← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

G.

Reading edition

G, džî, 7e letter van het alphabet, de G-snaar (op eene viool): He possessed no final g’s to his name = was niet vulgair, van lage kom-af; Gael(ic); G(reat) B(ritain); G(rand) C(ross of the) B(ath); G(rand) C(ross of St.) M(ichael and St.) G(eorge) = koloniale orde; G(rand) C(ommander of the) S(tar of) I(ndia); G(rand) D(uke); Gent(leman); Geo(rge); Geol(ogy); Geom(etry); G(rand) L(odge); Gosp(el); Goth(ic); Gov(ernment); Gov(ernor) Gen(eral); G(eneral) P(ost) O(ffice); Gr(ain); Greg(ory); Gtt = druppels.

Gab, gab, subst. gewauwel, gesnap; — verb. praten, snappen, kakelen: He has the gift of the — = hij kan praten als Brugman; —ble, subst. luid gekakel, druk gerammel; — verb. wauwelen, praten, kakelen, rammelen, druk en onduidelijk snappen; —ble-mill = het Congres (Amer.); —by = praatziek.

Gabarage, gabəridž, grof paklinnen.

Gabardine, gabədîn, grof overkleed; kaftan.

Gaberlunzie, gabəlɐnzi, broodzak, rondreizend ketellapper, bedelaar (Schotl.).

Gabion, geibj’n, schanskorf; —ade, geibjəneid, geibjəneid, versterking van schanskorven, krib; —age = schanskorven; —ed = met —s.

Gable, geib’l, driehoekig bovendeel van den voorgevel: Stepped — = trapjesgevel; —-roof = zadeldak; —-window = gevelvenster; —d = van gevels voorzien.

Gabriel, geibriəl.

Gaby, geibi, sukkel, dwaas; gek, fat.

Gad, gad, subst. wig (van staal of ijzer), metalen staaf, stift, boor; horzel; — verb. rondzwerven, uitloopen, zich verspreiden: He did not know what to say on the — = zoo gauw; His imagination was —ding = zijne fantasie was aan het dwalen; —-about = belust op rondzwerven of uitloopen; uitlooper, uitloopster; He has a —-about spirit = hij houdt van doelloos rondzwerven; —-fly = horzel, paardevlieg; —der = —-about; —ling, subst. vagebond; adj. zwervend; —dle = aan het zwerven of in de war brengen: That thought set all their little heads —dling = bracht al hunne hoofdjes op hol.

Gadelle, gədel, roode bes.

Gadhelic, gədelik, gadəlik, Keltische taal of bewoner van Schotland, Ierland en het eiland Man.

Gaekwar, geikwa, titel van den Maharaja van Baroda.

Gael, geil, Kelt; Gaelic, geilik, galik, Keltisch.

Gaff, gaf, subst. ijzeren haak, speer, gaffel, café chantant of theater van de laagste soort; — verb. gevangen visch aan land brengen met een ijzeren haak: To blow the — = verraden; —-topsail = gaftopzeil.

Gaffer, gafə, oude man, opziener, meesterknecht, baas.

Gaffle, gaf’l, ijzeren spoor (voor hanen bij hanengevechten).

Gag, gag, subst. prop (in den mond), de woorden die een speler in zijne rol lascht; — verb. knevelen, eene prop in den mond stoppen, het zwijgen opleggen, woorden inlasschen (in eene rol); —ger = knevelaar.

Gage, geidž, subst. pand, borgtocht, handschoen (als uitdaging), groene pruim; peil (Z. Gauge); — verb. verpanden, op het spel zetten, peilen.

Gaggle, gag’l, snateren, kakelen.

Gaiety, geiəti, vroolijkheid, genot, mooie kleederen, vertoon; Gaily, geili, vroolijk.

Gaikwar, geikwâ, titel van den Maharaja van Baroda.

Gain, gein, subst. winst, aanwinst, voordeel; — verb. winnen, voor zich innemen, verkrijgen, bereiken, verwerven, overhalen: To — the day = de overwinning behalen; They have —ed ground of late = zij hebben in den laatsten tijd veld gewonnen; They —ed the other side = bereikten; That will — us time = daardoor zullen wij tijd winnen; We have —ed the wind of that ship = wij hebben dat schip de loef afgestoken; I have —ed him into that act = er toe overgehaald; My good behaviour —ed on him = nam hem voor mij in; I shall try to — him over to our side = voor onze partij zien te winnen; The enemy —ed upon us = inhalen, voordeel behalen op; —er = winner; —ing = het winnen of verkrijgen; —ings = behaalde winst.

Gainsay, geinsei, geinsei, tegenspreken, weerspreken, loochenen; —er = loochenaar; —ing = tegenspraak, ontkentenis.

Gainst, genst, geinst, verk. van against.

Gairdner, gâdnə: — Lake.

Gait, geit, pad, straat; gang, pas, loop, houding; graanschoof: The pictures went off at a rattling — = gingen grif van de hand; —ed, in samenstell.: Heavy —ed = langzaam.

Gaiter, geitə, subst. slobkous; valsche speler; — verb. van slobkousen voorzien.

Gal, gal = girl.

Gala, geilə, gala, feestelijkheid; —-day = feestelijke dag; —-dress = galakleeding.

Galactometer, galəktomətə, melkmeter; Galactophorous, galəktofərɐs, melkhoudend.

Galage, galidž, klomp, overschoen.

Galantine, galənt(a)in, galantine.

Galatia, gəleišə, Galatië; —n, bewoner v. Galatië.

Galaxy, galəksi, melkweg, schitterende groep.

Gale, geil, subst. stijve bries; gagel; lied; twist, opgewondenheid, periodieke rentebetaling; — verb. snel zeilen: Great events are in the — = in de lucht, op til; —-day = rentedag.

Galenic(al), gəlenik(’l), volgens de geneeswijze van Galen (Grieksch geneesheer, 131–200).

Galicia, gəlišə, Galicië; —n, gəliš’n, subst. Galiciër; adj. Galicisch.

Galilean, galilîən, subst. Galileër; adj. tot Galilea behoorend; tot Galileo (1564–1642) behoorend; Galilee, galilî, Galilea, voorportaal of kapel aan den ingang eener kerk.

Galimatias, galimatiəs, galimeišəs, dwaasheid, onzinnig gezwets.

Gal(l)iot, galiət, galjoot.

Gall, gôl, subst. gal, kwaadaardigheid, toorn, bitterheid; galnoot; schram, schaafwond, vochtige plaats of bron (in een stuk land), kale plek (in den oogst), laag, moerassig land; — verb. met (gal) doen doortrekken; afschaven, schrammen, beschadigen, verslijten, kwellen, vertoornen, kwetsen; —-bladder = galblaas; — of glass (Zie Sandiver); —-fly = galwesp; —-nut = galnoot; —-sickness = galkoorts; —-stone = steen (in de blaas).

Gallant, gəlant, subst. galant heer, hofmaker, verleider; adj. galant, hoofsch, hoffelijk; — verb. het hof maken, hoofsch behandelen; —ly = galant.

Gallant, gal’nt, schoon, schitterend, prachtig, dapper, fier, moedig; —ly = dapper; —ry = dapperheid, uiterlijk vertoon; hoffelijkheid, galanterie.

Galleon, galj’n, galjoen.

Gallery, galəri, galerij, gang, schilderijenverzameling, schilderijenmuseum; tribune, “het schellinkje”, de menschen op tribune of galerij, mijngang, overdekte gang, buitenbetimmering aan den spiegel van een schip; tent: Shooting-— = schiettent; He is playing to the — = hij tracht de toejuichingen van het plebs te winnen.

Galley, gali, galei, strafkolonie, kapiteinsgalei, boot, kombuis; zetraam: The article went straight from the — to the stone = werd ongecorrigeerd gedrukt; —-foist = vroegere staatsiesloep van den Lord Mayor; —-pepper = kolenasch; —-slave = galeislaaf; —-worm = soort. v. duizendpoot; —-west: That knocked the mystery —-west in a second = toen was het in eens met alle geheimzinnigheid gedaan (Amer.).

Gallia, galiə, Gallië; —n, galiən, Gallisch.

Galliard, galjəd, subst. vroolijke kwant; soort dans; adj. vroolijk, vlug, dartel; —ise, galjədîz, vroolijkheid, opgewektheid.

Gallic, galik, Gallisch, Fransch (ook: —an); uit galnoten getrokken; —ism, galisizm, Fransch idioom; —ize = verfranschen.

Galligaskins, galigaskinz, wijde broek.

Gallimaufry, galimôfri, ragout; mengelmoes.

Gallinaceous, galineišəs, hoenderachtig.

Gallipot, galipot, likkepot.

Gallium, galiəm, gallium.

Gallivant, galivant, galivant, het hof maken, coquetteeren, veel uitgaan.

Galliwasp, galiwosp, hagedis (W.-Indië).

Gallomania, galəmeinjə, manie voor alles wat Fransch is.

Gallon, gal’n, Engelsche maat van verschillenden inhoud: Imperial — = ± 4.54 L.

Galloon, gəlûn, lint, band, galon; —ed.

Gallop, galəp, subst. galop; — verb. (doen) galoppeeren, snel rijden, haasten, vluchtig doorloopen; —ing-consumption = vliegende tering; —ade, galəpeid, galəpâd, subst. (dansende, zijdelingsche) galop, de dans “galop”; — verb. galoppeeren, een galop dansen.

Gallow, galou, doen schrikken.

Galloway, galəwei, kleine, sterke hit; een donker Schotsch runderras.

Gallowglass, galouglas, zwaar gewapende Iersche voetknecht (uit ouden tijd).

Gallows, galouz, galg, galgebrok (= —-bird); —es = bretels (Amer.); —-bits = galg (op een schip); —-free = van de galg gered; —-ripe; —-tree = galg; —ness = ondeugendheid, boosheid.

Gally, gôli, verb. doen schrikken; adj. vochtig (van land). Zie Gall.

Galoche = Galosh.

Galoot, gəlût, lummel, kerel.

Galop, galəp, galop (dans).

Galore, gəlö, subst. overvloed; adv. in overvloed: She has jewellery — = zij heeft een rijkdom aan juweelen.

Galosh, gəloš, elastieken overschoen; soort klomp met riemen vastgemaakt.

Galvanic, galvanik, Galvanisch: —-battery = Galvanische batterij; — current; — pile (Zie Voltaic); Galvanism, galvənizm, galvanische electriciteit; Galvanize, galvənaiz, galvaniseeren, electriseeren.

Galveston, gavst’n, galvəst’n; Galway, gôlwei.

Gamba, gambə, gambe, soort violoncel.

Gambade, gambeid, luchtsprong, gril.

Gambado, gambeidou, slobkous; —es = aan het zadel bevestigde rijlaarzen.

Gambeson, gambəz’n, wollen wambuis (onder het harnas).

Gamble, gamb’l, om geld dobbelen: They —d away their lives = verdubbelden, vergooiden hun leven; —r.

Gamboge, gamboudž, gambûdž, guttegom.

Gambol, gamb’l, subst. (kromme) sprong; — verb. springen, huppelen.

Gambrel, gambr’l, knieboog v. h. achterbeen van een paard; kromhout voor ’t ophangen van vleesch; —-roof = tentdak.

Game, geim, subst. spel, vroolijkheid, scherts, pretje, winst bij het spel; wildbraad, wild, toeleg, tijdverdrijf; adj. wild - -; flink, moedig, bereid; lam, onbruikbaar; — verb. spelen: A — at cards, at dice, at (of) chess; A — of chance = hazardspel; Popular —s = volksspelen; Is that your little —? = voer je dat in je schild? That is not my — at present = daarom is ’t mij nu niet te doen; The — is not worth the candle = de sop is de kool niet waard; He made — of us = hield ons voor den gek; I am — to do it = ik ben bereid; He is — to play that part = geschikt; All hoped he would die — = dat hij als een man zou sterven; He went to America much —r than we could have expected = met meer moed (flinker) dan …; —-bag = weitasch; —-birds (—-fowls) = kempvogels; —-cock = kemphaan; —keeper = jachtopziener, koddebeier; —-laws = jachtwetten; —ful, —some = dartel, vroolijk, speelsch; subst. —someness; —ster = speler, dobbelaar; Gaming: —-debt = speelschuld; —-house = speelhuis; —-table = speeltafel.

Gamin, gamin, straatjongen.

Gamma, gamə, toonladder.

Gammer, gamə, moedertje.

Gammon, gam’n, subst. gerookte ham; spel (= Back—); bedriegerij; — verb. ham zouten en rooken; verslaan (bij het backgammon), bedriegen, bedotten, huichelen; interj. malligheid, loop! No — with me! = ’k laat me niet bedotten!

Gamp, gamp, subst. besteedster (paraplu); adj. bol staande; — verb. bollen of uitzetten.

Gamut, gamət, toonladder, toonschaal, omvang: The — of human feeling.

Gamy, geimi = Game (adj.).

Gander, gandə, gent: Sauce for the goose is sauce for the — = gelijke monniken gelijke kappen.

Gang, gaŋ, troep, bende, kliek, deel van werklui of scheepsvolk voor een bepaald doel aangewezen, ertsader, assortiment: —-board = loopplank, valreepsbord; —-cask = watervat (op een schip); —way = pad, doorgang, gangboord, trap, brug voor passagiers (schip), gangpad in ’t Lagerhuis, dat de banken der regeeringspartij en die der oppositie in twee helften verdeelt; The poor fellow was brought to the —way = de arme kerel werd afgestraft; He sits below the —way = hij behoort tot de onafhankelijke leden (die de achterbanken bezetten o.a. langs de gangway te bereiken); —-week = rondgangweek (Z. Rogation); —er = opzichter van een arbeidersploeg.

Ganges, gandžis, Ganges; Gangetic, gandžetik, tot den Ganges behoorend.

Ganglion, gaŋgliən, (Meerv. Ganglia), peesknobbel, zenuwknoop.

Gangrene, gaŋgrîn, subst. koudvuur; — verb. het koudvuur krijgen; Gangrenous, gaŋgrinɐs, door koudvuur aangetast.

Ganister, ganistə, soort vuurvaste steen.

Gannet, ganət, witte rotspelikaan, Jan-van-Gent.

Gantlet, gôntlət, gântlət (Gantlope, gantloup), spitsroede: He had to run the — = hij moest spitsroeden loopen; A new-comer has to run the — of the whole company = die binnenkomt staat aan de kritiek v. het geheele gezelschap bloot; He took up the — = hij nam den handschoen op.

Ganymede(s), ganimîd, ganimîdîz, Ganymedes.

Gaol; džeil; Zie Jail; —er.

Gap, gap, subst. gat, opening, bres, hiaat; — verb. een gat maken in; He stood in the — for all his friends = hij sprong in de bres voor; We had to stop the — = moesten het gat stoppen (ook fig.); —-toothed = met holten tusschen de tanden.

Gape, geip, subst. geeuw, het geeuwen; — verb. gapen, geeuwen, verbaasd aanstaren, aangapen, openstaan: The chickens have got the —s = hebben de gaapziekte; We were —d at by all = werden aangegaapt; They are gaping for (after) it = zij snakken er naar.

Gar, gâ, geep; — verb. dwingen, veroorzaken.

Garage, garâž, garage.

Garb, gâb, kleeding, gewaad, mode, uiterlijk; schoof (koren): Nature’s —; —ed = gekleed.

Garbage, gâbidž, ingewanden en afval van een dier, waardeloos iets; —d = van ingewanden gereinigd.

