← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

J.

Reading edition

J, džei; J(udge); J(udge) A(dvocate); Jac(ob); Jan(uary); Jav(anese); J(esus) C(hrist); J(uris) C(ivilis) D(octor); Jos(eph); Josh(ua) = Jozua; J. P. = Justice of the Peace = vrederechter; J(unio)r; Jul(y); Jun(e); Juris(prudence); J-pen = soort v. stalen pen.

Jab, džab, steken; steek: He —bed his pen-knife into the table.

Jabber, džabə, subst. gekakel, gebabbel; — verb. kakelen, wauwelen: He was —ing nonsense by the yard = kraamde heel wat onzin uit; —er.

Jabers, džabəz: By —! = alle duivels!

Jabez, džeibəz.

Jacent, džeis’nt, liggende.

Jacinth, džeisinth, džasinth, hyacint.

Jack, džak, verkleinwoord van John; jongmaatje, bediende, lummel, snaak, matroos, boer (in het kaartspel), mannetje, man, (jonge) snoek, halve of vierde pint, bok voor een braadspit, zaagbok, laarzeknecht, lederen bierhouder, dommekracht, doel (in balspel), prikkel, wig, vlaggetje, enz.; — verb. opschroeven, afschaven: Black — = een groote kruik of kan; Cheap —s were bawling their wares = standwerkers (= kooplui op een markt); Every (man) — of them = het heele zoodje, allen zonder uitzondering; Fresh water — = nieuweling, baar; — Ketch = de beul; — Pudding = Jan Klaassen, hansworst; — Sprat = dreumes, wijsneus; — Tar = pekbroek; A good — makes a good Gill = zoo man, zoo vrouw; Before a man can say — Robinson = als de wind; —, Tom and Harry = jan en alleman; —-a-dandy = fatje; —-all-general = factotum; —-at-a-pinch = invaller, behulp, noodhulp; —-by-the-hedge = look zonder look; —-in-the-box = duiveltje in een doosje; —-in-the-green = potsierlijk uitgedoste figuur bij het Meifeest der schoorsteenvegers; —-in-office = belachelijk, gewichtig doend ambtenaartje; —-o’-lantern = dwaallicht; — of all trades is of no trade = twaalf ambachten, dertien ongelukken; —-on-both-sides = weerhaan; —ass = mannetjesezel; —ass-rabbit = groote prairiehaas; —-block = bramreepblok; —-boots = waterlaarzen, rijlaarzen met een bovenstuk voor kniebedekking; —daw = kauw of kerkkauw; —flag = geus, boegsprietvlag; —-knife = groot knipmes; —plane = eerste (en ruwste) schaaf van den schrijnwerker; —-screw = dommekracht; —-staff = geuzestok; —-straw = stroopop (fig.); —s = een geduldspel, de stokjes hiervoor; —-towel = (grove) handdoek op rol; —-tree = Indische broodboom; —y = verkleinw. v. Jack.

Jackal, džakôl, subst. jakhals; handlanger, verklikker; adj. gemeen.

Jackanapes, džakəneips, aap, brutaaltje.

Jackaroo, džakərû, nieuweling, baar (Australië).

Jacket, džakət, subst. buis, jekkertje, omhulsel, mantel, vel, pels, huid; — verb. met een jacket bekleeden, of “wat op ’t jak geven”: Potatoes boiled in their —s = ongeschild gekookt; They are hardly out of —s = hebben pas eene lange broek aan; To dust (thrash, trim) a person’s — = een pak slaag geven; He got a sound —ing = zijn buis werd flink uitgeklopt (fig.).

Jacob, džeikəb, Jacob: —’s ladder, speerkruid; touwladder met houten sporten; —’s membrane = buitenste vlies van de retina; —’s staff = krukstok, pelgrimsstaf, ijzeren voet van een instrument voor het meten van hoogten en afstanden; —ean, džakəbîən, uit den tijd van James I; Jacobin, džakəbin, subst. Dominikaner; Jacobijn; adj. Jacobijnsch; Jacobite, džakəbait, aanhanger van Jacobus II en diens zoon; Jacobus, džəkoubəs, gouden munt van 25 sh. uit den tijd van Jac. II.

Jaconet, džakənet, jaconnet.

Jacquard, džəkâd, džakəd: — loom = Jacquard weefgetouw.

Jacqueline, džak(w)əlin; Jacques, džakwəs, džeikwîz.

Jaculator, džakjuleitə, spuitvisch; —y prayer = schietgebedje.

Jade, džeid, subst. (oude) knol, soort v. stier, oud wijf, wildzang, slet; nephriet, bittersteen; — verb. verachten, voor den gek houden, afjakkeren; Jadish, Jady = weerspannig, slecht, liederlijk.

Jag, džag, subst. kerf, tand, prikkel, uitstekende punt; pak, vracht, hoeveelheid koren, stroo, etc., stuk in den kraag; — verb. kerven, tanden: —ged (= —gy) = getand, met kepen, met schaarden, scherp; subst. —gedness; —ger = getand wieltje of rolletje = —ging-iron.

Jagg(h)e(r)ry, džagəri, soort v. Oost-Ind. palmboom = —-palm.

Jaguar, džagwâ, džagjuâ, džagwâ, jaguar.

Jah, džâh, Jehova.

Jail, džeil, gevangenis, kerker; — verb. kerkeren; —-bird = boef; —-fever = (typheuse) hospitaalkoorts; —er = cipier.

Jake, džeik, Jaap.

Jalap, džaləp, džoləp, jalappe.

Jalouse, džəlûz, verb. verdenken.

Jalousie, Fr. uitspr., jalouzie.

Jam, džam, subst. gelei, iets zoets (liefs), snoes; iets voortreffelijks; gedrang, opstopping; titel van sommige Br.-Ind. hoofden; soort v. mousseline, kinderjurk; — verb. duwen, drukken, neer- of indrukken, fijn maken, klemmen, knellen: The lid —med a little = het deksel knelde; The cartridge is —med = zit vastgekneld.

Jamaica, džəmeikə, Jamaica (rum).

Jamb, džam, stijl van deur of raam, etc.

Jambok, džambok, lange zweep van nijlpaardenhuid (Z.-Afr.).

Jamboree, džambərî, gloeiende fuif.

James, džeimz; Jameson, džeims’n; Jamieson, džeimis’n.

Jampan, džampan, door vier mannen gedragen draagstoel (Japan); —ee, džampənî, draagstoeldrager.

Jane, džein, Janna, Jaantje; Janet, dženət, Jansje.

Jangle, džaŋgl, subst. gekibbel, geharrewar, geratel, wanklank; — verb. kibbelen, onaangenaam klinken, ontstemmen; —r.

Janitor, džanitə, portier, custos.

Janizary, džanizəri, janizəri, Janitschaar (soldaat van een in 1826 ontbonden Turksche garde).

Jansenism, džansənism, Jansenisme; Jansenist = Jansenist; adj. Jansenistisch.

January, džanjuəri, Januari: Not till a hot — = met St. Juttemis.

Janus, džeinəs, Janus; —-cloth = stof aan twee kanten gelijk.

Jap, džap, (verkorting van Japanese), Japanees; jongleur, goochelaar, enz.

Japan, džəpan, subst. Japan; lak, verlakt werk; — verb. lakken, poetsen; —ese, džapənîz, džapənîs, subst. en adj. Japanees(ch); —ner, džəpanə, verlakker; schoenpoetser.

Jape, džeip, subst. scherts, streek, aardigheid; — verb. schertsen, uitlachen, bespotten, bedriegen, eene poets bakken.

Japheth, džeifəth; adj. Japhetic.

Japish, džeipiš, grappig; subst. —ness.

Japonica, džəponikə, Japansche kwee.

Jar, džâ, subst. flesch, kruik, pot; knarsend, ratelend geluid, wanklank, oneenigheid, kier; — verb. knarsen, krassen, onaangenaam treffen, in schelle tegenstelling zijn met, twisten, kijven, doen trillen, verontrusten: The door is on the — = a— = op een kier; It —s on my ears = het doet mijn ooren pijn; That does not — with the surroundings = strijdt niet tegen, harmonieert met.

Jarde, džâd, hazenspat aan den poot van een paard.

Jardiniere, Fr. uitspr., jardinière.

Jargon, džâg’n, subst. brabbeltaal, gewauwel, dieventaal; — verb. koeterwaalsch praten = —ize.

Jargonelle, dzâgənel, soort v. vroege peer.

Jarl, jâl, edele, hoofdman.

Jarv(e)y, džâvi, huurkoetsier, huurrijtuig.

Jasey, džeizi, sajetten pruik, kalotje.

Jashawk, džas-hôk, jonge havik.

Jasmin(e), džasmin, jasmijn.

Jason, džeis’n; Jasper, džaspə, Jasper; jaspis.

Jaundice, džândis, džôndis, geelzucht, nijd; — verb. geelzuchtig maken, met afgunst vervullen; —d = geelzuchtig, afgunstig.

Jaunt, džânt, džônt, subst. zwerftochtje, uitstapje, rijtoertje; — verb. rondzwerven, een uitstapje maken; —iness, subst. v. —y = opgewekt, lustig, zwierig, elegant; Jaunting-car, džântiŋ-kâ, Iersch karretje met twee banken overlangs.

Java, džâvə, Java(koffie); —nese, džavənîz, džavənîs, subst. en adj. Javaan(sch).

Javelin, džavəlin, werpspies; —-man = speerdrager.

Jaw, džô, subst. kaak, mond, gekakel, brutaliteit, grove scherts, scheldwoorden, twist; — verb. kakelen, kletsen, een grooten mond (bek) opzetten, uitschelden: We were rescued from the —s of death = uit de kaken des doods; It is too crack-— a name = een te moeielijk uit te spreken; —-bone; —-breaker = moeielijk uit te spreken woord; —-lever, instrument om den bek van vee voor het inbrengen van medicijn te openen; —-tooth = maaltand.

Jay, džei, Vlaamsche gaai; praatjesmaker, lichtzinnig meisje, domkop.

Jeaffreson, džefəs’n.

Jealous, dželəs, jaloersch, bezorgd, wantrouwend, zeer gesteld op: I am — of any one disturbing my books = bang, dat …; —y = jaloerschheid, argwaan, bezorgdheid.

Jeames, džîmz, lakei (verbast. van James); Jean, džîn.

Jean, džein, gekeperde katoenen stof.

Jedburgh, džedbərə.

Jeejee, džidžî, “huuthuutpaardje” (kindertaal).

Jeer, džîə, subst. hoon, spot; — verb. bespotten, schimpen op.

Jefferson, džefəs’n; Jeffrey, džefri, Godfried, Govert: Jeffreys, džefriz; Jehovah, džihouvə, Jehova.

Jehu, džîhjû, koetsier (2 Koningen IX, 20).

Jejune, džədžûn, schraal, dor; nuchter; subst. —ness.

Jekyll, džekil, džîkil.

Jell, džel = —ify = tot gelei maken of worden; Jelly, dželi, subst. gelei; — verb. = —ify; I’ll beat you to a — = ik zal je tot mosterd slaan; —-fish = kwal; A tin —-mould = vorm.

Jem, džem, Koos; Jemima, džəmaimə.

Jemadar, Jemidar, džemidâ, inlandsch luitenant; politiebeambte, opzichter (Indië).

Jemmy, džimi.

Jemmy, džemi, džimi, subst. kort breekijzer, gebraden schaapskop; (over)jas; adj. keurig, netjes.

Jennet, dženət, genet, Spaansch paardje.

Jenneting, dženətiŋ, soort v. vroege appel.

Jenny, dženi, džini, spinmachine; stoot waarbij men zijn eigen bal stopt; —-ass = ezelin; —-wren = winterkoninkje.

Jeopard, džepəd, op ’t spel zetten, wagen; —er = waaghals; —ize = To jeopard; —ous = gewaagd, gevaarlijk; —y = gevaar, waagstuk.

Jephthah, džeftə.

Jereed, džərîd = Jerid.

Jeremiad(e), džerəmaiəd, klaaglied, Jeremiade; Jeremiah, džerəmaiə; Jeremy, džerəmi.

Jericho, džerikou: I wished him at — = ik wou dat hij op de Mookerhei zat.

Jerid, džərîd, werpspies.

Jerk, džɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag, plotselinge, krampachtige beweging; in reepen gesneden en in de zon gedroogd vleesch; — verb. plotseling rukken, schudden of stooten, krampachtig trekken; vleesch in lange reepen snijden en in de zon drogen; —ed beef; —y = met rukken, krampachtig, ongeduldig.

Jerkin, džɐ̂kin, nauwsluitend buis of jekkertje.

Jeroboam, džerəbouəm, wijnflesch v. 10 à 12 quarts; Jerome, džer’m, džiroum.

Jerry, džeri: —-builder, —-building = revolutiebouw(er): That book is a piece of —-building = is slecht in elkaar gezet, is knoeiwerk; —-shop = kroeg; —-sneak = pantoffelheld; zakkenroller.

Jersey, džɐ̂zi, fijn gesponnen wol; nauwsluitende sporttrui (voor roeiers enz.).

Jerusalem, džərûsəlem; Jervis, džɐ̂vis, džâvis; Jesaiah, džəzeijə.

Jess, džes, leeren riem aan den poot van valken; — verb. vastbinden.

Jessamine, džesəmin. Zie Jasmine.

Jesse, džesə, groote koperen kerkkroon = — candlestick.

Jest, džest, subst. scherts, boert, mikpunt van spotternij; — verb. schertsen, bespotten: It was but said in — = maar schertsend; He can’t take a — = kan geen scherts verdragen; —er = schertser, nar; —ing apart! = alle gekheid op een stokje!

Jesuit, džežuit, Jezuiet; —s’ bark = bruine kinabast; —ic(al), džežuitik(’l), jezuietisch; —ism, džežuitizm = —ry, džežuitri, Jezuietisme.

Jesus, džîžəs, Jezus: —! What a sight!

Jet, džet, subst. straal; git; — verb. uitwerpen, uitstralen, uitspuwen; uitspuiten; —-black = gitzwart; —ty = gitachtig.

Jetsam, Jetsom, džets’m, overboordgeworpen goederen, strandgoed.

Jettison, džetis’n, goederen overboord werpen: To make — = uit nood overboord werpen.

Jetty, džeti, klein havenhoofd, pier (Zie Jet); —-head = kop van een havenhoofd.

Jew, džû, Jood; —-baiting = jodenvervolging; —’s-eye, —ess’-eye = iets van groote waarde; —’s harp, (—’s trump) = mondharp; —’s poker = “sjabbesgojje”, een Christen meisje, dat op Sabbath vuur en licht onderhoudt; —-thrift = het zoeken van eigen grootheid; —ess = jodin; —ish = joodsch; —ry = Judea, jodenbuurt, jodendom.

Jewel, džûəl, subst. juweel (ook fig.), kleinood, steen (in uurwerk); — verb. met juweelen versieren, steenen aanbrengen: A watch —(l)ed in nine holes = op negen steentjes loopend; —-case = juweelkistje; —ler, džûələ, juwelier; —(le)ry, juweelen, juwelierswerk.

Jezebel, džezəbel, booze, brutale, schaamtelooze vrouw.

Jib, džib, subst. kluiver (zeil), kraan, balk, schichtig paard, smoel; — verb. schichtig worden, zijwaarts of achteruit springen (van paarden), achteruit krabbelen; —-boom = kluiverboom; —ber = schichtig paard.

Jibe, džaib. Zie Gibe en Jib (verb.).

Jiffy, džifi: In (half) a — = in een wip.

Jig, džig, subst. levendige dans, hupsasa, danswijsje; poets, streek; kolenwip; — verb. een jig dansen of spelen, vedelen, op en neer bewegen met korte rukjes, ziften, bedriegen; —-a-— = —-a-jog = rukkende of stootende beweging; ook adv. en verb.; —-maker = grappenmaker.

Jigger, džigə, danser, biljartbok, ertszeef, ertszifter, pottebakkerswiel, rijwiel (plat).

Jiggle, džig’l, (doen) wiegelen, heen en weer trekken, spartelen.

Jilt, džilt, subst. coquette; valsche sleutel; — verb. coquetteeren, de bons geven, laten zitten.

Jim, džim, Jaap; — Crow, titel van een negerliedje en dans; in samenst. neger-; — Crow car = wagon voor negers.

Jimcrack(ery), džimkrakəri. Zie Gimcrack(ery).

Jimmy, džimi. Zie Jemmy.

Jimp, džimp. Zie Gimp.

Jingle, džing’l, subst. gerinkink, geklingel, rijmelarij, overdekte Iersche of Australische tweewielige kar; — verb. rinkinken, rinkelen, klingelen, rijmelen: He is a —-brains = warhoofd, lichtzinnig heer; Jingling pianos = rammelkasten; To — glasses = klinken.

Jingo, džingou, chauvinist, oorlogzuchtige Tory (die de partij der Turken wou kiezen in 1877–1878, zoo genoemd naar de in ’t refrein van een café-chantant liedje uit dien tijd voorkomende uitdrukking: By — = bij alle goden, voor den drommel); ook adj.; —ism = de gevoelens der Jingo’s.

Jinks, džiŋks: High — = Oud Schotsch gezelschapsspel; fuif; At high (On the high) — = erg vroolijk zijn; It was high (grand) — = het was een “reuzen-pan”; To cut high —, To hold high — = luidruchtig fuiven.

Jinn(ee), džin(î), booze geesten (Mahomed. mythologie); enkelv. —ee, džinî.

Jinricksha, džinrikšə, jinrikscha (Brit. Ind. wagentje).

Jiujitsu, jûjitsu, Japansch worstelen.

Joachim, džouəkim; Joan, džoun, džə-an, Johanna.

Job, džoub, Job: —’s comfort = schrale troost; —’s news; —’s post = Jobsbode; As poor as — = doodarm; —ation = strafpredikatie.

Job, džob, subst. karwei, baantje, werkje, zaakje (in ongunst. zin), knoeierij; por; ook adj. — verb. karweitjes doen, aannemen of aanbesteden, verhuren, speculeeren, koopen in ’t groot en weer in ’t klein afzetten; scharrelen, in een betrekking schuiven, een por geven, pikken: That’s a good — = gelukje, meevallertje; A bad — = een leelijk geval; beroerde boel; He did the — for the ruffian = hij doodde den schurk; By the — = bij aanneming; —-goods = koopjes, rommel; —master = verhuurder van paarden en rijtuigen; —-printer = drukkersgezel (voor een bepaald werk aangewezen); —ber = iemand die op stuk werkt, detailverkooper, effectenhandelaar, beursspeculant, paard- en rijtuigverhuurder, knoeier; —-bery = knoeierij, wisselruiterij; Jobbing: —-house = drukkerij (van allerhande drukwerk, maar geene couranten of boeken); —-tailor = lapper, versteller.

Jocelyn, džosəlin, Just.

Jock, džok, jockey: Gentleman — = heerrijder; Jockey, džoki, subst. jockey, pikeur; bedrieger; — verb. bedriegen; tegenaan rijden (bij wedrennen); verdringen, zich op oneerlijke wijze bevoordeelen: Lewis XIV —ed his grandson on to the throne of Spain = hielp door allerlei intrigues; —ism = rijkunst; praktijken der jockeys = —ship.

Jocose, džəkous, grappig, boertig, amusant; subst. —ness = Jocosity.

Jocular, džokjulə, snaaksch, grappig; —ity, džokjulariti, snaakschheid, grappigheid.

Jocund, džok’nd, džouk’nd, blijde, vroolijk, opgewekt; —ity, džəkɐnditi = —ness = vroolijkheid.

Joe, džou = Joseph, John; een fourpenny stuk, en = — Miller = oude “mop”, een uit den Enkhuizer; Not for Joe = Not for Joseph.

Jog, džog, subst. stootje, sukkeldraf; — verb. zachtjes aanstooten, vooruitstooten, heen en weer loopen, horten, sukkelen: Shall I — your memory for you? = opfrisschen, wakker schudden; I am —ging = ik ga er van door; —-trot, subst. sukkeldrafje; routine; adj. eentonig, vervelend.

Joggle, džog’l, waggelen, rammelen, tegen elkaar stooten, inkepen.

John, džon, Jan, Johannes; St. — the Baptist = Johannes de Dooper; — Bull = de Engelsche natie; — Company = de Oost-Ind. Compagnie; — Dory, džondôri, zonnevisch, St. Pietersvisch.

Johnny, džoni, verkleinw. van John; vent, enz.: He is a soft — = een groote sul; — cake = maïskoek (Amer.); Amerikaan (Amer.); — Crapaud, džonikrəpou, de Fransche natie; — Raw = recruut, landrot; The Head Johnnies in the Primrose League = kopstukken.

Johnson, džons’n: —ese, džonsənîz, džonsənîs, klassieke, deftige stijl van Dr. Johnson (1709–84); Johnston(e), džonst’n.

Join, džôin, vereenigen, verbinden, samenvoegen, zich aansluiten bij, lid worden van, instemmen, overeenstemmen, grenzen aan, samengaan, enz.; subst. verbinding, verbindingsplaats: Will you join us? = doet (of gaat) ge mee met ons, kom je bij ons zitten? To — battle = slaags raken; To — hands with = de hand reiken, bijstaan; I have —ed interests with him = mijne belangen met de zijne verbonden; He —ed the majority = stierf; To — a ship = aan boord gaan, zich inschepen; Shall we — tables? = de tafels aan elkaar zetten? I did not — with him = was het niet eens; Joinder = vereeniging van twee zaken in een proces (Jur.) = — of action; Joiner = schrijnwerker; —y = schrijnwerkersvak of -beroep.

Joint, džôint, verbinding, aanknoopingspunt, gewricht, knoop, scharnier, dwarsspleet; groot stuk vleesch; adj. vereenigd, verbonden, gezamenlijk, solidair; — verb. vereenigen; in joints verdeelen: Out of — = uit het lid, uit de voegen, in wanorde (Zie Nose); — and several = allen zonder onderscheid; On — account = voor gezamenlijke rekening; —-gout = gewrichtsrheumatiek; —-heir = mede-erfgenaam; —-stock = maatschappelijk kapitaal: —-stock company = maatschappij op aandeelen; —-stock Bank = commandite bank; —-stool = vouwstoel; —-tenancy = medebezit; —-tenant = medebezitter; —er = lange schaaf, reeschaaf; —ing-plane = reeschaaf; —ing-rule = winkelhaak.

Jointure, džôintjə, subst. goederen vastgezet op eene vrouw bij haar trouwen, om de opbrengst ervan na mogelijk overlijden van haar man te genieten; — verb, vastzetten op.

Joist, džôist, subst. dwarsbalk; — verb. van dwarsbalken voorzien.

Joke, džouk, subst. scherts, grap, kwinkslag; — verb. schertsen, plagen: A practical — = ruwe grap, kwajongensstreek; Small —s = flauwe grappen; It was above a — = om je ziek te lachen; In — = uit de grap, schertsend; That’s past a — = dat gaat te ver; To bear (take) a — = scherts verstaan; To pass (put) a — upon = een poets bakken; He can’t realise a — = niet snappen; He would not see the —; You have worn that old — nearly off its legs = die mop is al heel afgezaagd; He —d me good-naturedly = plaagde; —r = grappenmaker; vent; troef kaart; Joking apart = alle gekheid op een stokje.

Jole, džoul. Zie Jowl.

Jollification, džolifikeiš’n, jool, lolletje; Jollify = pret maken; Jollity = pret, jool; Jolly, džoli, dartel, vroolijk, lollig, lichtelijk aangeschoten, verduiveld aardig; subst. marinier; — verb. beetnemen; ophemelen (Amer.): He is — rich = zit er aardig bij; — Roger = zwarte zeerooversvlag.

Jolly-boat, džolibout, jol.

Jolt, džoult, subst. schok, stoot; — verb. schokken, horten, stooten; —(er)-head = domkop, ezel; —er-headed = ezelachtig, dom.

Jonah, džounə: I seem to — everything I touch = te doen mislukken; Jonas, džounəs; Jonathan, džonətən; Jonathan, trouwe vriend: Brother — = de Amerikaansche natie, het type Amerikaan; Jones, džounz.

Jonquil, džonkwil, jonquille.

Jonson, džons’n; Jordan, džöd’n.

Jorum, džôr’m, groote beker of bowl.

Joscelin, džosəlin; Josceline, džosəlain.

Joseph, džouzef, dames rijkleed (18de eeuw); Jozef: I have been no — = geen heilig boontje; Not for — = om den dood niet; Josephine, džouzəfin; Josh(ua), džoš(uə); Josiah, džosiə.

Joss, dšos, Chineesche afgod; —-house = Chineesche tempel; —-house-man = (Chin.) priester, missionaris; —-stick (= Jostick) = wierookstok in Chin. tempels.

Josser, džosə, vent: Old — = ouwe paai.

Jostle, džos’l, stooten, duwen, verdringen, hossen; ook subst.

Jot, džot, subst. jota, kleinigheid, beetje; — verb. even opschrijven, aanteekenen (down); —ting = memorandum, notitie, bericht.

Joule, džaul.

Journal, džɐ̂n’l, dagboek, dagblad, courant, handelingen van een geleerd genootschap of parlement; journaal, scheepsjournaal; —ese = krantentaal; —esia = krantenwereld; —ism = de pers; —ist = dagbladschrijver; adj. —istic; —ize = journaliseeren (= To carry (post) into the journal).

Journey, džɐ̂ni, subst. reis; — verb. reizen, trekken: —s outward and back again = uit en thuis reizen; To go on a —; They made a — = deden een reis(je); —man = werkman, daglooner, knecht; handlanger; —-weight = ongeveer 180 oz. Troy van goud en 720 van zilver; —work = dagwerk, knoeiwerk.

Joust, džûst, džɐst, subst. tournooi, steekspel; — verb. een steekspel of tournooi houden.

Jove, džouv, Jupiter: By —! = sapperloot.

Jovial, džouvj’l, vroolijk, opgewekt; —ity, džouvialiti, vroolijkheid = —ness.

Jowett, džauət.

Jowl, džoul, kop van een visch, bek, kossem, lel, wang, kaak: Cheek by — = met de koppen bij elkaar, vlak naast elkaar, wang aan wang.

Jowler, džoulə, džaulə, soort (jacht)hond.

Joy, džôi, subst. vreugde, blijdschap; — verb. zich verheugen: Kill — = spelbreker; I give (wish) you — = ik feliciteer u; —-bells = vreugdeklokken; —ful, blijde, verheugd; subst. —fulness; —less = treurig, verdrietig; subst. —lessness; —ous = blijde, verheugd; subst. —ousness.

Juan, džûən.

Jubilant, džûbil’nt, juichend, jubelend; Jubilate, jubelen; subst. džûbileitî, psalm 100 bij den morgendienst der Eng. kerk; derde Zondag na Paschen, wanneer Psalm 66 den introïtus vormt; Jubilation, džûbileiš’n, gejuich, gejubel, vreugdebetoon; Jubilee, džûbilî, groot jubelfeest (om de 50 jaar) bij de Israëlieten ter herdenking van de bevrijding uit de Egyptische slavernij; kerkfeest (om de 25 jaar) te Rome; feestgetij; de 50e verjaardag van eene blijde en belangrijke gebeurtenis.

Judaea, džudîə; Judah, džûdə; Judaic, džudeiik, joodsch; Judaism, džûdeiizm, jodendom, joodsche leer; Judaize, džûdeiaiz, in overeenstemming brengen met joodsche leer en gebruiken, joodsche begrippen hebben of leeren.

Judas, džûdəs, Judas, verrader, kijkgat (= —-hole); —-coloured (—-haired) = rood, rossig; —-tree = Judasboom.

Judcock, džɐdkok, watersnip.

Jude, džûd; Judea, džudîə; adj. —n, ook: jood.

Judge, džɐdž, subst. rechter, kenner, scheidsrechter; — verb. oordeelen, vonnissen, beslissen, onderscheiden, achten, beschouwen, beoordeelen (of = over); —-advocate = auditeur militair; Judging from what you say = te oordeelen naar; —ship = rechtersambt.

Judgment, džɐdžm’nt, oordeel, vonnis, onderscheidingsvermogen, verstand, godsoordeel, laatste oordeel, rechtspleging, goddelijk raadsbesluit: — by default was passed on him = er werd vonnis bij verstek tegen hem gewezen; In my — = naar mijn oordeel; To give (pass, pronounce, render) — = vonnis vellen; The court sat in — = het hof had zitting; That plague was considered as a — upon the people = als een godsoordeel; —-day = dag des oordeels; —-debt = door den rechter vastgestelde schuld; —-hall = audientiezaal, gerechtszaal; —-seat = rechterstoel, vierschaar, rechtbank.

Judicable, džûdikəb’l, onderworpen aan de jurisdictie; Judicative, džûdikətiv: — faculty, power = vermogen tot oordeelen.

Judicature, džûdikətjuə, rechtersambt, rechtspleging, rechtspraak, rechtsgebied, gerechtshof.

Judicial, džədiš’l, rechterlijk, gerechtelijk, critisch.

Judiciary, džədišəri, subst. de rechterlijke macht; adj. gerechtelijk, rechtsprekend.

Judicious, džədišəs, oordeelkundig, scherpzinnig, verstandig, weloverlegd; subst. —ness.

Judith, džûdith.

Judy, džûdi, Judithje; de “vrouw” (Trijn) van Punch in de poppenkast; vogelverschrikker (fig.).

Jug, džɐg, kruik, pot; gevangenis; nachtegaalslag; — verb. slaan als een nachtegaal, stoven, opsluiten: Not by a —ful = in geen geval (Amer.).

Jugal, džûg’l, tot het jukbeen behoorende.

Juggernaut, džɐgənôt, de Ind. Godheid Krischna, meer in het bijzonder het beeld van den God te Puri in Orissa; Moloch (fig.); iets waaraan men meedoogenloos wordt opgeofferd of zich blindelings opoffert.

Juggins, džɐginz, sul.

Juggle, džɐg’l, subst. goocheltoer, bedriegerij; — verb. goochelen, bedotten; —r = goochelaar, bedrieger; —ry = goochelarij, bedriegerij.

Jugular, džûgjulə, subst. keelader; adj. tot nek of keel behoorende; Jugulate, džûgjuleit = keelen, den hals afsnijden, smoren (fig.).

Juice, džûs, sap: To stew in one’s own — = in zijn eigen vet gaar smoren; —less; Juiciness = sappigheid; adj. Juicy = sappig.

Ju-ju, džû-džû, fetisch, fetischdienst, daarmee verrichte vervloeking (Afrika).

Jujube, džûdžûb, jujube.

Juke, džûk, buigen; duiken (Schotl.).

Julep, džûlep, koeldrank; soort bowl bestaande uit whisky, ijs, suiker, pepermunt (Amer.).

Julia, džûliə, Julia.

Julian džûliən: — account = Juliaansche (door Julius Caesar ingestelde en tot 1572 in Engeland gebruikelijke) tijdrekening; — Alps; Juliana, džûlianə.

Juliers, džûliəz, Gulik. Juliet, džûliət. Julius, džûliəs.

July, džulai, Juli.

Jumar, džûmâ, (fabel) muilos, osezel, muilpaard.

Jumble, džɐmb’l, subst. verwarring, mengelmoes; soort koekje; — verb. door elkaar gooien, door elkaar raken of geschud worden: — sale = goedkoope bazaar.

Jump, džɐmp, subst. sprong, soort van buis; — verb. springen, snel rijzen, stooten, hotsen, overheen springen, laten dansen, zich werpen op; een claim in bezit nemen tijdens de afwezigheid van den eigenaar (Amer.); wagen: —s = lijfje, zoogcorset; He —ed at my proposal = pakte met beide handen aan; To — at (to) conclusions = voorbarige gevolgtrekkingen maken; My judgment —ed (in) with his = stemde overeen met; He was —ed off at the last fence = afgeworpen; To be —ed on (with both feet) = (ernstig) berispt worden; Great wits — together = stemmen overeen; —-seat = open wagentje met neerklappende zitplaats(en); —er = springer, sprinkhaan, kaasmijt, boorwerktujg, soort trui; The —ers = godsdienstige sekte (die God “huppelend” meent te moeten dienen); —ing-jack = hansworst; A —ing-off place = springplaats; —ing-pole = polsstok; —ing-sheet = springzeil; —y = bewegelijk, zenuwachtig.

Juncaceous, džɐŋkeišəs, biesachtig; Juncous, džɐŋkəs, vol biezen.

Junction, džɐŋkš’n, verbinding, vereeniging, vereenigingspunt; —-railway = verbindingsspoor.

Juncture, džɐŋktšə, verbindingspunt, naad, verbinding; bepaald of kritiek oogenblik, tijdsgewricht: At (in) this —.

Juncus, džɐŋkəs, bloembies.

June, džûn, Juni.

Jungle, džɐŋg’l, tropische wildernis; —-fever = tropische wisselkoorts; —-market = markt van actiën der West.-Afrik. handelsvereenigingen.

Junior, džûnjə, jonger, lager; jongere, lager geplaatste; subst. beginnend advocaat, die, om zich te oefenen, een ouder collega assisteert; —ity, džûnioriti, toestand van een junior.

Juniper, džûnipə, jeneverstruik: — berry.

Junius, džûniəs.

Junk, džɐŋk, jonk (Chineesch vaartuig), brok, homp, oud kabel- en touwwerk, taai pekelvleesch, rommel; —-bottle = dikke porter-flesch (Amer.); —-dealer = scheepstagrijn (Amer.); —-shop; —-wad = prop van pluiswerk tusschen lading en kogel.

Junket, džɐŋkət, subst. dikke room, wrongel; soort lekkernij; fuif, picnic (Amer.); — verb. fuiven; —er; —ing excursion (—ing party).

Juno, džûnou, Juno; Junonian, majestueus.

Junta, džɐntə, Junta.

Junto, džɐntou, geheime raad, complot, kliek.

Jupiter, džûpitə, Jupiter.

Jura, džûrə.

Jurat, džûrət, rechter (op de eilanden in het Eng. kanaal), schepen, onderteekende beëedigde verklaring van getuigen.

Juridical, džuridik’l, gerechtelijk, juridisch.

Jurisconsult, džûriskənsɐlt, dzûriskonsəlt, rechtsgeleerde.

Jurisdiction, džûrisdikš’n, jurisdictie; adj. —al.

Jurisprudence, džûrisprûd’ns, jurisprudentie; adj. Jurisprudential, džûrisprudenš’l.

Jurist, džûrist, rechtsgeleerde.

Juror, džûrə, gezworene, jurylid bij eene tentoonstelling.

Jury, džûri, subst. de gezworenen, jury of commissie van beoordeeling bij tentoonstellingen (= — of award): Grand — = jury, van 12 tot 24 leden (die over het al of niet verleenen van rechtsingang beslist); Petty — = jury van 12 leden (die met algemeene stemmen in strafzaken moet beslissen): —-box = bank der gezworenen; —man = gezworene; —-mast = noodmast; —-process = bevel tot bijeenroeping van eene jury; —-rudder = noodroer.

Just, džɐst, rechtvaardig, onpartijdig, eerlijk, trouw, welverdiend; adv. juist, precies, nagenoeg: But — = net, eventjes, nauwelijks; — give me a light = geef me even; I will — step in = even; I am only a poor girl, — Winifred = W. maar; — like = precies zoo; — now = zooeven, op het oogenblik; He wishes a thing to be — so, and not otherwise; We really are — there = zoo dadelijk, aanstonds zijn we er; You are not going — yet, are you? = je gaat toch nog niet weg? You won’t get it — yet = vooreerst niet; It is — possible = wel mogelijk; That’s — the thing I want; —ness = rechtvaardigheid, billijkheid.

Justice, džɐstis, gerechtigheid, rechtvaardigheid, onpartijdigheid, rechter (Judge is de officieele titel van de rechters in de County Courts): Lord Chief — = opperrechter; — of the peace = vrederechter; Justices’ — = de soms zeer wonderlijke uitspraken der —s of the Peace (dit zijn leeken); To do — to = recht laten wedervaren; Do me the — to admit = wees zoo billijk; You cannot do so in — = van rechtswege, rechtens; There has been a gross miscarriage of — = eene grove rechterl. dwaling; —ship = rechterschap: Justiciable, džɐstišiəb’l, justitiabel; Justiciary, džəstišiəri, gerechtelijk, gerechts - -; subst. rechter, rechtsgebied; High Court of — = hoogste gerechtshof in Schotland voor crimin. zaken; Justicing-room = gerechtszaal.

Justifiable, džɐstifaiəb’l, verdedigbaar, rechtmatig; subst. —ness; Justification = rechtvaardiging, verdediging, redding of rechtvaardigverklaring van zondaren; Justificative = Justificatory, rechtvaardigend, verdedigend; Justifier, džɐstifaiə, rechtvaardiger, verdediger; justeerder; Justify, džɐstifai, rechtvaardigen, vrijspreken, bewijzen, sluiten (bij het drukken).

Justin, džɐstin, Justinius. Justinian, džɐstinj’n, Justinianus; ook adj.

Justle, džɐs’l. Zie Jostle.

Jut, džɐt, subst. uitsteeksel; — verb. uitsteken, vooruitspringen; —-window = uitstekend venster.

Jute, džût, jutte; Jut.

Jutland, džɐtl’nd.

Juvenal, džûvən’l, Juvenalis.

Juvenescence, džûvənes’ns, jeugd, onrijpheid; adj. Juvenescent.

Juvenile, džûvən(a)il, jeugdig, jong, kinder - -; subst. jongeling; ‘jeune amoureux’; Juvenility, džûvəniliti, jeugdigheid.

Juxtaposition, džɐkstəpəziš’n, naast elkander plaatsing, het naast elkander geplaatst zijn: To put in — = tegenover elkaar stellen.

Juzail, džuzeil, zwaar geweer (bij de Afghanen).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings