M. (continued 2)
Reading edition
Mister, mistə, mijnheer (vóór den naam, en dan steeds geschreven Mr.).
Misterm, mistɐ̂m, verkeerd noemen.
Mistimed, mistaimd, ontijdig, misplaatst.
Mistitle, mistait’l, een verkeerden titel geven.
Mistletoe, miz’ltou, marentak, vogellijm.
Mistranslate, mistr’nsleit, verkeerd vertalen; subst. Mistranslation.
Mistress, mistrəs, meesteres, gebiedster, huisvrouw, hoofd (van een school), juffrouw voor de huishouding (in aanzienlijke families), mevrouw (voor getrouwde vrouwen verkort tot Mrs., misiz), liefje, minnares: Head — = directrice, hoofd.
Mistrust, mistrɐst, wantrouwen; ook verb.; adj. —ful; subst. —fulness: —fulness of oneself = gebrek aan zelfvertrouwen.
Misunderstand, misɐndəstand, verkeerd begrijpen, misverstaan; —ing = misverstand, onaangenaamheid, verschil.
Misusage, misjûzidž, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûs, misbruik, slechte behandeling; Misuse, misjûz, misbruiken, slecht behandelen, beetnemen.
Miswrite, misrait, onjuist schrijven.
Mite, mait, mijt; penning, ziertje, dreumes: My contributory — = penninkske; The widow’s — = het penninkske der weduwe; Our Mary was a toddling — of two years old = een waggelend dreumesje.
Mithridate, mithridit, tegengif; Mithridates, mithrideitîz, Mithridates.
Mitigate, mitigeit, verzachten, verlichten, matigen, lenigen; subst. Mitigation; adj. Mitigative; Mitigator = alles wat lenigt en verzacht.
Mitral, maitrəl, als een mijter: — valve = hartklep; Mitre, maitə, subst. (bisschops)mijter, waardigheid van een bisschop, hoek van 45°, schoorsteenkap; — verb. met een mijter tooien, onder een hoek van 45° samenvoegen of bijeenkomen; Mitriform, mitriföm, mijtervormig.
Mitt(en), mit(’n), handschoen (zonder vingers), want: Handle your tools without —s = pak flink aan; To give (get) the — = een blauwtje geven (krijgen).
Mittimus, mitimɐs, bevel aan de autoriteiten tot opname in een gevangenis; bevelschrift tot het zenden van stukken van het ééne hof naar het andere.
Mity, maiti, vol mijten.
Mitylene, mitilîn.
Mix, miks, (ver)mengen, vereenigen, zich mengen, zich bewegen in: I advise you never to — your wines = wijn door elkaar te drinken; He got —ed in his wrath = hij wist in zijn toorn niet meer wat hij zeide; Don’t — up my silks = maak niet in de war; —max = allegaartje, verwarde hoop; —ed affair = dolle boel; —ed marriage = gemengd huwelijk; —ed pickles = groenten in mosterdzuur; —tilineal, —tilinear = uit rechte en kromme lijnen bestaande; —ture, mikstjə, mengsel.
Miz(z)en, miz’n, bezaan; adj. bezaans-: — mast = bezaansmast; —-rigging = bezaanswant; —-sail = bezaan; —-shrouds = bezaanswant; —-top = kruismars.
Mizzle, miz’l, subst. motregen; — verb. motregenen; er van “doorgaan” (out); Mizzly = druilig, mistig.
Mizzy, mizi, poel, moeras.
Mnemonic, nimonik, geheugen..: —s = geheugenleer.
Moabite, mouəbait.
Moan, moun, subst. gekerm, gejammer; — verb. kermen, kreunen, betreuren, bejammeren: To make one’s — = zijn leed klagen.
Moat, mout, subst. gracht; — verb. met eene gracht omgeven.
Mob, mob, subst. Janhagel, gepeupel, gespuis, bende; muts(je) met banden (= —-cap); — verb. samenrotten, samen aanvallen, achterna loopen: He found himself —bed by the hangers-on, who invariably worship the rising sun = het werd hem lastig gemaakt door; —-law = wet van het ruwe geweld (Zie Lynch-law); —ocracy, mobokrəsi, de tirannie van het gepeupel.
Mobile, məbîl.
Mobile, moubil, mobil, bewegelijk, levendig, vlug; subst. Mobility.
Mobilization, mobilizeiš’n, mobilisatie; Mobilize, mobilaiz, moubilaiz, mobiliseeren.
Mobus, moubəs = motor-omnibus; Mocab, moukab = motor-cab; Mocar, moukâ = motor-car.
Moccasin, mokəsin, Indiaansche sandaal.
Mocha, moukə, Mokka; —-coffee.
Mock, mok, subst. bespotting, voorwerp van spot; adj. nagemaakt, onecht; — verb. bespotten, uitlachen, tarten, negeeren, nadoen, nabootsen: To make — at = To make a — of = bespotten; — combat (—fight) = spiegelgevecht; —-heroic poem = komisch-heroisch vers; — moon = bijmaan; —-nightingale = zwartkop; —-orange = (boeren)jasmijn; — sun = bijzon; —-turtle = nagemaakte schildpadsoep; —-velvet = katoenfluweel; —er; —ery = spotternij, bespotting, bedriegelijke nabootsing; —ing: —-bird = spotlijster.
Modal, moud’l, modaal; Modality, mədaliti, modaliteit, wijze van zijn, wijze van voorstellen met betrekk. tot de werkelijkh.; Mode, moud, wijze, manier, vorm, gewoonte, gebruik, mode, schaal (muz.): All the — = naar de nieuwste mode; —-book = modejournaal.
Model, mod’l, subst. model (ook van kunstenaars), patroon, model arbeiderswoning, toonbeeld, evenbeeld; adj. model..; — verb. naar een bepaald model vormen, modelleeren: — dwelling; — gown; To — oneself upon; —ler = modelleur; —ling: —-board = modelleerplank, schabloon; —-clay = boetseerklei.
Modena, modənə, Modena; modənə, modînə, karmozijnachtige kleur.
Moderate, modərit, gematigd, zacht, middelmatig, matig, bezadigd; subst. gematigde; — verb. (modəreit), matigen, doen bedaren, stillen; voorzitten; subst. —ness; Moderation, modəreiš’n, matiging, matigheid, gematigdheid, zelfbeheersching: —s, verkort tot Mods: He took a first in Mods = hij kreeg “summa cum laude” in M. i.e. het 2de examen aan de hoogeschool te Oxford; Moderato, modərâtou, matig snel (muz.); Moderator, modəreitə, iemand die of iets dat matigt; voorzitter (vooral van eene vergadering der Presbyteriaansche kerk); examinator bij het Mods-examen (Oxf.); dwarskijker bij examens (Camb.): —-lamp = moderateurlamp; —ship.
Modern, modən, nieuw, modern; ook subst: — authors (English, history); A poet of the — = van onzen tijd; A —; The —s = de modernen; —ism = nieuwe uitdrukking; zucht tot het moderne; —ization, subst. v. —ize = moderniseeren; —izer; —ness = nieuwheid, nieuwerwetschheid.
Modest, modəst, bescheiden, zedig, ingetogen, kuisch, fatsoenlijk; subst. —y.
Modicum, modikɐm, kleinigheid, beetje.
Modification, modifikeiš’n, wijziging; — verb. Modify, modifai.
Modish, moudiš, naar de mode, fatterig; subst. —ness; Modist = fat.
Modiste, mədîst, modiste.
Mods, modž; Zie Moderate.
Modulate, modjuleit, moduleeren (muz.); subst. Modulation.
Modwall, modwôl, bijenvreter (vogel).
Moe, mou, oude dichterl. vorm voor more.
Moesogothic, mîsəgothik, subst. en adj. Moesogothisch(e taal).
Mogul, məgɐl, Mongool: The Great (Grand) — = de groote Mogol (1526–1857).
Mohair, mouhêə, haar van de geit van Angora.
Mohammed, məhaməd, Mahomed; Mohammedan, subst. en adj. Mahomedaan(sch); —ism; —ize = tot de leer van Mahomed bekeeren.
Mohawks, mouhôks, stam van Indianen; 18-eeuwsche nachtelijke straatschenders.
Mohican, məhîk’n.
Mohocks = Mohawks.
Mohur, mouhə, Brit.-Ind. munt van 15 zilver ropijen.
Moidore, môidö, Portug. munt (ƒ 16,20).
Moiety, môiəti, helft, aandeel.
Moil, môil, subst. vlek, smet; — verb. bekladden, afbeulen, zwoegen: To — and toil = zwoegen en sloven.
Moist, môist, vochtig, nattig; —en, môis’n, vochtig worden, bevochtigen: To — one’s throat = er eentje pakken; —ness, —ure, môistjə, vochtigheid.
Moither, môidhə, zwoegen, sloven.
Moke, mouk, ezel (ook fig.), clown, neger.
Molar, moulə, malend; maal(tand) = —-tooth.
Molasses, məlasiz, melasse.
Moldavia, moldeiviə.
Moldwarp, mouldwöp, mol.
Mole, moul, moedervlek; havendam; mol, maankalf; —-catcher; —-cricket = molkever; —-eyed = bijziende, blind; —-hill = molshoop: To make a mountain out of a —-hill; —-rat = blindmuis; —skin = mollevel; soort fustein, broek hiervan gemaakt; —-track = molsgang; —warp = mol.
Molecular, məlekjulə, moleculair; subst. Molecularity; Molecule, moləkjûl.
Molest, məlest, lastig vallen, plagen, kwellen; subst. —ation, moləsteiš’n; —er.
Molinism, moulinizm, leer van den Jezuït Molina; Molinist.
Molla(h), molə, eeretitel van Turksche priesters of geleerden, opperrechter.
Moll, mol, meid (naam voor alle vrouwen in vulgair Londensch), Mietje.
Mollient, moliənt, verzachtend, verteederend; Mollification = verzachting, verteedering; Mollifier = verzachter, verzachtend middel; Mollify, molifai, verzachten, verteederen.
Mollusc, moləsk, weekdier; —a, molɐskə, klassen der weekdieren; —an, molɐsk’n, tot de weekd. behoorende; weekdier.
Molly-coddle, molikod’l, Mollycuddle, molikɐd’l, verwijfd persoon; — verb. verweekelijken; — little lads = moederskindjes.
Moloch, moulok, Moloch.
Molten, moult’n, part. perf. van to melt.
Moluccas, molɐkəz, de Molukken.
Moly, mouli, soort look.
Moment, moum’nt, oogenblik, belang; statisch moment: Enterprises of great — = van groot gewicht; At a —’s notice = in minder dan geen tijd; In a — = On the — = oogenblikkelijk; —ariness, subst. v. —ary = voor een oogenblik, vluchtig; —ous, məmentəs, gewichtig; subst. —ousness; —um, məment’m, aandrang, prikkel, moment (= product v. massa en snelheid).
Momma, momə, Amer. voor Mama.
Momus, mouməs.
Monachal, monəkal, monniks—; Monachism, monnikengeest (-staat, -stand).
Monaco, monəkou, Monaco.
Monad, monad, monade, ééncellig organisme; soort infusiediertje.
Monagasque, monəgask, van Monaco.
Monarch, monək, subst. monarch; —al, = —ic(al), mənâkik(’l), monarchaal; —ism = éénhoofdige regeering; —ist; —y = monarchie.
Monasterial, monəstîriəl, kloosterachtig, klooster..; Monastery (monniken)klooster; Monastic(al) = klooster..; monnik; Monasticism = kloosterleven, monnikenstand.
Moncrieff, monkrîf.
Monday, mɐnd(e)i, Maandag: Black — Zie Black.
Monetary, mɐnətəri, geld betreffend, geldelijk: — difficulties; Monətization, subst. v. Monetize, mɐnətaiz, munten, tot betaalmiddel maken, eene standaard waarde geven.
Money, mɐni, munt, geld, betaalmiddel, rijkdom: — down, — out of hand = baar geld, contant; — of account = rekenpenning (niet in werkelijkheid bestaande, zooals onze daalder van ƒ 1,50); Current — = gangbare munt; Earnest — = godspenning; Ready — = baar geld, contant; Small — = kleingeld; Spare — = geld dat over is; I am out of — at present = niet bij kas; — makes the man; — makes the mare (to) go = geld is de ziel v. de negotie; To convert (turn) into — = te gelde maken, verzilveren; It is like eating — = het verslindt geld; To fling good — after bad; To keep a person in — = van geld voorzien; To keep a person out of his — = laten wachten op; I laid out my — in a necklace = besteedde aan; It looks like — = het is peperduur; To make — = geld verdienen; He made my — spin = liet rollen; To roll in — = zich baden in; What’s the —? = wat kost het; That’s not my — = dat is niets voor mij; That is the man for my — = dàt is m’n man: —-agent = geldwisselaar; —-bag; —-bill = wetsontwerp tot het toestaan van gelden: —-box = spaarpot; —-broker, —-changer = geldwisselaar; —-dropper = kwartjesvinder; —-grabber = —-grubber = geldwolf; —-lender = geldschieter; He has a —-making business = verdient geld als water; —-market = fondsen-, geldmarkt; —-matters = geldzaken; —-order = postbewijs (ook Post-office —-order genaamd en waarbij de naam van den geadresseerde per letter of advice afzonderlijk door het eene postkantoor naar het andere wordt verzonden); He is —-proof = laat zich niet omkoopen; —-spider = geluksspinnetje; —-spinner = geluksspinnetje; iemand, die geld als water verdient; —-wort = penningkruid; —’s-worth = volle waarde, geldswaarde: He wanted his —’s worth = eischte waar voor zijn geld; —ed = rijk, vermogend; gemunt; —er = geldmunter; —less.
Monger, mɐŋgə, koopman (in samenst.).
Mongolia, moŋgouliə, —n, mongoulj’n, subst. en adj. Mongool(sch).
Mongoose, moŋgûs, mɐŋgûs, Brit.-Ind. ichneumon of spoorwezel.
Mongrel, mɐŋgrəl, subst. en adj. bastaard; —ize = tot een mongrəl maken.
Monition, məniš’n, vermaning, waarschuwing, dagvaarding; Monitive = vermanend; Monitor, monitə, vermaner, monitor of klassevoogd (oudere leerling in scholen, die op de jongeren toeziet); monitor (oorlogsschip); Monitorial, monitôriəl, waarschuwend, gedaan door monitors; Monitory, monitəri, vermanend; Monitress = vrouwelijke monitor.
Monk, mɐŋk, monnik; vlek (bij het drukken); —’s-hood = monnikskap; —’s Latin = middeleeuwsch Latijn; —ery = monnikenstaat; —hood = monnikschap; —ish = monnikachtig.
Monkey, mɐŋki, aap, heiblok, rumkan, som van £500 (in Amer. 500 dollar): To have (get) one’s — up = den duivel in krijgen, nijdig worden; To suck the — = met behulp van een strootje drank opzuigen uit een vat waarin men een gaatje heeft geboord; —-bread = apenbrood(boom); —-jacket = dik jekkertje.
Monmouth, mɐnməth.
Monochord, monəköd, monochordium.
Monochromatic, monəkrəmatik, in één kleur; Monochrome, monəkroum, in één kleur geschilderde schilderij.
Monocle, monok’l, monocle; éénoogig dier; Monocular, Monoculous = éénoogig.
Monodrama, monədrâmə, dramatische alleenspraak; adj. Monodramatic.
Monody, monədi, éénstemmig (klaag)lied, eentonigheid.
Monogamist, mənogəmist, monogamist; Monogamous = monogamistisch; Monogamy = monogamie.
Monogram, monəgram, naamcijfer.
Monograph, monəgraf, verhandeling over één onderwerp; —er, mənogrəfə; adj. —ic(al), monəgrafik(’l).
Monologue, monəlog, alléénspraak; Monologuize, monəlogaiz, eene alléénspraak houden; Monologuizer.
Monomania, monəmeinjə, idée fixe, monomanie; Monomaniac = monomaan.
Monometalism, monəmetəlizm, het gebruik van den enkelen (gouden of zilveren) standaard; Monometalist = voorstander daarvan.
Monopetalous, monəpetəlɐs, met vergroeidbladige bloemkroon.
Monophthong, monofthoŋ, monopthoŋ, monopthoŋ, monofthoŋ, éénklank; adj. Monophthongal.
Monoplane, monəplein, ééndekker.
Monopolist, mənopəlist, hij die zich van het monopolie heeft verzekerd; Monopolize, mənopəlaiz, monopoliseeren; —r; Monopoly = monopolie.
Monospermal, monəspɐ̂m’l, Monospermous, monəspɐ̂məs, éénzadig.
Monosyllabic, monəsilabic, éénlettergrepig.
Monosyllable, monəsiləb’l, éénlettergrepig woord.
Monotheism, monəthîizm, monotheïsme; Monotheist; adj. Monotheistic.
Monotone, monətoun, eentonigheid; Monotonous, mənotənɐs, eentonig, vervelend, saai; Monotony, mənotəni, eentonigheid.
Monroe doctrine, mɐnroudoktrin, de leer van Pres. James Monroe (1758–1831) dat geen Europ. mogendheid zich met Amer. aangelegenheden mag bemoeien.
Monsoon, monsûn, moesson.
Monster, monstə, subst. monster, gedrocht; adj. buitengewoon groot, monsterachtig; — verb. monsterachtig maken; Monstrosity, monstrositi, monster(achtigheid), wangedrocht; Monstrous = monsterachtig, tegennatuurlijk; subst. —ness.
Monstrance, monstr’ns, monstrans, toonvat, dat dient om kleine reliquieën of het Hoogheilig Sacrament ter vereering zichtbaar uit te stellen.
Montacute, montəkjût; Montague, montəgjû; Montana, montânə; Montano, monteinou; Montcalm, montkâm; Montefiore, montifiö; Monteith, montîth; Montenegrine, montənegrin; Montenegro, montəneigrou; Montgomery, məntgɐməri; Montevideo, montəvidjou.
Month, mɐnth, maand: Lunar — = maanmaand; This day — = vandaag over eene maand; This last — = For this — past = sedert vier weken; At three —s’ date = 3 maanden na dato; —ly, subst. maandelijksch tijdschrift; adj. en adv. maandelijks(ch): —ly-nurse = baker; —ly-periods.
Montpellier, monpîljə; Montmorency, montmərensi; Montreal, montriôl; Montrose, məntrouz.
Monument, monjument, monument, gedenkteeken: The — = zuil (200 voet) ter herinnering aan den brand in Londen (1666); —al, monjument’l, tot gedenkteeken dienende, indrukwekkend, reusachtig.
Moo, mû, loeien.
Moocher, mûtšə, spijbelaar.
Mood, mûd, (gemoeds)stemming, luim, humeur; wijze, manier: To be in one’s —s = uit zijn humeur zijn, verstrooid zijn; To be in the — = in de stemming zijn, lust hebben aan; —iness, subst. v. —y = gemelijk, knorrig, humeurig, ontstemd, zwaarmoedig.
Moon, mûn, subst. maan; — verb, doelloos rondzwerven, droomen, droomerig rondkijken: The — was at the full (near her full, within two nights of the full, in its first quarter); At (Till) the blue — = met St. Jutmis; To cry for the — = het onmogelijke begeeren; I wished him over the — = op de Mookerhei; —-beam = manestraal; —-calf = maankalf, misgeboorte; —-eye = maanoog (bij paard.); —-eyed = maanoogig; —-face = vollemaansgezicht; —-fish = maanvisch; —-glade = maneschijn op het water; —light, subst. maanlicht; —lighter = bedrijver van nachtelijke wandaden tegen landheeren, of pachters, die de hoeven van uitgezette boeren hebben ingenomen (Ierl.); —-lit = door de maan beschenen; —-raker = uilskuiken; —-shine = maneschijn; gesmokkelde drank (Amer.); onzin; ook adj.: It is the merest —shine; It’s all —shine = niets dan onzin, vertoon; —shiner = stille brouwer, dranksmokkelaar (Amer.); —shiny = door de maan beschenen; onzinnig; —stricken, —struck = maanziek, sentimenteel, halfwijs; —-year = maanjaar; —less; —y = maan - -, (halve)maanvormig, maanziek; aangeschoten; sukkel.
Moor, mûə, Moor; —ish, Moorsch.
Moor, mûə, vastmeeren; —age = ankerplaats; —ing; —ing-buoy = meerboei; —ing-ring; She is at her —ings = ligt vastgemeerd, vertuid; She was driven from her —ings = sloeg los.
Moor, mûə, veengrond, heide, moeras; —-cock = mannetje, en —-hen = vrouwtje van —-fowl, —-game = Schotsche korhoenders; —land = heide, veengrond; —ish = drassig.
Moore, mö, muə; Moorfields, mûəfîldz; Moorgate, mûəgit, mögit.
Moose-(deer), mûs(dîə), eland.
Moot, mût, subst. vergadering, debat, discussie; adj. betwistbaar; — verb, debatteeren, bediscussieeren; ter sprake brengen: The project was first —ed in 1880 = voor het eerst ter sprake gebracht; —-case, (—-point) = open vraag, geschilpunt; —-court = soort van debatingclub voor juristen; —er = iemand, die aan een —-court een geschilpunt inleidt.
Mop, mop, subst. stokdweil, bos; grimas, zuiplap; — verb. gezichten trekken (To — and mow), dweilen, afvegen: A — of waving hair = golvende haardos; He —ped up the ink with blotting-paper = nam op; —-headed = met een ragebol (haar); —stick = steel van een mop.
Mope, moup, suffen, gemelijk, droomerig of moedeloos zijn; subst. droomer: To — away one’s time = versuffen; He is in the —s = knorrig, gemelijk: —-eyed = bijziende, dom; Moping: To sit — = zitten suffen; Mopish = sufferig, verdrietig; subst. —ness.
Moppet, mopət, lappenpop; kleine meid; soort langharig schoothondje; Mopsey, mopsi, kleine meid.
Moquette, məket, trijpfluweel.
Moraine, mərein, moraine, gruiswal; adj. Morainic.
Moral, mor’l, subst. moraal, toepassing, bedoeling, evenbeeld, zekerheid; adj. zedelijk, moraal..: It was what bookmakers call a — that I should fall in love with her = vast en zeker; She is quite the — of Auntie = het evenbeeld; The story points a — = bevat eene zedeles; —s = zedelijk gedrag, levensgedrag, ethiek; — law = zedenwet; — philosophy = zedenkunde; — sense = zedelijkheidsgevoel; —e, mərâl, moed en volharding in vermoeienissen en gevaar: The enemy’s — (—e) is much shaken = het moreel van den vijand heeft er zeer onder geleden; —ist = bloot zedelijk (tegenover geloovig) mensch, zedenmeester; —ity, məraliti, zedelijkheid, zedenleer, zedelijke eigenschappen, deugd; Spel van “Sinne”; —ization, subst. v. —ize = moraliseeren; —izer.
Morass, məras, moeras: — ore = oer; adj. —y.
Moravia, məreivjə, Moravië; —n, subst. Moraviër; adj. Moravisch: The —ns = The —n Brethren = Hernhutters; —nism.
Morbid, möbid, ziekelijk, ziekte..: — anatomy = pathologische anatomie; Morbidity = sterfte; ziekelijkheid = —ness; Morbific(al) = ziekte veroorzakend: — matter = ziektestof.
Mordant, möd’nt, bijtend, sarcastisch; subst. bijtmiddel.
Mordaunt, möd’nt; More, mö.
More, mö, meer, toegevoegd, verder, bovendien, opnieuw: — and — = steeds meer; And — than that = en wat meer zegt; He never did it any — = nooit weer; Much — = veel meer; No — = niet meer bestaande, dood, evenmin; Not — = evenzeer; Once — = nogmaals; So much the — = des te meer; The — the better (merrier) = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde; — or less = min of meer; — to the purpose = doelmatiger; —over = bovendien.
Moreen, mərîn, moiré woldamast.
Morel, mor’l, mərel, donkerkleurig; subst. zwarte nachtschade; morielje.
Morelle, mərel, zwarte nachtschade.
Morello, mərelou, morel.
Moresque, məresk, Moorsch; subst. arabesk.
Morganatic, mögənatik, morganatisch: — marriage = huwelijk met de linkerhand.
Morglay, möglei, slagzwaard.
Moribund, moribɐnd, zieltogend(e).
Moril, moril, morielje.
Morion, môri[en], lichte helm.
Morish, möriš: It tastes — = smaakt naar meer.
Mormon, mömən, Mormoon; —ism; —ite, mömənait, Mormoon.
Morn, mön, morgen (dichterlijk).
Morning, möniŋ, ochtend, vóórmiddag; ook adj.: In the — = ’s morgens, den volgenden morgen; Of a — = op een morgen; —-coat = jacket; —-gown = ochtendjapon, kamerjapon; —-paper, —-print = ochtendblad; —-star = morgenster.
Moroccan, mərok’n, Marokkaan; Morocco, mərokou, Marocco, marokijnleder.
Morose, mərous, gemelijk, knorrig; subst. —ness.
Morpheus, möfiɐs, möfjûz, Morpheus: In the arms of — = in Morpheus armen.
Morphia, möfjə, Morphine, möfin, morphine: He is a confirmed morphinomaniac = hij is aan de morphine verslaafd; Morphinism.
Morphologic(al), möfəlodžik(’l), adj. v. Morphology, möfolədži, morphologie.
Morris(-dance), moris(dâns), oude (Moorsche) dans bij de Meifeesten: My clown and his dog have morrised = zijn met de Noorderzon vertrokken.
Morrow, morou, de volgende dag: He takes no thought for the — = He troubles himself about no —s = hij is niet bezorgd voor den dag van morgen; To-— = morgen; To-— morning = morgenochtend; On the — = morgen, den volgenden dag.
Morse, mös, walrus; zeeleeuw (Herald.): — alphabet (Telegr.).
Morsel, mös’l, bete, stukje, beetje: To be brought to a — of bread = tot den bedelstaf gebracht worden.
Mort, möt, Hallali! (jachtsignaal als het wild gedood is); menigte, hoop; zalm in het derde jaar; vrouw, meisje.
Mortal, möt’l, sterfelijk, dood(s)…, doodelijk, menschelijk, doodvervelend; subst. sterveling; adv. doodelijk, diep: — enemy, foe = doodvijand; — fright = doodsangst; — hour = stervensuur; Four — hours = vier eeuwiglange uren; There is no — power that can release you = geene macht ter wereld; — sin = doodzonde; You may wish any — thing = al wat ge maar wilt; —ity, mötaliti, sterfelijkheid, sterfte, menschelijke natuur; —ly offended = diep beleedigd; —ly wounded = doodelijk gewond.
Mortar, mötə, vijzel, mortier; mortel (kalk): —-apparatus for life-saving = mortier waaruit reddingsvuurpijlen worden geschoten; —-board = platte vierhoekige barret (Iron.).
Mortgage, mögidž, subst. hypotheek; — verb. hypothekeeren, verpanden: I gave it him in — = heb het hem verpand; To foreclose a — = opzeggen; To lend on —s; He took up money on —; —-bank = hypotheekbank; —-bonds = pandbrieven; —-deed = hypothecaire acte: To prepare a —-deed = opmaken; —e, mögidžî, hypotheekhouder; —r, mögidžə, hypothecair schuldenaar.
Mortification, mötifikeiš’n, bittere vernedering, verdriet, zelfkwelling, zelfkastijding, koudvuur; Mortify, mötifai, tuchtigen, dooden, kwellen, kastijden, vernederen; afsterven.
Mortise, mötis, subst. tapgat, vaste verbinding; — verb. met pen en gat verbinden: To hold the — = weerstand bieden.
Mortmain, mötmein, doode hand (Jur.).
Mortuary, mötjuəri, graf.., begrafenis.., lijk..; subst. begraafplaats, lijkenhuis.
Mosaic, məzeiik, subst. mozaïekwerk; adj. mozaïek, Mozaïsch: — law; Mosaism, mouzəizm, de Mozaïsche leer.
Moscovy, moskəvi, Moscow, moskou.
Moselle, məzel, Moezel(wijn); Moses, mouziz.
Mo-sleigh = Motor-sleigh.
Moslem, mozl’m, mosl’m, subst. en adj. Mohammedaan(sch); —ism.
Mosque, mosk, Moskee.
Mosquito, moskîtou, muskiet: —-net.
Moss, mos, mos, zachte veengrond, turf; geld: —-clad, —-grown = met mos bedekt of begroeid; —-land = veenbodem, veengrond; —-rose = mosroos; —-trooper = bereden strooper of bandiet (op de grenzen van Engeland en Schotland); —iness, subst. v. —y = met mos bedekt, mosachtig, donzig.
Most, moust, subst. meeste, grootste; adj. meest, grootst; adv. zeer: At (the) — = op zijn meest, hoogstens; The — High = de Allerhoogste; For the — part = meerendeels; To be as good as — people = nog zoo kwaad niet zijn; To make the — of = zooveel mogelijk profiteeren van; I am — happy to see you = erg blij; —ly = hoofdzakelijk, voornamelijk, meestal, doorgaans.
Mot, mot, hallali; snol.
Mote, mout, stofje, vlekje, spikkel, kleinigheid: Dust —s dancing in a sunbeam.
Mote, mout = may, might, must: So — it be! = zoo zij het! (formule bij de Free-masons).
Mote, mout = To motor.
Moth, moth, mot; vlinder; kanker (fig.); ook verb.: She is a — = ze hengelt, geeft zich veel moeite (voor een man); The cloth is —-eaten = de mot is er in; To go —ing = op de vlindervangst gaan; —y = vol motten.
Mother, mɐdhə, subst. moeder, moedertje, abdis; moer, droesem; — verb. de moederplaats innemen, als kind aannemen: Where will you and the — sit? = en moeder; —’s son = verwend kindje; — Carey’s Chicken(s) = stormzwaluw(en); — Carey is plucking her goose = het sneeuwt; — Shipton = eene beroemde waarzegster; —-church; —-country = moederland, geboorteland; —-in-law = schoonmoeder (stiefmoeder); —-earth = moederaarde; —-of-pearl = parelmoer; —-spot = moedervlek; —-tongue = moedertaal; —-wit = gezond verstand, natuurlijke gevatheid; —hood = moederschap; —less; —liness = moederlijkheid; —ly = als eene moeder, zorgzaam.
Motion, mouš’n, subst. beweging, handbeweging, wenk, neiging, aandrift, motie, voorstel; stoelgang; — verb. gebaren maken, door een beweging te kennen geven: Of one’s own — = uit eigen beweging; Equable — = gelijkmatige beweging; Laws of — = de drie bewegingswetten van Newton; The — was agreed to unanimously = de motie werd met algemeene stemmen aangenomen; The — was carried by 70 votes to 20 = aangenomen met; The — was lost = verworpen; To make a — to a person = iemand wenken; To put a — = een motie stellen; To second a — = ondersteunen; He —ed me to a chair = wenkte mij te gaan zitten; —less = onbewegelijk.
Motivate, moutiveit, motiveeren, gronden; Motive, moutiv, subst. beweegreden, oorzaak; adj. bewegend, beweeg …; — verb. motiveeren; —-force = beweegkracht; —less = doelloos, zonder reden; Motivity = beweegkracht.
Motley, motli, bont; subst. narrenpak, nar, bonte mengeling.
Motor, moutə, subst. motor, beweger, beweegkracht; adj. bewegend, motorisch; — verb. met een motorrijtuig rijden; —-(bi)cycle; —-boat; —-cab = autotax, taxi; —-car = automobiel; —-cycle = motorfiets; —-cyclist; —-launch = motorboot; —-man = bestuurder van een electr. tram; chauffeur; —-omnibus; —-sleigh = motorslede; He —ed over to A.; —ist = automobilist.
Mottle, mot’l, stippelen, vlekken, schakeeren; ook subst.; —-faced = met rood gevlekt gezicht; —d with wrath = rood van woede.
Motto, motou, motto, zinspreuk: —-kisses = ulevellen met deviezen.
Mouch, mautš, rondzwerven; —er = vagebond.
Mould, mould, subst. aarde, teelaarde, stof, schimmel, roestvlek, gietvorm, mal; vorm, karakter; — verb. met teelaarde bedekken of ophoogen; beschimmelen, schimmelig worden; vormen, modelleeren, gieten, kneden: To contract — = beschimmelen; I am not fit for society at present, I am covered with blue — = verboerd; —ed cheese; —-board = strijkbord van een ploeg; —-candle = gegoten kaars; —-loft, mallenzolder (scheepsb.); —warp = mol; —er, subst. (metaal)gieter; — verb. tot stof vergaan, vermolmen, verrotten; —iness = beschimmeldheid; —ing = vormen, enz.; lijst, fries; —y = beschimmeld, oud: —y cheese.
Mouline(t), mûlin(et), haspel, draaikruis.
Moult, moult, subst. het ruien, verharen, vervellen; de tijd daarvoor; — verb. ruien, verharen, vervellen; —er = ruiende vogel.
Moultrie, mûtri.
Mound, maund, subst. aardverhooging, wal, graf, heuvel; rijksappel; — verb. een wal opwerpen: A — of papers = een heele hoop papieren.
Mount, maunt, berg, bolwerk, blok (bij het bestijgen van een paard), rijpaard, fiets, karton of monteering (voor teekeningen), signaal om op te stijgen; — verb. opstijgen, opklimmen, zich verheffen, oploopen, monteeren, versieren, een paard verschaffen, voeren: — Aetna; The sermon on the — = de Bergrede; I will go out hunting with you, if you give me a — = als ge een paard voor mij hebt; All the —s were strong and serviceable = alle “karren”; I should like to see a little more picture, and a little less — = en minder lijst; —! = opstijgen! (een commando bij de cavalerie); He —ed the breach first = hij was het eerst in de bres; To — a diamond = zetten; To — a drawing = opplakken, omlijsten; The soldiers —ed guard = betrokken; The ship —s twenty guns = voert twintig stukken; To — a horse = bestijgen; To — a piece = een tooneelstuk monteeren; To — the trenches = bezetten; The fare to X. and back —s up = loopt aan; —ed police = bereden politie; To be miserably —ed = slechte paarden hebben; —able = beklimbaar; —ing = monteering, montuur, affuit.
Mountain, mauntin, berg (ook fig.), soort Malagawijn: —s = gebergte; The — = de Bergpartij (Fransche Revol.); The — has produced a mouse = A — in labour; If the — will not come to Mahomet, M. must go to the —; To make —s of molehills = van eene mug een olifant maken; A — is raised off my spirits = er is me een steen van ’t hart gevallen; The waves were —s high = bergen hoog; —-ash = gewone lijsterbes; —-chain = bergketen; —-crystal = bergkristal; —-dew = Schotsche whiskey; —-pass = pas; —-range = keten; —-soap = bergzeep; —eer, mauntənîə, bergbewoner, bergbeklimmer; —eering = het beklimmen van bergen; —ous = bergachtig, berg …, buitengewoon groot.
Mountebank, mountəbaŋk, subst. kwakzalver, marktschreeuwer, bluffer; — verb. bedriegen.
Mourn, mön, rouwen, treuren, betreuren; —er = rouwdrager; —ful = treurig, droevig; subst. —fulness; —ing, subst. smart, klacht, rouw; They went into (were in, put on, took to; went out of, left off) —ing = gingen (waren) in; gingen uit den rouw; First (deep), court, second —ing = zware, hof, lichte rouw; —ing-brooch = gitten doekspeld; —ing-coach = rouwkoets; —ing-establishment = magazijn voor rouwkleeren; —ing-ring = ring ter herinnering aan een afgestorvene; —ing-suit = rouwpak.
Mouse, maus, muis: —-colour; —-dung = muizenkeutels; —-hole; —-hunt = muizen-jacht; —-trap = muizenval; souverein (ƒ 12): Parson’s —-trap = huwelijk (ironisch).
Mouse, mauz, muizen vangen, aan stukken scheuren; Our cat is a good —r.
M(o)ustache, məstâš, snor, knevel.
Mouth, mauth, mond, muil, opening, monding, woordvoerder, grimas, geblaf (aanslaan): An examination by word of — = mondeling examen; He was down in the — = neerslachtig; To lead a life from hand to — = van de hand in den tand leven; To run from — to — = rondgaan; Your success is in everybody’s — = ieder heeft den mond vol van; To give — = aanslaan; To keep one’s — shut = zwijgen: He laughed on the wrong side of his —: Zie Laugh; To make a — (—s) at = gezichten trekken; It makes my — water = het doet mij watertanden; I will stop that — of his = hem den mond snoeren; —-made = onoprecht, niet van harte; —-organ = mondharmonica; —-piece = sigarenpijpje, mondstuk; woordvoerder, orgaan: Tennyson has become the —-piece of our century; —-wash = mondspoeling; —ful; —less.
Mouth, maudh, met den mond grijpen, kauwen, eten; met vollen mond of gemaakt spreken, gezichten trekken, schreeuwen: Deep-—ed = met zware stem, dof; —y = babbelziek, gezwollen.
Movability, mûvəbiliti, subst. v. Movable, mûvəb’l, beweegbaar, veranderlijk: —s and im—s = roerende en onroerende goederen; subst. —ness.
Move, mûv, subst. zet (bij schaken, dammen, etc.), maatregel, handeling, daad, beweging; — verb. bewegen, opwekken, roeren, ontroeren, zetten, aanzetten, overhalen, voorstellen, verhuizen, trekken, vervoeren, gaan naar of naderen: Whose — is it? = wie moet spelen? To know a — or two = To be up to a — or two, To know all the —s on the board = uitgeslapen zijn; The train is on the — = in beweging; The minister —d the Army Estimates = stelde voor de behandeling der; To — into = betrekken; To — off = heengaan, opbreken, aftrekken; — on, Keep moving! = doorloopen! —able = Movable; —less = bewegingloos; —ment = beweging, aandoening; omzet; tempo; mechaniek (van uurwerken), stoelgang: —ment cure = heilgymnastiek; —ments = maatregelen; —r = beweger, voorsteller, oorzaak, bron, drijfveer; Moving = roerend, treffend, aandoenlijk, bewegend: —-day = verhuisdag; — force (spring); —ness = roerendheid.
Mow, mou, subst. het in de schuur opgehoopte hooi; ’t koren in schooven; — verb. aan hoopen zetten, opstapelen, maaien, hooien: The troops were —ed down by the enemy’s breechloaders = werden weggemaaid; —er.
Mow, mau, mou, subst. scheef of zuur gezicht; — verb. gezichten (een zuur gezicht) trekken.
Mowat(t), mauət, Mowbray, moubri.
Moxa, moksə, moxa of bijvoetwol, een brandmiddel ter genezing van jicht.
Moya, môiə, vulkaanmodder of slib (Zuid-Amer.).
Much, mɐtš, subst. groote hoeveelheid; adj. en adv. veel, zeer: As — = evenveel; He said as — = zoo iets zei hij; I thought as — = dat dacht ik al; As — again = nog eens zooveel; As — as to say = alsof hij zeggen wou; In as — as = voor zooverre; By — taller = veel langer, grooter; He is not — of a soldier = niet veel bijzonders als soldaat; It is not — of a thing = niet veel zaaks; That is too — of a good thing = overdreven veel, al té; Too — of a good thing is good for nothing = overdaad schaadt; — good may it do you = wel bekome het u (vaak iron.); That is — the same = vrijwel ’t zelfde; His words were — to this effect = kwamen vrijwel hierop neer; He was made — of = hij werd hoogelijk gewaardeerd, erg gevleid of aangehaald; He made — of himself = deed zich erg te goed, gooide zichzelf niet weg; They are — of a —ness = zij hebben vrij veel van elkaar; Our —-beloved friend = veelgeliefde.
Mucific, mjusifik, slijm afscheidend.
Mucilage, mjûsilidž, plantenslijm, slijmerige stof, (vloeibare) gom; Mucilaginous, mjûsiladžinɐs, slijmerig.
Muck, mɐk, mest, drek; iets vuils of verachtelijks; — verb. bemesten: It is all — = het is louter dwaasheid; —-cheap = dolgoedkoop; —-heap, —-hill = mesthoop; —-rake = mestvork; —-worm = mestworm, vrek; —er: To go a —er = druipen, failliet gaan, mislukken; —iness, subst. v. —y = vuil.
Mucor, mjûkə, slijm; Mucosity, mjukositi, slijmerigheid; Mucous, mjûkəs, slijmig, slijm …: — membranes = slijmvliezen; Mucus, mjûkəs, slijm.
Mud, mɐd, modder, slijk; — verb. (zich) bemodderen, bevuilen: To stick fast in the — = vast zitten (ook fig.); To throw — at = met modder gooien (ook fig.); —-bath = modderbad; —-cart = vuilniskar; —-cottage = leemen hut; —-dredger = baggermachine; —-guards = spatborden; —-hole = modderpoel; slijkgat in een stoomketel; —-lands = wadden; —-lark = vuilnisman. rioolkeerder; jongen die centen, opzettelijk daarin gegooid, uit den modderigen (Theems)oever ophaalt, ook wel: —-scraper; —-scow = modderpraam; —sill = drempel (onderste balk); de arbeidende klasse (Amer.); —-wall = leemen muur; —diness, subst. v. —dy, adj. modderig, bemodderd; aardsch, onduidelijk, verward, verdrietig; — verb. troebel maken, bevuilen, verwarren.
Muddie, mɐdi, moesje (voor Mother).
Muddle, mɐd’l, subst. verwarring, poespas, “beroerde” boel; — verb. troebel maken, omroeren, in de war brengen, dronken maken, verknoeien, weggooien, vuil worden, in de war zijn: I will straighten out this — = ik zal die (war)boel in orde brengen; He —d away his property in speculations = verspilde; Let them — it out among themselves = laat ze dat onder elkander uit- en goedmaken; He was rather —d = vrijwat “aangeschoten”; A —-headed fellow = sufferig, verward, beneveld.
Mudie, mjûdi: —’s Library.
Muezzin, mjuezin, uitroeper der uren voor het gebed (bij de Mahomedanen).
Muff, mɐf, subst. mof; huls, rol, wals; geknoei, sul; — verb. bederven, verknoeien: You —ed it at starting = je bedierf den boel van het begin af; To — a ball (bilj.); —-cap = berenmuts.
Muffetee, mɐfətî, polsmofje.
Muffin, mɐfin, een plat wit rond koekje, dat geroosterd en geboterd wordt; —-cap = platte ronde muts (Mil.); —-faced = met bleek gezicht; —eer, mɐfinîə, schotel om de geroosterde —s warm te houden; zout- of suikerstrooier.
Muffle, mɐf’l, subst. handschoen (bij ’t boksen), moffel, sourdine; snoet; — verb. warmpjes instoppen, den klank dempen, omfloersen, omwinden (bel of riem), verbergen, blinddoeken, tot zwijgen brengen, mompelen; —-furnace = moffeloven; —r (= Muffle), sluier, doek, bokshandschoen, sourdine.
Mufti, mɐfti, Mahom. geleerde, die godsdienstige en jurid. kwesties beslist: Officers in — = officieren in politiek; She is a saint in — = eene heilige in menschengedaante.
Mug, mɐg, kroes, kopje; smoel; — verb. ploeteren, blokken; grimeeren, gezichten trekken: To cut —s = gezichten trekken; I have got to — uncommonly hard = buitengewoon veel te ploeteren.
Muggins, mɐginz, een kinderkaartspel, soort dominospel.
Muggy, mɐgi, nat, vochtig; schimmelig; aangeschoten.
Mugwump, mɐgwɐmp, subst. hoofdman; gewichtigdoend persoon; onafhankelijk republikeinschgezinde; adj. gewichtig, onafhankelijk; — verb. zich onafhank. gedragen, gewichtig doen (Amer.).
Mulatto, mjulatou, mulat; Mulattress.
Mulberry, mɐlb’ri, moerbezie(boom); donker purper.
Mulch, mɐltš, subst. bladaarde (tuinb.); — verb. bedekken met bladaarde.
Mulct, mɐlkt, subst. geldboete; — verb. (met geldboete) straffen: He was —ed of (in) 10 shillings = beboet voor; —uary, mɐlktjuəri: — punishment = geldboete.
Mule, mjûl, muilezel; bastaardvorm, dwarskop; Jennymachine (= Spinning —); —-driver = —teer, mjûlətîə, muilezeldrijver; Mulish = koppig, bastaard; subst. —ness.
Mull, mɐl, subst. stof, molm; verwarring, mislukking; fijne mousseline; kaap; soort snuifdoos; — verb. verwarren, verknoeien, warmen, zoetmaken en kruiden (van wijn); verkruimelen: He made a — of his affairs = bracht in de war; —ed wine = soort van bisschop, warme wijn; —er = ketel voor warmen wijn; wrijfsteen.
Mullagatawny, mɐləgətôni, een met kerrie gekruide soep.
Mulle(i)n, mɐlin, grootbloemige toorts.
Mullet, mɐlət, harder; poon; spoorradje, 5 hoekige ster.
Mulligatawny, mɐligətôni = Mullagatawny.
Mulleygrubs, Mulligrubs, mɐligrɐbz, buikpijn; knorrepot, slecht humeur.
Mullion, mɐlj’n, versierde middenpost in een raam; — verb. verdeelen door —s.
Mullock, mɐlək, puin, verwarring, vuil.
Mulready, mɐlredi.
Mulse, mɐls, honigwijn.
Multangular, mɐltangjulə, veelhoekig; subst. —ness.
Multifarious, mɐltifêriəs, verscheiden, veelvuldig; subst. —ness.
Multiflorous, mɐltiflôrəs, veelbloemig.
Multiform, mɐltiföm, met veel vormen; subst —ity.
Multilateral, mɐltilatər’l, veelzijdig.
Multi-millionaire, mɐltimiljənêə, mɐltimiljənêə, iemand die vele millioenen bezit.
Multinomial, mɐltinoumj’l, uit meer dan drie termen bestaande.
Multiped, mɐltiped, Multipede, mɐltipîd, duizendpoot; adj. veelvoetig.
Multiple, mɐltip’l, adj. veelvoudig; veelvoud: (Least) common — = (kleinste) gemeene veelvoud; Multiplex = veelvoudig.
Multiplicand, mɐltiplikand, vermenigvuldigtal; Multiplicate, mɐltiplikit, mɐltiplikit, veelvoudig; Multiplication, mɐltiplikeiš’n, vermenigvuldiging: —-table = tafel van vermenigvuldiging; Multiplicative = vermenigvuldigend; Multiplicity = menigvuldigheid; Multiplier, mɐltiplaiə, vermenigvuldiger; Multiply, mɐltiplai, (zich) vermenigvuldigen: —ing glass, — lens = glas met tal van facetten, die het voorwerp verveelvoudigen.
Multitude, mɐltitjûd, menigte, groot aantal: The — = “de groote hoop”; Multitudinous = talrijk, veelvuldig.
Multum-in-parvo, mɐlt’minpâvou, veel in een klein bestek.
Mum, mɐm, stil; — verb. zwijgen; zich vermommen; subst. zoet, dik bier: As — as a mouse; To be (keep) — = zijn mond houden; — then! = St.! —’s the word! = mondje dicht! —-chance = lummel; een kaart of dobbelspel: Am I to sit —-chance? = moet ik er voor niet (Piet Lut) bijzitten?
Mumble, mɐmb’l, mompelen, prevelen, mummelend kauwen; ook subst. = —r.
Mumbo Jumbo, mɐmboudžɐmbou, boeman; hocus pocus.
Mum(m), mɐm, zich vermommen of maskeeren, komedie spelen; —mer = gemaskeerde, rondreizende acteur; —mer worship = overdreven vereering van acteurs; —mery = pret, maskerade, misleiding; —ming = maskeradepret, komediespelen.
Mummy, mɐmi, subst. mummie, entwas; maatje; — verb. balsemen: I’ll beat you to a — = ik zal je tot mosterd slaan; Mummification, subst. v. Mummify = balsemen, tot mummie maken.
Mump, mɐmp, mompelen, grijnzen, klagend bedelen, bedriegen; —er = bedelaar.
Mumpish, mɐmpiš, verdrietig, gemelijk; subst. —ness; Mumps, mɐmps, gemelijkheid; bof (Med.): To be in one’s — = uit zijn humeur.
Mumsy, mɐmzi, maatje.
Munch, mɐnš, hoorbaar, voorzichtig kauwen, smakkend eten; —er.
Mundane, mɐndein, wereldlijk, aardsch: — pleasures.
Mungo, mɐŋgou, grove wollen stof; slangenwortel.
Mungoose, mɐŋgûs = Mongoose.
Munich, mjûnik, München.
Municipal, mjunisip’l, gemeentelijk: — Corporations Act = Eng. gemeentewet van 1835; — elections = verkiezingen voor den gemeenteraad; — schools; —ity, mjûnisipaliti, (burgerlijke) gemeente.
Munificence, mjunifisens, mild(dadig)heid; Munificent = milddadig, grootmoedig.
Muniment, mjûniment, versterking, bolwerk (ook fig.); acte, oorkonde; —-room = archief.
Munition, mjuniš’n, krijgsvoorraad: —-bread = kommiesbrood.
Munshi, mûnši, tolk, taalgeleerde, secretaris.
Murad, mûrâd.
Mural, mjûr’l, wand …, muur …: — crown = gouden kroon voor den Romeinschen soldaat die het eerst den muur beklom.
Murcia, mɐ̂šə.
Murder, mɐ̂də, subst. moord; — verb. vermoorden, vernielen, verknoeien: To commit (a) — = bedrijven; — will out = komt altijd aan het licht; The — is out = het geheim is verklapt, nu weet ge de waarheid; —er = moordenaar; —ess = moordenares, moordenaarster; —ous = moorddadig, bloedig.
Murex, mjûreks, stekelhorenslak.
Muriatic, mjûriatik, adj. zout …: — acid = zoutzuur; Muriate: — of ammonia = salmiak; — of soda = keukenzout.
Muricate(d), mjûrikit, —eitid, stekelig.
Murk, mɐ̂k, subst. duisternis; adj. duister, dreigend, zwart; subst. —iness; —y = donker, duister.
Murmur, mɐ̂mə, subst. gemurmel, gemompel, gemor, gebrom, gesuis, geruisch; — verb. murmelen, mompelen, onduidelijk spreken, in den baard brommen, morren; —er = knorrepot.
Murrain, mɐrən, subst. veepest; mond- en klauwzeer; adj. aan veepest lijdend: A — on (to) you, — take you! = krijg de pest!
Murza, mɐ̂zə, erfelijke Tartaarsche adeltitel.
Muscadel, mɐskədel, Muscadine, mɐskəd(a)in, Muscat, mɐskət, Muscatel, mɐskətel, Muscaatwijn, muscaatdruiven, muscadelpeer.
Muscle, mɐs’l, spier, (spier)kracht: —d = gespierd.
Muscovado, mɐskəveidou, ongeraffineerde suiker = — sugar.
Muscovite, mɐskəvait, bewoner van Moskou, Rus; Moscovisch glas; ook adj.; Muscovy.
Muscular, mɐskjulə, gespierd, spier …: — strength = spierkracht; Muscularity = gespierdheid; Musculature, mɐskjələtjə, spierstelsel.
Muse, mjûz, subst. muze, dichtergave, dichtkunst.
Muse, mjûz, subst. gepeins etc; — verb. peinzen, nadenken, overwegen, afgetrokken zijn, peinzend kijken naar: To be at (in) a — = in gepeins verzonken; —d = beneveld; —r.
Musette, mjuzet, soort hobo of doedelzak; eenvoudige melodie met begeleiding daarvan.
Museum, mjuzîəm, museum.
Mush, mɐš, gekookte (maïs)meelpap (Amer.).
Mushroom, mɐšrum, subst. (eetbare) paddenstoel; parvenu; parapluie; adj. van paddenstoel …, parvenuachtig; nieuwbakken: — aristocracy = nieuwbakken adel; —-ketchup = champignonsaus.
Mushy, mɐši, brijig, week, slap.
Music, mjûzik, muziek, melodie, toonkunst, partituur, harmonie; twist, pret (Amer.): To discourse (to make, to perform) — = maken; To face the — = aan den dans gaan (fig.), gevaar of moeielijkheid trotseeren; To snore like a military — = als een muziekkorps; To set to — = op muziek zetten; Rough — = ketelmuziek; —-book; —-desk; —-governess = leerares in muziek en zang; —-hall = Specialiteiten Theater, café-chantant; —-lover; He is —-mad = dol op muziek; —-master; —-mistress; —-paper; —-seller; —-shop; —-stand = muziekstander; muziektent; —-stool = pianostoeltje; —al = muzikaal, welluidend, muziek …; —(al) box = speeldoos; —al composer = componist; —al chairs = een bepaald gezelschapsspel; —al clock = speelklok; —al glasses = glasharmonica; subst. —alness; Musician, mjuziš’n, musicus, toonkunstenaar, muzikant.
Musk, mɐsk, muskus, muskusgeur, muskusdier, muskusplant; — verb. met muskus parfumeeren; —-apple (—-pear) muskadelappel (—peer); —-beaver = bisam of beverrat (= —-rat); —-deer = muskusdier; —-rose = muskusroos; —-wood = muskushout; —iness, subst. v. —y = muskusachtig.
Musket, mɐskət, (oude) snaphaan: Flintlock —; —-proof = kogelvrij; —-rest = bok voor een geweer; —eer, mɐskətîə, musketier; —ry = geweervuur.
Muslin, mɐzlin, subst. mousseline, neteldoek; ook adj.: — de laine = wollen mousseline; Muslinet = grof neteldoek; —y.
Musnud, mɐsnɐd, eereplaats (Brit. Ind.).
Musquash, mɐskwoš = Muskrat.
Musrol(e), mɐzroul, neusriem v. een paard.
Muss, mɐs, subst. verwarde toestand; kloppartij; — verb. in verwarring brengen (Amer.): They got into a — over that girl = raakten aan het bakkeleien.
Mussel, mɐs’l, mossel: —-bed.
Mussulman, mɐs’lman, muzelman; adj. Mussulmanish.
Must, mɐst, moet, moest, moeten, moesten.
Must, mɐst, subst. most; kaam; — verb. (be)schimmelen, muf worden; —iness, subst. v. —y = schimmelig, muf, afgezaagd, zouteloos: A —y smelling study = muffe studeerkamer.
Mustache, mɐstâš, mustâš; Mustachio, mɐstâšou, mustâšou. Zie Moustache.
Mustang, mustaŋ, wild prairiepaard; —er, mustaŋə, vanger van prairiepaarden.
Mustard, mɐstəd, mosterd: —-blister (—-cataplasm, —-plaster) = mosterdpleister; —-pot; —-seed.
Musteline, mɐstəl(a)in, tot de wezels behoorende; roodbruin.
Muster, mɐstə, subst. wapenschouwing, monstering, stamboek, appèl, verzameling; — verb. monsteren, oproepen, revue houden, samenkomen: That can(not) pass — = dat kan er (niet) door, is (niet) voldoende; He could not — a shilling = kon geen 60 cent bij elkaar krijgen; To — into (out of) service = aanmonsteren (afmonsteren); He could not — up courage enough = hij kon er niet toe komen, bleek geen moed genoeg te bezitten; —-book = stamboek (milit.); —-roll = monsterrol.
Mutability, mjutəbiliti, subst. v. Mutable, mjûtəb’l, veranderlijk, ongedurig, wispelturig, wankelmoedig: — sands = drijfzand; —ness = veranderlijkheid, wankelmoedigheid; Mutate = veranderen; Mutation = verandering, mutatie, stemwisseling.
Mutchkin, mɐtškin, ¼ (Schot.) pint.
Mute, mjût, stom, sprakeloos, zwijgend; subst. stomme, stomme letter, stemlooze medeklinker, bidder, figurant, demper (muz.); meute; kooi, vogeldrek; — verb. ruien; subst. —ness.
Mutilate, mjûtileit, verminken; subst. Mutilation; Mutilator.
Mutineer, mjûtinîə, muiter, oproermaker; Mutinous, mjûtinɐs, muitziek, oproerig; subst. —ness; Mutiny = opstand, oproer, muiterij; — verb. aan het muiten slaan: To foment — = tot muiterij aanzetten; — Act = (van 1689 tot 1879) een krijgswet, die jaarlijks verlengd werd om den koning te machtigen een staand leger te houden.
Mutter, mɐtə, mompelen, brommen, rommelen; —er.
Mutton, mɐt’n, schapenvleesch, schaap, vrouwspersoon, lichtekooi: We must return to our —s = weer op ons onderwerp terugkomen; As dead as — = zoo dood als een pier; —-chop = schaapscotelette: Whiskers of the —-chop formation; —-head = schaapskop.
Mutual, mjûtjuəl, onderling, wederkeerig, wederzijdsch: Our — friend = gemeenschappelijke; On — terms = op gelijke voorwaarden van weerszijden; Mutuality = wederkeerigheid.
Muzzle, mɐz’l, subst. muil, bek, snuit, muilband, prop, mond of tromp (van vuurwapenen); — verb. muilbanden, knevelen: To put the — on = niet eten; —-loader = voorlaadgeweer(-kanon) = —-loading gun; —-velocity = aanvangssnelheid.
Muzzy, mɐzi, verstrooid, beneveld.
My, mai, mijn (pron. poss.): (Oh) — = goeie genade = (Oh) — eye; — word! There’s pluck in you = waarachtig, je durft!
Myelitis, maiilaitis, ruggemergsontsteking.
Mynheer, minhîə, mainhêə, Hollander (schertsend).
Myography, maiogrəfi, spierbeschrijving.
Myology, maiolədži, leer der spieren.
Myope, maioup, bijziend persoon; Myopia, maioupjə, bijziendheid = Myopy, maiəpi.
Myosotis, maiəsoutis, vergeetmenietje.
Myotomy, maiotəmi, anatomie der spieren, spierdoorsnijding.
Myriad, miriad, tienduizend(tal), zeer groot aantal; ook adj. ontelbaar: Those — interests.
Myriapod, miriəpod, miriapod, duizendpoot.
Myrmidon, mɐ̂midon, subst. (slaafsch) volgeling, handlanger: — of the law = gerechtsdienaar, beulsknecht.
Myrrh, mɐ̂, mirre; —ic = uit m. getrokken.
Myrrha, mɐ̂rə.
Myrtle, mɐ̂t’l, mirt; —-berry = mirtbes.
Myself, maiself, zelf, ikzelf: I am not exactly — = niet recht lekker; I was by — the whole evening = was alléén.
Mysore, maisö.
Mystagogue, mistəgog, verklaarder van goddelijke geheimenissen; Mystagogy, mistəgoudži, verklaring van mystieke leerstellingen; sacramenten.
Mysterious, mistîriəs, geheimzinnig, verborgen; subst. —ness; Mystery, mistəri, mysteriespel (= — play), geheim, raadsel, sacrament; Mystic, subst. mysticus; adj. geheim, mystisch, raadselachtig, zinnebeeldig = Mystical; subst. —ness; Mysticism = mysticisme; Mystification, mystificatie, opzettelijke misleiding; Mystify, mistifai, misleiden, bedriegen.
Myth, mith, mythe, fabel; —ic(al) = fabelachtig, mythisch; —ographer, mithogrəfə, schrijver van mythen, fabelen en legenden; —ologic(al) = mythologisch; —ology, mitholədži, mythologie, godenleer.
Mytilene, mitilînə.