← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

T.

Reading edition

T, tî; T(un, Tuesday); Tech(nical); Tenn(essee); Teut(onic); Tex(as); Text(us) rec(eptus) = The received text; Th(omas); Theo(dore); Theol(ogy); Thess(alonians); Tho(mas); Thu(rsday); Thurs(day); Tim(othy); Tit(le, Titus); T(urn) O(ver); Topog(raphy); Tr. = Translation, Transpose, Treasurer, Trustee; Trans. = Transactions, Translator; Trav(els); Trig. of Trigon(ometry); Trin(ity); T(exa)s; t.t.l. = to take leave (= p.p.c.); Tu. of Tues(day); Typ(ographer); Typog(raphy); It fits me to a — = past me precies; He is marked with a — = hij heeft gezeten; She rested her foot on a — = op een steuntje, stoeltje; I can tell it you to a — = ik kan het u precies vertellen.

Ta, tâ: I’ll say — for him = ik zal voor hem bedanken; Ta-ta = dá-ag (bij afscheid).

Tab, tab, flapleertje van een schoen, nestel, oorklep, kanten voering in een dameshoed.

Tabard, tabəd, tabbaard; mantel van een heraut; —er = getabberde.

Tabaret, tabəret, dikke gestreepte zijden stof.

Tabby, tabi, subst. moiré zijde, kalk met schelpen en kiezel, oude vrijster, gestreepte kat (= —-cat, —-kitten); adj. gewaterd, gemoireerd; — verb. moireeren.

Tabefaction, tabifakš’n, wegkwijning.

Tabellary, tɐbələri, tabellarisch.

Tabernacle, tabənək’l, subst. tabernakel, hostiekast, tent, tempel, aardsch omhulsel, loofhut, bedehuis (der Methodisten); — verb. tabernakelen, verblijven: The feast of —s = loof huttenfeest; Tabernacular, tabənakjulə, getralied.

Tabes, teibîz, ruggemergstering; Tabetic, təbetik, aan tabes lijdende = Tabid, ook: uitgeteerd: subst. —ness.

Tabitha, tabithə.

Tabitude, tabitjûd, uittering.

Tablature, tablətjə, verdeeling van den schedel in tweeën, tabulatuur.

Table, teib’l, subst. tafel, tablet; — verb. rangschikken, catalogiseeren, tabelleeren, wetsvoorstellen op de tafel van het Lagerhuis leggen, indienen; in den kost zijn: —s = notitieboek, tabel, register, pufspel, triktrak; — of contents = inhoudsopgave; The Lord’s — = het Avondmaal; The Round — = Koning Arthur’s tafelronde; Sliding — = uittrektafel; He keeps a good — = eet lekker, heeft een goede tafel; To keep an open — = open tafel houden; To spread the — = dekken; He took the head (bottom) of the — = ging aan het hoofd (benedeneinde) der tafel zitten; The —s were turned = de bordjes werden verhangen, de kans keerde; I turned the —s on him = ik kaatste hem den bal terug, betaalde hem met gelijke munt; To be at — = aan tafel zitten; The proposal was laid on the — = ter tafel gebracht; To put on the — = opdienen; To sit at —; To wait at — = bedienen; — Bay = Tafelbaai; —-beer; —-bell = tafelschel; —-brush = tafelborstel; —-cloth = tafellaken, tafelkleed; —-companion = tafelgenoot; —-cover = tafelkleed; —-drawer = lade; —-flap = blad; —-knife; —-land = berg- of hoogvlakte; —-leaf = uittrekblad; —-linen = tafellinnen; —-money = tafelgeld; — Mountain = Tafelberg; —-rapping = tafelkloppen (v. geesten); —-salt; —-service = servies; —-spoon = eetlepel; —-steel = messenscherper; —-talk = tafelgesprek(ken); —-turning = tafeldans (door geesten teweeggebracht).

Tablet, tablet, tafeltje, tablet: Memorial — = gedenksteen.

Taboo, təbû, subst. priesterl. heiligverklaring of vervloeking bij de Polynesiërs; adj. uitgesloten, verboden; — verb. in den ban doen = To put under —; That is — = dat mag niet; Let’s — such an unpleasant subject = verder niet aanroeren; It has become the fashion to — sentimentalism = af te keuren.

Tabour, teibə, subst. kleine trom; — verb. trommelen: —er; Tabouret = kleine trommel, tabouret, tambourin; Tabourine, tabərin, kleine trom, tamboerijn.

Tabular, tabjulə, tafelvormig; tabellarisch; Tabulate, tabjuleit, in tabellen brengen, vlak of plat maken of slijpen; subst. Tabulation; Tabulator.

Tache, tâš, vlek, gebrek.

Tachometer, təkomətə; tachometer; Tachygraphy, təkigrəfi, kort- of snelschrift.

Tacit, tasit, stilzwijgend: — consent = stilzwijgende toestemming; Taciturn, tasitɐ̂n, zwijgend, stil: William the — = Willem de Zwijger; Taciturnity = stilzwijgendheid.

Tacitus, tasitɐs.

Tack, tak, subst. spijkertje, stift, hals (van een zeil), koers of gang (van een schip bij het laveeren), richting, weg (fig.): kleverigheid; pachtcontract of pacht (Schotl.); — verb. hechten, vastmaken, rijgen, wenden, over stag gaan, laveeren, het over een anderen boeg wenden (fig.): Tin —, White — = vertind spijkertje; I must change the — = het over een anderen boeg gooien; To get on the wrong — = op ’t verkeerde spoor raken; These ships stand on the same — = liggen over denzelfden boeg; —-block = halsblok (scheepsterm); —sman = pachter, die weer aan kleinere pachters verhuurt (Schotl.); —et = korte spijker met grooten kop; —y = kleverig.

Tackle, tak’l, toestel, tuig, gerei, takel, talie, werktuigen; — verb. bevestigen, aangrijpen; aanpakken (ook fig.), onder handen nemen: Fish(ing) — = vischtuig; Shaving —; He is too good a whist-player to be —d at double dummy = voor een partijtje met twee lummels (“blinden” of slechte spelers); I am not prepared to — a ghost = het op te nemen tegen; —d-stair = touwladder; Tackling = takelage, gereedschap, tuig.

Tact, takt, tact, maat; —less = zonder tact of slag; subst. —lessness.

Tactic, taktik, tactiek; tactisch = —al; Tactician, tacticus; Tactics, tactiek.

Tactile, takt(a)il, voelbaar, gevoels …; — sense = gevoelszin; Tactility = voelbaarheid.

Tactual, taktjuəl, voel- of tastbaar: The material world is a visible and — manifestation of God’s power = is eene zicht- en tastbare openbaring van Gods macht.

Tadpole, tadpoul, donderpad, kikkervischje.

Ta’en, tein, verk. van Taken.

Taenia, tînjə, lintworm; Taenioid = lint(worm)vormig.

Tafferel, tafərel = Taffrail.

Taffeta, tafətə, Taffety, tafəti, taf.

Taffrail, tafreil, hakkebord (scheepst.).

Taff(y), taf(i), schutspatroon in Wales; iemand uit Wales, David.

Tafia, tafiə, rum uit goedkoope melasse.

Tag, tag, subst. stift, nestel, aanhangsel, adreskaart, etiket, uiteinde, slagwoord, gepeupel, vangertje (krijgertje) spel, plaatsen uit vroeger schoolwerk tot nieuwe verzen aaneen gelijmd (schoolslang); — verb. van nestels voorzien, van etiketten of kaartjes met prijzen voorzien, verbinden, vastmaken, op den voet volgen, naloopen: He delivered Latin —s with an English accent; He is always —ging after his elder brother = volgt zijn broer als eene schaduw; Have you no other moral to — to this story = geen andere zedeles om vast te knoopen aan; —-end = uiteinde; —-rag, subst. janhagel: —-rag and bobtail = Jan Rap en z’n maat; —-sore = schapenziekte (in den staart).

Tagus, teigəs, Taag; Tahiti, tâhîti.

Tail, teil, subst. staart, stuit, uiteinde, achterzijde, hoek, keerzijde, katje (plantk.), vlecht, sleep, pand (van eene jas); ook verb.: — of a comet, plough; Head or — = kop of kruis, kruis of munt; He has gone off with his — between his legs; Her hair was braided into two long —s = twee lange vlechten; The dog turned — immediately = ging er van door; Estate in — = landgoed waarvan de overerving beperkt is tot één persoon en zijne kinderen; To — after = op den voet volgen; To — away = achterblijven, afvallen, uitknijpen = To — off; To — out behind = achteraan komen; —-block = staartblok; —-board = achterplank van een wagen (die men bij het afladen kan wegnemen of neerlaten); —-carrier = slippendrager, pluimstrijker; —-coat = jas met panden; —-light = rood licht achter aan een spoortrein; —-piece = vignet (op het eind van hoofdstuk of boek), onderstuk van de viool waaraan de snaren vastzitten; —-pocket = achterzak van eene jas; —-race = geul om het gebruikte water van een molenrad af te voeren; —less.

Taille, teil, taille, figuur.

Tailor, teilə, subst. kleermaker; — verb. kleermaker zijn, kleeren maken: Ladies’ —; —’s goose = persijzer; —ess = kleermaakster; Tailoring: The — department of the army; —-trade.

Tailye, Tailzie, teilji, subst. beperkt bezitrecht. Zie In tail; — verb. onvervreemdbaar maken.

Taint, teint, subst. kleur, smaak, geur, tint, smet, vlek, besmetting, bederf, schande, roodkleurige spin; — verb. besmetten, bevlekken, bederven: The air is —ed with all kinds of smells = is bedorven door; —-worm = schadelijke worm; —less = smetteloos; Tainture, teintjə, besmetting, smet, vlek.

Take, teik, subst. ontvangst, trek, haal, stuk kopij; — verb. nemen, aannemen, grijpen, pakken, betrappen, meevoeren, aanvallen, vatten, gevangen nemen, huren, zich toeëigenen; begrijpen, onderstellen, gelooven, zich wenden tot, uitkiezen, gewoonlijk gebruiken, aanteekenen, verduren, etc.: This is my — = dit moet ik “zetten”; To — advantage of = ge(mis)bruik maken van; To — advice = raad aannemen, inwinnen; To — an affront (a denial) = zich beleedigd gevoelen (eene weigering accepteeren); To — aim = mikken, aanleggen; To — the air = een luchtje scheppen = To — an airing; The thing took air = is ruchtbaar geworden; He —s airs = geeft zich airs; To — (up) arms = de wapenen opnemen; He took a backseat = bakte zoete broodjes; He took me a box of cigars = bracht; To — breath = adem scheppen; — care my boy = pas op jongen; To — good care not to be ensnared = goed oppassen er niet in te loopen; To — care of an ailing child = oppassen; You must — your chance = de kans wagen, afwachten wat de kans je brengt; To — cold = kou vatten; The wound took cold = er kwam koud vuur bij; What course have you —n? = (tot) welke maatregelen hebt gij (uwe toevlucht genomen); To — credit for = zich beroemen op; To — one’s departure = afscheid nemen; To — a dislike to = een afkeer opvatten tegen; To — a drive (a ride) = rijtoer (ritje); To — effect = treffen, uitwerking hebben; To — exception to = protest aanteekenen tegen; To — a fancy to = met iets op krijgen; To — as a great favour = beschouwen als; The horse took the fences = nam de hindernissen; The army took the field = trok te velde; To — fire = in brand vliegen, opvliegen (fig.); Do not — God’s name in vain = gebruik niet ijdellijk; — a good heart = vat moed; — heed = wees op uw hoede; To — hold of = vastgrijpen; To — horse = opstijgen, uitrijden; You took such hours = het duurde zoo lang voor je er mee klaar was; Can’t you — a jest? = verstaat ge geen scherts; To — (a hearty) leave = (hartelijk) afscheid nemen; To — medicine = gebruiken, innemen; To — measure = de maat nemen; To — (no) notice = (geen) notitie nemen, (niet) letten op; To — an (the) oath = een eed afleggen, beëedigd worden; To — offence at = zich beleedigd gevoelen over; To — the (first) opportunity that offers = de (eerste de beste) gelegenheid aangrijpen; To — (great) pains = zich (veel) moeite getroosten; To — part in = deelnemen in; To — part with (= To — a person’s part) = partij kiezen voor; To — pity on = medelijden hebben met; To — place = plaats hebben; To — a person’s place = iemands plaats innemen; To — much pleasure in = iets gaarne doen, behagen scheppen in; They — their pleasures sadly = het zijn droefgeestige pretmakers; To — a pride in = trotsch zijn op; To be —n prisoner = gevangen genomen worden; To — root = wortel schieten; — a seat = neem plaats; To — the shilling = onder dienst gaan; — your own time about it = neem er zooveel tijd voor als ge verkiest; Tom Thumb was —n an English tour = de ondernemer maakte met T. T. een reis door Engeland; To — a turn = een wandeling doen; To — turns in doing = om de beurt iets doen; To — umbrage at = kwalijk nemen, zich beleedigd gevoelen; He will — the voyage shortly after his marriage = aanvaarden; To — the water = afloopen (schip); er van door gaan (Amer.); To — the waters = de baden gebruiken; You have —n us a long way about = ons een omweg laten maken; The bird took wing = vloog heen; I was —n aback = stond versteld; Will you — me across? = naar de overzijde brengen; He —s after his father = aardt naar; I — you at your word = houd u aan; It has —n my breath clean away = deed me perplex staan; — that back = neem uwe woorden terug; I will — down your pride a peg or two = je een toontje lager doen zingen; To — down = opschrijven, noteeren; They took down our names = schreven op; I took you for your brother = hield u voor; To be —n in = beetgenomen worden; To be —n in the very act = op heeterdaad betrapt; To — in hand = aanpakken; He was —n in stone = gehouwen; To — in tow = op sleeptouw nemen; To — in to dinner = naar tafel leiden; To — in a paper = geregeld ontvangen; To — into consideration = in aanmerking nemen; To — into business, partnership = in de zaak opnemen; To — off = afnemen, uittrekken, nadoen, photografeeren; He can — off a person’s peculiarities admirably = wonderlijk goed nadoen; He took himself off = ging heen; — off your glass = drink eens uit; He was —n off his legs in no time = in minder dan geen tijd lag hij op den grond; To — on = aannemen, etc.; To — on oneself = zich vermeten; She has —n on with another chap = heeft een anderen vent aan den haak geslagen; He took on much from the language of his own age = nam veel over … uit; Don’t — on so = trek het je niet zoo aan, ga niet zoo te keer; He took her out = danste met haar; I will — it out of you = zal het je wel inpeperen, afleeren; His kindliness took me a bit out of myself = verzette mij wat, gaf mij wat afleiding; The boy took out the physic = bracht rond; It rather —s it out of me = pakt me nogal aan; She had teeth that — out and put in again = die je er uit kan nemen en weer inzetten; He took over the business, command = heeft overgenomen; To — to = ophebben met; zich overgeven aan: He took to me very kindly = trok zich mijner vriendelijk aan, kreeg met me op; He took to drinking = raakte aan den drank; Don’t — it too much to heart = trek het u niet te zeer aan; To — up = ter hand nemen, etc.: She took my sister up very strongly, and invited her to spend a few days at her country-seat = zij interesseerde zich zeer voor mijne zuster; We took him up on the road = pikten hem op onderweg; Will you — me up at the station = opvangen, meenemen; Small girls took her up in class = streefden haar voorbij op school; He was —n up by me = werd doorgehaald; He took me up very sharp over that point = maakte mij een erg standje; He took up the word = nam; That will — up all my time, too much room = al mijn tijd kosten, te veel plaats innemen; The public has —n up with a new favourite = heeft een nieuwen lieveling gekozen; You must — up with plain fare = voor lief nemen; She took up with him = bemoeide zich; She was glad to — up with it = ze was er erg blij mee; I am much —n up with your affairs = uwe zaken boezemen mij veel belang in; He took upon himself the right to do this = hij matigde zich het recht aan; His speech took with the House = pakte, maakte indruk; I am —n with that picture = die schilderij valt in mijn smaak; That won’t — = dat gaat niet aan (op); I — it that he will come = ik houd het er voor; Do you — me? = snap je mij? He didn’t — it = hij snapte het niet; The vaccination has —n beautifully = de pokjes hebben mooi “gevat”; I hope you don’t — it ill = het kwalijk neemt; He was —n ill = werd ziek; I was frequently —n like that = ik ben er ook vaak zoo aan toe geweest; The patient was —n much worse = werd veel erger; —-in = misleiding, beetnemerij; bedrieger; —-off = nabootsing: Did you ever see such a —-off = zulk eene caricatuur; —r = nemer, aannemer, etc.; Taking = inneming, ontroering, besmetting, schadelijke invloed, verlegenheid, angst; innemend, boeiend, aantrekkelijk, besmettelijk: He was in a pretty — = vreeselijk ontroerd of geagiteerd, zat er leelijk in; A — weekly = gewild weekblad; —s = recette (aan de kas): The —s of the drama were simply tremendous = de ontvangsten (recette); —-off = uit den weg ruiming, moord; —ness = aantrekkelijkheid.

Talaria, təlêriə, vleugeltjes aan de enkels van Hermes (Mercurius).

Talbot, tôlbət, soort van jachthond.

Talc, talk, talk (min.): Earthy — = talkaarde = —ite, talsait; —ose, talkous, talkous, talkachtig (-houdend).

Tale, teil, subst. verhaal, vertelsel, sprookje; (ge)tal of rekening, aantal, bedrag: To finish one’s — of work = taak; They are all in a — about him = over hem zijn ze het allen eens; They are both in a (one) — = slapen onder één deken (fig.); Thereby hangs a — = daar zit heel wat meer aan vast; I will pay you full — for this = betaald zetten; To tell (To Bear) —s = klikken, uit de school klappen; —-bearer: He stooped to be a —-bearer = verlaagde zich tot de rol van klikspaan, verklikker; —-teller = verteller, leugenaar.

Talent, tal’nt, talent (gewichtseenheid van verschillende zwaarte; rekenpenning van verschillende waarde); gave, vermogen, begaafdheid; —ed = begaafd.

Tales, teilîz, plaatsvervangende juryleden.

Talfourd, tôlfəd.

Talion, teiliən, taliən, wet der vergelding.

Taliped, taliped, horrelvoet.

Talipot, talipot, waspalm.

Talisman, talizm’n, talisman; —ic, talizmanik, met tooverkracht begaafd.

Talk, tôk, subst. gesprek, praatje, gerucht, onderhandeling; — verb. praten, keuvelen, vertellen: Tall — = gesnoef, hoogdravende taal; That is the common — = het algemeene praatje; The series will consist of original —s and sketches = oorspronkelijke “praatjes over allerlei” en schetsen; To have a — with = gesprek; — is —, but money buys land = praatjes vullen geen gaatjes; It made plenty of — = er werd druk over gepraat; He was —ing big = aan het “opsnijden”; To — nonsense; Let us — sense for once = verstandig praten; Don’t — shop = praat niet over het vak, over je zaken; To — turkey = onzin praten; They were —ing horses, law, finance, dinners, billiards, etc. = zij hadden het over…; We —ed about the plan, and he —ed me into taking some shares, though my better half tried to — me out of it = wij praatten over het plan, en hij bepraatte mij eenige aandeelen te nemen, ofschoon mijne wederhelft het mij trachtte te ontraden; She was —ing to her friend at her husband = zij praatte tegen hare vriendin op onaangename wijze over haar (aanwezigen) echtgenoot; We —ed the matter over = bespraken de zaak: To — out = de discussies rekken tot stemming onmogelijk is; He wants a good —ing to = eens onder handen genomen worden; Talkative = babbelziek; subst. —ness; Talkee-Talkee = gewauwel; Talker = prater, babbelkous, bluffer; Talking: — of travelling = van reizen gesproken; Talky = praatziek.

Tall, tôl, lang. slank, groot, hoog, kras; buitengewoon (Amer.); — men = valsche dobbelsteenen (fig.); — talk = bluf; subst. —ness.

Tallow, talou, subst. talk, kaarsvet; — verb. met talk besmeren, mesten; —-candle = vetkaars; —-chandler = vetkaarsenmaker of handelaar; —-chandlery; —-face = bleekneus; —-faced = bleek; —-keech = klomp talk; —ish, —y = talk- of vetachtig.

Tally, tali, subst. kerfstok, inkeping, pendant, tegenhanger; — verb. op den kerfstok zetten of aanstrepen, controleeren, sluiten, passen, overeenstemmen: Your experiences do not — with mine = strooken niet met; The —-keeper tallied one for our opponents = de aanschrijver noteerde er een voor onze tegenpartij; —-man = houder van een —-shop = winkel waar crediet, met wekelijksche afbetaling, gegeven wordt; het stelsel heet —-system; —-woman = vrouw die een —-shop houdt.

Tallyho, talihou, halali; soort rijtuig.

Talmage, ta(l)midž.

Talmud, talməd, Talmud; —ic(al), talmɐdik(’l), talmudisch; —ist = talmudist.

Talon, tal’n, klauw (van roofvogels), kornis; —ed = met klauwen.

Talook, təlûk, een bepaald (belasting)gebied in Br. Ind.; Talookdar, tâlûkdâ, bezitter van een Talook, of Inlandsch belastingambtenaar.

Talpa, talpə, mol.

Talus, teiləs, voetgewricht; talud.

Tamability, teiməbiliti, subst. v. Tamable, teiməb’l, tembaar; subst. —ness.

Tamarack, tamərak, Amer. lorkenboom.

Tamarin, tamərin, grootoorige aap.

Tamarind, tamərind, tamarinde; ingemaakte tamarindevrucht.

Tamarisk, tamərisk, tamariskboom.

Tambour, tambûə, subst. tamboereerraam, borduurwerk daarop vervaardigd; trom; — verb. tamboereeren; —-frame = tamboereerraam; Tambourine, tambərîn, tambourijn.

Tame, teim, adj. tam, getemd, mak, gedwee, suf, vervelend, saai, moedeloos; — verb. temmen, onderwerpen; —less = ontembaar, wild; subst. —lessness; —ness = tamheid, geesteloosheid; —r = temmer, veroveraar.

Tamil, tamil, bewoner en dialect van Madras en Ceylon.

Tamin(e), tamin, Taminy, tamini, étamine.

Tamkin, tamkin = Tampion.

Tammany Hall, taməni-hôl = (Hall van) die leden der democratische partij in New-York, die de verkiezingen trachten te beheerschen in hun eigen belang; ook: — Ring.

Tammy, tami = Tamin(e).

Tam O’Shanter, taməšantə, ronde wollen muts met knoop in ’t midden.

Tamp, tamp, opvullen, dichtstampen.

Tampan, tamp’n, Z. Afr. insect met vergiftigen beet.

Tamper, tampə, zich bemoeien met, ergens aankomen, kwakzalven, intrigeeren, trachten om te koopen; verknoeien: Don’t — with what I have written = blijf af van; He —ed with the enemies = hij heulde met de vijanden; —er.

Tampion, tampiən, prop.

Tamtam, tamtam = Tom-tom.

Tan, tan, subst. run; adj. runkleurig, geelbruin; — verb. looien, bruin maken (worden), tanen, bont en blauw slaan: To — a person’s hide; —-house = runmagazijn; —-pit = looikuip; —-spud = instrument om eikeboomen van de schors te ontdoen; —-vat = looivat; —-yard = looierij; —ner = looier; —nery = looierij; —nic: — acid = —nin = looizuur, tannine.

Tancred, taŋkrəd.

Tandem, tand’m, subst. rijtuig met twee paarden achter elkander, rijwiel voor twee achter elkander zittende rijders; adv. met twee paarden achter elkander: To drive —.

Tang, taŋ, “smaakje”, bijsmaak, eigenaardige lucht of geur; klank, toon; doorn (van mes, beitel, degen, etc.); tong (van eene gesp), angel; — verb. (doen) klinken, weerklinken; van een tang voorzien.

Tangent, tanž’nt, subst. tangens; adj. rakend: — compass = tangenten-boussole; He went (flew) off at a — = hij begon plotseling over wat anders; —ial, təndženš’l, tangens …

Tangerine, tandžərîn, tandžərîn, (bewoner) van Tanger.

Tangibility, tanžəbiliti, subst. v. Tangible, tanžib’l, voel- of tastbaar; subst. —ness.

Tangier, tandžîə, Tanger.

Tangle, taŋg’l, subst. verwikkeling, verwarde knoop, klit, zeewier; — verb. verwarren, verward zijn: My hair is all of a — = geheel in de war; To get —d = in de war raken; —-foot (—-leg) = whisky (Am.); Tangly = verward, met zeewier bedekt.

Tank, taŋk, water- of regenbak, reservoir.

Tankard, taŋkəd, drinkkan, kan (met deksel).

Tansy, tanzi, boerenwormkruid, reinvaren: —-puddings = met reinvaren toebereide.

Tantalization, tantəl(a)izeiš’n, subst. v. Tantalize, tantəlaiz, tantaliseeren; Tantalus, tantəlɐs.

Tantamount, tantəmaunt, gelijkwaardig, equivalent (met to).

Tantivy, tantivi, tantivi, spoorslag; subst. snelle galop: We rode —.

Tantrum, tantr’m, kwade luim of woede: She got into a — about nothing.

Tap, tap, subst. tik; kraan, zwik, tap, drank, gelagkamer, tapperij; — verb. zachtjes slaan of tikken, pikken; opensteken, aanbreken, aftappen, doen vloeien, iets uit iemand zien te krijgen: We have no ale on — just now = aangestoken; That’s the same — you gave me just now = hetzelfde “spul”; —s = taptoe (signaal); I heard a soft —ping on the window = zacht getik; He —ped me on the shoulder = hij klopte mij op den s.; The book is interesting, wherever we — it = waar we het ook opslaan; Let us — a fresh bottle = opentrekken; He tried to — my brains = mij uit te hooren; To — a mine = bewerken; Open the picture-galleries on Sunday, and you’ll — the public-houses = en de kroegen loopen leeg; —-room = gelagkamer; —root = hoofdwortel eener plant; —ster = tapper.

Tape, teip, lint, band, strook papier, telegr. koersbericht: Announcements of large orders for iron appeared on the —s of the thousands of stock-indicators throughout New-York = op de telegrafische koersberichten v. de duizenden beursklikkers (openbare toestellen, die den stand der beurs, zoolang deze open is, aangeven); He is a slave of the stock-— = slaaf van de telegraf. koersberichten (en bouwt daarop speculaties); Betting on the — is going on in New-York in every street; The — was originated to inform the public how securities were going = oorspronkelijk dienden de telegraf. beursberichten; —-line, —-measure = maatlintje; —-worm = lintworm.

Taper, teipə, subst. waskaars, toorts; adj. lang en spits uitloopend; — verb. zachtjes aan smaller of dunner worden, punten, scherpen: — nails, fingers; —ness = spitse vorm.

Tapestry, tapəstri, subst. bepaald soort (wand)tapijt; — verb. met tapestry versieren of behangen; —-carpet = kleed van tapestry; Tapestried chambers = kamers met behangsels van geweven stof.

Tapioca, tapioukə, tapioca.

Tapir, teipə, Z. Am. tapir, waterzwijn.

Tapis, tapis, teipis, of Fr. uitspr., tapijt, tafelkleed: To bring on (upon) the — = op het tapijt brengen (fig.); Tapiser, teipisə, behanger, maker van tapijtwerk.

Tar, tâ, subst. teer, pikbroek; — verb. teren; Mineral — = koolteer; Vegetable — = houtteer; They are —red with the same brush = met hetzelfde sop overgoten; To light —-barrels; —-oil; —-water; —ry, târi, teerachtig, geteerd.

Tarantass, tarantas, Russische reiswagen.

Tarantella, tarəntelə, soort van Napelsche dans.

Tarantula, tərantjulə, tarantula.

Tarboosh, tâbûš, soort fez, vaak het binnenste gedeelte van een tulband vormend.

Tardigrade, tâdigreid, subst. luiaard; adj. zich langzaam bewegend of gaande; Tardiness, subst. v. Tardy, tâdi, traag, langzaam, dralend, laat, weerstrevend; — verb. uitstellen, beletten.

Tare, têə, subst. tarra; voeder-wikke; onkruid; — verb. de tarra bepalen van.

Targe, tâdž, klein rond schild, schietschijf = Target, tâgit: They were practising at the —t = oefenden zich in het schijfschieten; The bull’s eye of the —t = het hart of de roos van de schijf; —t-practice = schijfschieten.

Tariff, tarif, subst. tarief, toltarief; — verb. een tarief opmaken, belasten: Every vehicle is provided with a — of charges = tarief; —-union = tolverbond; —-war.

Tarin, tarin, sijsje.

Tarlatan, tâlətən, tarlatan.

Tarn, tân, klein meer op een berg, poel, moeras (Schotland).

Tarnal, tân’l, verbastering van Eternal (Amer.) = vervloekt.

Tarnish, tâniš, bezoedelen, bevlekken, bezwalken, dof of mat maken of worden.

Tarot, tarət, tarok, een zeker kaartspel.

Tarpaulin(g), tâpôlin, presenning, matrozenhoed, matroos, dekkleed voor wagens.

Tarpeyan Rock, tɐ̂pîənrok, Tarpejische rots; Tarquin, tâkwin.

Tarradiddle, tarədid’l, jokkentje, praatje.

Tarragon, tarəgon, dragon (plant).

Tarriance, tariəns, draling, uitstel; Tarrier, tariə, draler; Tarry, tari, dralen, toeven: I’ll not — to come back = ik kom gauw terug.

Tarsal, tâs’l, tot den voetwortel of tot de kraakbeenderen der oogleden behoorende.

Tarse, tâs, Tarsus, tâsəs, voetwortel, kraakbeenderen der oogleden; laatste segment v. insectenpooten.

Tart, tât, subst. pasteitje, vruchtentaart; —let = taartje.

Tart, tât, wrang, scherp, zuur, bits: A — reply; —ish = eenigszins wrang; —ness = wrangheid, etc.

Tartan, tât’n, subst. Schotsch geruit wollen goed, kleed van deze stof; ook adj.

Tartar, tâtə, Tartaar, driftkop, woesteling; adj. Tartaarsch: I have caught a — = mijn man gevonden, den verkeerde bij den kop.

Tartar, tâtə = Tartarus; Tartarean, tâtêriən, behoorende tot de hel.

Tartar, tâtə, wijnsteen; Tartareous, tatêriəs, wijnsteenachtig; Tartaric, tâtarik, wijnsteen: — acid; Tartarous, tâtərɐs = Tartareous.

Tartarous, tâtərɐs, wreed; Tartarus, tâtərɐs, hel; Tartary, tâtəri, Tartarije.

Tartuffe, tâtuf, tâtûf, tâtɐf, huichelaar; adj. Tartuffish.

Task, tâsk, subst. taak, les, bezigheid, arbeid; — verb. eene taak opgeven, afbeulen, op de proef stellen: He was taken to — for it = werd onder handen genomen; —-master = werkgever, opzichter, onderdrukker: They rose against their —masters = kwamen tegen hunne onderdrukkers in opstand; —-work = opgelegd werk, karwei, werk bij ’t stuk.

Tasmania, tazmeinjə, van Diemensland; —n = bewoner van T.

Tassel, tas’l, kwast, franje, lint, bladwijzer; mannetjesvalk; —led, tasəld, met kwasten of franjes behangen.

Tastable, teistəb’l, smakelijk; Taste, teist, subst. smaak, het proeven, proef, proefje, voorliefde, lust; — verb. proeven, een proefje nemen, keuren, smaken, smaak vinden aan: That’s in good (bad) — = smaakvol, netjes (onnet, smakeloos); The furniture was innocent of — = volkomen smakeloos; I am out of — = kan niet proeven, heb geen smaak; Isn’t this to your —? = naar uw zin; To my — claret is not in it = naar mijn smaak haalt Bordeaux er niet bij; Every one to his —, my boy = ieder z’n smaak, baasje; That’s a matter of — = eene kwestie van smaak; Many readers, many —s; Other times, other —s = de smaak is veranderlijk; There is no accounting for —s = over den smaak valt niet te twisten; I never —d of Champagne but once = heb geproefd; He —d of everything on the table = gebruikte van; The wine —s of the cork = smaakt naar den kurk; These fruits are better —d = smaken beter; Tasteful = smakelijk, smaakvol; subst. —ness; Tasteless = smakeloos; subst. —ness; Taster, teistə, voorproever, proefglas: The literary —s of the day = de letterkundige fijnproevers of toongevers; Tasty = smaakvol, naar de mode, smakelijk, lekker.

Tat, tat, frivolité maken; subst. paatje; peuter: Tiny —s = kleine peuters; To give tit for — = met gelijke munt betalen; —ting = frivolité.

Ta-ta, tâtâ, Zie Ta.

Tatar, tâtâ, Tatarian, Tatary, tâtəri = Tartaar, Tartaarsch, Tartarije.

Tatta, tatə, scherm v. bamboesmat voor deuren en ramen (Indië).

Tatter, tatə, subst. vod, lap, lomp, flard; — verb. in flarden scheuren: All in —s; Tatterdemalion, tatədimeilj’n, tatədimalj’n, havelooze kerel.

Tattersall’s, tatəsôlz, Tattersall’s stallen in Londen met clubgebouw voor ’t afrekenen van weddingschappen.

Tattie, tati = Tatta.

Tattle, tat’l, subst. gebabbel, gesnap; — verb. babbelen, snappen: So runs the — = zoo loopt het praatje; —r = snapper; Tattling = babbelziek.

Tattoo, tətû, subst. taptoe; tatoueering; — verb. tatoueeren: To beat the devil’s — = (van ongeduld) met de vingers op de tafel trommelen (ook trappelen van ongeduld).

Taught, tôt, imperf. en p.p. van to teach.

Taunt, tônt, tânt, subst. schimp, hoon, smaad, schamper gezegde; adj. hoog (van masten); verb. hoonen, beschimpen; —-masted; —er.

Taunton, tônt’n.

Tauriform, tôriföm, als een stier gevormd of gebouwd; Taurine, tôr(a)in, runderachtig, tot een stierengevecht behoorend; Taurus, tôrəs, stier (Dierenriem).

Taut, tôt, strak, gespannen, vol dienstijver, keurig: I hope these lines will find you pretty — = in goeden welstand; — and trim = in vol ornaat (fig.); Tauten = strak worden, aanhalen; mooi maken; Tautness = strakheid, etc.

Tautologic(al), tôtəlodžik(’l), tautologisch; Tautology, tôtolədži, tautologie.

Tavern, tavən, herberg, wijnhuis, kroeg; —-bush = de krans of struik (vroeger als uithangteeken van herbergen): Good wine needs no (—-)bush = goede wijn behoeft geen krans; —-keeper = logementhouder, etc.

Tavistock, tavistok.

Taw, tô, subst. knikker, knikkerspel; — verb. witlooien: To play at —; To — a person’s hide = afranselen; —er, —yer = witlooier.

Tawdriness, tôdrinəs, subst. v. Tawdry, tôdri, smakeloos, bont, opzichtig, waardeloos: The — binding detracts somewhat from the value of the work = de smakelooze en opzichtige band; — dress = opgedirkte kleeding.

Tawniness, tôninəs, subst. van Tawny, tôni, taankleurig, getaand.

Taws(e), tôz, soort karwats: I was thrashed with the eight-tongued — = met de karwats met acht riemen; “Getting the —” means: Thrashing (in een Schotsche school).

Tax, taks, subst. belasting, schatting, tol, requisitie, zware plicht of taak, proef; — verb. belasten, afpersen, beschuldigen, berispen, vragen, op de proef stellen: Graduated income — = progressieve inkomstenbelasting; Inheritance — = successie belasting; Poll — = hoofdelijke omslag; The — on his patience = de proef waarop zijn geduld werd gesteld; A — on profits and incomes = belasting opbedrijfs-, en andere inkomsten; Heavy —es were levied = er werden zware belastingen geheven; I was —ed with having offended him = werd beschuldigd; —-collector = —-gatherer = belastingontvanger; —payer = belastingschuldige; —ability = belastbaarheid; adj. —able; Taxameter, taksamətə, afstandswijzer (for indicating cab fares); Taxation, takseiš’n, belasting, het belasten. Zie Taxer.

Taxel, taks’l, Am. das.

Taxer, taksə, zetter (v. de belastingen), vroeger ambtenaar aan de hoogeschool te Cambridge, die bij de uitdeeling, voor goede maat en juist gewicht zorgde.

Taxicab, taksikab, autotax (atax).

Taxidermist, taksidɐ̂mist, opzetter; Taxidermy = de kunst dieren op te zetten.

Taxin, taksin, harsachtige stof uit taxusbladeren; Taxus, taksəs, taxus.

Tea, tî, thee, aftreksel, een maaltijd, avondeten der kinderen; — verb. de tea gebruiken: Beef — = bouillon; Five o’clock —; High, Meat — = thee, souper met allerlei vleezen; Sweet — = thee met gebak, vruchten, sandwiches; Will you make (the) —? = thee zetten; To take — = drinken; —-board = theeblad; —-caddy = theekistje; —-cake = theekoekje; —-canister = theebus; —-chest = theekist; —-cloth = theekleedje; —-cosy = theemuts; —-cup = theekopje: The —-cup and saucer school in literature and art = de peuterige, burgerlijke methode in letteren en kunst; A storm in a —-cup, (—-pot) = een storm in een glas water; —-dealer = theehandelaar; —-equipage, ekwipidž, theeservies; —-fight = theevisite; —-garden = theetuin; —-gown = japon bij Afternoon Tea; —-kettle = theeketel; —-peg = koude thee met soda water (Br. Ind.); —-pot = trekpot; —-rose; —-service (—-set); —-shrub; —-spoon = theelepeltje; —-taster = theeproever; —-table; —-things = theegoed; —-towels = theedoeken; —-tray = theeblad; —-urn = theeurn; —-water.

Teach, tîtš, onderwijzen, leeren: I’ll — you manners = zal je mores leeren; To — a person wit = door schade en schande leeren; —able = wat te onderwijzen is, leerzaam; subst. —ableness; Teacher = onderwijzer: Assistant — = hulponderwijzer; Pupil — = kweekeling; —ship = onderwijzers- of leeraarsbetrekking; The teaching profession = de onderwijzers (als corps).

Teague, tîg, Ier (spottend) = —lander.

Teak, tîk, teakhout = —-wood.

Teal, tîl, wintertaling.

Team, tîm, span, bespanning, toom, vlucht, groep v. elf personen (cricket of voetbal); —-work = veldarbeid door trekvee (Amer.); —ster = voerman; —wise = als een span.

Tear, tîə, subst. traan: Her —s started unbidden = schoten haar in de oogen; The —s trickled down her cheeks = biggelden langs; To be all in —s (= To be drowned in —s) = in tranen baden; He burst into —s = barstte in schreien uit; To draw —s from = ontlokken; To shed —s = storten; —-drop = traan; —-stained = beschreid; —ful = tranen stortend, treurig.

Tear, têə, subst. scheur, spleet; — verb. scheuren, trekken, losrukken, openrijten, tieren, vliegen: The donkey ran away full — = ging ervan door; To be on a — = aan den rol zijn; The wear and — of the engine = de slijtage; He tore his hair and clothes = rukte zijne haren uit en verscheurde zijne kleederen; He could not — himself away from his wife = kon zich niet losrukken; The flesh was torn from the bones = gescheurd van; All at once the children came —ing in = binnenstormen; He tore through the pages = vloog er doorheen; Don’t — it to pieces, rags = scheur het niet aan stukken of flarden; The cloth was torn up into several pieces = werd gescheurd; He went up and down, —ing and swearing = tierend en vloekend; To be in a —ing passion = woest zijn; A —ing old Tory = vurige, felle.

Tease, tîz, subst. plager, plaaggeest; — verb. plagen, sarren, kwellen, kaarden: What a — you are = wat ben je een plaaggeest; —r = plager, lastig geval: That’s a —r = daar zitten we mee verlegen.

Teat, tît, tepel, uier.

Teazel, Teazle, tîz’l, weverskaarde (plant).

Tebeth, tîbeth, tebeth, tiende maand van het godsdienstige jaar der Joden.

Tec, tek, samentr. van Detective.

Technic, teknik, subst. techniek, kunstvaardigheid; adj. —(al) = technisch: —al education = vakonderwijs; —al classes = cursussen voor vakonderwijs; —al instruction act = wet op het vakonderwijs; —ality, —alness = technische eigenaardigheid of uitdrukking; —s = techniek; Technique, teknîk, de techniek of methode eens kunstenaars; Technological, teknəlodžik’l, technologisch; Technology, teknolədži, technologie.

Techy, tetši, knorrig, gemelijk, lichtgeraakt.

Tectrices, tektrisîz, dekveeren.

Ted, ted, keeren (van gemaaid gras); Tedder = machine om het pas gemaaide gras te keeren.

Teddy, tedi: — Bear = beertje (kinderspeelgoed).

Te Deum, tîdîəm, Te-Deum.

Tedious, tîdjəs, vervelend, saai, verdrietig, lastig; subst. —ness = Tedium, tîdj’m.

Tee, tî, doel, aardhoopje, vanwaar de bal geslagen wordt bij het Golfspel; doel waarnaar quoits of curling-stones worden geworpen; — verb. den bal daar van af slaan.

Teem, tîm, zwanger zijn van, werpen, zich voortplanten, vol zijn, overvloed hebben van: This part of the country —s with gold = bevat veel goud.

Teens, tînz, de jaren v. dertien tot negentien: In her — = beneden twintig (maar minstens twaalf); Out of her — = boven de negentien; Since his middle — = sedert zijn 14de, 15de jaar.

Teeter, tîtə, wippen (Am.).

Teeth, tîth, Meerv. van Tooth = tand; — verb. (tîdh) = tanden krijgen: From one’s — = niet van harte; In the — of the westerly gale = vlak tegen in; He did it in the — of opposition = trots allen tegenstand; In the — of the doctor’s prohibition = geheel in tegen; He cast those reproaches in my — = wierp mij voor de voeten; He escaped by the skin of his — = ontsnapte ternauwernood (Job. XIX, 30); —-drawing (fig.) = bellen moeren; —ing, tîdhiŋ, het tanden krijgen.

Teetotal, tîtout’l, onthoudend: — drinks = alcoholvrije; —ism = geheelonthouding; —ler = geheelonthouder.

Teetotum, tîtout’m, A-al tolletje: To spin a —.

Tegument, tegjument, omhulsel, huid, zaadhuid, vleugeldeksel; adj. Tegumentary.

Tehee, tîhî, subst. gegichel; — verb. gichelen; interj. hihi.

Teheran, tehərân; Teignmouth, teinməth, tînməth.

Teil, tîl, lindeboom (= —-tree).

Teind, tînd = Tithe (Schotl.).

Teith, tîth; Telamon, teləm’n, mannenfiguur als zuil, At as.

Teledu, telədû, Javaansche bunzing.

Telegram, teləgram, telegram; adj. —mic; Telegraph, teləgraf, subst. telegraaf; — verb. telegrafeeren, seinen: —-cable; —-operator = —er, təlegrəfə, teləgrafə, telegrafist; Telegraphic, teləgrafik, telegrafisch: — address = telegramadres; Telegraphist, təlegrəfist, teləgrafist, telegrafist(e); Telegraphy, təlegrefi, teləgrafi, telegraphie.

Telemachus, təleməkɐs.

Teleological, teliəlodžik’l, tîliəlodžik’l, teleologisch; Teleology, teliolədži, tîliolədži, teleologie.

Telepathic, teləpathik, telepathisch: Card-guessing, bank-note-finding and the various other forms of — hide and seek; Telepathy, təlepəthi, teləpathi, telepathie.

Telepheme, teləfîm, telephonisch bericht; Telephone, teləfoun, subst. telephoon; — verb. telephoneeren; Telephonic = telephonisch; Telephonist, təlefənist, teləfounist, telephonist(e); Telephony, təlefəni, teləfouni, telephonie.

Telescope, teləskoup, subst. telescoop, verrekijker; soort van langwerpige spiraalschelp; — verb. in elkander schuiven, zooals een telescoop: The book tries to be an encyclopaedia, —d into a dictionary = in een woordenboek saamgevat; The first and the second carriage were —d (into each other) = werden in elkander geschoven; —-table = uittrektafeltje; Telescopic(al), teləskojpik(’l), telescopisch, in- en uitschuifbaar.

Telesia, təlîžə, varieteit van saffier.

Tell, tell, vertellen, mededeelen, melden, berichten, bevelen, optellen, onderscheiden, uitwerking hebben, indruk maken, klikken: I can — = ik kan je verzekeren; Who can —? = wie weet; Never — me = maak me niet wijs; Can you — the clock yet? = kun je al op de klok kijken; I had my fortune told by an old gipsy = liet me waarzeggen; Don’t — stories (fibs) = jok nu niet; Every shot told = was raak; He never preached “I told you so” = hij zanikte nooit van “Dat heb ik je wel gezegd”; They numbered 100 all told = met hun allen; That —s against you = pleit tegen je; You can — this wine from vinegar only by the label = slechts onderscheiden van; It is difficult to — good paste from diamonds = simili van diamant te onderscheiden; That —s for something = dat is lang niet mis, telt mee; You can — them off by hundreds = aanwijzen bij honderden; One of the clerks was always told off to sleep in the house = werd aangewezen; I shall — the priests on you = u verklappen aan; The heavy work has told on his constitution = zijn gestel aangegrepen; His troubles have told on him = hem erg aangegrepen; The speech told on the hearers = maakte indruk; To — out = uittellen; Told out = op, blut; This told with him = dit hielp (bij hem); —-tale, subst. babbelaar, verklikker, klikspaan; adj. babbelziek, lasterend, verraderlijk; They are —able on the fingers = die kan je op de vingers tellen; —er = verteller, teller, stemopnemer, klerk in een bank die met de klanten rekent; harde slag. Zie Telling.

Tellina, təlainə, platschelpen.

Telling, teliŋ: With — effect = met goed gevolg, krachtige uitwerking; A — phrase = kernachtig; A — speech = een rede, die pakt; That’s —(s) = dat mag ik niet zeggen.

Tellurian, təl(j)ûriən, aardsch —; bewoner der aarde; Telluric = tellurisch; Tellurion, təl(j)ûriən, tellurium; Tellurium, təl(j)ûriəm, tellurium (Chemie).

Telotype, telətaip, druktelegraaf.

Telpher, telfə, subst. inrichting voor electrisch kabelvervoer; adj. behoorende tot —age, telfəridž, vervoer door electriciteit; —-line = electr. kabelspoorlijn.

Temerity, təmeriti, vermetelheid, roekeloosheid.

Temper, tempə, subst. aard, natuur, temperament, humeur, gemoed, prikkelbaarheid, opvliegendheid, hardheid (v. metaal); — verb. matigen, regelen, verzachten, doen bedaren, temperen, harden: Equal, Even — = gelijkmatig humeur; Hot — = drift; The — of the nation = stemming; Your friend is not a good (is a horrid) — = heeft geen gemakkelijk (een vreeselijk) humeur; He kept his — better than we had supposed = bleef bedaarder; He lost his — = raakte uit zijn humeur, verloor zijn geduld; He was in a black — = verschrikkelijk slecht gehumeurd; What a — you are in! = hè, wat ben jij knorrig; You must keep him in — = hem in zijn humeur houden; He was out of — this morning = uit zijn humeur; Temperament = gestel, geaardheid, temperament; Temperance = matigheid, gematigdheid, onthouding: —-bar = koffiehuis voor onthouders; —-meeting; —-society = matigheids- of afschaffersgenootschap; Temperate, tempərit, bedaard, kalm, gematigd: — zone = gematigde luchtstreek; subst. —ness; Temperature, tempərətjə, temperatuur: To take one’s — = opnemen; Tempered: Good-, Ill-—; Even-— = van gelijkmatig humeur; Quick-— = opvliegend; A sweet-— girl = zacht.

Tempest, tempəst, hevige storm, orkaan, zwaar weer: —-beaten = door de stormen gebeukt; —-tossed = door de stormen geslingerd; Tempestuous, tempestjuəs, stormachtig, hevig; subst. —ness.

Templar, templə, tempelier; student in de rechten, advocaat of jurist: Order of “Good —s” = vereeniging tot het verleenen van wederzijdschen steun bij ouderdom, etc.

Temple, temp’l, tempel, godshuis, slaap (van het hoofd): Inner-—, Middle-— (Londensche colleges voor opleiding van juristen).

Templet, templət, schabloon, vormhout.

Tempo, tempou, tempo, maat (Meerv. Tempi).

Temporal, tempər’l, tijdelijk, tijds - -, wereldlijk; slaap - -: — bone = slaapbeen; — Lords = wereldlijke, ter onderscheiding v. geestelijke, pairs van Engeland; Temporality = tijdelijk of wereldlijk bezit; Temporalities = temporaliën, inkomsten der geestelijken uit land, tienden, enz.; Temporariness, subst. v. Temporary = tijdelijk, niet duurzaam; Temporize, tempəraiz, zich naar de omstandigheden schikken, den gunstigen tijd afwachten, trachten tijd te winnen: —r = iemand die met de wolven meehuilt, de huik naar den wind hangt, etc.

Tem(p)se, tems, zeef, vergiet(test); —-bread = brood van fijngebuild meel.

Tempt, tem(p)t, verleiden, verlokken, in verzoeking brengen: He —ed me into giving up my plan = verlokte mij; —able = te verlokken; Temptation, tem(p)teiš’n, verlokking, verzoeking, aanvechting: To lead into —; He yielded to — = bezweek voor; Tempter = verleider: The — = de duivel; Tempting = verleidelijk; subst. —ness; Temptress = verleidster.

Ten, ten, tien: There were — of them = They were — = ze waren met hun tienen; The — Tribes = tien stammen Israëls; Nine in — = negen van de tien; — to one = tien tegen een; —fold = tienvoudig; —-pin = kegel: —-pin alley = kegelbaan (Amer.); —-spot = een tien (kaartspel); He made many —-strikes = gooide dikwijls alle tien; —-seater = fiets voor tien; —ner = bankbiljet van 10 £; —th = tiende (deel).

Tenability, tenəbiliti, subst. v. Tenable, tenəb’l, houdbaar, verdedigbaar: The scholarship is — for one year = de beurs geldt voor; subst. —ness.

Tenace, tenis, de “fourchette” (de hoogste en op twee na de hoogste kaart) in handen van den vierden speler (Whist); —-minor = kleine “fourchette” (de hoogste en op drie na de hoogste kaart).

Tenacious, təneišəs, vasthoudend, sterk, hardnekkig, kleverig, taai: He has got a — memory = sterk geheugen; He is — of whatever he gets = houdt vast; To be — of life = taai zijn; —ness = Tenacity, tənasiti, vasthoudendheid, kleverigheid, getrouwheid.

Tenail(le), təneil, tangwerk ter dekking v. een courtine (Vestingb.); Tenaillon, təneiljon, klein tangwerk.

Tenancy, ten’nsi, subst. huur, pacht; Tenant, subst. huurder, pachter, bewoner; — verb. in pacht of huur hebben, bewonen: — at will = opzegbare huurder; — for life; — in capite, — in chief = huurder direct van de kroon; — in tail = houder van een pachthoeve, die bij versterf op bepaalde erfgenamen (in pacht) overgaat; —able = geschikt om ge- of verhuurd te worden, bewoonbaar; subst. —ableness; —less = onverhuurd, leeg; Tenantry = de gezamenlijke pachters of huurders.

Tench, tenš, muithond, zeelt.

Tend, tend, bewaken, verzorgen, letten op, denken om; strekken, streven, zich richten; bijdragen, om het anker zwaaien: That way instruction ought to — = dien kant moet het onderwijs uit; Tendency = strekking, neiging, aanleg voor.

Tender, tendə, aanbod, offerte, inschrijving; betaalmiddel (Legal —); — verb. aanbieden, inschrijven: He made a — of his friendship, services = bood aan; Private — = onderhandsche inschrijving; To let by public — = publiek uitbesteden; To — cordial thanks = hartelijk dank zeggen; To — for the dredging of a harbour = inschrijven op; To — and contract for = aannemen (v. een werk).

Tender, tendə, teeder, zwak, zacht, malsch, teergevoelig, vriendelijk, zorgvuldig; — verb. zacht maken, hoogschatten: At a — age = op jeugdigen leeftijd; The — passion(s) = de liefde; He was still — of her, though she had betrayed him = hij hield nog van haar; —-foot = gevoelige voet; nieuweling (Australië); —-hearted = teergevoelig; subst. —-heartedness; —-loin = filet; —-minded = teerhartig; —ling = vertroetelde lieveling; een van de eerste hoorns van een hert; —ness = teederheid, vriendelijkheid, bezorgdheid voor (met of).

Tender, tendə, tender (v. een locomotief), (sleep)bootje, oppasser.

Tendon, tend’n, pees: — of Achilles.

Tendril, tendril, rank (van klimplanten).

Tenebrae, tenəbrî, donkere metten, die op Woensd., Donderd. en Vrijdag van de week vóór Paschen tegen den avond gezongen worden; Tenebrosity = duisternis; Tenebrous = duister.

Tenement, tenəment, woning, huis, stel vertrekken door één gezin bewoond, pachthoeve; —-house = huis, dat bij gedeelten aan verschillende gezinnen verhuurd wordt; —al, tenəment’l, verpacht of verhuurbaar, huur … = —ary, tenəmentəri.

Tenerife, tenərif.

Tenet, tenət, leerstuk, beginsel.

Tennessee, tenəsî.

Tennis, tenis, tennis; —-ball; —-court = tennisbaan; —-net; —-racket.

Tennyson, tenis’n.

Tenon, tenən, subst. pen, pin, tap, neut ter verbinding; — verb. met een tenon verbinden.

Tenor, tenə, subst. gang, loop, richting, inhoud, geest, wezen, afschrift, tenor, altviool: The — of this man’s life = de richting van zijn leven; The — of this work = bedoeling of hoofdgedachte: The even — of the session was never ruffled = de gelijkmatige gang.

Tense, tens, tijd (gramm.).

Tense, tens, streng. strak, gespannen; subst. —ness; Tensibility = rekbaarheid; adj. Tensible; Tensile, tens(a)il, rekbaar, spannings - -: — force = spankracht; Tension, tenš’n, spanning, gespannenheid, spankracht, groote inspanning; Tensive, spannend; Tensor, tensə, spanspier.

Tent, tent, subst. tent, kap, overtrek, wiek (om eene wond open te houden), donkerroode Spaansche wijn; — verb. van tenten voorzien, tenten opslaan, onder tenten wonen; sondeeren, peilen of openhouden van eene wond; —-bed = ledikant met hemel; —-cloth; —-maker = tentenmaker; —-pin; —-pole; —-rope.

Tentacle, tentək’l, zuig- of tastorgaan; Tentacular, tentakjulə, zuig …, tast …; Tentaculate(d), tentakjulit(-eitid), van zuigorganen voorzien.

Tentative, tentətiv, subst. proeve, proef, poging; adj. pogend, beproevend.

Tenter, tentə, subst. spanraam, spanhaak, voeldraad; — verb. opspannen, rekken: To be on the —(s) = op heete kolen zitten; To keep on the —(s) = in angstige spanning houden; —-ground = plaats voor het stellen van spanramen; —-hook = spanhaak: We are on (the) —-hooks = on the tenter(s).

Tenuifolius, tenjuifouljəs, met fijne en smalle bladen; Tenuity, tənjûiti, fijnheid, dunheid, ijlheid; Tenuous, tenjuəs, dun, ijl, fijn, klein.

Tenure, tenjə, eigendomsrecht, leendiensten, bezit: — of life = levenstijd; — of office = diensttijd.

Tepefaction, tepifakš’n, matige verwarming; Tepefy = matig verwarmen, lauw worden; Tepid, tepid, lauw; subst. Tepidity = —ness.

Teraph, terəf (mv. Teraphim), huisgod der oude Israëlieten.

Terce, tɐ̂s, ± 190,830 L. (wijn, brandewijn, azijn, olie, etc.) ook ± 158,963 L.; ± 137,892 of ± 152,407 K.G. (vleesch voor schepen); —-major = de drie hoogste kaarten.

Tercel(et), tɐ̂səl(et), mannetjesvalk.

Tercentenary, tɐ̂sentənəri, subst. en adj. driehonderdjarige (gedenkdag).

Tercet, tɐ̂set, drieregelig gedichtje.

Terebinth, terəbinth, terpentijnboom: Oil of — = terpentijnolie; Terebinthine, terəbinthin, terpentijn .…

Teredine, terədin, Teredo, tərîdou, paalworm.

Tergiversate, tɐ̂dživəseit, uitvluchten zoeken, draaien; Tergiversation, draaierij, uitvlucht, afvalligheid.

Term, tɐ̂m, subst. grens, beperking, termijn, vervaldag, betaaldag, collegetijd, berechtingstijd, lid, uitdrukking, bewoording (In plain —s); —s = voorwaarden, condities, honorarium, prijs, schoolgeld; stonden (med.); — verb. noemen, benoemen, uitdrukken: A naval — = zeemansuitdrukking; To bring to —s = tot toegeven noodzaken; Couldn’t you come to —s? = het eens worden; Why don’t you express yourself in more definite —s = niet juister; I got on —s with him = kwam op goeden voet; They married on equal —s = in gemeenschap van goederen; To be on even —s = gelijk staan; To be on good —s = goed met elkaar; They are on intimate —s, —s of intimacy = zeer intiem met elkaar, op intiemen voet; To be on poor —s = niet al te best met elkaar; What are your —s? = wat vraagt u daarvoor? — of life (of a person’s natural life) = levensduur; — of office = diensttijd; — of payment = betalingstermijn.

Termagant, tɐ̂məg’nt, subst. helleveeg; adj. kijfachtig.

Terminable, tɐ̂minəb’l, begrensbaar; subst. —ableness; Terminal, subst. einde, grens, uiterste; adj. eindigend, begrenzend: — station = kopstation; Terminate, tɐ̂minit, begrensd, beperkt; — verb. tɐ̂mineit, begrenzen, eindigen, een einde maken aan: I shall soon be —d with you = tusschen ons beiden zal het gauw uit zijn; Termination = grens, einde, begrenzing: To draw to a — = ten einde loopen; —inative = begrenzend, uitsluitend; Terminology, terminologie; Terminus = grenssteen, eindstation.

Termite, tɐ̂mait, witte mier.

Ternary, tɐ̂nəri, subst. drietal, groep van drie; adj. van of bij drieën, drietallig.

Terpsichore, tɐ̂pksikərî, Terpsichore; —an, tɐ̂psikərîən, dans —.

Terra, terə, de aarde: — del Fuego, terədelfjûgou, Vuurland; — alba = pijpaarde; —-cotta = terracotta; — firma = vaste grond; — incognita = onbekend land.

Terrace, teris, subst. terras, plat dak; — verb. tot terrassen vormen.

Terrapin, terəpin, moerasschildpad (Amer.).

Terraqueous, təreikwiəs, tərakwiəs, uit land en water bestaande.

Terrestrial, tərestriəl, ondermaansch, aard—, land—; subst. aardbewoner: — animal; — globe.

Terret, terət, de ring waar doorheen de leidsels worden gestoken.

Terrible, terib’l, verschrikkelijk, ontzagwekkend, ijselijk, kolossaal; subst. —ness.

Terrier, teriə, terrier.

Terrific, tərifik, schrik- of ontzagwekkend; Terrify, terifai, doen verschrikken, schokken: I was terrified to death = schrikte me dood.

Territorial, teritôriəl, territoriaal; subst. soldaat behoorende bij het — Army (— Force) i e. een corps van vrijwilligers, dat in 1908 de oude Volunteers verving; —ize = vergrooten; tot een territory maken (Amer.); Territoried, teritərid, land in eigendom hebbende; Territory, teritəri, gebied, (ook fig.), landstreek, bereik; gebied met minder dan 60.000 inwoners en zonder vertegenwoordiging in het Congres (Amer.).

Terror, terə, schrik, ontsteltenis: The King of —s = de Dood; The Reign of — = het Schrikbewind; I am struck with —, —-struck, —-stricken = van schrik verpletterd; —ism = schrikbewind; —ist = lid van het schrikbewind, terrorist; Terrorize, terəraiz, schrik aanjagen, door schrik dwingen.

Terry, teri, soort van pluche; —-velvet = soort katoenfluweel.

Terse, tɐ̂s, beknopt, kort en bondig; subst. —ness.

Tertian, tɐ̂š’n, derdedaagsch: — fever; Tertiary, tɐ̂šəri, tertiair: — epoch, formation.

Tertullian, tɐ̂tɐlj’n, Tertulianus.

Terza-rima, tɐ̂tsə-rîmə, tercine; Terzetto, ter-tsətou, terzet (muz.).

Tessellar, tesələ, geruit; Tesselated, tesəleitid, geruit, als mozaïek; Tessellation = ruit- of mozaïekwerk; Tessera, tesərə, klein kubusje van marmer, etc. voor mozaïekwerk; Tesseral = Tessellar.

Test, test, subst. toets, toetssteen, onderzoek, proef, reagens, oordeel, kroes tot zuiveren van metaal; — verb. toetsen, beproeven, keuren, onderzoeken, attesteeren: Crucial — = vuurproef (fig.); That’s a fair — = een geschikte opgaaf (bij een examen, b.v.); To apply a severe — to = aan een streng onderzoek onderwerpen; To put to the — = op de proef stellen; To stand the — = de proef doorstaan; — Act = Eng. wet van 1678–1828, die voor ambtenaren een eed voorschreef waarbij ze betuigden niet Katholiek te zijn; State —ed unadulterated liquor = van rijkswege gekeurde, onvervalschte sterke drank; —-paper = lakmoespapier; —-tube = reageerbuisje; —-types = letters om de gezichtsscherpte te keuren; —able = wat geattesteerd kan worden, in staat een testament te maken of getuigenis af te leggen; —er = toetser. Zie Tester.

Testacea, testeišə, schelpdieren; —n, subst. schelpdier; adj. tot de schelpdieren behoorende; Testaceous, testeišəs, schaal - -; bruingeel: — animals = schaaldieren.

Testament, testəment, testament, verbond: New —; Old —; —al, —ary, testəment’l, testəmentəri, testamenteel; Testamur, təsteimə, testimonium; Testate, testit, subst. die een testament gemaakt heeft; adj. een testament nalatend: To die —; Testator, testeitə, Testatrix, testeitriks, erflater, erflaatster.

Tester, testə, oude shilling (onder Henry VIII); vierkante ledikantshemel, plat klankbord (kansel): —-bed = met een hemel. Zie Test.

Testicle, testik’l, zaadbal; Testiculate, təstikjulit, Testicular, təstikjulə, gelijk een bal.

Testification, testifikeiš’n, getuigenis; Testifier = getuige; Testify, testifai, plechtig verklaren, getuigen, getuigenis afleggen: I shall never — against you = tegen u getuigen; He testified to my good conduct = hij gaf getuige van.

Testimonial, testimounj’l, subst. getuigschrift, verklaring, attestatie, hulde, huldeblijk; ook adj.: — dinner = feestmaaltijd ter eere van; — letter; Testimony, testiməni, getuigenis, betuiging, openbaring, Gods woord: In — whereof = ten bewijze waarvan; To bear — = getuigenis afleggen; To call in — = tot getuige roepen.

Testiness, testinəs, subst. v. Testy, testi, eigenzinnig, knorrig, gemelijk, prikkelbaar.

Tetchiness, tetšinəs, subst. van Tetchy = knorrig, gemelijk.

Tether, tedhə, subst. touw waaraan een grazend dier is gebonden, speelruimte, bevoegdheid; — verb. vastbinden, beperken: He came to the end of his — = zijne middelen waren uitgeput; To go to the end of one’s — = zoo ver gaan als men kan; To — a person by a short rope = iemand kort houden.

Tetra, tetrə, (in samenst.), vier: —chord = halve octaaf (van c tot f of van g tot c); viersnarige lier; —dactyl(e), tetrədaktil, viervingerig; —diapason, tetrədaiəpeiz’n, viervoudige octaaf; —gon, tetrəgon, vierhoek; adj. —gonal, tətragən’l; —hedron, tetrəhîdr’n, tetrəhedr’n, regelmatig viervlak; —meter, tətramətə, viervoetige versregel; —petalous, tetrəpetəlɐs, vierbladig; —pod = vierpootig; —pteran, tətraptər’n, viervleugelig (insect); —pterous, tətraptərɐs, viervleugelig; Tetrarch, tetrâk, tîtrâk, gouverneur van het vierde van een wingewest (Rom.): —ate, tetrâkit, tîtrâkit, —y, tetrâki, grondgebied van een T.; Tetrastich, tetrəstik, tətrastik, vierregelig gedicht.

Tetter, tetə, subst. naam voor verschillende huidziekten (Eating — = lupus); — verb. eene huidziekte bezorgen.

Teuton, tjût’n, iemand v. Teutonischen stam; Teutonic, tjutonik, Teutonisch, Germaansch: — languages = Germaansche talen; Teutonicism, tjutonisizm, Germaansch idioom; Teutonize = germaniseeren.

Teviot, tiviət; Tewk(e)sbury, tjûksb’ri; Texan, teks’n; Texas, teksəs; (The) Texel, dhəteks’l.

Text, tekst, tekst, onderwerp, inhoud; —book = handboek, schoolboek; —-hand = groot loopend schrift; —ual = volgens den tekst; —ualist = schriftgeleerde, iemand die zich streng aan den tekst houdt.

Textile, tekst(a)il, subst. geweven stof; adj. geweven: — industry; Texture, tekstjə, het weefsel, structuur.

Thackeray, thakər(e)i; Thaddeus, thədîəs, thadiəs; Thaisa, theiizə, thəîzə.

Thaler, tâlə, thaler.

Thales, theilîz; Thalia, thəlaiə, Thalia: —n = komisch; Thaliard, thaliəd.

Thames, temz, Theems: He will not set the — on fire. Zie Fire.

T(h)ammuz, t(h)aməz, vierde maand van het Joodsche burgerlijk jaar.

Than, dhan, dan (alléén na comparatieven): He is older — I by seven years.

Thane, thein, Angelsaksische titel der grootere grondbezitters tot de 12de eeuw; —dom; —-lands; —ship.

Thanet, thanət.

Thank, thaŋk, subst. dank (thans steeds meervoud); — verb. danken, bedanken (dikwijls ironisch): —s to thee, I am safe = ik ben veilig, dank zij u; —s = ik dank u; No, —s! = dank u; geen dank; —s to your eagerness = dank zij; —s be to God = God zij dank; To give —s = danken (na den maaltijd); To return —s = dank betuigen; No — you = ik dank u; — you, yes = alstublieft; — you for nothing = ik zou je danken; — God we are rid of him = Goddank; He has only to — himself for = ’t is zijn eigen schuld, dat …; I’ll — you to shut the door = doe alstublieft de deur dicht; I’ll — you not to do it = gij doet me plezier als gij het laat; I’ll — you for the potatoes (for a cup of tea) = mag ik alstublieft; —-offering = dankoffer; —sgiver = bedanker, dankzegger; —sgiving = dankzegging (aan God); —sgiving-day = dankdag; —ee = dank u; —ful = dankbaar; subst. —fulness; —less = ondankbaar: —less task; subst. —lessness; —worthiness, subst. v. —worthy = dankenswaard, verdienstelijk.

That, dhat, gene, die, dat; opdat: — is me (I) = dat ben ik; He is a good fellow for all — = toch een goede vent; And — for this reason = en wel om deze reden; Nothing follows, nothing — is, which is of any real weight = namelijk niets; While his family, his mother — is, were living in D. = zijn moeder namelijk; No human being ever spoke like — = op zoo’n manier; This is horrible, — is = dit is bepaald af grijselijk; Mrs Quilp — is = de tegenwoordige; Mrs Corney — was = de vroegere; He has been here, but what of —? = wat zou dat, bewijst dat; I was the eldest son and not much of a help at — = en trouwens als zoodanig nog geen groote steun; ‘Christmas comes but once a year’, and adds the cynic, ‘once too often at —’ = en dat is trouwens nog één keer te vaak; I send you word — you may be prepared = opdat gij voorbereid zijt; It is not — I believe = niet omdat ik geloof; Do tell me, —’s a good girl = dan ben je eene beste meid; — much is certain = zooveel; I am — sorry = het spijt me zóó! I suppose you are worth all — = wel zóó rijk; I am tougher than — = daar ben ik te taai voor.

Thatch, thatš, subst. dakstroo, dakriet, stroodak, hut; — verb. met stroo of riet dekken; —er = rietdekker.

Thaumatrope, thômətroup, thaumatroop; Thaumaturge, thômətɐ̂dž, wonderdoener = Thaumaturgist; Thaumaturgic(al), thômətɐ̂džik(’l), wonderdadig; Thaumaturgy, thômətɐ̂dži, wonderdoenerij.

Thaw, thô, subst. dooi; — verb. dooien, ontdooien (ook fig.): Silver — = ijzel; The — set in = het begon te dooien; It —s.

The, dhə, dhi (vóór een klinker), dhî (met nadruk), de, het: — more — merrier = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde; — sooner — better = hoe eerder hoe beter; — more I see you — better I like you = hoe meer ik u zie, hoe meer ik van u houd; — more so, as I do not know him = des te meer omdat; — rather = temeer; So this — grand-daughter, is it? = je kleindochter; — Lady Grace Eveleigh = Freule G. E. (meer officieel dan zonder ’t lidwoord); — Douglasses’ house = der familie D.

Theatre, thîətə, theater, schouwburg, toeneel, medische gehoorzaal: — of war = oorlogstooneel; —-goers = bezoekers; Theatrical, thiatrik’l, theatraal: —s = tooneelvertooningen: Private —s = liefhebberijtooneel; Theatricality, thîatrikaliti, theatrale manier van doen, vertoon.

Theban, thîb’n, subst. en adj. Thebaan(sch): — year = 365 d. en 6 u; Thebes, thîbz, Thebe; Thecla, theklə.

Thee, dhî, u (object van Thou): They — and thou each other = spreken elkaar aan met je en jou.

Theft, theft, diefstal.

Theina, thiainə, Theine, thî-in, theeïne.

Their, dhêə, hun, haar; —s = van hen, van haar: These books are —s = zijn de hunne.

Theism, thîizm, theïsme; Theist; adj. Theistic(al).

Them, dhem, hen, haar (object van They); —selves, dh’mselvz, zich zelven, zij zelven.

Thematic, thimatik, thematisch; Theme, thîm, onderwerp, thema, stam, (gram.).

Themis, thîmis, Themis.

Then, dhen, adj. toenmalig; adv. en conj. toen, dan, later, alsdan, daarom, diensvolgens, derhalve: The — measures were insufficient = toen genomen; You might have had a bad fall — = daar had je leelijk kunnen vallen; What did he say —? = wat zei hij daar toch; Did he laugh at you? — he ought not = maar dat moest hij niet; I hear his footstep, — he is back = dus is hij terug; I think, — I exist = ik denk, dus besta ik; By — = tegen dien tijd; On —! = vooruit! If he sees us, what —? = wat zou dat, wat hindert dat; Now and — = nu en dan; Every now and — = telkens; Now —, what can you say to the contrary? = welnu; — and there = onmiddellijk, op staanden voet; Till — = tot dien tijd, tot zoolang; Not until — = eerst toen; Thence, vandaar, derhalve: From — = van uit die plaats; —forth, dhensföth, —forward, dhensföwəd, van dien tijd af aan.

Theobald, thîəbôld.

Theocracy, thiokrəsi, theocratie; Theocrat; Theocratic(al) = theocratisch; Theodicy, thiodisi, theodicee.

Theodora, thîədôrə; Theodore, thîədö.

Theogony, thiogəni, theogonie; Theologian, thiəloudž’n, godgeleerde; Theologic(al), thîəlodžik(’l), theologisch: The — virtues are: Faith, Hope and Charity = de goddelijke deugden zijn: Geloof, Hoop en Liefde; Theologize, thiolədžaiz, theologiseeren; Theology, thiolədži, theologie: Natural — = de kennis Gods uit Zijne werken.

Theophilus. thiofilɐs.

Theorbo, thiöbou, theorbe, groote basluit.

Theorem, thîər’m, theorema; adj. —atic(al).

Theoretic(al), thîəretik(’l), theoretisch; Theoretics = het theoretisch gedeelte eener wetenschap; Theorist, thîərist, theoreticus; Theorize = theoretiseeren: —r; Theory, thîəri, theorie: His practice falls short of his — = zijne praktijk haalt niet bij zijne theorie.

Theosophy, thiosəfi, theosophie.

Therapeutic(al), therəpjûtik(’l), therapeutisch; —s = therapie.

There, dhêa, daar, er: When did he leave — = wanneer is hij vandaar vertrokken; You are right (wrong) — = daar hebt ge gelijk (ongelijk) aan; Here and — = hier en daar; Then and — = op dat zelfde oogenblik (= — and then); I am all — = ik weet drommels goed wat ik doe; — you are! = klaar is ’t; alstublieft; — is a horse for you = dat is nog eens een paard! I am no match for you — = in dat opzicht kan ik niet tegen u op; You have got a tile off and are not all — = je bent niet recht bij het hoofd, en weet niet wat je doet; That to me is everything! So —! = nu weet je het; en daarmede basta! Stop, —’s a good fellow = dan ben je een beste; —about(s) = daaromtrent: A guilder or —abouts = een gulden of daaromtrent; —after = daarna, volgens dat, daarnaar; —anent = met betrekking tot dat punt; —at = daar, om die reden, bovendien: He is poor and a fool —at = en een dwaas op den koop toe; —by = daarnevens, daardoor, diensvolgens, daaromtrent; —for = hiervoor; —fore = daarom, daarvoor, met dat doel; —from = daarvan, daaruit; —in = daarin, hierin; —into = daarin; —of, dhêrov, hier- of daarvan; —on = hier- of daarop, er op; —out = daaruit; —to = daar- of hiertoe, buiten en behalve; —under = daaronder; —unto = daartoe; —upon = hier- of daarop, ten gevolge daarvan, dadelijk; —with = daarmede, onmiddellijk; —withal, dhêəwidhôl, daarbij, terzelfdertijd, daarenboven.

Theresa, tərîsə, Therese.

Thermae, thɐ̂mî, heete bronnen of baden; adj. Thermal: — waters, — springs; — unit = warmte-eenheid.

Thermit, thɐ̂mit, thermiet.

Thermometer, thɐ̂mometə, thermometer: A clinical —.

Thermopylae, thɐ̂mopilî, de Thermopylen.

Thermoscope, thɐ̂məskoup, thermoscoop; Thermostat, thɐ̂məstat, thermostaat.

Thersites, thɐ̂saitîz.

Thesaurus, thisôrəs, woordenschat (boek).

These, dhîz (meerv. van This), deze.

Thesis, thîsis, thesis, stelling (Mv. Theses, thîsîz, thesîz): — for the degree of M. D. = medische dissertatie.

Thespian, thespiən, Thespisch; subst. tooneelspeler.

Thessalian, thəseilj’n, Thessaalsch; Thessaliër; Thessaly, thesəli, Thessalië.

Thetis, thîtis.

Thews, thjûz, spierkracht, spieren; Thewy = gespierd.

They, dhei, zij, degenen: — say = men zegt.

Thibet, tibət, tibet.

Thick, thik, subst. dikke gedeelte, heetst (van den strijd), dikte; adj. dik, dicht, troebel, mistig, onduidelijk, opeengedrongen, snel, overvloedig, intiem; — verb. verdikken: He is such a — = zoo’n domkop; He was in the — of the fight; To back through — and thin = meegaan door dik en dun (fig.); This is a bit too — = te kras; They are as — as peas in a shell = zeer overvloedig; zijn vrienden als olifanten; They are as — as thieves together = het zijn twee handen op één buik, zij spelen onder één hoedje; His blows came down as — as hail = zoo snel en hard als hagelsteenen; To be (To become, To get) — with = intiem zijn (worden) met; To lay it on — = overdrijven, er dik op leggen; I am — of hearing = hardhoorig; — of sight = met slecht gezicht; — of speech = slecht bespraakt; A — one = goudstuk; A — pronunciation = onduidelijke; A —-and-thin supporter of the government = iemand die door dik en dun meegaat; —-grown = dicht; —head = dik- of domkop; —-headed = dom, stomp; —-leaved; —-legged; —-lipped; —-nosed; —-planted; —-ribbed = met krachtige ribben; —-set = dicht beplant, rijk aan; kort en sterk (dik); subst. dichte heg, een gestreepte stof; —-side = dikhuid(ig): His —-side patience = olifantachtig geduld; —-skin = ongelikte beer, vlegel, domkop; —-skull = domkop; Thicken = verdikken, vermeerderen, verduisteren: The crowd —s = het gedrang neemt toe; The plot —s = de verwikkeling neemt toe.

Thicket, thikət, boschje.

Thickish, thikiš, ietwat dik.

Thief, thîf, dief: A — was in the candle = er was een dief aan de kaars; Stop —! = houdt den dief; Set a — to catch a —; —-catcher = dievenvanger; Thieves’ Latin = dieventaal.

Thieve, thîv, stelen; —ry = het stelen, dieverij; Thievish = diefachtig, steelswijze, sluiksch; subst. —ness.

Thigh, thai, dij; —-bone = dijbeen.

Thill, thil, lamoen; —-horse = lamoenpaard = —er.

Thimble, thimb’l, vingerhoed, kous (ring); —-berry = soort braambes; —-case = foudraal; —-rig, —-rigger = bedrieger, die laat wedden onder welk van drie bekertjes een balletje door hem is gestopt; ook verb.; —ful = vingerhoedvol.

Thin, thin, dun, licht, slap, zwak, mager, dunnetjes, flauw, gering; ledig, doorzichtig; — verb. verdunnen, ijler maken, dunnen, afnemen, uitverkoopen: His disguise was very — = erg doorzichtig; This month’s number is a little — = is vrij dunnetjes; To get (grow) — = mager worden; — diet = magere kost; — streets = ledige straten; The strata were —ning out and away = werden langzamerhand dunner en verdwenen eindelijk geheel; —-faced = met een smal en schraal gezicht; —-leaved; —-lipped; —-skinned = met fijne huid; overgevoelig, prikkelbaar; —-sown; —-spun; subst. —ness.

Thine, dhain, van u, het of de uwe.

Thing, thiŋ, ding, zaak, iets, persoontje, verhaal, lied (—s = dingen, zaken, goed, spullen): He is a — of nothing = een kerel van niets; That’s a — of naught (nothing) = niets waard; She isn’t quite the — = niet recht wel; That’s the (very) — = moet ik net hebben, zoo is het precies; Neither one — nor another = geen visch en geen vleesch; When —s are the worst they will sometimes mend = als de nood op het hoogst is, is de hulp nabij; —s past may be repented but not recalled = gedane zaken nemen geen keer; As —s stand = zooals de zaken staan; It comes all to the same — = komt alles op hetzelfde neer; You have got the wrong — = het verkeerde; He knows (is up to) a — or two = hij is slim, goed op de hoogte; He made a tidy (good) — of it = hij sloeg er een slaatje uit; I like him above all —s = bovenal; It was quite in the nature of —s = het sprak (volgde) vanzelf, lag in den aard der zaak, in de rede.

Thingummy, thingəmi, Dinges, dingsigheidje, goedje: His name was held up to — = aan de verachting prijs gegeven; Their pink silk thingummies = hunne rose zijden japonnetjes.

Think, thiŋk, denken, vinden, meenen, oordeelen, bedoelen, onderstellen, achten: Only — = denk eens aan; To — = als men bedenkt; I should — not indeed = dat moest er nog bijkomen; I should — so = dat zou ik denken; To — about a thing = ergens over denken; More than you — for = dan ge verwacht; What do you — of him? = wat denkt ge van hem; Now that I come to — of it = nu ik mij eens goed bezin; I have thought better of it = mij bedacht; He —s much of you = schat u hoog, heeft een hoog idee van u; To — on (over) = nadenken over; No, thought I to myself = dacht ik bij mezelf; I — with you there = dat ben ik met u eens; Me—s = mij dunkt (verouderend); —able = denkbaar; —er = denker; Thinking: To my — you might have profited more by it = mijns inziens; He is of my way of — = ’t met mij eens.

Thionville, tîənvil, Diedenhoven.

Third, thɐ̂d, subst. en adj. derde (deel), terts, tertia wissel; (—s = het derde van de bezittingen van den overleden man, waarvan de weduwe het vruchtgebruik heeft): The — Estate = de burgerij; —-class; —-rate = 3de rangs; —ly = ten derde; —sman = scheidsman.

Thirl, thɐ̂l, doorboren, perforeeren.

Thirst, thɐ̂st, subst. dorst (ook fig.); — verb. dorsten, vurig verlangen: His (the) — after wealth and honour = zijn dorst naar; A —(ing) for power = een haken naar; My throat is parched with — = is droog, ik versmacht van dorst; Thirstiness, subst. v. Thirsty = dorstig, droog, versmachtend: I am — = ik heb dorst.

Thirteen, thɐ̂tîn, subst. en adj. dertien(tal); —th, subst. en adj. dertiende (deel); Thirtieth, thɐ̂tiəth, subst. en adj. dertigste (deel); Thirty, thɐ̂ti, subst. en adj. dertig(tal): The — Years’ War = Dertigjarige Oorlog.

This, dhis, deze, dit: — day week = vandaag vóór een week; — is Thursday = ’t Is vandaag; — one and the other = deze en gene; It was Miss Mary — and Miss M. that = vóór en na; Generals — and that = die en die; Just allow it for — once = dezen éénen keer; You must be ready by — (time) = thans; From — to X. = van hier naar X.; — much he told me = zooveel heeft hij mij verteld; Come — way = hiernaartoe; I have not seen him these three months = in geene drie maanden.

Thistle, this’l, distel: Order of the — = Distel- of Andreasorde; —down = distelpluisjes: As light as —down = als een veertje; Thistly = vol distels.

Thither, dhidhə, daarheen; —to = tot daartoe; —ward(s) = derwaarts.

Tho’, dhou = Though.

Thole, thoul, subst. dol = —-pin.

Thomas, toməs: A very — in disbelief = een ongeloovige Thomas; Thomism, tomizm, wijsgeerig-godsdienstig stelsel van Th. Aquinas; Thomist = Thomist; Thompson, tom(p)s’n; Thomson, toms’n.

Thong, thoŋ, riem, snoer.

Thor, thö, Thor: —’s hammers = steenen werktuigen en gereedschap.

Thoracic, thərasik, borst …: — fins = buikvinnen; Thorax, thôrəks, borst(kas), borststuk.

Thorn, thön, doorn(struik), stekel, prikkel: To be a — in a person’s side (flesh) = een doorn in ’t oog zijn; To be (sit) upon —s = op heete kolen zitten; He that handles —s shall prick his fingers = wie met pek omgaat wordt er mede besmet; —-apple = doornappel; —-back = stekelrog; —-bush = doornstruik; —-but = tarbot; —-hedge = doornhaag; —-letter = de oudste A.S. lettervorm voor de tegenwoordige th; —-set = met doornen bezet of beplant; Thorny = doornachtig, scherp, lastig, kwellend, netelig.

Thorough, thɐrə, volkomen, volmaakt, grondig, volledig, doortastend, doordringend: He is a man of — = hij tast door; —-bred = volbloed (— horse), beschaafd, ontwikkeld, grondig, doortastend; —fare = doorgang, (hoofd)straat: No —fare = voor het verkeer gesloten; —going = doortastend, afdoend, radicaal: A military reconstruction of the most —going kind = zoo radicaal mogelijk; The —goingness of a newspaper = de durf van eene courant; —-lighted = met ramen aan tegenovergestelde zijden; —-paced = afgericht, voltooid, volmaakt, aarts …: A —-paced villain = een volleerde schurk; Thoroughness = volkomenheid, grondigheid.

Thorp(e), thöp, dorp, gehucht.

Those, dhouz, (mv. v. That), die: There are — who pretend = er zijn er.

Thou, dhau, gij; verkorting voor thousand; — verb. met thou aanspreken.

Though, dhou, ofschoon, indien al, niettegenstaande: — I say it = al zeg ik het zelf; — it were true = al was het ook waar; He is a good fellow — = hij is tòch een goede kerel; What — the body dies = wat hindert het of het lichaam sterft; You would —, if you had been present = en toch zou je dat wel, als, etc.; He should play more — = overigens moest hij meer spelen.

Thought, thôt, imperf. en p.p. van to think.

Thought, thôt, gedachte, overweging, bepeinzing, oordeel, meening, voornemen, voorstelling, schijntje: He was a — taller than the ordinary run of people = een ietsje langer; I will be back upon a — = in een wip; That — occurred to (struck) me = die gedachte kwam bij mij op; I didn’t give it — = heb er geen oogenblik aan gedacht; I had some —s of going = liep rond met ’t idee; I cannot read your —s = uwe gedachten niet lezen of raden; You had better take — and not be rash = u goed te bedenken; He took no — for to-morrow = bekommerde zich niet om; —-reader = gedachtenlezer; —-reading = het gedachtenlezen; Thoughtful = bepeinzend, vol gedachten, attent, bedachtzaam, bedacht: He is — of his interests = bedacht op; A — book = een boek dat tot nadenken stemt; Very — of you not to forget my birthday = erg attent van u; She talked —ly and sensibly = bedachtzaam; subst. Thoughtfulness; Thoughtless = gedachteloos, zorgeloos; subst. —ness.

Thousand, thauz’nd, subst. en adj. duizend(tal): It is a — pities = het is doodjammer; It is a — nuts to an orange pip = tien tegen één; He is one in a — = één uit de duizend; I have a — things to do = allerlei dingen; They appeared in their —s = in grooten getale; —-legs = duizendpoot; —fold = duizendvoudig; —th, subst. en adj. duizendste (deel).

Thrace, threis, Thracië; Thracian = Thrasisch; Thraciër.

Thraldom, thrôld’m, slavernij, lijfeigenschap; Thrall, thrôl, slaaf, slavernij.

Thrash, thraš, dorschen, afranselen, van alle kanten bekijken of bespreken: To — over old straw = stroo dorschen (fig.), zich afsloven; —el = dorschvlegel; —er = dorscher; zeevos (soort haai); Thrashing: He got a sound — = een duchtig pak slaag; —-floor = dorschvloer; —-machine, —-mill = dorschmachine.

Thread, thred, subst. draad, garen, meeldraad, vezel, ader; — verb. een draad in eene naald steken, zich een doorgang banen, doorheen dringen (= To — one’s way through): The — of a screw = draad van een schroef; To lose the — of one’s discourse; To pick up —s = het gesprek aan den gang krijgen; To take up the — of a tale; Its existence was hanging on (by) a (slender) thin — = hing aan een zijden draadje; I hadn’t a dry — on me = geen drogen draad aan mijn lijf; Air —s = herfstdraden; To — the needle = figuur in een dans, waarbij de paren onder opgeheven en verbonden handen doorgaan; —bare = kaal, versleten, afgezaagd; subst. —bareness; —-bobbin = garenklos; —-paper(s) = dunne reepjes papier, papillotten: I am not going to fret myself into —-paper for her = denk me niet dood te kniezen; —-worm = draadworm; —iness, subst. v. —y = draderig, dun.

Threat, thret, subst. bedreiging: Empty — = ijdele; Threaten = dreigen, bedriegen, schrik aanjagen (door bedreigingen), een dreigend aanzien hebben; —er; —ing: —ing-letter = dreigbrief.

Three, thrî, subst. en adj. drie(tal): In — copies = in triplo; To fold in —s = in drieën; I had round number — with him = ik heb duchtig met hem afgerekend; The rule of — = regel v. drieën; The — F’s = eischen der Iersche Landliga: Free Sale, Fixity of Tenure, Fair rent; I won’t sell it under — figures = onder £ 100; —-figure accidents are almost unknown now = ongelukken, waarbij 100 of meer menschen hun leven verliezen; —-act(ed) = in 3 bedrijven; —-cornered = met 3 hoeken of punten: —-cornered constituency = kiesdistrict dat drie leden afvaardigt, terwijl ieder kiezer slechts op twee van deze mag stemmen; —-decker = driedekker; ouderwetsche kansel met drie verdiepingen of lezenaars; —fold = drievoudig; —-foot stool = driepoot; —-headed = met drie koppen of hoofden; The — Hours’ Agony (Service) = dienst op Goeden Vrijdag van 12–3; —-pence, thrip’ns, driestuiverstukje; —penny, thrip’ni, van drie stuivers; gering, gewoon; —penny bit = — penny piece; It’s a —penny concern = sjofel boeltje; —penny piece = driestuiverstuk; A —-piled Persian carpet = rijk, zwaar Perzisch kleed; —score = zestig; —-square = driehoekig, met drie punten; A bottle of —-star brandy = fijne cognac (etiket met drie sterren erop); —-tailed pasha = met 3 paardestaarten.

Threnody, threnədi, klaagzang.

Thresh, threš; —er. Zie Thrash.

Threshold, threšould, drempel, ingang, begin.

Threw, thrû, imperf. van to throw.

Thrice, thrais, driemaal; —-blest = overgelukkig; —-favoured = buitengewoon begunstigd.

Thrid, thrid, doorsteken. Zie Thread.

Thrift, thrift, zuinigheid, spaarzaamheid, voorspoed; anjelier; —iness = spaarzaamheid, voorspoed; —less = verkwistend; subst. —lessness; —y = spaarzaam, voorspoedig.

Thrill, thril, subst. siddering; drilboor; — verb. doordringen, doorboren, trillen, rillen; kweelen: This sent a — of horror through the world = deed van afgrijzen rillen; It —ed him with a vague dread = eene onbepaalde vrees doortrilde hem; He —ed at hearing this = sidderde; —ers and curdlers = sensatie-romans.

Thrive, thraiv, bloeien, vooruitkomen, gelukkig zijn, gedijen, toenemen: He that will — Must rise at five, He that has —n May lie till seven = Zal het u goedgaan, Wil dan vroeg opstaan, Hebt ge ’t geld verdiend, Lig dan langer, vriend; Ill weeds are sure to — = onkruid vergaat niet; Thriven, thriv’n, p.p. van —; Thriver = voorspoedig man; Thriving = voorspoedig, bloeiend; subst. —ness.

Thro’, thrû = Through.

Throat, throut, keel, strot, stem, ingang, nauwe doorgang: To clear one’s — = schrapen; These two merchants are cutting each other’s —s = werken elkaar er onder; You cut your own — by doing this = benadeelt uzelf; I was down her — in a moment = hield haar onmiddellijk aan haar woord; Don’t jump down my — = stuif niet zoo op tegen me; I felt a ball rising in my — = ik kreeg een prop in de keel; He lied in his — = loog schandalig; It still sticks in my — = zit me nog hoog (fig.); He held a knife to my — = hij zette mij het mes op de keel; I have the exhibition up to my — = de tentoonstelling hangt me de keel uit; —-band = —-latch = keelriem (v. een paard); —-wort = halskruid (soort v. klokje); A full-—ed song = lied uit volle borst; —y = gutturaal, uit de keel; vraatzuchtig.

Throb, throb, subst. klopping; — verb. kloppen: My heart —s.

Throe, throu, subst. hevige pijn; — verb. in barensnood verkeeren, groote pijn lijden; —s = barensweeën: Last —s = doodstrijd.

Throne, throun, subst. troon; — verb. zie Enthrone; Speech from the — = troonrede; To ascend (mount) the — = bestijgen; To come to the —; —-room = troonzaal.

Throng, throŋ, subst. gedrang, groote menigte; — verb. verdringen, opdringen, toestroomen: The people came —ing in = stroomden naar binnen; —ed-out streets = schoongeveegde straten; —ed with = vol.

Throstle, thros’l, zanglijster.

Throttle, throt’l, subst. luchtpijp, keel; — verb. smoren, (ver)stikken: —d to death; —r.

Through, thrû, door, doorheen, geheel, wegens: To be wet — = doornat zijn; — and — = door en door; It’s all — you = ’t komt al door u; — the year = het geheele jaar door; To be — = klaar zijn; My intention will be carried — = doorgezet worden; The plan has fallen — = viel in duigen; To get (go) — = te boven komen, ten einde brengen, komen door (een examen); I read it — from cover to cover = las het heelemaal door; He saw — my intentions = doorzag; —-carriage = doorgaand rijtuig; —-line = doorloopend spoor; —-passenger = doorgaand passagier; —-ticket; —-traffic = transitohandel; —-train = doorgaande; —-waybill = dóorbevrachting v. het continent naar eenig deel van Engeland; Throughout: — the day = den geheelen dag lang; All of a — piece = geheel uit één stuk.

Throve, throuv, imperf. van to thrive.

Throw, throu, subst. gooi, worp; — verb. werpen, smijten, slingeren, in haast aan- of omdoen, afwerpen, slaan, opwerpen, dobbelen, verliezen, etc.: To — light on = licht werpen op; I wrestled with my pride and threw it = en overwon hem; They have —n stones at us = ons met steenen gegooid; She threw herself away on a drunken baronet = verslingerde zich aan; That’s —ing money away = geld in ’t water gooien; Good advice is —n away upon him = is niet aan hem besteed; The reflectors threw back the light = kaatsten terug; To — by = ter zijde werpen, verwerpen; To — down = neergooien, omgooien, tegen den grond gooien; He threw himself down = ging liggen; Allow me to — in a word = mag ik ook een woordje meespreken? I was —n into enthusiasm = gebracht tot; I have —n him off = wil niets meer met hem te maken hebben; I threw on my trousers = schoot mijne broek aan; I — myself on your mercy = geef me over; He threw it out quite suddenly = kwam er in eens mee voor den dag; The bill was —n out = werd verworpen; We find ourselves —n out = teleurgesteld; She has thrown him over = de bons gegeven; To — to the winds = de brui geven van; Her jet ornaments threw up the whiteness of her skin = deden uitkomen; He has —n up the sponge = heeft zich gewonnen gegeven; He was —n with that girl = verkikkerd op; I had never thought I should be —n much with such people = aangehaald worden, veel omgang hebben met; A —-down cracker = voetzoeker; —er = werper, gooier, draaier, twijnder; —ing back = atavisme; —n = getwijnd, gedraaid; —ster = twijnster (v. zijde).

Thrum, thrɐm, subst. zelfkant, kwast, meeldraad (—s = grof garen, garenafval); — verb. (eene mat) spekken; krassen, tjingelen, trommelen (op piano): The —ming of an old guitar = het tjingelen op.

Thrush, thrɐš, zanglijster; spruw.

Thrust, thrɐst, subst. stoot, steek, aanval, horizontale drukking; — verb. stooten, drijven, duwen, steken, indringen: He — (made a —) at me = stiet naar mij; He — himself in(to) our society = drong zich; —er = doorsteker.

Thud, thɐd, slag, plof, bons; — verb. dreunen, kloppen: He fell with a dull — on the path = met een doffen slag; A dull, —ding pain = drukkende, zware pijn.

Thug, thɐg, sluipmoordenaar, lid v. een vroegere moordenaarsbende (Brit. Indië); —gee = mysteriën of bedrijf der thugs = —gery = —gism.

Thule, thjûli: Ultima — = het einde der wereld.

Thumb, thɐm, subst. duim; — verb. beduimelen, betasten, met de vingers trommelen, onhandig doen: Tom — = Klein Duimpje; His fingers are all —s = zijne handen staan hem verkeerd; To have (hold) under one’s — = onder den duim houden; I was left to twirl my —s = ik kon op mijn duim zuigen; —-lock = drukslot; —-mark; —-nail, subst. nagel van den duim, penkras; adj. klein: I dashed off a —-nail on the envelope = gooide een schetsje op de enveloppe; —-nail sketches = penkrassen; —-screw = duimschroef; —-stall = duimeling; —kins = duimschroeven.

Thump, thɐmp, subst. zware slag, bons, plof; — verb. stompen, ploffen, zwaar neerkomen: It is a downright —ing lie = een groote leugen; That —ing rascal = die vervloekte schurk; —er = iets kolossaals, een groote leugen.

Thunder, thɐndə, donder, donderslag, onweer, banbliksem; — verb. donderen, bulderen, slingeren: By — = voor den donder; What in — do you want = wat donder wil je eigenlijk? Rolling peals of — = ratelende donderslagen; It is the — that strikes, but the lightning that smites = de donder ratelt, de bliksem slaat in (= groote woorden zijn maar wind); We shall have — to-day = krijgen onweer; — of applause; — of cannon; — and lightning trousers = broek van donkergrauwe stof met witte spikkels; To — out an excommunication; —bolt = bliksemstraal, donderslag, banbliksem: Like a (—)bolt from the blue = gelijk een donderslag uit onbewolkten hemel; —-clap = donderslag = Clap of —; —-cloud = onweerswolk; —-dart = bliksemschicht; —-peal = slag; —-pick = pijlsteen, dondersteen; —-storm = onweer; —-struck = (als) door den bliksem getroffen; —er = donderaar (naam van “The Times”); —ous: —ous roar = donderend geraas.

Thurible, thjûrib’l, wierookvat; Thurifer, thjûrifɐ̂, wierookvatzwaaier; Thuriferous, thjurifərɐs, wierook bevattend of voortbrengend; Thurification = bewierooking.

Thuringia, thjurinžiə, Thuringen; —n, (bewoner) van Th.; Thuringsch.

Thursday, thɐ̂zdi, Donderdag: Holy — = Hemelvaartsdag; Maundy — = Witte Donderdag.

Thus, dhɐs, subst. wierook.

Thus, dhɐs, aldus, dientengevolge, dus, tot aan: — far = tot hiertoe; As — = als volgt; I told you — much = dit (alles) heb ik u gezegd.

Thwack, thwak, subst. harde slag, stomp; — verb. slaan, stompen; —ing = pak slaag.

Thwart, thwöt, subst. doft; adj. dwars, schuin; adv. dwars; prep. dwarsover; subst. tegenstand, belemmering; — verb. kruisen, dwarsboomen; —ness = dwarsheid, weerbarstigheid; —ships = dwarsscheeps.

Thy, dhai, bez. vnw.: uw; —self = uzelf.

Thylacine, thailəsain, buidelwolf.

Thyme, taim, tijm; Thymy, vol tijm, geurig.

Thyroid, thairôid, schildvormig; —-cartilage = schildvormig kraakbeen.

Thyrse, thɐ̂s (Thyrsus, thɐ̂səs), Bacchusstaf; Thyrsoid, thɐ̂sôid, in den vorm van een B.

Tiara, taiêrə, taiârə, tiara, driedubbele pausenkroon, pausel. waardigheid, soort v. diadeem: —ed, taiêrad met een tiara getooid.

Tib, tib: St —’s Eve = Juttemis; —-cat = kat.

Tib, tib: — out = uitknijpen (Schoolslang).

Tibald, tibəld; Tiber, taibə, Tiber; Tiberius, taibîriəs; Tibet, tibət, tibet.

Tibia, tibiə, scheenbeen, adj. —l.

Tic, tik, neuralgie, aangezichtspijn.

Tichborne, titšbən.

Tick, tik, subst. teek, tijk, tikje, teeken, stip, getik; crediet, rekening; — verb. tikken, borgen, crediet geven of krijgen, ter contrôle aanschrappen op een lijst: He that has no money, needs no purse, but — = heeft crediet en geene beurs noodig; A state of — = toest. v. geldgebrek; He buys everything on — = op den pof, op crediet; To give one no end of —; You cannot — a man off into columns in a parliamentary return = men kan een mensch niet in rubrieken verdeelen in eene regeeringsstatistiek; —-bean = paardeboon; —-tack of the clock; —er = horloge.

Ticken, tik’n, stof voor beddetijk.

Ticket, tikət, kaartje, biljet, lot, toegangsbewijs, plaatskaartje, lommerdbriefje, etiket, mandaat, gedrukte candidatenlijst bij verkiezingen, stembiljet (Am.): That’s the — = dat is je ware; To buy one’s — (Am. voor Eng.: To take one’s —) een kaartje nemen; He was elected on the radical — = op het radicale program; —-collector (-examiner) = controleur; —-day = eerste dag der rescontre; —-of-leave = bewijs van voorwaardelijke invrijheidstelling; —-of-leave-man = voorwaardelijk vrijgelatene; —-night = soort benefice voorstelling; —-office = plaatskaartenbureau; —-porter = gepatenteerd of door eene maatschappij aangestelde kruier; —-window = loket.

Ticking = Ticken.

Tickle, tik’l, kietelen, streelen: That —d them = dat deed hun aangenaam aan; He tried to — my palm = mij duimzalf te geven; —r = netelige vraag, raadsel; stok, pak slaag; Ticklish, wankel(moedig), onvertrouwbaar, netelig, lastig; subst. —ness.

Tidal, taid’l, wat tot ebbe of vloed behoort: — service = stoombootdienst in verband met het getij; — wave = vloedgolf; I leave by the — (train) for France = met den trein, die op het getij rijdt.

Tidbit, tidbit = Titbit.

Tiddler, tidlə: Tom —’s ground = luilekkerland.

Tide, taid, subst. tijd, tij, getij, hooge stand, vloed, stroom, loop der omstandigheden; — verb. met het getij een haven binnenvallen of verlaten, met tij zeilen of drijven: Outgoing — = ebbe; The — of fortune (success) was flowing = was met ons (hem, etc.); The — was going at a strong (great) rate = er liep een zwaar tij; We leave at the shifting of the — = bij het kenteren van het getij; We are sailing with the — = met den stroom; We could hardly stem the — = haast niet doodzeilen; He took fortune at the — = Took the — at the flood = smeedde het ijzer toen het heet was; We —d over those days = zijn gelukkig te boven gekomen; It remains to be seen whether you can — over the difficulties = of gij er u doorheen kunt slaan; —-gate = sluis v. een kanaal dat den invloed v. het tij ondervindt; —-gauge = peilschaal; —sman, —-surveyor = kommies te water; —-table = tafel der hoogwatergetijden; —-waiter = —sman; —-water = water dat den invloed van ebbe en vloed ondervindt; —-wave = vloedgolf; In the —-way = op stroom; —less = zonder tij.

Tidiness, taidinəs, subst. v. Tidy.

Tidings, taidiŋz, tijding, bericht: To bring (receive, send) —.

Tidy, taidi, netjes, proper, zindelijk; subst. gehaakt kleedje, anti-macassar, morsschortje; — verb. opruimen, in orde brengen, opknappen: It cost me a — penny = een mooien duit; I must — away all the memories of yore = moet verdrijven; To — up = zich opknappen.

Tie, tai, subst. band, knoop, haarband, gelijk aantal punten, onbesliste wedstrijd, gelijk aantal stemmen, verbindingsbalk, verbindingsteeken, strikje; — verb. binden, verbinden, onderbinden, knoopen, beperken, precies gelijk zijn (bij een wedstrijd): White evening — = strikje; Final — = eindwedstrijd; The —s of friendship, love, kindred = banden van vriendschap, liefde, bloedverwantschap; He is a — on me = is mij tot last, bindt mij de handen; To do up one’s — = (hals)strikje knoopen; This poet scores a — with Tennyson in the collection = van beiden zijn evenveel stukken opgenomen; To — a knot = een knoop leggen; I am —d down to my work = gebonden aan; — it in a bow = maak er een strik van; I have —d it up = heb het dicht gebonden; She —d up her money that her husband could not get at it = zij zette haar geld vast.

Tier, tîə, reeks, rij, rang; — verb. in rijen rangschikken: The cells were built in —s, one over the other.

Tierce, tîəs, maat, gewicht (Zie Terce); volgkaarten, terts, drielingsbalk (Herald).

Tiercel, tîəs’l, mannetjesvalk.

Tiercet, tîəsət, tɐ̂sət, terzet, drieregelig gedicht.

Tiff, tif, subst. booze bui, kleine ruzie; slokje: She was in a — = had eene kwade bui; The two lovers have had a — = hebben standjes gehad; To take — = zich beleedigd gevoelen; She is a little —ed, and thinks we have treated her ill = boos; —ish = prikkelbaar.

Tiffany, tifəni, dun zijden gaas.

Tiffin, tifin, lunch of kleine maaltijd.

Tig, tig, vangspelletje (met tikjes).

Tiger, taigə, tijger, opsnijer, livreiknecht(je); extra luid applaus (Amer.): Three cheers and a —; They were fighting the — = zij waren aan het dobbelen (Am.); —-cat = tijgerkat; —-lily = tijgerlelie; —-spotted = getijgerd; —-wood = tijgerhout; Tig(e)rish = tijgerachtig; opsnijerig.

Tight, tait, (lucht)dicht, strak, dicht, nauwsluitend, sterk, goedgebouwd, keurig, net, hevig, benauwd, schaarsch, gierig, dronken; (—s = nauwsluitend tricot, zooals van acrobaten, etc.; spanbroek): — as a drum = smoordronken; Money is — = ’t geld is krap; That’s an uncommonly — fit = dat sluit zeer nauw, dat moet er buitengewoon precies ingepakt worden, dat kan er nauwelijks in; I found myself in a very — place = benarde positie; The — and the slack rope = het gespannen en het slappe koord; He keeps his children — = kort; proper; Everything on the deck was set — = vastgezet, vastgesjord; Sit — = houd je vast; Air-— = luchtdicht; —-fisted = gierig; —-fitting = nauwsluitend; —-laced = bekrompen; Tighten = aanhalen, spannen, zich samentrekken; Tightness = dichtheid, etc.

Tigress, taigrəs, tijgerin.

Tigris, taigris, Tiger.

Tigrish, taigriš = Tigerish.

Tilbury, tilbəri, tilbury.

Tile, tail, subst. (dak)pan, aarden deksel, hoed, deur v. eene vrijmetselaarsloge; — verb. met pannen dekken, zorgen dat geene oningewijden binnenkomen: Ridge —s = vorstpannen; He has a — loose (off) = het mankeert hem in zijn bovenste verdieping; We are —d = de loge is gedekt, we zijn onder ons = This is a —d meeting; —-burner = pannenbakker; —-drain = afvoerbuis; —-kiln = pannenbakkersoven; —-work(s) = pannenbakkerij; —r = pannendekker, dekker van de loge (vrijmetselaars); —ry = pannenbakkerij.

Tilia, tiliə, linde(boom); Tiliaceous, tilieišəs, gelijkende op of verwant met de —.

Till, til, lade, winkellade.

Till, til, beploegen, bebouwen; —able = bebouwbaar; —age, tilidž, akkerbouw; —er = akkerman, boer.

Till, til, tot, tot aan (alléén van tijd): It is not more than two hours — dinner time = vóór; He did not come home — five = eerst om vijf uur; — now = tot nu toe; — then = tot dien tijd toe.

Tiller, tilə, subst. handvat, roerpen, helm(stok), schoot, uitlooper, jonge tak; — verb. uitloopen, nieuwe takken krijgen; —-chain = stuurketting; —-rope = stuurtouw, stuurreep. Zie Till.

Tilt, tilt, subst. tent, huif, zonnetent, dekzeil; steekspel (= —s), smeehamer, vooroverhelling (van vaten); — verb. met een tent of een zeil bedekken, met een lans stooten, naar een ring steken, eene lans breken, vechten (voor), overhellen (van vaten), scheef staan, kenteren, hameren, wiegelen of dansen (op de golven): He ran full — at his enemy = liep met alle kracht (pardoes) aan op; He sat —ing his chair = zat te wiegelen met; He —ed himself on tiptoe = ging op de teenen staan; To — at windmills = vechten tegen; The hat was —ed over her ear = stond op haar ééne oor; —-boat = tentboot; —-cart = kipkar; —-hammer = smeehamer; —-roof = koepeldak; —-waggon = met een kap bedekte wagon; —-yard = tournooiveld; —ing-competition = ringsteken.

Tilth, tilth: The land is in good — = goed bebouwd.

Tim, tim, verk. van Timothy.

Timbal, timb’l; Zie Tymbal.

Timber, timbə, subst. timmerhout, boomstam, boomen, bouwmateriaal, hout, spant, barrière, woud (Amer.); adj. houten; — verb. met hout beschieten, van hout bouwen: Shiver my —s = de drommel hale mij; He had a well-—ed frame = goed gebouwd en krachtig lichaam; —-forest = hoogstammig woud; —-lesson = het afranselen en uit de stad jagen van vagebonden (Amer.); —-merchant = houtkooper; —-ship = houtschip; —-trade = houthandel; —-tree = boom die timmerhout oplevert; —-work = houtwerk, timmerwerk; —-yard = houtstek, houtloods; —ed = van hout gemaakt, met hout beschoten, bedekt met boomen voor timmerhout, massief, krachtig.

Timbre, timbə, timbre.

Timbrel, timbr’l, soort van tamboerijn.

Time, taim, subst. tijd, duur, keer, maat, tempo, gelegenheid; — verb. in verband met den tijd inrichten of regelen, op het juiste oogenblik doen, de maat aangeven, den tijd bepalen voor, overeenstemmen, maat houden, etc.: He who gains —, gains everything = tijd gewonnen, alles gewonnen; Take — while — serves = gebruik uw tijd goed; — and straw make medlars ripe = de tijd baart rozen; — is money; — enough always proves little enough = menschen, die den tijd hebben komen altijd tijd te kort; — and the hour runs through the roughest day = aan den zwaarsten dag komt eenmaal een einde; — and tide wait for no man = de tijd schikt zich niet naar ons, wij moeten ons naar den tijd schikken; — was, when … = er was een tijd, dat; What — is it? = What is the —? = hoe laat is het? Then is the — to show your talents = dan is het tijd; — is up! = het is tijd, de tijd is om; In course of — = mettertijd; That is quite a length of — = dat is een heele tijd; He did it in the right nick of — = te juister tijd; — and again = telkens weer; In —s to come = in de toekomst; From —s immemorial = sedert onheugelijke tijden; I have known him — out of mind = ik ken hem ik weet niet hoe lang al; Apparent, Solar — = zonnetijd; Sidereal — = sterrentijd; Greenwich — = tijd volgens den meridiaan van Gr.; It is close — = gesloten jachttijd; In the day — = over dag; I received your favour in due — = uwe letteren te bestemder tijd; It’s a dull — = een saaie, slappe tijd; We had a good (fine) — = hebben ons uitstekend geamuseerd; He came here in good — = op het juiste oogenblik; Do everything in good — = op zijn tijd; We hope to marry in good — = als de omstandigheden gunstig zijn; Lost — is never found again = verloren tijd keert nimmer weer; Many a — and oft = herhaalde malen; The mean — = middelbare tijd; In the mean — = middelerwijl; There is no — like the present = stel niet uit wat ge heden kunt doen; begin dadelijk; He did it in less than no — = in een ommezien; The good old —s = de goeie oude tijd; I shall do it in proper — = te bekwamer tijd; To march at quick (double quick) — = in versnelden pas (met den looppas); I saw him a short — since = kort geleden; Have you got the true —? = weet je precies hoe laat of het is; — after — = keer op keer; To walk (work, write) against — = op tijd loopen (sport); zoo hard mogelijk loopen, werken, schrijven; To talk against — = zoo snel mogelijk praten om tijd te winnen, of verlegenheid te verbergen; At —s = nu en dan; Two at a — = twee tegelijk; At my — of day = op mijn leeftijd; At the — of his death = ten tijde dat hij stierf; At one — you told me so = eens; I’ll see you at one — or other = kom je te eeniger tijd bezoeken; It is foolish to complain at this — of day = thans nog; A bit behind (before) your — = te laat, (te vroeg); We shall have the sum by that — = tegen dien tijd; You ought to be ready by this — = thans; I stop(ped) for the — being = voor het oogenblik (destijds); I have not seen you for a long — = in lang niet; He lived here for a — = een tijdje; You had better repent in — = bijtijds, voordat het te laat is; Your remark is out of — = te onpas; You are out of — = uit de maat; He was knocked out of — = zoo geslagen, dat hij zijn bekomst had; The train ran to —, arrived to — = was precies op tijd; Up to this — he paid regularly = tot hiertoe; Once upon a — there was = er was er eens; An orchestral conductor has to beat — = moet de maat slaan; He has husbanded (out) his — = zijn tijd zuinig besteed; You must improve the — = zoo goed mogelijk besteden; You don’t keep — = bent uit de maat; I wish to kill (the) —, for — hangs heavy on my hands = den tijd te korten, die mij lang valt; He knows the — of day = weet hoe laat het is (fig.); I shall not lose — to visit you = zal u spoedig komen bezoeken; That will take up a good deal of — = heel wat tijd kosten; He took present — by the top = greep de gelegenheid aan; Will you allow me to — myself? = mag ik eens op mijn horloge kijken (om te zien hoe lang ik noodig heb gehad of hier geweest ben); The train is —d to reach L. at 8 = moet om 8 uur te L. zijn; The visit was —d at an inopportune moment = het bezoek kwam zeer ongelegen; It was an ill-—d thought = eene op dat oogenblik ongelukkige gedachte; —-bargain = tijdhandel, contract op levering; —-bill = dienstregeling; —-cribbing = onwettig overwerk; —-expired = zijn tijd uitgediend; —-freight = ijlgoed; —-glass, Glass of — = tijglas, zandlooper; —-honoured = achtenswaardig: A —-honoured usage = eene eerbiedwaardige gewoonte; —-keeper = chronometer, metronoom; scheidsrechter, iem. die de tijden aangeeft (Sport); controleur; —-lock = slot dat slechts op bepaalde tijden kan worden geopend; —-piece = uurwerk, chronometer; —-pleaser = iemand, die de huik naar den wind hangt = —-server; —-serving, subst. het huilen met de wolven; adj. zich schikkend naar de heerschende opinie; —-table = dienstregeling, spoorboekje, lesrooster, leerplan; —-worn = versleten; —ful = gepast, tijdig, vroeg; —less = ontijdig; eindeloos, eeuwig; —liness, subst. v. —ly = tijdig, vroeg: A —ly remark = eene te juister tijd gemaakte opmerking.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings