P. (continued 2)
Reading edition
Pink, piŋk, subst. rose anjelier, lichtroode kleurstof; uitstekendheid, hoogte, puikje; pink (schip); — adj. rosekleurig, lichtrood; uitstekend (Am.): The champion-rider was in the — of condition = was in uitstekende “conditie”; He is the — of fashion = hij is de spiegel (het toonbeeld) der mode; Napoleon dreaded the — of that society more than Russia itself = die allerhoogste kringen; The Pink’un = een sportblad (Vergel. De “Groene”); To change to — = een rooden jagersrok aantrekken; —-eyed = met kleine glinsterende oogen; —-sterned = met smallen achtersteven; —y = rose, vleeschkleurig; subst. pink (Amer.).
Pink, piŋk, doorboren, doorsteken; verfraaien, verbloemen (Amer.).
Pinkster, piŋkstə, Pinksteren (Amer.).
Pinnace, pinis, pinas, 6 of 8 riemssloep van een oorlogsschip.
Pinnacle, pinək’l, subst. tinne, toppunt; — verb. van eene tinne of een top voorzien, kronen: The — of fame = toppunt van beroemdheid.
Pinnate, pinit, gevederd.
Pinniped, piniped, vinpootig (dier).
Pinnock, pinək, meesje.
Pint, paint, subst. pint (⅛ gallon = ± 0,568 L.); —-pot = klein huisje (Am.); kan die een pint inhoudt.
Pintle, pint’l, pen, bout, roerhaak.
Piny, paini, vol pijnboomen, pijnboomachtig.
Pioneer, paiənîə, subst. pionier, baanbreker, wegbereider; — verb. den weg bereiden.
Piony, paiəni, pioen.
Pious, paiəs, vroom, godvruchtig, teeder; —-minded = met vroom gemoed.
Pip, pip, subst. pip (vogelziekte), pit (v. eene vrucht), oog (op eene kaart); verk. v. Philip: — verb. piepen, sjilpen: Count your —s = tel, hoeveel oogen gij hebt.
Pipe, paip, pijp, buis, fluit(je), luchtpijp, stem; maat v. twee okshoofden of 126 gallons; — verb. op de fluit spelen, een fluitsignaal geven, van pijpen voorzien, huilen, zingen: In a feeble — = met zwakke stem; All the children were on full —, on the full howl = waren om het hardst aan het janken en gillen; To charge (fill) a — = stoppen; I’ll clear my — first = mijne keel schrapen; To hit the — = opium schuiven; I’ll put your — out = ik zàl je wel; Put that in your — and smoke it = steek dat in je zak; His — was stopped, went out = was verstopt, ging uit; He began to — down = een toontje lager te zingen; He dances as she —s = hij danst naar haar pijpen; —-bowl = kop; —-clay = pijpaarde; — verb. pijpaarden; —-cleaner (—-cleanser); —-laying = het leggen van pijpen; politieke intrigues (Amer.); —-light = fidibus; —-picker = pijpuitpluizer; —-rack = pijpenstander; —-stem = steel; —-tree = sering; —r: Who is to pay the —r? = “Wie zal dat betalen, zoete, lieve Gerritje”? Piping = schril, schel, zwak, kokend heet (= — hot): The — days of yore = de goede oude tijd.
Piperic, paiperik: — acid = piperinezuur.
Pipkin, pipkin, aarden pot, tobbetje.
Pippin, pipin, kleine zure appel, pippeling.
Pipul, pipul, de heilige vijgenboom (Brit. Ind.).
Piquancy, pîk’nsi, pik’nsi, scherpheid, stekeligheid; Piquant = pikant, scherp, doordringend; Pique, pîk, subst. pik of piek, wrok, spijtigheid, gevoeligheid; — verb. boos maken, beleedigen, prikkelen: In a moment of — she accepted him = in een spijtig oogenblik schonk ze hem hare hand; She —d herself on her ladylike tastes = liet zich heel wat voorstaan op.
Piquet, piket, pikət, piket, piketspel.
Piracy, pairisi, zeerooverij, nadruk = Book —; Pirate, pairit, subst. zeeroover(sschip), letterdief; — verb. zeeroof plegen, onbevoegd nadrukken; Piratical, pairatik’l, zeerooverij of letterkundigen diefstal plegend: — printer.
Piraeus, pairîəs; Pirie, piri.
Pirn, pɐ̂n, (garen)klos, spoel.
Pirogue, piroug, uitgeholde boomstam (als kano); smalle boot.
Pirouette, piruet, subst. pirouette: To turn a — = To pirouette.
Pisa, pîzə; Pisanio, piseiniou.
Piscary, piskəri, vischrecht, ook: Common of —; Piscatorial, piskətôriəl, Piscatory, piskətəri, visschers …, tot het visschen behoorende; Pisces, pisîz, de Visschen (dierenriem); Pisciculture, pisikɐltjə, vischteelt; Piscine, pis(a)in, tot de visschen behoorende; Piscivorous, pisivərɐs, vischetend.
Pisé, pîzei, ineengestampte aarde.
Pish, piš, interj. foei! bah! — verb. verachting uitdrukken: To cry — at = To — at.
Piss, pis, subst. urine; — verb. urineeren.
Pistachio, pisteišiou, pistatšou: — nut = groene amandel.
Pistareen, pistərîn, peseta (munt); adj. gering.
Pistil, pistil, stamper (v. bloemen); —laceous pistileišəs, tot den stamper behoorend, stamper …; —late = met een stamper.
Pistol, pist’l, subst. pistool; — verb. doodschieten (met een pistool): —-bag = holster; —-case = pistoolkistje.
Pistole, pistoul, pistoul, gouden munt (ƒ 9 à ƒ 12).
Piston, pist’n, klep, zuiger; zuignapje: —-rod = zuigerstang; —-stroke = zuigerslag; —-valve = zuigerklep.
Pit, pit, subst. put, kuil, afgrond, diepte, parterre (schouwburg), plaats voor hanengevechten; een kaartspel; — verb. uithollen, in eene put plaatsen, aanzetten, ophitsen, met kuiltjes of pokken merken: The — = het graf; He flew the — = hij gaf den strijd op; He hit the — of my stomach = raakte me in de maagholte; He has the power of — and gallows = kerker en dood; To — against = stellen tegenover; He —ted his brains against that difficult language = hij studeerde hard op die taal; —ted with the smallpox = van de pokken geschonden (ook: Pock-—ted); —fall = val, strik, valluik; —man = putwerker; —-pat = tik.… tak; —-saw = kraanzaag (voor twee man: de onderste heet —man of —-sawyer, de bovenste top-sawyer); —tite = volgeling van Pitt, parterre-bezoeker = —ster.
Pit-a-pat, pitəpat, subst. klopping, tiktak, getrippel; adv. tikketak; — verb. trippelen: And my heart went — = ging rikketik.
Pitch, pitš, subst. pik of pek; hoogte, toppunt, graad of trap; diepte, helling; toestand; toonhoogte; worp, stalletje; — verb. teeren, pikken; bevestigen, zetten, opstellen, steken, regelen, werpen, slingeren, met een hooivork gooien of aanreiken, ruw plaveien, stemmen, den (grond)toon bepalen, kampeeren, (voorover) vallen, zich storten op, neerkomen, stampen (v. een schip): One cannot touch — without being defiled; As dark (black) as — = zoo donker als de nacht; —-and-toss = kop of leeuw; It rose to the highest — = het bereikte het toppunt; — of a roof = helling v. een dak; — of a room = de hoogte van vloer tot zolder; — of a saw = helling van de tanden van eene zaag; (All our rooms are well —ed = van behoorlijke hoogte); A —ed battle = geregelde slag; A —ed street = eene met granietblokken geplaveide straat; They —ed a camp near the town = sloegen op; — into him = sla er op; I could not — upon the right word = kon niet vinden; The 17th was —ed upon = het werd op den 17en vastgesteld; Mind the —ing = denk om de helling; The —ing of the ship was something terrible = het schip stampte verschrikkelijk; —-farthing = het spelen met centen in een kuil; —fork = hooivork; — verb. met een hooivork opgooien of aanreiken: He was —forked into that office = kreeg dat ambt door zijne vele kruiwagens; —-pipe = stemfluitje; —iness, subst. v. —y = pikachtig, pikzwart, duister, akelig.
Pitcher, pitšə, soort v. houweel; kruik of kan; iemand, die van een stalletje verkoopt; straatkunstenaar: —s have ears = kleine potjes hebben ook ooren; So often goes the — to the well, that it comes home broken at last = de kruik gaat zoolang te water tot ze breekt.
Piteous, pitjəs, ellendig, jammerlijk, treurig; medelijden hebbend met (of); subst. —ness.
Pith, pith, pit, kern, merg, kracht, nadruk, het essentiëele; —iness = pittigheid, kracht; —less = zonder pit (ook fig.), slap, zwak; subst. —lessness; —y = pittig, krachtig.
Pitiable, pitiəb’l, jammerlijk; subst. —ness.
Pitiful, pitiful, medelijdend; erbarmelijk, onbeduidend; subst. —ness; Pitiless = onbarmhartig; subst. —ness.
Pittance, pit’ns, gave, kleine portie, schrale kost, beetje.
Pity, piti, subst. medelijden, jammer, ellende; — verb. medelijden hebben; beklagen: It’s a great — = het is (erg) jammer; Do it, for —’s sake = doe het om Gods wil; More is the — = jammer genoeg, wat nog erger is; Have (take) — on him = wees hem genadig, heb deernis met; I — you, though you never complain of him = ik beklaag u, ofschoon gij nooit over hem klaagt; He is to be pitied = is te beklagen.
Pius, paiəs.
Pivot, pivət, spil, guide (= —-man); — verb. draaien; —al question = hoofdzaak.
Pix, piks = Pyx.
Pixy, piksi, fee, toovergodin.
Pizzle, piz’l, roede: Bull’s — = bullepees.
Placability, plakəbiliti, pleikəbiliti, verzoenbaarheid, vergevensgezindheid, toegevendheid; adj. Placable, plakəb’l, pleikəb’l.
Placard, pləkâd, plakəd, subst. plakkaat, aanplakbiljet; — verb. biljetten aanplakken, bekend maken door plakkaten.
Place, pleis, subst. plaats, ruimte, inrichting, gebouw, verblijf, stad, dorp, betrekking, rang, stand; — verb. plaatsen, op intrest zetten, (geld) beleggen (ook: to — out), schatten, de eerste, tweede of derde plaats toekennen (bij wedrennen), aanstellen: In — = op de juiste plaats; In the first — = ten eerste; In his — = in zijn plaats; In — of = in plaats van; The right man in the right — = de rechte man op de rechte plaats; To be out of — = buiten betrekking; To be badly (entirely) out of — = totaal misplaatst; To be all over the — = aan de orde van den dag zijn; I do not wish to change my — = ik wensch geene andere betrekking; Shall we change —s = van plaats verwisselen; He filled his — to everybody’s satisfaction = nam zijne betrekking waar; To give — to = vervangen worden door; Censure began to give — to curiosity = begon te wijken voor; He has long since gone to his — = is ten grave gedaald; To know one’s — = weten waar men moet staan (ook fig.); To put in his — = op zijn nummer zetten; To take — = plaats hebben; To take —s = plaatsen bespreken; —-hunter = baantjesjager; —man = iemand, die door zijne partij aan een baantje geholpen wordt; —-name = plaatsnaam.
Placenta, pləsentə, moederkoek; adj. —l.
Placer, pleisə, plasə, goudbevattend terrein, goudmijn (ook fig.).
Placid, plasid, kalm, rustig, vreedzaam; subst. —ity, pləsiditi = —ness.
Placket, plakət, split v. een vrouwenrok (= —-hole); rok, schort, vrouw.
Plagiarism, pleidžiərizm, letterdieverij; Plagiarist, pleidžiərist, letterdief; Plagiarize = letterdieverij plegen.
Plague, pleig, subst. pest, plaag, ramp, straf; — verb. met de pest besmetten, met eenige ramp bezoeken; kwellen, plagen: (A) — on his sentiments = laat hij met zijne opinies naar den duivel loopen; You little — = kleine rakker! —-spot (—-token) = pestbuil, schandvlek; Plaguy, pleigi, pest - -, besmettelijk, vervelend, lastig, ondragelijk, veel, zeer.
Plaice, pleis, schol; platvisch.
Plaid, plad, pleid, subst. geruite wollen omslagdoek in Schotland; reisdeken; adj. Schotsch.
Plain, plein, subst. vlakte, vlak, veld; adj. vlak, open, helder, duidelijk, eenvoudig, niet schoon, leelijk; — verb. klagen, beklagen; uitleggen: In — clothes = in burgerkleeren; A — face = alledaagsch, niet mooi; In — terms = ronduit; That’s the — truth = dat is de zuivere waarheid; Sausage and — = worst met gekookte aardappelen; He put it very — = drukte zich zeer duidelijk uit; — cooking = burgerpot; —-dealer = oprecht en eerlijk man; —-dealing = oprechtheid, rondheid; —-song = koraalgezang; —-speaking = openhartigheid, oprechtheid; —-spoken = openhartig, rond; —-work = nuttige handwerken; —ness = vlakheid, etc.
Plaint, pleint, weeklacht, klaaglied; aanklacht; Plaintiff = (aan)klager, eischer; Plaintive = jammerend, klagend, droevig; subst. —ness.
Plaister, plâstə, pleistə; Zie Plaster.
Plait, pleit, subst. platte vouw, plooi; vlecht; bonbon, borstplaat; — verb. vouwen, plooien, vlechten: She carefully removes my —s (= valsche vlechten of valsch haar) and gingerly applies the comb to what is left on my head.
Plan, plan, subst. ontwerp, plan, schets, methode; — verb. een plan maken, schetsen, ontwerpen, beoogen: — of campaign = krijgsplan; On an entirely new — = volgens eene geheel nieuwe methode; The — fell away (through) = viel in duigen; I have changed my —s = ik ben van plan veranderd; They were always —ning and plotting = aan het plannen maken en samenzweren; —less; —ner.
Planchet, planšət, muntplaatje.
Plane, plein, vlak, effen; subst. vlakte, vlak, oppervlak, basis, sfeer, trap, gebied; schaaf; plataan (= —-tree); — verb. effenen, schaven: — chart = kaart naar Mercators projectie; — geometry = vlakke meetkunde; — sailing = zeilen op een gelijkgradige kaart; eenvoudige zaak; —-table = planchet (in graden verdeeld instrument voor het landmeten); —-tree = plataanboom; —r = schaver; schaaf.
Planet, planət, planeet; —-struck, —-stricken = door den invloed van planeten getroffen, als verlamd; —-wheel = planeetrad; —arium, planətêriəm, planetarium; —ary = veroorzaakt door planeten; planeet …; —oid, planətôid, asteroid.
Plangent, planž’nt, luid klotsend.
Planimetric(al), pleinimetrik(’l), planimetrik(’l), planimetrisch; Planimetry, plənimətri, pleinimətri, vlakke meetkunde.
Planing, pleiniŋ: — bench = schaafbank; —-machine = schaafmachine.
Planish, planiš, planeeren, glad schaven, polijsten, pletten; —er.
Planisphere, planisfîə, planisfeer.
Plank, plaŋk, subst. plank; beginsel van een politiek programma; — verb. met planken beleggen of bedekken; neerleggen (gooien) = To — down (Amer.); The pirates made their captives walk the — = spoelden hun gevangenen de voeten; A —ed way = plankier.
Plano, pleinou: —-concave = planconcaaf; —-conical = planconisch; —-convex = planconvex.
Plant, plânt, subst. plant, gewas; al het materiaal voor een bepaalden arbeid; bedriegerij, zwendel; — verb. planten, vestigen, neerzetten, zaaien: Railway — = al het materiaal voor een spoorweg; I am sure he has some — on = dat hij iets in het schild voert; —ing his right foot with some force on the ground = neerzettende; To — oneself four square = zich schrap zetten; —-cane = suikerriet van het eerste jaar; —-marker = naambordje (bij plant.); —er; —ing-ground = (kunstmatige) oesterbank; —let = plantje.
Plantain, plantən, weegbree; pisang.
Plantation, planteiš’n, aanplanting, beplanting, plantage, nederzetting.
Plantigrade, plantigreid, op de zolen loopend; zoolganger.
Plap, plap, kletteren (v. water).
Plaque, plâk, geëmailleerd of beschilderd bord van aardewerk of metaal; ster van eene orde, schijf; Plaquette, pləket, plaquette.
Plash, plaš, subst. tak (in eene heg) met andere takken dooreengevlochten; geklots, geplas, plas; — verb. dooreenvlechten van takken; plassen, sprenkelen; —y, plaši, drassig; gespikkeld.
Plasma, plazmə, plasma; een soort van groen kwarts; Plasmatic(al) = vorm of gedaante gevend; plasma-achtig.
Plaster, plâstə, subst. pleister(werk), gips, cement; pleister; — verb. bepleisteren, berapen, besmeren: Calcined — = — of Paris = gebrande gips; — bust = buste van gips; — image = gipsen beeldje; — image maker; Adhesive (Sticking) — = hechtpleister; Blistering (Cantharides, Vesicating) — = trekpleister; Court — (Isinglass —) = Engelsche pleister; He was —ed all over = als bedekt met pleisters of pappen; —er = stucadoor.
Plastic, plastik, plastisch, beeldend, vormend, vormbaar: — art = de beeldende kunst; — clay = pottebakkersaarde; —ity, pləstisiti, plasticiteit, vormbaarheid.
Plastron, plastr’n, borstharnas, borst- of stootlap (voor schermers), borststuk, borst in kleedingstuk; plastron.
Plat, plat, subst. lapje grond, plan, vlecht, vlechtstroo (= —ting); — verb. een plattegrond maken van, vlechten; —band = rabat (bloembed), bovenstijl van venster of deur.
Platan, plat’n, —e, platein, plataan.
Plate, pleit, subst. plaat, bord, metalen vaatwerk, gouden en zilveren schotels of andere voorwerpen (als prijzen), tafelzilver, schaal, gang, etc.; harnas; — verb. met zilver of goud bedekken, pantseren, pletten; —-armour = pantserplaten; —-basket = afhaalmandje; —-fleet = (de Spaansche) zilvervloot; —-glass = spiegelglas; —-iron = plaatijzer; —-layer = legger van spoorstaven; —-mark = keur; —-rack = rek voor borden en schotels; —-warmer.
Plateau, plətou, hoogvlakte, tafelland.
Platen, plat’n, degel (boekdr.).
Platform, platföm, verhoogde vloer, tribune, terras, balkon (van tram), perron, politiek programma of pol. redevoeringen; bedding van een stuk geschut.
Platina, platinə, plətînə, Platinum, platinɐm, plətînəm, platina: — crucible; —-wire; adj. Platinic; Platiniferous = platina opleverend.
Platitude, platitjûd, platheid, onbeduidendheid, oppervlakkigheid: He is endlessly prolix and platitudinous = en vol gemeenplaatsen.
Plato, pleitou, Plato; —nic, plətonik, platonisch: — love (= Platonics); — year = platonisch jaar (ongeveer 26,000 jaren); —nism = wijsbegeerte van P.; —nist = volgeling van Plato.
Platoon, plətûn, peleton: In (By) —s; — firing.
Platter, platə, houten bord, groote platte schotel.
Plaudit, plôdit, toejuiching; —ory = toejuichend.
Plausibility, plôzibiliti, subst. v. Plausible, plôzib’l, plausibel, aannemelijk, aangenaam voor oog of zinnen, mooi pratend, met gladde tong; subst. —ness.
Play, plei, subst. spel, vermaak, vrijheid van handeling, ruimte, tooneelstuk, wijze van spelen; — verb. spelen, in beweging zijn, bespuiten, beschieten, etc.: It was as good as a — = onbetaalbaar; — of colours = kleurenspel; A — on (upon) words = woordspeling; To leave off boys’ — = de kinderschoenen uittrekken; Let him have fair — = geef hem een eerlijke kans, behandel hem zoo royaal mogelijk; That is not fair — = niet eerlijk; To give full (free) — = vrij spel laten; A child at — = spelend; His pen was in full — = hij gebruikte zijne pen ter dege; The waterworks were in full — = aan ’t springen; I am in — = aan stoot (bilj.); He called into — all his influence = hij liet al zijn invloed gelden; You must try to hold (keep) them in — = aan den gang te houden; To put into — = in beweging brengen; You must — or pay = ge moet doorspelen of alles verbeuren (“hangen of verzuipen”); To — fair, foul = eerlijk, oneerlijk; You — me false = bedriegt mij; He —s fast and loose with his money = hij gooit zijn geld weg; He —s fast and loose = hij is grillig, wispelturig; To — boats (horses, school, soldiers) = scheepjezeilen, paardje spelen, etc.; To — (at) cards (chess, dice); To — the deuce (devil) with = beetnemen, erg te pakken nemen, ondermijnen; To — a fish = laten uitspartelen; To — the fool (with) = zich mal aanstellen (malle streken uithalen met); To — the game = eerlijk of flink handelen; He —s a capital knife and fork = kan geducht eten, eet kolossaal; To — a prominent part = een hoofdrol spelen; He has —ed (the) truant = hij is stil uit school (van zijn werk) weggebleven; They —ed first at blindman’s buff and then at keeping house = ze speelden eerst blindemannetje en toen huismoedertje; Two can — at this = dàt kan ik ook; We will not — for money but for love = niet om geld, maar om de eer (voor ons plezier); I only — for safety = op goed af (bilj.); To — into each other’s hands = elkaar den bal toekaatsen (fig.); He —ed off that trick on me = hij bakte mij die poets; To — off one against the other = tegen elkaar uitspelen; He has many talents, but he —s them off = loopt er mee te koop; To — on words = woordspelingen maken; They —ed out their dinner = betaalden het diner met hun spelen; —ed out = op, verbruikt, uitgeput; The musicians must — up = beginnen, opspelen; They did not — up to me = zij speelden niet in mijn kaart; You — upon me = gij bedriegt mij; I —ed with his follies as an angler —s the fish at the end of his line = ik speelde met zijn dwaasheden, zooals de hengelaar den visch laat uitspartelen; —-acting = tooneelspelen; —-actor = tooneelspeler; —bill = affiche, programma; —-book = tekstboekje; —-day = speeldag; vacantiedag; —-debt = speelschuld; —fellow = speelmakker; —goer = geregeld theaterbezoeker; —ground = speelplaats; —house = theater; —mate = speelkameraad; —thing = stuk speelgoed; —wright = schrijver van tooneelstukken = —-writer; —er = speler; —ful = speelsch, schalksch; subst. —fulness.
Plea, plî, pleit, pleidooi, excuus, verweer, dringend verzoek: Court of Common —s = vroeger gerechtshof, thans onder The Queen’s Bench Division van het High Court of Justice; On (Under) the — that = onder voorwendsel; To urge the — of necessity = op de noodzakelijkheid wijzen.
Pleach, plîtš: —ed walk = berceau.
Plead, plîd, pleiten, een pleidooi houden, zich verweren, bewijzen voor of tegen bijbrengen, voorgeven, aanvoeren, verontschuldigen: To — for a person, To — a person’s cause = iemands zaak bepleiten; He —ed ignorance, innocence, guilty = hij gaf voor dat hij er niets van wist, dat hij onschuldig was, hij bekende; —able = wat aangevoerd kan worden; —er: Special —er = sophistisch verdediger; Special —ing = het aanvoeren van nieuw bewijsmateriaal (in tegenstelling met het weerleggen van het door de tegenpartij aangevoerde), draaierij; —ings = protocollen, processen-verbaal, processtukken.
Pleasance, plez’ns, vermaak, vroolijkheid; lusthof; Pleasant, plez’nt, aangenaam, prettig, vroolijk; subst. —ness; —ry, plez’ntri, vroolijkheid, scherts, grapje.
Please, plîz, behagen, genot verschaffen, believen: He was —d to say so = het behaagde hem; Are you not yet —d! = hebt ge nog niet genoeg? He was —d at hearing of my success = was verheugd te hooren; —d with = ingenomen met; — come in = Will you — to walk in? = mag ik u verzoeken binnen te gaan; As you — = naar u verkiest; As —d as Punch = dolblij; If you — = alstublieft; ook: met permissie, note bene; —, don’t say so = zeg dàt nu niet; — acknowledge receipt = ontvangbewijs verzocht; Pleasing, subst. het behagen of voldoen; adj. aangenaam, behaaglijk: — ways = innemende manier van doen; subst. —ness = innemendheid.
Pleasurable, pležərəb’l, aangenaam, subst. —ness; Pleasure, pležə, subst. genoegen, vermaak, genot, wensch, wil, welbehagen, keus, begeerte; — verb. zich vermaken: I am at your — = ik hang af van uw welbehagen; At — = naar goedvinden; It is a — to me to do it = het is mij een genot; The — is ours = het genoegen is aan ons; To take — in = behagen scheppen in; Use your — = doe wat gij niet laten kunt; I’ll wait his good — = wachten tot het hem behagen zal; —-boat = pleizierboot; —-ground = park, uitspanningstuin; —-train = pleiziertrein (Amer.); —-trip = pleiziertochtje; To go (out) a-pleasuring = pret gaan maken.
Pleat, plît; Zie Plait.
Plebeian, plibîən, subst. plebejer; adj. plebejisch, plat, gemeen; —ism = ploertenmanieren of -gewoonten, platheid; Plebeii, plibîai, plebejers.
Plebiscite, plebis(a)it, plebisît, plebisci(e)t; Plebs, plebz, plebs.
Pledge, pledž, subst. pand, onderpand, borgtocht, het drinken van iemands gezondheid, liefdepand; — verb. verpanden, als onderpand geven, plechtig verbinden, iemands gezondheid drinken: He has redeemed his — = zijn pand ingelost, zijne belofte gehouden of gestand gedaan; To take the — = afschaffer worden; To hold in — = in pand houden; To put in — = verpanden; He —d me in return = deed mij bescheid; I — my word on it = verpand er mijn woord onder; They have —d themselves too deeply to recant = zich te zeer en te plechtig verbonden; I have —d myself to you on behalf of my brother = ben bij u borg gebleven; Pledgee, pledžî = pandnemer; Pledger.
Pledget, pledžət, plok, plukselverband.
Pleiades, plîədîz, het zevengesternte.
Plenary, plînəri, plenəri, volkomen, geheel: — absolution, — indulgence = volle absolutie, aflaat; — meeting = plenum, voltallige vergadering; — power = volmacht.
Plenipotentiary, plenipətenšəri, plînipətenšəri, subst. en adj. gevolmachtigd(e).
Plenitude, plenitjûd, volheid, volkomenheid.
Plenteous, plentjəs, overvloedig, in groot aantal; subst. —ness; Plentiful = overvloedig: Apples were — and rare this year = dit jaar gaf een overvloed van zeldzaam mooie appels; subst. —ness; Plenty, plenti, subst. overvloed; adj. en adv. overvloedig: He has — of money = veel geld; You will be in — of time (have — of time) = hebt meer dan tijd; Horn of — = hoorn des overvloeds.
Pleonasm, plîənazm, pleonasme; Pleonastic = overtollig.
Plesiosaurus, plîziəsôrəs, fossiele zeehagedis.
Plethora, plethərə, volbloedigheid, overvloed; adj. Plethoric, pləthorik, plethərik.
Pleura, plûrə, borstvlies; —l = borstvlies..; Pleurisy, plûrisi, borstvliesontsteking, pleuris = Pleuritis, pluraitis.
Pliability, plaiəbiliti, subst. v. Pliable, plaiəb’l, buigzaam, lenig, volgzaam; subst. —ness = Pliancy, plaiənsi; Pliant, plaiənt, buigzaam, smijdig, gedwee.
Plicate(d), plaikit(id), gevouwen, geplooid; Plication = platte vouw.
Pliers, plaiəz, vouw- of buigtang.
Plight, plait, subst. belofte; toestand, geval; — verb. verpanden, beloven: In good (a sorry) — = er goed (slecht) aan toe; He —ed his faith = gaf zijn eerewoord; They had —ed their troth to each other = hadden elkander trouw beloofd.
Plimsoll, plimsol: —’s mark = wettig voorgeschreven lastlijn.
Plinth, plinth, plint, onderste gedeelte van den zuilsokkel.
Pliny, plini, Plinius.
Plod, plod, zwoegen, ploeteren, hard blokken: To — at one’s books = vossen; —der.
Plop, plop, plonsen; interj. plomp, klets: To fall — into the water.
Plot, plot, subst. samenzwering, complot, intrige of knoop; stuk gronds, platte grond; — verb. samenzweren, plannen smeden; ontwerpen, traceeren: A complicated — = ingewikkelde intrige; Secondary, Sub—; They laid (wove) a — = zij smeedden eene samenzwering; Grass — = grasveld; To — a line = een spoorlijn traceeren; To — against = een samenzwering smeden tegen; To — down (out) = ontwerpen; —ter = plannenteekenaar, samenzweerder; Plotting-scale = verkleinde schaal.
Plough, plau, subst. ploeg, holle schaaf; — verb, ploegen, groeven: You must put your hand to the — = de hand aan den ploeg slaan; To — a lonely furrow = alleen staan; To — the sands = nutteloos werk doen; To — in = onderploegen; To — up = omploegen; He was —ed = hij zakte voor het examen; —boy = ploeger, arbeider; kinkel; —-handle = staart; He had a —-handle-stoop in his shoulders = hij liep met krommen rug; —land = bouwland, geploegd land; —man = ploeger, boer; — Monday = Maandag na Driekoningen (6 Jan.); —-share = ploegijzer, kouter; —-tail = ploegstaart; —ing-machine; —ing-match.
Plover, plɐvə, pluvier.
Pluck, plɐk, subst. ruk, trek, ingewand, moed, vuur, korf (bij examen); — verb. (kaal) plukken, rukken, afwijzen: He has no end of — = hij heeft veel “durf”; He is a —ed one = heeft durf; The best —ed man I ever saw = kranigste; I have a crow to — with you = een appeltje met u te schillen; To — a pigeon = een suffer plukken (bij ’t spel); To — up courage, spirit = moed vatten, bijeenrapen; He was (got) —ed = hij is gezakt; —y; You are a —y little fellow = een dapper ventje.
Plug, plɐg, subst. plug, prop, pin; — verb. dichtstoppen, plombeeren: — of a pump = zuiger van eene pomp; — of tobacco = prop tabak; She thinks that I am going to be —ged = neergeschoten zal worden (Amer.); —-basin = fonteintje; —-hat = hooge “dop”.
Plum, plɐm, pruim, rozijn, 100.000 pond sterling, groot fortuin, beste deel, goed zaakje; —-cake = rozijnentaart; —-loaf = rozijnenbrood; —-pudding = rozijnenpudding; —-tree = pruimenboom.
Plumage, plûmidž, gevederte.
Plumb, plɐm, subst. schietlood; adj. loodrecht, degelijk, eerlijk; adv. pardoes; — verb. loodrecht zetten, polsen, peilen: Out of — = uit het lood; She —ed their depths of misery = peilde; —-line = schiet- of loodlijn; ook verb.; —-rule = waterpas; —er, plɐmə, loodwerker, loodgieter: All the crowned heads, bankers and —ers of Europe = en groote lui (Amer.) van Europa; —ery = artikelen van loodwerk, loodgieterij, het loodgieten; —ic, plɐmbik, loodhoudend; —iferous, plɐmbifərɐs, lood opleverend; —ing, plɐmiŋ, het werken in lood, looden pijpen.
Plumbago, plɐmbeigou, graphiet.
Plume, plûm, subst. veer, pluim, eereteeken, lauwer; — verb. de veeren terecht of gelijk leggen, met veeren versieren, pochen, plukken, plunderen: The swan —d itself = streek zijne veeren glad; He —d himself on his liberality = liet zich voorstaan op; —less; —let = pluimpje; Plumiped, plûmiped, subst. en adj. (vogel) met veeren aan de pooten.
Plummet, plɐmət, dieplood, peillood.
Plummy, plɐmi, voortreffelijk.
Plumose, plumous, plûmous, vederachtig, gevederd; Plumosity, plumositi, gevederdheid.
Plump, plɐmp, subst. klomp; adj. mollig, dik, grof; — verb. dik worden, opzwellen, neerploffen, uitflappen (out), alles op één paard zetten; stemmen op één candidaat (in plaats van op alle personen op wie men stemmen mag) = To — one’s vote = To — for a candidate; adv. plotseling, pardoes, zwaar, eenvoudig, botweg: — in the pocket = met vollen buidel; To come — upon = overvallen; Say it out — = vooruit! zeg op! —er = pruim tabak, valsche buste; stem aan slechts één der candidaten, stemmer op slechts één der candidaten; brutale leugen; —ly = rond, botweg, platweg; —ness; —y = dik, mollig, glad.
Plumy, plûmi, gevederd.
Plunder, plɐndə, subst. plundering, buit, roof, bagage en huisraad van een landverhuizer (Amer.), winst; — verb, plunderen, rooven; —age = verduistering aan boord; —er.
Plunge, plɐnž, subst. indompeling, doop (door onderdompeling), achteruitslaan van een paard, hooge en roekelooze weddenschap of speculatie, plotseling en opzienbarend bericht, afgrond, draaikolk, klem (fig.); — verb. (onder)dompelen, plonzen, springen, doopen, achteruit slaan, steil afhellen, zwaar en roekeloos wedden, geld uitgeven: To make the — = den beslissenden stap doen, op den slechten weg geraken; To take a — = duiken, storten; The — of the Pall Mall Gazette about Mr. Gladstone’s retirement = opzienbarend bericht omtrent het aftreden van den minister G.; By —s = bij rukken; He —d awfully = speelde, speculeerde hoog; To — after a person = achterna springen; I have —d a bit in trifles = heb wat geld in kleinigheden gestoken; The ship —d on her way = zette stampend zijne reis voort; —d in thought = in gedachten verzonken; —r = dolleman, dolle speculant of wedder; zuiger (v. perspomp); —rs = zware cavalerie; Plunging = van boven naar onderen gericht: —-fire.
Pluperfect, plûpɐ̂fəkt, plupɐ̂fəkt, voltooid verleden (tijd).
Plural, plûr’l, subst. en adj. meervoudig (woord); —ism = meervoudigheid; het gelijktijdig bezitten van meer dan één living; —ist = geestelijke, die te gelijkertijd meer dan één living heeft; —ity, pluraliti, getal van twee of meer, meerderheid; —ize = meervoudig maken.
Plus, plɐs, plus(teeken) = +.
Plush, plɐš, pluche: —-velvet = zijden pluche; —-velveteen = wollen pluche; —y.
Plutarch, plûtâk.
Pluto, plûtou, Pluto; Plutocracy, geldheerschappij(aristocratie); adj. Plutocratic; Plutonian = Plutonic = tot Pluto of de onderwereld behoorende, door vuur ontstaan: —nic theory, of —nism = de theorie der Plutonists, die beweren, dat de gesteenten door de werking van het vuur zijn ontstaan; Plutus, plûtəs.
Pluvial, plûvjəl, vochtig, regenachtig, regen - -; Pluviameter, Pluviometer = regenmeter; Pluviose, plûvious, vijfde maand van het republik. jaar (20 Jan.–19 Febr.); Pluvious, plûvjəs, vochtig, regenachtig.
Ply, plai, subst. kronkel, vouw, plooi, neiging, zin, aanleg; — verb. zich toeleggen op, ijverig doen of uitvoeren, zich bezighouden, aandringen, gedurig lastig vallen, geregeld varen of zeilen, laveeren, omzien naar: He took a — from his tutor = plooide zich naar de inzichten van; To — the bottle = geducht aanspreken; The spider plied its nimble legs = bewoog vlug, snel; To — the oars = krachtig roeien; She plied her task = zij werkte ijverig aan hare taak; To — a trade = uitoefenen; Many steamers — between Holland and America = varen; They plied him with drink = maakten hem dronken; They so plied him with smiles and favours that he grew crazy with ecstasy = overlaadden hem; To — with questions = overstelpen met; —er.
Plymouth, pliməth: — Brethren = eene Calvinistische broedergemeente, opgericht tusschen 1820–35 te Dublin en Plymouth; —ism.
Pneumatic(al), njumatik(’l), lucht-, gasachtig, met lucht gevuld, door luchtdruk bewogen: — dispatch = luchtdrukpost; — pump = luchtpomp; — tyres = luchtbanden; —s = pneumatica.
Pneumonia, njumounjə, longontsteking; Pneumonic, njumonik, long - - -; subst. middel voor de longen.
Poach, poutš, stroopen (ook fig.); door veel loopen modderig of moerassig maken, (zijn, worden), gepelde eieren bakken in boter, of breken in kokend water; —er = strooper; —y = drassig, moerassig.
Po(a)chard, po(u)tšəd, poukəd, tafeleend.
Pock, pok, pok; —-mark, —-pit = pokteeken; —-marked, —-pitted, —-fretten = van de pokken geschonden, pokdalig = —y.
Pocket, pokət, subst. zak, holte, diepte, maat voor hop, gember, wol, enz.; — verb. in den zak steken, gappen, stoppen, hinderen: I am in —, out of — = ik win, verlies; I am out of — = heb geen cent; Nothing but empty —s lies between her and William = dat zij en W. niets hebben staat alleen hun engagement in den weg; I am in her — = bij haar in de gunst; I have Pa in my — = kan met Pa doen wat ik wil; This would have placed Turkey in the — of the Czar = in de macht gebracht hebben van; Put that in your — = steek dat in je zak; He had spent the evening in her — = had alleen werk van haar gemaakt; Hip-—, Pistol — = heupzak (achterzak) in een pantalon; He —ed the affront, insult, wrong = hij slikte de beleediging, het onrecht; You —ed my ball by a fluke = stopte; —-argument = zelfzuchtig argument; —-book = zakboek(je); —-borough = kiesdistrict dat geheel in de macht is van één grondbezitter; —-copy (= —-edition); —-glass = zakspiegeltje; —-handkerchief = zakdoek; —-hole = zakopening; —-knife = zakmes; —-money = zakgeld.
Pockwood, pokwud, pokhout.
Poco, poukou, een weinig (muz.).
Pod, pod, subst. dop, schil, peul; school robben, walvisschen; — verb. opzwellen, doppen, peulen vormen; —-net = fuik; —ded (fig.) = gemakkelijk.
Podagra, podəgrə, pədagrə, het “pootje”, voeteuvel; adj. —l = Podagric(al).
Podge, podž, modderige poel; — verb. roeren.
Podgy, podži, kort en gezet; dronken.
Podium, poudiəm, podium.
Podrida, pədrîdə, mengelmoes.
Podsnap, podsnap, type van stijve deftigheid; —pery = peuterige, stijve deftigheid.
Poe, pou.
Poem, pouim, gedicht: Minor —s = kleinere gedichten; Poesy, pouəsi, dichtkunst; Poet = dichter: Minor — = dichter van den tweeden of derden rang; — Laureate = gekroonde of hofdichter (in Engeland); Poetaster, pouətastə, pouətastə, rijmelaar; Poetess, pouətəs, dichteres; Poetic(al), pouetik(’l), dichterlijk; Poetics = gedichten; leer (theorie) der dichterlijke vormen (ook Poetic); Poetize, pouətaiz, dichten, dichterlijk behandelen; Poetry = dichtkunst, poëzie, gedichten.
Pogrom, pogrom, pogrom (Rusland).
Poh, pou, bah!
Poignancy, pôin’nsi, subst. v. Poignant, pôin’nt, scherp, bitter, stekelig, pijnlijk.
Poind, pôind, schutten van vee; beslag leggen op (voor schuld).
Point, pôint, subst. punt, spits, stip, stift, naald, nestel, oog, naaldkantwerk, doel, nadruk, gedachte, uitdrukking, eigenaardigheid, trek, wissel; — verb. punten, scherpen, wijzen, richten, aanleggen, voegen, staan, pointeeren: What is the — = wat is de kwestie? That is a great — for me = van groot belang; That is rather a nice — with him = teer punt; He enumerated all the good —s of his horse = eigenschappen; Blue —s = een klein soort oesters (Amer.); The —s of a speech = hoofdpunten; At the — of death (= On the — of dying); This is a case in — = dit is zoo’n geval als waarvan we thans spreken; In — of money = uit een oogpunt van; To rise to a — of order = vragen of de spreker niet “buiten de orde” is; In (from) a literary — of view = uit een letterkundig oogpunt; What you say there is not to the — = ter zake dienende; To be armed at all —s = van top tot teen gewapend, op alles voorbereid; To come to a — = staan (van jachthonden); Things had come to such a — that further delay would have been disastrous = hadden zulk eene hoogte bereikt; That’s what I call coming to the — = dat is nu eens op den man af; It came to the — = het kwam er op aan; Things were growing to a — = men kon het einde zien aankomen; We hate militarism to the — that = zoozeer, dat; You didn’t gain your —, you missed it = ge hebt uw doel niet bereikt, uw zin niet gekregen; He gave me —s in (at) billiards = gaf mij vóór; To lend — to = accentueeren, sterk doen uitkomen; He always made (it) a — to stand (of standing) high in his employer’s regard = hij stelde zich altijd ten doel; The rain always makes a — of setting in when I wish to go out = heeft het er altijd op gezet te beginnen; He has tried to prove it, but his — is not absolutely made = maar is hierin niet volkomen geslaagd; Don’t press the — = dring niet te zeer aan; We shall not pursue the — = er niet verder op aandringen; I will not put too fine a — upon it = er niet te veel van zeggen; That would be straining (stretching) a — = daarmee zouden we een uitzondering maken, het niet zoo nauw nemen; To — a moral = tot zedeles doen strekken; This story —s a moral against party disputes = bevat een les tegen; He —ed at me = behandelde verachtelijk; The cannon was —ed at the gate = was gericht op; To — out = aanwijzen, in ’t licht stellen; The clock —ed to the hour, to seven = wees het uur aan, stond op zeven; —-blank = recht op het doel af, zonder omwegen, op den man af, botweg: I told him so —-blank = ik heb het hem in zijn gezicht gezegd; —sman = wisselwachter; —ed = gepunt, scherp, geestig, geestrijk: A —ed remark = fijne, scherpe opmerking; She only answered when —edly addressed = als het woord bepaaldelijk tot haar gericht werd; —er = wijzer, staande hond, stift, graveerstift; etsnaald; —less = stomp, dom, niet geschikt of ter zake.
Poise, pôiz, subst. gewicht, belang, evenwicht, houding; — verb. wegen, overwegen, in evenwicht brengen of zijn: The elegant — of her head; The cloud hung at — over the hill = hing zwevend; — down = drukken, onderdrukken.
Poison, pôiz’n, subst. vergift; — verb. vergiftigen, besmetten: —ed cup = giftbeker = —-cup; —-fang = gifttand; —er; —ous = vergiftig; subst. —ousness.
Poitiers, pôitîəz.
Poke, pouk, subst. zak, blaas, stoot, duw; — verb. duwen, stooten, tasten, voelen, zoeken, onderzoeken, beuzelen (Amer.): That was a sly — at him = dat was een steek op hem; His life and character were —d into = nauwkeurig onderzocht; He —d his head through the window = stak; He can — fun urbanely = op fijne wijze spotten of schertsen met, over; He —d some very effective fun at continental customs = spotte raak met.…; —-bonnet = ouderwetsche tuithoed; Poker = pook; boeman (Am.), pedèl v. den Vice-Chancellor (Oxf.), slakkensteker (degen), bluffen (kaartspel): As stiff as a —; To have swallowed the — = To have a — up one’s back = zich stijf houden (gedragen); —-drawing = brandschilderen; Poky = onnoozel, dom; bekrompen, nauw, klein: A — little place = bekrompen, klein; A — little staircase = zeer nauwe trap.
Polacca, pəlakə, driemaster (Middell. Z.).
Poland, poul’nd, Polen; Polander = Pool.
Polar, poulə, pool …: — bear = ijsbeer; — circles = poolcirkels; — expedition; — sea; — star = poolster; —ity, pəlariti, polariteit; —izable, pouləraizəb’l, polariseerbaar; —ization = het polariseeren; —ize = polariseeren.
Polder, pouldə, polder.
Pole, poul, Pool.
Pole, poul, pool, paal, stang, dissel, stok, pols, uiterste punt; 5½ yard; — verb. staken zetten bij, voortboomen, beschoeien, inpompen; —-ax(e), subst. hellebaard, enterbijl, slachtbijl; — verb. met eene bijl dooden; —-axe isolation will be necessary against the rinderpest = afmaking van aangetast en verdacht vee; A lot of crippled crocks, only fit to be —-axed = een troep kreupele vilderspaarden, alleen geschikt om gedood te worden; —-star = poolster.
Polecat, poulkat, bunzing.
Polemic, pəlemik, polemisch; polemicus: —s = polemiek.
Polenta, pəlentə, soort pap van maïs, aardappelmeel of gerstemeel.
Police, pəlîs, subst. politie; ook verb.: Mounted — = bereden politie; A number of troops will be necessary to — the country = orde en regel te brengen in; —-commissioner = commissaris; —-constable = agent; —-court = politierechtbank; —-inspector = inspecteur; —-magistrate = politierechter; —man = agent; —-office = bureau (—-station); —-officer = ambtenaar bij de politie.
Policy, polisi, staatkunde, staatsbeleid, overleg, omzichtigheid, wijsheid; polis; park van een landgoed (Schotland): Honesty is the best — = eerlijk duurt het langst; Life — = levensverzekeringspolis.
Polish, pouliš, Poolsch.
Polish, poliš, subst. politoer, glans, verfijning, beschaving; — verb. polijsten, poetsen, beschaven, gaan glimmen, zich laten polijsten: He —ed his eye-glasses = veegde af; To — glass = glas slijpen; May I — off that job for you? = dat zaakje … opknappen; I —ed him off in no time = zette hem gauw op z’n plaats; —ed = gepolijst, beschaafd; —ing: —ing-cloths = wrijflappen; —ing-paste = poetspommade; Let us give it a —ing = polijsten, politoeren, poetsen.
Polite, pəlait, beschaafd, beleefd; subst. —ness.
Politic, politik, politiek, staatkundig, slim, sluw: The Body — = burgerlijke staat; Political, pelitik’l, politiek, staatsrechtelijk, staats - -, staatkundig: — Economy = staathuishoudkunde; Politician, politiš’n, staatsman, staatkundige, politicus; Politics, politiks, staatkunde, politiek, slimheid: They were talking — the whole evening = zij hadden het den geheelen avond over staatkunde; Polity, politi, regeerings(vorm), inrichting.
Polk, poulk, een polka dansen: They liked waltzing and —ing; Polka, poulkə, polkə, polka.
Poll, pol, Mietje; papegaai, lorretje = —-parrot.
Poll, poul, subst. hoofd, achterhoofd, persoon, register, lijst, stemming, stembus, stembureau; benedeneind van eene bijl; — verb. toppen, snoeien, knippen; stemmen, stemmen verkrijgen; registreeren, slaan (sport): The — is over = de stemming is afgeloopen; At six the — closed = sloot het stembureau; To go to the — = gaan stemmen; kandidaat zijn; He was at the head of the — = hij had de meeste stemmen; The ordinary or — (ook pol uitgesproken) degree at Cambridge = de gewone graad (Zie Pass) bij het B.A.; The jury was —ed = de leden der jury werden hoofdelijk ondervraagd omtrent hun aandeel in de genomen beslissing (Amer.); —-cattle = ongehoornd vee; —-tax = hoofdelijke omslag; —ing-booths = (verplaatsbare) stembureaux; —ing-clerk = officieel stemopnemer; —ing-place (—-station) = stembureau.
Pollard, poləd, geknotte of getopte boom (b.v. — willow = knotwilg); dier dat zijn gewei of horens kwijt is; grootkop (visch, Zie Chub), zemelenmeel.
Pollen, pol’n, stuifmeel; —ize = bevruchten met stuifmeel; Pollinary (Pollinose) = als met stuifmeel bedekt; Pollination = bevruchting door insecten.
Polliwig, poliwig, donderpad, kikkervischje.
Pollute, pəljût, bezoedelen, besmetten, bevlekken, ontheiligen; —d(ness); —r; Pollution, pəljûš’n, bezoedeling, besmetting, bevlekking.
Pollux, poləks; Polly, poli, Mietje, Marie(tje).
Polo, poulou, soort balspel, te paard (of in ’t water) gespeeld.
Polonaise, po(u)ləneiz, soort v. japon; Polonaise.
Polony, pəlouni, worst van halfgaar-gekookt varkensvleesch.
Poltroon, poltrûn, subst. lafaard; adj. lafhartig, verachtelijk; —ery = lafheid; —ish = laf.
Polyandrian, poliandriən, polyandrisch; subst. Polyandry, Polyandry.
Polyanthus, polianthəs, tuberoos.
Polygamist, poligəmist, voorstander der polygamie; adj. Polygamous; Polygamy = polygamie.
Polyglot, poliglot, veeltalig; polyglotte, boek in vele talen; adj. Polyglottous.
Polygon, poligon, veelhoek; —al, —ous, pəligən’l, pəligənɐs, veelhoekig; Polygonum, pəligənɐm, Polygony, pəligəni, duizendknoop (grassoort).
Polygraph, poligraf, soort hectograaf; verzameling van verschillende werken, veelschrijver; adj. —ic(al), poligrafik(’l).
Polyhymnia, polihimniə; Polynesia, polinîšə, polinîžə, Polynesië; —n = van P.; Polynesiër.
Polyp(e), polip, poliep.
Polypod, polipod, duizendpoot; naaktvaren.
Polypus, polipɐs, poliep inktvisch.
Polysyllabic(al), polisilabik(’l), veellettergrepig; Polysyllable, polisiləb’l, polisiləb’l, veellettergrepig woord.
Polysyndeton, polisindəton, polysyndeton.
Polytechnic, politeknik, polytechnisch; subst. = —-school = polytechnische school.
Polytheism, polithîizm, veelgodenleer; Polytheist = geloover in —; adj. Polytheistic(al).
Pomace, pomis, pɐmis, pəmeis, droesem van geperste appelen; adj. Pomaceous = appel …
Pomade, pəmeid, pəmâd, Pomatum, pəmeit’m, pommade; — verb. pommadeeren.
Pome, poum, appelvrucht; —granate, pomgranit, pɐmgranit, granaatappel.
Pomerania, poməreinjə, Pommeren: —n = Pommersch; Pommeriaan, keeshond; Pomfret, pomfrət.
Pomiculture, poumikɐltšə, ooftboomkweekerij.
Pommel, pɐm’l, subst. degen- of zadelknop; — verb. slaan, bont en blauw slaan: They —(l)ed his back = sloegen op zijn rug; To — to a jelly = tot moes slaan.
Pomologist, pəmolədžist, pomoloog; Pomology, pəmolədži de kunst v. (leerboek over) vruchten en vruchtboomen kweeken; Pomona.
Pomp, pomp, praal, praalvertooning.
Pompeian, pompeiən, pompîən; Pompeii, pompeijî, pompîjai; Pompeius, pompîjəs = Pompey, pompi, Pompeji; Pompejus.
Pompion, pɐmpj’n, pompoen.
Pompom, pompom, revolverkanon.
Pompon, pompən, pompon.
Pomposity, pompositi, praalzucht, vertoon, verwaandheid; gewichtigheid; adj. Pompous, pompəs, subst. —ness; Pomposo, pompousou, statig en waardig (muz.).
Pond, pond, vijver, poel.
Ponder, pondə, overwegen, overpeinzen: He —ed the past = hij bepeinsde wat er gebeurd was; —ability = weegbaarheid; —able = weegbaar; —osity = zwaarte, gewicht, gewichtigheid; —ous = zwaar, gewichtig, saai; subst. —ousness.
Pondicherry, pondišeri.
Pone, poun, maïsbrood (Amer.).
Pongee, pöndžî, mindere soort v. Chineesche zijde.
Poniard, ponjəd, subst. dolk; — verb. doorsteken.
Ponsonby, pons’nbi.
Pont, pont, veerschuit, veerpont.
Pontic, pontik: — Sea = Zwarte Zee.
Pontifex, pontifeks (Mv. Pontifices, pontifisîz), Romeinsch priester; bisschop, paus; —-maximus = eerste dezer priesters, de Paus; Pontiff = hoogepriester, paus (= Supreme —); Pontifical, pontifik’l, subst. het liturgische boek voor de bisschoppelijke bedieningen; adj. hoogepriesterlijk, pauselijk: — States = de kerkelijke staat; —s = onderscheidingen gedragen door bisschoppen en prelaten: In full —s = in pontificaal; Pontificate, pontifikit, hoogepriesterlijke of pauselijke waardigheid.
Pont levis, pontləvis, pontlevis, ophaalbrug; het steigeren (van een paard).
Ponton(n)ier, pontənîə, pontonnier; Pontoon, pontûn, ponton, kiellichter (scheepst.); —-bridge = pontonbrug; —-train.
Pony, pouni, hit: 25 £; letterlijke vertaling v. een (klassiek)schrijver; — verb. zulk een vertaling gebruiken: To put down the — = opdokken; —-engine = rangeerlocomotief.
Poodle, pûd’l, poedel.
Pooh, pû, interj. poepoe! onzin! To —-— = met verachting van zich werpen: He —-—ed the possibility of ever doing such a thing.
Pool, pûl, subst. poel, inzet, pot (bij het spelen), potspel (biljart), totalisator; — verb. samenleggen (van geld, etc.), zich verbinden tot gezamenlijk doen van iets: The swimming — and the wading — = zwembassin en “pierenbak”; —-counter = fiche; —-ticket = totalisatorkaart; —er = stok om te roeren.
Poonghee, pûŋgî, Poongy, pûŋgi, Boeddhistisch priester.
Poop, pûp, subst. achterhut of -dek, campagne; vent; — verb. over den achtersteven breken (van golven), van achteren aanvaren; Funny old —.
Poor, pûə, arm, behoeftig, uitgeput, vermagerd, zwak, vervelend, treurig, onbeteekenend, nederig, stumperig: The — and the rich = armen en rijken; — Clares = orde van Franciscaner nonnen; You are making a — dinner = ge eet weinig; A — excuse = een armzalig excuus; In — health = in slechte gezondheid; — Law = armenwet; It’s a — look-out = ’t ziet er miserabel voor ons uit; —house = armenhuis; —-rate = armenbelasting; —-spirited = ellendig, lafhartig; subst. —-spiritedness; I feel very —ly to-day = voel me lang niet goed; How is the patient? —ly indeed = hoe is het met de(n) zieke? Erg minnetjes; subst. —ness.
Pop, pop, subst. klap, flap, plof, mousseerende drank, pistool(tje); interj. floep! poef! — verb. plotseling binnenkomen of voor den dag komen, schieten, snel bewegen, duwen, paffen, knallen, poffen, verpanden: — goes the weasel! = en weg was het! —, bang, fire! = pief-paf-poef! The — of bottles = floep; To go — = op de flesch gaan; He came in — = plotseling; He was a regular attender at Sunday —s = Popular Concerts; To — corn = maïs poffen tot de korrels er uit vliegen; She —ped her head out of the window = zij kwam in eens met haar hoofd buiten het raam; He —ped the question = hij vroeg om hare hand; To — into bed = springen; I could not think you would — in upon me at this hour = ik had er niet het minste idee op, dat gij nu zoudt komen aanwaaien; Rusty firelocks were continually —ped off = verroeste snaphanen werden onophoudelijk afgeschoten; He —ped a wanting hand on the mutilated statue = hij lapte eene ontbrekende hand aan; —-corn = maïs die geschikt is gepoft te worden; —-eyes = uitpuilende oogen; —-gun = klein pistooltje; —-shop = pandjeshuis; —-visit = onverwacht bezoek; —per = mand van ijzerdraad om maïs te poffen; poffer, pistool.
Pope, poup, paus, patriarch, pope; pos; tuinvalk; —-Joan, poupdžoun, zeker kaartspel; —’s eye = de met vet omgeven klier in de dij van ossen of schapen; —’s-head = lange bezem; —’s nose = stuit van een gebraden vogel; —dom = pausdom, pausschap; —hood; —ry = Roomsch-Kath. godsdienst (in ongunstigen zin): The No-—ry Plots = de anti-R.-Katholieke samenzweringen.
Pope, poup, Pope; Popian = v. Pope.
Popinjay, popindžei, papegaai, specht, gaai (schietschijf in den vorm van een papegaai), windbuil.
Popish, poupiš, pauselijk, paapsch.
Poplar, poplə, populier = —-tree.
Poplin, poplin, popeline.
Poppet, popət, een der blokken waarop het schip ligt bij het van stapel loopen; lieverd, popje, marionet.
Poppa = papa (Amer.).
Poppy, popi, papaver.
Poppycock, popikok: It’s all — = allemaal onzin.
Populace, popjulis, volk, grauw; Popular, popjulə, bij het volk geliefd, populair, gemakkelijk te begrijpen; Popularity, popjulariti, populariteit; volksgunst; Popularization, subst. v. Popularize, popjuləraiz, populair maken; Populate, popjuleit, bevolken, voortplanten; Population = bevolking; Populous = dicht bevolkt, vol menschen; subst. —ness.
Porcate(d), pökit(id), evenwijdig geribd.
Porcelain, pöslin, subst. porselein; adj. porselein …: —-clay = porseleinaarde; —-ware; —ize = door hitte in eene porseleinachtige stof veranderen; Porcel(l)anous, pösələnɐs, pösəleinəs, pöselənɐs, porseleinachtig, porselein …
Porch, pötš, portiek, portico, portaal: The — = school der Stoïcijnen.
Porcine, pös(a)in, tot de zwijnen behoorende.
Porcupine, pökjupain, stekelvarken: — quill.
Pore, pö, turen, staren, vlijtig studeeren (= To — over, on, upon one’s books), nauwkeurig onderzoeken.
Pore, pö, porie.
Porgy, pödži, soort v. zeebrasem (Am.).
Poriform, pôriföm, als eene porie.
Pork, pök, varkensvleesch; —-butcher; —er = (gemest) varken; Porkopolis = bijnaam voor Cincinnati en Chicago.
Pornographer, pönogrəfə, pornograaf; adj. Pornographic; Pornography = pornographie.
Porose, pourous, poreus; subst. Porosity; Porous, pourəs, poreus; subst. —ness.
Porphyritic(al), pöfiritik(’l), porfierachtig, porfier bevattend; Porphyry, pöfiri, porfier.
Porpoise, pöpəs, bruinvisch: As fat as a — = zoo vet als modder.
Porrect, porekt, uitgestrekt; ook verb.; subst. —ion.
Porridge, poridž, havermeelpap.
Porringer, porinžə, kommetje, nap.
Port, pöt, haven; houding, voorkomen; portwijn; poort, ingang, bakboord, geschutpoort; adj. aan bakboordzijde; — verb. het roer naar links overleggen: Free, Inner, Out— = vrijhaven, binnenhaven, buitenhaven; The ship made (the) — = liep … binnen = put in at the —; — of departure, destination, distress, refuge (ook fig.); —-admiral = havencommandant; —-bar = havenbank, boom om eene haven of geschutpoort af te sluiten; —-charges, —-dues = havengelden; —cullis = hamei; —hole = patrijspoort; —-lanyard (—-rope) = touw om de deur der geschutpoort op te trekken; —last = dolboord; —-lid = deur eener geschutpoort; —-side = bakboordzijde; —-town; —-vein = poortader; —-wine.
Portability, pötəbiliti, subst. v. Portable, pötəb’l, niet zwaar, draagbaar; subst. —ness; Portage, pötidž, het dragen, draagloon, afbreking van eene waterverbinding (zoodat de goederen daarover moeten worden gedragen).
Portal, pöt’l, deur, portaal, ingang, poortje.
Porte, pöt: The Sublime — = de Verheven Porte.
Portend, pötend, voorbeduiden, voorspellen; Portent, pötent, pötent, (slecht) voorteeken; Portentous, pötentəs, onheilspellend, dreigend, monsterachtig, ijselijk; subst. —ness.
Porter, pötə, portier, besteller, drager, kruier; porter (bier): —’s lodge = portierswoning; —age, pötəridž, kruiersloon, draagloon, bestelloon; Porteress = portierster.
Portfolio, pötfouljou, portefeuille: The — for Foreign Affairs.
Portico, pötikou, overdekte zuilengang.
Portion, pöš’n, subst. gedeelte, portie, aandeel, erfdeel, huwelijksgift; — verb. verdeelen, toebedeelen, begiftigen; —ist = een van de beursstudenten van Merton College (Oxf.); clergyman die met anderen de inkomsten van een living deelt; —less, zonder huwelijksgift.
Portland, pötlənd, schiereiland in Dorsetshire: — cement = cement; — stone.
Portliness, pötlinəs, statigheid, deftigheid, gezetheid; adj. Portly.
Portmanteau, pötmantou, valies.
Porto, pötou, Oporto.
Portrait, pötrət, portret, schildering: Full-length — = portret ten voeten uit; Half-length — = kniestuk, buste; I will have my — taken = mijn portret laten maken; —-painter = portretschilder = —ist; —ure = portret, de kunst van portretten maken, schildering.
Portray, pötrei, schilderen, portretteeren, beschrijven; —al = schildering, beschrijving; —er = schrijver, beschrijver.
Portsmouth, pötsməth.
Portugal, pötjug’l, Portugal; Portug(u)ee = Portugees, Portugeesch; Portuguese, pötjugîz, pötjugîs, pötjugîs, pötjugîz, subst. en adj. Portugees(che taal), Portugeezen.
Pose, pouz, subst. pose, houding, stand; — verb. eene bepaalde houding of een bestudeerd karakter (de allures) aannemen, poseeren, verlegen maken, in de war brengen; —r = moeielijke vraag, streng examinator, “harde noot”: That’s a —r = dat is moeilijk te verklaren.
Posit, pozit, vaststellen, als waar aannemen.
Position, pəziš’n, toestand, houding, gesteldheid, rang, stand, betrekking, stelling: Of inferior social — = van minderen stand; I am not in a — to pretend such a thing = ik ben niet in staat, durf niet, zoo iets te beweren; You cannot make good this — = die bewering niet bewijzen; He took up his — there = hij nam daar positie, zijne positie in.
Positive, pozitiv, stellende trap, positief (in photographie); adj. stellig, volstrekt, bepaald, werkelijk, dogmatisch, eigenzinnig, koppig: I am quite — = weet het zeker; I am — in your doing this = ik sta er op dat gij dit doet; He is not naturally — = het ligt niet in zijn aard, stijf op zijn stuk te blijven staan; — degree = stellende trap; — electricity = glas-electriciteit; — philosophy = positivisme, de wijsgeerige richting, die het gebied van het weten bepaalt tot wat met de zinnen kan worden waargenomen; — quantity = positief getal; subst. —ness; Positivist = aanhanger van Positivism.
Posse, posi, mogelijkheid; menigte, hoop: A strong — of police; — Comitatus = de gewapende macht die een Sheriff kan oproepen.
Possess, pəzes, bezitten, bezetten, bemachtigen, zich overtuigen van, beheerschen, vervullen: He acted like one (a man) —ed = als een bezetene: He —es himself = hij kan zich beheerschen; Great awe —es my soul = mijne ziel is vervuld van; — your soul in patience = bezit in lijdzaamheid; Possession, pəzeš’n, bezit, eigendom, bezitting: — is nine points of the law = zalig zijn de bezitters; A writ of — = een rechterlijk bevel van den Sheriff om iemand in het bezit van een stuk grond te stellen; The man in — = Broker’s man (who is put in — of the house till the execution is paid out); To be in —; To get — of; I gave him — of (put him in — of) his property = stelde hem in het bezit van; He recovered — of his goods = hij herkreeg bezit van; He took — of his own = hij nam wat het zijne was; To take — of a house = betrekken; Possessive case = tweede naamval; Possessor = bezitter; adj. —y = bezittend, betrekking hebbende op het bezit.
Posset, posət, warme melk, geronnen door bijvoeging van wijn, bier of azijn, gekruid en zoet gemaakt; — verb. stremmen.
Possibility, posibiliti, mogelijkheid; Possible, posib’l, mogelijk: If — = zoo mogelijk; Possibly = mogelijk(erwijs): I cannot — assist you = ik kan u onmogelijk helpen.
Possum, posəm, subst. opossum: To act (play) — = zich dood houden, ziek houden; To play — with = bedriegen.
Post, poust, paal, stijl, post, ambt, plaats, militair station of post, bode, brievenbesteller, postdienst, postkantoor, postpapier; — verb. aanplakken, op de kaak stellen, stationneeren, per post verzenden, geheel op de hoogte brengen, boeken, snel of met postpaarden reizen; adv. spoedig, snel: General — = een gezelschapsspel; algemeene promotie; The last — = laatste post; taptoe signaal (nu gewoonlijk geblazen bij de begrafenis van een soldaat); To answer (reply) by (return of, the first, the earliest) — = per (keerende) post; Lost in the — = verloren geraakt; To ride — = als koerier rijden, snel rijden; To send by — = per post; I was sent from — to pillar, and from pillar to — = ze stuurden mij van ’t kastje naar den muur; He is on the wrong side of the — = verkeert in een moeilijke positie; You ought to have —ed me about him = mij ’t noodige omtrent hem te hebben meegedeeld; A notice was —ed up in the market-place = eene bekendmaking werd aangeplakt; He is well —ed (up) in this branch of learning = hij is goed op de hoogte; Her diary was —ed up from her fifteenth year = dagboek was bijgehouden; —-box; —boy = postillon; —-captain = rang tusschen commodore en captain (na 3 jaar dienst); —-card = briefkaart; —-chaise, subst. postkar, postwagen; — verb. rijden met eene —-chaise; —-day = dag, waarop de post aankomt of vertrekt; —-free = franco; —-haste, subst. groote spoed; —-horn = hoorn van den postillon; —horse = postpaard; —house = posthuis; —man = brievenbesteller; —mark = postmerk; —master = postmeester, directeur van een postkantoor; —master-general = directeur generaal der posterijen (lid van het Cabinet); —-office = postkantoor; —-office box; —-office clerk = postambtenaar; —-office money-order = postwissel; —-office savings-bank = postspaarbank; —-paid = franco, gefrankeerd; —-stage = poststation (om te rusten en van paarden te verwisselen); —-time; —-town = stad met een postkantoor; —age = port (van een brief): Additional —age = strafport; —age-stamp = postzegel; —al = tot de posterijen behoorende: —al evolution = ontwikkeling van het postwezen; —al matters; —al order = postbewijs = —al note (Amer.); —er = renbode, postpaard, aanplakbiljet; —e restante = poste restante (“to be left till called for”); —ing: —ing-bill = aanplakbiljet; —ing-hôtel, —ing-house = poststation, posthuis.
Post, poust (in samenst.), na, achter: —-communion = het deel van den dienst na het avondmaal; gebed na de mis; —date, poustdeit, latere datum; — verb. poustdeit = later dateeren; —diluvian = subst. en adj. na den zondvloed levende; —-entry = latere boeking, latere aangifte; —-fix = achtervoegsel; — verb. poustfiks; —-meridian, subst. en adj. namiddag; —-mortem = na den dood: A —-mortem examination = lijkschouwing; —-nuptial = na het huwelijk gebeurende; —-obit, poust-oubit, poust-obit, obligatie waarbij zich de debiteur verplicht na den dood van een bepaald persoon eene grootere som te betalen; —-position = plaatsing na of achter iets anders; —-positive = na of achter geplaatst; —-prandial = na den maaltijd: A —-prandial speech = rede aan het dessert gehouden; —-scenium = achtertooneel; —script = postscriptum.
Posterior, postîriə, later volgend: —s = achterste; Posterity, posteriti, nakomelingschap.
Postern, poustən, kleine deur, geheime ingang (ook: —-door; —-gate), gewelfde doorgang onder de wallen eener vesting.
Posthumous, postjumɐs, na ’s vaders dood geboren, na den dood van een schrijver uitgegeven: — papers, writings = nagelaten papieren, geschriften.
Postil, postil, postille.
Postil(l)ion, poustilj’n, postiljon, voorrijder (op het linker paard).
Postpone, poustpoun, uitstellen, verdagen; subst. —ment = uitstel; —r.
Postulant, postjul’nt, vrager, sollicitant candidaat; Postulate, postjulit, subst. postulaat; — verb. (postjuleit) zonder bewijs aannemen, verlangen, eischen; subst. Postulation.
Posture, postjə, houding, stand, toestand: In a — of defence = in verdedigende houding; —-maker, —-master = acrobaat.
Posy, pouzi, dichterlijk motto; bloem(tuiltje).
Pot, pot, pot, bloempot, kan die een quart inhoudt, formaat papier (31 × 37½ cM.), groote som (inzet); — verb. in potten zetten of planten, inmaken of inleggen, parodieeren, (neer)schieten, zuipen: The — calls the kettle black = de pot verwijt den ketel dat hij zwart is; The iron — breaks all the cloam pipkins that float on the same water = met groote heeren is het slecht kersen eten; Little —s are soon hot = jongelui stuiven gauw op; To go to — = op de flesch, te gronde gaan; To keep the — boiling = den boel (het gesprek) aan den gang houden; To put the — on = te veel vragen, overdrijven; To put on the — = hoog wedden; To — a ball = stoppen (bilj.); We were —ted at till we were all hit = er werd op ons geschoten; He was —ted out there = werd daar geplaatst; —-bellied = met uitstekenden, ronden buik; —-boiler = kunstwerk alléén om het geld gemaakt: Is it a novel with a purpose, or only a —-boiler? —-boilery portraits; —-boy = helper in eene kroeg of een bierhuis; —-butter; —-companion = drinkgezel; —-crane, —-hanger, —-hangle = pot- of schoorsteenhaak; —-hat = hooge hoed; stijve vilthoed met ronden bol; —-herb = moesgroente; —-hook = S-vormige haak om een pot of ketel aan te hangen; hanepoot of “puthaak”: —-hooks and hangers; —-house = kroeg; —-hunter = jager, die op alles schiet; broodjager, mededinger in een wedstrijd, wien het alleen om de prijzen te doen is; —-hunting; —-ladle; —-lid = potdeksel; To take —luck = eten wat de pot schaft; —-man = zuiplap; —-metal = legeering van koper en lood; soort v. beschilderd glas; —-pourri = allegaartje, mengelmoes (ook fig.); —-sherd = potscherf; —-shop = kroeg; —-shot = schot uit een hinderlaag, welgemikt schot, schot van een —-hunter; —-valiant = met jenevermoed bezield; —-waller (—wolə) = —-walloper = iemand die (tot 1832) op grond van een eigen kookgelegenheid en een verblijf van 6 maanden in een kiesdistrict het stemrecht bezat; —ted meat = geconserveerd vleesch; —ted plays = parodieën; —ter = pottenbakker: —ter’s-clay = pottenbakkersaarde; —ter’s field = begraafplaats voor armen, onbekenden, etc. (Matth. XXVII, 7); —ter’s-ore = pottenbakkersverglaassel; —tery = pottenbakkersgoed, pottenbakkerij.
Potable, poutəb’l, drinkbaar; subst. —ness.
Potash, potaš, potasch = Potass(a), pətas(ə); Potassium, pətasiəm = kalium; Whisky and potass = Whisky and soda.
Potation, pəteiš’n, drank, drinkgelag, het drinken.
Potato, pəteitou, aardappel: We ate the —es in the skin. Zie Jacket; Baked, Boiled, Fried —es; Mighty small —es = niet veel zaaks (bijzonders); —-disease (—-rot) = aardappelziekte; —-trap = mond.
Pot(h)een, pot(h)în, (geheim gestookte) whisky (Ierl.).
Potence, pout’ns, krukvormig kruis (T); ook = Potency, pout’nsi, macht, invloed; Potent, pout’nt, machtig, invloedrijk, sterk; Potentate, pout’ntit, vorst, monarch; Potential, potentieel, mogelijk; subst. potentiaal; subst. Potentiality.
Pother, podhə, subst. rumoer, verwarring; — verb. razen, rumoer maken, plagen, hinderen.
Potion, pouš’n, drankje.
Potomac, pətoumək.
Potter, potə, zich met nietigheden ophouden of druk maken, strompelen, zeuren, Úmhangen, treuzelen: He —ed about among various sciences = liefhebberde zoo’n beetje in; They are —ingly European = bekrompen Europeesch; The old —er = de oude zeur of zanikkous.
Pottle, pot’l, maat van ± 2,272 L.; vruchtenmandje of bakje.
Pouch, pautš, zak, tasch, krop, balg, patroontasch, buidel (van het buideldier); — verb. in den zak steken (ook fig.), schenken.
Pouchong, pušoŋ, soort v. zwarte thee.
Poughkeepsie, poukîpsi; Poulett, pôlət.
Poulterer, poultərə, poelier.
Poultice, poultis, subst. pap; — verb. pappen.
Poultry, poultri, pluimgedierte: Rearing of — = hoenderteelt; —-house = hoenderhok; —-yard = hoenderhof.
Pounce, pauns, een fijn poeder, vroeger gebruikt in plaats van vloeipapier; klauw (van roofvogels); — verb. met radeerpoeder bestrooien; aanvallen, neerschieten op: He is on the — = gereed om aan te vallen; He fell — among them = pardoes; The policeman —d on a little innocent = greep een kleinen jongen, die niets gedaan had; —-box = strooier, reukdoosje.
Pound, paund, Engelsch pond (12 ounces Troy-weight = ± 373 gr., en 16 ounces Avoirdupois = ± 453,6 gr.); pond sterling; schuthok (voor vee); — verb. in het schuthok zetten, slaan, stampen, tot poeder maken, ploeteren, zwoegen, schieten (met zwaar geschut): The bankrupt paid two shillings in the — = betaalde 10%; The —ed earthen floor = gestampte leemen; He —ed steadily at his great historical work = werkte ijverig en geregeld aan; They kept —ing away = schoten maar door; This —ing with the big guns at long range is not to my taste = dat schieten met de kanonnen op grooten afstand; —-cake = een soort gebak waarin de bestanddeelen pondsgewijs, of in gelijke deelen voorkomen; —-foolish, Zie Penny; —-keeper = bewaker van den schutstal; —age = belasting v. 1 sh. per £; schutten; staangeld; —er = stamper; … ponder: Ten —er = tienponder, banknoot van 10 £.
Pour, pö, gieten, storten, stroomen, vloeien: It never rains but it —s = een (on)geluk komt zelden alleen; He —ed forth his heart to me = stortte zijn hart voor mij uit; To — in a volley = een salvo geven; Shall I — you out another glass? = zal ik u nog eens inschenken?
Poussette, puset, subst. figuur v. d. country-dance, waarbij de 2 paren elkaar kruiselings de hand geven en ronddraaien; — verb. in paren ronddraaien.
Pout, paut, subst. hoentje; meisje, liefje; het vooruitsteken der lippen, het pruilen; — verb. de lippen vooruitsteken (om gemelijkheid, landerigheid of verachting uit te drukken), pruilen, uitsteken; —er = pruiler; kropduif.
Poverty, povəti, armoede, behoefte, gebrek, onvruchtbaarheid: To bring a person to —, To reduce to — = tot armoede brengen.
Powder, paudə, subst. poeder, buskruit; — verb. tot poeder maken, bestrooien of bepoederen, zouten, poeieren: To lie in — = in duigen liggen; You waste your — and shot = verschiet vergeefs je kruit; I am in good health and —ing away at my novel = schrijf hard aan mijn roman; —-box = poederdoos; kruitkist; —-cart = caisson of kruitwagen; —-chest = kruitkist; springmijn; —-flask = kruithoorn = —-horn; —-magazine = kruithuis; —-mill = kruitfabriek; —-mine = kruitmijn; —-puff = poederkwast; —-room = kruitkamer (in een schip); —-sugar; —y = gelijkende op kruit of poeder (poeier), kruimelig, stoffig, gepoederd.
Powell, pauəl, pouəl.
Power, pauə, macht, kracht, vermogen, geest, bekwaamheid, invloed, gezag, mogendheid, menigte, hoop: — of attorney = volmacht, procuratie; It does not lie in my — = ik heb het niet in mijne macht; —s = gaven of vermogen: The —s that be = de gestelde machten, de overheid; The —s be thanked for it = dank zij den Goden; Merciful —s = goeie Goden! The Great European —s = Groote Europeesche mogendheden; —-house (—-station) = electr. centrale; —-loom = stoomweefgetouw; —-press = stoomdrukpers; —ful = machtig, krachtig, vermogend; subst. —fulness; —less(ness) = machteloos(heid).
Powwow, pauwau, subst. Indiaansche toovenaar, tooverformulier of plechtigheden voor het genezen v. zieken, krijgsdans; rumoerige politieke bijeenkomst (Amer.); — verb. bezweren, beraadslagen, woelige vergaderingen houden (Amer.).
Pox, poks, pokken: Chicken-— = waterpokken; Small— = kinderpokken; A — on that fellow = de duivel hale dien vent!
Praam, prâm, praam.
Practicability, praktikəbiliti, subst. v. Practicable, praktikəb’l, uitvoerbaar, doenlijk; subst. —ness; Practical, praktik’l, practisch, werkdadig: A — joke = handtastelijkheid, ruwe grap; They are, —ly, on a par = feitelijk staan ze gelijk.
Practice, praktis, practijk, uitoefening, gewoonte, gebruik: A doctor in any (large) — = met eenige (groote) praktijk; My private —; That is in —, out of — = in gebruik, in onbruik; He had been out of — for many years = hij had er jaren lang niet aan gedaan; It was put (in), reduced to — = in practijk gebracht; —-butt = kogelvanger; —-ground = schietbaan; —-target = schijf.
Practise, praktis, oefenen, zich oefenen, uitoefenen, in toepassing brengen, een beroep of vak uitoefenen: If you wish to learn to play the piano, you must — every day = moet ge u alle dagen oefenen; Young men —d at the glass to catch the curl of Byron’s lip = oefenden zich voor den spiegel; The doctor does not — in the town = praktiseert niet in de stad; They —d on my good faith = maakten misbruik van mijn vertrouwen, goedgeloovigheid; A —d teacher = ervaren; Practising-ground = exercitieveld.
Practitioner, praktišənə, praktiseerend geneesheer, praktizijn.
Praed, preid.
Praemunire, prîmjunairî, premjunairî, overschrijding van het kerkelijk recht: Statute of — = wet omtrent schending van ’s konings prerogatief, rechtsingang daartegen, straf daarvoor; ook verb.
Praetor, prîtə, Romeinsch overheidspersoon; —ial, —ian, pritôriəl, —ən, praetoriaansch, rechterlijk: —ian bands (guards) = lijfgarde der Romeinsche keizers; Praetorium.
Pragmatic, pragmatik, pragmatisch, pragmatiek: — sanction = onherroepelijk vorstelijk besluit (vooral dat v. Karel VI, waarbij hij de erfopvolging in zijne Staten regelde); —al = druk, ijverig, bemoeiziek, peuterig; subst. —alness.
Prague, preig.
Prairie, prêri, prairie: —-chicken (—-hen) = hazelhoen; —-dog = prairiehond; —-oyster = gezouten en gepeperd ei met spiritualiën of azijn geklutst; — value = geringe waarde van grond (als weiland alleen); —-wolf.
Praise, preiz, subst. lof, lofspraak, dank; — verb. prijzen, toejuichen, hoog verheffen: He got more — than pudding = werd met mooie woorden afgescheept; Be it said in his — = het zij te zijner eer gezegd; He sounded his friend’s —s = verkondigde den lof; I — you for it = ik prijs je er om; Don’t — the day till it is over; —worthiness, subst. v. —worthy = loffelijk, lofwaardig.
Prakrit, prâkrit, volksdialect v. h. Sanskrit.
Praline, prâlîn, praline.
Pram, pram, praam; ook verk. van Perambulator.
Prance, prâns, steigeren, met veel vertoon rijden, trotsch en statig stappen.
Prandial, prandiəl, betrekking hebbend op den maaltijd.
Prank, praŋk, subst. grap of poets, scherts; — verb. veel vertoon maken, optooien: Don’t play your —s upon me = bak mij je poetsen niet.
Prate, preit, wauwelen, babbelen, klappeien; ook subst.; —r.
Pratique, pratik, handelsverkeer, verlof aan een schip om binnen te vallen na de quarantaine of na eene verklaring, dat het niet in besmette havens is geweest: The vessel was admitted to — = de quarantaine werd opgeheven.
Prattle, prat’l, subst. (kinder)gesnap; — verb. snappen, kakelen; —r.
Prawn, prôn, steurgarnaal.
Praxis, praksis, uitoefening, gebruik, (verzameling van) voorbeeld(en).
Praxiteles, praksitəlîz.
Pray, prei, verb. bidden, smeeken, aanroepen; interj. eilieve!: I — to God to bless you; — be quiet = wees als ’t u belieft rustig; Prayer, prêə, gebed, smeekbede; preijə, bidder: The Book of Common — = de liturgie der Engelsche staatskerk; The Lord’s — = het “Onze Vader”; The child said its —s, and Heaven heard them = het kind zei zijne gebeden op, en de hemel verhoorde ze; —s = godsdienstoefening (b.v. bijbellezen, etc.) in huis; —-book = gebedenboek; —-meeting = bidstond; —ful = godsdienstig, vroom; —less = het gebed veronachtzamend, ongodsdienstig; Praying-desk = bidstoel.
Preach, prîtš, prediken, eene leerrede houden: To — at = preeken tegen; She —ed down her daughter’s heart with her worldly maxims = zij ontnam hare dochter alle idealen door hare wereldsche gezindheid; To — to deaf ears; They —ed up those principles = prezen luide aan; The —er = Prediker; —ership = predikambt; —ment = preek (in verachtelijken zin): A —ment in a novel is contraband in art = dat gepreek in een roman is uit den booze in de kunst; —y tone = preekerig.
Preacquaintance, prîəkweint’ns, vroegere kennis(making); adj. Preacquainted.
Pre-Adamic, prîadamik, vóór Adams tijd; Pre-Adamite, prîadəmait, subst. bewoner der aarde vóór Adam; adj. vóór Adam bestaande = Pre-Adamitic, prîadəmitik.
Preadmonish, prîadmoniš, vooraf vermanen; subst. Preadmonition.
Preamble, prîamb’l, voorrede, inleiding; — verb. van eene inleiding voorzien; adj. Preambulary.
Preappoint, prîəpôint, vooraf bepalen of aanstellen; subst. —ment.
Preaudience, prîôdj’ns, rangorde (voorrang) bij de rechterlijke macht.
Prebend, preb’nd, prebende, bezoldiging v. een domheer; —al, pribend’l, prebənd’l, tot eene prebende behoorende; Prebendary, preb’ndəri, dienstdoend domheer (tegenover Canon, titulair domheer); —ship.
Precarious, prikêriəs, in hooge mate onzeker, van den wil van een ander afhangend; opzegbaar; subst. —ness.
Precaution, prikôš’n, subst. voorzorg, voorbehoedmiddel; — verb. vooraf waarschuwen: To take —s; —ary = uit voorzorg: —ary measures = voorzorgsmaatregelen; Precautious, prikôšəs, omzichtig, behoedzaam.
Precede, prisîd, voorgaan, voorafgaan; —nce, prisîd’ns, voorrang, voortreffelijkheid: The French ambassador took (had) —nce of all the court = had den voorrang boven allen aan het hof; Precedent, prisîd’nt, voorafgaand; Precedent, president, antecedent: To be without a —.
Precentor, prisentə, koorleider, voorzanger; —ship.
Precept, prîsept, voorschrift, bevel, grondregel, mandaat; —or, priseptə, onderwijzer, opvoeder: College of —ors = een onderwijzersvereeniging, waaraan door den staat het recht van opleiding en examineeren is toegekend; —orship; —ory, priseptəri, prîseptəri, subst. godsdiensthuis der tempeliers; seminarium; adj. voorschriften bevattende.
Precession, priseš’n, precessie; adj. —al.
Precinct, prîsiŋkt, grens, gebied.
Precious, prešəs, kostbaar, dierbaar: A — fellow = een mooie vent (ironisch); Your — things = je prullengoed; — metals, stones = edele metalen, edelgesteenten; subst. —ness.
Precipice, presipis, afgrond, steilte, groot gevaar: He was rescued from the — = van den afgrond gered; To walk on a — = aan den rand des afgronds staan.
Precipitance, Precipitancy, prisipit’ns(i), overhaasting, voorbarigheid; Precipitant, adj. overhaast, voorbarig, neerstortend; subst. praecipitaat; Precipitate, prisipiteit, verb. neerstorten, bezinken, aandrijven met groote haast of met geweld, blindelings voorthollen, verhaasten (v. schreden of loop); subst. (prisipitit) bezinksel, praecipitaat; adj. overhaast, overijld, onbezonnen, nederstortend; Precipitation, presipiteiš’n, overhaasting, overijling, praecipitaat of neerslag; Precipitator = overhaaster, overijler; Precipitous, prisipitɐs, steil, overhaastig; subst. —ness.
Precis, preisî, preisî, korte inhoud, excerpt: He was appointed as a —-writer in the Foreign Office = hij werd bij Buitenlandsche Zaken als excerptenmaker aangesteld.
Precise, prisais, juist, nauwkeurig, overdreven correct, sekuur; subst. —ness; Precisian, prisiž’n, Jantje sekuur, zemelknooper; Precisianism = femelarij, vormelijkheid; Precision, prisiž’n, nauwkeurigheid, stiptheid.
Preclude, priklûd, uitsluiten, beletten: This —s ambiguity = voorkomt; Space —s us from quoting the passage = door gebrek aan ruimte kunnen wij de passage niet aanhalen; Preclusion, priklûž’n, ùitsluiting, voorkóming; Preclusive, priklûsiv, uitsluitend, voorkómend.
Precocious, prikoušəs, vroegrijp, brutaal; subst. —ness = Precocity, prikositi.
Precognition, prîkogniš’n, voorkennis; voor-onderzoek (Schotl.).
Preconceive, prîk’nsîv, vooraf opvatten of eene meening vormen: —d opinion = vooroordeel.
Preconcert, prîk’nsɐ̂t, vooraf overleggen of beramen; subst. Preconcert.
Precondemn, prîk’ndem, reeds vooraf (zonder onderzoek) veroordeelen; subst. —ation.
Preconization, prîkon(a)izeiš’n, benoeming tot een kerkelijk ambt; — verb. To preconize.
Precontract, prîk’ntrakt, vooraf overeenkomen, door een vooraf gemaakte overeenkomst verbinden; subst. Precontract.
Precursor, prikɐ̂sə, voorlooper, voorteeken; —y = voorloopig, inleidend, voorafgaand.
Predaceous, prideišəs, roof …
Predatory, predətəri, plunderend, roovend; roof …: — raids = strooptochten.
Predecease, prîdisîs, subst. vroegere dood; — verb. vroeger sterven: The doctors have frequently —d him = hem vaak “doodgezegd”.
Predecessor, prîdisesə, predisesə, voorganger, voorouder.
Predestinarian, prîdestinêriən, subst. geloover in voorbeschikking; adj. wat tot de voorbeschikking behoort; Predestinate = voorbeschikken, vooraf bestemmen, vooraf bepalen; adj. pridestinit, voorbeschikt; Predestination = voorbeschikking.
Predeterminable, prîditɐ̂minəb’l, vooraf bepaalbaar; Predeterminate, prîditɐ̂minit, vooraf bepaald; Predetermination = vooraf gemaakte bepaling; Predetermine = vooraf bepalen.
Predial, prîdj’l, behoorende tot (voortkomende uit) grondbezit: — slave = lijfeigene.
Predicability, predikəbiliti, bevestigbaarheid; Predicable, predikəb’l, subst. eigenschap-aanduidend woord; adj. wat gezegd of bevestigd kan worden van iets.
Predicament, pridikəment, geval, toestand, kritiek geval, categorie, klasse: To be in a pretty — = er leelijk aan toe zijn; —al, predikəment’l, categorisch, tot eene klasse behoorend.
Predicate, predikit, subst. gezegde, praedicaat; — verb. (predikeit) bevestigen; gronden of steunen op (Amer.); Predication = bewering, bevestiging; Predicative = bevestigend = Predicatory.
Predict, pridikt, voorzeggen, voorspellen; —ion = voorspelling, profetie; —ive = voorspellend; —or = voorspeller.
Predilection, prîdilekš’n, vooringenomenheid, voorliefde.
Predispose, prîdispouz, voorbereiden, neiging of geschiktheid hebben of geven voor; Predisposition, prîdispəzišn, neiging tot, vatbaarheid voor; voorbereiding.
Predominance, Predominancy, pridomin’ns(i), overhand, gezag, heerschappij; Predominant = overheerschend; Predominate, pridomineit, de overhand hebben, heerschen; subst. Predomination.
Predoom, prîdûm, vooraf veroordeelen of bestemmen.
Pre-elect, prî-ilekt, vooraf kiezen; subst. —ion.
Pre-eminence, prî-emin’ns, voorrang, meerdere voortreffelijkheid; adj. Pre-eminent.
Pre-empt, prî-em(p)t, het (of door) vóórkoopsrecht verkrijgen (Amer.); Pre-emption(-right), pri-em(p)š’n, recht van vóórkoop.
Preen, prîn, subst. gevorkte naald; — verb. met den bek (de veeren) gladstrijken.
Pre-engage, prî-əngeidž, vooraf verbinden; subst. —ment.
Pre-establish, prî-əstabliš, vooraf vestigen of vaststellen; subst. —ment.
Pre-examination, prî-əgzamineiš’n, voorafgaand onderzoek; — verb. Pre-examine, prî-əgzamin.
Pre-exist, prî-əgzist, vooraf bestaan; subst. —ence; adj. —ent.
Preface, prefis, subst. voorrede, inleidend woord; — verb. van eene voorrede voorzien, inleiden; Prefatory, prefətəri, inleidend, voorafgaand.
Prefect, prîfekt, gouverneur, magistraat, prefect; —ship; The —ual system = het monitor-stelsel (in de school); —ure = prefectuur.
Prefer, prifɐ̂, voordragen, aanhangig maken, aanbieden, verkiezen: To — a bill = klacht indienen; To — a request = een verzoek doen, voordragen; To — to (above, before) = verkiezen boven; —red debts = preferente schulden; —red stock = pref. aandeelen; —able, prefərəb’l, verkieslijk (before, to); subst. —ableness; Preference, prefərens, voorkeur: In — to = liever dan; — Bonds = prioriteitsobligaties; — Shares = preferente aandeelen (wier houders een extra-dividend krijgen); Preferment = voorrang, bevordering, hoogere betrekking (vooral kerkelijke).
Prefix, prîfiks, voorvoegsel; Prefix, prifiks, voorplaatsen, aanhechten aan het begin (to).
Preform, prîföm, vooraf vormen; subst. —ation; adj. —ative.
Pregnancy, pregn’nsi, zwangerschap; vruchtbaarheid, gewichtigheid: To be far advanced in —; About the 7th month of her —; On her 9th —; Pregnant = zwanger, vruchtbaar, vol beteekenis, scherpzinnig, overtuigend, duidelijk: The times are — with important events = de tijden zijn zwanger van belangrijke gebeurtenissen; It is — = het is duidelijk.
Pregustation, prîgɐsteiš’n, voorproef, voorsmaak.
Prehensible, prihensib’l, grijpbaar; Prehensile, prihens(a)il, grijpend, geschikt om mede te grijpen: Some animals have — toes and tails = grijpteenen en grijpstaarten; Prehension, prihenš’n, het pakken of grijpen.
Prehistoric(al), prîhistorik(’l), vóórhistorisch: A —ally-minded person = zeer ouderwetsch mensch.
Prejudge, prîdžɐdž, vooraf oordeelen, zonder behoorlijk onderzoek (ver)oordeelen: It was a —d case = het geval was al beslist of uitgemaakt vóór onderzoek; subst. Prejudg(e)ment.
Prejudice, predžədis, subst. vooroordeel; nadeel, afbreuk, schade; — verb. vóórinnemen, afbreuk doen, schaden: Last night’s events had —d me in his eyes = hadden mij bij hem kwaad gedaan; I am not in the least —d by what I heard about you = ik ben in het minst niet geïnfluenceerd; Prejudicial, predžudiš’l, nadeelig, schadelijk: To be — to = afbreuk doen aan.
Preknowledge, prînolədž, voorkennis.
Prelacy, preləsi, ambt van prelaat, alle prelaten, bisschoppelijke regeering; Prelate, prelit, prelaat; —ship = prelaatschap; Prelatic(al) = van een prelaat of prelaten; Prelatism = bisschoppelijke kerkregeering; Prelatist = voorstander van bisschoppelijke kerkregeering.
Prelect, prilekt, openbare redevoering of voorlezing houden; —ion = redevoering, voorlezing; —or = voorlezer, redenaar; lector.
Preliminary, priliminəri, inleidend, voorafgaand; — articles = preliminairen = Preliminaries.
Prelude, preljûd, prîl(j)ûd, subst. voorspel, inleiding; — verb. (pril(j)ûd), inleiden, voorbereiden, een voorspel geven; Prelusive, pril(j)ûsiv, inleidend, bij wijze van voorspel = Prelusory, pril(j)ûsəri.
Premature, prîmətjuə, premətjuə, vroegrijp, ontijdig; subst. —ness, Prematurity, prîmətjûriti, premətjûriti, vroegrijpheid, voorbarigheid.
Premeditate, primediteit, bepeinzen, beramen, vooraf overleggen: The murder was —d; subst. Premeditation.
Premier, premjə, prîmjə, eerste, voornaamste; subst. premier; —ship = waardigheid van eersten minister.
Premise, premis, premisse (ook Premiss gespeld); —s, premisiz, gebouw met alles wat er bij hoort, huis en erf.
Premise, primaiz, vooropstellen.
Premium, prîmj’m, belooning, prijs, premie, opgeld, agio, waarde boven pari, hooge prijs: The Russian railway-shares are at a — now = staan nu boven pari; Pews in the centre aisle are at a — = zijn zeer gezocht.
Premonish, primoniš, vooraf waarschuwen; subst. Premonition, prîməniš’n; Premonitive = Premonitory = vooraf waarschuwend.
Premunire; Zie Praemunire.
Prenatal, prîneit’l, vóór de geboorte.
Prentice, prentis, verk. van Apprentice; —ship.
Preoccupancy, prîokjupənsi, (het recht op) vroegere inbezitneming; Preoccupant; Preoccupation = vroegere inbezitneming; vooringenomenheid, vooroordeel; Preoccupied = in gedachten verzonken; Preoccupy = vooraf bezetten; geheel innemen, vóórinnemen.
Preordain, priödein, vooraf bepalen of beschikken; Preordination = voorafgaande bepaling, vroeger besluit.
Prepaid, pripeid: Address — to N.N. = men wende zich met franco brieven tot N.N.
Preparation, prepəreiš’n, voorbereiding, voorbereidsel, huiswerk (verkort: Prep.); Preparative, priparətiv, subst. en adj. voorbereidend(e maatregel); Preparator; Preparatory, priparətəri, voorbereidend, inleidend; Prepare, pripêə, voorbereiden, klaarmaken, toebereiden: He —d for his departure = maakte zich klaar voor; He was almost —d for anything = was haast op alles voorbereid; I am not —d to pretend that = dat durf ik niet beweren.
Prepay, prîpei, vooruitbetalen, frankeeren: Send a telegram and — reply = met antwoord betaald; —ment = vooruitbetaling.
Prepense, pripens, voorbedacht, vooruit beraamd: Malice —.
Preponderance, pripondər’ns, overwicht, overmachtige invloed; Preponderant = overwegend; Preponderate, pripondəreit, zwaarder wegen, het overwicht hebben; subst. Preponderation.
Preposition, prepəziš’n, voorzetsel; —al = als v. een voorzetsel; Prepositive, pripozitiv, subst. en adj. voorop geplaatst (woord); Prepositor, pripozitə, klassevoogd, monitor, prefekt.
Prepossess, prîpozes, vooraf in bezit nemen, voor zich innemen; —ing = innemend; —ion = vroeger bezit, vroegere inbezitneming; voorafgevormde meening, vooringenomenheid; —or = vroeger bezitter.
Preposterous, pripostərɐs, ongerijmd, belachelijk, dwaas, averechtsch; subst. —ness.
Prepotence, pripout’ns, Prepotency, pripout’nsi, groote macht, overmacht; Prepotent = overmachtig, zeer sterk, invloedrijk.
Prepuce, prîpjûs, voorhuid.
Pre-Raphaelite, prî-rafəlait, kunstenaar (dichter, schilder), die de voorgangers van Raphael tot voorbeeld neemt; adj. angstvallig getrouw aan de natuur; Pre-Raphaelitism = de kunstrichting dezer mannen.
Prerogative, prirogətiv, voorrecht, privilege, prerogatief: — court = oudtijds eene geestelijke rechtbank, ook tot onderzoek van testamenten.
Presage, prîsidž, presidž, voorteeken, voorgevoel, voorkennis.
Presage, priseidž, voorspellen, een voorgevoel hebben van; subst. —ment.
Presbyopia, presbioupjə, vèrziendheid; Presbyopic, presbiopik, vèrziend.
Presbyter, prezbitə, presbitə, ouderling, geestelijke van de Presbyteriaansche kerk; —ian, prezbitîriən, presbitîriən, Presbyteriaansch, aanhanger v. Presbyterianism = stelsel v. kerkbestuur door Presbyters; —y = raad van ouderlingen, het presbyterianisme.
Prescience, prîšiəns, vóórwetenschap, Prescient = voorafwetend.
Prescind, prisind, afsnijden; afzonderen.
Prescribe, priskraib, voorschrijven, geneeskundig behandelen (for), ongeldig maken door verjaring, verjaren; —r; Prescript, prîskript, subst. voorschrift, bevel; adj. voorgeschreven; Prescriptible = wat voorgeschreven mag worden; Prescription = voorschrift, recept; recht door verjaring; Prescriptive = verjaard, door lang gebruik verkregen: — right.
Presence, prez’ns, tegenwoordigheid, gezelschap, nabijheid, uiterlijk, spookverschijning, audientie: — of mind = tegenwoordigheid van geest; In — of a crisis = bij, tegenover; Real — = het werkelijk aanwezig zijn van het vleesch en bloed van Christus bij het avondmaal; Saving your — = met allen eerbied voor u; de aanwezige(n) uitgezonderd; —-chamber, —-room = audientiezaal; Present, prez’nt, subst. tegenwoordige tijd; geschenk; de onderwerpelijke zaak; adj. tegenwoordig, bestaand, gereed, onmiddellijk, gunstig; —s = (aanwezige) stukken of documenten: He made me a — of it = hij gaf het mij ten geschenke = Gave it me as a —; At — = op het oogenblik; For the — = voor het oogenblik; — tense; —ly = dadelijk.
Present, prizent, formeel voorstellen, aanbieden, ten geschenke geven, vertoonen, voorleggen, presenteeren, aanleggen (v. een geweer), voor een kerkambt voordragen, beschuldigen: He —ed me with it = gaf het mij ten geschenke; This noble subject ought to be —ed dramatically = in dramatischen vorm behandeld worden; — arms = presenteer ’t geweer; —able = presentabel: You do not look —able; —ation = voorstelling, introductie, (recht van) voordracht, (voor een kerkambt); vertooning: This is good material for dramatic —ation = uitstekend geschikt voor eene dramat. bewerking; The book contains much humour and vivid —ation = en eene levendige wijze v. voorstelling; —ation-copy = present-exemplaar; —ative, prizentətiv, het recht hebbend v. voordracht; op aanschouwing berustend; —ee, prez’ntî, die tot een kerkambt of benefice wordt voorgedragen; —er; —ial, prizenš’l, werkelijk aanwezig; —ive, prizentiv: — words = begripsnamen; —ment = voorstelling, gedrag, aanbieding, klacht.
Presentient, prisenšiənt, vooraf voelend of bemerkend; Presentiment, prisentiment, voorgevoel.
Preservable, prizɐ̂vəb’l, wat bewaard of goed gehouden kan worden; Preservation, prezəveiš’n, bewaring, onderhoud, inmaak; Preservative, Preservatory, prizɐ̂vətiv, —əri, subst. en adj. bewarend of goedhoudend (middel); Preserve, prizɐ̂v, subst. ingelegde vruchten, gereserveerd vischwater of wildpark: —rs = stofbril; — verb. redden, beschermen, handhaven, bewaren, goed houden, inmaken; —r = bewaarder, beschermer, inmaker (van vruchten).
Preses, prîsîz, praeses, voorzitter (Schotl.).
Preside, prizaid, presideeren, het opzicht hebben, leiden: He —d at the meeting = leidde (als voorzitter); He must not — over us = moet zich geen rechten over ons aanmatigen; Presidency, prezidensi, presidentschap, (de waardigheid, het gebied, diensttijd v. een pres.); voorzitterschap; President, prezident, voorzitter, president: — elect = de verkozen, nog niet in functie zijnde president; —ial, prezidenš’l: The —ial address was loudly cheered = de toespraak v. den president; —ship = presidentschap, zijn tijd van dienst.
Presidial, prizidj’l, Presidiary, prizidjəri, garnizoens …, bezettings …
Press, pres, subst. gedrang, menigte, druk, kast, linnen(pers), drukpers, het gedrukte, couranten en tijdschriften, pressing (v. zeelieden); — verb. drukken, persen, (uit)knijpen, omhelzen, pakken, dringen, inprenten, geweld uitoefenen, aandringen, krachtig streven, pressen: — of matters, work = hoop werk, dat “af” moet; I am correcting the — = bezig de drukproeven na te zien; Just as we are going to — = op het punt zijn, de copie naar den drukker te zenden; I have written it out for the — = ik heb het voor den druk gereed gemaakt; The book is in the — = wordt gedrukt; The ship was under a — of sail = het schip had alle zeilen bij; We were very hard —ed = zeer in ’t nauw gebracht; I am not going to — the point = hierop nader aan te dringen; He —es into his service a saying of Macaulay = tracht met geweld zijne meening te staven met een beroep op; To — on = voortdringen; We —ed the boat on = lieten de boot op het land loopen; The messengers were —ing onward = renboden spoedden zich voort; —-agency = agentschap voor de pers (zooals Reuter’s Office); —-bed = samenvouwbaar bed, slaapbank; —-buttons = drukknoppen (aan handschoenen, etc.); —-copy = afdruk met een copieerpers gemaakt; —-gang = een troep zeelui met opdracht om mannen door geweld of list tot dienstnemen op de vloot aan te werven; —-man = drukker, dagbladschrijver; geprest, of tot een —-gang behoorend zeeman: —-money = handgeld; —-work = drukken v. de vellen op de pers; —er = perser, drukker; —ing = dringend: —ing necessity; Time is —ing; —ion = drukking, persing; Pressure, prešə, druk(king); gedruktheid, onderdrukking; moeilijkheid, dringendheid, kracht, drang: To put — upon a person = pressie uitoefenen; He was leading a life at high — = hij vergde veel van zijne krachten; These letters must be held over owing to — on our space = wegens plaatsgebrek.
Prest, prest, gereed, klaar; —-money = handgeld.
Prestation, presteiš’n: —-money = vroeger door Archdeacons jaarlijks aan hunnen bisschop te betalen geld.
Prestidigitation, prestididžiteiš’n, goochelarij; Prestidigitator.
Prestige, prestidž, prestîž, invloed, gewicht.
Presto, prestou, snel: Hey — = het “één, twee, drie: Passe” van den goochelaar; Prestissimo = zeer snel.
Presumable, priziûməb’l, vermoedelijk; Presume, prižûm, vermoeden, voor waar aannemen; wagen, durven, zich vermeten: To — too far = te ver gaan; Do not — too much on my patience = verg niet te veel van; Mr. Williams, I —? = heb ik niet het genoegen meneer W. te zien? Presuming = verwaand, aanmatigend, trotsch, vermetel; Presumption, prizɐmš’n, vermoeden, waarschijnlijkheid; verwatenheid, onbeschaamdheid; Presumptive, prizɐmtiv, vermoedelijk, waarschijnlijk: — evidence = derivatief bewijs = Circumstantial of Indirect evidence; Heir — = vermoedelijk troonopvolger; Presumptuous, prizɐmtjuəs = aanmatigend, vermetel; subst. —ness.
Presuppose, prîsəpouz, vooronderstellen, voor waar aannemen; Presupposition, prîsɐpəziš’n, vooronderstelling.
Presurmise, prisəmais, vooraf opgevat vermoeden, argwaan.
Pretence, pritens, voorwendsel, voorgeven, schijn: He made — to laugh = deed of hij lachte; He did it on (under) a — of friendship = deed het onder (het valsche) voorwendsel van vriendschap; Pretend, pritend, voorgeven, voorwenden, zich aanmatigen, (ten onrechte) beweren; He —s to be your friend = neemt den schijn aan; Such people cannot — to honour = kunnen op eer geene aanspraak maken; They make — that they have got a nice dinner = zij verbeelden zich, dat ze een lekker dineetje hebben; Pretended = voorgewend; Pretender = pretendent, huichelaar; Pretension = aanspraak, voorwendsel, aanmatiging, pretensie: I wonder whether he can make good his —s = het zal mij verwonderen of hij verkrijgt, waarop hij beweert recht te hebben; Pretentious = pretentieus; subst. —ness.
Preterhuman, prîtəhjûm’n, bovenmenschelijk.
Preter-imperfect, prîtərimpɐ̂fəkt, subst. en adj. onvoltooid verleden (tijd).
Preterit(e), pretərit, prîtərit, voltooid verleden.
Pretermission, prîtəmiš’n, het voorbijgaan, uitlating; Pretermit, prîtəmit, voorbijgaan, overslaan.
Preternatural, prîtənatjər’l, boven-, onnatuurlijk, abnormaal: — calves = onmogelijk dikke kuiten; subst. —ism = —ness.
Preterperfect, pritəpɐ̂fəkt, volt. verl. (tijd).
Pretext, prîtekst, voorwendsel: He did it under a — of kindness = onder den schijn van.
Pretty, priti, lief, aardig, snoezig, mooi, tamelijk: You are a — fellow (one) = een mooie vent! (iron.); That is a — kettle of fish = dat’s ’n mooie boel; He is — much as tall as you = vrijwel even lang; — sure = vrij zeker; It was not — of her = niet lief van haar; My mother had a number of — pretties: some china, some household silver, a few books, etc. = een aantal keurige dingen; He is a —-spoken fellow = hij is een aangenaam man om mee te praten.
Pretypify, prîtipifai. Zie Prefigure.
Pretzel, prets’l, krakeling.
Prevail, priveil, de overhand hebben, heerschen, van kracht zijn, invloed hebben: The strong hand —ed = het recht van den sterkste gold; I could not — on him to beg pardon = kon hem er niet toe krijgen; Such arguments do not — with me = hebben geen vat op mij, laten mij koud; He —ed himself of the opportunity = maakte zich de gelegenheid ten nutte; —ing = heerschend; Prevalence, Prevalency, prevəlens(i), overmacht, overwicht, het algemeen heerschen of voorkomen; Prevalent, prevəlent, overwegend, heerschend, algem. geldend; krachtig.
Prevaricate, privarikeit, uitvluchten zoeken, dubbelzinnig handelen; verdraaien, schenden; Prevarication = uitvlucht, verzaking van wat waar, plichtmatig en goed is; Prevaricator = uitvluchtenzoeker, plichtverzaker, knoeier.
Prevenient, privînj’nt, voorafgaand, voorkomend, hinderlijk.
Prevent, privent, voorkÚmen, verhinderen, beletten, tegenhouden: He would — me from going there = mij beletten; —able (of —ible) = wat voorkómen of belet kan worden; —ative, subst. voorbehoedmiddel; adj. belettend, voorkomend; —er = beletter, verhinderaar; borgtouw, borghout; —ion = verhindering: I did it for the — of worse things = om erger te voorkomen; —ive = —ative: —ive detention = preventieve hechtenis; —ive service = gewapende kustdienst tegen de smokkelarij.
Previous, prîvjəs, voorafgaand: Mr. Chairman, before putting this proposal to the vote, I beg to move the — question = stel ik de prealabele questie; subst. —ness.
Previse, privaiz, vooruitzien, aankondigen; subst. Prevision, priviž’n.
Prey, prei, subst. prooi, buit, slachtoffer, — verb. rooven, plunderen, azen op, knagen aan: Beast (Bird) of — = roofdier (roofvogel); He fell a — to despondency = hij viel aan algeheele wanhoop ten prooi; Tigers — on living creatures = azen op; There is something —ing on your rest and health = dat u de rust rooft en uwe gezondheid ondermijnt.
Priam(us), praiəm(ɐs), Priamus; Priapus, prai-eipəs.
Pribbles and Prabbles, prib’lzəndprab’lz, onzin.
Price, prais, prijs, waarde; verb. prijzen, den prijs vaststellen: We settled on that — = zijn het over dien prijs eens geworden = Have agreed on that —; A — was set on his head = er werd een prijs op zijn hoofd gezet: Current — = courante (thans geldende) prijs; Reduced — = verminderde; Set — = vaste; Starvation — = buitengewoon lage; —-current, —-list = prijscourant, prijslijst; —less = onschatbaar.
Prick, prik, subst. prik, punt, stip, rolletje, print, teeken, prikkel, wroeging, ongerustheid; — verb. prikken, steken, opsteken, aansporen, knagen (van wroeging, enz.), door een prikje aanwijzen, zich opzichtig kleeden, snel rijden: —s and compunctions of conscience = wroeging en knaging van het geweten; It is no use kicking against the —s = het helpt niet of men de verzenen al tegen de prikkels slaat; To — a hare = een haas in de sneeuw speuren; The chart was —ed = de koers van het schip werd op de kaart aangegeven (door prikjes); To — (for) a Sheriff = een Sheriff benoemen, door een gaatje te prikken achter zijn naam in de lijst der voorgedragen candidaten; Vergelijk: The Sheriffs, when nominated annually, are said to be —ed, this is called: —ing for Sheriffs; He was —ing on at full gallop = reed voort; —-madam = vetkruid; —-punch = drevel of doorslag (van smeden); —er = priem; —le, subst. stekel; verb. puncteeren; —le-back = stekelbaarsje; —liness, subst. v. —ly = stekelig, vol prikkels; —ly-heat = warmtepuistjes (in de Tropen); —ly-pear = vijgdistel.
Pricket, prikət, hert in het 2e jaar = spieshert; aansteker; muurpeper.
Pride, praid, subst. trots, hoogmoed, fierheid, aanmatiging, luister; — verb. trotsch zijn op, hoogschatten: — will (is sure to) have a fall = hoogmoed komt vóór den val; To bring down a man’s — = iemand vernederen; That fellow is puffed up with family — = opgeblazen van familietrots; She takes a — in her children = zij is trotsch op hare kinderen; He —d himself on being = hij beroemde (verhief) er zich op, dat hij was; —ful = hoovaardig, trotsch; subst. —fulness.
Prier, praiə, snuffelaar; spion. Zie Pry.
Priest, prîst, priester, geestelijke; —-ridden = onder de plak der geestelijkheid; —craft = priesterlist; —ess = priesteres; —hood = priesterschap, alle priesters; —like, —ly = priesterlijk, als priester.
Prig, prig, subst. verwaand en aanmatigend persoon; “brave Hendrik”, “braaf Lijsje”; dief; — verb. stelen, ontfutselen: They are a set of starched-up —s = een stelletje opgeprikte “kwibussen”; She —ged his diamond shirt-pin = zij ontfutselde hem; —gish = verwaand, pedant; subst. —gishness, —gism.
Prill, pril, tongschar.
Prim, prim, adj. netjes, vormelijk, gemaakt; — verb. zich keurigjes kleeden en tooien: popperig mooi maken: She was very proprietous, and even fainted —ly = en viel zelfs flauw in allen vorm; —ness = stijfheid, affectatie.
Prima, prîmə, eerste, voornaamste; b.v.: —-buffa = eerste komieke actrice; —-donna = eerste zangeres; To play — vista = van ’t blad.
Primacy, praiməsi, opperkerkvoogdschap.
Primage, praimidž, kaplaken (premie).
Primal, praim’l, eerste, voornaamste; Primary, praiməri, adj. eerste, voornaamste, primair, elementair; subst. hoofdzaak: — colours = primaire kleuren; — instruction, school = lager onderwijs, lagere school.
Primate, praimit, opperkerkvoogd: — of England = aartsbisschop v. York; — of all England = aartsb. v. Canterbury; —ship.
Prime, praim, eerste, voornaamste, prima, vroeg bloeiend, uitstekend; subst. begin, eerste stadium, dageraad, jeugd, lente, bloei, premie, priemgetal; — verb. kruit op de pan doen, gereed maken om af te schieten, klaarmaken, instrueeren, africhten (voor een examen, b.v.), in de grondverf zetten, opkoken (v. water in den stoomketel), water door stoom uit den ketel in den cylinder brengen: To sell at — cost = tegen inkoopsprijs; — meridian = eerste meridiaan; — minister = minister-president; — mover = beweegkracht; — number = ondeelbaar getal; He was still in his — = in den bloei zijns levens: Verg.: In the — of life, not yet 50 years of age; —ness; The partisan judge —d the audience and the jury = bewerkte het publiek en de jury; He —d his pistol = deed kruit op de pan; The soldiers were —d for the battle with liquor = kregen een stevigen borrel om hun moed te geven; Priming-iron, Priming-wire = ruimnaald (Milit.).
Primer, primə, gebedenboek, boek voor beginners, inleiding, abc-boek; soort van drukletter: A — of English Literature = eerste inleiding tot de E. letterkunde.
Primeval, praimîv’l, oorspronkelijk: — Forest = oerwoud.
Primigenial, praimidžînj’l, eerst geschapen, oorspronkelijk.
Primitive, primitiv, subst. en adj. oorspronkelijk (woord), stamwoord; subst. —ness.
Primo, prîmou, eerste: — Basso (Zie Prima).
Primogenial, praimədžînj’l, oorspronkelijk, eerst geboren; Primogeniture, praimədženitjə, eerstgeboorterecht.
Primordial, praimödj’l, oorspronkelijk, van het begin bestaande; primitief; subst. begin.
Primrose, primrouz, sleutelbloem: —-day = gedenkdag van Lord Beaconsfields (B. Disraeli) dood, 19 April 1888, ingesteld door de — League = een conservatieve bond, gesticht door Lady Randolph Churchill in 1881.
Primula, primjulə, gemeene sleutelbloem.
Prince, prins, subst. vorst, prins: Crown —; Hereditary — = erfprins; — Charming = de Prins uit het sprookje; — Consort = prins gemaal; — of Wales = Engelsche kroonprins; — Royal (— Imperial) = kroonprins bij Latijn. naties; —’s feather = kattestaart, Oostersche duizendknoop; —’s metal = spinsbek: —dom; —like = vorstelijk (= —ly); —liness; Princess, prinses, prinses: — Royal = kroon prinses; titel der oudste dochter van den Eng. koning; — dress, gown, robe.
Principal, prinsip’l, subst. hoofd, president, chef, bestuurder, hoofdsom, hoofdpersoon, lastgever of bedrijver; adj. voornaamste, eerste, hoogste, hoofd …: Only —s will be dealt with = op tusschenpersonen wordt geen regard geslagen; — and interest = kapitaal en intrest; — Librarian of the British Museum = hoofdbibliothecaris; —ity, prinsipaliti, vorstelijke waardigheid, vorstendom; zevende orde van engelen; —ness = voorrang, hoofdzaak.
Principia, prinsipiə, beginselen.
Principle, prinsip’l, subst. beginsel, oorsprong, element, grondslag; — verb. beginselen inboezemen of inprenten: He acted from a noble — = uit een edel beginsel; On — = uit beginsel; Act up to your —s = handel volgens uwe beginselen; To hold a —; He laid down the following — = hij stelde dit beginsel voorop.
Prink, priŋk, zich opsmukken; —er = fat.
Print, print, subst. indruk, teeken, merk, blad, prent; gravure, geschrift; gedrukte katoenen stof: — verb. drukken, indrukken, stempelen, uitgeven: When will the book appear in —? = in druk verschijnen; He has put it into — = heeft het laten drukken; The first edition is out of — = is uitverkocht; One of the conservative —s = conservatieve bladen; Keeper of the —s in the British Museum = directeur van het prentenkabinet; Let me — it on your minds = het ulieden op het gemoed drukken; —-seller = handelaar in prenten en gravures; —-shop = winkel van een —-seller; Employed at a —-works = katoendrukfabriek; Printer = boekdrukker; —’s devil = drukkersloopjongen; —’s errors = drukfouten: —’s reader = corrector; Printing = het (boek)drukken: Letterpress — = boekdruk; Lithographic — = steendruk; —-ink = drukinkt; —-machine = druk- of snelpers; —-paper = drukpapier; —-press = drukpers; —-type = drukletter.
Prior, praiə, eer, vroeger, voorafgaand (met to); subst. prior = Claustral —; Conventual — = prior, die niet aan de jurisd. van een abt is onderworpen; —ate, praiərit, prioraat; —ess = priores; —ity, praioriti, voorrang: Creditor by —ity = preferente; —ship = prioraat; —y = klooster met een prior of eene priores aan het hoofd.
Prise, praiz, hefboom; — verb. opheffen, openen, openbreken.
Prism, prizm, prisma; —atical, prizmatik’l, prismatisch.
Prison, priz’n, subst. gevangenis; — verb. gevangen zetten, insluiten: To be (sit) in — = gevangen zitten; To break (out of) — = uitbreken; To put (throw) into — = gevangen zetten; To take to — = naar de gevangenis brengen; —-bars = tralies; ook —-base of —er’s-base = diefjesspel (een speler staat tusschen twee bases of goals en tracht de anderen, die voorbijloopen te “tikken”; —-van = dievenwagen; —-yard = binnenplaats van eene gevangenis; —er = gevangene: They were taken —er = gevangen genomen; —ment = gevangenschap.
Pristine, pristin, eerst, oorspronkelijk, frisch.
Prithee, pridhî, eilieve!
Prittle-Prattle, prit’lprat’l, gewauwel.
Privacy, pr(a)ivisi, afzondering, eenzaamheid, eenzame plaats: Your — will not be invaded = niemand zal u (in uwe afzondering) lastig vallen.
Private, praivit, subst. gewoon soldaat; —s = geslachtsdeelen; adj. alléén, persoonlijk, ambteloos, niet-officiëel, vertrouwelijk: The letter was headed “—” = boven den brief stond “Vertrouwelijk”: In — = in ’t geheim, in vertrouwen, onder vier oogen; The word “—” on this door means: “Verboden toegang”; A — affair = een onderonsje; To sell by — bargain (treaty) = onderhands; — box = post“box”; — confessor = eigen biechtvader; My — debts amount to 3000 guilders = mijne persoonlijke schulden; A — dinner = “en famille”; — hotel = hotel garni; A — person = ambteloos, niet officiëel, particulier persoon; — parts = —s; — theatricals = liefhebberijkomedie; — venture school = school voor eigen rekening; —ness = afzondering, geheimhouding; Privateer, pr(a)ivitîə, subst. kaper; — verb. ter kaap varen; —ing = kaapvaart, kaperij; —sman = kaapvaarder.
Privation, praiveišn, ontbering, behoefte, gebrek; ontzetting uit een ambt, schorsing; wegneming; Privative, privətiv, subst. en adj. ontkennend (zooals un in unhappy), beroovend.
Privet, privət, liguster of keelkruid.
Privilege, privilidž, subst. voorrecht, recht; — verb. vrijstellen, bevoorrechten, machtigen: Breach of — = schennis van de rechten van een zedelijk lichaam, zooals het House of Commons; Writ of — = bevel tot vrijlating van bevoorrechte personen (Afgevaardigden, etc.); —d = bevoorrecht.
Privy, privi, geheim, afgezonderd, heimelijk, ingewijd; subst. privaat; belanghebbende: I am — to all his plans = ingewijd in; — Chamber = geheim kabinet; particulier vertrek van den koning; — Council = Engelsche Raad van State; — Councillor = lid van dien Raad van State; — parts = Privates; — purse = civiele lijst; — Seal = geheimzegel: Lord — Seal = geheimzegelbewaarder; Privity = geheime mededeeling, medeweten: With his — and consent.