← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

F. (continued 2)

Reading edition

Footle, fût’l, subst. prullewerk; adj. prullerig; — verb. knoeien, onzin doen.

Foozle, fûz’l, vervelende, malle gek; — verb. knoeien; Foozlified = dronken.

Fop, fop, modegek; —pery = kwasterij, ijdelheid (in kleederen of vormen); adj. —pish.

For, fö, prep, voor, gedurende, om, wegens, ten behoeve van, met het oog op, met bestemming naar, vergeleken met, niettegenstaande: I have done it — the best = uit bestwil; You have taken each other — better — worse = elkaar gehuwd, wat er ook mocht gebeuren; — convenience’ sake = gemakshalve; — example (= — instance) = bij voorbeeld; Eye — eye and tooth — tooth = oog om oog en tand om tand; — fear of = uit vrees van; — good and all (Once — all) = eens vooral; A man can live — much less = van veel minder; He won’t sleep — long = lang; Do it — my sake = om mijnentwil; A house — sale = te koop; — shame = schaam je; I shall take this — want of better = bij gebrek aan beter; He is a noble character — all that = hij is toch (niettegenstaande al wat er gezegd is, b.v.) een edele kerel; You must do it — all the world = wat de wereld er ook van zegge; That’s it — all the world = juist, zoo is het; She didn’t listen — all she held her tongue = al hield ze ook haar mond; — all you know = zoo goed (gauw) als je kunt; — as much as I can say = voor zoover ik weet; — the matter of that = wat dat betreft: — one thing, I don’t know your name = in de eerste plaats; — ought I see = voor zoover ik zien kan, als ik het wel heb; He was at home — a wonder = verwonderlijk genoeg was hij thuis; I am to blame — it = ik alléén draag daarvan de schuld; To be sorry — = spijt hebben over; I do not care — him = geef niet om hem; I felt uneasy — him = was ongerust over hem; To go in — an examination, a place = zich aanmelden voor, opgaan voor, dingen naar; We sailed — the Indies = zeilden naar Indië; I have taken you — my model = ik heb u ter navolging gekozen; I waited — him to resume his story = ik wachte er op, dat hij … zou hervatten; Now — it = nu er op los, nu begint het; Oh — a horse = ach, had ik maar een paard; I — one = wat mij betreft; But — me he would be unhappy = zonder mij; It is not — you to say so = het past u niet zulks te zeggen; I could not — the life of me help saying it = ik moest het wel zeggen.

For, fö, conj. want, daar, in aanmerking nemende dat.

Forage, foridž, subst. voeder, fourage, veevoeder; — verb. fourageeren, uitplunderen door requireeren van fourage; —-cap (Foraging-cap) = politiemuts (van soldaten); —-contractor = aannemer van het voedsel der cavaleriepaarden; —r = fourageur.

Foraminated, fəramin(e)itid, met kleine gaatjes doorboord; Foraminous, fəraminəs, vol kleine gaatjes.

Foray, forei, fərei, subst. rooftocht, buit; — verb. plunderen, verwoesten.

Forbear, föbêə, nalaten, zich onthouden van, dulden, verdragen; —ance = onthouding, geduld, zelfbeheersching, verdraagzaamheid, duldzaamheid: —ance is no acquittance = uitstel is geen afstel; —ingly = lijdzaam.

Forbear(s), föbêə(z), föbîəz, voorouder(s), voorzaten, nazaten.

Forbes, föbz.

Forbid, föbid, verbieden, ontzeggen, weigeren (toegang, b.v.), een verbod uitvaardigen: God, Heaven — = dat verhoede God, de Hemel! —den fruit = verboden vrucht (Bijbel); —ding = onaangenaam, terugstootend: Those are —ding subjects = onaangename onderwerpen.

Forbore, föbö, Forborn, föbön, imperf. en part. perf. van to forbear.

Force, fös, subst. kracht, geweld, dwang, noodzaak, beteekenis, wettigheid, strijdmacht (ook dikwijls —s); — verb. dwingen, noodzaken, overweldigen, verkrachten, forceeren, trekken: By mere — of habit = uit louter kracht der gewoonte; Conservation of — = krachtsbesparing; Correlation of — = krachtsverhouding; External —s = van buiten werkende krachten; Land —s; Marine —s; Moral — = zedelijke kracht; Natural —s = natuurkrachten; Physical — = natuurlijk vermogen; By main — = met geweld; The scouts reported that they had discovered the enemy in — = in grooten getale; To be of — = van kracht; The law will come into — (be enforced) very soon = de wet zal spoedig tot uitvoering komen; That must follow of — = dat moet er noodzakelijk uit voortvloeien; I discovered where his — lay = wat zijn “fort” was; To — along = voortdrijven, meeslepen; To — back = terugdrijven; To — down the throat = doen slikken; His sword was —d from his hand = aan zijne hand ontwrongen; He —d that word into a new meaning = gaf eene gedwongen nieuwe beteekenis aan; He —s a passage of Macaulay into his service = hij sleept er eene passage van M. (als eene bewijsplaats) bij de haren bij; They were —d out = met geweld verjaagd; The ministers —d the queen’s hand = dwongen … zoo te handelen; —-meat = gehakt (en sterk gekruid) vleesch; —-pump = perspomp; —d = gedwongen, gekunsteld; getrokken; subst. —dness; —ful = krachtig; —less = krachteloos.

Forceps, föseps, tang voor chirurgen (dentisten).

Forcible, fösib’l, krachtig, gewelddadig, hevig, onstuimig, indrukwekkend: — entry and detainer = gewelddadige inbezitneming (Jur.); —-feeble, subst. iemand, die een schijn van kracht ontwikkelt; adj. gemaakt of slechts schijnbaar krachtig; subst. —ness.

Forcing, fösiŋ; —-house = broeikas; —-pump = perspomp.

Forcipitate(d), fösipiteit(id), tang- of schaarvormig.

Ford, föd, subst. doorwaadbare plaats (v. eene rivier), stroom; — verb. doorwaden; —able = doorwaadbaar.

For(e)do, födû, verwoesten, vernietigen, overwinnen, uitputten.

Fordyce, fədais.

Fore, fö, adj. vooraan, voor, vooraf; adv. vooraan: To the — = naar voren toe, gereed, aanwezig, nog levend; He came to the — = kreeg naam; He is well to the — = hij heeft veel naam; — and aft = de geheele lengte v. het schip; —arm, subst. voorarm; —arm, fô-âm, vooraf wapenen; —warned, —armed = eenmaal gewaarschuwd maakt dubbel voorzichtig; —bode, föboud, voorspellen, een voorgevoel hebben van; —boding = voorgevoel; —-brace, —-bits = betingen der fokkebrassen; —-bow = zadelknop; —-cabin = voorkajuit; —cast = voorspelling, voorziening: The weather —cast = weervoorspelling; —cast, fökâst, voorspellen, vooraf berekenen, ontwerpen; —castle, fouks’l, bak (op een schip tusschen den voormast en den boeg); —close, föklouz, tegenhouden: To —close a mortgager = een hypothecair schuldenaar het recht op terugverkrijging van zijne bezittingen ontnemen; —closure = ontneming van dit recht; —doom, födûm, veroordeelen, doemen: The attack was —doomed to failure; —elder = voorouder; —-end = eerste gedeelte; —father = voorvader: —fathers’-Day = 21 December, toen de Pilgrim Fathers in Amerika landden (1620); —fend, föfend, verbieden, afwenden, afweren; —finger = voorvinger; —foot = voorpoot; —front = voorste deel; —go, fögou, afstand doen, afzien van, zich ontzeggen: That is a —gone conclusion = dat is eene uitgemaakte zaak, spreekt vanzelf; —going = voorafgaande; —ground = voorgrond; —gather, fögadhə, samenkomen; —hand, subst. vóórhand, voorkeur; adj. naar voren, anticipeerend; —head, föhed of forəd, voorhoofd; —hold = voorste gedeelte van het scheepsruim; —-horse = voorste paard van een span; —judge, födžɐdž, eene klacht afwijzen wegens niet verschijnen van den klager; —know, fönou, vooraf weten; —knowledge, fönolidž, het vooruitweten; —land = landtong, kaap; ruimte tusschen vestingmuur en gracht; —leg = voorpoot; —lock = voorlok, voorhaar; stift, pin: I will take time by the —lock = ik zal de eerste de beste gelegenheid aangrijpen; —man = eerste, eerstaanwezende, woordvoerder (van eene jury), meesterknecht, hoofdconducteur; —mast = fokkemast; —mast-man = gewoon matroos; —-mentioned, fömenš’nd, voormeld; —most = voorste, eerste, voorop; —name = vóórnaam; —named = voornoemd; —noon, fönûn, fönûn, vóórmiddag; —ordain, fôrödein, voorbeschikken (Bijbel); —ordination, fôrödineiš’n, voorbeschikking; —part = voorste deel; —past, —passed, föpâst, voorbij, verleden; —-peak = hel (scheepst.); —-rank = voorste rij of gelid, voorkant, —reach, förîtš, winnen op (bij het zeilen, etc.); —reading = voorafgaande doorlezing; —run, förɐn, voorafgaan, aankondigen, een voorbode zijn; —runner, förɐnə, förɐnə, voorbode, voorlooper; —sail = fokkezeil; —see, fösî, voorzien, vooraf weten; —seeable consequences = te voorziene gevolgen; —shadow, föšadou, voorbeduiden; subst. voorbeduidsel; —-sheet = fokkeschoot; —-sheets = voorplecht; —shore = het gedeelte kust tusschen eb en vloed; —-shorten, föšöt’n, in de verkorting teekenen (perspectief); —show, föšou, voorspellen, voorzeggen, verkondigen; —side = voorzijde; —sight = het vooruitzien, overleg; —skin = vóórhuid; —sleeve = vóórmouw; —stall, föstôl, vooruitloopen op, berooven, verstoppen: You — life with your talk = gij neemt door uw gepraat al het aangename en belangwekkende van het leven weg; He —ed the market = hij joeg den prijs der goederen op door opkooping en het verspreiden van valsche geruchten, etc. en beheerschte de markt daardoor; They — my wishes = raden vooruit; —taste = subst. voorsmaak; — verb. föteist, een voorsmaak hebben van; —tell, fötel, voorspellen, voorzeggen; —thought = subst. voorbedachtheid, voorzorg; adj. voorbedacht, vooraf beraamd; —-tooth = vóór- of snijtand; —top = vóórmars; —warn, föwön, vooraf waarschuwen of kennis geven (Zie —arm); —wind = gunstige wind; —woman = vrouwelijke opzichter; hoofd van eene modezaak; —word(s) = voorrede, inleiding.

Foreign, forin, buitenlandsch, vreemd, vreemd aan (to, from): — affairs = buitenlandsche zaken; — attachment = beslaglegging op het eigendom van een buitenlander in Engeland: — news = buitenlandsch nieuws; — Office = ministerie van Buitenl. zaken; — Secretary = minister van B.Z.; — trade; This is — to our business = is vreemd aan, staat buiten, heeft niet te maken; —-built = in ’t buitenland gebouwd; —er = vreemdeling.

Forensic(al), fərensik(’l), gerechtelijk; —-medicine = gerechtelijke geneeskunde.

Forest, forəst, subst. woud, bosch, koninklijk jachtveld; — verb. in een bosch veranderen, met boomen beplanten; adj. boschachtig, landelijk; —-fly = luisvlieg (bij paarden); —-laws = boschwetten; —-officer = ambtenaar bij het boschwezen; —-walk = schaduwrijke wandelweg; —er = houtvester, boschbewoner, boschwachter; —ry = boschcultuur, boomkweeking.

Forfeit, föfit, subst. het verbeurde, boete, pand; adj. verbeurd; — verb. verbeuren, verliezen: To cry —s = de panden oproepen; They were playing (at) —s = waren aan het pandje-verbeuren; —ure, föfitjə = verbeuring, verlies, boete.

Forfex, föfeks, schaar.

Forge, födž, subst. smidse, smidsvuur, smederij, werkplaats; — verb. smeden, maken, uitvinden, verdichten, namaken, vervalschen, valschheid in geschrifte plegen, met kracht voortdrijven, langzaam en moeilijk voortbewegen, vooruitwerken: He —d his way home = kwam (ging) met moeite …; —-man = smids-meesterknecht; —r = smid, vervalscher; —ry = valschheid (in geschrifte), verdichting, verzinsel; —tive = vindingrijk.

Forget, föget, vergeten, verwaarloozen: I — = ik ben vergeten; I shall — my own name next = zal mijn eigen naam nog vergeten; To — oneself = zich vergeten; —-me-not = vergeetmenietje; —ful = vergeetachtig, slordig; subst. —fulness.

Forgivable, fögivəb’l, vergeeflijk; Forgive, fögiv, vergeven, vergiffenis schenken, kwijtschelden, door de vingers zien; subst. —ness; Forgiving = vergevingsgezind; subst. —ness.

Forgo, fögou, opgeven, laten varen, verliezen, inboeten.

Forgot(ten), fögot(’n), imp. en p.p. van forget.

Fork, fök, subst. vork, gaffel, scheiding van een weg, etc., moeilijkheid, lastig geval, stemvork; — verb. met eene vork opheffen en aangeven, omspitten, scherpmaken, zich vertakken, stelen, kapen: You shall — it over (out) first = je zult het eerst overgeven, eerst opdokken; —-head = gevorkte pijlspits; —-tail = naam voor visch met gevorkten staart; —ed = gevorkt, zigzag: —ed lightning = zigzag bliksemstralen; —y = gevorkt.

Forlorn, fölön, verlaten, hulpeloos, ongelukkig, eenzaam; vervallen, vermagerd: —-hope = troep soldaten, die voor een uiterst gevaarlijken post zijn aangewezen; gevaarlijke post, wanhopig geval, laatste redmiddel; subst. —ness.

Form, föm, (uiterlijke) vorm van iets, vorm (drukken), gedaante, stelsel, leest, model, formulier, gelijkheid, plichtpleging, schoolbank (zonder rugleun.), klasse (in school), leger (v. een haas), geschiktheid, goede figuur; — verb. vormen, scheppen, oefenen, zich richten of vormen: To be bad — = onnet, ongepast; To be in good — = netjes, zooals het behoort; The horse was not in — to-day = niet “in conditie”; The prime minister was in splendid oratorical — = des eersten ministers redenaarstalenten kwamen prachtig uit; They went through the — of dining = voor den vorm deden ze, alsof; They —ed for a dance = zij traden aan om te dansen; They —ed in front = zij plaatsten zich in de voorhoede in ’t gelid; —al = vormelijk, precies, stellig, stijf, vol plichtplegingen, naar den vorm: His evidence was of a —al order = zijne getuigenis betrof slechts feiten; —alism = vormendienst; —alist = vormelijk mensch, formalist; —ality, fömaliti, vormelijkheid; uiterlijke schijn; formaliteit; —ation = vorming, samenstelling of afleiding, formatie; —ative = vormend, niet tot den stam behoorend; —er = Schepper, vormer, vorm, model.

Former, fömə, voorafgaand, vroeger, eerste; —ly = vroeger, te voren.

Formic, fömik, van mieren; —-acid = mierenzuur; —ation = jeuking.

Formicant, fömik’nt, zwak en onregelmatig (van den pols).

Formidable, fömidəb’l, geducht, vreeswekkend; subst. —ness.

Formula, fömjulə, formule, recept: —rize = formuleeren; —ry, subst. = formulier, formule; adj. voorgeschreven, vastgesteld naar den ritus; —te = —rize = Formulize.

Fornicate, fönikeit, hoereeren; Fornication, fönikeiš’n, ontucht, bloedschande, overspel, afgodendienst; Fornicator = hoereerder, afgodendienaar.

Fors Clavigera, föz klavigərə (of klavidžərə).

Forsake, föseik, verzaken, verlaten, begeven; —n = part. perf.; Forsook, fösuk, imperf. van to forsake.

Forsooth, fösûth, voorwaar, zeker (dikwijls ironisch).

Forspeak, föspîk, beheksen (Schotl.).

Forspend, föspend, verkwisten, afmatten.

Forswear, föswêə, afzweren, bij eede ontkennen: You are forsworn = gij hebt uw eed gebroken; You have forsworn yourself = gij hebt een meineed gedaan.

Forsyth, fösaith.

Fort, föt, subst. sterkte, vesting, kasteel, iemands sterke zijde; adj. sterk, machtig.

Fortalice, fötəlis, klein buitenwerk.

Forte, föt, iemands sterke zijde; forto; bovenkling (schermen).

Forth, föth, vooruit, buiten, uit, voorwaarts, de grenzen te buiten gaande, voort: To be —-coming, föthkɐmiŋ = gereed of op ’t punt te verschijnen, verschijnend; subst. te voorschijn komen: No confirmation of the report was —-coming = het gerucht werd niet bevestigd; —-going, föthgouiŋ, uitgaand, voortzettend; subst. uitgaan; —-issuing = uitkomend; —right = recht vooruit, oprecht; —rightness of phrase = juistheid van uitdrukking; —with, föthwidh, föthwith, föthwith, onmiddellijk, op staanden voet.

Fortieth, fötiəth, subst. en adj. veertigste (deel).

Fortification, fötifikeiš’n, versterking, fort; Fortify, fötifai, versterken, bevestigen; Fortitude, fötitjûd, lichamelijke of zielskracht, vastberadenheid, moed, geduld.

Fortnight, fötnait, veertien dagen; —ly = alle veertien dagen; veertiendaagsch.

Fortress, fötrəs, vesting, kasteel, sterkte.

Fortuitous, fötjûitɐs, toevallig; —ness, toevalligheid; Fortuity, fötjûiti, toeval.

Fortunate, fötšənit, gelukkig, gunstig; subst. —ness; Fortune, fötš’n, subst. geluk, fortuin, lot, groote rijkdom, bezit; — verb. begunstigen, gebeuren: By — = toevallig; — favours the bold = wie waagt, wint; As — would have it = toevallig (’t was of het spel sprak); He came into his — = hij kreeg zijn erfdeel; —-book = voorspellingsboekje; —-hunter = iemand, die bij het trouwen op geld uit is; —-hunting = het zoeken van eene rijke vrouw; —-tell = waarzeggen; —-teller = waarzegger; —-telling = waarzeggerij.

Forty, föti, veertig: In — seconds = in minder dan geen tijd; I’ll take my — winks = een dutje doen; The roaring forties = streek op 40° tot 50° Z.B., met steeds krachtigen W.N.W. wind.

Forum, fôr’m, forum, rechtbank.

Forward, föwəd, subst. een vooraan geplaatst speler bij football; adj. voorste, vroeg, ver gevorderd in, vroegtijdig, niet achterlijk, wijsneuzig, brutaal, vooruit; adv. (—s) vooruit, voorwaarts; — verb. bevorderen, aansporen, verhaasten, overzenden; interj. voorwaarts! The book is in a — state = het boek is een heel eind op weg; I beg to — this letter = ik ben zoo vrij u dezen brief te doen toekomen; From this day — = in het vervolg; —er = verzender, expediteur = —ing agent; —ing firm = expeditiezaak; —ing note = vrachtbrief (Amer.); —ness = vroolijkheid, vroegrijpheid, wijsneuzigheid, brutaliteit.

Fosbroke, fosbruk.

Fosse, fos, vestinggracht, halte.

Fossick, fosik, verlaten goudmijnen of waschplaatsen nasnuffelen; lastig en druk zijn, aanhoudend zoeken; —er (Austr.).

Fossil, fosil, subst. delfstof, versteend lichaam; iemand ten achteren bij zijn tijd; adj. opgedolven, verouderd: —iferous = versteeningen bevattend; Fossilization = versteening; —ize, fosilaiz, versteenen, verouderen.

Fossroad, fosroud, een der 4 groote heirbanen door de Romeinen aangelegd, met slooten aan beide kanten, ook Foss(e)way geheeten.

Foster, fostə, voeden, zoogen, kweeken, aanmoedigen, koesteren; —-brother = zoogbroeder; —-child = voedsterkind; —-daughter = pleegdochter; —-father = pleegvader; —-mother = zoogmoeder; —-sister = zoogzuster; —-son = pleegzoon; —er = voedster, zoogster, bevorderaar.

Fother, fodhə, wagenvracht; ook verb.: To — a leak = stoppen.

Fotheringay, fodhəriŋgei.

Fotmal, fotmâl, 70 Eng. ponden (31,751 K.G.) lood.

Fought, fôt, imperf. en part. perf. van to fight.

Foul, faul, vuil, onrein, stinkend, heiligschennend, gemeen, zondig, misdadig, onwettig, onbillijk, storm- of regenachtig, bewolkt, belemmerend; subst. aanrijden, aanvaren, ongeoorloofde slag; — verb. bevuilen, besmetten, in botsing komen, vuil worden, verward raken: — means = oneerlijke; A — pipe = vuile; — play = valsch spel, bedrog; I had a — taste in the mouth; — wind = tegenwind; We fell (ran) — of a rock = stieten op eene rots; These two persons fell — of each other = kregen samen twist; He —ed my course and received all my weight = hij kwam mij in den weg, en kreeg mijne geheele zwaarte op zich; —-anchor = onklaar anker; —-proof = vuile proef; —-mouthed, —-spoken, —-tongued = vuile taal sprekend; —ness = vuilheid, etc.

Foulard, fulâd, zijden (hals)doek.

Found, faund, imp. en p.p. van to find.

Found, faund, metaal gieten; stichten, grondvesten, oprichten, begiftigen; —ation, faundeiš’n, grondslag, fundeering, stichting, begiftiging, fundatie (—ationer = alumnus); —ation-muslin = stijf gaas; —ation-school = door corporaties of privaat-personen gestichte school; —ation-stone = eerste steen; —er, subst. metaalgieter; stichter, maker, begiftiger: He is the —er of the feast = aanlegger; vr. —ress; —ry = metaalgieterij; —ry-goods = gietijzeren artikelen.

Founder, faundə, verb. zinken, zakken, vergaan, mislukken; doen zinken, vallen, kreupel worden of maken (van paarden): A —ed copy = slecht uitziend (onderhouden) exemplaar; I am —ed with cold = stijf van koude.

Foundling, faundliŋ, vondeling: —-hospital = vondelingshuis.

Fount, faunt, bron, fontein, put; —ain, fauntin, bron, fontein, waterreservoir; —ain-head = oorsprong of bron v. eene rivier (ook fig.); —ain-pen = vulpen.

Four, fö, vier: To form —s = in vieren opmarcheeren; To be folded in —s = in vieren; We are (run) on all —s = wij zijn (loopen) op handen en voeten; They go on all —s = zij stemmen volkomen overeen; That is on all —s with it = dat komt er geheel mede overeen; To place on all —s with = gelijkstellen; —-ale = goedkoop bier (4d. het quart): —fold, adj. viervoudig; subst. viervoud; — verb. verviervoudigen; —-footed = viervoetig; —-handed = vierhandig; —-horse = door vier paarden getrokken; —-in-hand, subst. rijtuig met vier paarden; adj. door vier paarden getrokken; —-legged = met vier pooten, viervoetig; —penny, —pence = vierstuiverstukje; —-poster = groot ledikant met stijlen aan de vier hoeken; —score = tachtig; —square = vierkant, vast gegrond, vast staand: The Eiffel tower stands —square on feet of solid masonry = staat onwrikbaar vast op; —-wheeler = vigelante; —teen = veertien; —teenth = veertiende; —th = vierde; —th-rate = vierklassig (bij de marine); —thly = ten vierde.

Fourbisseur, fûəbisɐ̂, zwaardveger.

Fourgon, fûəgon, fourgon, ammunitie- of bagagewagen.

Fourierism, fûriərizm, het socialistisch stelsel, aanbev. door Charles Fourier.

Fowl, faul, subst. gevogelte, het vleesch daarvan, gezamenlijke vogels, haan, kip; — verb. vogels vangen of schieten; —er = vogelaar; —ing-piece = ganzenroer; —ing-shot = ganzenhagel.

Fox, foks, subst. vos, sluwe kwant; — verb. zuren (bij ’t gisten), rood of zuur worden, begluren, voorwenden, veinzen, kapen, stelen, voorschoenen aanzetten (Amer.); —-brush = vossestaart; —-chase (—-hunt) = vossenjacht; —-earth = vossenhol; —-evil = kaalheid; —-glove of Folks’-glove = vingerhoedskruid; —-grape = Amerikaansche wijnstok; —-hound = hond voor vossenjacht; —-tail = vossestaart; —-trap = vossenval; —-trot = sukkeldraf (van een paard); —ed, fokst, verkleurd, gevlekt; met gestikt bovenleer versierd (Amer.); —ing, subst. bovenleder; adj. verkleurend; —like; —y = sluw, rossig.

Fracas, freikəs, lawaai, ruzie.

Frack, frak, gretig, vaardig, krachtig.

Fracted, fraktid, gebroken; Fraction, frakš’n, breking (vooral met geweld), gebroken getal, breuk, brok; het breken van het brood bij het H. Avondmaal; —al, frakšən’l, tot eene breuk behoorend, gebroken, klein, nietig: —al certificate = scrip certificaat; Fracture, fraktšə, breuk (met geweld), gebroken deel; — verb. breken: Simple — = eenvoudige been- of armbreuk; Compound — = gecomplic. breuk (beschadiging v. het weefsel).

Fractious, frakšəs, twistziek, kribbig; subst. —ness.

Fragile, fradžil, broos, zwak, teer; —ness = Fragility, frədžiliti, broosheid, zwakheid.

Fragment, fragm’nt, brokstuk; —al, frəgment’l, —ary, fragm’ntəri, uit brokken bestaande, zonder verband.

Fragrance, —cy, freigr’ns(i), geur, welriekendheid; Fragrant, freigr’nt, geurig, welriekend.

Frail, freil, subst. bies (voor manden), biezenmandje of mat (voor vijgen of rozijnen).

Frail, freil, bros, broos, teer, besluiteloos, onvast, zwak, zondig: The — sex; —ness = —ty = zwakheid, broosheid.

Fraise, freiz, subst. frees, halskraag, stormpaal (onder een hoek van 45°); spekpannekoek; drukte; — verb. fraiseeren, met stormpalen beschermen: The battalion was —d = het bataljon stond met gevelde bajonet.

Frame, freim, subst. samenstel, lichaamsgestel, steiger, geraamte, lijst, raam, borduurraam, broeiraam (—bak), etc., gemoedsgesteldheid, gietvorm; — verb. bouwen, samenvoegen, regelen, ordenen, vormen, overlèggen, omlijsten, in elkander zetten: Out of — = in wanorde; His — of mind = gemoedsstemming; Who —d that story = bedacht; —-bridge = brug op jukken; —-building = —-house = houten huis; —-timbers = inhouten van een schip; —work = geraamte, lijstwerk, kader, omlijsting, inrichting.

France, frâns, Frankrijk: Isle of — = Mauritius; The Franco-German war.

Frances, fransəs, Francisca; Francis, fransis, Franciscus, Frans.

Franchise, franš(a)iz, subst. voorrecht, recht, vrijplaats, vrijmoedigheid, edelmoedigheid, stemrecht (= Elective —); — verb. vrijdom verleenen.

Franciscan, fr’nsisk’n, subst. Franciskaner (grijze) monnik; adj. Franciskaansch.

Franconia, fraŋkouniə, Frankenland; —n = Frankisch; Frank.

Frangible, franžib’l, licht breekbaar; bros; Frangibility = broosheid.

Frangipane, franžipein, amandelgebak: — gloves = geparfumeerde.

Frank, fraŋk, openhartig, oprecht, vrij; subst. Frank, franc, brief vrij van port; — verb. zonder vracht of port verzenden (door “Dienst” of “O. H. M. S.” en de handteekening van den verzender); —ing (of letters); —ish = Frankisch; —ly = ronduit; —ness = openhartigheid.

Frankincense, fraŋkinsens, soort v. geurige hars, wierook.

Frantic(al), frantik(’l), dol, krankzinnig, woest, razend; subst. —ness.

Frap, frap, spannen (van eene trom); sjorren.

Fraternal, frətɐ̂n’l, broederlijk; Fraternity, frətɐ̂niti, broederschap; Fraternization, fratənizeiš’n, freitən(a)izeiš’n = verbroedering; Fraternize, fratənaiz, freitənaiz, vertrouwelijk en vriendschappelijk omgaan; Fratricide, fratrisaid, broedermoord(er).

Fraud, frôd, bedrog, bedrieger, list; —ulence, —ulency = bedriegelijkheid, bedriegerij, bedrog; —ulent, frôdjulent, bedriegend, bedriegelijk.

Fraught, frôt, beladen, geladen, overvloedig: — with sorrow = vol smart, van smart overstelpt.

Fray, frei, subst. strijd, gekrakeel, twist, rafel, kale plek (in laken, b.v.); — verb. verslijten, rafelen, afslijten door wrijven (van horens van een jong hert): —ed ropes = uitgerafelde touwen.

Freak, frîk, subst. gril, kuur; — verb. bont maken, streepen of stippels trekken: — of nature = wangedrocht.

Freckle, frek’l, subst. (zomer)sproet, vlekje; — verb. met sproeten bedekken of teekenen; —-faced = met sproeten in ’t gezicht = —d; subst. —dness; Freckly = —d.

Fred, fred, verk. v. Frederick, fredərik, Frederik.

Free, frî, adj. vrij, toegankelijk, onbelemmerd, gratis, vrijwillig, oprecht, mededeelzaam, mild, toegelaten (tot een gilde b.v.), los; — verb. bevrijden, verlossen, uithoozen, lens pompen: —-and-easy, ongedwongen; subst. gezellige familiare bijeenkomst; You are — to jump my claim = moogt gerust … negeeren; Wine was — to all takers = ieder, die wou, kon vrijelijk wijn drinken; He is — of the goldsmiths’ company = hij is lid van het goudsmidsgilde; You are as — of the house as anybody = gij kunt even vrij het huis binnen gaan als ieder; I am — to admit that = ik erken dit gaarne; To get — = vrij komen; To go — = met gevierde schooten zeilen; He was made — of the City = hem werd het eereburgerschap der City aangeboden; They made — with his wine = dronken ongegeneerd; He did not offer to — me = mij van mijn woord te ontslaan; This ticket will — you over every line of the country = met dit kaartje kunt ge voor niets langs elke spoorlijn in het land reizen; —-bench = weduwengoed; —booter = vrijbuiter; — chase = vrije jacht; — church = kerk zonder Staatscontrole of met vrije zitplaatsen; de in 1843 afgescheiden Schotsche kerk; —-city = vrije Rijksstad; —-fighter = guerilla soldaat, franc-tireur; — grace = Vrije Genade; —-hand = uit de vrije hand; —-handed = edelmoedig, mild, royaal; —-hearted = openhartig, weldadig; —hold, subst. grondbezittingen, waarover men vrijelijk testamentair mag beschikken = —hold estate in land; —-holder = bezitter van een freehold; —-lance = krijgsknecht; “wilde” (Parl.); —-list = lijst van hen, die vrijkaarten krijgen (hebben); —-liver = smulpaap, iemand die groot leeft; — love = vrije liefde; —man = vrije, stemgerechtigd burger, lid van een City Company; —-mason = vrijmetselaar; —-masonry, masonry = vrijmetselarij; —-minded = met onbekommerd gemoed; —-pass = vrijbiljet; —-port = vrijhaven; —-school = kostelooze school; He wanted — and open sittings in church = wenschte, dat ieder vrijelijk de onbezette plaatsen zou mogen innemen; His talents had — space to work = konden zich vrij ontplooien; —-spoken = vrijmoedig; —-stone = zandsteen, arduin; —-states = die Staten van de Unie, waar reeds voor den burgeroorlog geene slavernij meer bestond; —-talk and knowing innuendos = familiare gesprekken en slimme wenkjes; —-thinker = vrijdenker; —-trade = vrijhandel; —-trader = voorstander van vrijhandel; —-wheel; —-will = vrije wil; adj. (meest frîwil) vrijwillig; — wind = gunstige wind; —dman = vrijgemaakte lijfeigene; —dom = vrijheid, vrijdom, al te groote vrijheid, gemakkelijkheid: I shall take the liberty to speak with —dom = ik zal zoo vrij zijn ronduit te spreken; He was offered the —dom of that town = hem werd het eereburgerschap van die stad aangeboden; —r = bevrijder.

Freeze, frîz, subst. vorst, het vriezen; — verb. vriezen, bevriezen, stollen: To — out = wegkijken; To — to = hangen aan, dol zijn op; To — up = koel en strak worden (Amer.); Freezing-point = vriespunt.

Freight, freit, subst. vrachtprijs, goederentrein, vracht of lading (Amer.); — verb. laden, bevrachten: We have sent the trunk by slow — = als vrachtgoed; —-train (Amer.) = goederentrein; —-waggon = goederenwagen; —age = vrachtprijs, vracht; —er = bevrachter; —less = zonder vracht.

French, frenš, subst. en adj. Fransch(e taal), Fransch(e volk): What is the — for William = wat is Willem in het Fransch? Guillaume is — for William; —-bean = snijboon; —-chalk = kleermakerskrijt; —-curve = teekenmal; —-horn = waldhoorn; To take — leave = met de noorderzon vertrekken; —man = Franschman; —-polish, subst. wrijfwas; — verb. frenšpoliš, politoeren; een vernisje geven (fig.); —-roll = broodje; —-window = openslaande glazen deur; —woman = française; —ify, frenšifai, verfranschen; —like = op zijn Fransch; —y = Fransoos.

Frenzy, frenzi, subst. waanzin; — verb. waanzinnig maken.

Frequency, frîkw’nsi, herhaald voorkomen, herhaling; Frequent, frîkw’nt, gedurig, herhaald; subst. —ness.

Frequent, frikwent, dikwijls bezoeken, omgaan met; subst. Frequentation; —ative, frikwentətiv, subst. en adj. frequentatief (werkwoord).

Fresco, freskou, subst. waterverfschildering op versche kalk; — verb. schilderen op die wijze.

Fresh, freš, frisch, versch, verfrischt, zoet, ongezouten, nieuw, onervaren; subst. riviertje of stroompje bij de zee, overstrooming, zoetwaterstroom, die een eind in zee doorloopt, dooi weder: As — as a daisy, As — as paint = zoo frisch als eene roos, als een hoen; We shall have to gather — way = wij zullen wat moeten opstoomen, wat meer spoed moeten bijzetten; —-blown = pas ontloken; —-fish = nieuweling; —man = groen, nieuweling; —-run = in den tijd van het kuitschieten de rivieren opkomen; —-water = zoet water; —en = opfrisschen, verfrisschen, verlevendigen, ontzouten of ontpekelen, aanwakkeren, kracht krijgen; —es, frešiz: het brakke water aan de monding van rivieren; —et = overstrooming (door zwaren regen of het smelten van sneeuw); —ness = frischheid, etc.

Fret, fret, subst. het in- of wegvreten, zweer, gisting, kwelling, schaving (van de huid), lijstwerk, ornamentwerk; — verb. wegvreten, invreten, afwrijven, schoonwrijven, aantasten, beschadigen, kwetsen; kwellen, beroeren, gemelijk zijn, kniezen; versieren (m. snijwerk), beitelen of beeldhouwen, van toetsen voorzien, tokkelen; —-saw = figuurzaag; —-work = snijwerk, netwerk; —ful = gemelijk, knorrig, gerimpeld; subst. —fulness; Pock —ten, fret’n, van de pokken geschonden; —ty, met snijwerk versierd.

Freya, fraiə, eene Godin.

Friability, fraiəbiliti, brokkeligheid, brosheid; Friable, fraiəb’l, bros, brokkelig; subst. —ness.

Friar, fraiə, frater, broeder, monnik; plaatsen in een proef waar de inkt niet geraakt heeft; —’s-balsam = monniksbalsem; —’s-lantern = dwaallicht; —y = klooster.

Fribble, frib’l, subst. beuzelaar, beuzelarij; adj. beuzelachtig; — verb. beuzelen; —r = beuzelaar.

Fricassee, frikəsî, subst. fricassee, schotel v. gehakt vleesch met pikante saus; — verb. eene fricassee maken.

Fricative, frikətiv, subst. schuringsgeluid; adj. schurend.

Friction, frikš’n, subst. wrijving, kleine oneenigheid; adj. wrijvend; —-match = lucifer; —-wheel = wiel, dat door wrijving in beweging brengt of gebracht wordt; —al-electricity = wrijvingselectriciteit; —ize = wrijven.

Friday, fraidi, Vrijdag: Good — = Goede Vrijdag.

Friend, frend, vriend, kennis, bloedverwant, vriendin, beschermer, bevorderaar, Kwaker: A — in need is a — indeed = in den nood leert men zijne vrienden kennen; —s = bloedverwanten; Society of —s = de sekte der Kwakers (17e eeuw gesticht); To have —s in (at) court = vrienden aan het hof, invloedrijke vrienden hebben; I’ll never again make a — = ik sluit nooit weer vriendschap; Let us make —s with him = laten wij ons met hem verzoenen; —less = zonder vrienden; subst. —lessness; —like = als van een vriend, welwillend; —liness, subst. van —ly = vriendschappelijk, goedaardig, gunstig gezind: —ly Societies = (arbeiders) vereenigingen tot wederzijdschen bijstand in ziekte en nood; —ship = vriendschap, goede gezindheid: That’s in —ship = dat blijft onder ons.

Friese, frîz, Fries, Friezin; adj. Friesian, frîž’n; Friesland, frîzlənd.

Frieze, frîz, fries (bouwk.); fries, een grove wollen stof.

Frigate, frigit, fregat; —-bird = fregatvogel; Frigatoon, frigətûn, Venetiaansch fregat.

Fright, frait, vrees, schrik; ook verb. = —en: In a — = verschrikt; You look a —, if you do not do yourself up = ge ziet er uit om van te schrikken, als ge u niet blanket; To put in a — = doen schrikken; He took — = hij schrikte; It is the thunder that —s, and the lightning that smites; —en = schrik aanjagen; ontstellen: I was —ened to death, out of my wits = doodelijk verschrikt; —ful = verschrikkelijk; subst. —fulness.

Frigid, fridžid, koel, koud, kil, vormelijk; vervelend: — zones = de Poolstreken tusschen de Polen en de Poolcirkels; —ness = —ity, frîdžiditi, koelheid, enz.

Frill, fril, subst. geplooide strook, kanten kraag; affectatie, opgedirktheid (Amer.); — verb. plooien, van een frill voorzien; de veeren van koude opzetten.

Fringe, frinž, subst. franje, rand; — verb. met franje versieren: To wear one’s hair in a — = ponnies hebben; Newgate — (— frill) = baard onder de kin.

Fringilla, frindžilə, vink; —ceous, frindžileišəs, tot de vinken behoorend.

Fringing, frinžiŋ, franje, rand: — reef = koraalrif dat een eiland omgeeft.

Frippery, fripəri, subst. oude kleeren, tweedehandsmeubels, oude-kleerwinkel, prulleboel; adj. min, beuzelachtig.

Frisco, friskou = San Francisco.

Frisia, frižə, Friesland; —n, Fries(ch).

Frisk, frisk, subst. dartele sprong, dol, vroolijke bui; adj. levendig, dartel, druk; — verb. rondspringen, dansen, dartelen; —iness, subst. van —y = dartel, vroolijk, uitgelaten.

Frit, frit, subst. frit, gesmolten glasmassa.

Frith, frith, mond eener rivier, vischweer; kreupelhout.

Fritillary, fritiləri, keizerskroon (bloem).

Fritter, fritə, brokje, stuk, reepje, afgesneden stukje vleesch om te bakken; — verb. in kleine stukken snijden of breken, verknoeien: He has —ed away his money, his time = zijn geld verknoeid, zijn tijd verbeuzeld.

Frivolity, frivoliti, beuzelachtigheid, wuftheid; Frivolous, frivəlɐs, beuzelachtig, nietig, wuft; subst. —ness.

Friz(z), friz, krullen, kroezen; subst. krul; —zle = krullen, op heete kolen bakken; —zler = friseur, kapper; —zling-iron = friseertang.

Fro, frou, alléén in: To and — = heen en weer.

Frock, frok, pij, kleed, kiel, jurk; —-coat = gekleede jas; —-dress = in gekleede jas.

Frog, frog, kikker, langwerpige bekleede knoop met lus tot sluiting en versiering; verbindingstuk om op andere rails te komen; straal (aan paardehoeven); —-bit = kikkerkruid; —-eater = Franschman (iron.); —-hopper = schuimcicade; —s’-march = kruipen op handen en voeten, het wegdragen door de politie van een lastigen dronken man (met het gezicht naar beneden); —ged = met ‘frogs’ bevestigd of versierd; —gy = vol kikkers.

Froise, frôiz, spekpannekoek.

Frolic, frolik, subst. dartele sprong, grap; vroolijke partij, pretje; adj. vroolijk, dartel, dol, lustig; — verb. dartelen, rondspringen, pret maken: —some = dartel, vroolijk; subst. —someness.

From, from, van, vandaag, vanuit, sedert, wegens: — forth = vanuit; He had his mission — on high = hij ontving zijne zending van boven, uit den hemel; — my childhood = van kindsbeen af; — the sixth of May = sedert; It’s all — his unwillingness to oblige me = het komt allemaal door zijne ongeneigdheid om mij te helpen; — time to time = van tijd tot tijd; Judging — this = hiernaar te oordeelen; Protected — the rain = beschermd voor; To sift grain — chaff = kaf van koren, waarheid van leugen scheiden; Tell it him — me = namens mij.

Frome, froum.

Frond, frond, blad van planten als varens en palmen; —escence, frondes’ns, het ontplooien der bladeren; adj. —escent, frondes’nt; —iferous, frondifərɐs, waaiervormige bladeren dragend; —ose, frondous, frondous, waaiervormig (—dragend).

Frondeur, frondɐ̂, lid der Fronde i.e. tegenstanders van de Regeering bij de minderjarigheid v. Lodewijk XIV.

Front, frɐnt, subst. voorhoofd, gelaat, voorste gedeelte, front, gevel, voorvertrek: brutaalheid, schaamteloosheid, toertje (valsch haar), overhemdje, begin, voorhoede; — verb. het hoofd bieden, staan tegenover, met het voorhoofd gekeerd staan naar, van een front voorzien: He changed — all at once = hij veranderde in eens v. batterij; This man has come to the — of late = neemt in den laatsten tijd eene eerste plaats in; They presented a united — in this emergency = in dezen nood boden ze gezamenlijk weerstand; To stand in — of = staan vóór; My shoes must be new —ed = ik moet laten voorschoenen; —-benchers = (ministers) die op de eerste bank zitten (Lagerhuis); —-box = loge tegenover het tooneel; —-door = voordeur; — opposition bench = eerste bank, links van den Speaker, in het House of Commons waarop de leiders der oppositie zitten; —-rank = eerste rang (klas); —age, frɐntidž, voorzijde of front van een gebouw langs de geheele uitgestrektheid; —al, subst. fronton, hoofdband, deur- of vensterboog; adj. eerste, voorste, vooraan gelegen, tot het voorhoofd of front behoorende; —let, kleine hoofdband; —on, frontən, frɐntən, of Fr. uitspr., fronton.

Frontier, frontjə, frɐntjə, frontîə, subst. grens(lijn); adj. aan de grenzen gelegen.

Frontispiece, frontispîs, frɐntispîs, frontispies, voorgevel, plaat tegenover het titelblad, gelaat; voorzien van een frontispies.

Frost, frost, vorst, ijzel, kilheid, koele ontvangst; — verb. berijpen, glaceeren, scherpen (v. paardehoeven), mat of dof maken: The singer was a fearful — = had niet het minste succes; This piece will run no chance of a — = dit zal ongetwijfeld succes hebben, “gaan”; —-bitten = bevroren: A —-bitten nose = bevroren neus; —-bound = ingevroren; —-flower (Zie —-work); —-nail = ijsnagel (voor paarden); —-work = ijsbloemen op glas, enz.; —ed = geglaceerd, mat: —ed glass = ijsglas; —ed silver = mat zilver; —iness = vorstigheid; —ing = suikerglazuur, matte oppervlakte; —y = vorstig, koel, koud.

Froth, froth, subst. schuim, ijdel gesnap, gewauwel; — verb. met schuim bedekken, (doen) schuimen, ijdele praat houden: — and flummery = gewauwel en nonsens; —-spit, Zie Frog-hopper; —iness, subst. van —y = schuimend, ijdel, onbeteekenend.

Froude, frûd.

Frounce, frauns, krul, rimpel: —s of phrase and style = gemaakte zinswendingen en onnatuurlijke stijl.

Frousy, Frouzy, frauzi, vuil, slordig, muf, rans.

Froward, frouwəd, adj. weerspannig, gemelijk, onaangenaam; subst. —ness.

Frown, fraun, subst. gefronst gelaat, ontevreden blik; — verb. fronsen, dreigend staren: He was under the — of power = de machtigen staarden hem dreigend aan; He —ed us into obedience = zijn dreigende blik deed ons gehoorzamen.

Frowzy, frauzi = Frousy.

Froze, frouz, imperf. van to freeze.

Frozen, frouz’n, bevroren, buitengewoon koud, kil; part. perf. v. to freeze: The — Ocean = de IJszee; The — Zones = de Poolstreken.

Fructescence, frɐktes’ns, rijpwording der vruchten, vruchtentijd; Fructiferous = vruchtdragend; Fructification, frɐktifikeiš’n, bevruchting, vruchtvorming; Fructify, frɐktifai, vruchtbaar maken, vrucht dragen; Fructose, frɐktous, frɐktous, vruchtensuiker.

Frugal, frûg’l, matig, zuinig; —ity, frugaliti, matigheid, zuinigheid.

Frugivorous, frudživərɐs, vruchtenetend.

Fruit, frût, vrucht(en), fruit, kroost, gevolgen, voordeel; — verb. vruchten dragen; —-bearing = vruchtdragend; —-bud = vruchtknop; —-dish = vruchtenschaal; —-knife = fruitmesje; —-loft = fruitzolder; —-time = oogsttijd, vruchtentijd; —-tree = vruchtboom; —age = ooft; opbrengst; —erer = fruithandelaar; —ful = vruchtbaar; subst. —fulness; —iness = vruchtensmaak; —ion, frûiš’n, vruchtgebruik, bezit, genot daaruit voortvloeiend; —ive, frûitiv, genietend, gebruikend; —less = vruchteloos; subst. —lessness; —y = met vruchtensmaak.

Frumenty, frûm’nti, tarwepap.

Frump, frɐmp, brommige, ouderwetsch of slordig gekleede vrouw; — verb. bespotten, afsnauwen: Old — = oude soes; —ish = lastig, brommig, ouderwetsch, slonzig; ordinair; —ish ways = ouderwetsche manier van doen; —y = —ish.

Frustrate, frɐstreit, teleurstellen, verijdelen, tenietdoen; adj. frɐstrit, ijdel, nutteloos; subst. Frustration.

Frustum, frɐst’m, brok, stuk: — of a cone (pyramid) = geknotte kegel (zuil).

Frutescent, frûtes’nt, heesterachtig.

Fry, frai, bakken, braden; schoteltje, baksel; lever, longen, hart, enz. van varkens, schapen, kalveren en ossen; school (jonge visschen), jong goedje of volkje, kleinigheden, mindere lui; —ing-pan = bakpan: Out of the frying-pan into the fire = van den regen in den drop, van den wal in de sloot.

Fub, fɐb, bedriegen, stelen: To — off = onder valsche voorwendsels uitstellen.

Fuchsia, fjûšə, foksia.

Fucus, fjûkəs, blaaswier.

Fuddle, fɐd’l, dronken maken, overmatig drinken, zuipen: He —d himself; —r = dronkaard.

Fudge, fɐdž, subst. malligheid, onzin; interj. och loop! onzin!; — verb. vervalschen, verzinnen; opsnijden: He —d his reports from another paper = flanste samen.

Fuel, fjûəl, subst. brandstof; — verb. van brandstof voorzien, voeden: That added (was as) — to the fire = dat was olie in ’t vuur; —-gas = kookgas.

Fuff, fɐf, subst. trekje (aan sigaar of pijp); — verb. trekken, puffen; —y = opgeblazen, buiïg.

Fugacious, fjugeišəs, vluchtig; vroeg afvallend; subst. Fugacity.

Fugh, fjû, Bah! Zie Faugh.

Fugitive, fjûdžitiv, subst. vluchteling, deserteur; adj. vluchtig, voorbijgaand, voortvluchtig, zwervend: — compositions = werken van één dag; —ness = vluchtigheid.

Fugleman, fjûg’lmən, vleugelman, guide; leider, woordvoerder.

Fugue, fjûg, fuga; Fuguist, fjûgist, componist van fuga’s.

Fulcrate, fɐlkrit, van steunorganen voorzien; —-stem = boom, waarvan de takken tot de aarde reiken; Fulcrum, fɐlkr’m, steunpunt (van een hefboom), stut, steun.

Fulfil, fulfil, vervullen, volbrengen, uitvoeren: This short note —s the adage, for it is a merry one = dit korte briefje maakt het bekende gezegde waar, want het is een vroolijk kattebelletje (i.e. Short but merry); He was —led of this pleasure = had er genoeg van; subst. —ment.

Fulgency, fɐldž’nsi, glans, schittering; adj. Fulgent.

Fulgo(u)r, fɐlgə, schittering; Fulguration, fɐlgjureiš’n, weerlicht, fonkeling; Fulgurite, fɐlgjurait, fulguriet, bliksembuizen.

Fulham, fuləm.

Fuliginous, fjulidžinɐs, roetachtig, rookerig, vuil, duister, somber.

Fulk, fɐlk, Folkert.

Full, ful, adj. vol, verzadigd, bezet, dik, gevuld, rijp, volkomen, krachtig; subst. volle maat, grootste uitgebreidheid, hoogste punt: The — of the moon = de tijd, dat de maan vol is; The moon was at the (its) — = was vol; We are — = wij hebben geen plaats meer (in hotel of school, etc.); The dogs were in — cry = blaften alle luide; He knows it — well = hij weet het heel goed; To the —, In — = ten volle, geheel; — and by = met volle zeilen, en scherp bij den wind; — age(d) = meerderjarig(heid); —-armed = in volle wapenrusting; —-bloomed = in vollen bloei, rijp; —-blown = geheel ontwikkeld, volkomen rijp; —-bottom(ed wig) = allonge pruik, lange krulpruik (gedragen door rechters); —-cry = samen blaffend; —-dress = gala; —-drive = in vollen ren, met volle kracht; —-eyed = met groote oogen; —-faced = met groot en dik gelaat; A —-fledged socialist = ten volle ontwikkeld, overtuigd; —-out = geheel, voluit; —-stop = punt, plotseling einde; —-swing = in vollen ren, volkomen vrij, druk bezig: We are in the — swing of stopping managers to play our pieces = wij zijn druk bezig er een stokje voor te steken, dat …; —ness = volheid: In the —ness of time; —y = ten volle; —y-committed = naar de Assizes verwezen.

Full, ful, vollen; —age = geld voor ’t vollen; —er = voller; —er’s earth = vollersaarde; —ery = —ing-mill = vollersmolen.

Fulminate, fɐlmineit, donderen, losbarsten, ontploffen; Fulminating-powder = donderpoeder; Fulminatory, donderend; Fulminic: — acid = knalzuur.

Fulness = Fullness.

Fulsome, fɐls’m, aanstootelijk, overdreven, grof; subst. —ness.

Fulton, fult’n.

Fulvous, fulvəs, taan- of voskleurig.

Fumble, fɐmb’l, rondtasten, tastend zoeken, onhandig doen, knoeien met, verward zijn, morrelen aan (with), verfrommelen (up).

Fume, fjûm, subst. uitwaseming, damp, reuk, toorn, woede; — verb. damp uitwerpen, in damp opgaan, rooken (van vleesch, etc.), doorgeuren, ontsmetten (door rook en damp), woedend zijn: He was in a — = hij was woedend; To sleep off the —s of a debauch = zijn roes uitslapen; He walked up and down, fretting and fuming = knarsetandend en woedend.

Fumigate, fjûmigeit, doorgeuren, ontsmetten (door rook); Fumigation = berooking; rook, wierook: Fumigator = rook- of damptoestelletje; Fumitory = duivenkervel; Fumous = damp of rook veroorzakend.

Fun, fɐn, subst. pretje, grap, vroolijkheid; — verb. grappen maken: That was the — of it = dat was juist de aardigheid er van; It wouldn’t be much — = niet erg leuk zijn; I did it for (in) —, for the — of the thing = voor de grap, voor de aardigheid; To have good (great) — = veel pleizier hebben; He made — of it = hij maakte er een grapje van; To poke — at = voor de mal houden.

Funambulation, fjûnambjuleiš’n, het koorddansen; Funambulist.

Function, fɐŋkš’n, subst. verrichting, uitvoering, beroep, dienst (van een bepaald orgaan), bijeenkomst, partij, feest, kerkelijk ambt; — verb. een plicht, dienst of beroep vervullen: That railway —s no longer = die baan is buiten dienst; —al-disease = organisch gebrek; Functionary, fɐŋkš’nəri, ambtenaar, beambte.

Fund, fɐnd, subst. fonds, kapitaal, voorraad (—s = nationale schuld, geld, financiën) — verb. beleggen (van geld), een fonds bestemmen voor; —-holder = actiënhouder; —ed debt = staatsschuld, die de regeering niet op een bepaalden tijd behoeft af te lossen; —ing-system = amortisatie-stelsel.

Fundament, fɐndəment, grondslag, benedenste, achterste; —al, fɐndəment’l, adj. den grondslag vormend, voornaamste, oorspronkelijk; subst. basis, grondslag, grondtoon: —al bass = becijferde bas, aanduiding der accoorden door hun grondtoon.

Fundi, fɐndi, Fundungi, f’ndɐnži, West-Afrikaansch koren.

Funen, fjûnən.

Funeral, fjûnər’l, subst. begrafenis, lijkstatie; ook adj.: — pile = brandstapel; —-sacrifice = doodenoffer; —-sermon = lijkrede; —-train = begrafenisstoet; —ize = als geestelijke dienst doen bij eene begrafenis (Amer.); Funereal, fjunîriəl, begrafenis …, treurig: A — gait = begrafenispas.

Fungacious, fɐŋgeišəs; Fungal, fɐŋg’l, spons- of zwamachtig; Fungi, fɐnžai, zwammen; Fungivorous, fɐndživərɐs, zich met zwammen of paddestoelen voedend; Fungoid, fɐŋgôid; Fungous, fɐŋgəs, zwamachtig; Fungus, fɐŋgəs, zwam, sponsachtige uitwas: — flesh = wild vleesch.

Fungible, fɐnžib’l, vervangbaar.

Funicle, fjûnik’l, dun snoer, vezel, navelstreng; Funicular, fjunikjulə, kabel- of touwvormig: — railway = kabelspoorweg; Funiculus, fjunikjulɐs = Funicle; Funiliform = vezelvormig.

Funk, fɐŋk, subst. stank, vrees, lafhartigheid, lafaard; schop, knorrigheid; — verb. bang maken of zijn, schoppen of trappen (van woede), woedend zijn: He was in a blue — = zat vreeselijk in de rats; You seem to — it = gij schijnt het niet aan te durven; —er = bange, benauwde vent; —y = angstig.

Funnel, fɐn’l, trechter, schoorsteen (van stoomboot of locomotief); —-form (—-shaped) = trechtervormig; —-net = fuik.

Funniments, fɐnimənts = grapjes; Funny, fɐni, grappig, kluchtig; subst. soort van roeiboot; —-bone = elleboogsknokkel: A rap on the — = weduwnaarspijn.

Fur, fɐ̂, subst. bont, kleed met bont gevoerd, beslag op de tong, ketelsteen; adj. van bont, met bont gevoerd of afgezet; — verb. met bont voeren of afzetten, beslaan (van de tong); —below, subst. geplooide rand aan japonnen of rokken; opschik, tooi; — verb. met bont voeren of omzoomen; —-moth = mot; —-trimmed = met bont omzoomd; —red = met bont gevoerd; —ring = pelswerk, beslag op de tong, ketelsteen, spijkerhuid; —ry = met bont gevoerd, uit bont bestaand, bont …

Furbish, fɐ̂biš, oppoetsen, polijsten, bruineeren; —er = polijster, zwaardveger.

Furcate(d), fɐ̂kit (-eitid), gevorkt, in twee takken gedeeld; Furcation = vertakking.

Furfur, fɐ̂fə, roos (op ’t hoofd); —aceous, fɐ̂fəreišəs, gekorst.

Furiosity, fjûriositi, krankzinnigheid; Furious, fjûriəs, woedend, dol, geweldig, levenmakend; subst. —ness.

Furl, fɐ̂l, samenrollen, vastmaken (van zeilen).

Furlong, fɐ̂loŋ, ⅛ van eene E. mijl of ± 201 M.

Furlough, fɐ̂lou, subst. verlof; — verb. verlof toestaan: He is on — = met verlof.

Furmenty, fɐ̂m’nti. Zie Frumenty.

Furnace, fɐ̂nis, subst. oven, vuurhaard; vuurproef, martelplaats.

Furnish, fɐ̂niš, voorzien, uitrusten, meubileeren, versieren; in betere ‘conditie’ komen (rensport): They —ed him forth with the best they could get = zij rustten hem uit met, voorzagen hem van; —er = leverancier, behanger.

Furniture, fɐ̂nitšə, uitrusting, huisraad; meubilair, tuig, sloten aan deuren en vensters, monteering (van een kanon), masten en tuig: Articles of — = meubelen; —-van = verhuiswagen; The coffin was destitute of — = de kist had geen zilveren hengsels, etc.

Furrier, fɐ̂riə, bontwerker, bonthandelaar; —y = bontwerkerszaak, bontwerken.

Furrow, fɐrou, subst. voor, groef, rimpel; — verb. doorploegen, groeven of rimpels trekken in; —-drain = voor (om water af te voeren); —-faced = met gerimpeld gelaat.

Further, fɐ̂dhə, adj. verder, meer, buitendien, behalve, bijgevoegd; — verb. bevorderen; adv. bovendien, behalve: On the — side = aan den anderen (tegenovergest.) kant; — than this = buiten dit alles; —ance, fɐ̂dhər’ns, bevordering, hulp, bijstand: In —ance of = ter bevordering van; —er = bevorderaar; —more = bovendien; —most = het verst verwijderd; Furthest, fɐ̂dhist, adj. het verst; adv. verst: I shall come to-morrow at the furthest = op zijn laatst.

Furtive, fɐ̂tiv, steelsgewijs, heimelijk, sluw.

Furuncle, fjûrɐŋk’l, bloedvin, zweer.

Fury, fjûri, woede, dolheid, onstuimigheid, razernij: The Furies = de drie wraakgodinnen.

Furze, fɐ̂z, gaspeldoorn, stekelbrem; brem; Furzy = met brem begroeid.

Fuse, fjûz, smelten, vloeibaar maken, samensmelten; Fusion = (samen)smelting, vereeniging.

Fuse, fjûz, (ook Fusee) sisser of lont.

Fusee, fjuzî, lont, windlucifer, spil (in een uurwerk); spoor van wild.

Fusibility, fjûzibiliti, smeltbaarheid; Fusible, fjûzib’l, smeltbaar.

Fusiform, fjûziföm, spilvormig.

Fusil, fjûzil, fuziel(geweer); ruit (in de heraldiek); —eer, —ier, fjûzilîə, fuselier; —(l)ade, fjûzileid, fjûzileid, subst. geweervuur; — verb. neerschieten, fusileeren.

Fuss, fɐs, subst. lawaai; noodelooze, opzienbarende drukte; — verb. woelig en druk zijn, klateren, snel stroomen: — and feathers = veel geschreeuw en weinig wol (Amer.); The river fretted and —ed over its bed = schuurde en klaterde; The tug —ed and fretted, tossing over the green waves = pufte en woelde; The animal was —ing and fuming after it = liep er puffend en woedend achteraan; —iness = drukte, enz.; —y = drukte makend, druk: A —y looking fellow = een opgewonden, druk standje.

Fussock, fɐsək, dikke “moeke”.

Fust, fɐst, subst. vatlucht, muffe reuk; — verb. duf en muf worden; —y = muf, duf, bedorven.

Fusteric, fɐstərik, fustiek, gele verfstof; Fustet = Hongaarsch geel verfhout; Fustin = Fusteric.

Fustian, fɐstj’n, subst. fustein; bombast, gezwollen stijl; adj. van fustein; opgeblazen, gezwollen.

Futhork, fûthök, runenalphabet.

Futile, fjût(a)il, beuzelachtig, nutteloos, waardeloos; Futility = beuzelachtigheid.

Futtock, fɐtək, oplanger: —-shrouds = puttings.

Future, fjûtšə, subst. toekomst, “aanstaande”: To read the — = waarzeggen; In the — = in de toekomst; In — = voortaan; adj. toekomstig: — tense = toekomende tijd; Futurist, fjûtšərist, iemand die gelooft dat de prophetieën der H. S. nog zullen vervuld worden; Futurity, fjutjûriti, toekomst, toekomstige gebeurtenissen.

Fuzz, fɐz, subst. dons, kleine vezeltjes; stuifzwam; — verb. in kleine deeltjes wegvliegen; —-ball = stuifzwam; —-wigged = met krullige pruik; —iness, donzig(vlokkig)heid; —y = vlokkig, donzig, ruig, kroes, aangeschoten, beneveld; ongezond, verrot.

Fy, fai, foei!

Fyke, faik, fuik; —-fisherman; —-net (Amer.).

Fytte, fit, zang, vers.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings