← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

F.

Reading edition

F. ef, F sharp = fis (muz.); Fahrenheit; fellow; f. = farthing, feet, feminine, folio, foot; F. A. = F(ootball) A(ssociation); f. a. a. = f(ree) of a(ll) a(verage); Fahr. = Fahrenheit; F. A. S. = F(ellow) of the A(ntiquarian) S(ociety); F. A. S. = Fellow of the Society of Arts; F. B. S. = F(ellow) of the B(otanical) S(ociety); F(ree) C(hurch of Scotland); Fcp = foolscap; F(idei) D(efensor) = Verdediger des Geloofs; Feb(ruary); Fem(inine); ff = fortissimo; F(ellow) G(eological) S(ociety) (ook Geographical); Fig(ure); Fl(orin); F(oo)lsc(a)p; F(atho)m; F. M. = F(ield)-M(arshal); F. O. = F(ield)-O(fficer); F. o. b. = f(ree) o(n) b(oard); Fol(io); Fra(ncis); F(ellow) R(oyal) A(cademy); F.R.A.S. = F(ellow) of the R(oyal) A(siatic) (Astronomical) S(ociety); F. R. C. P. = F(ellow) of the R(oyal) S(ociety) of P(hysicians); F. R. C. S. = F(ellow) of the R(oyal) C(ollege) of S(urgeons); F(ellow) S(ociety) A(rts) (of Antiquaries); Ft = fort; ft = foot, feet; F. T. C. D. = F(ellow) of T(rinity) C(ollege), D(ublin); F. W. = F(resh) W(aterline) = een der Plimsoll merken op schepen; F. Z. S. = F(ellow) of the Z(oological) S(ociety).

Fa, fâ, fa.

Fabaceous, fəbeišes, boonachtig, boon - -.

Fabian, feibj’n, Fabisch, talmend, traag: — Society = een soc. pol. vereeniging te Londen, opgericht in 1884, die ook landnationalisatie beoogt.

Fable, feib’l, subst. fabel, verdichtsel, vertelseltje, praatje; — verb. fabelen schrijven, leugens vertellen; —d animals = in fabels besproken, alléén in de verdichting bestaande; —r = fabeldichter.

Fabliau, fâbliou, Oud-Fransche berijmde vertelling (12e en 13e eeuw).

Fabric, fabrik, subst. bouw, structuur, weefsel, maaksel, gebouw, stof, fabrikaat; —ate, fabrikeit, bouwen, maken, vervaardigen, samenstellen, fabriceeren, bedenken, verzinnen, vervalschen; subst. —ation; —ator = hij die vervaardigt, enz.

Fabulist, fabjulist, fabeldichter; verb. Fabulize; Fabulous, fabjulɐs, verdicht, fabelachtig, ongeloofwaardig, rijk aan fabelen: — age = vóórhistorische tijd; subst. —ness = Fabulosity = fabelachtigheid.

Facade, fəsâd, fəseid, vóórgevel, vóórzijde.

Face, feis, subst. gelaat, gezicht, uiterlijk, driestheid, onbeschaamdheid, aangezicht (fig.), redactie, voorkant, wijzerplaat, vlak, façade; — verb. het gezicht toekeeren, staan (zitten, gelegen zijn, zich bevinden) tegenover, te gemoet treden, omkeeren met de voorzijde naar boven, weerstand bieden, aanvaarden, bekleeden aan de voorzijde, omzoomen, omboorden, zich wenden naar: — of a coin = beeldzijde; In the — of day = op klaarlichten dag; The —s of a square = de zijden van een carré; This is unpardonable in — of the facts = met het oog op de feiten; He did it in — of all that is honourable and just = in strijd met al wat eervol en rechtvaardig is; On the — of it = op ’t eerste gezicht; To be — to — = tegenover elkaar staan; To fly in the — of danger = tegemoet snellen; I laughed in his — = in zijn gezicht; I will say so before his —, in his — = waar hij bij is; She said it with a little — = ietwat brutaal; I could not see my hand before my — = geen hand voor oogen; He told it me to the — = vlak in ’t gezicht; The King accepted the poor supplicant’s — = trok zich den armen smeekeling aan, stond zijn verzoek toe; He cut a queer — = trok een raar gezicht; He entreated (sought) the King’s — = ’s konings gunst; He has his — at his command = hij heeft zijn gelaat in zijn macht; Everything has two —s = men kan alles van twee kanten beschouwen; He made (pulled) a long — = trok een lang gezicht (fig.); He made a wry — = trok een zuur gezicht; She can make all kinds of —s = allerlei gezichten trekken; I’ll put a good — on it = het van den besten kant beschouwen; He set his — against his father’s will = hij weerstreefde zijn vader; Left —! Right —! = links-, rechtsom; Right about —! = rechtsomkeert; He —d the card = hij keerde om; He —d the consequences = aanvaardde; To — the enemy = het hoofd bieden; The country-seat —s the high-road = staat met de voorzijde naar; To — the music = de moeielijkheid moedig onder de oogen zien; The room —s South-east = ligt op; It was more than my heart could — = verdragen, weerstaan; To — about = zich omkeeren; He —d his men down = overblufte; He wanted to — me down = hij wou mij door onbeschaamdheid den blik doen neerslaan; He —d it out = hij hield het brutaal vol; —-ache, feiseik, —-ague, feiseigju, aangezichtspijn; — and hood = driekleurig viooltje; —-card = heer, vrouw of boer (in ’t kaartspel); —-cloth = doek (ter bedekking van het gelaat) van een doode; —-guard = masker; —r = slag in ’t gezicht, teleurstelling.

Facet, fasət, facet; — verb. met facetten slijpen.

Facetiae, fəsîši-î, fijne, geestige zetten, humorist. lectuur; Facetious, fəsîšəs, grappig, boertig: subst. —ness.

Facial, feiš’l, tot het gelaat behoorend: — angle = gelaatshoek; — contractions = gelaatsverwringingen.

Facile, fasil, gemakkelijk, gedwee, gewillig, vlug, lichtgeloovig, licht over te halen, meegaande, vriendelijk, minzaam: He wields a — pen = een vlugge pen; Facilitate, fəsiliteit, vergemakkelijken, verlichten; subst. Facilitation; Facilities, fəsilitiz, gemakken, voordeelen; Facility, fəsiliti, gemakkelijkheid, handigheid, meegaandheid, genaakbaarheid, minzaamheid.

Facing, feisiŋ, subst. boordsel, opslag, tressen, bekleeding van talud, wending, zwenking (Mil.): — of tea = thee kleuren ter vervalsching.

Facsimile, faksimili, subst. facsimile; — verb. eene juiste nabootsing geven van.

Fact, fakt, daad, feit, werkelijkheid: In — = inderdaad, feitelijk.

Faction, fakš’n, (politieke) partij, oneenigheid, onrust, tumult, opstand; —ist = raddraaier, oproermaker; Factious, fakšəs, partijzuchtig, oproerig, muitend; subst. —ness.

Factitious, faktišəs, kunstmatig, nagebootst, onecht, conventioneel.

Factitive, faktitiv, causatief: — object, zooals b.v. het woord duke in: The queen made him a duke.

Factor, faktə, agent, facteur, factor; —age, faktəridž, commissieloon; —ship = beroep v. factor; Factory, faktəri, fabriek, faktorij: Factories and Workshops Acts = arbeidswetten; Factory hand = fabrieksarbeider.

Factotum, faktout’m, factotum, duivelstoejager.

Facultative, fakəltətiv, rechtgevend, naar believen, facultatief; Faculty, fak’lti, bekwaamheid, vermogen, gave, talent, zin, bevoegdheid, dispensatierecht, faculteit: The — = medische faculteit, de medici.

Fad, fad, liefhebberij, stokpaardje, gril; —dish = grillig; —dist = iemand, die er allerlei dwaze stokpaardjes en meeningen op nahoudt; —dy = vol fads.

Faddle, fad’l, beuzelen.

Fade, feid, adj. zwak, mat, kleurloos; — verb. verwelken, verkleuren, verschieten, verdwijnen; Fadingness = vergankelijkheid.

F(a)ecal, fîk’l, tot faeces behoorende of die bevattende; F(a)eces, fîsîz, faecaliën, bezinksel.

Fag, fag, subst. werkezel; groen; een “pluk”, een “toer”; — verb. zich afsloven, zich afmatten, groen loopen; afmatten, als werkezel gebruiken: —ged out = doodop; —-end = zelfkant, rafeleind, uitgerafeld stuk, eindje, slot.

Fa(g)got, fagət, subst. takkebos, bundel (of iron, steel), brandstapel; oud gerimpeld vrouwspersoon, lummel; — verb. samenbinden; To smell of the — = naar den mutsaard rieken; —-voting, bestond hierin, dat grondbezitters nominaal stukken land aan pachters overdeden, die dientengevolge als grondbezitters ook mochten stemmen.

Fagin, feigin.

Fagotto, fagotou, fagot.

Fail, feil, achteruitgaan, ontbreken, gebrek hebben aan, ophouden, verloren gaan, uitblijven, uitdrogen, mislukken, niet opkomen, afnemen, verzwakken, in den steek laten, zijn doel missen, misgaan, falen, nalatig zijn, failleeren of bankroet gaan, verlaten, teleurstellen; ook subst.: His heart —ed him = zijn moed begaf hem; He —ed to do it = slaagde niet; They —ed to do him justice = bleven in gebreke; He —ed in his usual alacrity (animation) = het ontbrak hem; He has —ed of his ambitions = zijn illusies (wenschen) zijn niet verwezenlijkt; This work cannot — of popularity = moet wel in den smaak vallen; Without — = zonder mankeeren, zeker; —ing, subst. gebrek, zwak; adj. ontbrekend, achteruitgaand, begevend, etc.; prep. bij gebrek van: A never — topic of conversation = waarover men nooit raakt uitgepraat; Failure = gebrek, slechte uitslag, gemis, mislukking, misgewas, verval, achteruitgang, bankroet.

Fain, fein, gaarne, blij, geneigd, begeerig, genoodzaakt: He was — to eat black bread = hij was blij met (hij moest wel eten) roggebrood; — to gain it = verlangend; He would — = hij wou graag (liefst); — of = blij met.

Faint, feint, adj. zwak, verzwakt, uitgeput, flauw, bedwelmend, zwoel, drukkend, terneergeslagen; subst. flauwte, onmacht; — verb. flauw vallen (away), afnemen, zwakker worden: — heart never won fair lady = die niet waagt, die niet wint; — at heart = bevreesd; I have not the —est idea of it = er geen flauw begrip van; The book was killed with — praise = werd totaal vermoord door zwakke aanprijzing (die met veroordeeling gelijk stond); A — sound = zwak, dof; — with hunger, thirst = flauw, uitgeput van; —hearted = moedeloos, flauwhartig; subst. —-heartedness; —ing = flauwte, bezwijming: In a —ing fit = in een aanval van flauwte; —ish = zwakkelijk; subst. —ishness; —ness = zwakte, moedeloosheid, onduidelijkheid.

Fair, fêə, subst. jaarmarkt, kermis; Fancy — = liefdadigheidsbazaar; —ing = kermisgeschenk.

Fair, fêə, schoon, fraai, rein, vlekkeloos, ongerept, helder, duidelijk, blond, blank, ongehinderd, vrij, gunstig, behoorlijk, billijk, rechtvaardig, eerlijk, oprecht, zacht, vriendelijk: The — (sex) = het schoone geslacht; She has a — knowledge of English = behoorlijke, flinke; — play is a jewel = eerlijk duurt het langst; That is not — play = niet eerlijk en rond; To see — play = zorgen dat iets eerlijk toegaat; — trade = beschermde handel; He is in a — way to succeed = mooi op weg; — words butter no parsnips = praatjes vullen geen gaatjes; — and square = eerlijk, rond, oprecht; — and softly = zoetjes aan; He bids — to get the place = zijne kansen staan goed; He carried it — towards them in public = deed zich mooi voor; —ly = vrijwel; geheel en al, volstrekt, werkelijk: The book is going on —ly, sells —ly well = gaat vrij goed van de hand; —-faced = met mooi gelaat; mooie praatjes makend; —-minded = oprecht; —-spoken = innemend, hoffelijk; His —-weather friends = vr. in voorspoed; —ish = lief, tamelijk goed (mooi, etc.); vrij wel; —ness = schoonheid, ongereptheid, blondheid, oprechtheid, billijkheid, duidelijkheid, etc.

Fairway, fêəwei, vaarwater.

Fairbairn, fêəbən; Fairfax, fêəfaks.

Fairy, fêri, subst. fee, toovenares; adj. feeachtig: — circle (— green, — ring) = kring (groener dan de omgeving) in ’t grasveld, die naar ’t volksgeloof door het dansen der feeën ontstaan is; — fingers, — glove = vingerhoedskruid; —land = feeënland; —-like = als een fee; —-tale = sprookje.

Faith, feith, geloof, vertrouwen, trouw, belofte, eerewoord: (In) —, he did it = eerlijk (waarachtig), hij deed het; In good — = te goeder trouw; The — = de Christel. godsdienst; A breach of — = trouwbreuk; To keep — with = zijn woord houden jegens; To put — in = geloof hechten aan; —ful = geloovig, trouw, eerlijk, geloofwaardig: The —ful = de geloovigen; —fully: Yours —fully = uw dienstwillige; subst. —fulness; —less = ongeloovig, trouweloos; subst. —lessness; —worthy = be- of vertrouwbaar.

Faix, feiks, op mijn woord, waarachtig.

Fake, feik, oplappen, opknappen (met het oog op bedrog), stelen; bedriegen; opschieten (zeeterm); subst. bocht, slag, bedrog: The old horse was —d up for work again = werd weer opgelapt voor ’t werk; —ment = zwendel, diefstal, knoeiwerk; —r = bedrieger, zwendelaar, zakkenroller.

Fakir, fəkîə, feikîə, fakir, Brit. Ind. bedelmonnik.

Falcate(d), falkeit(id), sikkelvormig; subst. Falcation.

Falchion, fôlš’n, kort licht gekromd en breed zwaard.

Falciform, falsiföm, sikkelvormig.

Falcon, fô(l)k’n, falk’n, valk; falkonet (kanonnetje); —er = valkenier; —et = falkonet, smelleken; —ry = valkendressuur, valkenjacht.

Falderals, faldəralz, snuisterijen, snorrepijperijen.

Faldstool, fôldstûl, vouwstoel; bisschopsstoel (bij het altaar), stoel (aan de zuidzijde van het altaar) waarbij de Engelsche vorsten bij de kroning knielen; lezenaar (in de kerk).

Falernian, fəlɐ̂nj’n, subst. en adj. (wijn) van Falernus.

Falkirk, falkɐ̂k, fôlkɐ̂k, fôkɐ̂k; Falkland, fôklənd.

Fall, fôl, subst. val, het vallen, daling, neerdaling, ineenstorting, dood, ondergang, helling, waterval, uitwatering, herfst (Amer.), cadans, val (zeeterm); — verb. vallen, zich uitstorten, instorten, afvallen, sneuvelen, betrekken, zondigen, dalen, verminderen, vervallen, neerkomen, aanvallen, te beurt vallen, gebeuren, geworpen worden, enz.: The — = zondenval; They tried a — (with each other) = worstelden samen; There was a general — of jaws = zij trokken allen lange gezichten; He came here in the — = in den herfst; A — overcoat = demisaison; — aboard = aanvaren, aanklampen, aanpakken; To — astern = achterblijven, zakken (van schepen); To — dead from the press = doodgezwegen worden; The wind fell a dead calm = het werd bladstil; To — flat = mislukken; de uitwerking missen; To — foul of = aanzeilen; aangrijpen, slaags raken met; stooten op; He fell from grace = verviel tot zonde; He fell in love = werd verliefd; To — ill = ziek worden; To — short = te kort schieten, niet voldoende zijn, niet beantwoorden aan (of); To — together = elkaar ontmoeten; To — to pieces = in stukken vallen; To — to the rear = wijken; To — among friends = toevallig raken onder, ontmoeten; To — away = mager worden, tot slechtheid vervallen; To — away from = afvallig worden; He fell along = viel neer zoo lang als hij was; To — back = wijken, terug krabbelen; To — back upon = terugkomen op (eene bewering of argument), steun vinden of zoeken bij, in geval van nood; To — behind = achterblijven, zakken; His face had —en in = ingevallen, mager geworden; To — in = invallen, vervallen, aantreden, aansluiten; The lease will — in on the first = het huurcontract vervalt; To — headlong into the water = voorover, hals over kop; I fell in with his plans = keurde.. goed en deed overeenkomstig; That fell in with my temper = kwam overeen met; We fell in with each other = troffen elkander; To — off = afvallen; verminderen, afnemen; He fell on (to) his knees; To — out = uitvallen, oneenigheid, ruzie krijgen, de gelederen verlaten; It fell out that … = het gebeurde, dat; To — through = in duigen vallen; I advise you to — to = ik raad u, om toe te tasten, aan te vallen; It fell to me, my lot, my share = viel mij te beurt; The dogs fell to biting = begonnen; The legacy fell to us = viel ons ten deel; To — upon (on) the ear = treffen; To — upon = aanvallen; The war fell within this year = had plaats; —ing-away = wegvallen, uitvallen, vermagering, afvalligheid, ontrouw; —ing-off = vermindering, achteruitgang; —ing-sickness = vallende ziekte; —ing-star = vallende ster; —ing-stone = meteoorsteen; —-trap = valdeur, valluik.

Fallacious, fəleišəs, bedriegelijk, sophistisch; subst. —ness; Fallacy, faləsi, bedrog, vergissing, dwaalbegrip, drogrede.

Fallals, falalz, falalz, prullen, nietigheden.

Fallibility, falibiliti, feilbaarheid; adj. Fallible.

Fallow, falou, vaalrood, vaalgeel, onbebouwd, braak, verwaarloosd; subst. braakland, braak; — verb. braak laten liggen: He had to rest and lie — = en mocht geen werk doen; —-crop = oogst van braakland; —-deer = damhert; —-finch = tapuit.

Falmouth, falməth.

False, fôls, adj. valsch, onwaar, ongegrond, bedriegelijk, onjuist, onecht, vervalscht, blind, ondergeschoven: To play — = valsch spelen, bedriegen; If my memory does not play me — = mij niet bedriegt; He sails under — colours = hij zeilt onder valsche vlag; —-face = masker; —-faced = huichelachtig; — fire = valsch signaalvuur (om den vijand te misleiden); —-hearted = trouweloos; subst. —-heartedness; —hood = valschheid, leugen, bedrog; —ness = valschheid; Falsification = vervalsching, weerlegging; Falsifier = vervalscher, valsche munter; Falsify, fôlsifai, vervalschen, schenden, weerleggen, de onjuistheid bewijzen; Falsity, fôlsiti, valschheid, onjuistheid.

Falsette, fôlset; falsetto, fôlsetou, faucet-stem.

Falstaff, fôlstâf.

Falter, fôltə, stamelen, stotteren, weifelen, wankelen: — out = uitstamelen; I —ed from my vow = werd ontrouw aan.

Fame, feim, gerucht, faam, roem, vermaardheid: Houses of ill-— = bordeelen; —d = beroemd.

Familiar, fəmiljə, gemeenzaam, huiselijk, intiem, minzaam, ongedwongen; subst. vertrouwde vriend, goede kennis, huisgeest: “But” is the sceptic’s — = het woordje “But” heeft de twijfelaar steeds in den mond; —ity, familjariti, gemeenzaamheid, nauwkeurige bekendheid, minzaamheid: (Too great) —ity breeds contempt = van (al te groote) gemeenzaamheid komt verachting; —ities = vrijheden; Familiarize = gemeenzaam maken, gewennen; Family, famili, huisgezin, (vrouw en) kinderen, familie, geslacht, groep: Mr. W’s — = de fam. W.; —-man = huisvader; —-medicine = huismiddeltje; —-tree = stamboom; —-way: His wife is in the —-way = in gezegende omstandigheden.

Famine, famin, hongersnood, schaarschte, gebrek; Famish, famiš, uithongeren, verhongeren, versmachten.

Famous, feiməs, beroemd, vermaard, berucht; subst. —ness.

Famulist, famjulist, student van ondergeschikten rang aan de universiteit te Oxford.

Fan, fan, subst. waaier, wan, blaasbalg, prikkel; — verb. koelte toewaaien, wannen, aanzetten, aanwakkeren: He —ned the racial hatred = wakkerde aan; —-light = halfronde lichtschepping boven eene huisdeur; —-tail = duif, met waaiervormigen staart, vleermuis (gasbrander); kap met verlengstuk van kolendragers; —ning-machine, faniŋməšîn, —ning-mill = builmolen, wanmachine.

Fanal, fənal, fənâl, fein’l, lichttoren, lichttoestel.

Fanatic, fənatik, adj. dweepziek; subst. dweper; —al = fanatiek; —ism = fanatisme.

Fancier, fansiə, kweeker, liefhebber (van vogels, enz.). Fanciful, fansiful, hersenschimmig, ingebeeld, grillig, phantastisch; subst. —ness; Fancy, fansi, subst. verbeelding, fantasie, verbeeldingskracht, gril, lust, smaak, voorliefde, liefhebberij; adj. ingebeeld, overdreven, elegant, mode - -, phantasie..; — verb. zich verbeelden, zich voorstellen, eene voorliefde opvatten voor, aangenaam vinden; lusten: The — = in ’t algemeen sportmenschen, vooral worstelaars, hondenliefhebbers, etc.; He took a — to it = hij kreeg er zin in; Only — = stel je voor; If you — the idea, I will act accordingly = als het denkbeeld bijval bij u vindt; Is there nothing, that you can —? = is er niets, dat u bevalt, dat ge lust? —-articles, —-goods = weelde-artikelen; —-ball = gecostumeerd bal = —-dress ball; —-fair = liefdadigheidsbazaar; —-goods = galanterieën; —-man = souteneur; — price = bespottelijk hooge prijs; —-shop = galanteriewinkel; —-sick = eenigszins getroubleerd van geest; —-skater = kunstschaatsenrijder; —-stationer = verkooper van luxepostp., galanterieën, enz.; —-work = handwerkje.

Fandango, f’ndaŋgou, Spaansche dans.

Fane, fein, tempel, heilige plaats; weêrhaan.

Fanfare, fanfêə, fanfêə, fanfare, pocherij.

Fanfaron, fanfəron, snoever; —ade, fanfərəneid, snorkerij, gebluf.

Fang, faŋ, slagtand, gifttand, klauw; —less = zonder klauwen, etc.

Fanion, fanj’n, klein vlaggetje.

Fannel, fan’l. Zie Fanon.

Fanny, fani.

Fanon, fanən, zijden vierkleurige schouderdoek, welke na het cingulum (sjerp) over de alb wordt gelegd, een speciaal pauselijk gewaad bij kerkdiensten; manipel; witgedekte tafel waarop de offeranden voor de mis worden geplaatst.

Fantasia, fəntâzia, fantəzîa; muzikale fantasie; Fantastic (= —al), fəntastik(’l), fantastisch, grillig; subst. phantast; —ness; Fantasy, fantəsi. Z. Fancy.

Fan-tods, fantodz, landerigheid: I got the — = het begon me te vervelen, ik kreeg het land.

Fantoccini, fantoutšîni, marionetten-theater.

Far, fâ, ver, afgelegen, zeer, groot: That does not go very — = daar komen we niet ver mee; This cocoa is best and goes —thest = en is het voordeeligst in het gebruik; We had to go —-about = een heelen omweg maken; —-away = ver weg, verstrooid; To reach — back into antiquity = ver teruggaan; — and away = verreweg; — and near, — and wide = heinde en ver, overal; Few and — between = zelden voorkomend; —-fetched = vergehaald, vergezocht; — forth = heel ver; In the —-gone = in ouden tijd; He is —-gone in that science = heeft het een heel eind gebracht in; — gone in love = tot over de ooren verliefd; — gone in drink, consumption = erg dronken, in een ver stadium van tering; — in with = zeer intiem met; —most = verst; —-off = op een grooten afstand; wezenloos, starend; — other = heel anders; You are — out = hebt het heelemaal mis; —-reaching = ver-reikend; —-sighted = verziende, omzichtig; subst. —-sightedness; — West = het gedeelte der Unie ten W. van den Mississippi; By — = verreweg; So — as I am concerned = wat mij aangaat; So — so good = tot hiertoe is het in orde.

Faradization, farəd(a)izeiš’n, behandeling van ziekten door electrische stroomingen, ook: Faradism, naar Faraday genoemd; Faradize = electriseeren.

Farce, fâs, klucht, kort blijspel; Farcical, fâsik’l, kluchtig, grappig; subst. —ness.

Farcin, fâsin, Farcy, fâsi, ziekel. aandoening der lymphklieren bij paarden.

Fare, fêə, subst. voedsel, kost, gerecht, vracht, passagier; — verb. zich bevinden, varen, gaan, zich voeden: Half —s = halve of kinderkaarten; Regulation — = tarief; Bill of —s = tarief (in omnibus of huurrijtuig); Bill of — = menu, spijskaart; — you well = vaarwel; —-meter (for cabs) = taxometer; Farewell, fêəwel, subst. afscheid, vaarwel: He bade — to his country = zeide vaarwel; adj. afscheids … (fêəwel): A — address = afscheidsrede; interj. (fêəwel) vaarwel! adieu!

Farina, fərainə, fərînə, bloem van meel; zetmeel; Farinaceous, farineišəs, melig, meel bevattend: — food = meelkost; Farinose, farinous, meelhoudend, met meelachtig stof bedekt.

Farm, fâm, subst. boerderij, pachthoeve; — verb. pachten, verpachten, bebouwen, den landbouw uitoefenen, kinderen uitbesteden: This house was let to — = verhuurd; —-bailiff = rentmeester; —-crossing = (spoor)overweg bij een boerderij; —-dog = waakhond; —-hand = arbeider, knecht; —-house = boerenwoning; —-labourer = boerenarbeider; —-produce = landbouwproducten; —-stead(ing) = boerenplaats; —-yard = erf; —er = pachter, landman; —ery = boerenerf met huizen, schuren enz.; —ing, subst. landbouw; adj. landbouw …

Farnborough, fânbərou; Farne Islands, fân ailəndz; Farnham, fânəm.

Faro, fêrou, een hazardspel.

Faroe, fêrou: — Isles; Farquhar, fâkwâ, fâk(w)ə.

Farrago, fəreigou, mengelmoes.

Farrier, fariə, subst. hoefsmid, paardendokter; —y = hoefsmidsbedrijf, smederij.

Farrow, farou, subst. big, worp biggen; adj. gust (niet drachtig) van eene koe (Dial. en Amer.); — verb. biggen werpen.

Farther, fâdhə, Farthest, fâdhist, comp. en superl. van far; —-more = bovendien.

Farthing, fâdhiŋ, ¼ penny; —’s-worth = waarde van een farthing.

Farthingale, fâdhiŋgeil, soort hoepelrok (16de en 17de eeuw).

Fasces, fasîz, bundel, fasces (Oud-Rome): — of flowers.

Fascia, fašiə, band, gordel, vooruitstekende lijst, zwachtel; Fasciation, fašieiš’n, zwachtelen, verband; Fascicle, fasik’l, bundeltje, aflevering; Fascicular, fəsikjulə, Fasciculate(d) = tot een bundeltje vereenigd.

Fascinate, fasineit, betooveren, verrukken, bekoren, boeien; subst. Fascination.

Fascine, fəsîn, fascine, bundel rijshout voor milit. doeleinden.

Fash, faš, hinderen, plagen, lastig zijn (Dial.).

Fashion, faš’n, subst. fatsoen, aard, wijze, vorm, patroon, mode, trant, kleederdracht, chic, voornaamheid; — verb. vormen, fatsoeneeren, gepast maken voor: The — = de groote wereld; —s = de heerschende modedracht; After a —, In a — = tot op zekere hoogte; In the — = in de mode; —able = naar de mode, chic, beschaafd, welopgevoed; subst. —ableness; —ist = modegek; iemand, die aan den vorm hangt; —-monger = fat, modepop; —-sheet = modeplaat.

Fast, fâst, vast, onbewegelijk, bevestigd, gehecht, getrouw; snel, vóórloopend, vlug, los, geëmancipeerd; losbandig: My watch is — = vóór; You are a little — = je horloge gaat wat voor; You go too — = je oordeelt wat haastig; He plays — and loose with his principles = hij is niet beginselvast; He is as — asleep as a church = hij slaapt als een otter; — beside = vlak naast; — by = dichtbij; — colours = “waschecht”; — freight = ijlgoed; — friends = dikke vrienden; — man, woman = roué, wufte, geëmancipeerde vrouw; —-sailing = snelzeilend; — train = sneltrein; Fasten, fâs’n, vastmaken, bevestigen, sluiten, vestigen, opleggen, zich hechten of vastklemmen: He can — an article on any journal = kan … in ieder tijdschrift geplaatst krijgen; I have —ed a fib on him = ik heb hem wat wijs gemaakt; He —ed a quarrel on his opponent = zocht ruzie met; —er = knijpertje; —ing = slot, grendel, sluiting; Fastness = snelheid; losbandigheid, versterking, fort.

Fast, fâst, vasten; subst. vasten, vastentijd: I hope I shall — my illness off = ik hoop, dat ik door onthouding (vasten) er weer bovenop kom; I am obliged to — from reading = mij van lezen te onthouden, spenen; —-day = vastendag; —er = vaster.

Fasti, fastai, Romeinsche kalender of registers.

Fastidious, fəstidjəs, kieskeurig, moeilijk te voldoen; subst. —ness.

Fastigiate(d), fəstidžit(-eitid), naar boven spits toeloopend.

Fat, fat, vet, dik, vleezig, rijk, voedzaam; subst. vet, room, beste deel; — verb. mesten, vet worden: The — is in the fire = de poppen zijn aan ’t dansen, de heele boel is overhoop, vernield; There is plenty of — in that part = er zit een heele kluif aan die rol; To live on the — of the land = het vette der aarde genieten; —-brained, (—-headed, —-witted) = dom, suf; —-head = domkop; —-guts = dikzak; —ling = jong gemest dier; —ness = vetheid, vruchtbaarheid; —ten, fat’n, vet mesten, mesten, zich mesten, vet worden; —tiness = vetheid; —ty = vettig: —ty degeneration = vetziekte.

Fata Morgana, fâtəmögânə, Fata Morgana.

Fatal, feit’l, noodlottig, rampspoedig, onheilspellend, doodelijk; —ism = fatalisme; —ist = fatalist; adj. —istic; —ity, fətaliti, noodlottige gebeurtenis; Fatalities = ongelukken.

Fate, feit, noodlot, lot, dood: The —s = schikgodinnen; As sure as — = zoo zeker als wat; —d = voorbestemd; —ful = noodlottig.

Father, fâdhə, subst. vader, voorvader; — verb. aannemen (als kind), zich uitgeven voor den maker van, iemand iets op den hals schuiven: Adoptive — = aangenomen vader; Putative — = vermoedelijke vader; —s of the Church = Kerkvaders; Conscript —s = Romeinsche Senatoren; —-in-law = schoonvader, stiefvader; —-long-legs = langbeen (mug); He —s the works of others, and wishes to — his anonymous books on me = hij geeft zich voor den maker van de werken van anderen uit, en tracht mij voor den schrijver van zijne anonieme boeken te doen doorgaan; —hood = vaderschap; —land = vaderland: The —land = Duitschland; —liness = vaderliefde; —ly = vaderlijk; —ship.

Fathom, fadh’m, subst. vadem (1.828 M., of 6.1163 M3); — verb. vademen, omvatten, begrijpen, doorgronden; —-line = loodlijn; —less = ondoorgrondelijk, bodemloos.

Fatigue, fətîg, uitputting, vermoeienis, militaire corvée; — verb. afmatten, vermoeien, kwellen; —-cap = politiemuts; —-dress = corvée-tenue; —-duty = corvée (milit.); —-party = troep voor eene corvée.

Fatuity, fətjûiti, sulligheid, domheid; Fatuitous, fətjûitəs, Fatuous, fatjuəs, zwakhoofdig, ingebeeld: A — smile = idiote.

Faucal, fôk’l, strot - -, keel - -; Fauces, fôsîz, strot, achtergedeelte van den mond, besloten door de pharynx en de larynx.

Faucet, fôsət, tapkraan, tapbuis.

Faugh, fô, bah!

Faulkland, fôkl’nd.

Fault, fôlt, subst. fout, gebrek, feil, schuld, verlies van het spoor (jacht), afbreking (van eene mijnader); — verb. fouten maken: Whose — is it? wiens schuld is het? It is my —; He always finds — with me = hij heeft altijd wat op mij te zeggen; You like to find — = van klagen en pruttelen; The hounds were at — = het spoor bijster; If he is severe, his love of learning is in — = draagt zijne liefde voor de wetenschap de schuld; He is good to a — = hij is overdreven goed, doodgoed; He has —ed in several passages = fouten gemaakt; He is a regular —-finder = echte brompot; pruttelaar; —-finding = bedilziek; —iness = onnauwkeurigheid, gebrekkigheid; —less = onberispelijk; subst. —lessness; —y = gebrekkig, schuldig.

Faun, fôn, faun, boschgod.

Fauna, fônə, fauna.

Faustina, fôstainə; Faustus, fôstəs; Faversham, favəš’m.

Favour, feivə, subst. gunst, begunstiging, steun, beschermeling, vergiffenis, souvenir, roset, strikje, brief, gelaat; — verb. begunstigen, vriendelijk gezind zijn, gemakkelijk maken, vereeren, gelijken op: Orange —s = oranjestrikken; I received your — of the 1st inst. yesterday = uwe geëerde letteren van den eersten dezer; I have lost — in your eyes = ben bij u uit de gratie; By (with) your — = met uw verlof, welnemen; I have done it in your — = te uwen behoeve; To be in — with (out of —) = in (uit) de gunst zijn bij; A challenge to the — = het wraken van een jurylid, wegens veronderstelde partijdigheid; Under — of the night = begunstiging; —able = gunstig, genegen, bevorderlijk; subst. —ableness; —ed = begunstigd, lievelings …: Ill-—ed = met ongunstig uiterlijk; Well-—ed = met knap uiterlijk; —ite, feiv’rit, subst. gunsteling, favoriet (rensport); adj. lievelings …: That is my —ite dish, author = lievelingskost, lievelingsschrijver; —itism = stelsel v. begunstiging.

Favus, feivəs, besmettelijk hoofdzeer.

Fawkes, fôks.

Fawn, fôn, subst. jong hert (van ’t eerste jaar); — verb. jongen werpen; —-coloured = reekleurig.

Fawn, fôn, opspringen bij, likken, kruipen (v. honden), vleien, kruipen voor: He —ed (up)on the mighty.

Fay, fei, subst. fee.

Fay, fei, ten doode opgeschreven (Schot.).

Fay, fei, aan elkaar passen, nauwkeurig passen.

Faze, feiz, plagen, verschrikken (Amer.).

Feal, fîəl, trouw: — and leal = houw en trouw (Schot.); —ty = trouw aan leenheer, vorst of regeering.

Fear, fîə, subst. vrees, angst, ontzag, eerbied; — verb. vreezen, duchten, vermoeden: For — of = uit vrees voor; No — of that = geen vrees daarvoor; —ful (of) = angstig (voor), vreesachtig, vreeswekkend; subst. —fulness; —less = onbevreesd; subst. —lessness; —naught = —nought = dikke en ruige wollen stof, soort fries; —some = angstwekkend.

Feasibility, fîzibiliti, uitvoerbaarheid, mogelijkheid; adj. Feasible.

Feast, fîst, subst. feest, lekkernij, feest- of gastmaal; — verb. feestvieren, smullen, onthalen, zich verlustigen aan (on): Enough is as good as a feast = genoeg is overvloed; —-day = feestdag; —-rite = feestelijk gebruik.

Feat, fît, subst. daad, heldendaad, kunststukje, toer; adj. handig, vlug, bekwaam, netjes: — of juggling, goocheltoer; —ness = vlugheid.

Feather, fedhə, subst. veer, veder, pluim, vogels (sportt.), het door de riemen opgeworpen water; — verb. bevederen, met veeren bedekken of versieren, er als gevederte uitzien: Birds of a — flock together = soort zoekt soort: That’s a — in his cap = dat is een pluim, veer op zijne muts; She was in full — = in gala; had een gespekte beurs; You are in high — to-day = je bent erg in je “hum” vandaag; The ship cut a — = deed het schuim opspatten voor den boeg; To show the (a) white — = zich lafhartig toonen; It is but the turning of a — between you and him = haast geen onderscheid, verschil; His air of superiority inspired me with a desire to tar and — him = om hem eens flink zijn vet te geven (eig.: te teeren, en dan op de teer veeren te strooien); That man is —ing his nest = is bezig zijne schaapjes op het droge te brengen, voor zichzelf te zorgen; To — the oars = de riemen horizontaal over het water laten glijden; —-bed = veeren bed: —-bed conspirators = zoetsappige; —-boarding = planken beschieting (overnaads); —-brain = wuft persoontje; —-broom (—-brush) = plumeau; —-edge = scherpe kant van eene plank; —-flowers = kunstbloemen (vooral voor hoeden); —-grass = espartogras; —-headed = lichtzinnig, wuft; —-weight = kleinst mogelijk (precies) gewicht, lichtste belasting (bij een handicap); boxer van licht gewicht; —y = vederachtig, veeren - - -, met veeren bedekt.

Feature, fîtšə, fîtjə, gelaatstrek, trek, voorkomen, eigenaardig kenmerk, eigenaardigheid; bepaling (van een contract, etc.), rubriek; — verb. gelijken op: This house is the — of the street = het meest opvallende; Ill-(Well-)—d = leelijk (knap).

Feaze, fîz, ontrafelen (van touw).

Febrifugal, fibrifjug’l, febrifjûg’l, koortsverdrijvend; Febrifuge, febrifjûdž, koortsverdrijvend (middel); Febrile, fîbr(a)il, febril, koortsig, koorts - -.

February, februəri, Februari; — Fill-dyke = Febr. de regenmaand.

Feces, fîsîz. Zie Faeces.

Fecit, fîsit, “hij (zij) heeft (het) gemaakt”.

Feck, fek, subst. voornaamste deel, kracht, waarde; adj. flink, krachtig; —less = laf, zwak, waardeloos (Schot.).

Fecula, fekjulə, zetmeel; bladgroen.

Feculant, fekjulent, troebel, modderig, drabbig; subst. Feculence.

Fecund, fek’nd, fîk’nd, fikɐnd, vruchtbaar; —ate, fek’ndeit, fîk’ndeit, fikɐndeit, vruchtbaar maken, bevruchten; subst. Fecundation; —ity, fikɐnditi, vruchtbaarheid.

Federacy, fed’risi; Zie Federation; Federal, fed’rəl, federaal, bonds - -: — City = Washington; — Diet = de Duitsche Bondsdag; — Union = statenbond; Federalism = federalisme; Federalist = federalist; Federalize = tot een bond vormen; Federate = zich tot een federatie verbinden; Federation = federatie, statenbond; Federative = verbonden, bonds - -.

Fee, fî, loon, salaris, honorarium, bijverdiensten (in deze gevallen meest Meervoud); fooi; leengoed, eigendom; — verb. beloonen, betalen, een fooi geven: What with doctors’ and lawyers’ —s we had a hard year of it = door al die kosten van dokter en advocaat; Tuition (University) —s = collegegelden; To hold in — simple = land bezitten waarover men bij zijn dood vrij kan beschikken; Estate in — tail = goed, dat op bepaald aangewezen erfgenamen moet overgaan.

Feeble, fîb’l, zwak, krachteloos; —-minded = zwak van geest, besluiteloos; subst. —ness.

Feed, fîd, voeden, voorzien van, verzorgen, onderhouden, laten weiden, eten, vreten, grazen; subst. een maal, voer, maaltijd, voorraad: His horse must have its four —s a day = moet viermaal per dag gevoerd worden; I am off my — = heb mijn eetlust verloren; He —s like a wolf = eet als een wolf; To — one’s cold = uitvieren; To — the fire = wat in de kachel doen; The operator —s the letters into the stamping-machine = schuift geregeld; He was —ing morsels from his plate into his mouth, as if he was firing up an engine = hij stopte in zijn mond; —-pipe = aanvoerpijp; —-pump = perspomp; aanvoerpomp; —er = iemand, die voert of mest, iemand of iets, die of dat bevordert, zijrivier, voedingskanaal, zijtak: Dainty —er = lekkerbek; Greedy —er = veelvraat; —ing-bottle = zuigflesch.

Feel, fîl, voelen, bevoelen, betasten, ondervinden, gevoelen; subst. voelen, gevoel, gewaarwording: The baby —s his legs = probeert te gaan staan; I — for you, poor fellow = ik heb medelijden met je, arme kerel; He felt his way after the sound = hij zocht tastende zijn weg op het geluid afgaande; She felt her way on the subject with him = zij polste hem over dat onderwerp; I shall try to — him out = te polsen; I — up to much work = voel me geschikt voor; I — offended by your remark = ik acht mij beleedigd; —er = voeler, voelhoorn; To put (throw) out a —er = de publieke meening polsen door een voorloopig bericht; —ing = gevoelend, gevoelvol, medelijdend; subst. gevoel, aandoening, gewaarwording, geest, stemming: He has no —ing against you = niets (= geen wrok) tegen u; To excite bad —ing against = haat opwekken tegen; The —ings = de aandoeningen der ziel, hartstochten, etc.: The —ings are dangerous guides = het gevoel is een gevaarlijk raadsman.

Feet, fît, voeten (Zie Foot): He is certain to fall on his — anywhere = hij komt altijd op zijn pooten terecht; With the world at your — = met de wereld gereed om u te dienen.

Feign, fein, veinzen, voorwenden: A —ed issue = een proces, om eenvoudig de rechtskwestie te beslissen; Feint, feint, subst. voorwendsel, schijnbeweging, schijnaanval, list; — verb. een schijnbeweging maken: A — of flight = voorgewende vlucht; He made a — of writing = deed alsof hij schreef.

Fel(d)spar, fel(d)spâ, feldspaath.

Felicitate, fəlisiteit, feliciteeren (on); subst. Felicitation; Felicitous = gelukkig, voorspoedig, gelukkig gevonden; Felicity, filisiti, geluk, gelukzaligheid, voorspoed, toepasselijkheid, gelukkige manier van: — in the choice of words = eene gelukkige keus.

Feline, fîl(a)in, katachtig, katten …: — amenities = kattige lievigheden.

Felix, fîliks.

Fell, fel, vel, huid; platte zoom; val of golving (van haar); rotsachtige heuvel; adj. wreed, woest; — verb. vellen, omhakken; zoomen; imperf. van to fall; —-monger = koopman in huiden.

Fellah, fela, (meerv. —een, feləhîn), Egyptische boer of arbeider: The —een forces = de strijdmacht der fellahs.

Felloe, felou, velg.

Fellow, felou, subst. kameraad, maat, wedergade, gelijke, kerel, vent, jongen; lid van een college of genootschap; soort lector of tutor in ’t genot van een —ship: A glove and its — = en de daarbij passende handschoen; He is hail-—-well-met with everybody = goede maatjes; They are —s in office = ambtgenooten, collega’s; adj. (in samenstellingen) mede …; —-citizen = medeburger; —-commoner = student (aan Eng. Universiteiten), die met de fellows van zijn college dineert; —-countryman = landsman; —-craft = vrijmetselaar (tweede graad); —-creature = medemensch; —-feeling = medegevoel; —-lodger = contubernaal; —-ranker = iemand van denzelfden rang; —ship = vereeniging, gemeenschap, omgang, gelijk aandeel in; het ambt van, en de toelage voor de fellows van een universiteit: Good —ship = collegialiteit, kameraadschap; Rule of —ship = gezelschapsrekening; —-soldier = krijgskameraad; —-traveller = medereiziger.

Felly, feli, velg.

Felon, fel’n, subst. misdadiger; fijt; adj. kwaadaardig, verraderlijk, wreed; —’s dock = beschuldigdenbank; —ious, fəlounjəs, snood, boosaardig, misdadig, met voorbedachten rade; —y = zware misdaad.

Felt, felt, subst. vilt(en hoed); — verb. met vilt bedekken, tot vilt maken; imperf. van to feel.

Feltre, feltə, ouderwetsch borstharnas van vilt.

Felucca, fəlɐkə, feloek (schip).

Felwort, felwɐ̂t, swertia, gentiaan, bitterwortel.

Female, fîmeil, subst. vrouwtje, wijfje; vrouwelijke plant, vrouwspersoon; adj. vrouwelijk: — die = holle stempel, waarin de male die geslagen wordt; — rhymes, — rimes = rijmen met ongeaccentueerde lettergreep op het einde, bijv. geven — leven; — screw = moerschroef; — woman = teere, zwakke.

Feme, fem: — covert = gehuwde vrouw; — sole = ongehuwde vrouw.

Feminine, feminin, vrouwelijk, zacht, teeder, verwijfd: — gender = vrouwelijk geslacht; Femininity = vrouwelijkheid, de vrouwen; Feminize = verwijfd maken, verweekelijken.

Femoral, femərəl, dij - -; Femur = dijbeen.

Fen, fen, moeras, moerasland; —-berry = veenbes; — colonies = veenkoloniën; —-duck = soort v. wilde eend; —-fire = dwaallichtje.

Fence, fens, subst. heg, omheining, beschutting, het schermen, handigheid (in ’t debat), heler; — verb. omheinen, beschutten, verdedigen, versterken, schermen, pareeren; uitvluchten maken: To be (ride, sit) on the — = eene afwachtende houding aannemen; She rushed at her —s = zij vloog naar de beschermde plaats, stelde zich te weer; To — a question = pareeren, ontwijken; He studiously —d round the points = hij ontweek opzettelijk de kwestie; —-month = gesloten jachttijd (van 9 Juni–9 Juli); —r = schermer, goed springpaard; Fencible, fensib’l, verdedigbaar: The —s = soort landweer; Fencing, fensiŋ, materiaal voor eene schutting (Amer.); schermkunst, handig debat: —-foil = degen; —-gloves = schermhandschoenen; —-pad = borstleder (van den —-master = schermmeester).

Fend, fend, verdedigen, afweren: Let us leave him to — for himself = laat hij zichzelf verdedigen, zien te redden.

Fender, fendə, hek voorlangs den haard of de daardoor ingesloten ruimte; stootmat, kurkenzak, wrijfworst (scheepst.).

Fenian, fînj’n, lid van een in 1857 te New-York opgericht geheim Iersch verbond voor het bevrijden van Ierland; ook adj.; —ism = Fenianisme.

Fennel, fen’l, venkel.

Fenny, feni, moerassig.

Fent, fent, opening of split.

Feod, fjûd. Zie Feud.

Feof, fef, subst. leengoed; — verb. met een leen begiftigen; —ee, fefî, leenman; —er, —or, fefə, leenheer.

Feral, fîrəl, Ferine, fîr(a)in, wild, ongetemd; kwaadaardig (v. ziekten); subst. —ness.

Fering(h)ee, fəriŋgî, Frank, algemeene naam door de Mahom. aan Europeanen gegeven.

Ferment, fɐ̂m’nt, ferment, gisting (ook fig.).

Ferment, fəment, in gisting brengen (of zijn), beroeren; —ability = gistbaarheid; —able = gistbaar; Fermentation = gisting, beroering; —ative, gistend, gisting veroorzakend, gistings - -, subst. —ativeness.

Fern, fɐ̂n, varenkruid: —-owl = nachtzwaluw; —-seed = (onzichtbaar makend) varenzaad; —y = vol varens.

Ferocious, fəroušəs, woest, wreed, roofgierig; subst. —ness = Ferocity, fərositi.

Ferret, ferət, subst. fret; woekeraar; smal groen lint; — verb. uitdrijven, fretten, uitvisschen: I have —ed it out = ben het op listige wijze te weten gekomen; —-eyes = kleine, slimme oogen; —er = jager met een fret, speurhond (fig.).

Ferriage, feriidž, overvaart, veergeld.

Ferric, ferik, ijzer …; Ferriferous = ijzerhoudend; Ferrugineous, ferudžiniəs, ijzerhoudend, ijzerroestkleurig = Ferruginous.

Ferrotype, feroutaip, photographie op een gevoelige ijzeren plaat.

Ferrule, ferûl, metalen ring, koperen busje om een stok, muntring.

Ferry, feri, subst. veer, veerrecht, veerboot; — verb. overzetten; —-boat = veerboot; —man = veerman.

Fertile, fɐ̂t(a)il, vruchtbaar, rijk aan, vindingrijk; subst. Fertility; Fertilization = vruchtbaarmaking, bevruchten; Fertilize, fɐ̂tilaiz, vruchtbaar maken, bevruchten; Fertilizer = mest.

Ferule, ferûl, subst. schoolplak; — verb. met de plak geven.

Fervency, fɐ̂vənsi, vuur, gloed, innigheid, ijver; adj. Fervent, fɐ̂v’nt, subst. —ness; Fervid, fɐ̂vid, heet, brandend, vurig, heftig; subst. Fervidness; Fervour, fɐ̂və, gloed, vuur, drift.

Fesse, fes, horizontale dwarsbalk of streep op een schild; —-point = het middelpunt van een wapenschild.

Festal, fest’l, feestelijk, vroolijk.

Fester, festə, subst. zweer, fistel; — verb. zweren, etteren, rotten, woeden.

Festival, festiv’l, subst. feestviering; soms ook adj.; Festive = feestelijk, feest …: — mirth = feestvreugde; In a — disposition = in feestelijke stemming; Festivity, fəstiviti, feestelijkheid, feestvreugde.

Festoon, festûn, subst. guirlande, krans, festoen; — verb. met guirlandes, enz. tooien.

Fetch, fetš, halen, trekken, behalen, opbrengen, maken, doen, geven, bereiken; subst. kunstgreep, list, dubbelganger, strikvraag: I —ed him from behind = greep hem van achteren aan; He was —ed in (out) = gegrepen (weggevoerd); The picture will have to be —ed out = zal wat uitgehaald moeten worden; She was —ed to = bijgebracht; To — up = plotseling blijven staan, ophalen, grootbrengen, inhalen: The flatness of the last act must be —ed up = het trekkerige van het laatste bedrijf moet verholpen worden; To — a compass = een omweg maken; To — a pump = eene pomp aan den gang maken; She —ed a deep sigh = slaakte een diepen zucht; That is rather far-—ed = nogal ver gezocht; —-candle (—-light) = dwaallicht, dat naar het volksgeloof, in Wales, den dood aankondigt; —ing, pakkend, bekoorlijk.

Fetich, fetiš, fîtiš = Fetish.

Fetid, fetid, fîtid, stinkend; subst. —ness.

Fetish, fetiš, fîtiš, fetisch: —-man = fetisch priester of aanbidder; —ism = feticisme; —ist = fetisch aanbidder.

Fetlock, fetlok, vetlok, kootgewricht.

Fetter, fetə, subst. voetboei, keten, belemmering; kluister; — verb. boeien, belemmeren, binden; —less = vrij, ongedwongen.

Fettle, fet’l, in orde brengen, repareeren, schoonmaken, druk werken, voeren, bedekken, vastmaken; subst. conditie (sportt.), drukte.

Fetus, Foetus, fîtəs, ongeboren vrucht.

Feud, fjûd, vete, twist, vijandschap.

Feud, fjûd, leen; —al system = leenstelsel = —alism = feudalisme; —ality, fjudaliti, leenmanschap, feudaal-systeem; —alize = leenroerig maken; —ary = —atory = leenman.

Fever, fîvə, subst. koorts, opgewondenheid; — verb. koortsig maken: In a — of disgust = koortsachtig opgewonden van ergernis; Low — = binnenkoorts; —few = koorts- of moederkruid; —-weakened = door de koorts verzwakt; —ish, fîvəriš, koortsachtig, gloeiend; subst. —ishness.

Few, fjû, weinige(n): The —er the better = hoe minder (menschen) hoe liever; A — = eenige; A good — = aanzienlijk getal; In — = in ’t kort; — and far between = hoogst zeldzaam; —ness = gering aantal.

Fey, fei, (ge)dood, ten doode bestemd; veeg (Schotsch), ongelukkig, vreemd, zonderling, mistroostig: You are —, and I prophesy a headache for you to-morrow = je bent niet gewoon.

Fez, fez, fez, Turksche muts.

Fiasco, fiaskou, fiasco, ongunstige uitslag, slecht figuur.

Fiat, faiət, fiat, “het geschiede”.

Fib, fib, subst. leugen(tje); — verb. jokken, afranselen: Don’t tell —s = jok nu niet; —ber = jokker = —ster.

Fibre, faibə, vezel, kracht; Fibril, faibril, fijne vezel of draad; Fibrilose, faibrilous, faibrilous, met of van vezeltjes; Fibrous, faibrəs, vezelachtig.

Fibula, fibjulə, kram; kuitbeen; hechtnaald.

Fickle, fik’l, wispelturig, grillig; subst. —ness.

Fico, fîkou, vijg; verachtelijk gebaar waarbij men den duim in den mond of tusschen wijs- en middelvinger bracht.

Fictile, fiktil, kneedbaar; aarden: — art = keramiek.

Fiction, fikš’n, verdichting, verdichtsel, prozawerk, roman; Fictitious = verdicht, nagemaakt, onecht; subst. —ness; Fictive = Fictitious.

Fictor, fiktə, modelleur.

Ficus, faikəs, vijgeboom; vijgewrat.

Fidalgo, fidalgou, Portugeesch edelman.

Fiddle, fid’l, subst. viool, slingerlatten (scheepst.); — verb. vioolspelen, beuzelen, spelen, beetnemen: He played first — = hij speelde de eerste viool (ook fig.); To take first — = de leiding nemen; —-bow = strijkstok; —-bridge = kam; —-case = kist; —-de-dee = malligheid; —-faddle, fid’lfad’l, subst. gewauwel, kouwe drukte; adj. wauwelachtig, beuzelend; — verb. drukte maken om niets, beuzelen; —-stick = strijkstok: I don’t care a —-stick = ik geef er geen zier om; —sticks’ ends = geleuter; —-string = vioolsnaar; —r = vioolspeler, zesstuiverstuk.

Fide-jussion, faididžɐš’n, borgstelling; Fide-jussor = borg.

Fidele, faidîlə.

Fidelity, fideliti, getrouwheid, aanhankelijkheid, trouw.

Fidget, fidžət, subst. zenuwachtige gejaagdheid, bewegelijkheid, zenuwachtig persoontje; — verb. zich zenuwachtig bewegen, zenuwachtig maken: Her arm seemed to have got the —s = niet stil te kunnen blijven liggen, bewoog zenuwachtig heen en weer; You — me by your presence = ge maakt me zenuwachtig en gejaagd door uwe tegenwoordigheid; —y = gejaagd, zenuwachtig.

Fiducial, fidjûš’l, vertrouwend, vertrouwelijk: — mark = bewijs van vertrouwen; Fiduciary, fidjûšəri, subst. iemand, wien een pand ter bewaring is toevertrouwd; adj. vol vertrouwen, toevertrouwd: In his — capacity = betrekking van vertrouwen.

Fie, fai, foei!

Fief, fîf, leengoed.

Field, fîld, veld, akker, slagveld, slag, gezichtsveld, uitgestrektheid, al de cricketspelers, de jachtstoet, aantal deelnemende paarden; — verb. voor fielder spelen bij cricket, wedden op het field (i.e. tegen den favourite): He betted (laid) against the — = hij wedde op den favourite; The — was fought, lost, won = slag; The army took the — and kept it during the summer = het leger trok te velde en bleef daar den ganschen zomer; A — of ice = groote (drijvende) ijsmassa; — of view = gezichtsveld; —-allowance = extratoelage aan te velde zijnde soldaten; —-artillery = veldartillerie; —-bed = veldbed; —-book = veldboek (voor het landmeten); —-day = dag voor velddienst, dag van groote drukte, vertoon, etc.; —-duck = kleine trap; —-equipage = velduitrusting; —fare = veldjakker, kramsvogel; —-glass = veldkijker; — marshal = veldmaarschalk; —-mouse = veldmuis; —-officer = stafofficier; —-piece (—-gun) = stuk veldgeschut; —-practice = velddienstoefening; —-sports = jachtvermaak, enz.; —-works = schansen; —er = een bepaald speler bij cricket.

Fiend, fînd, booze geest, duivel; adj. —ish; subst. —ishness; —like = duivelsch, demonisch.

Fierce, fîəs, woest, wreed, meedoogenloos, hevig, onstuimig; subst. —ness.

Fieri facias, fai(ə)raifeišas, dwangbevel tegen een schuldenaar: He has been served with a writ of —.

Fieriness, fai(ə)rinəs, vurigheid, vuur, hevigheid; Fiery, fai(ə)ri, vurig, hartstochtelijk, opvliegend: — substances = licht ontbrandbare stoffen; —-cross = vlammend kruis (in de Hooglanden van Schotland), om de stammen te wapen te roepen.

Fife, faif, subst. fluit, pijp; — verb. pijpen, op eene fluit spelen; —r = pijper.

Fifteen, fiftîn, (maar — boys, fiftîn bôiz), vijftien; —th = vijftiende; Fifth, fifth, subst. en adj. vijfde (deel): — monarchy men = dweepzieke godsdienstsekte, die ongeveer 1659 ontstond en eene vijfde monarchie profeteerde, waarin Christus duizend jaren op aarde zou heerschen; —ly = ten vijfde; Fifty = vijftig: In the fifties = tusschen ’50 en ’60; Fiftieth = vijftigste.

Fig, fig, subst. vijg, vijgeboom, gala, lor, pruimtabak (Amer.): —s! = loop heen, ’klets’; In full — = in groot tenu, poesmooi, goed op dreef; I don’t care a — for what you say = geef geen zier; —-eater (—-pecker) = vijgeneter; —-leaf = vijgeblad: This poet’s works have been subjected to the —-leaf and knife = zijn gecastreerd en besnoeid; —-shell = schelp in den vorm eener vijg of peer.

Fight, fait, subst. gevecht, strijd; — verb. vechten, strijden, bevechten, laten vechten: A hand-to-hand — = man tegen man; A running — = het nazetten van en vuren op een vluchtenden vijand; Single — = tweegevecht; To make a brave — = zich kranig houden; To show — = de tanden laten zien, zich te weer stellen; I will — you = ik daag je uit; To — shy of = uit den weg gaan, vermijden; To — a battle = slag leveren; To — a duel = duelleeren: To — the tiger = dobbelen (Amer.); He fought his way through the crowd = baande zich met geweld een weg; We will — it out together = het samen uitvechten; —er = vechter, vechtersbaas, boxer; —ing-alliance = of- en defensief verbond; —ing-cock = kemphaan; The —ing efficiency of our fleet = vechtvermogen; —ing-top = mars (op een oorlogschip).

Figment, figm’nt, vinding, verdichtsel.

Figuline, figjul(a)in, pottebakkersaarde, vaas van kunstaardewerk.

Figurant(e), figjurânt, figurant (ook fig.).

Figurate, figjureit, gefigureerd; Figuration, figjureiš’n, voorstelling, afbeelding, type; Figurative, figjurətiv, figuurlijk, zinnebeeldig, bloemrijk.

Figure, fig(j)ə figuur, vorm, voorkomen, gedaante, gestalte, beeld, afbeelding, persoonlijkheid, voorbeeld, pracht, prijs, cijfer, de passen (bij het dansen); — verb. vormen, afbeelden, voorstellen, figuurlijk gebruiken, figureeren, figuren vormen, met figuren versieren, becijferen, cijferen: What a — you are = wat zie jij er uit! What is the —? = op hoeveel komt dat? Trustworthy —s = vertrouwbare cijfers; To be bad at —s = een slecht rekenaar zijn; He cuts (makes) a good (poor) — = een goed (treurig) figuur; To go the whole — = al het mogelijke doen; He lives in — = hij voert een grooten staat; To sell at a great — = voor hoogen prijs; I will not sell it under three —s = onder £100 (= 3 cijfers); He —d down several couples with his amiable partner = hij danste (in den country-dance) tusschen de rij der dansers door; We have —d it out = het uitgerekend; It is easy to — these sums up = op te tellen; —-head = vóórsteven- of galjoenbeeld; —-maker = modelleur; —-weaver = damastwever; —d = gebloemd, met figuren; Figurette, figjuret = Figurine, figjurîn, beeldje.

Fiji, fîdži: — Islands; Fijian, fîdžiən, (bewoner, taal) van F.

Filament, filəment, vezel, draad, meeldraad; Filamentous = vezelig, draderig.

Filander, filəndə, filandə, soort van kangoeroe; soort ingewandsworm; —s = ziekte bij valken.

Filbert, filbət, hazelaar, hazelnoot; —-nails = bolle, spits toeloopende, sierlijke nagels.

Filch, filš, stelen, kapen; —er = dief.

File, fail, subst. snoer, draad, rist papieren (met datum, korte inhoud, etc. op de rugzijde), lijst, catalogus, rot (mil.); vijl, geslepen vent; — verb. aanrijgen aan een file, deponeeren in ’t archief, indienen van stukken, in rotten marcheeren, vijlen, afvijlen, glad maken; The rank and — = het kader en de manschappen; On — = stelselmatig gerangschikt; Indian (Single) — = eendenmarsch; The soldiers —d off = marcheerden af in eene rij achter elkaar; —, please = wil de zaak als afgedaan beschouwen; —-cutter = vijlmaker; —-leader = voorste soldaat van een File; Filings = vijlsel.

Filial, filj’l, kinderlijk: Filiation = affiliatie.

Filibeg, filibeg = Kilt.

Filibuster, filibɐstə, subst. vrijbuiter, roover; obstructionist (Amer. = —er); — verb. op roof of buit uitgaan: A —ing expedition = rooftocht.

Filices, filisîz, orde der varens; Filical = tot de varens behoorende; Filiciform = varenvormig; Filicoid = fern-like.

Filiform, filiföm, draadvormig, dun.

Filigree, filigrî, subst. filigraan; ook adj. —d = met filigraan versierd.

Fill, fil, subst. bekomst, hoeveelheid tot vulling; — verb. vullen, volstoppen, verzadigen, bevredigen, bezetten, bekleeden, volbrassen; vol worden: I have eaten and drunk my — = volop gegeten en gedronken; She has fretted her — = is uitgemokt; To gaze one’s — at = zich zat zien aan; Two —s of tobacco = pijpjes tabak; To — the bill = aan alle eischen voldoen; To — an order = een bestelling uitvoeren; To — parts = rollen bezetten; To — sails = zeilen doen zwellen; To — teeth (Amer. voor to stop); To — in = dichtstoppen, dempen, aanvullen: The article was —ed in = het artikel werd geplaatst; His face —ed out = werd dikker; Shall I — you out a glass = vullen? To — up = geheel innemen, vol maken of worden; dempen: To — up a vacancy (a canal); The loan was —ed up = werd volteekend; The ship —ed up with water there = nam daar voldoenden watervoorraad in; —er = vuller, trechter, vulsel, stopwoord; —ing-in pieces = vulstukken.

Fillet, filət, subst. band (om het hoofd of om het haar), filet; lendestuk, vleesch zonder been (als schijf of rollade opgediend), lijst; — verb. met een hoofdband omringen of binden, versieren, tot een schijf of rollade maken, met lijsten versieren.

Fillibeg, zie Filibeg; Fillibuster, zie Filibuster.

Fillip, filip, subst. knip (voor den neus); aansporing; — verb. knippen (met de vingers): To give a — = aanzetten.

Filipeen, filipîn, filipîn, filippine.

Filly, fili, merrieveulen, wildebras.

Film, film, subst. vlies, film (phot.); — verb. met een vlies bedekken: The pools were —ed with frost = er lag een vliesje ijs op; subst. —iness; adj. —y = vliezig, zeer dun, fijn; —y-fern = schildvaren.

Filter, filtə, subst. filter, filtreer, zeef; — verb. filtreeren, ziften; —ing-bag = doorzijgzak; —ing-machine = filtreermachine; —ing-paper = filtreerpapier; —ing-stone = poreuze steen.

Filth, filth, vuiligheid, vuilnis, ook fig. = —iness; adj. —y.

Filtrate, filtreit, subst. filtraat; — verb. filtreeren; subst. Filtration.

Fin, fin, vin: Pectoral and ventral — = borst- en buikvin; —-footed, —-toed = met zwemvliezen aan de pooten.

Finable, fainəb’l, beboet- of bekeurbaar.

Final, fain’l, laatste, eind…, slot…, beslissend, finaal; subst. beslissingswedstrijd: —-cause = einddoel: He does not believe in —-causes = hij ontkent de teleologie; — decision = eindbeslissing; — proof = afdoend bewijs; — success = succes ten slotte; —ity, fainaliti, eindtoestand, volkomenheid; —ly = ten slotte.

Finance, f(a)inans, fainəns, subst. financiewezen: —s = geldmiddelen, fondsen; — verb. de financiën besturen, geldelijk ondernemen of steunen: He —s the paper = hij neemt de geldelijke uitgaven op zich; Many people —d the movement = steunden de beweging geldelijk; He —d his nephew = voorzag van geld; Financial, finanš’l, geldelijk; Financialist = Financier, fa(i)nansîə, finansîə.

Finch, finš, vink: A —-backed cow = (op den rug) gestreepte of wit gevlekte koe.

Find, faind, subst. ontdekking, vondst; — verb. vinden, ontdekken, bevinden, verklaren, uitspraak doen, enz.: Will you — me a pen = voor mij zoeken? She was to — linen = zou zorgen voor; We took furnished apartments, only —ing plate and linen = moesten alléén voor eigen zilver en tafellinnen zorgen; I could not — it in my heart to do it = ik kon het niet over mijn hart verkrijgen; The jury found for the defendant = de gezworenen spraken den aangeklaagde vrij; A bill was found for the case = er werd in de zaak (door de Grand Jury) rechtsingang verleend; She could not — herself in dresses out of that money = zij had niet genoeg kleedgeld; I will — you in pocket-money = ik zal je zakgeld geven; This small sum has to — me in everything = van dit sommetje moet ik alles bekostigen; He is well found in everything = hij zit goed in z’n spulletjes; B. is well found in hotels = goed voorzien van; Our privateers were not so well found as the enemy’s = waren niet zoo goed van alles voorzien; I will try to — it out = ontdekken; Then the young scholar found himself = toen vond de jonge geleerde een hem passenden werkkring; —-fault = bedilal; —-spot = vindplaats; —er = vinder, zoeker (kijker), visiteur, speurhond; —ing = resultaat, uitspraak; —ings = (vooral schoenmakers) benoodigdheden, enz., waarvoor de werkman zelf moet zorgen (Am.); —ing-store = winkel voor schoenmakersbenoodigdheden (Amer.).

Fine, fain, subst. einde; geldboete; — verb. beboeten: In — = kortom, ten slotte.

Fine, fain, fijn, teer, dun; schoon, elegant, uitstekend, sluw, scherp, spits, zuiver; helder, klaar; — verb. klaren (down), zuiveren, frisschen, affineeren: A — whist-player = goed; The — flower of the aristocracy; I have run it very — = ik heb het er precies afgebracht, het was “er aan toe”; — arts = fraaie kunsten; —-draw = een scheur haast onzichtbaar stoppen; dun uitrekken; —-drawn = erg gezocht (fig.); —-spoken = fraaie woorden gebruikend; met gladde tong; —-spun = fijn (uit)gesponnen; —-still = distilleeren uit bijprodukten der suikerraffinaderij; —-stuff = pleisterkalk; —ness = fijnheid, zuiverheid, etc.; —r = frisscher; —ry = mooie kleeren, opschik, opzichtigheid; affinerie; Fining-pot = affineerkroes.

Finesse, fines, subst. sluwheid, handigheid, list; — verb. list gebruiken.

Finger, fiŋgə, subst. vinger, vingerbreedte, (-lengte), vingervaardigheid; — verb. betasten, bevoelen, ontfutselen, met de vingers bespelen: He has his — in it = hij is erbij betrokken; He has his — in every man’s pie = heeft overal de hand in; I have it at my —-ends (fingers’ ends) = ik ken het op mijn duimpje; He shook his — at me = dreigde mij met opgeheven vinger; I won’t stir a — = ik steek geen hand uit; He was —ing his watch-chain = beuzelde met; —-alphabet, —-and-sign-language = vingerspraak; —-board = nek van een snaarinstrument, manuaal (van piano of orgel); —-bowl (—-glass) = vingerglas (om na het diner de vingers in af te spoelen); —-plate = deurplaat; —-post = handwijzer; —-prints = vingerindrukken; —-reading = lezen door blinden; —-stall = vingerling; —ed = gevingerd: The —ed gentry = de Heeren dieven; —ing = aanraken met de vingers, fijn werk voor de vingers, vingerzetting.

Fingerling, fiŋgəliŋ, jonge forel.

Finial, finiəl, kruisbloem, Gothische puntversiering, krullen (bij ’t schrijven).

Finical, finik’l, Finicking (Finikin), finikiŋ(n), gemaakt, overdreven, kieskeurig.

Finis, fainis, einde, slot.

Finish, finiš, eindigen, voltooien, besluiten, de laatste hand leggen aan, afwerken, apprêteeren, opgebruiken, opeten, uitdrinken, zijn bekomst geven, dooden, ophouden; subst. afwerking, voltooiing, einde (van den wedstrijd), laatste hand aan iets; pleisterkalk; It was a fight to the — = tot de beslissing viel = They fought to a —; That —ed him = toen had hij genoeg, was hij dood; —ing-coat = derde of laatste laag (verf of pleister); —ing-school = meisjeskostschool waar de laatste hand aan de opleiding wordt gelegd.

Finite, fainait, subst. persoonsvorm (tegenover den Infinitive) van een werkwoord; adj. eindig; subst. —ness.

Finland, finland; —er = Finn = Fin; Finnic = Finnish = Finsch, Finlandsch.

Finnikin, finikin, soort van gekuifde duif.

Finny, fini, gevind.

Fionia, fiounjə, Funen.

Fions, faiənz, half-mythische krijgslieden in Ossian’s gedichten.

Fiord, fjöd, fjord.

Fir, fɐ̂, den, denneboom, zilverspar; —-apple, —-cone = pijnappel; —-poles = juffers; —-tree.

Fire, faiə, subst. vuur, brand, hitte, licht, gloed, hartstocht, het schieten, hel; — verb. in brand steken, afvuren, afschieten, aanvuren, stoken, bakken (van porselein), ontbranden, ontvlammen, een carillon luiden: The house is on — = in brand; We were under — = aan ’t vuur (des vijands) blootgesteld; To catch — = vuur vatten; The piece hangs — = heeft geen succes; He went off to sleep, but I hung — = maar ik kon den slaap niet vatten; The affair hung — = hokte; My gun missed — = ketste; They opened a raking — = begonnen moorddadig te vuren; To set on — (= To set — to) = in brand steken; He will never set the Thames on — = hij heeft het buskruit niet uitgevonden; To silence the enemy’s — = de batterijen van den vijand tot zwijgen brengen; To take — = vuur vatten, in brand raken; I took — = vatte vuur, stoof op; —! = vuurt; To — a gun, a mine, a shot; This —d my blood = maakte mijn bloed aan ’t koken; — away! vooruit maar, begin maar!; A gun-boat was —d upon = er werd gevuurd op eene kanoneerboot; He is —d up = woedend; St.-Anthony’s — roos; Greek — = Grieksch vuur; Kentish — = een rhythmisch applaus; Running — = snelvuur; —-alarm = brandschel; —-annihilator, ənaihileitə, extincteur; —-arm = vuurwapen; —-ball = brandbom; vuurbol (meteoor); —-balloon = luchtballon (met heete lucht), ballon met vuurwerk, dat boven in de lucht ontvlamt; —-basket = soort komfoor; —-bavin = rijsbundel op branders (schepen); —-blast = brand, ziekte in hop; —-board = schoorsteenscherm; —-box = vuurkast (van een locomotief); —-brand = brandend stuk hout; stokebrand; —-brick = vuurvaste steen; —-brigade = brandweer; —-brush = haardveger; —-bucket = brandemmer; —bug = brandstichter (Amer.); —-clay = vuurvaste klei; —-cock = brandkraan; —-company = assurantiemaatschappij; —-cracker = voetzoeker; —-dog = haardijzer; —-drill = vuurring gebruikt door de Austral. inboorlingen bij ’t maken van vuur door wrijving van twee stukken hout; oefeningen van een brandweercorps; —-eater = vuurvreter; ijzervreter; —-engine = brandspuit; —-escape = reddingstoestel (bij brand); —-extinguisher = extincteur; —-fly = glimworm; —-hook = brandhaak; —-hose = brandspuitslang; —-insurance = brandassurantie; —-irons = schop, tang en pook; —-kiln = vuurvaste oven; —-lighter = vuurmaker; —-lock = geweerslot; snaphaan; —man = brandweerman; stoker (Am.); —master = brandmeester (Amer.); —-new = fonkelnieuw; —-office = brandassurantiekantoor; —-place = haard; —-plug = brandkraan; —-policy = brandpolis; —-proof = tegen het vuur bestand; —-raising = brandstichting (Schot.); —-screen = vuurscherm; —-ship = brander; —-shovel = kolenschop; groote mond; —side = haard; —-station = brandweerkazerne; —-stick = wrijfstokje om vuur te maken; —-tube = kleine vlampijp (stoomketel); —-ward(en) = brandmeester; —-water = naam bij de Roodhuiden voor spiritualiën; —-wood = brandhout, brandstof; —work = vuurwerk: To hold a grand display of —works = een groot vuurwerk afsteken; —works will be let off = er zal vuurwerk afgestoken worden; —-worship = vuuraanbidding: Firing, fairiŋ, het vuren, brandstof, uitbranden (van eene wond): —-iron = brandijzer.

Firkin, fɐ̂kin, (boter)vaatje v. 25,4 K.G.

Firm, fɐ̂m, vast, hard, hecht, standvastig, vastberaden, trouw; subst. firma; subst. —ness.

Firmament, fɐ̂məment, firmament; —al, fɐməment’l, hemelsch, tot het uitspansel behoorende.

Firman, fɐ̂m’n, fɐ̂mân, ferman, verlofbrief, pas, schriftelijk bevel (van Oostersche vorsten).

First, fɐ̂st, eerste, voornaamste: This was the — I had heard of it = de eerste maal dat; To be — with a person = iemand vóór zijn; — come — served = die ’t eerst komt, die ’t eerst maalt; — and foremost = in de allereerste plaats; — and last = gemiddeld, alles bijeengenomen; — or last = vroeg of laat, te eeniger tijd; At (the) — = in den beginne, oorspronkelijk; He had resolved it from the — = van den aanvang af; —-begot(ten), —-born = eerstgeboren(e); —-call = ochtendbeurs; —-chop = eerste kwaliteit; —-class = eerste klasse, uitstekend: He got a —-class = den hoogsten graad (bij examens); —comer = de eerste (de beste); —-cost = inkoopsprijs; —-day = naam voor den Zondag bij de Quakers; —-floor = tweede verdieping (Engeland), eerste verdieping (Am.); —-foot = eerste bezoeker in ’t Nieuwe jaar (Schot.); —-fruits = eerstelingen, eerste vruchten, annaten of jaarrechtgelden (= opbrengsten van een geestelijk ambt gedurende het eerste jaar; vroeger aan den Paus, thans aan de fondsen van het Queen Anne’s Bounty overgedragen); —-hand = stuurman op een visschersvaartuig; eerste hand: To buy (at) —; —-mate = eerste stuurman; —-mover = oorspronkelijke beweegkracht; —-nighter = première, iemand die zulke opvoeringen geregeld bijwoont; —-proof = eerste proef (drukw. en alcohol); —-rate = A. 1. = (schip) van de eerste klasse, eerste rang: He is a —-rate second-rate actor = hij is een uitstekend acteur van den tweeden rang; —-water = (van het) eerste water; —ling, fɐ̂stliŋ, eerstgeborene.

Firth, fɐ̂th, Zie Frith.

Fiscal, fisk’l, adj. fiskaal; subst. fiskaal; ambtenaar van het O.M. (Schot.).

Fish, fiš, subst. visch, fiche, lasch; — verb. visschen, afvisschen, opvisschen, uitvisschen: He’s like a — out of water = niet in zijn element; I have other — to fry = ik heb wel wat anders (en beters) te doen; All is — that comes to net = wij kunnen van alles gebruiken; That is a pretty kettle of — = dat’s een mooie boel! (ironisch); A loose — = pierewaaier; A strange — = rare snaak; —-bladder = vischblaas; —-bone = graat; —-carver = vischmes; —-culture = vischteelt; —-curer = vischzouter, etc.; —-fag = vischwijf; —-flake = zwemblaas; —-fly = kunstvlieg (voor het visschen); —-garth = hekken aan den kant van een rivier om het vangen van visch te vergemakkelijken; —-gig = elger; —-glue = vischlijm; —-hawk = vischarend; —-hook = vischhaak; —-market = vischmarkt; —-maw = zwemblaas; —monger = vischkooper; —-oil = traan; —pond = vischvijver; —-slice = —-sound = zwemblaas van een visch; —-spear = harpoen; —-strainer = vischschotel; —-tackle = vischgerei; —-tail-burner = vleermuis (gasbrander); —-torpedo; —-trowel = —-weir = —garth; —wife (—woman) = vischvrouw; He —ed for a compliment = hij vischte naar; He has —ed it out = het uitgevischt; —er = visscher, ijsvogel, Canadeesche marter; —er-boat = visschersboot; —erman = visscher, visschersschuit; —ery = visscherij: The —eries = de visscherijtentoonstelling; —iness = vischachtigheid, verdachtheid; —ing-boat = visschersschuit; —ing-line = vischsnoer; —ing-net = vischnet; —ing-rod = hengel-roede; —ing-smack = visscherspink; —ing-tackle = vischtuig; —like = vischachtig; —y = vischachtig, vischrijk, dof, ongeloofelijk, verdacht: This looks —y = ziet er verdacht uit.

Fisk, fisk, druk zijn.

Fissile, fis(a)il, splijtbaar; Fission, fiš’n, splijting; Fissiped, fisiped, zoogdier met gespleten teenen (b.v. kat of beer); Fissure, fišə, subst. kloof, spleet, splijting, fistel; — verb. splijten: — needle = hechtnaald.

Fist, fist, vuist; — verb. met de vuist slaan, aanpakken: Close —ed = vrekkig; A —ic fight = vuistgevecht; —icuffs: To be at — = Engaged in — = aan het bakkeleien.

Fistula, fistjulə, fistel: — lachrymalis = ontsteking van de traanklier; —r = hol (als riet); Fistulous = buisvormig; fistelachtig.

Fit, fit, aanval, stuip, gril: By —s and starts = bij buien, met tusschenpoozen; Beaten all to —s = lam geslagen; To frighten into —s = vreeselijk doen schrikken; She went into —s = kreeg het op de zenuwen, viel in onmacht; —ful = grillig; subst. —fulness.

Fit, fit, geschikt, passend, bereid, bevoegd, in goede ‘conditie’; ook subst.; — verb. passend (geschikt, bekwaam) maken, uitrusten, monteeren, passen, zitten, gepast of passend zijn: More than is — = ongepast veel; I am as — as a fiddle = volkomen goed, gezond; To be — for = geschikt; — for service = geschikt voor den dienst; To think — = het geschikt achten; To be a bad — = slecht zitten of passen; To be an exact — = als gegoten zitten; To be a tight — = er net in kunnen; It doesn’t — in with my plans = strookt niet met; A fleet was —ted out = werd uitgerust; The house was —ted up = gemeubileerd, bewoonbaar gemaakt; That —s him like a glove, to a T. = het is hem als aan het lichaam gegoten, dat past precies op hem; It —s it like a plug = het past precies; —ness = geschiktheid, enz.; —-out = uitrusting; —ter = monteur, kolenkoopman, leverancier; —ting = gepast; passen, monteering: —ings = noodzakelijke artikelen voor huis, winkel of schip, monteerbenoodigdheden; —ting-out = uitrusting; —ting-up = inrichting.

Fitch, fitš = Fitchet = bunzingvel; Fitchew, fitšû, bunsing.

Fitz, fits, zoon (slechts in samenstell.); onwettige zoon van een koning of een prins van den bloede.

Five, faiv, vijf; —fold = vijfvoudig; —r = een bankbiljet van vijf pond (of dollar); alles wat voor vijf telt; —s, faivz, een soort v. balspel, de vuist (alle vijf): Bunch of —s = de vuist; —s-ball = bal gebruikt bij het balspel, ‘Fives’ genoemd; —s-court = plaats, baan voor dit spel.

Fix, fiks, subst. moeielijkheid, klem; — verb. bevestigen, vastzetten, vastmaken, vaststellen, fixeeren, monteeren, richten, vestigen; bezorgen, in orde maken (Am.); zich vestigen, vast worden, besluiten tot, kiezen: To — bayonets = opzetten; To — a mast, a pole = overeind zetten; They —ed themselves there = vestigden zich daar; To — in = in passen; We have —ed on Sunday for the meeting = wij hebben bepaald; I must try to — it up with you = in orde te maken, bij te leggen; —able = bevestigbaar, enz.; —ation = bevestiging, fixeering, enz.; —ative = fixeermiddel; —ed = vast, strak, niet vluchtig: —ed bodies = vaste lichamen; —ed oils = niet vluchtige oliën; —ed point = vaste post (van een soldaat of politie-agent); —ed stars = vaste sterren; subst. —edness; —ings = uitrusting, versieringen, inrichtingen, tooi, kleeren; —ity = vastheid, stabiliteit: —ity of purpose = vastheid van doel; —ture = vaste datum (sport), al wat spijkervast is: He is a —ture = is stoelvast, een familiestuk (fig.); The autumn —tures = de voor den herfst vastgestelde wedrennen.

Fiz-gig, fizgig, vuurregen; elger; coquet meisje.

Fizz, fiz, subst. gesis, gezoem, gebruis; champagne; soda-water (Amer.); — verb. sissen, bruisen; —le, subst. gesis, gebruis, gezoem; mislukking (wat met een sisser afloopt), zakken, steken blijven; — verb. sissen, zoemen, bruisen: To —le out = uitgaan, volkomen mislukken.

Flabbergast, flabəgast, verbazen, verbluffen.

Flabbiness, flabinəs, slapheid, weekheid, zwakheid; adj. Flabby: A — face.

Flabbellate, fləbelit, Flabbelliform, fləbeliföm, waaiervormig.

Flaccid, flaksid, slap, zacht; subst. —ity = —ness.

Flag, flag, subst. vlag, vloertegel, gele lisch; — verb. seinen met vlaggen; verslappen, slap neerhangen, met vloertegels bevloeren: — of distress = noodvlag; — of truce = parlementaire vlag; Black — = vlag, dat geen kwartier zal worden gegeven; Red — = oproervlag; To dip the — = met de vlag salueeren; The —s were hung half mast high = de vlaggen waren halfstok geheschen; All the —s were struck, lowered, gathered = gestreken, naar beneden gehaald, opgedoekt; The —s were innocent of carpet = er lag geen kleed op den steenen vloer; —-lieutenant = adjudant van den —-officer = vlagofficier; —man = baanwachter; —ship = admiraalsschip; —-staff = vlaggestok; —stone = vloersteen, soort van zandsteen; —gy = vol gele lischbloemen.

Flag, flag, slap neerhangen, slap worden, verslappen; —giness = slapheid; —ging = verslappend; verslapping.

Flagellant, fladžəl’nt, flagellant; Flagellate, fladžəleit, geeselen; subst. Flagellation.

Flageolet, fladžəlet, flageolet.

Flagitious, flədžišəs, schandelijk, snood; subst. —ness.

Flagon, flag’n, flesch, flacon, schenkkan.

Flagrancy, fleigr’nsi, gloed, openlijk plegen, gruwel, schandelijkheid; Flagrant, fleigr’nt, aan den gang, openlijk, afschuwelijk: A war was — = woedde.

Flail, fleil, dorschvlegel; — verb. dorschen.

Flake, fleik, subst. schilfertje, vlok, schol of schots, gestreepte tuinanjelier, droogrek voor visschen (Amer.); — verb. tot vlokken vormen, met vlokken bedekken, afschilferen: — of ice = ijsschots; —-white = soort v. wit blanketsel; Flakiness = vlokkige of schilferachtige toestand; adj. Flaky.

Flam, flam, subst. valsche voorspiegeling, opsnijderij, leugen; — verb. wijsmaken.

Flambeau, flambou, flambouw.

Flamborough, flambərə.

Flamboyant, flambôiənt, vlammend, gevlamd (bouwkunde); opzichtig.

Flame, fleim, subst. vlam, hitte, vuur, opgewondenheid, drift; liefje; — verb. vlammen, ontvlammen, in woede opvliegen, doen ontvlammen: He is all in a — for the measure = vuur en vlam voor; To set on — = in vlammen zetten; —-colour = helgele kleur; — eyed = met vurige oogen; —-shaped = gegolfd.

Flamen, fleim’n, oud Romeinsch priester.

Flaming, fleimiŋ, vlammend, heftig, overdreven.

Flamingo, fləmiŋgou, flamingo.

Flamy, fleimi, vlamachtig, vlamkleurig.

Flancon(n)ade, flaŋkəneid, zijstoot, zijhouw (bij het schermen).

Flanders, flândəz, Vlaanderen: — brick = poetssteen.

Flane, flein, flaneeren: They lazed and —d about the boulevards = slenterden en flaneerden.

Flange, flanž, flens, opstaande rand; — verb. van flens of rand voorzien: —-rail = spoorstaaf met opstaanden rand.

Flank, flaŋk, subst. zijde, flank, ribstuk; — verb. flankeeren, zich aan de zijde bevinden, grenzen aan, in de flank aanvallen, de flank dekken of bestrijken of omtrekken; —-company = de uiterste rechter- of linker-compagnie van een bataljon; —-files = de eerste twee mannen aan de rechteren de laatste twee aan de linkerzijde van de compagnie; —er = subst. flankeur.

Flannel, flan’l, flanel; —ette = katoenflanel.

Flap, flap, subst. klep, flap, slappe rand, lapèl, lel, pand, beweging met (geluid van) iets plats en breeds, klap, tafelblad; — verb. flappen, kleppen, slaan, neerslaan: The sails —ped in thunder = flapten met donderend geraas; —doodle = geklets, klare onzin; —-dragon = spelletje, om iets uit brandende cognac b.v. te halen; —-eared = met slappe ooren; —-hat = slappe hoed; —-mouthed = met hanglippen; —-table = klaptafel; —-window = opslaand dakraam; —per = breede dikke vin (v. een rob bijv.), lange schoen der Christy Minstrels, jonge wilde eend, bakvischje (fig.).

Flare, flêə, subst. flikkering, helle vlam, bluf; — verb. flikkeren, vlammen, schitteren, opzichtig zijn, overhangen: A —-up = opflikkering, gloeiende fuif, plotselinge woordentwist; He —d up = hij werd woedend, stoof op; Flaring = schitterend, opzichtig.

Flash, flaš, subst. vlam, flikkering, straal, schicht, uitbarsting, mislukte poging, soort sluis, zwarte strik (aan de uniform der Royal Welsh Fusiliers), woest stroomende watermassa, dieventaal; adj. dieven - -, opzichtig, onecht; — verb. flikkeren, schitteren, plotseling ontvlammen, schieten, vliegen: For a — = voor een oogenblikje; A — in the pan = ketsschot, mislukte poging; — of lightning = bliksemflits; — of wit = geestige inval; — language = dieventaal; The thought —ed across my mind = schoot mij te binnen; The news was —ed to America = geseind naar; —-house = helershuis; —man = schurk; To raise the —-point of petroleum = de ontvlammingstemperatuur verhoogen; —iness = opzichtigheid, smakeloosheid; —ing: —-light = flikkervuur (vuurtoren); —y = opzichtig.

Flask, flâsk, flesch, flacon, metalen of lederen kruitflesch.

Flasket, flaskət, spijsmand, kruitflesch.

Flat, flat, plat, vlak, moedeloos, verslagen, smakeloos, flauw, lusteloos, uitdrukkelijk, vierkant, ronduit, een halve toon verlaagd; subst. vlakte, vlak land, ondiepte, zandbank, platte kant, platboomd vaartuig; breedgerande strooien hoed (Amer.), palm van de hand, plat (dak), vertrekken op dezelfde verdieping, bovenhuis, mol (muziek), half achterscherm (tooneel), sul of hals; adv. plat, rechtuit, vlak, volkomen; — verb. vlak maken; mislukken (out) (Amer.): A — affair = een vervelend iets; — candlestick = blaker; — calm = volkomen windstilte; D-— = D-mol; I could not give him a — denial = kon hem niet zoo botweg weigeren; The — infinitive = de inf. zonder to; That is a — lie = een infame leugen; His defence fell — on the assembly = maakte niet den minsten indruk; To lie — on the ground = plat, languit; I won’t go there, and that’s — = ik ga er niet heen, en daarmee uit, dat spreekt vanzelf; — and plain = ronduit; —-bottomed = platboomd; —-cap = formaat v. papier, 35 × 43 c.M. platte muts; burgerman; —-fish = platvisch; domoor; —-footed = met platvoeten; vastberaden (Amer.); —head = groentje (Amer.); —-iron = vlak-, strijkijzer; —-race = wedloop zonder hindernissen; —-roofed = met een plat dak; —ten = plat, smakeloos, neerslachtig maken (of worden), den toon verlagen: To —ten the sail = scherp aanbrassen (halen); —ter = pletter (hamer); —ting-mill = pletmolen; —tish = ietwat plat; —wise = met de platte zijde naar beneden.

Flatter, flatə, vleien, overhalen, afvleien (out of), te gunstig voorstellen; —er = vleier; —y = vleierij.

Flatulence, —cy, flatjulens(i), winderigheid, opgeblazenheid; Flatulent; Flatus, fleitəs = Flatulence.

Flaunt, flônt, flânt, opzichtig gekleed zijn, zich aanstellen, pronken met; wapperen, uitwaaien; ook subst.; —y = pronkerig, opgedrild.

Flautist, flôtist, fluitist.

Flavour, fleivə, subst. geur, smaak; — verb. smakelijk of geurig maken; —ing = geurtje, kruiderij; —less = zonder geur of smaak.

Flaw, flô, scheur, spleet, gebrek, breuk, windvlaag; — verb. barsten, scheuren; —less = zonder gebreken, onberispelijk.

Flax, flaks, subst. vlas; —-comb = vlashekel; —-dressing = vlasbereiding; —-raiser = vlasverbouwer; —-seed = lijnzaad; —en = van vlas, vlaskleurig, goudgeel: —en-headed, —en-haired; —y = vlasachtig, vlaskleurig.

Flay, flei, villen, martelen; —-flint = vrek.

Flea, flî, vloo: He came away from the races with a — in his ear = hij kwam bekaaid van de wedrennen thuis; He put a — in my ear = maakte me ongerust; I sent him off with a flea in his ear = ik wees hem kort en scherp af, scheepte hem af; He skins a — for its hide = ziet op een cent; He sticks to it like a — to a fleece = als eene vloo aan een wollen deken; —-bane = vlooienkruid; —-bite = vlooienpik, onbeduidende verwonding; bagatel; —-bitten = door vlooien gebeten, gespikkeld, met roode vlekken op lichten grond.

Fleam, flîm, vlijm, laatmes, lancet: Case of —s = etui met laatmessen.

Fleance, flîəns.

Fleck, flek, subst. vlek, streep; — verb. bespikkelen, met streepen bedekken.

Flection, flekš’n. Zie Flexion.

Fled, fled, imperf. van to flee.

Fledge, fledž, vederen krijgen; —d = bevederd, kunnende vliegen; Fledg(e)ling, fledžliŋ, jonge vogel, die pas kan vliegen, melkmuil.

Flee, flî, vlieden, vluchten, vermijden.

Fleece, flîs, subst. vlies, vacht; — verb. scheren (van schapen), met een vlies of vacht bedekken, plukken, het vel over den neus halen, villen; —-wool = wol van het levende schaap; Fleecy = wollig: — clouds = schapewolkjes.

Fleer, flîə, subst. spot, bespotting; — verb. spotten, grinniken.

Fleet, flît, subst. vloot, inham, baai: The — = oude gevangenis voor gijzelaars (Londen); adj. snel, vlug; — verb. heenvliegen, voorbijsnellen, afroomen; —-dike = kade, dijk; —-footed = snelvoetig; —ing = snel voorbijgaand, vergankelijk; —ness = snelheid, vergankelijkheid.

Fleming, flemiŋ, Vlaming; Flemish, flemiš, subst. en adj. Vlaamsch(e taal), de Vlamingen: — bricks = klinkersteenen.

Flesh, fleš, subst. vleesch, lichaam, de zondige mensch, dierlijke lusten, aardsch bestaan, geslacht, bloedverwanten; — verb. met vleesch voeden, vleesch laten proeven, bevredigen, verzadigen, inwijden, gewennen, harden: I saw him in the animated — = in levenden lijve; An arm of — = menschelijke kracht of hulp; — and blood = de menschelijke natuur; They are one — = zij zijn één; You are gathering — = gij wordt dik; That story made my — creep (crawl) = ik kreeg kippenvel van dat verhaal; —-clogged = log van dikte; —-colour(ed) = vleeschkleur(ig); —-diet = vleeschkost; —-fly = vleeschvlieg; —-meat = vleeschspijzen; —-tint = vleeschkleur; —-worm = made, trichine; —er = slager (Schot.); —iness = vleezigheid; —ings = vleeschkleurig tricot; —ly = vleeschelijk, lichamelijk, zinnelijk, wereldsch: —ly minded = materialistisch; —y = vleezig, dik, zwaar, grof.

Flew, flû, imperf. van to fly.

Flex, fleks, (doen) buigen; —ibility = buigzaamheid; —ible = buigzaam, handelbaar, gedwee; —ile = buigzaam; —ion = (ver)buiging, bocht; —or = buigspier; —uose, fleksjuous, —uous, fleksjuəs, kronkelend, zigzag, flikkerend; —ure, flekšə, buiging, bocht.

Flibbertigibbet, flibətidžibit, babbelaar(ster), booze geest.

Flick, flik, subst. tik; — verb. tikken, wegknippen, afkloppen.

Flicker, flikə, fladderen, kleppen (v. vleugels), flikkeren (v. eene vlam); —-mouse, Zie Flittermouse.

Flier, flaiə, vlieger, vluchteling, snel paard; onrust, vliegwiel, rechte trap.

Flight, flait, vlucht, zwam: — of stairs = reeks van treden = gedeelte van eene hooge trap, die door landings afgebroken wordt; The enemies were put to — = op de vlucht geslagen; —iness = vluchtigheid, enz.; —y = vluchtig, snel, grillig, wispelturig, onbetrouwbaar.

Flim-flam, flimflam, kuur, gril, poets.

Flimsiness, flimzinəs, dunheid, enz. enz.; Flimsy, flimzi, adj. dun, zwak, gering, nietig, onbeduidend, onvast; subst. dun papier, mailpapier, bankbiljet: A — box = een los in elkaar getimmerde kist.

Flinch, flinš, terugdeinzen, aarzelen.

Flinder, flində, flentertje, stukje, splinter: To go to —s = in splinters gaan; —-mouse. Zie Flittermouse.

Fling, fliŋ, slingeren, met kracht werpen, in ’t rond gooien, verspreiden, slaan, ijlen, snellen; subst. worp, gooi, spot, uitval, onbeteugelde pret, Schotsche dans: I want to have a — at him = ik moet er hem eens goed van geven; To have one’s — = fuiven, veel uitgaan, pierewaaien; Young blood will have its — = de jeugd moet uitrazen; He had his — out = is uitgeraasd; We shall — in our swords if necessary = bij in de schaal werpen; The hounds were flung off the scent = van het spoor gebracht, het spoor bijster; He flung out at me = beleedigde mij; We have flung up the business = hebben aan den kant gegooid, laten varen.

Flint, flint, subst. keisteen, vuursteen, iets buitengewoon hards, hardvochtigheid; adj. van steen gemaakt: He (flays) skins a — = hij is buitengewoon gierig; —-age = steenen tijdperk; —-glass = flintglas; —-flake = steenen werktuig; —-lock = vuursteenslot (bij geweren); —-gun = ouderwetsche snaphaan; —-knapper (—-worker) = vuursteenmaker; —-stone = vuursteen; —y = steenachtig, hard, hardvochtig.

Flip, flip, tik; eierpunch; — verb. klappen, wegknippen met de vingers; —-flap, subst. geklepper, geklikklak: The clown turned somersaults and —-flaps = buitelde en deed allerlei sprongen.

Flippant, flip’nt, onbezonnen, lichtzinnig, onbescheiden, achteloos: His wit is —ly dull = hij is een vervelende zwetser; He is — on serious subjects = praat er maar op los als het ernstige onderwerpen betreft; subst. Flippancy.

Flipper, flipə, groote vin, poot (hand).

Flipperty-flopperty, flipətiflopəti, zich samenvouwend (als een slangenmensch of kunstenmaker). Zie Twisty-twirly.

Flirt, flɐ̂t, subst. ruk, zwaai; coquette; hofmaker; — verb. snel heen en weer bewegen, werpen, fladderen, huppelen, ongedurig zijn, coquetteeren, spelen met: She —ed her fan elegantly; He —ed the pellets of bread about = hij gooide de kogeltjes brood in ’t rond; Flirtation = coquetteeren = —ing.

Flit, flit, fladderen, vliegen, heen en weer trekken, verhuizen; —ter-mouse = vleermuis; —ting = verhuizing; —ty = vluchtig, onvast.

Flitch, flitš, zijde spek, gerookte en gezouten zijde van een varken.

Float, flout, subst. vlot, dobber, troffel; — verb. drijven, vlot zijn, vlotten, dobberen; laten drijven, vlot maken, overstroomen, aan den gang brengen (van eene zaak), bepleisteren: Let us — a company = oprichten; The ship was —ed out of dock = werd uit het droogdok gelaten; The ensign —s half-mast high = waait halfstok; —-board = plank van een stoombootrad, schoep; —age = alles, wat drijvende gevonden wordt; —ed work = vlak pleisterwerk; —ing = drijvend, vlottend, loopend, onzeker: —-battery = drijvende batterij; —-bridge = schipbrug: —-capital = vlottend kapitaal; —-debt = vlottende schuld; —-dock = drijvend dok; —-light = lichtschip, lichtboei; —-pier = drijvend havenhoofd; —-rib = valsche (losse) rib; —-terms = koopvoorwaarden voor zeilende (stoomende) lading; —-wick = drijvend nachtpitje.

Floccilation, floksileiš’n, het plukken aan beddedekens door stervenden.

Floccose, flokous, flokous, vlokkig; Flocculent, flokjulent, wollig, aan elkaar hangend; Floccus, flokəs, lange bos haar (aan den staart van koeien, b.v.).

Flock, flok, subst. kudde (schapen), vlucht, troep, vlok (haar of wol); — verb. zich in troepen vereenigen, samenstroomen; —s of chickens; Birds of a feather — together = soort zoekt soort; —-bed = bed gevuld met vlokken grove wol of lappen; —-master = opzichter over kudden schapen; —mel = in kudden; —y = vlokkig.

Floe, flou, ijsveld.

Flog, flog, slaan, afranselen, geeselen: They were —ging a dead horse = trokken aan een dood paard; —ger = zweep.

Flood, flɐd, subst. vloed, zondvloed, overstrooming; — verb. overstroomen, onder water zetten: When thwarted his personality rises in — = komt hij in volle kracht uit; He swam the —ed stream = den hooggaanden stroom; They —ed the market with diamonds; —-gate = sluisdeur; —-mark = hoogwatertij; —-tide will soon make = de vloed komt weldra op.

Flook, flûk. Zie Fluke.

Floor, flö, subst. vloer, verdieping, bodem, vlak, zittingszaal; — verb. bevloeren; neerslaan, tot zwijgen brengen, verslaan: He took the — last = hij nam het laatst het woord; All the rooms are on a — = gelijkvloers; That —ed me = bracht mij tot zwijgen; The child was —ed by the nurse = neergezet (in zedel. zin); To be —ed = zakken; He can — a paper for high-class honours = hij kan een schitterend examen ‘for honours’ doen; He has —ed his problem = goed opgelost; The problem has —ed him = was hem te machtig; —-cloth, subst. wasdoek voor vloerbedekking, linoleum; — verb. een vloer met linoleum bedekken; —-plan = platte grond (van een gebouw; Amer.); —-timbers = onderbalken, waarop eene vloer rust; —ing = het bevloeren, bevloersel, vloer, plaveisel; —less.

Flop, flop, subst. flap, klap; — verb. flappen, kleppen, neerslaan, neerploffen: It came — down = het flapte neer; Their footsteps were very audible: pit-pat, floppety-flop = klep-klep.

Flora, flôrə, naam van de godin der bloemen, plantengroei van een land; —l = bloemen betreffende; Floreated, flôrieitid, van bloemrijke versierselen voorzien; Florescence, flores’ns, bloeitijd of het bloeien (van eene plant); Floret, flôrət, bloempje, bloemdeeltje; Floriculture, flôrikɐltšə, bloemkweeking; Floriculturist; Florid, florid, bloeiend, bloemrijk, blozend, schitterend: —-faced = met frisch gelaat; subst. —ness; Floriform, flôriföm, bloemvormig; Florist, florist, bloemkweeker, bloemenkoopman, bloemenkenner; Floroon, florûn, rand van bloemen.

Florence, flor’ns; Florentine, flor’nt(a)in, subst. een bewoner van Florence, Florentijn; adj. Florentijnsch.

Florida, floridə.

Florin, florin, oud stuk van 2 Sh.

Flory boat, floribout, bootje om passagiers van een stoomschip naar wal te brengen.

Floscule, floskjul, bloempje; Floscular, Flosculose, Flosculous = met pijpvormige bloempjes.

Floss, flos, floretzijde, wollige stof: —-thread = vlokzijde voor borduurwerk.

Flotant, flout’nt, wapperende; Flotation = het drijven, op touw zetten; Flotative = drijfbaar; Flotilla, flətilə, flotille, kleine vloot.

Flotsam, flots’m, Flotson, flots’n, goederen bij eene schipbreuk verloren, en op zee drijvende achtergelaten: The jetsam and — of literature = de niet-klassieke (tijdelijke) producten.

Flounce, flauns, subst. rukkende beweging der ledematen; strook; — verb. spartelen, eene snelle beweging maken; van eene strook voorzien: She —d out of the room = zij ging snel (en boos) de kamer uit; —d = met strooken.

Flounder, flaundə, bot; werktuig om leder te rekken; — verb. worstelen, spartelen, rollen, sukkelen: He —ed in his speech = hakkelde, viel over zijne woorden.

Flour, flauə, subst. bloem (van meel, etc.); — verb. met fijn meel bestrooien, met bloem bedekt worden; —-dredge(r) = geperforeerd tinnen busje om bloem te strooien; —-mill = korenmolen; —y = melig, met bloem v. meel bedekt.

Flourish, flɐriš, subst. praal, vertooning, krul, zwaaien (met een zwaard); overdreven versiering, fanfare; — verb. gedijen, bloeien, toenemen, bloemrijke taal gebruiken, krullen maken, schallen, schetteren, borduren, zwaaien, versieren: — of trumpets = trompetgeschal, praalzieke aankondiging; A —ed letter = krulletter.

Flout, flaut, subst. beleediging, spot; — verb. (be)spotten, beleedigen, verachtelijk behandelen.

Flow, flou, subst. vloed, stroom, overvloed, vaardigheid (van spreken), drijfzand; — verb. vloeien, loopen, stroomen, opkomen, uitstroomen, smelten, overstroomen, fladderen, wijd afhangen: His — of spirits is something wonderful = zijne voortdurende opgewektheid; We stopped the — of his words = zijn woordenvloed; It —s in upon us = het wordt voor ons hoorbaar; —ing = vloeiend, overvloedig, fladderend, wijd.

Flower, flauə, subst. bloem, bloesem, keur, redefiguur, bloei (der jaren); — verb. bloeien, in den bloei der jaren zijn, met bloemen versieren; —-de-lis (luce) = zwaardlelie; —-gentle = amarant; —-head = bloemkroon; —-show = bloemententoonstelling; —-soft = teeder, buitengewoon zacht; —-stalk = bloemstengel; —ed = met bloemen versierd, bloemen dragend; —et = bloempje; —less; —y = bloemrijk, figuurlijk: The —y land = China; —y-kirtled = met guirlandes van bloemen versierd.

Flown, floun, part. perf. van to fly.

Fluctuate, flɐktjueit, golven, weifelen, aarzelen, op en neer gaan; subst. Fluctuation.

Flue, flû, schoorsteenpijp, vlampijp (stoomketel); zacht dons of bont, pluisjes; —-work = orgelpijpen met lippen; verkorting van Influenza (ook Flu).

Fluellen, fluel’n.

Fluency, flûənsi, vloeibaarheid, vaardigheid, welbespraaktheid; Fluent = vloeibaar, welbespraakt, praatziek.

Fluff, flɐf, licht dons, zacht wollig goed; — verb. uitspreiden als veeren: To — out a fringe = uit-, en opkammen; —iness, subst. v. —y = donsachtig, met dons of vederen, in de vederen gedoken, zacht.

Fluid, flûid, subst. vloeistof; adj. vloeibaar, gasvormig; —ness = Fluidity.

Fluke, flûk, zuigworm; bot; soort v. aardappel, ankerklauw, meevallertje, beest (op ’t biljart): I scored one by a — = ik kreeg een punt door een toeval of beest (in het spel); Fluky = gelukkig: A — stroke = een beest.

Flume, flûm, bergbeek, waterloop.

Flummery, flɐməri, meelpap; onzin.

Flummox, Flummux, flɐməks, in de war brengen; mislukken (Amer.).

Flung, flɐŋ, imperf. en part. perf. van to fling.

Flunk, flɐŋk, subst. luilak, slechte uitslag, fout; — verb. missen (in eene les, b.v.), zich terugtrekken, zich er uit draaien.

Flunk(e)y, flɐŋki, lakei, mosterdjongen (scherts.), lage vleier; onervaren beursspeculant (Amer.); He has a —fied pronunciation = als een lakei; —dom; —ism.

Fluor, flûə, Fluorite, fluərait, vloeispaath.

Flurry, flɐri, subst. drukte, verwarring, gejaagdheid, bui (— of wind), lichte bries, doodstrijd (van een walvisch); — verb. in de war brengen, doen ontstellen, verbijsteren.

Flush, flɐš, subst. blos, gloed, aandrift, schok, opgeschrikte vlucht vogels, overvloed, moeras; adj. frisch, krachtig, overvloedig, effen, vlak; — verb. blozen, opwinden, opjagen, doen blozen, kleuren, reinigen (door een waterstroom): He isn’t — of money just now = niet goed by kas; You will hardly get —ed over that work = in extase geraken; —deck = doorloopend dek; —ness = frischheid, overvloed.

Flushing, flɐšiŋ, Vlissingen.

Fluster, flɐstə, subst. opwinding, verwarring; — verb. door drank verhitten en opgezet maken, verwarren; subst. Flustration.

Flute, flût, subst. lang en dun broodje; fluitschip; groef, plooi; fluit; — verb. fluiten, op de fluit spelen, groeven maken, plooien; German — = dwarsfluit; Armed in — = slechts voor een deel bewapend (schip); —d = met groeven; Flutina, flûtînə, soort van harmonica; Flutist = fluitist.

Flutter, flɐtə, subst. trilling, ongeregelde polsslag, opgewondenheid, ongerustheid, ontsteltenis, wanorde; — verb. fladderen, zweven, trillen, druk zijn, weifelen, beuzelen; in verlegenheid of verwarring brengen, snel heen en weer bewegen: It put me in a — = maakte me gejaagd; A —ed bird = gejaagde.

Fluvial, fl(j)ûvj’l, Fluviatic, fl(j)ûviatik, Fluviatile, fl(j)ûvjətil, tot eene rivier behoorend, in de rivier levende.

Flux, flɐks, subst. vloed, stroom, omloop, samenloop, wisseling, samensmelting; — verb. smelten, zuiveren, purgeeren: — and re— = vloed en ebbe; —ibility = veranderlijkheid, smeltbaarheid; —ible = smeltbaar; —ion = vloeiing, samensmelting; fluxie: Method of —ions = integr. en different. rekening; adj. —ional = —ionary.

Fly, flai, subst. vlieg, mug, kunstvlieg, vliegwiel, onrust, schietspoel (bij het weven), breed deel van een windwijzer, vlag, rijtuig voor één paard, huurrijtuig; — verb. vliegen, snellen, opvliegen, heensnellen, zich snel verspreiden, springen, wapperen, verschieten, oplaten, voeren, vliegen over, ontvluchten; adj. glad, bij de hand: As drunk as a — = zoo dronken als een tol; There is a — in the honey = roet in de brij; I don’t care a — = ik geef er geen zier om; When I became — to it, I was disgusted = toen ik het snapte, er lucht van kreeg, walgde ik ervan: To let — = aanvallen, afschieten, slingeren, er op slaan, vieren, losgooien, loslaten; He flew at me suddenly = hij vloog plotseling op mij aan; He flew in the face of everything and everybody = hij beleedigde en trotseerde ieder en alles; To — into a passion = driftig worden; He flew out at me = hij voer tegen mij uit; To — the garter = een soort bokspringen; Shall we — our kite = onzen vlieger oplaten; geld trachten los te krijgen? —-bitten = door muggen gebeten; door vliegendrek bedorven; —-boat = vlieboot, snelle passagiersboot in vaarten, platboomd vaartuig; —-blow, subst. vliegenei; — verb. eieren leggen in (vleesch, b.v.); —-blown = bedorven, stinkend, vuil, schunnig, met vliegendrek; —-catcher = zonnedauw, vliegenvanger; gaper; —-cage = soort vliegenvanger; —-clapper = —-flap; —-clip = blad (reep) uit een —-book; —-fishing = hengelen (met kunstvlieg en als aas); —-flap = vliegendooder; —-leaf = schutblad, strooibiljet; —man = koetsier van een fly; —-powder = insectenpoeder; —-speck = vliegenspatje; —-trap = vliegenvanger (ook de plant): —-wheel = vliegwiel; —er, flaiə (Zie Flier); Flying, subst. het vliegen; adj. vliegend: —-army (squadron, party) = vliegend leger (escader, afdeeling); —-artillery = rijdende artillerie; —-bridge = ponton, gierbrug; — colours: They entered the town with — colours = triomfantelijk (met vliegende vaandels); —-dragon = vliegende draak = —-lizard; —-pinion = onrust van eene klok; —-post-office = postwagen (in een trein).

Foal, foul, subst. veulen; — verb. een veulen werpen: To be in — = drachtig; —-teeth = melktanden (v. een —).

Foam, foum, subst. schuim; — verb. (doen) schuimen: He —ed at the mouth = schuimbekte van woede; —-crested = met schuim bedekt; —y = schuimend.

Fob, fob, horlogezakje (in de broek); — verb. beetnemen: They were —bed off with a front attic = afgescheept; To — off on = aansmeren.

Focal, fouk’l, van een brandpunt: —-distance = brandpuntsafstand.

Focus, foukəs, subst. middelpunt, brandpunt; — verb. naar een brandpunt richten, tot brandpunt maken, samenkomen, stellen (v. een camera): He fixed and —sed the girls = fixeerde erg; He —sed the palace = richtte zijn kijker op; How shall he — all the light of his learning in one work = in één werk samenvatten, vereenigen?

Fodder, fodə, subst. veevoeder (als hooi; onderscheiden van pasture = groen veevoeder); — verb. voederen.

Foe, fou, subst. (persoonlijke) vijand, tegenstander = —man.

Foetid, Zie Fetid.

Fog, fog, subst. zware mist, verwarring, verlegenheid, grof gras, etgroen; adj. dik, mollig; — verb. in verlegenheid (in de war) brengen of zijn; het nagras afweiden: I am all in a — = ik ben er verlegen mee, het is me niet duidelijk; I am —ged = In a —; —-bank = zware mistbank; —-dog = heldere plek in eene —-bank; —-horn = misthoorn; —-ring = zwarte mistkring; —giness = mistigheid; —gy = mistig; vol gras, mosachtig.

Fog(e)y, fougi, ouderwetsch, excentriek persoon.

Foh, fou, bah!

Foible, fôib’l, zwakke zijde, zwak punt.

Foil, fôil, subst. foeliesel (achter een spiegel), dun metaalblad onder juweelen, om deze beter te doen uitkomen; wat iets voordeelig doet uitkomen; loofwerk, onverwachte teleurstelling, schermdegen, spoor van gejaagd wild; — verb. overwinnen, teleurstellen, verijdelen: The one was a — to the other = ze deden elkanders voortreffelijkheid uitkomen = They were set off by a —; —-stone = valsche steen; —er = verijdelaar; —ing = spoor van een hert op gras.

Foison, fôiz’n, overvloed, kracht, hitte, sap, vochtigheid.

Foist, fôist, onderschuiven, voor echt laten doorgaan: A —ed up affair = zwendel.

Fo’ks’le, fouks’l. Zie Forecastle.

Fold, fould, subst. schaapskooi, kudde, de Geloovigen, het vouwen, vouw; -voudig (in samenstellingen); — verb. opsluiten (in eene kooi), vouwen, sluiten (van handen): All the leaves in your book are —ed down = hebben ezelsooren; He was received within the — of the church = in den schoot der kerk opgenomen; —er = vouwbeen, vouwer; A pair of —ers = lorgnet; Folding = het opsluiten, de schaapskooi, het vouwen: —-chair = vouwstoel; —-doors = vleugeldeuren; —-net = slagnet; —-screen = vouwscherm; —-stool = klapstoel; —-table = klaptafel.

Foliaceous, fouljeišəs, bladervormig, bladerig; Foliage, fouljidž, subst. gebladerte, bladerwerk, loofwerk; — verb. met loofwerk versieren; Foliaged = met loofwerk versierd; Foliated, fouljeitid, verfoelied, gebladerd, met loofwerk versierd; Foliation, foulieiš’n, metaalpletting, het verfoeliën, het van loofwerk voorzien; Folio, fouljou, subst. doorloopende pagineering, folio, pagina, copie, 72 woorden in wettelijke stukken, 90 in parlementsstukken; adj. van foliogrootte (4 bladzijden in een vel); — verb. folieeren; Folious, fouliəs, dicht met bladeren bezet, bladeren hebbende, met bloemen vermengd.

Folk, fouk, subst. luitjes, volk: adj. tot het volk behoorend, overgeleverd: How are the old —(s) = hoe gaat het met de oudjes; —lore = het bijgeloof en de overleveringen van een volk, de studie daarvan; —-medicine = huismiddeltjes; —-mote = volksvergadering; —-rede = mondelinge overleveringen (v. bijgeloof etc.); —right = gewoonterecht; —-song = volkslied, populair lied; —-tale = volksmythe; Folklorist, fouklörist, fouklörist, kenner of beoefenaar van folklore.

Follicle, folik’l, zaadhuisje, klier; adj. Follicular, Folliculous.

Follow, folou, volgen, nazetten, tot het gevolg behooren, nagaan, de party kiezen van, voortkomen, opletten, gehoorzamen, een beroep uitoefenen: Something better was to — = het zou nog beter worden; It does not — that he is idle = daaruit volgt niet; We —ed (acted upon) certain lines = gingen volgens een bepaald plan te werk; Do you — me? = begrijpt gij mij? He —s his pleasure = jaagt zijn genoegen na; To — suit = kleur bekennen, navolgen; To — the trade of a blacksmith = uitoefenen; He —ed out his principles = handelde geheel volgens zijne beginselen; If you want to — her up, you must know where she lives = werk maken van; This work —s closely upon history = dit werk volgt de geschiedenis op den voet; —er = volgeling, volger, leerling, dienaar, vrijer: No —ers allowed (in advertenties) = geen vrijers in de keuken; A —ing breeze, sea, wind = van achteren inkomend; He has a —ing of rich friends = hij heeft een aanhang van rijke vrienden.

Folly, foli, dwaasheid, domheid, verdorvenheid.

Foment, fəment, voeden, kweeken, warm betten, aanmoedigen, aanhitsen; subst. —ation; —er = opruier, aanstichter.

Fond, fond, dwaas, onwijs, al te teeder of lief, toegevend, verzot op, gek met: She is — of her children = gek met haar kinderen; —le = liefkoozen, streelen, vertroetelen; lief doen; That is her —ling = hartje, lieveling; —ness = teederheid.

Font, font, doopvont; letterpolis, gietcedel; adj. —al.

Fontanel(le), fontənel, fontənel, open plek in een zuigelingsschedel; seton, etterdracht.

Food, fûd, voedsel, spijs, voeder: One man’s — is another man’s poison = den een z’n dood is den ander z’n brood; A daily — = almanak met teksten voor iederen dag van het jaar; —s = voedingsstoffen = —-stuffs.

Fool, fûl, subst. dwaas, malle vent, zot, zondaar (bijbelsch), kruisbessenvlade, slachtoffer; — verb. voor den gek houden, bedriegen, teleurstellen, bespotten: Abbot of —s = hoofdleider der dwaasheden in de vroegere kerstfeestviering; Feast of —s = oud feest op Nieuwjaarsdag; That’s a — to it = haalt er niet bij; He has made a — of me = hij heeft me voor den gek gehouden, belachelijk gemaakt; Let him play the — = laat hem voor dwaas of grappenmaker spelen; Don’t — away your time = verbeuzel uw tijd niet; —’s-errand = vruchteloos onderzoek: He is out on a —’s-errand = hij jaagt het onverkrijgbare na; —’s-paradise = blijdschap met eene doode musch: He lives in a —’s-paradise = hij leeft gedachteloos voort, belooft zich zelf gouden bergen; —hardiness, subst. v. —hardy = roekeloos, domdriest; —s-cap = narrenkap; soort v. papier, omdat dit formaat oorspronkelijk het watermerk van eene narrenkap had; —ery = dwaasheid, dolheid; —ing, subst. malligheid, grappigheid; adj. voor gek spelend; —ish = dwaas, simpel, mal, belachelijk, beschaamd; zondig (veroud.); subst. —ness.

Foot, fut, subst. voet (12 inches), maat, versvoet, het wandelen, korte afstand, voetvolk; — verb. loopen, dansen, betreden, (be)wandelen, een voet aanbreien, voorschoen aanzetten, opsporen, met den poot of de klauw pakken, optellen en daaronder de som opschrijven: —s = bezinksel; — by —; Sure of —; On — = te voet, gaande, op touw; At a —’s pace = stapvoets; To put one’s best — forward = zijn beste beentje voorzetten; To put one’s — in = zich compromitteeren; zijn mond voorbij praten; To put down one’s — = zich met kracht verzetten tegen; He shook the dust of his country from his feet = verliet zijn land; I never set — in America = heb nooit een voet gezet; Who will set the business on — = aan den gang brengen, op touw zetten? To take the measure of a person’s — = iemand doorgronden; To — it = loopen; These stockings must be —ed = er moeten nieuwe voeten aan deze kousen gebreid worden; The bill was —ed = de rekening werd betaald (Am.); —-and-mouth disease = mond- en klauwzeer; —-band = troep infanterie; —-ball = voetbal, met leer omgeven gummibal, gebruikt bij het spel van dezen naam; —-barracks = infanteriekazerne; —-board = treeplank, voeteneind; —-boy = loopjongen, livreiknechtje; —-bridge = brug voor voetgangers; —fall = (hoorbare) voetstap; —-guard = voetbekleeding (bij paard); —-guards = lijfwacht te voet (Grenadier, Coldstream en Scots guards); —-hold = steun voor den voet, vaste positie, vestiging; —-iron = voetboei, rijtuigtrede; —-licker = lage vleier; —-lights: He was before the —-lights = voor het voetlicht; —man = voetknecht, livreiknecht; —-mark = voetspoor, indruk van den voet; —-muff = voetenzak; —-note = aanteekening onder aan de bladzijde; —pace = wandelpas; verhoogde vloer; —pad = struikroover; —-passenger = reiziger te voet, wandelaar; —-path = voetpad; —-plate = staanplaats op een locomotief; —-post = voetbode; —-pound = voetpond; —-print = indruk van den voet; —-race = wedloop; —-rest = voetbankje; bok; —-rot = rotziekte bij schapen; —-rule = duimstok (30 c.M. lang); —-scraper = voetenkrabber; —-shackles = voetboeien; —-soldier = infanterist; —-sore = met pijnlijke (zeere) voeten; —-stall = vrouwenstijgbeugel; onderstuk van eene zuil; —step = voetstap: Follow his —steps = druk zijne voetstappen, volg zijn voorbeeld; —-stool = voetbankje; —-stove, —-warmer = (warm water)-stoof; —way = voetpad, ladder om in de mijnen af te dalen; —-worn = met pijnlijke (zeere) voeten; —ed = voetig; —er = voetbal: A six-—er = iemand van 6 voet; —ing = steunsel voor den voet, vaste positie, opstelling: He missed his —ing = stapte mis; It is difficult to get a firm —ing there = om daar vasten voet te krijgen; He has to pay his —ing = hij moet zijne entrée betalen (van een werkman, die voor het eerst zijn beroep aanvaardt); First —ing is a New-Year’s custom in Scotland; the person who first enters the house is called its first —; —y = waardeloos, onbeduidend: This sugar is very —y = deze suiker is onzuiver; They are little —y falderals = kleine niets beduidende prullen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings