← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

O.

Reading edition

O, ou; O(hio); O(fficial) A(ssignee); o/a = on account of = voor rekening van; Ob(iit) = hij (of zij) is gestorven; Obad(iah); Obj(ective); Obs(olete); Oct(ober); O(dd) F(ellows); O(ld) H(igh) Ger(man); O(n) H(er) M(ajesty’s) S(ervice) = “Dienst” (op brieven); O. K. = (Orl krekt) = allright; O. P. = Old pale = oude cognac;

Oakum, ouk’m, werk (om te breeuwen): To pick — = touw pluizen; He has been picking — these three years = hij zit al drie jaar in ’t tuchthuis.

Oar, ö, subst. (lange) roeiriem; — verb. roeien: To boat the —s = de riemen innemen; To have an — in every man’s boat (barge) = zich overal mee bemoeien; To lie on one’s —s = rusten op de horizontaal liggende, uit het water opgeheven riemen, rusten van den arbeid; To put (shove) in one’s —, To put one’s — in = zijn neus steken in, een woordje meepraten; To rest (up)on one’s —s = op zijn lauweren rusten; To ship (unship) the —s = inleggen (uitleggen); —ed: Four-—ed = vierriems …; —sman, —swoman = roeier, roeister; —y = met riemen, riemvormig.

Oasis, oueisis, ouəsis, (Meerv. Oases, oueisîz), oase.

Oast, oust, mouteest.

Oat, out, haver (meest —s): He has sown his wild —s = zijne wilde haren zijn uitgevallen, hij is uitgeraasd; —-cake = haverkoek; —-meal = havermeel; —-malt = havermout; —en: —en pipe = herdersfluit; —en straws = haverhalmen.

Oates, outs.

Oath, outh, eed, verwensching, vloek: By (Upon an) — = onder eede; Upon my — = ik zweer het; False — = meineed; You are on — = onder eede; To administer (To tender) an — to a person, To put a person to (on) his — = iemand een eed afnemen; He took — on entering upon his office = werd beëedigd; I have sworn an — = ik heb een eed gedaan; — of abjuration = afzweringseed (waarbij de Stuarts na 1688 van den troon werden uitgesloten); — of allegiance (— of fealty) = eed van trouw; — of office = ambtseed; —-breaking = eedbreuk.

Obadiah, oubədaiə, obədaiə, Obadja, Kwaker.

Obduracy, obdjurəsi, obdjûrəsi, verstoktheid; Obdurate, obdjurit, obdjûrit, verstokt; subst. —ness.

Obea(h), oubiə, toovermiddel.

Obedience, əbîdj’ns, gehoorzaamheid: Passive — = onvoorwaardelijke gehoorzaamheid; To reduce to — = tot gehoorzaamheid dwingen; Obedient = gehoorzaam: I am, —ly yours = hoogachtend, Uw dw. dr.

Obeisance, əbeis’ns, əbîs’ns, diepe buiging: To make an — (to).

Obelisk, obəlisk, obelisk, teeken (†); Obelize = van een verwijzingsteeken: +, † (= Obelus, obəlɐs) voorzien.

Oberon, oubəron, obəron, Oberon.

Obese, əbîs, dik, vet, vleezig; subst. —ness = Obesity, əbesiti, zwaarlijvigheid.

Obey, əbei, (onderdanig) gehoorzamen; —er.

Obfuscate, obfɐskeit, obfəskeit, verduisteren, verwarren, benevelen; —d = beneveld; verbluft; subst. Obfuscation.

Obit, obit, oubit, dood, zielmis, lijkdienst: Post — = na den dood; Obitual = dood(en)…, begrafenis …; —uary, əbitjuəri, subst. zielmissenboek; ook adj.: —uary notice = doodbericht.

Obiter, obitə, in het voorbijgaan, toevallig: — dicta = in het voorbijgaan gemaakte opmerkingen.

Object, obdžəkt, voorwerp, doel, hoofdzaak: Salary no — = op salaris zal minder worden gelet; To look an — = er uit zien als een vogelverschrikker; To make oneself an — = zich bespottelijk optooien; —-glass = objectief; —-lesson = illustratie, aanschouwelijke les; —-matter = hoofdzaak, inhoud; —-teaching = aanschouwingsonderwijs; —less = doelloos.

Object, əbdžekt, tegenwerpen, bezwaar maken: I — to your going there = heb er bezwaar tegen; —ion = tegenwerping, bezwaar; —ionable = laakbaar, onaangenaam: —ionable pictures = aanstootelijke; —ional = —ionable; —or = opponent.

Objective, əbdžektiv, objectief, voorwerps..; subst. voorwerpsnv., einddoel: — case = 4de nv.; — point = doel; —ness = Objectivity.

Objurgate, əbdžɐ̂geit, obdžəgeit, berispen, verwijten; subst. Objurgation.

Objurgatory, əbdžɐ̂gətəri, verwijtend, berispend.

Oblate, obleit, oblit, afgeplat aan de polen; subst. —ness.

Oblation, obleiš’n, offerande, avondmaal, gave.

Obligate, obligeit, verbinden, verplichten; Obligation, obligeiš’n, verplichting, verbintenis, obligatie: To be (To lie) under an — = verplicht zijn; To incur an — = een verplichting op zich nemen; Obligatory, obligətəri, (ver)bindend: — personal military service = persoonlijke dienstplicht.

Oblige, əblaidž, verplichten, een dienst of genoegen doen, eene gunst bewijzen, vriendelijk zijn; bindende kracht hebben, wat voordragen: Will you — me so far? = mij dat pleizier doen; Miss Jane will — = zal het gezelschap het genoegen doen, iets te zingen, spelen, etc.; Anything to — you = als ik je daar een pleizier mee kan doen; Full particulars will — = nadere inlichtingen verzocht; An immediate reply will — = er wordt om spoedig antwoord verzocht; Obligee, oblidžî, obligatiehouder, schuldeischer; Obliger; Obliging, əblaidžiŋ, beleefd, voorkomend; Obligor, obligö, obligö, schuldenaar.

Oblique, əblîk, əblaik, scheef, schuin, indirect, slinksch, onoprecht; — verb. schuin of scheef staan; schuin afmarcheeren: — angle = scheeve (stompe of scherpe) hoek; — case = verbogen naamval; — dealings = indirecte of slinksche manier van doen; — plane = hellend vlak; — speech = indirecte rede; —ness = Obliquity (əblikwiti) = scheeve richting, afwijking, onregelmatigheid, onoprechtheid, verkeerdheid.

Obliterate, əblitəreit, uitwisschen, doorhalen, onbruikbaar maken (postzegels), vernietigen: —d pulse = uiterst zwakke pols; Obliteriation = uitwissching, etc. onduidelijkheid; adj. Obliterative.

Oblivion, əblivj’n, vergetelheid, achteloosheid: Act of — = amnestie; To bury in —; To pass into —; Oblivious: — of a thing = iets vergetend; subst. —ness.

Oblong, obloŋ, langwerpig; subst. rechthoek.

Obloquy, obləkwi, verwijt, laster, smaad: To cast — upon = belasteren; To fall into — = in kwaad gerucht komen; To lie under — = in kwaad gerucht staan.

Obnoxious, obnokšəs, onderhevig, blootgesteld; aanstootelijk, hatelijk, afkeurenswaardig, onbemind: He is — to me = ik mag hem niet zien; subst. —ness.

Oboe, oubôi, hobo; Oboist = hoboïst.

Obolus, obəlɐs, obolus (⅙ Drachma); penninkske.

Obreption, obrepš’n, insluiping, verschalking; Obreptitiously, obreptišəsli, tersluiks, op slinksche wijze.

O’Brien, əbraiən.

Obscene, obsîn, vuil, onkiesch, ontuchtig; subst. —ness = Obscenity, əbseniti, vuile woorden of daden, ontucht, onkieschheid.

Obscurant, əbskjûr’nt, duisterling, domper; Obscurantism = domperzucht; Obscurantist, dompersch; subst. domper.

Obscuration, obskjureiš’n, verduistering, etc; Obscure, əbskjûə, adj. duister, somber, nachtelijk, onbekend; nederig, onduidelijk; — verb. verduisteren, bewolken, verkleinen, verbergen, verlagen: He lives very —ly = teruggetrokken; —ness = Obscurity = duisternis, donkerheid, onduidelijkheid, onleesbaarheid, onbekendheid: To retire into — = zich uit het openbare leven terugtrekken; Obscurities = onbekende personen.

Obsecrate, obsikreit, smeeken, bidden; Obsecration = smeeking.

Obsequial, əbsîkwiəl, lijk …; Obsequies, obsikwiz, lijkstaatsie, plechtige begrafenis.

Obsequious, əbsîkwiəs, kruipend, onderdanig; subst. —ness.

Observable, əbzɐ̂vəb’l, waarneembaar, opmerkenswaardig; subst. —ness; Observance, əbzɐ̂vəns, waarneming, viering, inachtneming; regel, voorschrift, gebruik; Observant, əbzɐ̂v’nt, oplettend, gehoorzaam: He was — of his mother’s slightest wishes = lette op; To be — of forms = gesteld op vormen; Observation, obzəveiš’n, waarneming, opmerking, ervaring: To fall under a person’s — = onder iemands aandacht vallen; adj. —al; Observatory, əbzɐ̂vətəri, sterrenwacht; Observe, əbzɐ̂v, waarnemen, gadeslaan, opmerken, vieren, letten op, opnemen: They —d the sun’s altitude = zij waren bezig de zon te schieten; —r = waarnemer, etc.

Obsess, əbses, bezoeken, kwellen, drukken; —ion, obseš’n, het bezeten (bezocht, gekweld) zijn, obsessie.

Obsolescence, obsəles’ns, veroudering, atropie; Obsolescent = verouderend, in onbruik gerakend, rudimentair; Obsolete, obsəlît, verouderd, onontwikkeld; subst. —ness.

Obstacle, obstək’l, hindernis, beletsel: To put —s in the way.

Obstetric(al), əbstetrik(’l), verloskundig; Obstetrician, obstitriš’n, verloskundige, vroedvrouw; Obstetrics, əbstetriks, verloskunde.

Obstinacy, obstinəsi, koppigheid, hardnekkigheid; Obstinate, obstinit, hardnekkig, stijfhoofdig; subst. —ness.

Obstipation, obstipeiš’n, verstopping.

Obstreperous, obstrepərɐs, luidruchtig, woelig, rumoerig; subst. —ness.

Obstruct, əbstrɐkt, versperren, verstoppen, belemmeren, verhinderen; —er; —ion = belemmering, beletsel, verstopping; taktiek eener Parlementaire minderheid om door lange discussies of tallooze amendementen, etc. de behandeling van een wetsontwerp te vertragen; —ionist = iemand, die den voortgang op die wijze belemmert; —ive, adj. belemmerend, hinderlijk, verstoppend; ook subst. —ness = streven om te belemmeren, enz.; —or; Obstruent = hinderend, stoppend (middel).

Obtain, əbtein, verkrijgen, verwerven, behalen, nemen; bestaan, voortduren, heerschen, algemeen in gebruik (regel) zijn, behelzen: This custom —s in some of our cities = heerscht; In complexion, as the common reports —, she surpassed the lily and rose = naar luid van de algemeene berichten; This —s with most people = geldt voor; —able = verkrijgbaar, enz.; —er; —ment = verkrijging.

Obtrude, əbtrûd, (zich) opdringen, indringen, opdringerig zijn: He —d himself upon the company = drong zich op aan; —r; Obtrusion, əbtrûž’n, opdringing; Obtrusive, əbtrûsiv, opdringend, hinderlijk, opvallend; subst. —ness.

Obtund, əbtɐnd, stomp maken, verdooven; —ent = verdoovend middel.

Obtuse, əbtjûs, stomp, dom, dof: — angle = stompe hoek; subst. —ness; Obtusion, əbtjûž’n, verstomping, dof- of sufheid.

Obverse, obvɐ̂s, əbvɐ̂s, toegekeerd, de andere zijde betreffend; obvɐ̂s, subst. vóórzijde, keerzijde: The — and the reverse of a medal; There is an — to the coin = de penning heeft zijn keerzijde (fig.); Obversion = omkeering; Obvert = omkeeren.

Obviate, obvieit, voorkómen, verhoeden, uit den weg ruimen: The difficulty was —d = weggenomen; subst. Obviation.

Obvious, obviəs, duidelijk, klaarblijkelijk, in ’t oog springend: To be — (to the eye); To be — to all the world = voor iedereen duidelijk; subst. —ness.

O’Callaghan, əkaləh’n.

Occasion, okeiž’n, subst. gelegenheid, gunstig oogenblik, aanleiding, reden, behoefte, noodzakelijkheid; — verb. veroorzaken, aanleiding geven: By, Upon — = bij gelegenheid; On that — = bij die gelegenheid; On — = van tijd tot tijd, desnoods; To have — for = noodig hebben; You have no —! = geen dank! He has no — to be told such a thing = zoo iets behoeft men hem niet te zeggen; I had — to look the passage up = het was noodig, dat; There is no — for you = geen aanleiding; To give — = aanleiding geven; He improved the — = maakte zich de gelegenheid ten nutte; sprak een stichtelijk woord; He rode the — to death = hij maakte misbruik van; He rose to the — = hij bleek berekend voor zijn taak, hield zich flink = He was equal to the —; He took (the) — by the forelock = hij greep de gelegenheid aan; —al = toevallig, als de gelegenheid zich voordoet, gelegenheids..; subst. los arbeider: —al chair (—al table) = fantasie stoeltje (tafeltje); I see him —ally = zoo nu en dan ontmoet ik hem wel eens.

Occident, oksident, Westen; —al, oksident’l, westersch, westelijk; van mindere voortreffelijkheid (van edelgesteenten).

Occipital, oksipit’l, achterhoofds …; Occiput, oksipɐt, achterhoofd.

Occlude, oklûd, sluiten, stoppen, absorbeeren; subst. Occlusion, oklûž’n.

Occult, okɐlt, verborgen, geheim; — verb. verbergen, verduisteren; —ism = occultisme; —ness = verborgenheid.

Occupancy, okjupənsi, bezitneming, bezit; Occupant = bezitnemer, bezitter, bewoner, aanwezige; inzittende; Occupation, okjupeiš’n, bezetting, bezigheid, beroep, ambacht: By — = van beroep; Army of — = bezettingsleger; —-bridge = verbindingsbrug tusschen 2 door een spoorlijn gescheiden stukken land; —-road = particuliere weg; Occupier, okjupaiə = Occupant; Occupy, okjupai, bezetten, bezitten, innemen, vullen, bezighouden, aanstellen, gebruiken, bewonen, handelen.

Occur, okɐ̂, voorkomen, gebeuren, aantreffen, invallen, opkomen: It —s to me that more might have been done = het wil mij voorkomen; It didn’t — to me until it was too late = kwam eerst bij mij op; Occurrence, okɐr’ns, gebeurtenis, voorval.

Ocean, ouš’n, Oceaan; —ic, oušianik, oceaan.., buitengewoon groot; —ia, ousianiə, ousieiniə = de eil. v. de Stille Zuidzee; —ides, oušianidîz, Oceaniden; —us, ousîənɐs, Oceanus.

Ocellated, əselətid, osəleitid, met oogvormige punten of vlekken.

Ochlocracy, oklokrəsi, bestuur door het gepeupel; adj. Ochlocratic, okləkratik.

Ochre, oukə, oker, geeltje (gouden munt); — verb. met oker verven; —ous, oukriəs, okerachtig, oker bevattend = Ochrey, oukri.

O’clock, əklok: Five — = vijf uur; He knows what’s — = hij weet hoe laat het is, hij weet bescheid, is op de hoogte; The thing went off like one — = het ging van een leien dakje.

Octagon, oktəgon, achthoek; Octagonal = achthoekig.

Octahedral, oktəhîdr’l, oktəhedr’l, achtvlakkig.

Octangular, oktaŋgjulə, achthoekig.

Octant, okt’nt, octant; cirkelboog van 45o.

Octave, okteiv, oktəv, octaaf.

Octavia, okteiviə; Octavius, okteiviəs.

Octavo, okteivou, octavo: Large —.

October, oktoubə, October; soort sterk bier.

Octodecimo, oktoudesimou, 18o (18 bladen of 36 bladzijden in een vel).

Octogenarian, oktədžənêrj’n, subst. en adj. 80-jarig(e).

Octopod, oktəpod, achtpootig, ook subst. = Octopodan.

Octopus, oktoupəs, oktəpɐs, poliep met 8 armen.

Octosyllabic, oktəsilabik, achtlettergrepig; Octosyllable, oktəsiləb’l, oktəsiləb’l, woord van acht lettergrepen.

Octroi, oktrôi, octrooi, octrooibureau.

Octuple, oktjup’l, achtvoudig.

Ocular, okjulə, oog …, zichtbaar; subst. oculair: — witness = ooggetuige; Oculist, okjulist, oogarts.

Odalisk, Odalisque, oudəlisk, odalisk.

Odd, od, oneven, overblijvend, ongeveer, waaraan de (het) tweede ontbreekt, eenzaam, afgelegen, vreemd, raar: — boy = jongmaatje; The Independent Order of —-fellows = een genootschap tot aankweeking van onderlinge vriendschap en het verschaffen v. onderlinge hulp, opgericht in de 18de eeuw; — gloves = linker en rechter handschoen, die geen paar vormen; — hand = los werkman; — job = (los) karweitje; An — lot = rommeltje, zootje; — man = los werkman, invaller; An — kind of man = vreemde snuiter; The — man of the family = de eenige ongetrouwde; At — times = zoo nu en dan eens; The — trick (bij het whistspel) = trek boven de zes; I have an — volume of Chambers’ Cyclopaedia = ik heb een enkel deel (v. het geheele werk); A fortnight and — days = een dikke veertien dagen; Fifty — guilders = zoowat vijftig gulden; — or even = even of oneven; —s = ongelijkheid, verschil, ongelijke weddenschap of partij, voorgift, waarschijnlijkheid, voordeel, meerdere bekwaamheid, twist, strijd: —s and ends = afval, lappen, stukken en brokken; What is the —s? = wat zou het? It’s no —s = het heeft niets te beduiden; They are at —s = zij zijn het niet eens, hebben standjes; It is within the —s = er is kans op; The —s are that he will come = er bestaat veel kans; The —s are on his side (for him, in his favour) = het voordeel is aan zijn kant; It was long —s in point of strength = de krachten stonden lang niet gelijk; To face fearful —s = het hoofd bieden aan een groote overmacht; To give a person —s = iemand iets voorgeven; I have the —s of you = ik ben je de baas; They had all the —s of number and time on their side = alle voordeel van getal en tijd; To lay the long —s = een ongelijke weddenschap aangaan; To set at —s = tegen elkaar opstoken; To take the —s = de ongelijke weddenschap aannemen; —-conceited = grillig, fantastisch; —-looking = zonderling uitziend; —ity = zonderlingheid, grappigheid, vreemde sijs; —ments = overgebleven stukken en brokken; —ness = zonderlingheid.

Ode, oud, ode.

Odeon, Odeum, ədîon, ədîəm, Odeon, schouwburg-, of concertzaal.

Odious, oudjəs, hatelijk, afschuwelijk, leelijk; subst. —ness; Odium, oudj’m, haat, blaam, verdenking.

Odoacer, odəeisə.

Odometer, ədomətə, afstandsmeter (aan een rijtuig).

O’Donoghue, ədonəgjû.

Odontalgia, oudontaldžiə, tandpijn; Odontalgic = tandpijn - -; tandpijnmiddel; Odontic = tand …; tandmiddel; Odontology, oudontolədži, tandkunde.

Odoriferous, oudərifərɐs, geurig, welriekend; subst. —ness; Odorous, oudərɐs, geurig; subst. —ness; Odour, oudə, geur, reuk, roep, naam: In bad — = te slechter naam bekend; —less.

Odysseus, ədisiəs, ədisiûz; Odyssey, odisî, Odyssee; Oedipus, îdipɐs, edipɐs.

O’er, Zie Over.

Oesophageal, îsəfadžiəl, slokdarm …; Oesophagus, isofəgɐs, slokdarm.

Of, ov, van: He is — age = meerderjarig; Ten years — age = tien jaar oud; — an afternoon = op zekeren namiddag; Be — good cheer = wees vroolijk en hoopvol; He worked at this paper within a fortnight — his death = nog veertien dagen voor zijn dood; He went — himself = ging uit zich zelf; I have not seen much — you — late = je den laatsten tijd niet veel ontmoet; A time — all others = bovenal een tijd; He went there — a Sunday = op een Zondag; I like it — all things = ben er dol op; A man — ten thousand = uit duizenden; Blind — an eye = blind aan ’t ééne oog; Beware — the dog = wacht u voor; All — a heap = alles te zamen, op één hoop.

Off, of, adj., adv. en prep. weg, vandaan, ver, rechtsch; — verb. er uit snijden: Hands —! = afblijven! — with your hat! = je hoed af! — his bedroom = naast; — Dover = op de hoogte van; — duty = vrij van dienst; — the latch = niet in de klink; — the road = van den weg af; — the stage = achter de coulissen; How far is it —? = hoe ver is het? —-and-on = af en aan, op en neer; Neither — nor on = besluiteloos; I am —, gentlemen = Heeren, ik ga weg; To be badly (well) — = het slecht (goed) hebben; To be — one’s head = krankzinnig zijn; To be — one’s legs = vermoeid, slecht ter been zijn, van de been zijn; He came — with a slight wound = ontkwam met; When will the concert come —? = plaatshebben; To dine — the joint = een eenvoudig maal gebruiken met een stuk vleesch waar men zelf afsnijdt; To go — = weggaan, zich in beweging zetten, verdwijnen, sterven: My ball went in — the red = verliep op (Bilj.); He would not let me — sixpence = geen schelling minder geven; I’ll let you — if it’s Van Houten’s Cocoa = je krijgt geen straf als het is; To put — = uitstellen, uittrekken, afzetten; To take — = wegnemen, afzetten (amputeeren), uittrekken (van kleeren): You have taken — his features admirably = merkwaardig goed uitgedrukt; He has a talent for taking — a person’s peculiarities = iemands eigenaardigheden na te bootsen; He took himself — = ging er vandoor; — with you! = maak dat je weg komt; We have a day —, an —-day to-morrow = een vrijen dag; The governor allowed me four days — = vrije dagen; —-chance = kans, uitzicht; —-colour = verbleekt, niet in orde: The diamonds were a little yellow, —-coloured as they say at Kimberley = met gele tint; I do not like his —-hand manner = korte, hooghartige manier; An —-hand shot = een schot uit de vrije hand; To sell —-hand = uit de hand; I killed the animal —-hand = op slag; He recited the poem —-hand = voor de vuist weg; —-handed = —-hand; —-horse = vandehandsche paard; —-licence = “vergunning”, mits de drank niet in het lokaal gedronken wordt; —-load = afladen; —-print = overdrukje; —-reckoning = op het traktement (van militairen) gekort geld; We journeyed for several hours without —-saddling = zonder uit den zadel te komen; —-scouring = afschraapsel, uitvaagsel; —-scum = schuim of uitvaagsel, droesem; London in the —-Season = als het Season over is (Zie Season); —-set, subst. tegenrekening; uitlooper (van bergen), spruit (uit den wortel); — verb. met een tegenrekening voldoen, voorzien in, opwegen tegen: The decrease was —-set by such means; —-shoot = tak (uit den stam); —-spring = kroost, kinderen, spruit, voortbrengsel; —-street = zijstraat; —-time = vrije tijd; —-white = met gelige tint; —ing = deel der zee meer dan halfweg van kust tot horizon; We gained (took) the —ing = wij kwamen in (kozen) volle zee; The steamer stood to the —ing = hield zeewaarts aan; —ish = op een afstand (fig.): On and —ish = nu eens wat beter, dan weer minder; —ward = van de kust afhoudend.

Offal, ofəl, afval, uitschot; adj. waardeloos.

Offence, əfens, beleediging, ergernis, aanval, overtreding: No — = neem me niet kwalijk; You gave — last night = gij gaaft aanstoot, waart beleedigend; To take — at = aanstoot nemen, kwalijk nemen; He takes — very easily = is zeer licht geraakt; Offend, əfend, beleedigen, aanstoot geven, overtreden, schenden, zondigen: He has —ed against the laws of the country = heeft geschonden; He was —ed at it = hij was er over geraakt; —er = beleediger, overtreder, zondaar; Offensive, əfensiv, aanvallend, beleedigend, aanstootelijk, onaangenaam, walgelijk: — and defensive alliance = offensief en defensief verbond; An — smell = walgelijke lucht; He stood on the — = ging aanvallend te werk; subst. —ness.

Offer, ofə, subst. aanbod, aanbieding, voorstel, bod, poging; — verb. aanbieden, offeren, opofferen, bieden, bereid zijn, toevoegen, aandoen, opperen, beproeven, trachten: On — = verkrijgbaar; He made no — to break prison = deed geene poging om uit te breken; To — a stubborn resistance to = hardnekkig weerstand bieden; To — violence = aanvallen; I’ll — to do it if you go me halves = ik ben bereid het te doen als gij half meebetaalt; He never —ed to pay = maakte volstrekt geen aanstalten, mine; He did not — to run away from us = trachtte niet; Many of the prisoners were —ed up by the savages = als offers gedood; —er; —ing = aanbieding, offer(ande); Offertory, ofətəri, offertorium (deel der Mis); offerbus = —-box (—-plate).

Office, ofis, subst. ambt, dienst, bezigheid, functie, plicht, eeredienst, kantoor, bureau, dienstbodenkamer; —s = bijgebouwen; liefdediensten, voorgeschreven gebeden; To be in — = aan het bestuur zijn; To come (get) into an — = een ambt aanvaarden; He gave (tipped) me the — = gaf me een heimelijken wenk, gaf me een tip (sport); To fulfil (perform) the last mournful — = den laatsten droevigen plicht; To leave (retire from) — = aftreden; To take — = een portefeuille, een hoog staatsambt aanvaarden; The Colonial — = het Min. van Koloniën; Holy — = Inquisitie; The Home — = Min. van Binnenl. Zaken; —-badge = insigne; —-bearer = bedienaar van een ambt; —-boy = loopjongen; —-clerk = bediende; —-hour = kantooruur; —-hunter = baantjesjager = —-seeker.

Officer, ofisə, subst. officier (= Military —); dienaar, ambtenaar, beambte, politieagent; — verb. van officieren voorzien, aanvoeren: The —s of the court = griffier en klerken; Custom-house —s = kommiezen; A commissioned — = officier door den koning by Commission (= officierspatent) aangesteld; Non-Commissioned — = onderofficier; Superior — = vlagofficier; Warrant — = uit het korps onderofficieren by Warrant aangestelde officier, als kapelmeester, etc. ongeveer overeenkomend met onze Indische onderluitenants; The army was well —ed = werd goed aangevoerd.

Official, əfiš’l, subst. ambtenaar; adj. ambtelijk, officiëel, ambts …; — duties = ambtsbezigheden; — Gazette = staatscourant; — receiver = curator in een faillissement; The —s = beambten; officiëele berichten; —dom = bureaucratie: The Language of —dom; Officiate, əfišeit, een ambt bekleeden; de godsdienstoefening leiden, officiëeren; Officious, əfišəs, officieus; gedienstig, Úvergedienstig, bemoeiziek; subst.; —ness.

Officinal, əfisin’l, ofisain’l: — plants = geneeskrachtige planten.

Oft, oft, dikwijls: Many a time and — = herhaaldelijk; Often, of’n, vaak, oftən, dikwijls; —ness = herhaaldelijkheid; —times = dikwijls = Ofttimes.

Ogee, ədžî, ojief.

Ogilvie, oug’lvi.

Ogive, oudžaiv, ədžaiv, oudživ, spitsboog.

Ogle, oug’l, subst. wenk, lonk; — verb. toelonken; —r.

Ogre, ougə, weerwolf, boeman; Ogr(e)ish, oug(ə)riš, boemanachtig; vr. Ogress, ougrəs.

Oh, ou, Och! Ach!

Ohio, əhaiou; —an = (bewoner) van O.

Ohm, oum, Ohm (electr.).

Oil, ôil, subst. olie; — verb. olieën, smeren, olieachtig worden: Boiled — = lijnolie; Salad (Table) —; Sweet — = olijfolie; — of roses; To burn the midnight — = tot laat in den nacht studeeren; To go to — = smelten; To pour — on troubled waters = olie op de golven gieten (fig.); To strike — = eene petroleumbron ontdekken; een gelukje hebben; That is like throwing — into the fire = dat is olie in het vuur (fig.); —-bag = vetklier; —-cake = lijnkoek, raapkoek; —-cloth = wasdoek; zeil; —-colour = olieverf (dikwijls —-colours of —s: A good portrait in —s = een goed portret in olieverf); —-cooking (—-heating) stove = petroleumstel (kachel); —-crusher = olieslager; —-lamp; He is in the — and colour line = hij doet in olieën en verfwaren; —man = oliehandelaar = —-merchant; —-mill = oliemolen; —-painting = het schilderen (of eene schilderij) in olieverf; —-press; —-seed; — shale = laag; —-skin = gewaste taf; oliejas; —stone = oliesteen; —-well = olie- of petroleumbron; To — (the hand of) a person = de handen smeren (fig.); She has a well —ed tongue = een gladde tong; —er = smeerder, oliekan; oliejas; —iness, subst. v. —y = als olie, goed gesmeerd, zalvend, glad.

Oillet(te), ôilət, oog (plantk.); schietgat.

Ointment, ôintm’nt, zalf.

O.K., oukei, in orde, klaar, flink: He is — and you had better give him no sauce = een flinke vent (verkorting van Ol Krekt, verbasterd uit all correct), en je moet maar niet brutaal tegen hem wezen.

Okapi, oukâpi, okapi.

Old, ould, oud, vroeger, gewoon, glad, slim: From — = van ouds; From — time = van oudsher; As in days of — = als in vroeger dagen; We have had a gay — time of it = ouderwets plezier gehad; Let’s talk over Boniface and — times = de dagen van weleer; — age = oude dag, hooge leeftijd; The — Country = Engeland; — file = gierigaard; — gentleman (— gooseberry, — Harry, — Nick) = de duivel; He is an — hand = slimme rot; ex-boef; — maid = oude vrijster; — man = ouwe heer, oude jongen, oudje; “den Ouwe” = kapitein; — rye = whiskey; — salt = bevaren matroos; — Tom = sterke jenever; —-beaten = beproefd; —-clothes-man = oudskleer; —-established = oud; —-fangled, —-fashioned = ouderwetsch; subst. —-fashionedness; —-maid = maagdepalm; His —-world ideas = zijne ouderwetsche denkbeelden; —en, adj. voormalig; — verb. verouderen, oud maken; In —en time = in vroeger dagen; —ish = oudachtig; —ness = oudheid; —ster = bejaard heer, ouder lid, midshipman van ’t vierde jaar.

Oldham, ould’m; Oldys, ouldis, ouldz.

Oleaginous, ouliadžinɐs, olieachtig; zalvend.

Oleander, ouliandə, oleander.

Oleograph, ouliəgraf, oleographie.

Oleomargarine, ouliəmâgərîn, kunstboter.

Oleraceous, oləreišəs: — plants = groenten.

Olfactory, olfaktəri, reuk …: — nerves = reukzenuwen; Olfactories = reukorganen, neus.

Oligarch, oligâk, lid van eene oligarchie; —ic(al), oligâkik(’l), oligarchisch; Oligarchy = oligarchie.

Olio, ouliou, ouljou, mengelmoes, potpourri, soort haché.

Oliphant, olif’nt.

Olivaceous, oliveišəs, olijfkleurig; Olivary, oliv’ri, olijfvormig; Olive, oliv, subst. olijf, olijfgroen; adj. olijf …: The Mount of —s = De Olijfberg; —-branch = olijftak (ook fig.), kind (Ps. CXXVIII, 3); —-oil = olijfolie; —-tree; —-yard = olijfberg.

Oliver, olivə: To give a Ro(w)land for an — = met gelijke munt betalen; Olivia, əlivjə.

Olivet, olivət, oliviënkorrel.

Olla, olə, aarden kruik, poreuze kruik: — podrida, pədrîdə, Spaansche schotel (fijn gehakt vleesch in groenten gestoofd). Zie Olio.

Olmsted, omstəd, ɐmstəd.

Olympia, əlimpiə; Olympiad = Olympiade; Olympian = Olympisch, hemelsch; Olympiër; Olympic = Olympisch: — games = O. spelen = —s.

Omasum, əmeis’m, boekpens, bladmaag.

Omber, Ombre, ombə, omberspel.

Ombrometer, ombromətə, regenmeter.

Omega, əmegə, əmîgə, ouməgə, omega, einde.

Omelet(te), oməlet, eierstruif: One cannot make —s without breaking eggs = zonder moeite (opoffering) heeft men niets.

Omen, oum’n, subst. voorteeken; — verb. vóórbeteekenen, aankondigen; Ominous, ominɐs, onheilspellend; subst. —ness.

Omissible, əmisib’l, weglaatbaar; Omission, əmiš’n, weglating, verzuim: This is a fault of — rather than of commission = de fout bestaat meer in de weglating dan in een bepaalde onjuistheid; Omissive = verzuimend, weglatend; Omit = nalaten, weglaten, verzuimen; Omittance: — is no quittance = uitstel is geen afstel.

Omnibus, omnibɐs, omnibus; hulpkellner; —-bill = wetsvoorstel omtrent allerlei verschillende zaken (Am.); —-box = loge avant-scène; —-conductor; —-driver.

Omnipotence, omnipətens, almacht; adj. Omnipotent.

Omniprescence, omniprez’ns, alomtegenwoordigheid; adj. Omnipresent.

Omniscience, omnišəns; alwetendheid; adj. Omniscient.

Omnium-gatherum, omniəmgadhərɐm, allegaartje.

Omnivorous, omnivərɐs, allesetend, alverslindend.

Omoplate, ouməpleit, oməpleit, schouderblad.

Omphalocele, omfələsîl, navelbreuk.

On, on, op, van, naar, tot, te: To be — = in behandeling (rechtszaak) zijn, aan den gang zijn, aan beurt zijn; dronken zijn; To get — = aantrekken; To go — one’s way = voortgaan, zijns weegs gaan; To have — = aanhebben; We left cards — them = gaven onze kaartjes af; The policeman’s “Move —, please” = “doorloopen asjeblieft”; To place — one side = links laten liggen; — account of = wegens; — an average = gemiddeld; — condition = onder voorwaarde; — the contrary = integendeel; — fire = in brand; — foot = te voet; — the one hand, the other hand = eenerzijds, anderzijds; — all hands = van alle kanten; — high = omhoog; — horseback = te paard; — pain of death = op straffe des doods; — purpose = opzettelijk; — the quiet (— the sly) = in stilte, (stiekum); — this side = aan dezen kant; — a sudden = plotseling; Swallows — the wing = vliegende zwaluwen; And so — = enzoovoort; —-come = aanval; —-comer = naderend persoon; —-coming, onkɐmiŋ, naderend, aanstaand; subst. nadering; —-going, on-gouiŋ, voortgang; —-goings = Goings-on; —-looker = toeschouwer.

Onager, onəgə, onədžə, wilde ezel.

Onanism, ounənizm, zelfbevlekking; Onanist.

Once, wɐns, eenmaal, eens: When the war is — over = goed en wel over is; Do it at — = dadelijk; He was at — my friend and colleague = tegelijk; — again = nog eenmaal; — and again = nu en dan (zelden); — for all = eens en voor al; — more = nog eens; — in a while = nu en dan, zelden; — upon a time there was = er was er eens; For this — = voor dezen enkelen keer; For — (in a way) = bij uitzondering, wel eens enkel; Never — = niet eenmaal; That — = voor dien keer; (When) — = zoodra, toen eenmaal; — a freemason, always a freemason = eens maçon altijd maçon; — is no custom = eenmaal is geenmaal.

One, wɐn, subst. zeker iemand, éénheid; adj. een, enkel, ongedeeld, men, zekere: — and none is all — = eenmaal is geenmaal; — day = op zekeren dag; — Williams = een zekere W.; — more = nog een; He is the — person who hates it = juist de man; — with another = door elkaar genomen; — way and another = alles te zamen genomen, wel beschouwd; — in a hundred = uit; I for — = ik voor mij; — and all = allen te zamen; All in — = uit één stuk; It’s all — to me = ’t is mij hetzelfde; To be at — = verzoend zijn; To be at — (with) = het eens zijn; I was within — of missing the scene = het was er “an toe”, of ik had het tooneel gemist, niet gezien; To be — and — = één zijn; We shall have to place this on — side = ter zijde moeten zetten, links moeten laten liggen; My little —(s) = kleintje (kindertjes); The great —s of this world = de grooten; The duck and her young —s = de eend en hare jongen; —-armed = éénarmig; —-eyed; That is a —-horse affair (show) = dat is een onbeteekend zaakje, armoedig spulletje; —-legged; Your —-sided views = eenzijdige, partijdige, bekrompen beschouwingen; —-sidedness = eenzijdigheid; —-storied = van één verdieping; —r = een echte, je ware, een kraan; shilling; —ness = éénheid, identiteit.

O’Neary, ənîri; Oneida, ənaidə.

Onerous, onərɐs, zwaar drukkend.

Onion, ɐnj’n, ui; kop; — verb. inwrijven met een ui: To weep with an — = krokodillentranen schreien; —-peel, —-sauce; adj. —y.

Only, ounli, alleen, éénig, enkel, behalve: — bill = solawissel; — for = zonder; — see = kijk eens; — think = denk eens aan; — yesterday = gister nog, pas (eerst) gisteren.

Onomatopoeia, onomətəpîjə, onəmatəpîjə, klanknabootsend woord, klanknabootsing door woorden; Onomatopoeic(al); Onomatopoetic(al) = klanknabootsend.

Onrush, onrɐš, hevige aanval.

Onset, onset, aanval, storm: To give (make) the — = aangrijpen, aanvallen.

Onslaught, onslôt, woedende aanval.

Onslow, onzlou; Ontario, ontêriou: Lake —.

Ontology, ontolədži, ontologie, leer van de algemeene eigenschappen der dingen.

Onus, ounəs, bewijslast = — probandi, — prəbandai.

Onward, onwəd, vooruit, naar voren; voorwaartsch = —s.

Onyx, oniks, ouniks, onyx.

Oof, ûf, geld, “duiten” of centen = —tish.

Ooze, ûz, subst. zachte modder, slijk; — verb. (uit)sijpelen, zacht vloeien, (uit)lekken (out); Oozy = modderig: To be — with = druipen van.

Opacity, əpasiti, ondoorschijnendheid, onduidelijkheid, domheid; ondoorschijnend iets.

Opal, oup’l opaal; —esce, oupəles, kleuren spelen of verspreiden (als een opaal); —escence = schittering van kleuren; adj. —escent; —ine, oupəl(a)in, opaalachtig.

Opaque, əpeik, ondoorzichtig, onduidelijk, dom.

Open, oupən, open, blootgesteld, openbaar, bekend, vrij, onbezet, duidelijk, royaal, openhartig, edelmoedig, ontvankelijk; — subst. open ruimte, vrije veld, open lucht, open zee; — verb. openen, openslaan, uitspreiden, bekend maken, ontdekken, uitleggen, ontvankelijk maken, bevrijden, opengaan, uitkomen op, open staan, beginnen, aanslaan (van jachthonden) op het zien of ruiken van wild: It is — to criticism = onderhevig; He is — to entreaties = toegankelijk voor; It is — to him = staat hem vrij; An — carriage; — field = vrij; — place = niet versterkte; — river = ijsvrije; — sea; To cut — = opensnijden; To lay — = openleggen, blootleggen; To lie — = blootgesteld zijn; To set (throw) —; To sleep in the — = onder den blooten hemel; To — the ball = het bal openen, beginnen, voorop zijn, den strijd beginnen; To — a battle; To — a business, a house = eene zaak oprichten; They —ed their fire upon the town; To — one’s mind (oneself) to = zich uitstorten voor; To — a railway = in exploitatie brengen; To — an umbrella over a person; The door —s into a passage = komt uit op; The street —s out of Regent Circus = gaat uit van R. C.; —-air meetings; —-eyed = waakzaam; —-handed = royaal; subst. —-handedness; —-hearted; subst. —-heartedness; —-mouthed = met open mond (ook fig.); vraatzuchtig, schreeuwerig; —-work = opengewerkt iets; —er; —ing = opening, begin, kans, gelegenheid; ook adj.: Men become Tories or Whigs, partly by principle, partly as —ings come = afhankelijk van de voordeelen of kansen, die zich aanbieden; Mr. M. has an —ing for an apprentice = kan plaatsen; —ing ceremony = openingsplechtigheid; —ly = openlijk; —ness = het open zijn, openhartigheid, mildheid.

Opera, opərə, opera: —-bouffe = opera comique; —-cloak = sortie; —-dancer = balletdanser(es) = —-girl; —-glass = tooneelkijker; —-hat = klak; —-house = opera(gebouw); —-singer; Operatic = tot eene opera behoorende, opera …

Operate, opereit, bewerken, teweegbrengen, uitwerken, opereeren, drijven, uitvoeren, exploiteeren: To — upon = bewerken, opereeren; Operating: — expenses = bedrijfskosten; —-room = operatiezaal; —-table = operatietafel; Operation, opəreiš’n, werking, uitwerking, handeling, operatie (in de verschillende beteekenissen), reeks v. militaire bewegingen (mv.): To perform an — = een operatie doen; Line of —s = operatielinie; First year’s —s = resultaten; Operative, opərətiv, subst. werkman, handwerker; adj. werkdadig, werkend, in exploitatie, operatief; Operator, opəreitə, werker, operateur, tandarts, telegrafist, beursspeculant.

Operculum, əpɐ̂kjəl’m, deksel.

Operetta, opəreta, operette.

Operose, opərous, bedrijvig, vermoeiend, zwaar: subst. —ness.

Ophelia, əfîljə.

Ophidian, əfidiən, slangachtig; subst. slang; Ophidium, əfidj’m, slangevisch; Ophites, ofaits, slangendienaars, een godsd. secte.

Ophthalmia, of-thalmiə, oogontsteking; Ophthalmic, oog …; subst. oogmiddel: — hospital, — infirmary; Ophthalmology = oogheelkunde; Ophthalmoscope, of-thalməskoup, oogspiegel; Ophthalmoscopy, of-thəlmoskəpi, of-thalməskoupi = onderzoek met den oogspiegel.

Opiate, oupiit, subst. en adj. slaapwekkend, pijnstillend, verdoovend (middel); — verb. (oupieit) in slaap maken, met opium vermengen.

Opine, əpain, denken, onderstellen.

Opinion, əpinj’n, meening, oordeel, gevoelen: — of counsel = rechtskundig advies; Public — = publieke meening; In my humble — = naar mijne bescheiden meening; To be of — = van meening zijn; I have no — of it = heb er geen hoogen dunk van; To injure a person in another person’s — = een ander een slecht idee geven van; Opinionated, əpinjəneitid, eigenzinnig, koppig = Opinionative, əpinjənətiv; Opinionist = stijfkop.

Opium, oupj’m, opium: —-eater = ‘pen-name’ van Thomas De Quincey; —-smoker = opiumschuiver; —-smoking den = opiumkit.

Opossum, əposəm, opossum.

Oppidan, opidən, uitwonend leerling (van Eton College).

Opponent, əpoun’nt, subst. tegenstander, tegenstrever; adj. tegenstrijdend, tegenwerkend, opponeerend.

Opportune, opətjûn, gelegen, geschikt, juist van pas, tijdig: He has proved it —ly = te juister tijd; subst. —ness; Opportunism, opətjûnizm, opətjunizm, opportunisme; Opportunist.

Opportunity, opətjûniti, gelegenheid, geschiktheid van tijd en omstandigheden: — makes the thief; To embrace (improve, seize, take) the — = aangrijpen; The book is a monument of exceptional opportunities = buitengewoon gunstige omstandigheden; He did not rise to the height of his opportunities = heeft er niet alles van gemaakt wat hij kon, is beneden zijn onderwerp gebleven; I will take an early — = de eerste gelegenheid aangrijpen.

Opposable, əpouzəb’l, weerlegbaar, bestrijdbaar; Oppose, əpouz, tegenstellen, weerstaan, opponeeren, bestrijden, dwarsboomen: They —d a stubborn resistance = boden hardnekkig weerstand; As —d to = tegenover; —r = mededinger, opponent; Opposite, opəzit, tegenover, tegengesteld, omgekeerd, vijandig, tegenstandig; subst. het tegenovergestelde, tegendeel: — the post-office, on the — side = tegenover het postkantoor, aan de overzijde; soms verb.: He declined either to support or to — the measure; subst. —ness; Opposition, opəziš’n, tegenstand, hindernis, oppositie: To act in — to = handelen in strijd met, weerstreven; To make — to = protesteeren; In spite of — = trots tegenstand; —ist = lid van de oppositie.

Oppress, əpres, (onder)drukken, zwaar liggen op; —ion, əpreš’n, onderdrukking, ellende, (afge)matheid, gevoel v. beklemming; —ive = onderdrukkend, zwaar drukkend; subst. —iveness; —or = tyran.

Opprobrious, əproubriəs, verachtelijk, schandelijk; subst. —ness; Opprobrium, əproubriəm, schande, smaad, eerloosheid.

Oppugn, əpjûn, bestrijden, weerstaan; —ancy, əpɐgn’nsi, tegenstand, strijd.

Optative, optətiv, opteitiv, wenschend; subst. optatief; — mood = de wijze (v. een werkw.), die een wensch uitdrukt.

Optic, optik, gezichts …: — nerves = gezichtszenuwen; Optical delusion = gezichtsbedrog; Optician, optiš’n, gezichtkundige, optisch instrumentmaker; Optics = optica, oogen.

Optimates, optimeitîz, de aanzienlijken; Optime, optimî, een kandidaat, die bij de Triposes of Honours Examinations voor den B.A. graad te Cambridge, onmiddellijk volgt op den Wrangler.

Optimism, optimizm, optimisme; Optimist, subst. optimist; adj. optimistisch = Optimistic.

Option, opš’n, recht of vrijheid van kiezen, keus, voorkeur: At — = naar verkiezing; To leave a thing to (in) a person’s — = aan iemands keus laten; —al = van de keus afhangend, vrij in de keuze, facultatief: It is —al with you = het staat u vrij.

Opulence, opjulens, rijkdom, weelde, overvloed; adj. Opulent.

Opus, o(u)pəs (Mv. Opera, opərə), werk (muziek); Opuscule, əpɐskjul, klein werk of geschrift.

Or, ö, eer, of: Either this — the other.

Orach(e), oratš, melde (plant).

Oracle, orək’l, subst. orakel, godsspraak: He has worked the — = hij heeft door list en bedrog zijne zaak gewonnen, het zaakje listig overlegd; Oracular, ərakjulə, orakeltaal sprekend, duister, dubbelzinnig, gewichtig; subst. Oracularity = —ness.

Oral, ôr’l, mondeling, mond …: — examination; —ly.

Orale, əreilî, pauselijke hoofdsluier.

Oran, ərân.

Orange, orinž, subst. en adj. sinaasappel, oranje(kleurig); —-blossom = oranjebloesem; —-man = koopman in sinaasappelen; —man = spotnaam voor Iersche protestanten (17de eeuw); Orangist, d.i. lid van eene geheime polit. protest, vereeniging in Ierland (1795); —-musk = muskaatpeer; —-peel = oranjeschil: Candied —-peel = snippers; —-woman; The — Free State = The — River Sovereignty; —ade, orəndžeid, orangeade; —ry, orənž’ri, oranjerie.

Orang-outang, əraŋûtaŋ, orang-oetang.

Oration, əreišn, redevoering; Orator, orətə, redenaar; Oratoric(al) = welsprekend, rhetorisch; Oratorio, orətôriou, oratorium (muz.); huiskapel; Oratorize, orətəraiz, eene redevoering houden; Oratory, orətəri, welsprekendheid; huiskapel: Priests of the — = leden van het Oratorium, een geestel. congregatie.

Orb, öb, bol, oog(appel), omloop, kringloop, rad, bol; — verb. omringen, een kring vormen, zich in een kring bewegen; —ed = rond, cirkelvormig, volkomen = —icular, öbikjulə = —iculate, öbikjulit; Orbit, öbit, oogkas; baan (van een hemellichaam); —al = tot een baan of oogkas behoorende.

Orcades, ökədîz, Orcaden = Orkney Islands; adj. Orcadian, ökeidj’n.

Orchanet, ökənet, ossetong (plant).

Orchard, ötšəd, boomgaard; —ing = ooftbouw; —ist.

Orchestra, ökəstrə, orkest: String — = strijkorkest; Orchestral, əkestr’l, ökəstrəl: The — score = orkestpartituur; Orchestrate, ökəstreit, arrangeeren voor orkest; Orchestration, ökəstreiš’n, het arrangeeren v. muziek voor orkest.

Orchid, ökid, orchidee; —aceous, ökideišəs, tot de orde der orchideeën behoorende; Orchis, ökis, orchis.

Ordain, ödein, instellen, voorschrijven, beschikken, ordineeren, bevestigen of wijden (in kerkelijke ambten); —er; —ment.

Ordeal, ödiəl, ödîl, ödîəl, godsgericht, vuurproef (fig.): — by fire, by water = vuur-, waterproef.

Order, ödə, subst. orde, schikking, methode, toegangsbewijs, reglement, rang, bouworde; — verb. ordenen, regelen, inrichten, leiden, verordenen, voorschrijven, bestellen, bevelen: Standing —s = reglement van orde; By — = volgens verordening, op bevel; By — of = op bevel van; In — = volgens ’t reglement van orde; In — that = opdat; In — to = om, ten einde; Not in — = buiten de orde = Out of — = in wanorde; Per — = volgens bestelling; To — = op bevel, op bestelling, naar maat; — of battle = slagorde; — of the day = agenda, dagorder, orde van den dag; I move to proceed with the — of the day = stel voor tot de orde van den dag over te gaan; Drunkenness was the — of the day = aan de orde van den dag; — in Council = Kon. Besl. na advies van de Privy Council; To be in good —; In holy —s, Zie Holy; The men were in full marching — = marschtenu; Everything was in working — = alles was klaar (zoodat men beginnen kon); The children were kept in — = stil gehouden; He cannot keep the boys in — = geen orde houden (Vergelijk: To impose good — on a class); To give an — = bevel geven; To give —s for = bestellingen; To be mentioned in general —s = eervol vermeld; He has taken —s with a view to restore — = hij heeft maatregelen genomen om de orde te herstellen; He took priest’s —s = hij werd gewijd als geestelijke; Take Mr. A’s — = vraag wat mijnheer A. zal gebruiken; I won’t be —ed about like that = laat me zoo niet commandeeren; The quack was —ed off by the police = werd gelast heen te gaan; To — out = wegsturen; To — up = boven laten komen; —-book = boek voor de bestellingen, orderboek (milit.); —-form = bestelbriefje; —-word = parool; —er; —ing = regeling, schikking; —ly, subst. ordonnans (Mounted —), hospitaalsoldaat, opzichter in eene ziekenafdeeling; straatveger (= Street—ly); adj. ordelijk, rustig, geregeld, kalm, in dienst; —ly-book = orderboek (mil.); —ly-man = ordonnans; —ly-officer = ordonnansofficier; —ly-room = bureau; —ly-sergeant = oudste onderofficier van eene compagnie.

Ordinal, ödin’l, rangschikkend; subst. rangsch. telwoord (= — number); missaal = Ordinale, ödineili.

Ordinance, ödin’ns, verordening, ritus.

Ordinary, ödinəri, gewoon, gevestigd, geijkt, middelmatig, alledaagsch, actief dienend, hof …; lijf …; buiten dienst gesteld; subst. gaarkeuken, table d’hôte in eene ouderwetsche herberg, maaltijd; rechter (vooral in geestelijke zaken): — debts = boekschulden; — seaman = licht matroos; In — = actief dienend, lijf …, hof …; buiten dienst gesteld (van schepen): Ambassador, professor in — = gewoon gezant, hoogleeraar; Chaplain in — to the Queen = hofkapelaan; Physician in — to the Queen = hofarts.

Ordinate, ödinit, geregeld, regelmatig; subst. ordinaat; — verb. ödineit, wijden (door den Bisschop); Ordination, ödineiš’n, wijding, bevestiging; verordening, raadsbesluit (fig.).

Ordnance, ödnəns, (groot) geschut: Piece of — = stuk geschut; (Army) — Department (tot 1855 Board of —) = departement voor artillerie en intendance; Director-General of (the) — = generaal-intendant; —-factory = geschutgieterij; —-map = stafkaart; — Survey = officieele triangulatie van Groot-Brit. en Ierland.

Ordure, ödjə, drek, vuil (ook fig.).

Ore, ö, erts; goud.

Oread, ôriəd, bergnimf.

Oregon, orəg’n; O’Reilly, əraili; O’Rell, ərel.

Organ, ög’n, orgaan, werktuig, orgel; — verb. op het orgel spelen: He thinks his owls are —s = hij denkt, dat zijne uilen valken zijn; To blow the —-bellows = orgeltrappen; To play the —; To preside at the — = het kerkorgel bespelen; —-blower = orgeltrapper; —-builder = orgelmaker; —-grinder = orgeldraaier; —-loft = orgelkoor; —-pipe; —-point; —-treader.

Organic, öganik, organisch, organiek, bewerktuigd: — bodies = dieren en planten; — chemistry; — disease = organisch gebrek of ziekte; — remains = organische overblijfselen; Organism, ögənizm, organisme; Organization, ögənizeiš’n, organisatie, bewerktuiging; Organize, ögənaiz, organiseeren, van organen voorzien.

Organzine, ög’nzîn, ketting(organsijn)-zijde.

Orgasm, ögəzm, geprikkelde toestand.

Orgiastic, ödziastik, als een orgie = Orgie, ödži, Bacchusfeest, drinkgelag, braspartij.

Orgy, ödži. Zie Orgie.

Oriana, örianə.

Oriel, ôriəl, erker, arkel (= — window); oudtijds een soort gallerij.

Orient, ôriənt, subst. Oosten; adj. opgaande, Oostersch, oostelijk, schitterend; — verb. ook ôrient, de ligging bepalen, zich orienteeren (= To — oneself): Pearl of — = van het schoonste water = — pearl; —al, örient’l, subst. Oosterling; adj. oostelijk, weelderig, kostbaar; —alism = Oostersche gewoonte of taal, kennis daarvan; —alist = Oosterling; kenner v. Oostersche talen, gewoonten, enz.; Orientalize = Oostersch maken (worden); Orientate = (zich) naar het Oosten wenden; Orientation = bepaling van het Oosten, oostelijke ligging, orienteering.

Orifice, orifis, opening, mond, gaatje: — of the stomach.

Origan, origən, marjolein.

Oriflamme, oriflam, oriflamme.

Origen, oridžen, Origenes, oridžinîz.

Origin, oridžin, begin, oorsprong, oorzaak; —al, əridžin’l, oorspronkelijk, eerst, nieuw, erf …; subst. oer-type, eerste exemplaar, oorspronkelijk stuk, excentriek persoon; —al sin (= eerste of) erfzonde; —ality = oorspronkelijkheid, etc.; —ate, əridžineit, voortbrengen, voortspruiten, voortkomen; —ation = oorsprong, begin, wijze van voortbrenging; —ator, oridžineitə, oorzaak, bewerker.

Orinoco, ourinoukou.

Oriole, ourioul, wielewaal.

Orion, əraiən, Orion.

Orison, oriz’n, oris’n, gebed.

Orizaba, ourithâbə.

Orkneys (The), dhiökniz, Orkadische eilanden; Orleans, öliənz, Orleans; soort van katoen, ook ölînz.

Orlop, ölop, overloop, verdek.

Ormolu, öməlu, öməlû, goudbrons.

Ornament, önəment, subst. sieraad, versiersel; — verb. önəment, tooien, versieren; —al, önəment’l, tot versiering dienend: —al art = ornementiek; —al painter = decoratieschilder; —ation = versiering; Ornate, önit, öneit, versierd, sierlijk; subst. —ness.

Ornithologist, önitholədžist vogelkenner; Ornithology, önitholədži, leer der vogels; Ornithomancy, ön(a)ithəmansi, önithəmɐnsi, vogelwichelarij.

Orographic(al), orəgrafik(’l), orographisch; Orography, ərogrəfi, orographie.

Orphan, öf’n, wees; adj. verweesd, ouderloos: —-boy; —-girl; Infant —-Asylum = —-hospital; —age, öfənidž, de staat van wees; weeshuis; —ed = ouderloos.

Orphean, öfîən, öfiən, v. Orpheus = Orpheus, öfjûs, öfiəs; Orphic, öfik, verweesd, mystiek, v. Orpheus; mysticus.

Orphrey, öfri, een rand v. goudborduursel, ook een rijk vergulde rand in metselwerk.

Orpiment, öpiment, operment, koningsgeel.

Orpin(e), öpin, smeerwortel, gele verfstof.

Orris, oris, Florentijnsche lisch; goud- of zilvergalon.

Ort, öt, brokje, afval; meest m.v.

Orthodox, öthədoks, rechtzinnig, Grieksch Katholiek, rechtgeaard, echt, ouderwetsch, soliede: — arm-chairs = soliede (ouderwetsche) leuningstoelen; An — pair of lovers = geliefden van den ouden stempel; — three-volume novels = ouderwetsche romans in 3 deelen; —y = rechtzinnigheid, rechtgeaardheid, echtheid.

Orthoepic(al), öthəepik(’l) tot de Orthoepy, (öthouəpi of öthə-ipi) of (de leer der) juiste uitspraak behoorende; Orthoepist, öthouəpist of öthə-ipist, uitspraakkundige.

Orthogon, öthəgon, rechthoek; adj. Orthogonal.

Orthographic(al), öthəgrafik(’l), orthographisch; Orthography, öthogrəfi, spellingsleer, juiste spelling.

Orthopaedic(al), öthəpîdik(’l), öthəpedik(’l), orthopaedisch; Orthopaedist, öthəpîdist, öthopidist, orthopaedisch dokter; Orthopaedy, öthəpidi, öthopədi, orthopaedie.

Ortolan, ötələn, ortolaan, tuinmeerle.

Osage, ousidž, əseidž; Osborne, ozbən.

Oscan, osk’n, Osker (oude Ital. volksstam).

Oscillate, osileit, slingeren, weifelen; subst. Oscillation; adj. Oscillatory.

Osculate, oskjuleit, osculeeren (mathem.); kussen; Osculation, osculatie; kus; Osculatory, oskjulətəri, subst. Christus of heiligenbeeltenis, die vroeger met de woorden “Vrede zij met u” te kussen werd gegeven; adj. kussend, aanrakend: — ceremony = ceremonie v. voet- of handkus; Oscule = kleine opening, zuigspriet.

O’Shaughnessy, əšônəsi; O’Shea, əšei.

Osier, oužə, kat-(bind)wilg; rijsje; witte kornoelje (Amer.): —-ait = klein eilandje; —-bed (—-holt) = wilgenboschje; —-bottle = mandflesch; —-twig; —-work = mandewerk.

Osiris, əsairis.

Osmium, ozmiəm; osmiəm, osmium.

Osmose, osmous, ozmous, osmose; adj. Osmotic.

Osmund, ozmənd, osmunda: — royal = koningsvaren.

Osnaburg, oznəbɐ̂g, osnəbɐ̂g, Osnabr¸ck; grof linnen.

Osprey, ospri, vischarend; aigrette.

Ossein, osi-in, beenderenweefsel.

Osselet, osəlet, beentje, sepia; Osseous = beenachtig, been..; Ossicle = beentje; Ossiferous, osifərɐs, beenderen bevattend; Ossification = beenvorming; Ossify = tot been worden, versteenen: Ossified system = verouderd, zéér oud; Ossuary = knekelhuis; urn.

Ostend, ostend.

Ostensibility, ostensibiliti, subst. v. Ostensible, ostensib’l, schijnbaar, oogenschijnlijk, duidelijk; Ostension = uitstelling van het allerheiligste; Ostensive = (duidelijk aantoonend; aanstellerig.

Ostent, ostent, aanblik, teeken, voorteeken; bluf; —ation = (praal)vertooning, vertoon, pracht; —atious, ost’nteišəs, praalziek, ijdel, opzichtig: subst. —ness.

Osteogenesy, ostiədženəsi, beenvorming; Osteography = beschrijving der beenderen; Osteology = leer der beenderen.

Ostler, oslə, stalknecht.

Ostracean, ostreiš’n, oesterachtig; subst. tweeschelpig weekdier, oester; Ostreaculture, ostriəkɐltjə, kunstmatige oesterteelt.

Ostracism, ostrəsizm, schervengerecht; verbanning, doodverklaring; Ostracize, ostrəsaiz, verbannen, doodverklaren.

Ostrich, ostritš, struisvogel: —-feather.

Ostrogoth, ostrəgoth, Oostgoot; Oswald, ozwəld; Oswego, oswîgou; Otaheite, outəhîti, Tahiti.

Otalgia, ətaldžiə, Otalgy, ətaldži, out’ldži, oorpijn.

Other, ɐdhə, ander(s), nog een: Each —, One an— = elkander; Have an— cigar = neem nog eene sigaar; The — day = onlangs; Every — day = om den anderen dag; The — morning = onlangs op een morgen; The — side = de linkerkant; —where = ergens anders; —wise = anders, op andere wijze: Much was said, both wise and —wise = zoowel verstandige als domme dingen; I am not —wise engaged = ik heb geene andere plannen, ben niet bezet; Not —wise than most welcome; It is —(wise) with him = met hem is ’t een ander geval: Rather than —wise = ’t liefst: I can do no — = niet anders; On that afternoon of all —s = nog wel op dien namiddag; Some person or — = de een of andere; —ness = verschil, het anders zijn.

Othman, othm’n; Otho, othou.

Otic, outik, oor …; subst. middel tegen oorpijn; Otitis, ətaitis, oorontsteking; Otology = leer van het oor; Otoscope, outəskoup, oorspiegel.

Ottar, otə. Zie Otto.

Ottava rima, otâvarîmə, couplet van acht regels, waarvan de zes eerste beurtelings en de twee laatste met elkander rijmen.

Otter, otə, otter; zeeotter; gele verfstof; —-dog.

Ottewa, otəwə.

Otto, otou, aromatische olie uit bloemen = Attar (of roses).

Ottoman, otəm’n, subst. Turk, ottomane (lage sofa); adj. Turksch: The — empire.

Otway, otwei.

Oubliette, ûbliet, subst. kerkerhol, valdeur.

Ouch, autš, in goud gevatte edelsteen.

Oudh, aud.

Ought, ôt, subst. iets: For — I know = voor zoover ik weet.

Ought, ôt, behooren: You — to know that = dat moest ge weten; You laughed at him? Then you — not = maar dat mocht je niet.

Ounce, auns, ons (12e van een pound Troy, en 16e van een pound avoirdupois): An — of help is better than a pound of preaching = de kleinste daad is beter dan veel gemoraliseer.

Ounce, auns, Amer. jaguar.

Our, auə, ons (bez. voorn. w.): A friend of —s = vriend van ons; He was of —s = hij behoorde tot ons regiment; —self = ons, mij, onszelf, mijzelf; —selves = ons, onszelven, mijzelf.

Ouse (The), dhîûz; Ousel(e)y, ûzli.

Ousel, ûz’l, meerle; beflijster.

Oust, aust, uit het bezit stooten; den voet lichten; —er = uitzetting, berooving.

Out, aut, uit, buiten, op de uitreis, bekend, publiek, ambteloos, buiten dienst, op, verbruikt, ledig, zonder werk, ten einde, boos, twistend, enz.; subst. afgetreden minister, partij, die niet meer aan ’t roer is; speler, die af is (meest meerv.); — verb. uitdrijven, een uitstapje maken, uiten: He is — and away the stronger of the two = verreweg; An — and excellent portrait = buitengewoon, uitstekend; —-and-— = door en door, voortreffelijk, onbegrensd, aarts - -; An —-and-— support of the government = steun door dik en dun; —-and-—er = kraan, iets buitengewoons, een opzichtig kleedingstuk; From this — I am a reformed man = van nu af aan; He said such things in season and — = te pas en te onpas; I am on my way — = op weg naar Indië; We are well — to sea now = zijn nu in (volle) zee; — there = daar ginder, in ’t buitenland; —-at-elbows (-heels) = met gaten in; An —-at-elbow place = vervallen; I am — of breath = buiten adem; He put me — of countenance = bracht me van mijn stuk; —-of-date = bij zijn tijd ten achter; —-of-door(s): —-of-door amusements = openluchtspel; — of favour = uit de gunst; —-of-fashion = uit de mode; — of the frying-pan into the fire = van den wal in de sloot; He died — of hand = onmiddellijk; — of harm’s way = in veiligheid; buiten schot; He is — of his head = krankzinnig; — of heart = moedeloos; I am — of all hope = ik heb volstrekt geene hoop meer; I never sleep — of hours = buiten de voor den slaap bestemde uren; — of sight, — of mind = uit het oog, uit het hart; Since time — of mind = sedert onheugelijken tijd; I am — of money = slecht bij kas; — of office = buiten betrekking; —-of-pocket expenses (fees) = noodzakelijke uitgaven (voorschotten); The book is — of print = uitverkocht; The rope was — of my reach = buiten mijn bereik; — of sorts = onwel, brommig; You are — of temper this morning = uit uw humeur, boos, landerig; I am — of my time = heb mijne leerjaren achter den rug; — of trim = onordelijk, niet in den haak; That is rather —-of-the-way = ongewoon; An —-of-the-way place = eene afgelegen plaats; — upon that fellow! = weg met; I am — = ik heb niet meer; ik ben in de war, boos; The jug (wine) is — = leeg (op); The murder, secret is — = ontdekt; Then the murder was — = toen had je de poppen aan het dansen; The time is — = om; You are completely — (of it) = ge hebt het glad mis; That is — of it = haalt er niet bij; He came — in the eighties = ging naar Indië tusschen 1880–1890; Hear me — = hoor mij ten einde toe; I paid him — of your money = van jou geld; I will sit — the concert = ik blijf zitten tot het concert uit is; With these words he ups and —s = na die woorden vliegt hij op en de deur uit; I hardly ever get an —ing = ik maak haast nooit een uitstapje; It was her last —ing = dat was de laatste maal, dat zij uitging; Summer-—ings = zomer-reisjes; —board = buiten boord; —bound = op de uitreis; —break = uitbarsting, oproer; —burst = uitbarsting; —cast = verworpeling; —come = resultaat; —crop = het voor den dag komen of gekomene; — verb. autkrop; —cry = geschreeuw; —door = buitendeur; —doors = buiten(deur); —fit = uitrusting; —fitter = leverancier van outfits; —growth = spruit, resultaat; —house = schuur, bijgebouw; —lander = vreemdeling; adj. —landish; —law = vogelvrij verklaarde, bandiet; — verb. vogelvrij verklaren; —lawry; —lay = onkosten; — verb. autlei, uitbreiden, uitgeven; —let = uitgang, uitweg, afvoerkanaal, -buis; —line = omtrek; — verb. schetsen, ontwerpen, zich afteekenen; —look = uitkijk, uitzicht, vooruitzicht: To be on the —look for = uitzien naar; —-parish = buitenparochie; —-patient = uitwonend patient (van hospitalen); —-poor = bedeelde; —-porch = portaal; —port = buitenhaven; —post = voorpost; —put = bedrag, opbrengst, productie; —putter = producent; —relief = bedeeling; —rider = voorrijder; —rigger = papegaaistok, loefhouder, buitenboord aangebrachte roeiklamp; boot daarvan voorzien; —right = open, zonder voorbehoud, dadelijk; —set = begin, aanvang; —-settlement = buitenkolonie; —skirt = zoom, buitenste grens; —span (ook autspan) = uitspannen, kampeeren (Z. Afr.); —spoken (ook autspouk’n) = ronduit, oprecht; subst. —spokenness; —work = buitenwerk (mil.); —er = buiten..; subst. —er garment; —er world; —(er)most = uiterste, buitenste; —ness = uiterlijkheid.

Out, aut (in samenst.) drukt dikwijls uit: overtreffen in de door het andere deel uitgedrukte handeling, b.v. —act = krachtiger handelen; —balance = zwaarder wegen; —bid = hooger bieden, overtreffen; — brag = overtreffen (in pochen); —brave = overtreffen (in glans of dapperheid); —-classed = totaal verslagen; —cry = overschreeuwen; —dare = trotseeren; —distance = achter zich laten; —do = overtreffen; —face = brutaliseeren, trotseeren, de oogen doen neerslaan; —farm = zich bekwamer boer toonen; —flank = overvleugelen; —fly = sneller vliegen dan; —frown = de oogen doen neerslaan; —general = overtreffen in veldheerschap; —-Gilfillan G. himself = zelfs in zijn soort G. overtreffen; —go = overtreffen, te buiten gaan; —grow = sneller groeien dan, te groot worden voor; —-Herod = in woestheid en wreedheid H. overtreffen; —last = langer duren dan; —leap = verder springen dan; —live = langer leven dan, overleven; —look = de oogen doen neerslaan; —manoeuvre, autmən(j)ûvə, verschalken; — march = harder marcheeren, vóórkomen; —number = in aantal overtreffen; —pace = voorbijstreven; —pray = in het smeeken overtreffen; —range = verder schieten, achter zich laten; —rank = hooger zijn in rang; —reach = verder reiken dan, overtreffen; —reign = langer regeeren dan: His queen —reigned him by five years; —ride = harder rijden, uitrijden (zeeterm); —roar = luider brullen dan; —royal = den koning of het hof in pracht overtreffen; —run = sneller loopen, ontloopen: To —run the constable = To —run one’s income = te groot leven; —sail = harder zeilen; —scold = harder schelden of tieren dan; —sell = meer verkoopen, of duurder verkoopen, dan; —shine = in luister en glans overtreffen; —sleep = langer slapen dan; —soar = hooger stijgen, overvleugelen; —speak = beter (langer) spreken dan; —speed = in snelheid overtreffen; —stand = uitsteken boven, uitstaan: —standing debts = uitstaande; —standing fact = in ’t oog springend, belangrijk feit; To leave —standing = laten staan; —stare = brutaliseeren, de oogen doen neerslaan; —stay = te lang blijven: He —stayed his welcome = wij waren blij, dat hij wegging; —step = overschrijden; —strip = voorbijloopen, overtreffen; —swear = in het vloeken overtreffen; —talk = in het praten winnen van, om verpraten: —top = uitsteken boven; —vie = overtreffen; —vote = bij stemming winnen van, overstemmen; —walk = in het wandelen overtreffen; —wear = langer duren dan, verslijten; —weigh = zwaarder wegen dan, te zwaar zijn voor; —wing = in het vliegen de baas zijn; —wit = verschalken, in slimheid overtreffen; —worth = in waarde te boven gaan.

Outrage, autreidž, gewelddaad, misdaad, vergrijp, aanranding, grove beleediging; Outrageous = gewelddadig, afschuwelijk, overdreven; subst. —ness.

Outram, ûtrəm.

Outside, autsaid, autsaid, subst. buitenkant, uiterlijk, plaats buiten op (een diligence), buitenpassagier, uiterste, dekblad; adj. buitenste, van buiten, buitenop; adv. buiten(op), aan den buitenkant, buitenboord, behalve: Twenty guilders at the (very) — = op zijn hoogst; Four —s (—-passengers) = vier passagiers buitenop; The — public = het buitenstaand (fig.) publiek; —r = oningewijde, iemand die er buiten staat, renpaard van onbekende herkomst, of dat oogenschijnlijk geen kans heeft; iemand, die tegen den bookmaker wedt.

Outward, autwəd, adv. en adj. uitwendig, (van) buiten: To clear — = een schip uitklaren; — angle = buitenhoek; —-bound = op de uitreis; — passage = heenreis; — trade = uitvoerhandel; I have never been —ly a worshipper = ben nooit een kerkganger geweest; —ness = uiterlijkheid, objectiviteit, oppervlakkigheid; —s = buitenwaarts.

Ouzel, ûz’l, Zie Ousel.

Oval, ouv’l, ovaal, eirond; subst. ovaal: The — = een bekend cricket-veld in Kennington (London); — compasses.

Ovarian, əvêriən, tot den eierstok behoorende, eierstok …; Ovariotomy; Ovary = eierstok, vruchtbeginsel.

Ovate, ouvit, eivormig; —-oblong = langwerpig ovaal.

Ovation, əveiš’n, hulde, ovatie.

Oven, ɐv’n, oven, kooktoestel; —-fork = ovengaffel.

Over, ouvə, prep. en adv. over, boven, voorbij; subst. overschot; — verb. springen over: The concert is — = uit; The flowers were — = bloeiden niet meer; The rain is —; When school is — the children go home; — and above what I have told you = buiten en behalve; I told him so — and — = herhaaldelijk; — and — again = tot vervelens toe; — against = tegenover; — there = daar ginds; I told you so ten times — = tienmaal achter elkander; He is a gentleman all — = een volmaakt gentleman; It is all — (up) with me = met mij gedaan; It’s well — = goed afgeloopen; I went all — the town = ik ben overal in de stad geweest; — the walnuts and the wine = aan het dessert; I live — the way = hier tegenover; He is — head and ears in debt = tot over de ooren; He fell head — ears into the water = hals over kop; The pot boils — = kookt over; We discussed our affairs — a glass of wine = bij; I have given — doing it = opgegeven, gestaakt; I lost it — a bet = bij een weddenschap; Many advertisements must be kept — = tot een volgend nummer uitgesteld; Published — my name = onder; What remains — = overblijft; To sit — the fire = bij den haard; I will sleep — it = mij er op beslapen; She will not stay — the week = blijft niet langer dan een week; He took (showed) me — his picture-gallery = liet mij zien; We talked — the matter = bepraatten de zaak; — difficult = te moeielijk; She is not — particular = zij neemt het niet zoo nauw; — young = wat al te jong; —abound = buitengewoon of al te overvloedig zijn, overvloed hebben; adj. —abundant; —act = overdrijven; —alls, ouvərôlz, dunne, waterdichte broek ter besparing van de andere bij werken of rijden; morskiel (—jurk); —arch = overwelven, verwulven, omvatten; —awe = ontzag inboezemen, in ontzag houden; —balance, ouvəbal’ns, subst. overwicht, meer dan het gewicht; — verb. (ouvəbal’ns) meer wegen, overtreffen, het evenwicht verliezen (= To — oneself); —bear = onderdrukken, onderwerpen; —bearing = aanmatigend, heerschzuchtig, uit de hoogte; —bid = meer bieden dan; —blow = overwaaien, uitrazen; —blown = verwelkt: An —blown fellow = overdreven, dwaze; —board, ouvəböd, overboord; —bold = al te stout of vrijmoedig; —brim = over (den rand) loopen; —build = te veel bouwen: This part of the town is —built = men heeft hier te veel gebouwd; —burden = overladen, te veel laden op; —buy = te duur betalen, te veel koopen; —canopy = met een troonhemel bedekken; —careful = al te zorgvuldig of sekuur; —carry = te ver rijden (een passagier); —cast, ouvəkâst, bewolkt; verb. (ouvəkâst), te hoog schatten; bewolken, verduisteren; overnaaien: The sky is —cast = de hemel is bewolkt; —charge, ouvətšâdž, subst. te hooge berekening, te groote lading, te veel betaalde vracht; — verb. (ouvətšâdž), overdrijven, te zwaar beladen, overvragen, al te zeer vullen; —cloud = bewolken; —coat = overjas; —come = overwinnen: He was very much —come = zenuwachtig, aangedaan; —-credulous = al te lichtgeloovig; —crowded = overvol van; —do = overdrijven, te gaar koken, overwerken: We are —done with newspapers nowadays = worden overstelpt; I am —done = op, heb mij overwèrkt; The meat is —done = al te gaar; —dose, ouvədous, al te groote hoeveelheid of dosis; — verb. (ouvədous), een te groote dosis geven; —draw = overdrijven, een wissel trekken voor meer geld dan het credit is: To —draw one’s account; —drive = te ver of te snel jagen of drijven: I am —driven = ik ben op, afgemat, heb mij overwèrkt; —due = vervallen, te laat: The train is —due = de trein is over zijn tijd; —due letters = te laat bestelde of bezorgde brieven; —due rates = die al betaald hadden moesten zijn; —earnest = al te ernstig; subst. —earnestness; To —eat oneself; —estimate = overschatten, overschatting; —-exposure = te lange belichting (photog.); —feed = te sterk voeden, volstoppen; —flow, ouvəflou, subst. overstrooming, groote overvloed; — verb. (ouvəflou) overvloeien, overstroomen; —flowing = overstrooming; —-fond, ouvəfond, al te teeder, dol; —freight, ouvəfreit, overvracht; —-freight = overladen; —full = al te vol; —-greedy = al te gulzig; —grow = met plantengroei bedekken, te groot worden; —grown = uit de kracht gegroeid, lang opgeschoten, hooggaand; —growth, ouvəgrouth, te weelderige groei, overvloed; —hand, bovenhandsch; —hang = overhangen, hangen over, bedreigen; —haul, ouvəhôl, subst. streng onderzoek of examen, inspectie, herstelling; — verb. (ouvəhôl), streng onderzoeken of inspecteeren, winnen op, herstellen, nazoeken, opzoeken: We —hauled the steamer = wij haalden in; —head = boven, boven het hoofd: —head (ouvəhed) conductor, wires = bovengrondsche geleiding; —hear = toevallig hooren, afluisteren; —hours = óveruren; —-indulge = al te veel toegeven aan: She —-indulged her children; —-issue, ouvərišû, te veel in omloop brengen (van bankbiljetten, enz.); subst. ouvərišû; —joy, = verrukking; He was —joyed, (ouvədžôid) to find me = verrukt dat hij mij vond; —-labour = met te veel werk plagen, al te “peuterig” uitvoeren; —land, ouvəland, overlánd: The —land mail; adv. ouvəland; —lap = overdekken, gedeeltelijk bedekken: History and geography —lap here and there = geschiedenis en aardrijkskunde raken elkaar hier en daar; Their lives —lap in the last years of our century = hunne levens vallen gelijktijdig; —-lavish = al te kwistig; —lay, ouvəlei, subst. stuk bedekkend papier, bekleeding; — verb. (ouvəlei), bedekken, drukken op, liggen op, doodliggen: Your performance was —laid by his = werd in de schaduw gesteld; Such books do not preserve, but —lay the old-world stories = zij verknoeien ze; —leaf = op de andere zijde van het blad; —leap = springen over, overtreffen, overslaan: You —leapt yourself = gij hebt te ver of te hoog gesprongen; —lie = liggen op, doen stikken; —live = overléven, te boven komen; —liver; —load = te zwaar beladen; —look = overzien, het opzicht houden over, over het hoofd of door de vingers zien: My room —looks the Thames = ziet uit op; —looker, opzichter, opziener; —manned = met te groote equipage; —mantel = étagère-spiegel; —masted = met te hooge of zware masten; —master = vermeesteren, overwinnen; —match = de meerdere zijn, overtreffen, overwinnen; —measure = toegift (bij wegen of meten); —much = te veel; —night, ouvənait, den nacht (avond) te voren, van den laatsten nacht of avond; adv. —night, ouvənait, gedurende den nacht, den laatsten nacht, gisterenavond; —pay = te veel betalen; —peer = uitsteken boven; —pitch = te ver gooien, overdrijven; —plus, ouvəplɐs, overschot, overmaat; —power = overstelpen, overweldigen; —pressure, al te zware druk; —-produce = te veel produceeren; —-production = overproductie; —proof = boven de normale sterkte; sterke brandewijn; —rake = overheen harken; spoelen over; —rate = overschatten; —reach = verder reiken dan, de achterpooten te veel vooruitslaan (van paarden), het evenwicht verliezen; beetnemen, bedriegen, de baas worden; —ride = vermoeien of afmatten (door rijden), zich niet storen aan, ter zijde zetten: To —ride one’s commission = zijne ambstbevoegdheid te buiten gaan; —ripe(n) = al te rijp (worden); —roast = te sterk braden; —rule = beheerschen, overheerschen, verwerpen, overstémmen: He was —d = bleef in de minderheid; —ruling = oppermachtig, alles beheerschend; —run = overloopen, verspreiden over, invallen doen en teisteren, onderdrukken, uit elkaar loopen (bij het drukken), overstroomen, voorbijrijden (van het perron): We are —run with mice = ’t leeft bij ons van muizen; —sea, ouvəsî, vreemd, van over de zee; —seas edition = editie van een courant voor de koloniën bestemd; —see. Zie —look; —seer, ouvəsîə, inspecteur, opzichter, armvoogd: —seer of the line (— of the poor); —seership; —sell = meer verkoopen dan men kan leveren: An oversold market = eene markt, waar zooveel effecten verhandeld zijn, dat zij niet geleverd kunnen worden; —set, ouvəset, subst. omverwerping: An article standing in the —set = koopwaar of artikel, dat over is; — verb. (ouvəset), omslaan, onderstboven werpen; —shadow = overschaduwen, beschutten; —shoe = overschoen; —shoot = over het doel heenschieten: I have —shot myself = mijn neus voorbijgepraat, te veel gezegd of beweerd; An overshot wheel = waterrad, in beweging gebracht door het er overheen stroomende water; —shotted = al te zwaar geladen (van vuurwapens), overdreven (uitdrukking); —side, adv. ouvəsaid, adj. ouvəsaid, over de zijde, over de verschansing; —sight = opzicht, toezicht, vergissing; —slaugh, ouvəslô, ontslaan; passeeren bij bevordering; subst. ouvəslô, ontslag; zandbank (Amer.); —sleep = te lang slapen: I have overslept myself = ik heb mij verslapen; —sman, ouvəzman, opzichter; scheidsrechter (Schotl.); —spread = bedekken, verspreiden of uitgespreid zijn; —state = overdrijven, te veel bewijzen: To —state one’s case = te veel willen beweren; subst. —statement; —stay = langer blijven dan: To —stay one’s time; —step = te buiten gaan, overtréden; —stock, ouvəstok, subst. al te groote voorraad; — verb. ouvəstok al te zeer vullen, overvoeren: Being —-stocked with copy, we can find no room for your article = daar we een overvloed van copie hebben; —strain = zich al te zeer inspannen, te veel vergen van, zich verrekken (= To — oneself): An —strained nervous system = overspannen zenuwgestel; —strung = kruissnarig; —subscribe = voor een te groot bedrag inschrijven; —take = inhalen, verrassen, overvallen; —task = met werk overladen: I am sorely —tasked = ik heb het veel te druk; —tax = te zwaar belasten, overschatten; —throw, ouvəthrou, subst. nederlaag, ondergang, omverwerping: To give the —; — verb. (ouvəthrou) omverwerpen, onderstboven gooien, veroveren; —thwart, koppig, dwars: —thwart, ouvəthwöt, and endlong = in de dwarste en de lengte; —time = overuren: To do (make, work) —time; —tone = boventoon (muz.); —top = te boven gaan, overtreffen, uitsteken boven; —turn, ouvətɐ̂n, omkeering, omverwerping; — verb. ouvətɐ̂n, omverwerpen, omgooien; —weening, subst. groote verwaandheid; adj. aanmatigend, verwaand; —weight = overmacht, over(ge)wicht; —whelm = verpletteren, overstelpen; —work, ouvəwɐ̂k, subst. óverwerk; — verb. (ouvəwɐ̂k) al te veel werken, (doen) overwérken, uitputten; —worn, uitgeput, afgemat, afgezaagd; —wrought = overspannen.

Overt, ouvət, open(lijk), met uitgespreide vleugels (herald.); —ly.

Overture, ouvətjə, subst. voorstel, aanbod, ouverture (muz.); — verb. aanbiedingen doen: The —s to intimacy should always come from the higher to the lower = de aanbiedingen van vriendschap; It was difficult to refuse her —s, she was so kind and hospitable = aanbiedingen, uitnoodigingen.

Ovid, ovid, Ovidius; Ovidian, əvidiən; Ovidius, əvidiəs.

Oviduct, ouvidɐkt, eileider; Oviform, eivormig.

Ovine, ouv(a)in, schaapachtig, schaap …; subst. schaap.

Oviparous, əvipərɐs, eierleggend; Oviposit, ouvipozit, eieren leggen; —ion, ouvipəziš’n, het eieren leggen, vooral door middel van de legboor; Ovisac = eierzak; Ovoid = eivormig; Ovulite, ouvjulait, fossiel ei; Ovum = ei.

Owe, ou, schuldig zijn, moeten betalen, verschuldigd zijn, te danken hebben: To — a person a grudge (a spite) = wrok koesteren tegen; Money was owing to him = men was hem schuldig; To have money owing = gelden hebben uitstaan; It was still —d to her = het kwam haar nog toe; Owing to = tengevolge: It is all — to your negligence = ’t komt al door uwe onachtzaamheid.

Owl, aul, uil; — verb. smokkelen: As drunk as an owl = zoo dronken als eene snip; —ery = uilennest; uilachtige hoedanigheden; —et = uiltje, ook = —-moth; —ish = als een uil, dom.

Own, oun, adj. eigen; — verb. bezitten: Every one for his — = ieder voor zich; He has a house of his — = een eigen huis; A dear little clock of my very — = heelemaal van mij alleen; To have a reason of one’s — = eene bijzondere reden hebben; To hold one’s — (with) = zijn recht handhaven, stand houden: Of one’s — accord (motion) = uit eigen beweging; He did it on his — hook, account = op eigen houtje, verantwoording; Name your — day = bepaal zelf den dag; To be one’s — master = zijn eigen baas zijn; He does not know his — mind = weet zelf niet wat hij wil; To be — niece to = een volle nicht zijn van; He will have it all his — way = geheel zooals hij het wenscht; —er = eigenaar; —erless = onbeheerd; —ership = eigendom(srecht).

Own, oun, erkennen, toegeven, zijn hart uitstorten: To — to a fault = bekennen; It must be —ed that = erkend worden; I — to your reproach = ik erken dat uw verwijt verdiend is: I — to much less affection for him than for his brother = ik erken, dat ik zijn broer veel liever mag dan hem; — up like a man! = beken, biecht op; Why don’t you — up about him? = waarom ontken je niet je ongelijk jegens hem?

Ox, oks, (Meerv. —en, oks’n), os: —-bow = ossenjuk; bocht van eene rivier (Amer.); —-eye = bijmees; blauwmeesje; runderoog (plant); —-eyed = met groote oogen; —-fly = koeienhorzel; —-heart = soort groote kers; —-hide = runderhuid; —lip = hoogstengelige sleutelbloem; —-stall = ossenstal; —-tail = ossestaart: —-tail soup; —-team = span ossen.

Oxalic, oksalik: — acid = oxaalzuur.

Oxford, oksfəd.

Oxidation, oksideiš’n, oxydatie; Oxide, oks(a)id, oxyde; Oxidizable = oxydeerbaar; Oxidize = oxydeeren.

Oxonian, oksounj’n, student, gepromoveerde van de universiteit te Oxford; knoopschoen; ook adj.

Oxygen, oksidžen, zuurstof; bleekpoeder; —ate, oksidžəneit, oksidženeit, met zuurstof verbinden; subst. Oxygenation; Oxygenizable = oxydeerbaar; Oxygenize, oksidžənaiz, oksidžənaiz, oxydeeren.

Oxyhydrogen, oksihaidrədžen, knalgas.

Oxytone, oksitoun, met den klem op de laatste lettergreep.

Oyer, oujə, ôiə, verhoor.

Oyes, Oyez, oujes, oujez, hoort! Met dit woord, driemaal herhaald, worden de openbare afkondigingen begonnen, en zittingen geopend; proclamatie, omroeper.

Oyster, ôistə, oester: —-bed = oesterbed; —-culture = oesterkultuur; —-ground (= —-bed); —-knife; —man; —-patty = oesterpasteitje; —-shell = schelp; — verb. afzonderen, verbannen: He —-shelled himself quite out of humanity’s reach = zonderde zich geheel af van de menschen; —-wife (—-woman).

Ozone, ouzoun, əzoun, ozon; Ozonize = in ozon omzetten, met ozon vervullen; Ozonizer = apparaat hiervoor.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings