G. (continued 2)
Reading edition
Guillotine, gilətîn, subst. guillotine; — verb. gilətîn, guillotineeren.
Guills, gilz, gele ganzebloem.
Guilt, gilt, schuld, misdaad; —iness = schuld, strafbaarheid; —less = onschuldig, onschadelijk; subst. —lessness; —y = schuldig: He was —y of that theft = schuldig aan; He looked —y-like = hij zag er uit, alsof hij schuldig was.
Guinea, gini, subst. guinje (= 21 sh.; deze munt bestaat alleen nog als rekenpenning), Guinea; adj. v. Guinea; —-corn = doerrah; panikkoorn; —-fowl = paarlhoen; —-grains = paradijskorrels; —-pepper = Spaansche peper; —-pig = Guineesch biggetje; waterzwijn; iemand, die zijn naam leent voor industrieele ondernemingen en oorspronkelijk een guinea als presentiegeld ontving.
Guinevere, gwinəv(î)ə, Ginevra.
Guise, gaiz, mode, uiterlijk, voorkomen, manier: In the — (light) of = bij wijze van.
Guitar, gitâ, guitaar.
Gulch, gɐlš, diep ravijn (Amer.).
Gulden, guld’n, Oostenrijksche florijn.
Gules, gjûlz, rood, keel (Herald.).
Gulf, gɐlf, subst. afgrond, draaikolk, boezem, groot verschil; laagste nummer op de lijst der geslaagden bij het Mathem. Tripos (Camb.): There is a great — fixed between the two; —-stream = golfstroom.
Gull, gɐl, subst. meeuw; sterentje, Jan van Gent; onnoozele hals; — verb. bedriegen, beetnemen; —-catcher = bedrieger, kwartjesvinder; —ible = gemakkelijk beet te nemen; subst. Gullibility.
Gullet, gɐlət, keel, slokdarm, waterafvoer, geer (in een hemd).
Gully, gɐli, subst. geul, riool, ijzeren rail; — verb. met geraas stroomen; —-hole = rioolgat.
Gulp, gɐlp, subst. het verzwelgen, inslokken, mondvol, braking; — verb. met groote teugen inzwelgen, slokken: He —ed up what he had taken = braakte uit; They are a brace of gulpings = stelletje drinkebroers.
Gum, gɐm, subst. tandvleesch; gom; — verb. met gom bestrijken of vastkleven; lijmen, beetnemen (Amer.): — arabic = Arab. gom; —boil = zweertje op het tandvleesch; — elastic = caoutchouc; —-rash = hittepuistjes; —suck = bedriegen (Amer.); —sucker = jonge Australiër van Europ. afkomst; —-trees = soorten v. Eucalyptus en Acacia; —miness, subst. v. —my = gomachtig, kleverig, gom bevattend; —my! = jeminé! That is —my = bijna ongeloofelijk, en toch waar.
Gump, gɐmp, sul, dwaze kerel.
Gumption, gɐmpš’n, gladheid, scherpzinnigheid; The boys had to write a — paper = opstel, waaruit blijkt of zij goed hebben waargenomen; —less = dom; Gumptious, gumpšəs, glad, vaardig, bij de hand.
Gun, gɐn, subst. geweer, kanon; — verb. schieten, jagen: He is a big — = invloedrijk persoon, groote hans; Son of a — = pierewaaier (humor.), lammeling; It is as sure as a — = zoo zeker als 2 × 2; The —s were brought to bear on the enemy’s ships = werden gericht; To blow great —s = stormen; We spiked their —s = vernagelden; They stood to their —s = bleven standvastig (het geschut bedienen); —-barrel = loop van een kanon of geweer; —-battery = batterij (van kanonnen); —boat = kanonneerboot; —-carriage = affuit; —-cotton = schietkatoen; —-fire = uur van het morgen- en avondschot; —-foundry = gieterij; —-metal = geschutmetaal; —powder = buskruit; fijne groene thee: The —powder Plot = samenzwering, om op 5 Nov. 1605 de Parlementshuizen in de lucht te doen springen; —-rack = geweerrek(-rak); —-reach = kanon- of geweerschotsafstand: He is within —-reach = op kanon- of geweerschotsafstand (ook: —-shot) = hij is onder schot; —-rod = laadstok; —-room = verblijf der cadetten aan boord van een oorlogschip; —-shot = geweer- of kanonschot, de afstand van een kanon of geweer; —smith = geweermaker; —smithery = geweermakerskunst, -vak; —-stock = geweerlade; —-tackle = geschuttalie; —ned: Heavily —ned = met zwaar geschut; —er = artillerist, kanonier; —er’s ladle = laadlepel; —nery = artillerie wetenschap; —nery-lieutenant = luitenant die, na een —nery-course op een —nery-ship te hebben bijgewoond, in het bezit is van een warrant daarvan.
Gunnel, gɐn’l, dolboord; schansnet aan boord van een oorlogschip.
Gunn(e)y, gɐni, grof zaklinnen.
Gunter’s chain, gɐntəztšein, landmetersketen v. ± 20,11 M.
Gunwale, gɐn’l (Zie Gunnel).
Gurgle, gɐ̂g’l, subst. geklok, gorgeldrank, gemurmel; — verb. klokken, gorgelen, murmelen: The delicious gurg-gurgling from our bronze fountain = geklater; A —t of water = waterbron.
Gurgoyle; Zie Gargoyle.
Gurnard, gɐ̂nəd, kleine poon; spinvisch.
Gush, gɐš, subst. krachtige stroom, uitstrooming, uitbarsting, overdreven taal of gevoel; — verb. krachtig (uit)stroomen, snel en mild vloeien, overdreven en sentimenteel zijn: His conversation came in —es = van tijd tot tijd barstte hij eens los; All this is not —, it is the honest truth = dit is volstrekt niet overdreven of onwaar; She —ed about Liszt = sprak (schreef) overdreven bewonderend over L.; I am not a —er, but I must tell you how much I like you = ben geen overdreven gevoelsmensch; She was conceited and —ing = en dwaas sentimenteel (overdreven).
Gusset, gɐsət, geer, inzetsel, inlegsel.
Gust, gɐst, windruk, vlaag, uitbarsting; smaak, lust, neiging; —ation, gəsteiš’n, het proeven of genieten; —ative, —atory, gɐstətori, smaak …, proef …: — nerve = smaakzenuw; —o, gɐstou, smaak, genot; —y = stormachtig, winderig, woest.
Gustavus, gɐsteivəs.
Gut, gɐt, subst. darm, snaar, nauwte; — verb. ontweien, uithalen, leegplunderen, uitbranden; —s = ingewanden, buik, maag: Greedy —s = vreetzak; —-scraper = vedelaar; —-string = snaar.
Gutta, gɐtə, druppel (vooral in samenstellingen); —percha = guttapercha.
Guttate(d), gɐtit (—eitid), gespikkeld.
Gutter, gɐtə, subst. goot, geul, riool; — verb. geulen maken, goten vormen, afloopen (van eene kaars), in druppels neervallen; —-press = de vuile, onzedelijke pers; —-snipe, —-snippet = verwaarloosd kind, voddenraper; —-spawned = verachtelijk en onzedelijk.
Guttiferous, gɐtifərɐs, gom opleverend.
Guttiform, gɐtiföm, druppelvormig.
Guttle, gɐt’l, verzwelgen, inslokken (down).
Guttural, gɐtər’l, subst. keelletter, keelklank; adj. tot de keel behoorende; —ize = met keelklank uitspreken; —ness = keelklankachtige aard; Gutturize, gɐtəraiz, in de keel vormen.
Guy, gai, Guy; topreep (scheepst.), vogelverschrikker, leelijke fantastische pop (ter herinnering aan Guy Fawkes en het Gunpowder Plot); voorwendsel; — verb. met een touw (onder het ophijschen) vasthouden; uitsnijden, belachelijk maken: He did a — and bolted = hij wendde iets voor (b.v. dat hij noodzakelijk weg moest); He was —ed unmercifully = hij werd ongenadig uitgelachen; —-rope = topreep, tenttouw.
Guyon, gaiən.
Guzzle, gɐz’l, snel drinken, zuipen; subst. sterke drank; —r = zuiplap.
Gwynn, gwin.
Gymkhana, džimkânə, een soort wedrennen, waarbij aan de deelnemers bovendien allerlei grappige verplichtingen worden opgelegd (een draad door een naald steken, een meegebrachte som eerst uitrekenen, etc.); ook adj.
Gymnasium, džimneiž’m, worstelplaats, gymnastiekschool, gymnasium: — belts = gordels.
Gymnast, džimnast, gymnastiekonderwijzer, gymnast; —ics, džimnastiks, athletische oefening, gymnastiek; —ic apparatus (costume, exercise, hall, society).
Gymnotus, džimnoutəs, sidderaal = — electricus.
Gynaecological, džainikəlodžik’l (dži—), gynaecologisch; Gynaecologist = gynaecoloog; Gynaecology = gynaecologie.
Gyp, džip, oppasser (bij studenten).
Gypseous, džipsiəs, gipsachtig; Gypsum, džips’m, gips.
Gyrate, džaireit, omwentelen, ronddraaien; adj. džairit, kringvormig; subst. Gyration: Centre of — = draaipunt; Gyratory = draaiend; Gyre = kring, omwenteling.
Gyrfalcon, džɐ̂fôk’n, giervalk.
Gyroscope, džairəskoup, gyroscoop.
Gyve, džaiv, ketenen, boeien; subst. —s = (voet)boeien.