Garble, gâb’l, verminken, verknoeien; schiften, ook op zeer partijdige manier; —r = schifter, vervalscher.

Garboard, gâböd, gaarboord (scheepst.).

Garboil, gâbôil, subst. oproer, wanorde; — verb. onderstboven gooien, storen.

Garden, gâd’n, subst. tuin; adj. tot een tuin behoorend; — verb. tuinieren, een tuin aanleggen; — City = Chicago; The — = de markt (= Covent — in Londen); —-glass = tuinspiegel; —-house = tuinhuisje; —-mould = tuin- of teelaarde; —-plot = deel van den tuin met bloemen, enz.; —-stuff = groenten, enz.; —-tools = tuingereedschap; —er = tuinier.

Gardenia, gâdînjə, gardenia.

Gare, gêə, grove wol op schapepooten.

Garfish, gâfiš, geep.

Gargantuan, gâgantjuən, reusachtig, kolossaal.

Gargery, gâdžəri.

Garget, gâgət, keel, gezwel in de keel, uierziekte; varkensziekte.

Gargle, gâg’l, subst. gorgeldrank, dronk; — verb. gorgelen, kweelen.

Gargoyle, gâgôil, gargouille, spuier (Archit.).

Garibaldi, garibaldi, Garibaldi; buis of muts, zooals door Garibaldi en zijne troepen werd gedragen.

Garish, gêriš, glanzend, blinkend, opzichtig, buitensporig.

Garland, gâl’nd, subst. guirlande, bloemenkrans, bloemlezing; provisienet; — verb. met kransen tooien.

Garlic, gâlik, knoflook; —-eater = scheldnaam voor Joden; —ky = knoflook bevattend.

Garment, gâm’nt, kleedingstuk, kleeding: The —age of life = het uiterlijke des levens.

Garner, gânə, subst. graanzolder; — verb. opstapelen (van koren), verzamelen.

Garnet, gânət, granaatsteen.

Garnish, gâniš, subst. versiersel, randversiering (om een schotel); fooi; — verb. versieren, voorzien van, waarschuwen; subst. —ment.

Garniture, gânitšə, versiering, opschik, garnituur, bijbehoorende onderdeelen.

Garret, garət, vliering, zolderkamertje; —-master = meubelmaker, die thuis werkt voor magazijnen of bazen; —eer, garətîə, vlieringbewoner, arme broodschrijver.

Garrison, garis’n, subst. garnizoen, vesting; — verb. in garnizoen leggen, bezetten.

Garron, gar’n, klein Schotsch paard.

Garro(t)te, gərot, gərout, subst. halsijzer tot terdoodbrenging (door worging); — verb. terdoodbrengen; bestelen door de keel van het slachtoffer dicht te drukken, en hem weerloos te maken; —r = straatroover.

Garrulity, gərûliti, praatachtigheid; Garrulous, garəlɐs, praatziek, snapachtig.

Garter, gâtə, subst. kouseband; kouseband-orde; — verb. met een kouseband bevestigen; die orde verleenen; Knight of the — = Ridder van den Kouseband.

Garth, gâth, hof, vischweer.

Garum, gêr’m, Romeinsche vischsaus.

Gas, gas, subst. lichtgas, gas; gewauwel, bluf; — verb. wauwelen, bluffen: How he was —sing = wat was hij aan ’t opsnijden; —-buoy = gasboei; —-bracket = gasarm; —-coal; —-condenser = gascondensator; —-cooker = gasfornuis; —-engine = gasmotor; —-fitter; —-fitting = gasaanleg; —holder = gashouder; —-jet = gasvlam, gaspit; —-lamp = lamp, lantaarn; —-light; —-main = hoofdleiding; —-mantle = gloeikousje; —-meter = meter; —-motor; —-pipe; —-range = gaskookkachel; —-regulator = gasregulateur; —-retort; —-tar = koolteer; —-works = gasfabriek; —alier, —elier, gasəlîə, gaskroon; —eity, gesîiti, gasachtigheid; —eous, geisiəs, geiziəs, gasiəs, gaziəs, gasachtig, vluchtig; —iform = gasvormig; —ify = in gas veranderen; —oline, gasəlîn, gasoline; —ometer, gəsomətə, gəzomətə, gashouder; gasometer; Gasometry = meten van gas; —sy = gasachtig; opgeblazen.

Gascon, gaskən, Gascogner, bluffer; —ade, gaskəneid, subst. blufferij, snoeverij; — verb. snoeven, grootspreken; —ader = bluffer, “opsnijer”; —y, gaskəni, Gascogne.

Gash, gaš, subst. gapende (vleesch)wond, houw, snede; — verb. eene gapende wonde maken: I — myself asunder from the king = ik breek geheel met den koning.

Gasket, gaskət, seizing (scheepst.).

Gaskins, gaskinz = Galligaskins.

Gasp, gâsp, subst. snik; — verb. snakken (naar adem), vurig verlangen, hijgend uitbrengen: At the last — = bij den laatsten snik, op sterven; With a — = verbaasd (als naar adem snakkend); It made me — = ik stond paf.

Gastric, gastrik, tot de maag behoorend; —-abscess; —-catarrh = maagcatarrh; —-fever = gastrische koorts; —-juice = maagsap; Gastriloquy, gastriləkwi, buikspraak; Gastritis, gastraitis, maagontsteking; Gastronomer, gastronəmə, Gastronomist, gastronəmist, lekkerbek; Gastronomy, gastronəmi, kunst en lust om lekker te eten; Gastrotomy, gastrotəmi, maagsnede voor het inbrengen van voedsel.

Gat, gat, nauwe doorvaart.

Gate, geit, subst. poort, deur, ingang, wegsluis, gelegenheid, kans (The — = Billingsgate = Londensche vischmarkt); — verb. binnen de poorten houden: That opened the — for all abuses = zette de deur open voor; — of horn = de poort van hoorn (in het droomhuis), waardoor ware visioenen komen; — of ivory = de poort van ivoor, waardoor de onware visioenen komen (de Aeneïde v. Vergil.); —house = portierswoning; —man = portier, tolgaarder, baanwachter; —way = poort; —d = met poorten.

Gather, gadhə, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen, plooien, oogsten, rijp worden, zich verzamelen, samentrekken, grooter worden; afleiden; subst. vouw, plooi: I —ed it from what he said = maakte het uit zijne woorden op; The harvest was —ed in = werd binnengehaald; He was —ed to his fathers = tot zijn vaderen verzameld; He —ed himself up = kwam tot zichzelf; Then we had time to — breath = om op adem te komen; To — flowers; She —ed her powers = verzamelde; —er = verzamelaar, oogster; —ing = verzameling, vereeniging, inzameling, collecte; zweer.

Gatling gun, gatliŋgɐn, revolverkanon, mitrailleuse.

Gaucho, gôkou, Z. Amer. Cowboy.

Gaud, gôd, versiering, snuisterij; —iness, subst. van —y = opzichtig, bont: —-day = —ies = feest(dag).

Gaudeamus, gôdieiməs, drinkgelag, feest.

Gauffer, goufə, fijn plooien.

Gauge, geidž, subst. maat, peil, diepgang, peilstok, peilglas, maatstaf, wijdte tusschen de spoorstaven; — verb. meten, schatten, peilen, ijken: I have your — = ik snap je, doorzie je; I have —d your feelings; —glass = peilglas; —r = roeier of wijnpeiler; kommies; Gauging: —-rod = peilstok = —-rule.

Gaul, gôl, Gallië, Galliër.

Gault, gôlt, subst. een soort van mergel; — verb. klei brengen (op land); —-mill = kleimolen (voor steenbakkerijen).

Gaunt, gônt, gânt, schraal, mager: That’s the —, bare truth = dat is de naakte waarheid.

Gauntlet, gôntlət, gântlət, lange dameshandschoen, strijdhandschoen: He threw down the —, and my friend took it up = hij wierp den handschoen toe, en mijn vriend nam hem op.

Gauntree, gôntrî, stellage voor vaten.

Gauze, gôz, gaas; —-wire = ijzerdraadgaas; Gauzy = gaasachtig.

Gave, geiv, imperf. van to give.

Gavel, gav’l, garf, (presidents)hamer; tol, schatting, garfpacht; —kind = erfrecht, waarbij bij den dood van den pachter het land gelijkelijk onder zijne zoons werd verdeeld; —man = huurder van land onder de bepalingen van gavelkind.

Gavelock, gav’lok, breekijzer, werpspies.

Gaveston, gavəst’n.

Gavial, geiviəl, gavial, snavelkrokodil (Ganges).

Gavot(te) gəvot, gavot, gavotte.

Gawk, gôk, koekoek, zot; —iness, subst. van het adj. —y = lummelig; subst. lummel, slungel, suffer.

Gay, gei, vroolijk, opgewekt, opzichtig, bont, sterk gekleurd, opgewonden (van drank), losbandig; subst. —ness; adj. —some.

Gayal, gaiəl, geiəl, soort rund (Brit. Ind.).

Gaze, geiz, subst. blik, aanblik; — verb. staren: At — = starend, en face; —-hound = windhond; Gazing-stock = voorwerp van afschuw of nieuwsgierigheid.

Gazebo, gazîbou, belvedère.

Gazelle, gəzel, gazelle.

Gazette, gəzet, subst. courant, soort staatsblad, staatscourant; — verb. in de staatscourant (dus: officieel) bekend maken: To be in the — = bankroet zijn; He was —d = aangesteld, bevorderd; Gazetteer, gazətîə, redacteur van een staatsblad, dagbladschrijver; geographisch woordenboek.

Gazogene, gazədžîn, toestel om koolzure dranken te maken.

Gazon, gəzûn, grasperk.

Gean, gîn, Spaansche kers.

Gear, gîə, subst. gareel, tuig, takel, kleed, uitrusting, bezittingen, zaak; de touwen, blokken, enz. van een bepaald zeil of mastdeel, mechaniek, tandrad; — verb. tuigen, aan den gang brengen: It was thrown out of — = de koppeling werd verbroken, de zaak werd bedorven; My ships are out of — = onttakeld; —ing = tuig, harnas, stel tandraderen tot het overbrengen van beweging.

Geck, gek, nar, spot; — verb. bespotten.

Gecko, gekou, gecko.

Gee, dži, een uitroep om het paard naar rechts te doen gaan: — up, — Woo = vooruit! The horse —-up’d = het paard ging vooruit; Gee-gee = paard (in de kindertaal).

Geelong, gîloŋ.

Geese, gîs, ganzen.

Gehenna, gəhenə, Gehenna, Hel.

Geikie, gîki.

Geisha, geiša.

Gelatine, dželətîn, gelatine; Gelatinous, džəlatinɐs, gelatine- of geleiachtig.

Geld, geld, castreeren, verminken, berooven; adj. gust; —er = snijder; —ing = het snijden; ruin, gesneden dier.

Gelid, dželid, ijskoud; subst. Gelidity.

Gem, džem, subst. juweel, kleur, kleinood; knop, oog; — verb. met edelgesteenten tooien, ontbotten; —my = vol edelgesteenten, schitterend, rijk, fijn, net.

Gemara, gəmârə, tweede deel van den Talmud.

Geminate, džeminit, adj. in paren: —-leaves = tweelingbladen; Gemination = verdubbeling.

Gemini, džeminai, Tweelingen (sterrenbeeld).

Gemma, džemə, bladknop; —te, džemit, knoppen hebbende; —tion, džəmeiš’n, het knoppen, voortplanting door knopvorming; Gemmiferous, džəmifərɐs, knoppen dragend, door knoppen vermenigvuldigend = Gemmiparous, džəmipərɐs.

Gemman, džem’n, samentrekking van gentleman; mv. Gemmen.

Gemmule, džemjûl, eitje, knopje, kiemspoor.

Gemote, gəmout, vergadering (van honderd, bij de Angelsaksers).

Gemsbok, gemzbok, Kaapsche gems.

Gendarme, džendâm, gendarme; —ry.

Gender, džendə, subst. soort, klasse, (grammaticaal) geslacht.

Genealogic(al), dženiəlodžik(’l), džîniəlodžik(’l), geslachtrekenkundig; —-tree = stamboom; Genealogist = geslachtkundige; Genealogy = geslachtrekenkunde, stamboom.

Genearch, dženiâk, džîniâk, stamvader.

Genera, dženərə, meervoud van Genus.

General, dženər’l, adj. algemeen, openbaar, uitgebreid, onbepaald, gewoon; subst. het algemeen; generaal, algemeen appèl (voor de infanterie); meid alleen: In — = in of over het algemeen; In a — way = in algemeenen zin, over het algemeen; The — public = het groote publiek; — assembly = wetgevende vergadering (Amer.); — dealer = iemand die in allerlei dagelijksche artikelen handelt; — invitation = uitnoodiging eens voor al; — practitioner = geneeskundige; — servant = meid alleen; — warrant = bevel tot inhechtenisneming van alle verdachte personen; —ism = algemeene conclusie; —issimo, dženər’lisimou, opperbevelhebber; Generality = algemeenheid, meerderheid, groote hoop: The — of people = de menschen in ’t algemeen; Generalization = generalisatie; Generalize = algemeen maken; generaliseeren; Generalship = generaalschap, beleid, handigheid.

Generate, dženəreit, voortbrengen, telen; Generating station = centrale; Generation = voortbrenging, geslacht, nakomelingen: Noah was perfect in his —s (Bijbelsch: Zie Gen. VI, 9); Generative = voortbrengend; vruchtbaar: — power = voortbrengend vermogen; Generator = voortbrenger, voortbrengingsvermogen, stoomketel; Generic(al) = een genus omvattend of betreffend, geslachts …

Generosity, dženərositi, edelmoedigheid, milddadigheid; Generous, dženərɐs, edel, grootmoedig, milddadig, overvloedig.

Genesis, dženəsis, voortbrenging, Genesis.

Genet, džənet, genetkat, ook: dženət, soort paard.

Genetic(al), džənetik’(l), genetisch; ontstaans …: — affinity = geslachtsverwantschap.

Geneva, džənîvə, jenever; Genève: The Lake of — = Meer v. G.; — bible = bijbel van 1560; — cross = het roode kruis voor ambulances, enz.; — gown = toga (v. Presb. geestelijken); —n, subst. bewoner van Genève; adj. Geneefsch; calvinistisch; Genevese, dženəvîz, dženəvîs; Zie Genevan.

Genial, džînj’l, levendig, sympatiek, hartelijk, vroolijk, zacht; geslachts …; —ity, džînialiti, opgewektheid.

Geniculate(d), džənikjulit(-eitid), knievormig gebogen; subst. Geniculation.

Genie, džîni, genius; mv. Genii, džîniai.

Genista, džənistə, genista, Duitsche brem.

Genital, dženitəl, geslachts - -; —s = geslachtsdeelen.

Genitival, dženitaiv’l: — relation = eene genitiefverhouding of -betrekking; Genitive, dženitiv, subst. genitief; adj. van den genitief.

Genius, džîniəs, (Meerv. Geniuses, džîniəsiz) genie, talent (for); Genius (Meerv. džîniai); geest, genius.

Genoa, dženouə, Genua; Genoese, dženouîz, dženouîs, subst. Genuees; adj. van Genua.

Gent, džent, heer, snuiter; verkorting van gentleman.

Genteel, džentîl, bevallig, beschaafd, fatsoenlijk, net, behoorlijk; subst. —ness.

Gentian, dženšən, Gentiaan.

Gentile, džentail, subst. heiden, ongeloovige (in den Bijbel); adj. heidensch, ongeloovig; Gentilism, džentilizm, heidendom.

Gentility, džentiliti, hooge of edele geboorte, beschaving, sierlijkheid, bevalligheid.

Gentisin, džentisin, gentianine.

Gentle, džent’l, adj. van hooge geboorte, zacht, teeder, vriendelijk; subst. edelman, gedresseerde valk; — verb. adelen, in rang verheffen, veredelen; verzachten, dresseeren: — birth = voorname (aanzienlijke) .…; — families; —folk(s) = menschen van aanzienlijke geboorte (gewoonlijk meervoud); —man, subst. heer, man van geboorte (beschaving, eer), fatsoenlijk man, man: The Old (Black) —man = de duivel; —man of property = grondbezitter; —men of the shoulderknot = lakeien; —man-at-arms = lid van de door Hendrik VIII opgerichte adellijke lijfwacht; —man-commoner = betalend student, die eerst later tot de eigenlijke colleges werd toegelaten; —man-farmer = heereboer: —man-usher of the Black Rod. Zie Black Rod; —manlike, —manly = beschaafd, fatsoenlijk, beleefd; —woman = edelvrouw, beschaafde dame.

Gentry, džentri, de stand der gentlemen, der beschaafde en bezittende klassen (landadel, geleerden, geestelijken, etc.).

Genuflection, Genuflexion, dženjuflekš’n, džînjuflekš’n, kniebuiging, knieval.

Genuine, dženjuin, echt, onvervalscht, oprecht; subst. —ness.

Genus, džînəs (Meerv. Genera, dženəra), geslacht, klasse.

Geocentric(al), džîəsentrik(’l), met de aarde gelijkmiddelpuntig.

Geodesy, džiodəsi, landmeetkunde; adj. Geodetic(al).

Geoffrey, džefri.

Geogony, džiogəni, leer van het ontstaan der aarde.

Geographer, džiogrəfə, aardrijkskundige; Geographic(al), džîəgrafik(’l), aardrijkskundig; Geography, džiogrəfi, aardrijkskunde.

Geologist, džiolədžist, aardkundige; Geology, džiolədži, aardkunde.

Geometer, džiomətə, Geometrician, džîomətriš’n, meetkundige; Geometric(al), džîəmetrik(’l), meetkundig; —al elevation = geometrische teekening (Archit.); —al progression = meetk. reeks; Geometry = meetkunde.

George, džödž, het beeld van St. George te paard, met den draak strijdend (insigne van de ridders van den kouseband); gouden munt met dat beeld: Brown — = grof aarden waterkan; —-noble = gouden munt (tijd van Hendrik VIII), ter waarde van ongeveer ƒ 4,00; Georgia, džödžə, Georgia; Georgian, džödžən, subst. bewoner van Georgia; adj. behoorend tot de regeering der Georges in Engeland (1714–1830).

Georgic, džödžik, tot den landbouw behoorende: —s of Virgil = landelijk gedicht van Vergilius.

Geranium, džəreinj’m, geranium.

Gerard, džerəd, Gerard, Gerrit.

Gerfalcon, džɐ̂fô(l)k’n, giervalk.

Germ, džɐ̂m, subst. kiem, oorsprong, begin; — verb. ontkiemen: —-theory = leer volgens welke besmettelijke ziekten door bacteriën worden overgebracht; — of disease = ziektekiem.

German, džɐ̂rm’n, subst. en adj. Duitsch, nauw verwant; subst. Duitsche taal, Duitscher: Cousin — = volle neef (nicht); — clock = Schwarzwalder klok; — flute = dwarsfluit; — Ocean = Noordzee; — sausage = Wiener worst; — silver = pleetzilver; — tinder = tonder, zwam; — toys = Nürnberger speelgoed; Germania, džɐ̂meinia, Duitschland; —ic, džɐ̂manik, Germaansch; —ism = germanisme; —ize = germaniseeren; —y = Duitschland.

Germane, džɐ̂mein, džɐ̂mein, subst. en adj. verwant, overeenkomstig, passend: This subject is more — to our circumstances = staat in nauwer verband met.

Germinal, džɐ̂min’l, subst. zevende maand van het republikeinsche jaar (Maart 21–April 20); adj. tot de kiem behoorende; Germinant = ontkiemend; Germinate, džɐ̂mineit, (doen) ontkiemen of ontspruiten; subst. Germination; Germinative, kiem …

Gerrymander, džerimandə, knoeien, slecht bouwen, verknippen van kiesdistricten uit partijbedoelingen (eig. Amer.).

Gertrude, gɐ̂trûd.

Gerund, džer’nd, gerundium: —-grinder = schoolvos; —ial, džərɐndj’l, tot een gerund behoorende; —ive, džərɐndiv, de vorm op ing met eene prepositie daarvoor: On coming, In crossing, etc.

Gervas, džɐ̂vəs.

Gestation, džesteiš’n, dracht, drachtigheid, passieve beweging (rijden, etc.).

Gesticulate, džestikjuleit, gebaren maken; subst. Gesticulation; Gesticulator, džestikjuleitə, gebarenmaker; Gesticulatory language = gebarentaal; Gesture, džestjə, subst. gebaar, beweging, houding; — verb. gesticuleeren; —-language = gebarentaal = Gestural language.

Get, get, krijgen, verkrijgen, verdienen, bezitten, hebben, voortbrengen, overhalen, brengen (in een toestand), worden, leeren: To — the better of = de overhand krijgen, overwinnen; To — a cold = kou vatten, een verkoudheid oploopen; To — the day = de overwinning behalen; You’ll — no good by it = het berouwen; To — hold of = vastgrijpen; To — it hot = er flink van langs krijgen; To — a mile = een mijl afleggen; To — the sack = de bons krijgen; I must — wind first = ik moet eerst op adem komen; The affair got wind = werd bekend, lekte uit; I have got the wind of you = ik heb je in de gaten; He is so weak that he cannot — about = dat hij niet loopen kan; It has got about, that you are here = het is bekend geworden; They are —ting ahead = zij gaan vooruit, het gaat hun goed; How are you —ting along = hoe staat het met de zaken? — along with you = och, loop! He has got among thieves = is terecht gekomen; I cannot — at him = kan hem niet bereiken, te pakken krijgen; It is easy to — at him = hem te plagen; The jockey was got at = omgekocht; I could not — away from him = niet van hem afkomen, hem niet kwijtraken; The horse got away with him = ging er met hem van door; One of the boats had been got away = neergelaten en afgestooten; They will — before, behind us = zij zullen ons vóór-, achterkomen; I hope to — behind your tricks = dat ik achter uwe streken zal komen; I got behind the scenes = geraakte volkomen ingewijd (in de plannen); To — in the crops = binnenhalen; I’ll try to — in that picture = te koopen, te krijgen; He got into it = raakte er aan gewend; We have got off safely = zijn er goed afgekomen; I hope to see you as soon as I — off = zoodra ik vrij ben; How are you —ting on = hoe maak je het? To — out = raken uit, komen uit, voor den dag halen: I wish I could — out of this business = van dit zaakje af kon komen; I hope I shall — over it = dat ik het zal te boven komen; They got over me = bedrogen mij, werden mij de baas, haalden mij over; At length we have got round him = hebben we hem te pakken; I fear he will not — through = dat hij niet zal slagen; To — up = in orde maken, arrangeeren, opstaan, opstijgen, opsteken, vooruitgaan, bestudeeren: She —s up linen = mangelt en strijkt; He has got up his German = heeft ‘er in’; It was got up for the occasion = afgesproken, klaargemaakt; To — asleep = in slaap geraken; To — clear of = vrijkomen van, afkomen van; I’ll — it done = ik zal het laten doen, maken; — you gone = scheer je weg; You must try to — it by heart = het van buiten te leeren; To — home = thuis komen; To — quit (rid) of = kwijtraken, afkomen van; —-up, subst. = kleeding, enz.; bedriegerij, uitvoering, wijze van voorstelling, tooneelschikking, enz.: The —-up of the book is perfect = The book is nicely got up = de uitvoering van het werk (druk, papier, formaat, enz.) is uitstekend; —ter-up = klaarmaker; The —ters-up of a charade = de personen, die de charade voorstellen; —ting = winst, voordeel, verdienste.

Gewgaw, gjûgô, prul; adj. prullerig.

Geyser, gaizə, geiser, heete bron, verwarmingstoestel.

Gharry, gâri, osse-(pony-)wagen (Brit. Indië).

Ghastliness, gâstlinəs, subst. van Ghastly = doodsbleek, afgrijselijk, ijzingwekkend.

Gha(u)t, gôt, bergpas, gebergte, trap (leidende v. een tempel naar eene rivier; Br. Indië).

Gheber, Ghebre, gîbə, geibə. Zie Gueber.

Ghee, gî, soort boterolie (Br. Ind.).

Ghent, Gent.

Gherkin, gɐ̂kin, ingemaakt augurkje.

Ghetto, getou, Ghetto, Jodenkwartier.

Ghibelline, gibəl(a)in, Ghibellijn.

Ghost, goust, subst. geest, spook, lijk, geestverschijning, schijntje; iemand die b.v. letterkundig werk doet, waarvan een ander de eer krijgt: He has not the — of a chance = niet de geringste kans; He gave up the — = hij gaf den geest; We needed no — to tell us that = dat begrepen we zelf ook wel; The Holy — = de H. Geest; — story = spookvertelling; —liness, subst. v. —ly = spookachtig, akelig, somber: —ly hour = spookuur, middernachtelijk uur.

Ghoorkas, guəkaz, het voornaamste ras in Nepaul.

Ghoul, gûl, (Oostersch) menschenlijken etend monster; reporter (Amer.); —ish = demonisch.

Ghurry, gɐri, wateruurwerk, 1⁄60 dag, gong.

Ghyll, gil, bergkloof, ravijn.

Giant, džaiənt, subst. reus; The — Mountains = het Reuzengebergte; adj. reusachtig, kolossaal; —ess = reuzin; —ship = reusachtigheid.

Giaour, džauə, ongeloovige (naam voor Christenen bij de Turken).

Gib, džib, arm van eene kraan, spie; (oude) kater = —-cat.

Gibber, gibə, brabbelen, brabbeltaal spreken, snateren; —ish = brabbeltaal; adj. zonder beteekenis.

Gibbet, džibət, subst. galg, kraanbalk; — verb. ophangen; aan de kaak stellen.

Gibble-gabble, gib’lgab’l, gesnater, gezwets.

Gibbon, gib’n, Gibbon; langarmige, staartlooze aap.

Gibbose, gibous, Gibbous, gibəs, gebocheld, uitpuilend, bol; Gibbosity, gibositi, bultigheid, bolheid, uitpuiling.

Gibbs, gibz.

Gibe, džaib, subst. spot, smaad; — verb. spotten, hoonen, beschimpen, uitschelden; —r = spotter, schimper.

Gibeon, gibjən: Children of — = proletariërs, armen; Gibeonite, gibjənait, bewoner v. Gibeon (Jozua IX, 23), duivelstoejager, laagste loondienaar.

Giblets, džibləts, inwendige deelen van gevogelte, zooals lever, maag, hart, etc.

Gibraltar, džibrôltə, Gibraltar; — ape (— monkey) = magot (aap).

Gibson, gibs’n.

Gibstaff, džibstâf, peilstok, vaarboom.

Gibus hat, džaibəshat, klak.

Giddiness, gidinəs, subst. van Giddy, gidi, duizelig, zwijmelend, veranderlijk, grillig, opgewonden, onnadenkend, onbezonnen: —-brained = gedachteloos, roekeloos; —-go-round = caroussel.

Gifford, gifəd.

Gift, gift, subst. recht van geven of begeven, gave, begaafdheid; — verb. begiftigen: I would not have it for a — = ik zou het niet voor niemandal willen hebben; That appointment is in the — of the crown = wordt door de kroon vergeven; —ed with many accomplishments = met vele talenten begaafd; —edness = begaafdheid.

Gig, gig, subst. harpoen; tol; sjees, cabriolet; kaardcylinder, kaardmachine; lichte sloep; neus, farthing; — verb. met elger of harpoen steken; —-lamp = rijtuiglamp; —man = harpoenier; geldpatser; —s = bril.

Gigantean, džaigəntîən = Gigantesque, Gigantic, reusachtig, kolossaal.

Giggle, gig’l, gichelen; subst. gegichel; —r.

Gilbert, gilbət; Gilchrist, gilkrist.

Gild, gild, vergulden, verfraaien: —ed youth(s) = jeunesse dorée; —ing = het vergulden, versiering, verguldsel; —ing-metal = verguldstof.

Gilead, giliəd.

Giles, džailz, Gilles: St. — (vroeger beruchte) buurt in het centrum van Londen.

Gilfillan, gilfilən.

Gill, gil, kieuw, kaak, lel, het vleesch om en bij de kin, vadermoorder (boord); —-flap = kieuwklep.

Gill, džil, meisje, liefje, snol; —-flirt = dartele meid.

Gill, džil, ¼ Pint (= 0.14 L.).

Gillet, džilət, Gillian, džilj’n, dartele meid.

Gillie, gili, Hooglandsche dienaar, vooral bij rijden en jagen.

Gilliflower, džiliflauə, tuinanjelier.

Gilmore, gilmö; Gilpin, gilpin; Gilson, gilsən.

Gilpy, gilpi, vroolijke gast(-meid).

Gilravage, gilravidž, subst. opgewonden pret, rumoerig partijtje; plundering; — verb. plunderen, verwoesten; —r = rumoerige, wanordelijke klant, roover, plunderaar.

Gilray, gilrei.

Gilt, gilt, adj. verguld; subst. verguldsel; jong wijfjesvarken: The ominous Three — Balls = lommerd; —-edged = verguld op snede, fijn, chique.

Gim, džim, chique, fijn, net.

Gimbal, džimb’l, beugel, om het kompas aan te hangen.

Gimcrack, džimkrak, prul, speeldingetje; adj. prullerig.

Gimlet, gimlət, subst. (dril)boor; — verb. boren, draaien.

Gimp, gimp, gimp, soort van passement.

Gimp, džimp, net, fijn, keurig, slank, schraal.

Gin, džin, jenever; strik, machinerie, kraan, foltertuig, braak; inboorling, oude vrouw (Austral.); — verb. braken (van vlas), ontkorrelen, vangen; —-horse = molenpaard; inlandsche vrouw (Austral.); —-mill, —-palace, —-shop = kroeg, drankhuis.

Ginger, džinžə, gember, iets pikants; —-beer = gemberbier; —-brandy (—-cordial) = drank, gemaakt van spiritualiën, gember, etc.; —bread = peperkoek; geld: To take the gilt off the —bread = van de aantrekkelijkheid berooven; —bread-nuts = pepernoten; —bread-stall (-booth) = koekkraampje; —bread work = prulsieraden; —ly = voorzichtig, behoedzaam; netjes, keurig, geaffecteerd.

Gingham, giŋ’m, gingang, katoenen stof; groen katoenen paraplu.

Ginglymus, džiŋglimɐs, giŋglimɐs, scharniergewricht.

Gipsy, džipsi, subst. Zigeuner, de taal der Z., donker uitziend persoon; heks, sluwe bedriegster; adj. Zigeuners …, Zigeunerachtig; — verb. in de open lucht leven, buiten eten; —-cart = reis- en woonwagen; — herb = gemeene wolfsklauw; —fy, džipsifai, zwart of donker maken; —ism = gewoonten en zeden der Zigeuners, bedrog.

Giraffe, džiraf, giraffe.

Girandole, džir’ndoul, kandelaar met armen, vuurrad (stuk vuurwerk).

Girasol, džirəsol, Europeesche heliotroop; girasol (edelgesteente).

Gird, gɐ̂d, subst. kneep, steek, sarcasme, hoonlach; — verb. doorsteken, spotten met of lachen om (at); omgorden, vastbinden, aangorden; —er = spotter; dwarsbalk; —le, subst. gordel, band, omtrek, boog; — verb. omgorden, insnijding om een boomstam maken, omvatten: He had (held) the people under his —le = hij hield het volk er onder.

Girl, gɐ̂l, meisje, dienstmeisje; tweejarige reebok; —-friend = vriendin(netje); —hood = de meisjesjaren; —ish = meisjesachtig, meisjes - -; subst. —ishness.

Girondist, džirondist, Girondijn.

Girt, gɐ̂t, P.P. en P. Imp. van to gird.

Girth, gɐ̂th, buikriem, band, omvang; — verb. omgorden, omgespen.

Gisborne, gisbən, Gislebert, giz’lbət, Gijsbert(us).

Gist, džist, hoofdpunt (v. redeneering of vraag): I told him the — of my errand = doel van mijne boodschap; That is the — of it = dat is de kern der zaak; Here lies the whole — of the matter.

Giusto, džustou, in de maat (muziek).

Give, giv, verb. geven, schenken, verleenen, overhandigen, mededeelen, veroorloven, blootstellen, meegeven, zakken, wijken; subst. het meegeven: The kindly — of the trigger = het zacht meegeven van den trekker; — and take is the only possible rule in marriage = geven en nemen; That is a — and take (exchange) = dat is een billijke ruil; A fight of a —-and-take character = waarin beide partijen veeren laten; The weather (frost) —s = verandert, het begint te dooien; I felt the bar — a little = voelde, dat de stang boog; I’ll — it you = ik zal je wel! To — battle = slag leveren; To — a call = een bezoek brengen; To — chase = nazetten; To — the cold shoulder = met den nek aanzien; To — ear to = het oor leenen aan; To — good day = goeden dag wenschen; To — ground = wijken; To — a guess at = raden naar; To — in charge = in (verzekerde) bewaring geven; I — you joy = ik feliciteer u; To — judgment = uitspraak doen; To — the lie = logenstraffen, heeten liegen; To — a lift = een handje helpen, laten meerijden; To — place to = wijken voor; To — sentence = vonnis vellen; To — the slip = laten zitten, uitknijpen; You ought to — me something = iets vóór geven (bilj.); To — a start = opschrikken; To — suck = zoogen; To — tongue = aanslaan (van honden); To — warning = den dienst opzeggen; To — way to = wijken voor; Here the crew began to — way = begonnen met alle kracht te roeien; To — a yawn = gapen, geeuwen; The bride was —n away by her brother = de bruid werd door haar broeder aan den bruidegom overgegeven; His ears — him away = aan zijn ooren kun je wel zien, wat een ezel hij is; Don’t — yourself away = gooi jezelf niet weg, verklap jezelf niet; I hope you didn’t — me away = mij niet hebt verklapt; That is a dead —-away = dat is enkel geld weggooien; The enemy gave back pell-mell = week in verwarring; It was —n forth by everybody = het werd door iedereen verteld; You must — in to me that you were wrong = mij toegeven; To — on = uitkomen op (tuin of straat); To — out = uitdeelen, aankondigen; uitgeput zijn of raken; To — out a text = voor- of oplezen; He gives himself out for something bigger than he is = zich voordoen als, uitgeven voor; It was given out publicly = publiek aangekondigd, bekend gemaakt; The lamp gave out a flickering light; To — out lessons = opgeven; The ammunition gave out = raakte op; I had —n it over = het opgegeven; He gave himself over to drinking = hij verslaafde zich aan den drank; He was —n up by the doctors = de geneesheeren hadden hem opgegeven; He gave himself up to the police = hij leverde zichzelf in handen der politie; To — up an establishment = eene zaak opheffen, likwideeren; He gave himself up to that delight = gaf zich over aan …; Quebec gave itself up = gaf zich over; He preferred to — up work before work gave him up; He is —n to study = hij wijdt zich aan, houdt veel van studie; He is not much given to talk = houdt niet van veel praten; A —-name = doopnaam (Amerika).

Gizzard, gizəd, krop: He frets his — = hij ergert zich.

Glabrate, gleibrit, glad, kaal, onbehaard = Glabrous, gleibrəs.

Glacial, gleišəl, bevroren, ijs …, gletscher …; Glaciate, gleišieit, bevriezen, tot ijs worden; subst. Glaciation; Glacier, glasiə, gleišə, gletscher.

Glacis, gleisis, schuinte, glooiing.

Glad, glad, adj. blij, verheugd, vroolijk; schitterend; — verb. blij maken of worden: I am — of it = ik ben er blij om; I shall be — to do it = het zal mij aangenaam zijn; He was — at finding us = dat hij ons vond; —den = verblijden; subst. —ness adj. —-some.

Glade, gleid, open ruimte in een bosch; wak in ’t ijs (Amer.).

Gladiate, gladiit, zwaardvormig; Gladiator, gladieitə, zwaardvechter, strijder; adj. Gladiatorial; Gladiole, gladioul, zwaardlelie = Gladiolus, gladaiəlɐs, gladiouləs.

Gladstone, gladst’n, Gladstone; soort rijtuig; valies = — bag; Gladstonian = aanhanger van G.; ook adj.

Glair, glêə, subst. eiwit, eiwitachtige stof; — verb. vernissen, bestrijken met; adj. —y.

Glaive, gleiv, zwaard.

Glamis, glâms, glamis.

Glamour, glamə, subst. betoovering, oogenbegoocheling, tooverspreuk; — verb. begoochelen, betooverend schilderen: He —ed the mountains with a fascination that none could resist = hij schilderde de bergen onweerstaanbaar betooverend.

Glance, glâns, subst. lichtstraal, flikkering, blik, oogopslag, lichte aanraking, lonk, wenk; — verb. stralen schieten, schieten langs; vluchtig aanzien, kortelijk vermelden, aanblikken: To — an eye on = een blik werpen op; To — off = afschampen; To — over = vluchtig doorzien; He hardly —d upon it = roerde het haast niet aan; —-coal = glanskool, anthraciet.

Gland, gland, klier, cel; —ers, glandəz, droes (paardenziekte); —ered = behept met kwaden droes; —iferous, glandifərɐs, eikels voortbrengend; —iform, glandiföm, eikelvormig; —ula, glandjul(ə), kliertje; —ular, glandjulə, klierachtig, klier …; —ule = —ula.

Glans, glanz, eikel, nootvormige vrucht.

Glare, glêə, subst. schitterende glans, valsche gloed, schittering, doordringende blik; — verb. met schitterend en verblindend licht schijnen, woest staren, vlammende blikken werpen (at); Glaring = fonkelend, verblindend, openbaar, onbeschaamd, schandelijk, schreeuwend; Glary = fonkelend, schitterend.

Glasgow, glasgou.

Glass, glâs, subst. glas, drinkglas, lens, spiegel, kijker, zandlooper, barometer, thermometer, (sterke) drank; adj. van glas; — verb. (af)spiegelen, met glas omhullen, verglazen: —es = bril; A pair of —es = lorgnet; —-blower = glasblazer: —-blower’s lamp; —coach = staatsiekoets, glazen koets; —-house = glasblazerij; — jar = klok, inmaakflesch; —-metal = gesmolten glas; —-painting = het schilderen of schilderwerk op glas; —-paper = glas-(schuur-)papier; — shade = stolp, glazen lampekap; —-staining = het kleuren van en schilderen op glas; —-ware, —-work = glaswerk; —-works = glasblazerij; —ful; —like; —y = van glas, als glas, glad, spiegelglad: —y eyes = doffe, glazige oogen.

Glastonbury, glâst’nbəri: — chair = een soort leuningstoel; — thorn = tweestijlige meidoorn.

Glaucescence, glôses’ns, zeegroene kleur; Glaucescent, glôses’nt, Glaucous, glôkəs, zeegroen.

Glaucoma, glôkoumə, grauwe staar; adj. —tous.

Glaucus, glôkəs.

Glaze, gleiz, van glazen, vensters of spiegels voorzien, met glas bedekken, in glas zetten, verglazen, satineeren, glaceeren; subst. glazuur: —-kiln = verglaasoven; —-board = soort van pap, waartusschen het papier glanzend gemaakt wordt; gladhout; —d book-cases = van glas voorziene; (Cf. —d windows); With —d eyes = glazige; —d frost = ijzel; —d hat = met geolied linnen overtrokken; —d tiles = verglaasde pannen; —r = verglazer, polijster; poleerschijf; My coat is glazy at the seams = glimmend aan de naden.

Glazier, gleižə, glazenmaker; —’s-diamond.

Gleam, glîm, subst. straal, schittering; — verb. stralen, stralen schieten, schitteren; —y = stralend, fonkelend.

Glean, glîn, subst. nasprokkeling; — verb. nalezen, opzamelen, verzamelen, aren lezen. gappen; —er = sprokkelaar; To go a-—ing = nalezen.

Glebe, glîb, pastorie-landen, bouwland, aarde; —-house = pastorie; —-land = pastorie-landen.

Glede, glîd, wouw of zwaluwstaart.

Glee, glî, vroolijkheid, muziek, zang, lied (soort v. canon): In high — = zeer vroolijk; —-club = (mannen)zangvereeniging; —-maiden = rondreizende liedjeszangster; —man = minstreel; —wood = een ouderwetsch muziekinstrument.

Gleet, glît, etter; — verb. etteren; —y = dun, etterig.

Gleig, gleg.

Glen, glen, nauw dal, bergengte.

Glencoe, glenkou; Glendower, glendauə, glendûə.

Glene, glîn, oogappel, oog; ondiepe gewrichtsvlakte of pan.

Glenlevit, glenlîvit.

Glib, glib, glibberig, vloeiend (van spraak), welbespraakt: A — tongue; subst. —ness.

Glide, glaid, subst. het glijden, overgang (van de eene letter op de andere); — verb. zacht glijden of voortbewegen, zweven; —r.

Gliff, glif, korte tijd, schrik; — verb. schrikken.

Glim, glim, licht, kaars: Douse the — = doe het licht uit; —mer = glimmen, schemeren, zwak, schemerachtig licht verspreiden; subst. zwak, onzeker licht; mica; —mering = schijnsel, zwakke glans, zwakke opflikkering (van bewustheid, kennis enz.), schijntje, flauw begrip.

Glimpse, glimps, subst. zwak licht, glimp, spoor, voorbijgaand genot, kort bestaan, tint; — verb. blikken, voor een oogenblik verschijnen, vluchtig zien of toonen: I caught a — of him = ik zag hem met een glimp.

Glint, glint, subst. lichtstraal, vluchtige blik; — verb. schitteren, flikkeren: I knew him at the first — = dadelijk; The train rushed on over the —ing rails = de glinsterende rails.

Glissade, gliseid, subst. glijpad voor het afdalen van gletschers, de afdaling zelve; een danspas; — verb. naar beneden glijden; glissen.

Glisten, glis’n, flikkeren, schijnen, glanzen; subst. flikkering = Glister, glistə, verb. en subst. glanzen.

Glitter, glitə, flonkeren, flikkeren, schitteren, glansen, blinken; ook subst.: All is not gold that —s = ’t is al geen goud wat er blinkt.

Gloam, gloum, schemeren; terneergeslagen of somber zijn; —ing, subst. avondschemering: —ing of life = levensavond.

Gloat, glout (on), aanstaren vol begeerte of duivelsche vreugde, met een waar tijgergenoegen neerzien op; zich verkneuteren in de pijn van.

Globate, gloubit, bolvormig.

Globe, gloub, subst. bol, bal, aarde, wereld, globe (terrestrial — = aard … en celestial — = hemel …), ballon (van de lamp); — verb. (zich) tot een bal vormen; —-daisy = kogelbloem = —-flower; —-trotter = iemand, die de geheele wereld afreist; —-trotting = het afreizen van de wereld; —-valve = balklep; Globose, gləbous, gloubous, Globular, globjulə, bolvormig: — sailing (Zie Circular); Globule, globjûl, bolletje, kleine homoeopatische pil; celletje.

Globulin(e), globjulin, globuline, eiwitachtige stof in de bloed bolletjes.

Glomerate, glomereit, tot een bal of kluwen vormen = Glomerous, glomərɐs.

Gloom, glûm, subst. donkerheid, zware schaduw, somberheid, dofheid, droefgeestigheid, moedeloosheid; — verb. somber of donker worden of schijnen, schemeren, betrekken (met wolken), fronsen, bedroeven; —y = duister, somber, zwaarmoedig, neerslachtig.

Gloria, glôriə, lof, heerlijkheid: — Patri = lof zij den Vader; — in excelcis Deo = lof zij den Heer in den hoogen; Gloried, glôrid, doorluchtig, roemrijk; Glorification = verheerlijking; Glorify = verheffen, verheerlijken; Gloriole, glôrioul, stralenkrans, nimbus.

Glorious, glôriəs, doorluchtig, roemrijk, heerlijk, prachtig; lachwekkend; Glory, glôri, subst. roem, lof, bewondering, heerlijkheid, (hemelsche) zaligheid, roemzucht, trots, snorkerij, nimbus; — verb. roem dragen op: He was the — of his age = de roem van zijn tijd; He glories in his ignorance = draagt roem op.

Glose, glous; Zie Gloze.

Gloss, glos, subst. glans, luister; — verb. glanzend en schitterend maken, verfraaien, verbloemen: To remove the — = ontglanzen; I will — over your shortcomings = vergoelijken, door de vingers zien; —iness = glans, glanzigheid; —y = glanzig.

Gloss, glos, glos, glosse, verklarende kantteekening; — verb. glosseeren, glossen maken; —arial, glosêriəl, glossen betreffend; —arist = verklaarder; —ary = glossarium.

Glossic, glosik, stelsel v. phonetische spelling (v. Ellis).

Glossitis, glosaitis, tongontsteking.

Glossography, glosogrəfi, het maken van een glossarium; verhandeling over de tong.

Glossolalia, glosəleiliə, Glossolaly, glosoləli, het spreken in vreemde talen (Bijb.).

Glossology, glosolədži, uitlegging van woorden; vergelijkende taalwetenschap.

Gloster, glostə, Gloucester (kaas).

Glottal, glot’l, stemspleet …; Glottis, glotis, stemspleet.

Glottology, glotolədži. Zie Glossology.

Gloucester, glostə, Gl. (kaas); —shire, glostəšə.

Glove, glɐv, subst. handschoen, bokshandschoen; — verb. (als) met een handschoen bedekken: Berlin — = wollen handschoen; They are hand and (in) — = koek en ei; He threw down the — and I took it up = hij wierp mij den handschoen toe en ik nam hem op; —-fight = vuistgevecht, bokspartij; —-shop = handschoenenwinkel; —-stretcher = handschoenrekker; —r = handschoenmaker: He got it with the aid of a —r = door kruiwagens (fig.).

Glow, glou, subst. gloed, gloeihitte, helderheid, vuur, hitte, roodheid; — verb. gloeien, fonkelen, schitteren, rood zijn, vol vuur en opgewektheid zijn: He is —ing with patriotic feeling = gloeit van; —-lamp = electr. gloeilamp; —-worm = glimworm.

Glower, glauə, nijdig en dreigend staren (at).

Gloze, glouz, vleitaal, schijn; — verb. een vernisje geven, vergoelijken (over).

Glucic, glûsik: — acid = glucinzuur; Glucose, glûkous, druivensuiker.

Glue, glû, subst. lijm; — verb. lijmen, vasthechten: To move at the rate of a fly in a —-pot; —y = kleverig.

Glum, glɐm, adj. norsch, somber: There is no Sabbath —ness at these meetings = geen uitgestreken gezichten.

Glume, glûm, dop, kaf, bolster.

Glut, glɐt, subst. overkroptheid, groote overvloed, al te groote voorraad; — verb. schrokken, kroppen, overladen, overvoeren, voldoen, verzadigen: He —ted his eyes = hij weidde zijne oogen; To — one’s revenge = zijn wraak koelen; —man = nood- of extra hulp bij veel werk.

Gluten, glût’n, gluten.

Glutin, glûtin, eiwitachtig bestanddeel van gluten.

Glutinous, glûtinɐs, lijmachtig, kleverig; subst. —ness.

Glutton, glɐt’n, subst. gulzigaard; veelvraat (dier); —ous = gulzig; —y = vraatzucht, gulzigheid.

Glycerin(e), glisərin, glycerine.

Glyph, glif, loodrechte holte of gleuf (in zuilen, b.v.); —ic, glifik. Zie Hieroglyphic.

Glyptics, gliptiks, glyptiek, graveerkunst in steen; Glyptograph, gliptəgraf, graveering op edelsteen; Glyptographer.

Gnar, nâ, knorren, brommen.

Gnarl, nâl, subst. knoest; snauw, grauw; — verb. snauwen, grauwen; —ed, nâld, vol knoesten; korzelig, grommig = —y.

Gnash, naš, knarsen: To — one’s teeth.

Gnat, nat, mug: To strain at (beter: out) a — and swallow a camel = eene mug uitzijgen en een kameel doorzwelgen; —-strainer = muggenzifter; —-worm = larve van eene mug.

Gnaw, nô, wegknagen, knabbelen, knagen, voortdurende pijn lijden; —er.

Gneiss, nais, gneis, zeker gesteente; —ic.

Gnome, noum, aardmannetje, kabouter; maxime, zinspreuk; Gnomic(al), noumik(’l), nomik(’l), leerend, vol maximen.

Gnomon, noumon, gnomon, een soort van zonnewijzer; adj. —ic, nəmonik.

Gnosis, nousis, kennis, wetenschap; Gnostic, nostik, gnostisch; sluw, wereldwijs; ook subst.; Gnosticism, nostisizm, gnosticisme.

Gnu, nû, njû, kleine antilope.

Go, gou, gaan, loopen, zich begeven, trekken, reizen, varen, vloeien, in gang zijn, in omloop zijn, beschouwd worden als, leiden tot, zich uitstrekken tot, zich bevinden, gelukken, van plan zijn, op het punt zijn, zijn toevlucht nemen tot, handelen, zich schikken, verkocht worden, waard zijn, voorhanden zijn, verloopen, ten einde loopen, enz.; subst. gang, omstandigheid, zaak, mode, vuur, moed, poging, rondje, dronk, glas, enz.: Goes of whisky = rondjes; I had a second — = werd voor de tweede maal bediend; We had a — at the sherry = dronken eens; I had a — at it = probeerde het eens; He has plenty of — in him = veel energie, “fut”; Here’s a jolly — = dit is een mooie boel; That is no — = dat is mis, gaat niet, geeft niets; That is the extreme of no-—ism = dat kan heelemaal niet; Such hats are all the — now = draagt nu iedereen, zijn erg algemeen; I have given him the —-by = hem gedaan gegeven, hem afgedankt; We gave the fortress the —-by = lieten liggen, trokken haar voorbij; He was our —-between = hij was onze bemiddelaar; Great — = het examen voor den B.A. graad (na 3 jar. studie); Little — (= Responsions, Smalls) = een vóórexamen (na 2 jar. studie); The book will — = zal bijval vinden, “gaan”; She went that fatal voyage = ondernam; Pay as you — = betaal wat ge noodig hebt; She let herself — after marriage = toonde haar waren aard; I made my money — as far as I could = besteedde zoo nuttig mogelijk; It is rather fair, as things — = het is naar omstandigheden nogal gunstig; She is a good child as children — = vergelijkenderwijs is ze een goed kind; I am gone = verloren, “er bij”; Far gone in liquor = erg dronken; Be gone = maak, dat je weg komt, ruk uit; He is gone = weg; Get you gone = ruk uit; — about your business = maak dat je weg komt; We have —ne about a long way = een heel eind omgeloopen; Everything goes against me = alles loopt mij tegen; It goes against the stomach (grain) with me (against my st., gr.) = stuit mij tegen de borst; — along with you = och loop; You will understand it as you — along = als gij maar volgt, voortgaat; I have gone between them = ben als bemiddelaar tusschen hen opgetreden; You have gone beyond me = mij bedrogen, mij overtroffen; You went by me = zijt mij voorbijgegaan, hebt mij genegeerd; I — by my own feelings = volg; The ship has gone down = is vergaan; The manoeuvre which in the language of the prize-ring is known as —ing down to avoid punishment = de manœuvre, die in sporttaal bekend staat als op de knieën vallen om de slagen te ontduiken; That won’t — down with us = dat wil er bij ons niet in, gaat bij ons niet op, dat slikken wij niet; He went down with the public = viel in den smaak bij; The bread has gone down (gone up) = het brood is afgeslagen (opgeslagen); Such things — for nothing with me = tellen bij mij niet; I’ll — for him for slander = zal hem wegens laster aanklagen; We went forth at 12 = wij vertrokken om 12 uur; To — in = binnengaan, er op los gaan, binnenkomen, aanheffen, smaak vinden in, weer aan ’t werk gaan, aanpakken, beginnen met, opgaan voor (een examen), veel werk maken van; I must — in for a new coat = ik moet aan eene nieuwe jas gelooven; I will — in for it = ik zal er aan meedoen; He went in for a quiet country-place = hij vestigde zich in (nam); This door goes into the garden = komt op den tuin uit; The merchant went into the Gazette = ging failliet; To — into particulars = in bijzonderheden afdalen; We did not — into those matters = roerden niet aan; To — off one’s head = verliezen; To — off the rails = derailleeren; He has gone off = hij is heengegaan, gestorven; Things went off at high prices = de artikelen werden voor hoogen prijs opgekocht; It has gone off very well = het is heel goed gegaan; She is —ing off (in her looks) = zij wordt er niet mooier op; The gun went off = geweer ging af; He succeeded at his first —-off = eerste poging, eersten slag; He went on = ging door, voort, “ging aan”, trad op (tooneel); Gone on a girl = verliefd op; Comparisons never — on all fours = vergelijkingen gaan altijd mank; She is —ing on for middle-age = komt al op middelb. leeftijd; Ministers have gone out of office = hebben hunne portefeuilles neergelegd; With her something seems to have gone out from my life = door haar (vertrek, etc.) schijnt er iets aan mijn leven te ontbreken; Her thoughts went out to tea (to him) = hare zinnen zetten zich op thee (op hem); To — over = gaan over, dóórloopen, bezichtigen, overgaan (kathol. worden); We have gone over this book together = dit boek doorgewerkt, nagegaan; To be gone over a thing = zich ergens heel druk over maken; We went through the accounts = rekenden af; We have gone through much suffering = veel leeds geleden; Now that you have begun you must — through with it = moet gij het ook doorzetten; — to = och loop! begin! ga door; He went to law = ging procedeeren; Two things — to this = twee zaken zijn hiervoor noodig; He goes under that title = is bekend onder; We will not — upon such principles = niet volgens die beginselen handelen; What went with her is not known = wat met haar gebeurde; This colour does not — with her bonnet = past niet bij haar hoed; You will have to — without your dinner to-day = het zonder middageten moeten stellen; To — abroad = naar het buitenland gaan; To — ahead = vooruit gaan; To — aloft = naar boven (in het tuig) gaan; To — astray = verdwalen, zondigen, den verkeerden weg opgaan; To — bad = bederven; That does not — far enough = is niet toereikend; To — the whole figure (the whole hog) = consequent doorzetten, volhouden; To — halves = voor de helft staan; It will — hard with you = je zult het hard te verduren hebben: het zal je veel moeite kosten; — it, old boy = raak hem, toe maar; They have been —ing it = zij zijn er van door geweest; I will not — that length = zoover ga ik niet; He went greater lengths than any of you = hij ging verder, durfde meer; To — mad (crazy, white) = gek; —ing strong? = gaat het goed; —-between = tusschenpersoon, bemiddelaar; —-by: To give the —-by = uitsnijden; ignoreeren; negeeren; The child is taught to walk by means of a —-cart = loopwagentje (raamwerk zonder bodem op rolletjes); —-down = pakhuis, stapelplaats; —er: This watch is a good —er = loopt goed; All comers and —ers = de gaande en komende man; Going = gaande, aan den gang, goed loopend, voorhanden, in de mode; gang, weggaan: All the mothers — = alle bestaande moeders; —, —, gone! = eenmaal, andermaal, ten derden male! —-away dress = reistoilet van de bruid; —s = handelingen, levenswandel; —s-on: You never saw such —s-on = zoo iets heb je nooit gezien; To be — = op ’t punt staan; I’m not — to tell him = ik zal wel oppassen; It is — on for twelve = het loopt tegen; To keep — = aan den gang houden; To set — = aan den gang brengen; Gone, gon, gôn, part, perf. van to go: It is six — = over zes; He is a — man, A — beaver, coon, gander, goose, It’s a — case (goose) with him = ’t staat er hopeloos met hem voor, hij is er bij; —ness = gevoel van zwakheid of gedruktheid (Amer.).

Goad, goud, subst. prikkel (van ossendrijvers); — verb. prikkelen, aanzetten, tot prikkel dienen: He was —ed into savageness = hij werd geprikkeld tot hij een woesteling geleek; —sman, —ster = ossendrijver.

Goal, goul, begin- of eindpaal, doel, einde: To get a — = een goal maken.

Goat, gout, geit; —-foot = bokspoot, satyr; —-herd = geitenhoeder; —’s beard = moerasspiraea; —’s marjoram = marjolein; —-carriage = bokkewagen; —skin, subst. en adj. geitenvel, geitenleder; —-sucker = nachtzwaluw, geitenmelker; —ee, goutî, sik; —ish = bok- of geitachtig, vuil riekend, ontuchtig.

Gob, gob, mond(vol), beet, portie; Gobbet, gobət, subst. mondvol, brok, stuk; — verb. met groote slokken of brokken verzwelgen.

Gobbing, gobiŋ, kolen- en steengruis.

Gobble, gob’l, subst. geklok; — verb. gulzig slikken, klokken, kakelen: Such excellent housekeepers are eagerly —d up by bachelors = worden dadelijk ingepikt door; —r = gulzigaard, smulpaap, kalkoen.

Gobelin, gobəlin, gobelin; ook adj.

Goblet, goblət, drinkbeker.

Goblin, goblin, kabouter, spook, booze fee.

God, god, God: Come from — knew where; So help me —! (eedsformulier); Would to — = God gave! The —s = (de lui van) het “schellinkje” (in een schouwburg); —child = petekind; —daughter = peetdochter; —father, subst. peetvader, peetoom; — verb. als peetvader optreden; —-fearing = godvreezend, godsdienstig; In this —-forgotten place; —head, —hood = Godheid, goddelijkheid; —-man = Godmensch; —mother = petemoei; —send = meevallertje, geluk; —son = peetzoon; —’s-acre = godsakker, begraafplaats; —-speed: To bid —-speed = goede reis wenschen; —wit = griet; —dess = godin; —less = goddeloos; subst. —lessness; —like = goddelijk, vroom; subst. —likeness; —ly = godvruchtig, vroom: The —ly = het volk Gods (naam van de parlementsgezinden in den Eng. burgeroorlog van 1629–1640).

Godfrey, godfri, Godfried, Govert; Godiva, gədaivə, Godiva.

Goee-goee, gouî-gouî, luiaard, stumper.

Goffer, gofə. Zie Gauffer; Goffering, gofəriŋ, geplooid kantwerk.

Goggle, gog’l, met de oogen rollen, staren; adj. starend, uitpuilend; subst. bril (tegen stof, scherp licht of scheel zien), oogkleppen (v. paarden); —-eye(d) = (met) uitpuilende oogen; gebrild; —-eyed spectacles = met groote, bolle glazen.

Goglet, goglət, (aarden) koelkan.

Goitre, (Amer.) Goiter, gôitə, kropgezwel; adj. Goitrous.

Golconda, golkondə, goudmijn, geldwinning.

Gold, gould, goud, rijkdom; hart van de schijf bij boogschieten; adj. gouden: These words hit the — with precision = slaan den spijker juist op den kop; —-beater = goudpletter, goudbladmaker; —-beater’s-skin = goudvlies; —-bound = in goud gezet of gevat; —-cloth = goudlaken; —-digging = het graven naar goud; —-dust = stofgoud; —-fever = manie voor goudzoeken; —-field = gouddistrict, goudveld; —-finch = goudvink (ook fig.); —-fish = goudkarper; —-foil = bladgoud; —-flower = vleugelnoot; —-hammer = geelgors; —-lace = goudgalon; —-leaf = bladgoud; —-smith(ry) = goudsmid(swerk); —-stick = hofceremoniemeester (met gouden staf) in Engeland; —-thread = gouddraad (om zijde gewikkeld); —-washer = goudwasscher; —-wire = gouddraad; —en = goudachtig, op goud gelijkend, goudkleurig, van goud, schitterend, van groote waarde, gelukkig; —en age = gouden eeuw; —en cup = boterbloem; —en eagle = steenarend; —en fleece = gulden vlies; —en-mouthed = welsprekend; —en-number = guldengetal; —en-rule = gulden regel, regel van drieën; —en-tressed = met goudgele lokken; —ing = goudrenet; —ney = goudvischje; —y = goudvink; —ylocks, gouldiloks, gulden boterbloem; huidvaren, haarmos, etc.

Golf, go(l)f, een soort van kolfspel; — verb. ’golf’ spelen; —-club = kolf, golfclub; —-link = golfbaan.

Golgotha, golgətha, Golgotha, martelplaats.

Goliath, gəlaiəth, Goliath: — beetle = groote kever (in de Tropen).

Golly, goli, gossie: —, how they shrieked = gossie, wat schreeuwden ze!

Gollywog, goliwog, een potsierlijk opgekleede pop, met opengespalkte oogen, een haarbos en vaak een zwart gezicht.

Goloe-shoe, gəloušû, (elastieken) overschoen = Golosh(e).

Gombeen, gombîn, Iersch woekeraar.

Gomuti, Gomuto, gəmûti, gəmûtou, arengpalm; de zwarte vezels daarvan.

Gondola, gondələ, gondel, platboomde vrachtboot; perronwagen (Amer.); Gondolier, gondəlîə, gondelier.

Goneril, gonəril.

Gonfalon, gonfəlon, Gonfanon = lansvaantje; kerkbanier.

Gong, goŋ, gong (een tambourijnvormig metalen instrument waarop met een omwoelden stok wordt geslagen, en dat in vele Engelsche huizen in plaats van de etensbel wordt gebruikt); heimelijk gemak; —-punch. Zie Bell-punch (Amerik.).

Goniometer, gouniomətə, goniometer; Goniometry, gouniomətri, goniometrie.

Good, gud, goed, zoet, geschikt, vroom, aanzienlijk, juist, getrouw; subst. het goed(e), voordeel, welzijn, genot, nut, goede hoedanigheden: It’s no — = geeft niet(s); What’s the — of it = waartoe dient het? For the — of the house = ten voordeele van den landheer; For — (and all) = voor goed, volkomen; —s = goederen, waren, materiaal: —s and chattels = have en goed; —s shed = goederenloods; —s train = goederentrein; Ill-gotten —s seldom prosper = kwalijk verkregen goed gedijt niet; Five shillings to the — = tegoed, credit, vooruit; He has behaved as — as gold = is erg zoet geweest; She gave her as — as she got = betaalde haar met gelijke munt; He is as — as his word = hij vervult trouw wat hij belooft; His fortune is as — as made = vrij wel; —! = dat is goed, mooi zoo! That is —! = dat is ook mooi! That is a — one! = een goeie grap, wat moois! A — deal, A — many = zeer vele; A — ten miles, A — two months = ruim, een goeie; In — sooth = in waarheid; In — time = tijdig, in gunstige omstandigheden; On (from) — authority = uit goede bron; Well and — = alles goed en wel; Not — for much = niet veel waard; That is —-for-nothing = dat is nietswaardig; A —-for-nothing (fellow) = nietswaardige (kerel); He has made — his name = zijn naam eer aangedaan; To make — damages, a loss = vergoeden; He has seen (thought) — to do it = het heeft hem goed gedacht (behaagd); He (It) stands — = is soliede; — behaviour: He was released on his — behaviour = hij werd ontslagen (uit de gevangenis) onder de verplichting, dat hij zich goed zou houden; — breeding = hoffelijkheid, wellevendheid; —-conditioned = in goeden staat zijnde; —-day = goeden dag (bij komen of heengaan); —-bye = goeden dag (bij heengaan voor geruimen tijd): I will not say —-bye yet = ik zie je nog wel; —-evening = goeden avond; —-faced = met gunstig uiterlijk; —-fellow = gezellige, goedaardige kerel; —-fellowship = kameraadschap; —-folk(s) = feeën; — Friday = Goede Vrijdag; —-graces = gunst; —-humour = opgeruimde aard; — lack = Hemeltjelief! (verbazing); —-looking = knap; —-manners = beschaving; —man = vriendje, huisbaas, echtgenoot, de Duivel; —-morning, —-morrow = goeden morgen; —-nature = goedaardigheid; —-natured = goedaardig; —ness = goedheid: —ness knows = de Hemel weet; I hope to —ness you will not do it = ik hoop waarachtig; —-night = goeden nacht; serenade; — now = Beware me! (verbazing); — sense = gezond verstand; A —-sized box = vrij groote; — speed = succes! —-tempered = goedgehumeurd; — Templar = geheelonthouder; —wife = huisvrouw; moedertje; —will = welwillendheid; gunst; zaak + klandizie, het daarvoor betaalde geld: To buy the —will of a house; —will to man = “in menschen een welbehagen”; —woman. Zie —wife; He is —, almost to —iness = hij is zoo goed, dat hij haast over zich laat loopen; —ies = lekkernijen, bonbons; —ly = knap, edel, aanmerkelijk, aangenaam, piekfijn (ironisch); —y = subst. sul, goeie vent, beste moeke; adj. goedaardig, sullig, sentimenteel: It would look so —y-goody and stupid = zoo sullig en dom lijken; I have talked —y-—y to her = ik heb met haar zitten kwezelen.

Goorkha = Ghoorka.

Goosander, gûsandə, gusandə, duikergans.

Goose, gûs, subst. gans, sul, sukkel, uilskuiken; (kleermakers)persijzer; — verb. uitfluiten: Every man thinks his own geese swans = elk denkt zijn uil een valk te zijn; To cook a person’s — for him = te pakken nemen, ruïneeren, van kant maken; To get the — = uitgefloten worden; He is sound on the — = hij is ouderwetsch in de slavenkwestie (Amer.); trouw aan zijne partij; —-berry = kruisbes, kruisbessenstruik: —-berry time = komkommertijd (ook The silly season); Old —-berry = de duivel; I am not going to play —-berry(picker) to you two = ik wil niet jullie beider “fâcheux troisième” zijn, voor ’t “fatsoen” met jullie meegaan; He plays old —-berry with the British public = houdt voor den gek; —-berry-fool = uitgeperste kruisbessen met room; zotskap; —-flesh (—-skin) = kippenvel; To go all over —-flesh = kippenvel krijgen; —-herd = ganzenhoeder; —-neck = zwaanshals (van giek of boom); —-quill = ganzeveer, pen; —-winged = met de leizeilen bijgezet (voor den wind zeilend).

Gopher, goufə, naam voor verschillende in een gat in den grond levende dieren, als ratten, eekhoorntjes, schildpadden (Amer.); — verb. op goed geluk naar goud graven.

Gorboduc, göbədɐk.

Gorcock, gökok, korhaan; Gorcrow, gökrou, kraai; Gorhen, göhen, korhen.

Gordian, gödj’n: — knot = Gordiaansche knoop: He cut the — knot = hij heeft den knoop doorgebakt.

Gore, gö, subst. geronnen bloed; geer, driehoekig stuk (land); — verb. doorboren, spietsen, met eene wig doorbreken; Goring = prik, steek.

Gorge, gödz, subst. keel, strot, het verzwolgene, zware maaltijd; nauwe bergpas; — verb. gretig verzwelgen, schrokken: The stench turned my — = het hart draaide me in mijn lijf om van; My — rises at it = ik walg er van; He —d himself with it = at veel van.

Gorgeous, gödžəs, schitterend, prachtig; subst. —ness.

Gorget, gödžət, halsstuk (van eene wapenrusting), borstplaat, halskraag of plooisel.

Gorgon, gög’n, subst. Gorgone; iets zeer leelijks; —ean, —ian, gögounj’n, versteenend, afschuwelijk leelijk; —ize = doen versteenen.

Gorilla, gərila, gorilla.

Gormand, göm’nd, gulzigaard; —ize, göm’ndaiz, gulzig eten, schrokken.

Gorse, gös, brem; Gorsy = vol —.

Gory, gôri, met geronnen bloed bedekt.

Goschen, gouš’n.

Goshawk, goshôk, havik, patrijsvalk.

Gosling, gozliŋ, gansje; katje (van wilgen, etc.).

Gospel, gosp’l, subst. evangelie, iets onomstootelijk waars: You must not take his words for — = als de waarheid; That is — truth = de waarachtige waarheid; —ler = evangelist; voorlezer van het evangelie.

Gossamer, gosəmə, herfstdraden, dun gaas, fijne sluier: Old lace, fine as —; adj. —y.

Gosse, gos.

Gossip, gosip, subst. peet, vriend, buur, gebabbel, babbelaar; — verb. babbelen, leuteren; —-monger = wauwelaar; —er; adj. —y = praatziek, prettig keuvelend.

Gossoon, gosûn, jongen, knecht.

Got, got, imp. en part. perf. van to get.

Goth, goth, Goth, barbaar; —ic = Gothisch, onbeschaafd; subst. Gothisch, Gothiek; —icism; —icize = Gothisch maken; —land.

Gothamist, go(u)thəmist, bewoner v. Gotham in Nottinghamshire (ongeveer als Kampen of Bœotië, bekend om de beweerde domheid der bewoners).

Gothard (St.), s’ntgothəd, St-Gothard.

Gouge, gaudž, gûdž, subst. guts (ronde beitel); bedrog, bedrieger (Amer.); — verb. met een beitel of guts uitsteken of uithollen, bedriegen; —-slip = staal om beitels of gutsen te slijpen; —r.

Gough, gof; Gould, gûld.

Gourd, gûəd, waterflesch of karaf, pompoen; —iness = gezwel, stijfheid; —y = gezwollen (van paardepooten).

Gourmand, gûəmand, gulzigaard, lekkerbek.

Gout, gaut, jicht, droppel; —y = jichtig, gezwollen.

Gout, gû, smaak.

Govern, gɐv’n, besturen, regelen, bedwingen, regeeren; —able = bestuurbaar, volgzaam; subst. —ableness; —ess, gɐvənəs, subst. gouvernante; — verb. gouvernante zijn: That pleases me better than —essing = dan voor gouvernante te spelen; —ment = bestuur, regeling, regeering, zelfbeheersching, uitvoerende macht; adj. Governmental; —or = bestuurder, landvoogd, loods, “ouwe heer”, regulateur (in stoommachines); —orship.

Gowan, gauən, madeliefje (Schotl.).

Gower, gauə, gôə.

Gown, gaun, japon, kleed, jurk, tabberd, toga, leden van eene universiteit: Town and — = studenten en professoren tegenover de stedelingen; Band and — = toga en bef; Morning—- = morgenjapon; Night— = nachtjapon; —-boys = leerlingen, die met kost, inwoning en vrije kleeding tot sommige scholen worden toegelaten; —(s)man = getabberde, student; burger.

Gozzard, gosəd, ganzenhoeder, verbastering van Goose-herd.

Grab, grab, subst. greep; soort kustvaarder in Br.-Indië; — verb. grijpen (naar = at), pakken, vatten; —ble = grabbelen, tasten, spartelen.

Grace, greis, subst. gunst, genade, eer, toegestane tijd, bevalligheid, titel van een aartsbisschop of hertog, besluit (v. h. bestuur v. eene Eng. hoogeschool), gebed aan tafel; — verb. begunstigen, versieren, vereeren: They said — = zij baden, dankten; He did it with a bad —, with (a) good — = onvriendelijk, vriendelijk, gepast; You might have the — to offer me something = kon wel eens zoo vriendelijk zijn; Days of — = loopdagen, respijtdagen; We had but ten minutes’ — = ons werd slechts tien minuten tijd toegestaan; He was in her good —s = bij haar in de gunst; The —s = de (drie) Gratiën; In the year of — 1894 = in het jaar onzes Heeren 1894; —ful = bevallig; subst. —fulness; —less = onbevallig, verdorven, brutaal, lomp; subst. —lessness; Gracious, greišəs, genadig, gunstig; Good(ness) — = genadige goedheid, goeie hemel! subst. —ness.

Gracile, gras(a)il, dun, slank.

Gradation, grədeiš’n, geregelde opklimming, trapswijze overgang; adj. Gradational; Gradatories, gradətəriz, subst. trap van uit een klooster naar eene kerk; Gradatory = geregeld opklimmend.

Grade, greid, subst. graad, kwaliteit, ring, stap, helling (van een weg); waterpas maken, ordenen naar grootte of kwaliteit, gelijkmaken: These roads are at grade = waterpas, op dezelfde hoogte; —ly, greidli, gepast, voegzaam.

Gradient, greidj’nt, subst. (mate van) helling (van een weg); adj. trapsgewijze, geleidelijk.

Gradual, gradjuəl, trapsgewijze, langzamerhand; subst. een response gezongen na het epistle, gradueel of graduale.

Graduate, gradjueit, verb. in graden verdeelen, gradueeren, titreeren; promoveeren, trapsgewijze overgaan; subst. gradjuit, iemand met acad. graad; adj. = —d: —d income-tax = progressieve inkomstenbelasting; These lessons are carefully —d to the children’s powers = deze lessen klimmen geregeld op, en zijn berekend voor de krachten der jeugdige leerlingen; Graduation, gradjueiš’n, geregelde opklimming, verdeeling, promotie, terugbrenging van eene vloestof tot eene bepaalde hoeveelheid (door verdamping); Graduator, gradjueitə, graadboog, stroomregelaar.

Gradus, greidəs, woordenboek voor klassieke prosodie (eig. — ad Parnassum).

Graft, grâft, subst. entrijs; harde arbeid; knevelarij (Amer.); — verb. enten; zwoegen; —ing-knife; —ing-wax.

Graham bread, greiəmbred, brood van grof gemalen tarwe; Grahamite = vegetariër.

Grail, greil, (Heilige) Graal.

Grain, grein, graan, koren, korrel, grein, draad (van hout of vleesch), weefsel, roode verfstof (cochenille), hart, gemoed, aard, vork, harpoen; — verb. korrelen; marmeren, aderen (schilderwerk): He has no — of sense = geen greintje verstand; He has a — of allowance = hij krijgt maar een bitter beetje; Against the — = tegen den draad in; It goes against the — with me = het stuit mij tegen de borst; First they rubbed the old man against his —, and then smoothed him down again = eerst maakten zij den ouden man kwaad; That is dyed in — = in de wol geverfd; He is a rogue in — = doortrapte schurk; —s = afgewerkte mout: —s of Paradise Paradijskorrels; — shipments = korenladingen; —ed = ruw, korrelig, in de wol geverfd, gemarmerd (van verven); —er = schilder (die het hout imiteert), ook: zijn borstel of kam; leerlooiersloog, looiersmes; —ing = looien met vogelmest; imitatiehout-schilderwerk; —-staff, stâf, stok met vorkvormige uiteinden; —y = vol graan, korrels of pitten.

Gram, gram, keker; gram.

Gramercy, grəmɐ̂si, Dank u wel! Goddank! Sapperloot!

Graminaceous, gramineišəs, grasachtig; Graminivorous, graminivərɐs, grasetend.

Grammar, gramə, spraakkunst, richtig spraakgebruik; —-school = gymnasium, Latijnsche school; —ian, grəmêriən, taalkundige; Grammatical, grəmatik’l, taalkundig, spraakkunstig.

Gramme, gram, gram (= 15,432 troy grains).

Gramophone, graməfoun, gramophoon.

Grampian, grampiən: The —s = — Hills, Mountains.

Grampus, grampəs, bruinvisch, zwaardvisch, etc.

Granada, granâdə.

Granary, granəri, korenschuur, korenzolder.

Grand, grand, grootsch, voornaam, beroemd, edel, waardig, prachtig: They do the — at our expense = zij hangen den heer uit; — total = algemeen totaal; —-aunt = oud-tante; —child = kleinkind; —daughter = kleindochter; —-duke = groothertog; —father = grootvader; —father’s clock = ouderwetsche staanklok; —-juror = lid van de —-jury = de jury, die onderzoekt of er reden is dat de beschuldigde door de petty jury verhoord word; —-master = grootmeester; —mother = grootmoeder; —-nephew = achterneef; —-niece = achternicht; —-seignior = (oude) titel van den Sultan van Turkije; —-stand = groote tribune (bij een wedstrijd); —sire = grootvader, voorvader; —son = kleinzoon; —-uncle = oudoom; —-vizier = grootvizier of eerste minister in Turkije; —am, grandəm, grootmoeder, oude vrouw; —ee, grandî, grande (Spaansch edelman); —e-garde, grandgâd, het deel der wapenrusting, dat den linkerschouder en de borst beschermt; —eur, grandjə, grootschheid, pracht, verhevenheid; —iloquent, grandiləkwent, —iloquous, grandiləkwɐs, bombastisch, grootsprekend, opgeblazen, snoevend; —iose, grandious, (werkelijk of gemaakt) grootsch en indrukwekkend; subst. Grandiosity = —ness.

Grange, greinž, schuur, boerderij (met bijgebouwen, enz.), buiten, heerenhuis, een Amer. landbouwvereeniging (Amer.); —rs = Polit. Agrariërs (Amer.).

Grangerize, greinžəraiz, illustreeren (van boeken, enz.) met platen uit andere boeken vandaan gehaald.

Graniferous, grənifərɐs, graandragend; Graniform, graniföm, korrelig (als graan); Granivorous, grənivərɐs, graanetend.

Granite, granit, graniet; adj. Granitic.

Granny, grani, grootje; ook: Grannam, gran’m.

Grant, grânt, subst. schenking, toelage, subsidie, gave, toestemming, overdracht; — verb. geven, schenken, toegeven, toestaan, toestemmen, overdragen: There will be a — as prayed = de eisch zal toegewezen worden; I claim a — of letters of administration = ik eisch, dat er een administrateur worde benoemd; God — him success = God geve, dat hij slage; Let us — it for argument’s sake = laten wij het voor een oogenblik aannemen; To — a flavour to = een aangenamen geur (smaak) verleenen aan; I beg your pardon; —ed = ik vraag u excuus; gij hebt het; I take it for —ed = ik houd het voor bewezen, uitgemaakt; —ed you are right = toegegeven, dat; —s-in-aid = hulpkas (eig. schenkingen in nood), vooral bij werkstakingen; —able = inwilligbaar, overdraagbaar; —ee, grântî, iemand, wien iets wordt toegestaan of overgedragen; concessionaris; —er = die toestaat of overdraagt; —or, grântə, grantö, die iets overdraagt of afstaat.

Grantham, grant’m.

Granular, granjulə, korrelachtig, korrelig; Granulate, granjuleit, granuleeren; greineeren; korrelig worden; Granule, granjûl, korreltje; Granulous, granjulɐs, vol korrels.

Granville, granvil.

Grape, greip, druif; —s = gezwel (op paardenhiel); —-shot = schroot; —-sugar = druivensuiker; —-stone = druivenpit; —-vine = wijndruif; —ry = druivenkweekerij (-kas).

Graphic(al), grafik(’l), graphisch, aanschouwelijk; Graphology, grəfolədži, graphologie; Graphometer, grəfomətə, graphometer; Graphophone = klankschrijver.

Graphite, grafait, graphiet.

Grapnel, grapn’l, dreg; klein anker.

Grapple, grap’l, subst. worsteling, omvatting (met de armen in een strijd), gevecht van man tegen man; (enter)haak; — verb. aanklampen, vastgrijpen, vechten; —ment = worsteling van man tegen man; Grappling-iron = enterhaak.

Grapy, greipi, druifachtig, naar druiven smakend, vol druiven, druiven …

Grasp, grâsp, subst. greep, houvast, bereik; — verb. vasthouden, grijpen, vatten, bezit nemen: He did not — the situation = begreep niet; All — all lose = wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op den neus; —er = grijpijzer; hebzuchtige, inhalig persoon; —ing = inhalig.

Grass, grâs, subst. gras; — verb. met gras of zoden bedekken, bleeken, op het gras werpen, ophalen (bij het hengelen) en op het land werpen: We are at — = vrij, kunnen in de wei loopen, zijn weggestuurd; To go to — = doodgaan; in de wei loopen (fig.); Go to — = ruk uit! The horses were put to (taken (in) to) — = werden in de wei gedaan; To send to — = neerslaan; What made him have his horse up from — = waarom heeft hij het paard uit de weide gedaan? He never lets the — grow under his feet = laat er nooit gras over groeien, pakt flink en dadelijk aan; While the — grows, the steed starves = met hopen en verlangen alleen komt men er niet; —-blade = grassprietje; —-cloth = graslinnen; —-green, subst. graskleur; adj. grasgroen; —-grown = met gras begroeid; —-hand = (nood)letterzetter; —-hopper = sprinkhaan; —-plot = grasveld; —-widow = onbestorven weduwe; ongehuwde moeder; —y = met gras bedekt, groen.

Grate, greit, subst. rooster, haard, traliewerk; — verb. van rooster of traliewerk voorzien, wrijven, schuren, raspen, stuk wrijven, plagen, kwellen, krassen, knarsen: It —s upon my ears = het doet mijne ooren pijn; —r, greitə, rasp; Grating, greitiŋ, subst. traliewerk; het knarsen; adj. knarsend, krassend, hard, irriteerend.

Grateful, greitful, dankbaar, aangenaam, liefelijk; subst. —ness.

Gratian, greiš’n, Gratianus; Gratiano, greišiânou.

Gratification, gratifikeiš’n, belooning, genot, bevrediging; Gratify, gratifai, behagen, beloonen, inwilligen, bevredigen, aangenaam zijn: That must be very gratifying to you = daarmede moet gij wel ingenomen zijn.

Gratis, greitis, gratis.

Gratitude, gratitjûd, dankbaarheid.

Gratuitous, grətjûitɐs, gratis, vrijwillig, zonder reden, ongegrond; subst. —ness; Gratuity, grətjûiti, fooitje, vrije gift, douceurtje.

Gratulate, gratjuleit; Gratulation; Gratulatory. Zie Congratulate.

Gravamen, grəveim’n, hoofdoorzaak, voornaamste punt van aanklacht.

Grave, greiv, subst. graf; — verb. graveeren, beitelen; —-clothes, —-kloudhz, lijkwade; —-digger, —-maker = doodgraver; —-mound = grafheuvel; —-stone = grafsteen; —-yard = kerkhof; —less = onbegraven; —n = gesneden, gegraveerd; —r, greivə, graveur, graveerstift.

Grave, greiv, ernstig, plechtig, gewichtig, somber, diep; subst. —ness.

Grave, greiv, schoonmaken van den bodem van een schip; Graving-dock = droogdok.

Gravel, grav’l, subst. kiezel; graveel; — verb. met kiezel(zand) bestrooien, op het zand laten loopen (van een bootje), verlegen maken: The editor was —led for matter = de redacteur was verlegen om copie; —-pit = kiezelkuil; —-walk = kiezelpad, grintpad.

Gravelin(e), gravəlîn, Grevelingen; Gravesend, greivzend.

Gravid, gravid, zwanger.

Gravitate, graviteit, (aan)getrokken worden, neigen: He is gravitating towards conservatism = helt over, voelt zich aangetrokken tot; Gravitation = zwaartekracht; Gravity, graviti, zwaarte, gewicht, belang, ernst, deftigheid, diepte (van toon), zwaarte- of aantrekkingskracht: Specific — = soortelijk gewicht; Centre of — = zwaartepunt.

Gravy, greivi, jus, vleeschnat; sap (Amer.).

Gray, grei, subst. grijze kleur, grijsaard, schimmel; soort v. bont, das; adj. grijs, aschkleurig, grauw, duister; —beard = grijsaard; steenen kruik (Schotl.); —-fly = paardenvlieg; —-friar = Franciskaner monnik; —-mare = schimmel; bazin, driedekker (eene vrouw, die de broek aan heeft).

Grayling, greiliŋ, vlagzalm.

Graze, greiz, subst. schaafje of schram(metje); — verb. schaven, strijken langs, even aanraken; grazen, (af)weiden, hoeden, zich voeden met; —r = grazend dier; Grazier, greižə, vetweider.

Grease, grîs, subst. vet, smeer, kanen; — verb. grîz, grîs, (be)smeren, olieën, omkoopen: In the — = ongezuiverd; We shall let him stew in his own — = in zijn eigen vet laten gaarkoken: —-box; —-man (= —r, grîzə) = smeerder; smeerlap; scheldn. v. een Mexicaan (Amer.); —-pot = vetpot; smeerpoes; Greasiness, subst. v. Greasy = vettig, besmeerd, vuil, mistig, modderig, zalvend.

Great, greit, groot, bekend, befaamd, berucht, gewichtig, voornaamste, dik, gezwollen, enz.: We bought them by the — = wij kochten ze in de massa; A — deal = zeer veel; A — many = vele; A — while = sedert lang; —-coat = overjas; —-go of —s = examen voor de B.A. graad; —-grand-aunt = overoudtante; —-grandfather = overgrootvader; —-grandson = achterkleinzoon; —-hearted = dapper, grootmoedig; He rides the — horse = hij zit op zijn paardje (fig.); — seal = grootzegel; — Spirit = naam van het Opperwezen bij de Indianen; —ness = grootheid, enz.

Greaves, grîvz, scheen- of beenplaten (wapenrusting); (reuzel)kanen.

Grecian, grîš’n, subst. Griek, Hellenist; jongen der hoogste klasse in Christ’s Hospital (Londen); adj. Grieksch; —ize, grîšənaiz, vergriekschen; Grecism, grîsizm, Grieksch idioom; Grecize, grîsaiz, in het Grieksch vertalen, vergriekschen.

Gre(e)be, grîb, fuut.

Greece, grîs, Griekenland.

Greed, grîd, hebzucht, begeerigheid = —iness; adj. —y = begeerig, schrokkig: —y of honour = eerzuchtig; —y-gut = schrokker, slokop.

Greek, grîk, subst. Griek, Grieksche taal, bedrieger; adj. Grieksch; — met — = twee Joden weten wat een bril kost; — Church = de Grieksche kerk; — cross = kruis met vier gelijke armen; — fire = Grieksch vuur; — orders = de Dorische, Ionische en Korintische bouwstijl.

Green, grîn, groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong, onervaren, sullig, onnoozel; —s = groenten; — verb. groen maken of worden: Do you see any — in my eye = zie ik er zoo onnoozel uit? On the — side of fifty = onder de 50 jaar; —back = Amer. bankbiljet; — cloth = speeltafel: Board of — cloth = een soort van Hof-Rechtbank onder den Hofmaarschalk; biljart; —-coloured = bleek, ziekelijk; —-crop = groenteoogst; —-eyed = groenoogig; ijverzuchtig, jaloersch, achterdochtig: The —-eyed monster = de jaloerschheid; —hand = nieuweling; —-finch = groenling, vlasvink; —-fly = groene vlieg; bladluis; —foil; zie Foil: — foil smalls = groenkleurige korte broek; —gage = reine claude, groene pruim; —grocer = handelaar in groenten; —horn = nieuweling, sul; —house = oranjerie, broeikas; —land(er) = Groenland(er); —-room = kamer voor de niet optredende acteurs; —sickness = bleekzucht; —-stall = groentenstalletje; —-sward = grasveld; —wood = woud in den zomer; —ery, grînəri, massa groene planten, plaats waar ze gekweekt worden; —hood = onrijpheid, onervarenheid; —ish = groenachtig; groen (fig.); —ness = groenheid, jeugd, onervarenheid; —y = —ish.

Greenwich, grînidž.

Greet, grît, begroeten, toespreken, gelukwenschen; schreien, weeklagen (Schotl.); —ing = groet.

Gregarious, grigêriəs, in kudden of troepen levend, gezellig; subst. —ness.

Gregorian, grigôrian, subst. en adj. Gregoriaansch (lied of muziek); Gregory, gregəri, Gregorius.

Grein, grîn.

Gremial, grîmiəl, subst. gremiale, langwerpige zijden (of linnen) doek (die de Liturgische kleur van den dag moet hebben), die den bisschop, als hij bij den pontificalen dienst op zijn troon heeft plaats genomen, op den schoot wordt gelegd om het misgewaad te sparen; ook adj.

Gremio, grîmiou, gremiou.

Grenada, grəneidə.

Grenade, grəneid, granaat; Grenadier, grenədîə, grenadier.

Grenadine, grenədîn, grenədin, grenadine.

Gresham, grešəm; Greville, grevil.

Grew, grû, imperf. van To grow.

Grewel, grûəl, straffen, verslaan.

Grewsome, grûs’m, ijselijk, leelijk.

Grey, grei, grijs (Zie Gray), rijp; subst. grauw, schemering, schimmel; — verb. grijs maken of worden; The — mare = vrouw, die de broek aan heeft; The —s = Schotsch cavalerieregiment (omdat de paarden alle schimmels zijn = Scots —s); —-bird = lijster; —-hound = hazewind; snelvarende stoomboot (= Ocean —-hound); —ish = grijsachtig; —ness = grijsheid.

Grice, grais, speenvarken, jonge das.

Griddle, grid’l, pannekoekspan, rooster, zeef; —-cake = soort pannekoek (Amer.).

Gride, graid, doorboren, knarsend snijden, knarsen, krassen.

Gridiron, gridaiən, rooster; vlag der U. S.; —-pendulum = compensatieslinger.

Grief, grîf, smart, droefheid, hartzeer, fout, beleediging: The bridge has come to — = is zeer bouwvallig; He came to — = het liep verkeerd voor hem af, hij brandde de vingers, kreeg een ongeluk, het liep slecht met hem af; He came to — over this obstacle = deze hinderpaal brak hem den nek; Grievance, grîv’ns, grief, bezwaar; leed, kommer: —-monger = eeuwige mopperaar, brompot; Grieve, grîv, bedroeven, smarten, krenken, (be)treuren: To be —d at = betreuren, treuren over; Grievous, grîvəs, smartelijk, moeilijk te dragen, betreurenswaardig, hatelijk, wreedaardig; subst. —ness.

Griffe, grif, kind van een neger en eene mulattin.

Griffin, grifin, griffoen; witkoppige gier; baar (iemand, die pas in Indië is gekomen).

Griffith, grifith.

Griffon, grifən, affenpinscher.

Grig, grig, krekeitje; smelt: As merry as a — = zoo vroolijk als een vogeltje, erg gezellig.

Grill, gril, subst. rooster, op een rooster gebraden vleesch; — verb. roosteren, braden (ook fig.); —-room = soort “lunchroom”, restaurant.

Grillage, grilidž, roosterwerk (als fundeering).

Grille, gril, traliewerk.

Grilse, grils, jonge zalm (tweede jaar).

Grim, grim, grimmig, streng, leelijk, wreed, onverbiddelijk; subst. —ness.

Grimace, grimeis, grijns; — verb. grijnzen.

Grimalkin, grimalkin, grimôlkin, oude kat.

Grime, graim, subst. vuil, roet; — verb. bevuilen; Grimy = vuil.

Grimm’s law, grimzlô, Grimm’s wet der klankverschuiving.

Grin, grin, subst. grijns, gedwongen lach, grimlach, val; — verb. grijnzen, de tanden laten zien, grinniken, lachen: To — and bear it = zich goed houden.

Grind, graind, subst. het malen, blokken, ploeteren; — verb. malen, slijpen, afslijten, knarsen, kneuzen, onderdrukken, uitmergelen, drillen (voor een examen), blokken: It is a frightful — = een verschrikkelijke toer; A man cannot be always on the — = kan niet altijd ingespannen wezen; He ground the faces of the poor = onderdrukte de armen (Jesaja III, 15); Do not — your teeth = knars niet met de tanden; The employer ground us down = buitte ons uit; Two numbers have been ground off the wheel = twee nummers (van het tijdschrift) zijn afgewerkt; —stone, graindstoun of grin(d)stən, slijpsteen: He has kept his nose to the —stone = heeft zich afgebeuld; I have been tied to the —stone during the last weeks = door veel werk erg gebonden geweest; —er = onderdrukker, maler, maaltand, kies, repetitor, blokker: He took a —er = bracht zijn linkerduim aan zijn neus, en deed met zijne rechterhand, alsof hij een koffiemolen draaide (als om te zeggen: ik maal er wat om); —ery = slijperij; schoenmakersmateriaal, magazijn daarvan; —ing = nijpend: — poverty.

Grip, grip, subst. greep, houvast, greb, greppel, voor, griep, naam voor influenza in Amerika; — verb. grijpen, goed vasthouden, droogleggen, greppels graven: He had a feeble — of my idea = begreep mij maar half; Take a good — on that = onthoud dat goed; —-sack = reis of knapzak (Amer.) —per = gierigaard; —ple, grip’l, subst. greep, houvast; adj. grijpend, inhalig.

Gripe, graip, subst. greep, houvast, deel waar iets gegrepen wordt, knauw, klauw, druk, smart, verachtelijke vrek; — verb. grijpen, goed vasthouden met gesloten vingers, knijpen, onderdrukken, koliek veroorzaken, erge buikpijnen hebben, afpersen, te kort bij den wind liggen; —s = koliek, snijdingen in den onderbuik; bootstouwen; He felt griping pains in the belly = ondragelijke buikpijn; —r, graipə, afperser, onderdrukker.

Griqualand, grîkwəland, in Zuid-Afrika.

Griselda, griseldə, Grissel, gris’l, Griselda.

Griseous, grisiəs, grauw, grijsachtig.

Grisette, grizet, grisette.

Grisliness, grizlinəs, gruwelijkheid; Grisly, grizli, akelig, vreeselijk, afschuwelijk; Zie Grizzly.

Grison grais’n, kleine veelvraat (soort marter).

Grisons (The), dhəgriz’nz, (bewoners van) Grauwbunderland.

Grist, grist, maalkoren, gemaald koren, voorraad: Such things bring — to his mill = zulke zaken brengen hem voordeel aan; That’s — to his mill = koren op zijn molen; —-mill = korenmolen.

Gristle, gris’l, kraakbeen: In the — = jong en weerloos; Gristly = kraakbeenachtig.

Grit, grit, subst. grof gemalen gort (gewoonlijk meervoud), grof deel van meel, gruis, ruwe deeltjes; vastberadenheid, moed; — verb. knarsen, krassen, wrijven: They had not — enough to do it = geen flink heid; Her father is full of — and go = is een kranige, vooruitstrevende kerel = There is — in him; All Americans of the true — = van de echte (energieke) soort; I —ted my teeth; —-stone = grof soort v. zandsteen; —tiness, subst. van —ty = gruis bevattend, korrelig, hard; flink, kranig (Amer.): A —ty novel = pittige roman.

Grizzle, griz’l, grauwe kleur; — verb. grijs worden (maken); —d = grijs, grauw, geschimmeld.

Grizzly, grizli, grijsachtig; subst. (grijze) beer: I will send you a skin, if I have any luck with the grizzlies = als ik succes heb op mijne berenjacht; —-bear = N. Amer. beer.

Groan, groun, subst. gekreun, gebrom (afkeuring of spot te kennen gevend); — verb. kreunen, diep zuchten, smart lijden, onderdrukt worden, brommen (om afkeuring uit te drukken).

Groat, grout, groot (munt van vier stuivers), kleinigheid: Not worth a —.

Groats, grouts, grutten.

Grocer, grousə, winkelier in koloniale waren, kruidenier; —ies = kruidenierswaren; —y = kruidenierswinkel; drankwinkel (Amer.).

Grog, grog, grog; —-blossom = roode neus of gezicht; —-fight = zuipen; —-shop = kroeg = —gery (Amer.); —giness, subst. v. —gy = dronken; wankelend, stijf, afgejakkerd (van paarden).

Grogram, grogr’m, subst. half zijden stof, adj. van deze gemaakt.

Groin, grôin, lies, (graatrib aan een) kruisgewelf; —ed.

Gromet, gromət, grɐmət, strop: — of an oar = krans (van touwwerk).

Groom, grûm, subst. stalknecht, bruidegom, een titel van sommige hofofficianten; — verb. (de paarden) verzorgen (voeren, roskammen, enz.): — of the stole = opperkamerheer; He was well —ed and trimly clad = zag er zeer verzorgd uit; —sman = bruidsjonker.

Groove, grûv, groef, voor, levensloop, sleur; — verb. groeven of voren maken: He had got into the — of that kind of life = was gewoon geraakt aan; Teaching tends to fall into —s = wordt gemakkelijk sleurwerk; A — in teaching is fatal = sleur bij het onderwijs is noodlottig.

Grope, group, tasten, in het duister zoeken, zijn weg tastende vinden (ook met back), in den blinde rondtasten: She had been walking in —-light towards a precipice = tastende (in het donker).

Gros, grou, zware zijden, stof (— de Naples); oud Fransch muntstukje.

Gross, grous, grof, dik, zwaar, lomp, ruw, dom, suf, laag, plat, gemeen, zinnelijk, onbeschoft, geheel, bruto; subst. gros, massa, geheel, hoofdbestanddeel: In the — = in ’t algemeen, bij de roes, en gros, bruto; —-headed = met een dikkop; dom, stomp; —-weight = brutogewicht; —ness = dikte, grofheid, dichtheid, gemeenheid, ruwheid, domheid, afschuwelijkheid.

Grossulaceous, grosiuleišəs, Grossular, grosiulə, tot de kruisbessen behoorend; subst. groene granaat.

Grosvenor, grouvənə.

Grotesque, grətesk, grillig, vreemd, onregelmatig, belachelijk; subst. grillig gevormde figuur; groot-tekst (typ.); grappenmaker; subst. —ness.

Grotius, groušəs, Hugo de Groot.

Grotto, grotou, subst. grot, hol; —-work = kunstmatig grotwerk.

Ground, graund, subst. grond, bodem, aarde, grondgebied, land, vaste bodem, basis, reden, achtergrond, speelterrein, eenvoudig lied, grondtoon; P. Imperf. en P.P. van to grind; — verb. op of in den grond plaatsen, vellen, grondvesten, grondverf aanbrengen, stichten, onderwijs geven in de beginselen, op den grond leggen (— arms), aan den grond of vast raken (schepen): — glass = matglas; —s = tuin bij een huis; gronden of eerste beginselen; droesem, grondsop, koffiedik, grondkleur: The —s will be cleared at ten = de tuin of het park wordt om 10 uur ontruimd; We have broken — already = wij hebben al een begin gemaakt; He has cut the — from under my feet = hij heeft mij het gras voor de voeten weggemaaid; He changed his — = veranderde van positie, methode, etc.; The plan has fallen to the — = is in duigen gevallen; We have gained — = wij hebben succes gehad, zijn vooruit gekomen; That idea seems to gain — = schijnt veld te winnen, algemeen te worden; They have lost — = zij zijn achteruit gegaan, hebben hun aanzien verloren; Our troops bravely stood their — = hielden moedig stand; —-angling = visschen met grondangel; —-ash = esschescheut(-stek); —-bailiff = mijnopzichter; —-bait = vischaas; —-bridge = brug van houten dwarsliggers door een moeras (Amer.; Zie Corduroy-road); —-floor = benedenverdieping; —-ice = grondijs; —-ivy = hondsdraf; —-oak = eikenloot; —-plan = platte grond; —-plate = raam, grond-(fundatie), plaat, zool; —-plot = bouwterrein, platte grond; —-rent = grondrente; —-sea, —-swell = grondzee; —-tackle = ankertouwen, -kettingen; —-tier = benedenloges (in een theater); —work = grond, grondslag, grondbeginsel, geraamte (van iets); —ed: Well —ed = goed onderlegd; —less = ongegrond: subst. —ness; —ling = kleine modderkruiper, bermpje: The —lings = parterrebezoekers, het plebs.

Groundage, graundidž, liggeld (v. schepen).

Groundsel, graunds’l, gemeen kanariekruid; fundatie = Groundsill, graundsil.

Group, grûp, subst. groep, vereeniging, familie (bij classificatie); — verb. groepeeren.

Grouse, graus, korhoen (Black —); sneeuwhoen (Red —); — verb. schieten op grouse; huiveren, morren.

Grout, graut, gruttenmeel, soort. v. wilde appel, kalk; — ale = soort bier; —s = grutten (brij); droesem; —y, grauti, norsch, verdrietig.

Grove, grouv, boschje; (heilig) woud, (poet.): Image of the —, zie 2 Kon. XXI, 7.

Grovel, grov’l, (op de aarde) kruipen (ook fig.); liederlijk zijn; —ler = kruiper, ploert.

Grow, grou, groeien, wassen, worden, voortkomen, vermeerderen, aankleven, kweeken, voortbrengen: The leaf —s out of the stem = komt voort uit; He grew up to manhood = bereikte den mannelijken leeftijd; The book —s upon the reader = des lezers belangstelling in het boek neemt bij het lezen toe; Drinking will — upon a man = de gewoonte van drinken wordt gewoonlijk sterker; He —s a moustache = laat zijn snor staan; They have —n together = zijn volkomen één geworden; —er = verbouwer: Slow —ers = langzaam groeiende boomen; —ing weather = groeizaam weer; —ing-ups = aankomende jongelui; —n = gegroeid, tot volle rijpheid ontwikkeld: A full-—n man = volwassen man; Over half-—n = meer dan half volwassen; Two thirds —n; When you are —n = groot; The ground was —n over with weeds = bedekt met onkruid; —th = groei, toeneming, gewas, aanwas, voortbrengsel, oorsprong: Wines of good —th; Of one’s own —th = zelf gekweekt.

Growl, graul, subst. geknor, gebrom, geklaag; — verb. brommen, snauwen, knorren; —er = brompot; rammelkast; —ery = studeerkamertje.

Grub, grɐb, subst. pop of larve, kort en dik manneke, dwerg, vuil en slordig persoon, voedsel; — verb. (op)graven, uitgraven, ploeteren; blokken, schransen, voeren: He knelt down a —, and rose a butterfly = toen hij knielde was hij een plebejer, toen hij opstond was hij een ridder; An intermediate — between sycophant and oppressor = een nieteling tusschen vleier en tiran; In — = druk aan ’t werk; He is fond of his — = hij houdt veel van eten; — and bub = eten en drinken; —ber = schranser, blokker, schoffel; —bery = volksgaarkeuken; Money —bing = geldschrapend; —bing-axe (—-hoe) = schoffel; —by = onzindelijk, vuil, versleten, dwergachtig.

Grub Street, grɐbstrît, subst. de tegenwoordige Milton Street (in Londen), waar arme loonschrijvers gewoonlijk woonden; vandaar ook: nietswaardig letterkundig product, of prulschrijver; adj. armzalig, nietswaardig.

Grudge, grɐdž, subst. wrok, haat, afgunst; — verb. wrok koesteren, onwillig zijn, tegenzin hebben, misgunnen, met leede oogen aanzien, aanmerkingen maken op: He bears me a — = heeft een wrok tegen mij; I owe you a — for doing this = ik ben boos op je, datje …; He —s himself nothing = ontzegt zich niets; He —s me the light of my eyes = hij gunt mij … niet; —r = afgunstige, brompot; Grudgingly = ongaarne.

Gruel, grûəl, gruwel of pap: I have given him his — = ik heb hem zijn vet gegeven; Take your — like a man = houd je taai.

Gruesome, grûs’m. Zie Grewsome.

Gruff, grɐf, norsch, barsch, ruw; —ish; subst. —ness.

Grugru, grûgrû, de larve v. d. palmboomklander.

Grum, grɐm; adj. norsch, barsch, knorrig, grof.

Grumble, grɐmb’l, morren, grommen, rommelen; subst. klacht (—s = ontevreden aard): He had a — to himself = mopperde in zichzelf; —r = knorrepot, brompot = Grumbletonian; Grumbly = knorrig.

Grummet, grɐmət = Gromet.

Grumous, grûməs, geklonterd, geronnen; subst. —ness.

Grumpiness, grɐmpinəs, norschheid, brommerigheid, neerslachtigheid; adj. Grumpish, Grumpy.

Grundel, grɐnd’l, kleine modderkruiper; bermpje.

Grundy, grɐndi: Mrs. — = de kritiseerende kwaadsprekende wereld: What will Mrs. — say? = wat zal de wereld er wel van zeggen?

Grunt, grɐnt, subst. geknor; — verb. knorren, brieschen, klagen, brommen; —er = varken; —ling = jong varken.

Grysbok, graisbok, Zuid-Afr. antilope.

Guaniferous, gwânifərɐs, guano opleverend; Guano, gwânou, gjuanou, subst. guano; — verb. met guano bemesten.

Guarantee, gar’ntî, subst. waarborg, borg, zekerheid; — verb. waarborgen, borgstellen, goed zeggen voor: This —s you in the possession of your property = waarborgt u; Guarantor, gar’ntə, gar’ntö, borg; Guaranty, gar’ntî; Zie Guarantee.

Guard, gâd, subst. bewaking, hoede, wacht, conducteur (van spoor of diligence), stootplaat (van een degen, zwaard, etc.), beschermer (ankle-—), veiligheids (horloge) ketting, rand, zoom, vuurscherm (—s = garde in het leger); — verb. bewaken, behoeden, beschermen, zich hoeden: I am off my — = ben niet op mijn hoede; Be (stand) on your — = wees op uw hoede; He kept — over me = bewaakte mij; The soldiers mounted — = betrokken de wacht; He put me on my — = waarschuwde mij; He threw me off my — = hij wiegde me in slaap, verschalkte me; To relieve the — = de wacht aflossen; The advanced — had to defend the bridge = de voorhoede moest de brug verdedigen; You must — against mistakes = gij moet oppassen voor fouten; —-boat = wachtboot; —-house = wachthuis; —-room = wachtkamer (voor soldaten), arrestantenlokaal; —-ship = wachtschip; —sman, gâdzm’n, bewaker; officier of soldaat van de garde; —ed(ly) = omzichtig; —ian, gâdj’n, voogd, opziener, bewaarder, geleider: —ians of the poor = armvoogden; —ian-angel = beschermengel; —ianship = voogdij.

Guatemala, gwâtəmâla, gôtəmâla; Guayana, gwaiâna.

Gude-wife, gûdwaif, huisvrouw, vrouwtje (Schotl.).

Gudgeon, gɐdž’n, subst. grondel; vingerling van een roer; sukkel, lokaas; adj. dom.

Guebre, Gueber, gîbə, geibə, subst. Perzisch vuuraanbidder; ook adj.

Guelders, geldəz, Guelderland, geldəland, Gelderland.

Guelf, Guelph, gwelf, naam van de hertogen van Beieren, de nationale partij in Italië, die den Paus ondersteunde (Z. Ghibelline); —ic = tot de Guelfen behoorende; —ic-order = ridderorde voor het oude Hannover (in 1815 ingevoerd).

Guerdon, gɐ̂d’n, belooning.

Guer(r)illa, gərilə, guerilla (oorlog); franctireur; beunhaas, knoeier.

Guernsey, gɐ̂nzi, Guernsey; trui; roode patrijs.

Guess, ges, subst. gis, gissing; — verb. gissen, onderstellen, raden: He gave a — at it = hij raadde er naar; I’ll give you a hundred —es, and you won’t be on it = ik zet het je het te raden; I — = ik geloof, ik denk (Amer.); He —ed at it = hij raadde er naar; —-work = gissing, onderstelling.

Guest, gest, gast, logeergast; —-chamber.

Guffaw, gəfô, subst. luide lach; — verb. brullen (van lachen).

Guggle, gɐg’l. Zie Gurgle.

Guiana, giâna.

Guidable, gaidəb’l, leidzaam, bestuurbaar; Guidance, gaid’ns, geleide, richting, bestuur; Guide, gaid, subst. gids, geleider, bestuurder, regulateur, reisgids; — verb. geleiden, besturen, leiden: —-board = wegwijzer; —-book = reisgids; —-post = wijspaal, wegwijzer; Guider = leider (Zie ook: Guidon).

Guidon, gaid’n, ruiterstandaard, richtvaantje, vaandrig.

Guild, gild, gilde, vereeniging: —-brother = gildebroeder; —-hall = gildenhuis; gebouw waar het bestuur van de City vergadert; —er = gulden (Nederl.); —ry = gilde (Schotl.).

Guildenstern, gildənstɐ̂n; Guildford, gilfəd.

Guile, gail, bedrog, list, valschheid; —ful = arglistig; subst. —fulness; —less = argeloos; subst. —lessness.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings