leerstuk der verwerping of verdoeming.

Reproduce, rîprədjûs, opnieuw voortbrengen, copieeren, weergeven; —r; Reproduction = copie, nieuwe voortbrenging, etc.; Reproductive, Reproductory = voortbrengend, copieerend.

Reproof, riprûf, berisping = Reproval, riprûv’l; Reprove, riprûv, berispen, een standje maken; —r.

Reprune, rîprûn, opnieuw snoeien (vruchtboomen).

Reptant, rept’nt, kruipend.

Reptile, rept(a)il, subst. kruipend dier, verachtelijke kruiper; adj. kruipend, verachtelijk; Reptilia, reptiljə, kruipende dieren; Reptilian, subst. en adj. kruipend (dier).

Republic, ripɐblik, republiek, gemeenebest: — of letters = rijk der letteren en geletterden; —an, subst. en adj. republikein(sch); —anism = republikeinsche gezindheid; —anize = in eene republiek veranderen.

Republication, rîpɐblikeiš’n, herdruk, nieuwe uitgave; Republish, rîpɐbliš, opnieuw uitgeven, herdrukken.

Repudiate, ripjûdieit, verwerpen, verstooten, loochenen, ontkennen; Repudiation = verwerping, etc; Repudiator.

Repugnance, ripɐgn’ns, afkeerigheid, weerzin, tegenspraak; adj. Repugnant.

Repulse, ripɐls, subst. terugdrijving, afwijzing, weigering, teleurstelling; — verb. terugdrijven, terugslaan, afslaan: He got (met with) no second — = hij werd niet voor de tweede maal afgescheept; —r; Repulsion = terugdrijving, afstooting, afschuw; Repulsive = terugstootend, afschuwwekkend.

Repurchase, rîpɐ̂tšis, subst. terugkoop; — verb. weder- of terugkoopen.

Reputable, repjutəb’l, te goeder naam bekend, eervol, geacht; subst. —ness; Reputation, repjuteiš’n, goede naam, aanzien, achting; Reputatively, repjutətivli, volgens zijn naam, volgens gerucht; Repute, ripjût, subst. goede naam, roem; — verb. achten, houden voor: He is a man of (good) — = van goeden naam; He is held (stands) in high, in bad — = hij heeft een goeden, slechten naam; He is well —d = hij staat goed bekend, heeft een eervollen naam; —dly = naar verluidt, vermeend.

Request, rikwest, subst. verzoek, vraag, request; — verb. verzoeken, een request richten: At your — = op uw verzoek; At the — of; In great — = veel gevraagd = Much in —; To accede to, To comply with, To grant a — = aan een verzoek voldoen, een verzoek inwilligen; To make, To prefer a — = een verzoek doen; —er.

Requiem, rîkwiem, rekwiem, requiem, zielmis (= —-mass).

Require, rikwaiə, eischen, vorderen, verzoeken, vragen, noodig hebben, vereischen: What do you — me to do? = verlangt ge dat ik doen zal; —ment = eisch, vereischte, geëischte; —r; Requisite, rekwizit, subst. vereischte; adj. onontbeerlijk, noodig; subst. —ness; Requisition, rekwiziš’n, subst. vraag, eisch, verlangen, schriftelijke oproeping, requireering; — verb. eischen, requireeren: To lay under (Put in) — = requireeren; —s of food = opeisching van levensmiddelen; The horses were —ed for the Royal Artillery = werden gerequireerd; —ist.

Requital, rikwait’l, belooning, vergelding, wraak; Requite, rikwait, beloonen, vergelden, wreken; —r.

Reredos, rîədos, altaarscherm, achterwand van het altaar (van steen, hout, fluweel of borduursel); achterwand van een open vuurhaard.

Reremouse, rîəmaus, vleermuis.

Resail, rîseil, terugzeilen.

Resale, rîseil, weder-verkoop, tweedehandsverkoop.

Rescind, risind, herroepen, afschaffen, vernietigen; adj. —able; Rescission, risiš’n, herroeping, vernietiging; Rescissory = opheffings …

Rescript, rîskript, keizerlijke beslissing over eene rechtszaak, pauselijk antwoord of beslissing, besluit, edict.

Rescue, reskjû, subst. bevrijding, verlossing, redding, hulp, gewelddadige bevrijding; — verb. bevrijden, verlossen, te hulp komen, redden: To come to the — in time = te hulp komen; He was —d from danger; —-home = asyl voor gevallen meisjes; —r.

Research, risɐ̂tš, subst. stipt en streng onderzoek; — verb. ook rîsɐ̂tš, nauwkeurig onderzoeken, naspeuren: I have made —es into it = van alle zijden nauwkeurig onderzocht; —er.

Reseat, rîsît, opnieuw plaatsen, van nieuwe zitplaatsen voorzien.

Resect, risekt, uitsnijden (van beenderen); subst. —ion.

Reseda, risîdə, reseda.

Reseize, rîsîz, weder bemachtigen, weder in bezit nemen; subst. Reseizure, rîsîžə.

Resell, rîsel, opnieuw verkoopen.

Resemblance, rizembl’ns, gelijkenis, overeenkomst; Resemble, rizemb’l, gelijken: He —d my father = geleek op.

Resend, rîsend, opnieuw zenden, doorzenden.

Resent, rizent, kwalijk nemen, zich beleedigd toonen over, als eene beleediging opvatten: I — such opinions = protesteer tegen zulke meeningen; —er; —ful = geraakt, gebelgd; —ment = wrok, toorn, verbolgenheid: He did not show the least —ment = scheen er volstrekt niet gebelgd over.

Reservation, rezəveiš’n, voorbehoud, achterhoudendheid; gereserveerd terrein (Amer.): Mental — = innerlijk voorbehoud.

Reserve, rizɐ̂v, subst. achterhouding, terughoudendheid, voorbehoud, behoedzaamheid (in taal of daad), uitzondering, reserve, de oudere lichtingen der soldaten; — verb. achterhouden, bewaren, voorbehouden: To accept a statement with some — = onder eenige reserve; He kept it in — = hield dat achter, in voorraad; I dare state this without — = zonder voorbehoud; The —s were called out = de reserve werd opgeroepen; I have —d the best for the last moment = heb bewaard; I — to myself the right of refusing = behoud mij het recht voor; —d = gereserveerd, teruggehouden, omzichtig, koel, op een afstand; —r = wie of wat voorbehoudt; Reservist = soldaat van de reserve; Reservoir, rezəvwö, bewaarplaats, regenbak: Balancing — = watertoren.

Reset, rîset, opnieuw zetten; —ter.

Reset, riset, een misdadiger herbergen, helen; —ter = heler.

Resettle, rîset’l, opnieuw in orde brengen, weer vestigen of installeeren, tot rust komen; subst. —ment.

Reship, rîšip, opnieuw inschepen, retour zenden, opnieuw uitvoeren; subst. —ment.

Reside, rizaid, wonen, resideeren; Residence, rezidens, woning, verblijf(plaats), officieel verblijf, residentie: He took up his — there = hij vestigde zich; Board and — = kost en inwoning; Residency, rezid’nsi, residentschap; officieel verblijf van den Resident (Brit. Ind.); Resident, rezid’nt, subst. bewoner, (minister)-resident; adj. woonachtig, inwonend: — doctor, pupil, teacher; —ship = ambt van een —; —ial, rezidenš’l, met betrekking tot een verblijf of bewoner; Resider = bewoner, verblijfhouder.

Residual, rizidju-əl, overgebleven: — product = netto opbrengst; Residuary (rizidjuəri) devisee = de persoon aan wien al het onroerend goed komt na aftrek van legaten; — legatee = aan wien al het roerend goed komt onder dezelfde voorwaarden (feitelijk krijgen beiden alles, waarover niet bepaald anders is beschikt); Residue, rezidjû, overschot, rest; Residuum, rizidju-əm, bezinksel, overblijfsel, schuim der maatschappij.

Resign, rizain, afstaan, zich onderwerpen aan, bedanken, neerleggen, ontslag nemen: He was appointed, but —ed = werd benoemd, maar bedankte; I would not — my grief = zou niet willen missen; He suffered much, but was —d = maar droeg het gelaten; He —ed himself up to the decrees of Providence = onderwierp zich aan; Resignation, rezigneiš’n, onderwerping, gelatenheid, overgave (aan Gods wil), ontslag: To hand in, To offer, To tender one’s — = indienen, aanbieden; Resignee, rizainî, rezainî, rizainî, wien iets afgestaan wordt; Resigner = die afstand doet; Resignment = afstand, berusting, onderwerping.

Resign, rîsain, opnieuw teekenen.

Resilient, risilj’nt, terugspringend.

Resin, rezin, hars; — verb. met hars bestrijken; —iferous = hars voortbrengend; Resino, rezinou, (in samenst.) —-electric = negatief electrisch; —-electricity = negatieve electriciteit; Resinous, rezinɐs, harsachtig; Resiny, rezini, harsachtig, hars.

Resist, rizist, weerstaan, (zich) verzetten: He —ed all such attempts successfully = bood met succes weerstand aan; —ance = tegenstand; weerstand (natuurk.): To offer, To meet with —ance = weerstand bieden, ondervinden; —ant = wie of wat weerstand biedt; ook adj.; —er; —ibility, subst. v. —ible = weerstaanbaar; —ibleness = weerstand, weerstandsvermogen; —ive = vermogen weerstand te bieden; —less = onweerstaanbaar; subst. —lessness.

Resoluble, rezəl(j)ub’l, oplos- of smeltbaar; subst. —ness.

Resolute, rezəl(j)ût, vast besloten, beraden, onverschrokken; subst. —ness; Resolution, rezəl(j)ûš’n, oplossing, besluit, vastbeslotenheid, resolutie: — of an equation = oplossing van eene vergelijking; — of forces (of motion) = ontbinding van krachten; The — of the plot = ontknooping van de intrigue; He took a firm — and stuck to it = nam een vast besluit en bleef erbij; Resolutive, rezəl(j)ûtiv, oplossend.

Resolvability, rizolvəbiliti, oplosbaarheid; adj. Resolvable; Resolve, rizolv, subst. vast besluit, beslissing of resolutie; — verb. oplossen, ontbinden, verklaren, besluiten, oplossen van dissonanten (muz.), wegsmelten: I approve your — = keur uw besluit goed; I am —d = ik ben besloten; The House —d itself into a committee = ging in comité-generaal; Ice —s into water = ijs verandert in water; I cannot — on anything = tot niets besluiten; I am —d on accompanying you = ben besloten; The king has the right to — on peace and war = oorlog te verklaren en vrede te sluiten; —nt, subst. en adj. oplossend (middel); —r = wie besluit, wat oplost.

Resonance, Resonancy, rezən’ns(i), weerklank; Resonant = weerklinkend.

Resort, rizöt, subst. samenloop, vereenigingsplaats, druk bezoek, hulpmiddel, redmiddel; — verb. zich begeven naar, zijne toevlucht nemen tot: His usual place of — was the inn = zijn gewone gang was naar de herberg; We must trust to our swords in the last — = als laatste toevlucht; Do not go to places where drunkards and gamblers — to = plaatsen, die door dronkaards en dobbelaars bezocht worden; —er = geregeld bezoeker.

Resound, rizaund, weerklinken, weergalmen: The sound —ed through the house like thunder; The smithies —ed with hammering = weerklonken van de hamerslagen.

Resound, rîsaund, opnieuw (doen) klinken.

Resource, risös, hulpbron, hulp(middel), redmiddel, vindingrijkheid: —s = (geld)middelen, gaven, talenten: He was thrown on his own —s = moest zichzelf maar zien te redden; —ful = vindingrijk; subst. —fulness: He has a —fulness of mind which is quite astonishing = hij heeft een vindingrijkheid die verbazend is.

Respect, rispekt, subst. eerbied, achting, verhouding of betrekking, opzicht; — verb. betrekking hebben op, acht slaan op, eerbiedigen: In — of that question = met betrekking tot; In (with) — to = met betrekking tot; He is a clever fellow in every — = in ieder opzicht = In all —s; —s = beleefde groeten of komplimenten: Pay (Present) my —s to your lady = mijne beleefde groeten aan mevrouw; God does not — persons = God kent geen aanzien des persoons; —ability = achtenswaardigheid, aanzien; subst. persoon van aanzien: Starving —ability = fatsoenlijke armoede (armen); He is a man of —ability = van aanzien; —able = eerbiedwaardig, achtbaar, fatsoenlijk, eerzaam, middelmatig, tamelijk: His father was a —able tradesman = een geacht koopman; subst. —ableness; —er: He is a —er of persons = hij ziet zijne lui aan, is niet onpartijdig; —ful = eerbiedig, hoogachtend; subst. —fulness; —ing = met betrekking tot, aangaande; —ive: We went our —ive ways = ieder zijn eigen weg; These persons were condemned to costs —ively = werden respectievelijk (ieder voor zich) in de kosten veroordeeld.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings