← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

V.

Reading edition

V, vî; V. = Verb, Verse, Victoria, Violin; V(ersus) = tegen; V(ide) = zie; V(icar) A(postolic); V(irgini)a; Var(iety); Vat(ican); V(erb) Aux(iliary); V(ice) C(hancellor), of: V(ictoria) C(ross); V(erbi) D(ei) M(inister) = bedienaar van Gods Woord; Ven(erable); Ver(mont = een van de Staten der Unie); V(icar) G(eneral); V(erbi) g(ratia) = bij wijze van voorbeeld; V(erb) i(ntransitive); Vice-pres(ident); V(erb) irr(egular); Visc(ount); Viz = videlicet (videliset) = namelijk; Voc(ative); Vol(ume); Vol(ume)s; V(ictoria) R(egina); V(ery) Rev(erend); V(eterinary) S(urgeon); Vulg(ar); Vulg(ate); Vv. ll. = variae lectiones = verschillende lezingen.

Va, vâ, ga voort (muz.).

Vacancy, veik’nsi, ledigheid, ledige ruimte, gaping, vrije tijd, vacature: The — has been filled up = is vervuld; He stared into (at) — = keek in het wild rond; Vacant, veik’nt, ledig, leegstaand, onbeduidend, vrij, onbezet, vacant: To be, fall, remain — = vacant zijn, etc.; Made — by the death of X = open gekomen; A — stare = een onwijze, nietszeggende blik; Such nations are — of our glorious civilization = hebben niet.

Vacate, vəkeit, ledig maken, ontruimen, neerleggen, afstand doen van, vernietigen: He —d the throne = hij deed afstand van den troon; Vacation, vəkeiš’n, afstand, vernietiging, openzijn of openvalling (v. plaats of betrekking), vacantie, rusttijd: —-days.

Vaccinal, vaksin’l, vaccine …; Vaccinate, vaksineit, vaccineeren, inenten; Vaccination = koepokinenting: Compulsory —; Anti — Society; Vaccinationist = voorstander der vaccinatie; Vaccinator = inenter; Vaccine, vaksin, v. koeien verkregen, tot koeien behoorende: — lymph = — matter = koepokstof; — pox = koepokken; Vaccinia, vəksinjə, koepokken; Vaccinist = Vaccinationist.

Vachery, vašəri, omheinde weide; melkhuis.

Vacillate, vasileit, weifelen, wankelen, flikkeren; adj. Vacillating; Vacillation = weifeling, flikkering.

Vacuity, vəkjûiti, ledige ruimte, ledigheid, afwezigheid van begrip; Vacuous, vakjuəs, ledig, zonder uitdrukking; subst. —ness; Vacuum, vakjuəm, (lucht)ledige ruimte: —-brake = luchtrem; —-cleaner = stofzuiger; —-tubes = luchtledige buizen.

Vade, veid, verwelken, verdwijnen.

Vade-mecum, veidîmîk’m, vademecum, leiddraad, gids.

Vagabond, vagəbond, subst. landlooper, zwerver, luie vent; adj. rondzwervend, vagebondeerend, doelloos; —age, vagəbondidž, landlooperij: To live in —age = vagebondeeren; —ism = —age; —ize = rondloopen, rondzwerven.

Vagary, vəgêri, subst. kuur, gril.

Vagina, vədžainə, vagina, bladscheede; Vaginal, vadžin’l, vədžain’l, scheedeachtig, scheede …; Vaginate(d), vədžainit (—eitid), met een scheede, scheedevormig.

Vagrancy, veigr’nsi, landlooperij; Vagrant, subst. landlooper; adj. zwervend, zonder vaste woonplaats.

Vague, veig, vaag, onbepaald, onduidelijk; subst. —ness.

Vails, veilz, fooi(en).

Vain, vein, ijdel, nutteloos, waardeloos, vergeefsch, bedriegelijk, lichtzinnig, dwaas: — hope = ijdele hoop; It was all in — = vergeefsch; Don’t take God’s name in — = gebruik Gods naam niet ijdellijk; Vainglorious, veinglôriəs, opgeblazen, verwaand, blufferig; subst. —ness = Vainglory.

Vakeel, Vakil, vəkîl, speciaal gezant, (inlandsch) advocaat (Brit. Ind.).

Val, val, Valentijn.

Valance, val’ns, subst. soort damast, valletje of franje om bedgordijnen, enz.; — verb. met franje of draperie versieren.

Vale, veil, vallei.

Valediction, validikš’n, afscheid, vaarwel; Valedictory, validiktəri, afscheids …: — address = een gewoonlijk Latijnsche afscheidsrede in Amer. colleges; de houder dier rede wordt Valedictorian, valədiktôriən, genoemd.

Valence, valəns, persoonsn.; valentie (= veil’ns).

Valencia, vəlenšiə = Valance.

Valentia, vəlenšiə; Valentine, val’ntain, Valentijn, liefje op St. Valentine’s day (14 Febr.) gekozen, briefje of cadeautje door jongelieden van beide seksen op dien dag elkander gezonden; Valentinus, valəntainəs; Valentio, vəlenšiou; Valeria, vəlîriə.

Valerian, vəlîriən, valeriaan (plant).

Valet, valət, valei, subst. bediende; — verb. als kamerdienaar dienen of begeleiden.

Valetudinarian, valitjûdinêriən, ziekelijk of zwak; ook subst.; —ism = zwakke gezondheid, ziekelijkheid.

Valhalla, valhalə, Walhalla.

Valiant, valj’nt, moedig, dapper, heldhaftig, onverschrokken; subst. —ness.

Valid, valid, krachtig, sterk, geldig, deugdelijk, bindend; —ate, valideit, geldig maken, legaliseeren; —ity, vəliditi, kracht, geldigheid = —ness.

Valinch(e), vəlinš, (zuig)hevel.

Valise, vəlîs, reistasch, mantelzak.

Valkyr, valkə, walkure; adj. —ian, valkîriən; —ie, valkîriə, walkure.

Vallancy, val’nsi, vəlansi, soort pruik uit de 17 eeuw = — wig.

Valley, vali, dal: — of a roof = dakhoek; — of tears = tranendal.

Valorous, valərɐs, dapper, moedig, onverschrokken; Valour, valə, dapperheid, moed, onverschrokkenheid.

Valparaiso, valpəraizou.

Valuable, valjuəb’l, adj. kostbaar, dierbaar; ook subst.: All the —s were saved = de kostbaarheden; A — friend; —ness = kostbaarheid; Valuation, valjueiš’n, schatting, waardeering; Valuator, valjueitə, schatter, taxateur; Value, valju, subst. waarde, prijs, valuta, gewicht, beteekenis; — verb. waard zijn, achten, schatten, waardeeren: For — received = waarde ontvangen, genoten; To the — of = ter waarde van; The — was depreciated = de waarde werd gedrukt of verminderd; To get (have) — (a good —) = waar voor zijn geld krijgen; To rate at its true — = schatten op (ook fig.); To set much — upon = veel waarde hechten aan; To — dearly (highly) = op hoogen prijs stellen; The goods were —d at half the original cost = geschat op; You may — on us two months after date of invoice = disponeeren op twee maanden dato der factuur; —less shares = waardelooze aandeelen, effecten; Valuer = schatter, taxateur: Eminent —s = bekende taxateurs.

Valvate, valvit, met eene klep, klepvormig; Valve, valv, vleugel, ventiel, klep: Safety-— = veiligheidsklep; —d, valvd, v. kleppen voorzien; Valvelet = klepje; Valvular, valvjulə, met kleppen, kleppen betreffend: He died of — disease of the heart = aan eene hartziekte; Valvule, valvjul, klepje.

Vambrace, vambreis, armscheen (v. een wapenrusting).

Vamose, vəmous, vâmous, er van doorgaan, afzien van: He —d the claim = deed afstand van zijn recht (eisch) (Amer.).

Vamp, vamp, subst. bovenleer, nieuwe lap op iets ouds om dit schoon te doen schijnen; geimproviseerd accompagnement; — verb. oplappen, een lied accompagneeren op ’t gehoor af: To — up an excuse = verzinnen; He has a knack of —ing up forgotten operettas = weer op te lappen; —er = (schoen)lapper; —ers = kousen.

Vampire, vampaiə, vampier (ook een soort vleermuis = —-bat), uitzuiger; adj. Vampiric; Vampirism = geloof in —s; het bloedzuigen of afpersen.

Vamplate, vampleit, vroeger metalen plaatje aan eene lans ter bescherming van de hand.

Van, van, voorhoede, wan, reiswagen, goederen- of conducteurswagen, baard (van een veer); — verb. vooropgaan, in een van vervoeren, wasschen, zuiveren: Furniture-(Removing-)— = verhuiswagen; Luggage-— = goederenwagon; To lead the — = vooropgaan.

Vanbrugh, vanbrû, vanbrû; Vancouver, vankûvə.

Vandal, vand’l, vandaal (ook fig.); Vandalic, v’ndalik, ruw, barbaarsch; Vandalism = vandalisme.

Vandyke, vandaik, subst. kanten puntkraag (= — collar); adj. als in de portretten v. Van Dijck (1599–1641) gekleed; — verb. den rand schulpen of punten.

Vane, vein, weerhaan, windvaan, wiek (v. een windmolen), baard (van een veer), diopter.

Vanellus, vəneləs, kievit.

Vanguard, vangâd, voorhoede.

Vanilla, vənilə, vanille.

Vanish, vaniš, verdwijnen, wegsterven: He —ed from the sight = verdween uit het gezicht.

Vanity, vaniti, ijdelheid, ijdel genot; vruchtelooze poging, schijn.

Vanquish, vɐŋkwiš, overwinnen, weerleggen: Though —ed he could argue still = al had hij het afgelegd, hij redeneerde toch maar door; —er = overwinnaar.

Vansire, vansaiə, manguste.

Vantage, vântidž, voordeel, gunstige, schoone gelegenheid: He got — of me = behaalde een voordeel op mij; I spied him from a coin of — = van eene geschikte plaats; So much to the — = zooveel te goed, daarenboven; —-ground = gunstige plaats of ligging.

Vapid, vapid, flauw, verschaald, geesteloos; subst. —ity, vəpiditi = —ness.

Vaporability, veipərəbiliti, verdampbaarheid; Vaporable of Vaporable, verdampbaar; Vaporific, veipərifik, vapərifik, verdampend; Vaporizable, veipəraizəb’l, vapəraizəb’l, in damp veranderbaar; Vaporization, veipər(a)izeiš’n, vapər(a)izeiš’n, verdamping; Vaporize of Vaporize, verdampen, in damp verdwijnen; Vaporous, veipərɐs, dampvormig, opgeblazen, winderig, vol dampen of uitwasemingen; subst. —ness; Vapour, veipə, subst. damp, wasem, ijdele waan; — verb. verdampen, “geuren” of bluffen, droevig stemmen: —s = vapeurs, luimen, grillen; —-bath = damp- of stoombad; —ing = blufferig, snoevend: —ish = dampig, nevelig, winderig, mistroostig, melancholiek = —y.

Vaquero, vəkêrou, veehoeder (Mexico).

Variability, vêriəbiliti, subst. v. Variable, vêriəb’l, veranderlijk, ongedurig; subst. veranderlijke grootheid of wind; subst. —ness.

Variance, vêriəns, subst. verandering, verschil, geschil, twist: To be at — = het oneens zijn; They were set at — = tegen elkaar opgezet; Variant, subst. variant; adj. verschillend, veranderlijk, ongedurig; Variate, vêrieit, varieeren; Variation, vêrieiš’n, verandering, wijziging, afwijking, variatie; Varicoloured (tinted) = van verschillende kleuren of tinten; Variformed = van verschillende vormen.

Varicella, variselə, waterpokken.

Varicose, varikous, Varicous, varikɐs: — stocking = kous voor lijders aan — veins = aderspatten.

Varied, vêrid, afgewisseld, gevarieerd; Variegate, vêri(ə)geit, schakeeren, bespikkelen, afwisselen; Variegation, vêriəgeiš’n, schakeering, bontheid; Variety, vəraiiti, verscheidenheid, veelzijdigheid, verschil, varieteit: —-entertainment = varieteitenvoorstelling; —-hall = zaal voor dergelijke voorstellingen.

Variola, vəraiələ, kinderpokken; —r = Variolous, vəraiəlɐs, tot de kinderpokken behoorende.

Variorum, vêriôrəm, van de aanteekeningen van verschillende uitgevers voorzien, b.v. — edition of Shakespeare’s works.

Various, vêriəs, verschillend, verscheiden; subst. —ness.

Varix, vêriks, aderspat, krampader.

Varlet, vâlit, page, bediende; schurk; —ry = het grauw of gespuis.

Varmin(t), vâmin(t) = Vermin.

Varnish, vâniš, subst. vernis (ook fig.), verlak, glazuur; koolteer (= Black —); — verb. vernissen, verlakken, verglazen, verschoonen: A — of civilisation = vernisje; —er.

Varsal, vâs’l (= universal), erg groot, sterk, etc.

Varsity, vâsiti = University (Oxf. en Cambr.).

Vary, vêri, veranderen, wijzigen, verschillen, afwijken, veranderlijk zijn, varieeren.

Vascular, vaskjulə, vaat - -, vaatrijk; Vascularity, vaskjulariti, toestand der vaten, rijkheid aan vaten.

Vase, vâz, veiz, veis, vaas, kelk.

Vaseline, vasəlin, vasəlîn, vaseline.

Vassal, vas’l, subst. vazal, onderdaan, slaaf; adj. slaafsch; —age, vasəlidž, leenmanschap, de leenmannen, dienstbaarheid; —ed = geknecht.

Vast, vâst, groot, uitgestrekt, veelomvattend, veelzijdig, grenzenloos, onmetelijk; subst. grenzenlooze vlakte of ruimte: Watery — = de oceaan; That is a — project = veelomvattend, grootsch plan; He squandered away — sums of money = onmetelijke geldsommen; subst. —ness.

Vat, vat, vat, kuip; — verb. in een kuip doen.

Vatican, vatik’n, vaticaan, pauselijke regeering of macht: The thunders of the — = de pauselijke banbliksems.

Vaticinate, vətisineit, voorspellen; Vaticination = voorspelling; Vaticinator = profeet.

Vaud (Pays de), (peiîdə)vou, Waadland; —ois = Waldenser(s).

Vaudeville, voudvîl, vaudeville.

Vaughan, vôn, vôən.

Vault, vôlt, subst. (graf)gewelf, hol, kerker, kelder, hemelgewelf, gewelfd vertrek; sprong, volte; — verb. verwulven, overwelven; voltigeeren: He —ed into the saddle = sprong in den zadel; —er = springer, voltigeur; —ing-horse = paard (gymn.).

Vaunt, vânt, vônt, subst. gebluf, pocherij; — verb. bluffen, snoeven op, zich beroemen: To make a — of; —er.

Vauntlay, vôntlei, vooroploopende troep honden.

Vaux, vôks; Vauxhall, vôkshôl: — Gardens.

’Ve = have.

Veal, vîl, kalfsvleesch (—s = kalfsvellen); —-cutlet; —-tea = kalfsbouillon; adj. —y = jong, kalverachtig.

Veda, veidə, vîdə, Veda, heilig boek (Hindoes).

Vedette, vədet, ruiterwacht.

Vedic, veidik, vîdik, adj. Zie Veda.

Veer, vîə, draaien, wenden, vieren, van koers veranderen, laten vallen (scheepst.): The wind —ed to the north = liep om naar het N.; — and haul = beurtelings vieren en aanhalen; — away = — out = vieren; —ing, subst. het veranderen of draaien; adj. veranderend, veranderlijk.

Vegetable, vedžitəb’l, subst. plant (—s = groente); adj. plantaardig, planten.…: — earth (— mould, — soil) = plantenaarde, humus; — kingdom = plantenrijk; — marrow (cucurbita pepo) = mergpompoen; Vegetal, vedžit’l, subst. plant; adj. plantaardig; Vegetarian, vedžitêriən, vegetarisch; subst. vegetariër: — diet = plantaardige voeding of voedsel; Vegetarianism, vegetarisme; Vegetate, vedžiteit, vegeteeren; Vegetation = plantengroei, de plantenwereld; Vegetative = als planten groeiend, den plantengroei bevorderend.

Vehemence, Vehemency, vîhimens(i), hevigheid, vuur, drift, onstuimigheid; Vehement = hevig, geweldig, vurig, onstuimig.

Vehicle, vîhik’l, voertuig (ook fig.), geleimiddel (om geneesmiddelen in te nemen): The printing-press has become the — of ideas = het voertuig der denkbeelden; Vehicular(y), vîhikjulə(ri), voertuig.…

Vehmic, feimik, vîmik, veimik: — court = Veemgericht.

Veil, veil, subst. sluier, dekmantel, masker; — verb. sluieren, verbergen, vermommen, bewimpelen: We don’t wish to raise the —, which was cast over this scene = den sluier op te lichten; To take the — = den sluier aannemen: You have —ed your looks from your friends = u aan het oog uwer vrienden onttrokken; —ed voice = gedempte stem.

Vein, vein, subst. ader, eigenaardige neiging of aanleg, stemming, luim; — verb. aderen, marmeren: In the giving — = in goedgeefsche stemming; There is a grating — in him = hij heeft iets onaangenaams over zich; He was in a rattling — = zat op zijn praatstoel; I am not in the — for it = voel er thans geen trek of neiging toe; I hope it will put you in the — to do it = u aanleiding zal geven; — of thinking = gedachtengang; —let = kleine ader; —y = vol aderen, aderrijk.

Velar, vîlə, met behulp van de huig voortgebracht (phonet.); Velarium, vilêriəm, groot zeil boven Romeinsche (amphi)theaters.

Veld, felt, boomlooze streek (Z.-Afr.).

Vellicate, velikeit, krampachtig samentrekken, prikkelen; subst. Vellication; adj. Vellicative.

Vellum, vel’m, perkament (uit kalfsvel); —-paper, —-post = velijnpapier; adj. —y.

Velocimeter, veləsimətə, snelheidsmeter; Velocipede, vəlosipîd, rijwiel; Velocipedist, vəlosipîdist, wielrijder; Velocity, vəlositi, snelheid, vlugheid: Accelerated, decreasing, final, initial, mean, retarded, uniform, virtual — = toenemende, afnemende, eind-, begin-, gemiddelde, vertraagde, gelijkmatige, virtueele snelheid.

Velutinous, vəl(j)ûtinɐs, fluweelig.

Velvet, velvət, fluweel; ook adj.: You have been on — all your life = hebt altijd een leven op een bordje gehad; To be (stand) upon (the) — = een voordeelige weddenschap aangegaan hebben; Velveteen, velvətîn, katoenfluweel = Cotton —; —s = jachtopziener (naar zijne kleeding); Velveting = de fijne nopjes van fluweel: —s = fluweelen stoffen; Velvety = fluweelachtig.

Venal, vîn’l, aderlijk; omkoopbaar, veil; Venality, vinaliti = omkoopbaarheid, veilheid.

Vend, vend, verkoopen, te koop bieden; —ee, vendî, kooper; —er = verkooper; —ible = verkoopbaar; —ibles = verkoopbare goederen; —ibleness = verkoopbaarheid; Street —ors = venters.

Vendace, vendeis, soort v. houting (zalmvisch).

Vendetta, vəndetə, bloedwraak.

Veneer, vənîə, subst. fineer(bladen), vernis (fig.); — verb. opleggen, een vernisje geven (fig.): If they are not good form, they are at least lacquered with the — of it = hebben ze toch allemaal het uiterlijk voorkomen ervan; —-moth = snuitmot.

Venerable, venərəb’l, eerwaardig (titel van archdeacons); subst. —ness; Venerate, venəreit, vereeren; Veneration, ontzag, vereering: Venerator = vereerder.

Venereal, vinîriəl: — desire = geslachtsdrift; — disease = venerische ziekte.

Venery, venəri, jacht(vermaak).

Venetian, vinîš’n, Venetiaansch; subst. Venetiaan, jaloezie (= — blind); — boat = gondel; — chalk = talkpoeder; — door = deur met langwerpige ruiten op zijde (om b.v. een ingang te verlichten); There were — masts along the route, from which streamers of bunting were festooned = kokanjemasten welke door guirlandes van vlaggedoek verbonden waren; — weight = “presse-papier” van glas.

Venezuela, venəzuelə, venəzuîlə.

Vengeance, venž’ns, wraak: With a — = met buitengewone kracht of hevigheid; To cry for —; They wreaked their — on me = koelden hun wraak; Vengeful = wraakgierig.

Venial, vîniəl, vergeeflijk: — sin = vergeeflijke zonde; Veniality = —ness.

Venice, venis, Venetië.

Venison, ven(i)z’n, wildbraad.

Venom, ven’m, subst. vergif, venijn (ook fig.); —-mouthed = giftig, kwaadaardig; —-tooth; Venomous, venəmɐs, vergiftig, venijnig; subst. —ness.

Venose, vînous, vinous = Venous, vînəs, geaderd, aderlijk.

Vent, vent, subst. opening, luchtgat, zundgat, uitweg, uiting, bekendmaking, vrije loop; — verb. een opening maken, uitlaten, lucht geven, uiting geven, slaken: To find — = een uitweg vinden; He gave — to his anger = gaf lucht aan; It has taken — = is ruchtbaar geworden, uitgelekt; To — oneself = zijn hart lucht geven; To — one’s wrath upon = lucht geven aan zijn toorn; —-hole = luchtgat; —-peg, —-pin = zwikje; —-plug = prop of plug voor het laadgat; Ventage, ventidž, luchtgaatje; Ventilate, ventileit, ventileeren, luchten, opperen, vrijelijk bespreken: Several questions were —d = werden geopperd en behandeld; subst. Ventilation = luchtverversching, etc.; Ventilator = luchtververscher, ventilator.

Ventral, ventr’l, buik..: — fins = buikvinnen; Ventricle, ventrik’l, holte, hartkamer, hersenkamers = —s of the heart (brain); Ventriloquism, ventriləkwizm, buikspreekkunst; Ventriloquist = buikspreker; Ventriloquize, ventriləkwaiz, buikspreken.

Venture, ventjə, subst. waagstuk, waaghalzerij, risico, speculatie, inzet, kans; — verb. wagen, ondernemen, op het spel zetten: I did it at (for) a — = op goed geluk af; To put a thing to a (the) — = iets op goed geluk wagen; I advise you not to run the — = de kans niet te loopen, het niet te wagen; I do not like to — at (upon) it = er mij in te begeven; To — out = zich buiten wagen; Nothing — nothing have = die niet waagt die niet wint; Venturesome, Venturous = stoutmoedig, onverschrokken, gevaarvol, gewaagd.

Venue, venjû, plaats der handeling, plaats waar iets plaats vindt of berecht moet worden (Jur.): To change (transfer) the — = naar een ander (rechts)college overbrengen.

Venus, vînəs, Venus; —-hair = venushaar; —-shell = venusschelp.

Veracious, vəreišəs, waarheidlievend, geloofwaardig; Veracity, vərasiti, waarheid, waarheidsliefde: Unquestioned veracities = onbetwijfelde waarheden.

Veranda(h), vərandə, veranda.

Veratrine, vəreitrin, verətrain = Veratrum, vəreitr’m, nieswortel.

Verb, vɐ̂b, werkwoord; Verbal = woordelijk, mondeling, letterlijk, van een werkwoord afgeleid: — agreement, message; — quibbling = ijdel woordenspel; A — translation = mondelinge; Verbalism = iets mondeling uitgedrukt, letterzifterij; Verbalization, vɐ̂bəl(a)izeiš’n, verandering tot een werkwoord; Verbalize = in een werkwoord veranderen; Verbatim, vɐ̂beitim, woordelijk: — report.

Verbena, vɐ̂bînə, ijzerkruid.

Verbiage, vɐ̂biidž, woordenvloed, bombast; Verbose, vɐ̂bous, woordenrijk, wijdloopig, bombastisch; subst. Verbosity.

Verdancy, vɐ̂d’nsi, groenheid; onervarenheid; Verdant = groen, bloeiend, onervaren; Verd-antique, vɐ̂dəntîk, patina, groene roest op oud koper; slangenmarmer.

Verderer, vɐ̂dərə, houtvester, jachtopziener.

Verdict, vɐ̂dikt, uitspraak, vonnis, beslissing, oordeel: To bring in (deliver, give, return) a — = uitspraak doen; To pass one’s — upon = zijn oordeel uitspreken over.

Verdigris, vɐ̂digrîs, kopergroen.

Verdure, vɐ̂djə, groen(heid), frissche plantengroei.

Verge, vɐ̂dž, subst. roede, staf, spil, rand, zoom, omvang, gezichtskring; — verb. naderen, nabij komen, grenzen, neigen, overgaan in: He is on the — of ruin, of madness = aan den rand des ondergangs, op de grens van den waanzin; Such a deed —s on madness = grenst aan waanzin; We stood upon a hill which —d to the south = die naar het zuiden afhelde.

Verger, vɐ̂džə, stafdrager, kerkdienaar.

Veriest, veriəst, Zie Very.

Verifiable, verifaiəb’l, wat bewezen, gestaafd of bevestigd kan worden; Verification = bevestiging, staving, verificatie: In — of = ten bewijze waarvan; Verifier; Verify, verifai, bewijzen, verifieeren, vervullen, waar maken.

Verily, verili, waarlijk, waarachtig; Verisimilitude, verisimilitjûd, waarschijnlijkheid; Veritably, veritəbli, waarlijk; Verity, veriti, waarheid, werkelijkheid, feit: Their despatches do not come up to the standard of — = beantwoorden niet aan den eisch van waarheid.

Verjuice, vɐ̂džûs, sap van onrijpe appels, druiven enz.: Every word and look of his smacks of — = heeft iets zuurs (onaangenaams).

Vermeil, vɐ̂mil, vermiljoen.

Vermicelli, vɐ̂miseli, vermitšeli, vermicelli.

Vermicide, vɐ̂misaid, wormkoekje, wormmiddel; Vermicular, vɐ̂mikjulə, wormachtig, wormvormig: —-work = kronkelende versiering in mozaïekwerk; Vermiculate, vɐ̂mîkjuleit, kronkelend of wormvormig inleggen, kronkelen, zich in alle bochten wringen (fig.); vɐ̂mikjulit, kronkelend, wormstekig; subst. Vermiculation; Vermiculose, vɐ̂mikjulous, Vermiculous, vɐ̂mikjulɐs, vol wormen of maden, gelijk wormen; Vermiform, vɐ̂miföm, wormvormig; Vermifugal = wormafdrijvend; Vermifuge, vɐ̂mifjûdž, wormmiddel.

Vermilion, vɐ̂milj’n, subst. en adj. vermiljoen: The — Sea = Golf van Californië; —ed = vermiljoen-rood geverfd.

Vermin, vɐ̂min, schadelijke dieren, ongedierte; gebroed, tuig: —-destroyer = —-killer = vergift voor het dooden van ongedierte; —ous = wat ongedierte voortbrengt, door wormen veroorzaakt.

Vermont, vɐ̂mont.

Verm(o)uth, vɐ̂mûth, vermouth.

Vernacular, vɐ̂nakjulə, inheemsch, eigen, vaderlandsch; subst. taaleigen, moedertaal: — disease, idiom, language, tongue; —ism = idioom, dialect; —ize = inburgeren.

Vernal, vɐ̂n’l, lente - -, jeugd - -: — equinox = dag- en nachtevening; — signs = lenteteekens (Dierenriem); Vernation = bloeiwijze.

Vernon, vɐ̂n’n; Veroles, vəroul; Verona, vərounə, Verona; Veronese, verənîz, verənîs, subst. en adj. (bewoner) van Verona; Veronica, vəronikə, Veronica.

Verruca, vərûkə, wrat; Verrucose, verukous, Verrucous, verukɐs, vol wratten.

Versailles, vɐ̂seilz.

Versatile, vɐ̂sət(a)il, veranderlijk, onvast, handig, veelzijdig: A — talent; subst. —ness = Versatility, vɐ̂sətiliti.

Verse, vɐ̂s, subst. vers, poëzie, versregel, strofe: A poem in six stanzas, each of eight —s = in zes verzen, elk van acht regels; Blank — = rijmlooze vijfvoetige jamben; —-maker, —-monger = rijmelaar.

Versed, vɐ̂st, bedreven, ervaren (met in); omgekeerd.

Verset, vɐ̂sət, bijbelvers; Versicle, vɐ̂sik’l, klein vers door den priester opgezegd met een antwoord van de gemeente; klein dichterlijk produkt; Versification, vɐ̂sifikeiš’n, verskunst, versbouw; Versifier, vɐ̂sifaiə, verzenmaker; Versify, vɐ̂sifai, berijmen, bezingen, verzen maken.

Version, vɐ̂š’n, vertaling, overzetting, voorstellingswijze, lezing, redactie.

Verst, vɐ̂st, werst (1,066 KM.).

Versus, vɐ̂səs, tegen, tegenover.

Vert, vɐ̂t, (verkorting van convert), subst. iemand die van de Anglik. naar de R. Kath. kerk is overgegaan; — verb. overgaan.

Vert, vɐ̂t, alles wat groeit en groene bladeren draagt in een woud; recht om groen hout te snijden; groen (herald.).

Vertebra, vɐ̂tibrə, rugwervel; adj. —l: —l animals = gewervelde dieren; —l column = wervelkolom; Vertebrata, vɐ̂tibreitə, gewervelde dieren; Vertebrate, vɐ̂tibrit, gewerveld dier; adj. gewerveld = —d, vɐ̂tibreitid.

Vertex, vɐ̂teks, (Meerv. —es, of Vertices, vɐ̂tisîz), hoogste punt, toppunt, zenith.

Vertical, vɐ̂tik’l, loodrecht, verticaal, staande; Verticality = loodrechte stand = —ness.

Vertiginous, vɐ̂tidžinɐs, ronddraaiend, omwentelend, duizelig(makend); Vertigo, vɐ̂tigou, vɐ̂taigou, vɐ̂tîgou, duizeligheid, duizeling.

Vertu, vɐ̂tu, kunstsmaak, kunstliefhebberij: A boudoir filled with articles of — = kunstvoorwerpen, antiquiteiten, curiosa.

Verulam, verul’m.

Vervain, vɐ̂vein, ijzerhard, verbena.

Verve, vɐ̂v, geestdrift, vuur.

Very, veri, adj. werkelijk, waar, enkel, zelfs, echt; adv. zeer, in hooge mate: He is a — baby = echt “kuiken”; The — man came on the — day of the funeral = dezelfde man kwam op den dag zelf; The — thought of it makes me shudder = de bloote gedachte er aan; That’s the — best you could do = het allerbeste; It is — possible = zéér wel mogelijk; The veriest baby would do it = het kleinste kind kan het doen; It was the veriest old building I ever saw = het alleroudste gebouw.

Vesica, vəsaikə, (de) blaas; —l, vesik’l, tot de blaas behoorende; —nt, vesik’nt, blaren trekkend; subst. trekpleister; Vesicate, vesikeit, blaren trekken; subst. Vesication; Vesicle, vesik’l, blaar, blaasje; Vesicular, Vesiculate, Vesiculose, Vesiculous = als een blaasje of eene blaar, blaas- of celachtig.

Vespa, vespə, wesp.

Vespasian, vespeiž’n, Vespasianus.

Vesper, vespə, subst. avondster, avond; ook adj.; —s = vesper, laatste getijde van het brevier; —-bell; Vespertine, vespət(a)in, tot den avond behoorende of daarin gebeurende.

Vespiary, vespjəri, wespennest.

Vessel, ves’l, vat, bloedvat, kan; schip, vaartuig, vaatwerk, gereedschap, mensch: Consecrated —s = gewijde vaten; The weaker — = de vrouw.

Vest, vest, subst. vest, jacket zonder mouwen, onderlijfje; — verb. bekleeden, omringen, begiftigen, beleggen, overdragen, overgaan op, komen op, gevestigd zijn in: His money is —ed in lands = belegd in; The right to the estate —s in you = is op u vastgezet; He was —ed with that power = bekleed met; —ed interests = verworven, verkregen rechten; —ed legacy = legaat dat iemand bijv. uitgekeerd wordt als hij 23 jaar oud is geworden.

Vesta, vestə, Vesta; waslucifer = Wax —; Vestal, subst. Vestaalsche maagd, kuische vrouw, non; adj. vestaalsch, rein, maagdelijk, kuisch: — Virgins = Vestaalsche Maagden.

Vestiary, vestjəri, subst. kleedkamer, garderobe.

Vestibule, vestibjûl, vestibule, voorhof; —-train = D-trein.

Vestige, vestidž, spoor, overblijfsel; Vestigial, vestidž’l, rudimentair.

Vesting, vestiŋ, stof voor vests; Vestment = kleeding, (mis)gewaad.

Vestry, vestri, consistoriekamer, kerkekamer, parochiebestuur, dat een wereldlijk, administratief karakter heeft: Common (General, Open) — = de gezamenlijke belastingbetalende leden, die de Churchwardens, Vestry Clerk en Beadle kiezen; Select — = de gezamenlijke Pew-Owners, i.e. de rijkere Church of England leden. Zij bepalen de Church rates; —-clerk = secretaris van de parochie; —-hall = gemeentehuis (in deze tweeslachtige beteekenis); —man = kerkeraadslid, lid van den parochie-raad; —-meeting.

Vesture, vestjə, (be)kleeding; — verb. bekleeden.

Vesuvian, vəs(j)ûvj’n, subst. soort v. windlucifer; adj. tot den Vesuvius behoorende; Vesuvius, vəs(j)ûvjəs, Vesuvius.

Vet, vet, verkort v. Veterinary (Surgeon), of Veteran.

Vetch, vetš, wikke (plant); Vetchling = (ongebladerde) lathyrus.

Veteran, vetər’n, vergrijsd in den dienst, beproefd, ervaren; subst. veteraan; —ize = opnieuw dienst nemen (Amer.).

Veterinarian, vetərinêriən, veearts; Veterinary, vetərinəri, subst. veearts (= Veterinary surgeon); adj. veeartsenijkundig: — college, school.

Veto, vîtou, subst. (recht van) veto, verwerping, weigering, verbod; — verb. verbieden, afstemmen, weigeren: To put one’s — on.

Vetturino, veturînou, Italiaansch huurkoets(ier).

Vex, veks, verontrusten, kwellen, plagen, bedroeven, ergeren: To be (feel) —ed at = zich ergeren over; Slightly —ed at my words = eenigszins geërgerd; —ed questions = lastige, niet uitgemaakte vraagpunten; —ation = ergernis, kwelling, plaag; —atious, vekseišəs, kwellend, verdrietig, hinderlijk, ergerend; —er = plager, sarder, kweller; —ing = kwellend, etc.; subst. —ingness.

Vexil, veksil, baard; —lar(y) = tot een baard behoorend.

Via, vaiə, weg; adv. over: — lactea = melkweg; He went to Italy — Paris and Lyons = over P. en Lyon.

Viability, vaiəbiliti, subst. v. Viable, vaiəb’l, levensvatbaar.

Viaduct, vaiədɐkt, viaduct.

Vial, vaiəl, subst. fleschje, fiool; — verb. in een fleschje doen: He poured out —s of wrath upon his enemies = hij goot de fiolen des toorns over zijne vijanden uit (Openb. XVI, I).

Viands, vaiəndz, levensmiddelen, voedsel.

Viaticum, vaiatikɐm, teerpenning; teerspijs = de H. communie een stervende toegediend; Viator, vaieitə, reiziger.

Vibrant, vaibr’nt, trillend, bevend; Vibrate, vaibreit, slingeren, schommelen, golven, trillen, klinken, weifelen; Vibration, vaibreiš’n, trilling; schommeling, slingering; adj. Vibratory; Vibroscope = trillingmeter.

Vicar, vikə, plaatsvervanger, vicaris, eigenlijk de plaatsvervanger van den Rector (die zelf geen dienst behoeft te doen. De Vicar geniet slechts de Small Tithes i.e. de tienden van koren, soms hooi): — of (Jesus) Christ = de Paus; —age, vikəridž, ambt, pastorie van een Vicar; —ship.

Vicarial, vikêriəl = Vicarious; Vicariate, vikêriit, subst. vicarisschap, plaatsvervanging; adj. plaatsvervangend; Vicarious, vikêriəs, plaatsvervangend; voor anderen geleden: — punishment (atonement) = straf ondergaan (verzoening verkregen) ten behoeve van een ander; Your experience is — = uit de tweede hand; subst. —ness.

Vice, vais, ondeugd, gebrek, verdorvenheid, kuur (van een paard), spil, loodtrekker, bankschroef: He grasped me as in a — = had mij als in eene schroef gekneld.

Vice, vais, (in samenst.), onder, plaatsvervangend: — versa, vaisi vɐ̂sə, vice versa; —-admiral = vice-admiraal; —-admiralty = vice-admiraalschap; —-chairman = vice-president; —-chancellor = vice-kanselier; —-consul = vice-consul; —gerency = plaatsvervangerschap; —gerent, vaisdžîr’nt, subst. plaatsvervanger, stadhouder; adj. plaatsvervangend; —-president; —regal, vaisrîg’l, tot een onderkoning of onderkoningschap behoorende; —reine, vaisrein, gemalin van een —roy = onderkoning; —royalty = onderkoningschap.

Vicinity, visiniti, nabuurschap, omstreken.

Vicious, višəs, onvolmaakt, gebrekkig, bedorven, slecht, verkeerd, boosaardig, venijnig; subst. —ness.

Vicissitude, visisitjûd, verandering of afwisseling, wisselvalligheid: The —s of life, of fortune; Life has blessed him with — = hij heeft tot zijn geluk velerlei ondervonden.

Victim, viktim, slachtoffer, dupe: He was (fell) a — to his ambition = was (viel als) slachtoffer van zijne eerzucht; Victimize = tot slachtoffer maken, beetnemen, bedriegen.

Victor, viktə, overwinnaar; Victoria, viktôriə, Victoria, soort rijtuig: — Cross = mil. decoratie (overeenkomende met onze Militaire Willemsorde); adj. —n; Victorine, viktərîn, bonten kraag; soort v. perzik; Victorious, viktôriəs, overwinnings …, overwinnend: “Send her —” = maak, dat zij overwinnend zij; —ness = zegeviering; Victory, viktəri, overwinning, behaald voordeel: To gain (carry, get, obtain) a — over; Victress = overwinnares.

Victual, vit’l, proviandeeren, van leeftocht voorzien; —s, vit’lz, levensmiddelen: Broken —s = kliekjes; Victualler, vitələ, proviandmeester; slijter, victualieschip: Licensed — = grossier met “vergunning”; Victualling = wat levensmiddelen verschaft: —-office = victualiebureau.

Vide, vaidî, zie; Videlicet, videliset, te weten, dat is.

Vie, vai, wedijveren, mededingen.

Vienna, vjenə, Weenen; Viennese, vjenîz, vjenîs, subst. en adj. (bewoner of bewoners) van W.

View, vjû, subst. gezicht, uitzicht, inzicht, overzicht, bezichtiging, onderzoek, schets, kijk, oordeel, meening, voornemen; — verb. zien, aanschouwen, onderzoeken, nagaan, beschouwen: To be on — = te bezichtigen zijn; To command a — of = het uitzicht hebben over; To have in — = op het oog hebben; You must keep this in — = in het oog houden; Let us take a good — of it = laten we het goed bezien; In — of what you have to offer = met betrekking tot (met het oog op); In my — = mijns erachtens; I did it with a — to ascertain whether he was safe = met de bedoeling; Our points of — are different = wij staan op een verschillend standpunt; I never looked at it from this point of — = uit dit oogpunt; —s on the war = meeningen over; A bird’s-eye — of Cologne = Keulen in vogelvlucht; —er = opzichter, onderzoeker, deskundige; —less = onzichtbaar, niet te zien; He is viewy = hij heeft altijd onmogelijke plannen; is opzichtig; ziet er aardig uit.

Vigil, vidžil, het waken, vigilie, vigiliedag; —s = nachtwake; Vigilance = waakzaamheid: — Committee (Society) = een vereeniging overeenkomend met onze Middernachtzending; veiligheidscomité; Vigilant = waakzaam, omzichtig.

Vignette, vinjet, vinjət, vinet, subst. vignet (portret); — verb. zoo verlichten dat de randen of lijnen onmerkbaar verdwijnen (photogr.).

Vigorous, vigərɐs, krachtig, sterk, flink; subst. —ness; Vigour, vigə, kracht, sterkte.

Viking, vîkiŋ, v(a)ikiŋ, Viking (Oud-Noorsche zeeroover).

Vile, vail, laag, verachtelijk, waardeloos, gering, snood, afschuwelijk: A — smell; subst. —ness.

Vilification, vilifikeiš’n, smaad, etc.; Vilifier; Vilify, vilifai, lasteren, honen, smaden.

Vilipend, vilipend, minachten, geringschatten, zich ongunstig uitlaten over.

Vill, vil, gehucht, kerspel.

Villa, vilə, buitenplaats, buiten; —dom = de gezamenlijke villa’s, villabewoners.

Village, vilidž, dorp; —r = dorpsbewoner.

Villain, vilin, schurk, lijfeigene, boer, lummel; —age, vilinidz, lijfeigenschap; —ous = schurkachtig, laag, gemeen; subst. —ousness; —y = schurkerij, slechtheid, eerloosheid.

Villein, vilin = Villain.

Villi, vilai, dicht opeenstaande haartjes (als bij fluweel); Villose, vilous, Villous, viləs, harig, ruig; Villosity, vilositi, behaardheid, ruigheid.

Villiers, vil(j)əz.

Vim, vim, kracht, energie, wilskracht.

Vinaceous, v(a)ineišəs, tot den wijnstok behoorend, wijn …; wijnkleurig.

Vinaigrette, vinəgret, lodderein-doosje.

Vinaigrous, vinəgrɐs, vineigrəs, zuur; zuurmuilig, brommerig.

Vincent, vins’nt, Vincentius; —ian, vinsenš’n, van den H. Vincentius.

Vincibility, vinsibiliti, subst. v. Vincible, vinsib’l, verwinlijk, verwinbaar; subst. —ness.

Vinculum, viŋkjulɐm, band, verbinding.

Vindicability, vindikəbiliti, subst. van Vindicable, vindikəb’l, rechtvaardigbaar, verdedigbaar; Vindicate, vindikeit, handhaven, verdedigen, rechtvaardigen: I will — my right = mijne rechten verdedigen; Vindication = rechtvaardiging, verdediging: I did it in — of my liberty = ter verdediging; Vindicator = verdediger, beschermer; Vindicatory = verdedigend, rechtvaardigend, wrekend, straffend.

Vindictive, vindiktiv, wraakgierig; subst. —ness.

Vine, vain, wijnstok, wingerd, wijnrank; —-clad = met wijngaardranken begroeid; —-culture = wijnbouw; —-disease = druifluisziekte; —-dresser = wijngaardenier; —-fretter = druifluis; —-grower = eigenaar van een wijnberg; —-grub = —-fretter; —-shoot = wijngaardrank; —-yard, vinjəd, wijngaard; —ry = broeikas voor druiven.

Vinegar, vinəgə, subst. azijn; adj. zuur, — verb. zuur maken, met azijn wrijven: His temples were —ed = zijne slapen werden met azijn gewreven; —-bottle, —-cruet = azijnfleschje; —-sauce = zure saus; —-works = azijnmakerij; —y = zuur, gemelijk.

Vinose, vainous, vainous, wijnachtig: subst. Vinosity; Vinous, vainəs: — flavour = wijnsmaak; — loquacity = spraakzaamheid door den drank; Vintage, vintidž, wijnoogst, wijn van een bepaalden oogst; Vintner, vintnə, wijnhandelaar, wijnhuishouder; Vintry = wijnkelder, wijnhuis.

Viol, vaiəl: —-de-gamboys = een vroegere groote viool; Viola, vaiələ, altviool; viooltje.

Viola, vaiələ.

Violable, vaiələb’l, schendbaar; Violate, vaiəleit, schenden, onteeren, verkrachten, ontheiligen, verbreken, ontwijden; Violation, vaiəleiš’n, schending, verkrachting, inbreuk, ontwijding; Violative = schendend, onteerend; Violator, vaiəleitə, schender, verkrachter, verbreker: — of repose = rustverstoorder.

Violence, vaiəlens, geweld, hevigheid, geweldadigheid, verkrachting, ontheiliging, inbreuk: It was done by — = met geweld, gewelddadig; He was done — to = hem werd geweld aangedaan; To offer — = verkrachten; He put a — on himself = deed zichzelf geweld aan, sloeg de hand aan zichzelf; To use personal — to = (iemand) persoonlijk geweld aandoen; Violent, vaiəlent, adj. geweldig, hevig, driftig, schril, buitengewoon, gewelddadig: To die a — death.

Violescent, vaiəles’nt, paarsachtig: Violet, vaiəlit, subst. viooltje; adj. paars, violetkleurig.

Violin, vaiəlin, vaiəlin, viool: He played (on) the — = speelde viool; —-bow = strijkstok; —-case = vioolkist; Violinist, vaiəlinist = vioolspeler; Violoncellist, vaiəlontšelist, viəlonšelist, violoncellist; Violoncello = violoncel.

Viparious, vaipêriəs, levenwekkend; taai: A cat is — = heeft een taai leven.

Viper, vaipə, adder (ook fig.): I have nurtured a — in my bosom = een adder aan mijn borst gekoesterd; —’s bugloss = slangenkruid; —’s grass = schorseneer; Viperine, vaipər(a)in, adderachtig, vergiftig, kwaadaardig = Viperous, vaipərɐs.

Virago, v(a)ireigou, manwijf, helleveeg.

Virescent, vaires’nt, groen (wordend).

Virgate, vɐ̂git, roedevormig.

Virgil, vɐ̂džil, Vergilius; —ian, vədžilj’n, van V.

Virgin, vɐ̂džin, maagd, kuische man; adj. maagdelijk, rein, onbevlekt, ongerept, ongeploegd: The (Blessed) — = de Maagd Maria, de H. Maagd; —-born = uit eene maagd geboren; — metal = gedegen, zuiver; —’s-bower = boschdruif; —al = maagdelijk, rein: (Pair of) —als = spinet; —hood = Virginity.

Virginia, vɐ̂džinjə, Virginia (tabak): — creeper = wilde wingerd; —n = (bewoner) van V.

Virginity, vɐ̂džiniti, maagdelijke staat, kuischheid, etc.; Virgo, vɐ̂gou, Maagd (Dierenriem).

Viridness, viridnəs, Viridity, viriditi, groenheid, groen, frisch groene kleur.

Virile, vir(a)il, vairil, mannelijk, manbaar: — age; Virility, viriliti, mannelijkheid, manbaarheid.

Virtu, vət(j)û, vɐ̂t(j)u = Vertu.

Virtual, vɐ̂tjuəl, krachtig, werkzaam, wezenlijk: — focus = virtueel brandpunt; — velocity = onderstelde snelheid; —ity, vɐ̂tjualiti, vermogen, kracht; That is —ly the same thing = feitelijk of practisch hetzelfde.

Virtue, vɐ̂tju, deugd, kracht, werkzaamheid, wezen, kern, vermogen, reinheid, kuischheid, voortreffelijkheid: He did it in (by) — of his office = krachtens zijn ambt; Cardinal —s, zie Cardinal; —less = zonder deugd of uitwerking, waardeloos.

Virtuosity, vɐ̂t(j)uositi, meesterschap in de kunst; de gezamenlijke virtuozen; Virtuoso, vɐ̂t(j)uousou (Meerv. Virtuosi, vɐ̂t(j)uousai), virtuoos, kenner van oudheden, etc.

Virtuous, vɐ̂tjuəs, deugdzaam, krachtig, deugdelijk; subst. —ness.

Virulence, vir(j)ulens, venijnigheid, kwaadaardigheid, bitterheid; adj. Virulent.

Virus, vairəs, vergif, giftigheid (fig.).

Vis, vis, kracht, macht, energie.

Visage, vizidž, gelaat, gezicht: An honest, strongly marked, scoundrelly, wan, —; adj. —d.

Viscera, visərə, ingewanden: —l = tot de ingew. behoorende, de ingew. bevattende, ingewands …; innerlijk, inwendig.

Viscid, visid, kleverig, lijmerig; subst. —ity, visiditi = Viscosity, viskositi.

Viscount, vaikaunt, adellijke titel tusschen earl en baron in; —ess = echtgenoote van een viscount; —ship.

Viscous, viskəs, kleverig, taai; subst. —ness.

Viscum, visk’m, marentak, vogellijm.

Visibility, vizibiliti, subst. v. Visible, vizib’l, zichtbaar, duidelijk; subst. —ness.

Visigoth, visigoth, West Goth; adj. Visigothic.

Vision, viž’n, het zien, gezicht, visioen, verschijning; —al = ingebeeld, hersenschimmig; —ariness, subst. v. —ary = hersenschimmig, droomerig, fantastisch; subst. dweper, droomer, fantastisch mensch.

Visit, vizit, subst. bezoek, visitatie; — verb. bezoeken, inspecteeren, straffen, betaald zetten: A domiciliary — = huiszoeking; I was on a — there = op bezoek; He made a — to his birthplace = bracht; He paid me a — and I returned it = bracht mij een bezoek en ik bracht hem een tegenbezoek; A — from his Majesty = door; I never — at his house = maak nooit visites bij hem; We should not — those measures with a return in kind = die maatregelen niet met gelijke munt betalen; His offences against decorum were —ed with rigour = werden gestreng gestraft; We do not — = zien elkaar niet; He —s there = komt er vaak; —ant = bezoeker; Visitation, viziteiš’n = bezoek, visitatie, (periodieke) inspectie, bezoeking Gods: — of the sick = ziekentroost; — of the Virgin Mary = Maria Boodschap; Visitatorial, vizitətôriəl: — power = recht van visitatie; Visite, vizît, visite (manteltje); Visiting: —-card = visitekaartje; —-commissioner = maandcommissaris, commissielid dat dienst heeft; —-governess = onderwijzeres (extern); Visitor = bezoeker, inspecteur, visiteur: —’s room = logeerkamer.

Visor, vizə, masker, vizier; —ed = met een vizier, gemaskerd, vermomd.

Vista, vistə, uitzicht of verschiet door eene laan of rij boomen, laan, rij boomen: This book opens splendid —s to the intelligent reader = opent een heerlijk verschiet.

Vistula, vistjulə, Weichsel.

Visual, vižuəl, gezichts - -: — angle = ooghoek; — nerves = gezichtszenuwen; — point = oogpunt; — signalling = optische telegraphie; —ization, subst. v. —ize = verzinnelijken voor het oog, zichtbaar maken.

Vital, vait’l, levens …, onmisbaar, onheilspellend: —s = — organs; His — forces ebbed = zijne levenskracht begaf hem; — organs, — parts = edele deelen; — power = levenskracht; We tried to revive this — question = levensvraag; — spirits = levensgeesten; — thread = levensdraad; — statistics = statistiek over levensduur; That is — to our cause = eene levenskwestie voor; —ity, v(a)italiti, leven, levenskracht, duur, levensvatbaarheid; —ization = bezieling, etc; —ize = bezielen, leven geven.

Vitellus, v(a)iteləs, dooier.

Vitiate, višieit, bederven, ontwijden, schenden, vernietigen; subst. Vitiation.

Viticulture, vitikɐltjə, wijnbouw; Viticulturist = wijnbouwer; Vitis, vaitis, wijnstok.

Vitreo, vitriou: —-electric = positief-electrisch; Vitreous, vitriəs, van glas, glasachtig, glazen: — electricity = glas-electriciteit; subst. —ness; Vitrifaction, vitrifakš’n, verglazing; Vitrifiable, vitrifaiəb’l, verglaasbaar; Vitrification, subst. v. Vitrify, vitrifai, verglazen.

Vitriol, vitriəl, vitriool: Oil of — = zwavelzuur; — of copper = kopervitriool; —-throwing = het gooien van vitriool in iemands gezicht; —ate, vitriəleit, in vitriool veranderen; —ic, vitriolik, vitrioolachtig, scherp, kwaadaardig.

Vituperate, v(a)itjûpəreit, berispen, laken, uitschelden; subst. Vituperation; adj. Vituperative.

Vitus, vaitəs: St. — dance.

Vivacious, v(a)iveišəs, levendig, opgewekt, overblijvend, vast; subst. —ness; Vivacity, v(a)ivasiti, levendigheid, vlugheid, opgewektheid.

Vivarium, vaivêriəm, plaats waar dieren in zoo mogelijk natuurlijken toestand in leven worden gehouden.

Vivat, vaivət, dat hij (zij) leve!

Viva Voce, vaivə vousi, mondeling; subst. mondeling examen.

Vive, vîv, leve!

Vivian, vivj’n.

Vivid, vivid, levendig, helder, treffend, realistisch; subst. —ness; Vivification, vivifikeiš’n, verlevendiging, weder-opleving; Vivify, vivifai, leven wekken, bezielen: The air was vivifying = de frissche lucht schonk nieuw leven.

Viviparous, vaivipərɐs, levende jongen ter wereld brengend.

Vivisect, vivisekt, levend ontleden; —ion, vivisekš’n, vivisectie; —ionist, vivisekšənist, = —or = ontleder van levende dieren of voorstander dier methode.

Vixen, viks’n, wijfjesvos, helleveeg; —ish = twistziek, kijfachtig.

Viz. (= Videlicet), uitgespr. neimli.

Vizard, vizəd: A — mask = masker voor ’t gelaat.

Vizi(e)r, vizîə, vizier; —ate = vizierschap.

Vocable, voukəb’l, woord; Vocabulary, vəkabjuləri, woordenlijst, woordenboek, woordenschat, spraakgebruik; Vocal, vouk’l, stem - -, vocaal, mondeling, hardop, stemhebbend: — c(h)ords, — ligaments = stembanden; — music = gezang; Vocalic, vəkalik, uit klinkers bestaande; Vocalism = gebruik der stemorganen; Vocalist = zanger(es); Vocalization, voukəl(a)izeiš’n, het uitspreken, het vormen van klanken; Vocalize = uitspreken, stemhebbend maken; Vocalness = stemvermogen, het uitgesproken kunnen worden.

Vocation, vəkeiš’n, roeping, neiging, aanleg, beroep: Reading is not much in my — = tot lezen voel ik mij niet zeer aangetrokken.

Vocative, vokətiv, subst. vocatief; adj. vocatief.

Vociferate, vəsifəreit, luide schreeuwen, uitroepen: Vociferation = geschreeuw, luid geroep; Vociferous, vəsifərɐs, schreeuwend, uitbundig juichend.

Vocule, vokjûl, zwakke aspiratie achter p, t, k.

Voe, vou, baai, kreek.

Vogue, voug, zwang, mode, algemeene roep: Writers of lesser — = minder populaire; That is much in — now = erg in zwang; To bring into — = in zwang brengen.

Voice, vôis, subst. stem, geluid, taal, vorm (v. een werkw.); — verb. uitdrukking geven aan, uiten, stemhebbend maken: (Not) in — = (niet) bij stem; He was elected without a single dissentient — = zonder ééne stem tegen; He was chosen with one — = eenstemmig gekozen; She has not much of a — = niet veel stem; He lifted up his — = hief zijne stem op; To raise one’s — = verheffen; Active, Passive — = bedrijvende, lijdende vorm; To — a grievance = uiten; This article —s the public sentiment = geeft de openbare meening weer; The organ-pipes were —d = het orgel werd gestemd; —d = met stem gesproken: This is a —d s = deze s wordt met stemtoon gesproken; —ful = luid klinkend, bruisend; —less = zonder stemtoon: A —less consonant = stemlooze medeklinker.

Void, vôid, subst. ledig(e ruimte); adj. ledig, vacant, ontbloot, nutteloos, nietig; — verb. ledigen, ontruimen, ruimen, leeggooien, ontlasten, opheffen, vernietigen: That loss made a — in my life, which can never be filled up = bracht eene leemte; It is null and — = van nul en geener waarde; — of learning = zonder geleerdheid; — of pity; That sentence is — of reason, of sense = heeft geen zin; The law was made — = werd terzijde gesteld; — space = ledige ruimte; —able = wat ontruimd, geledigd of vernietigd kan worden; —ance = lediging, ontzetting, verwijdering; —ness = ledigheid, nietigheid.

Volant, voul’nt, vol’nt, vliegend (herald.), vlug, snel.

Volapuk, vouləpuk, voləpuk, Volapuk; —ist = beoefenaar of voorstander van —.

Volatile, volət(a)il, vluchtig, vervliegend, grillig, ongedurig, dartel: — oils = vluchtige oliën; — salt = vlugzout; —ness = Volatility, volətiliti, vluchtigheid, wispelturigheid, wuftheid; Volatilizable = geschikt om vluchtig te worden gemaakt; Volatilization = vervluchtiging; Volatilize, volətilaiz, vluchtig maken.

Volcanic, volkanik, vulkanisch: — rock = vulkanisch gesteente; — soil = vulkanische bodem; subst. Volcanism; Volcanist; Volcanization, subst. v. Volcanize = vulkaniseeren; Volcano, volkeinou, vulkaan.

Vole, voul, veldmuis.

Vole, voul, vole: To go the — = vole spelen.

Volition, vəliš’n, wil, het willen, wilsdaad, wilskracht; adj. —al; Volitive, volitiv: — faculty = wilskracht.

Volksraad, foulksrât, volksraad (Z.-Afr.).

Volley, voli, subst. salvo, losbarsting; — verb. losbarsten, een salvo losbranden, terugslaan: Give them a — = geef hun een salvo; A — of words = een woordenstroom.

Vol plane, vol plân, vol plane.

Volt, voult, volte, snelle zwenking, plotselinge zijsprong bij het schermen.

Volt, voult, volt (electr.); —-ampère; —-meter = voltameter; Volta, voltə, Volta; Voltaic, volteiik, galvanisch: — battery = galvanische batterij; — electricity = galvanisme; — pile = batterij van V.; Voltaism = galvanisme.

Volubilate, vəl(j)ûbilit, Volubile, vol(j)ubil, kronkelend, klimmend, slingerend.

Volubility, vol(j)ubiliti, bewegelijkheid, draaibaarheid, praatzucht, groote woordenrijkheid; Voluble, vol(j)ub’l, bewegelijk, draaiend, woordenrijk, praatziek, rad van taal.

Volume, vol(j)ûm, schriftrol, winding, boek(deel), grootte, omvang, massa, volumen; — verb. zich verzamelen, ophoopen: The — of foreign trade is increasing = de omvang van buitenlandschen handel; Her anger was gathering — = nam steeds in hevigheid toe; Such figures speak —s = zeggen meer dan geheele boekdeelen vol; Voluminous, vəl(j)ûminɐs, omvangrijk, uitgebreid, uit vele deelen bestaande, groot: He is a — writer = hij heeft veel geschreven, hij is een vruchtbaar schrijver; subst. —ness.

Voluntariness, vol’ntərinəs, subst. v. Voluntary, vol’ntəri, vrijwillig, vrij, opzettelijk, spontaan, bereidwillig, willekeurig; subst. vrijwilliger, preludium, fantasie (op orgel of piano): — schools = vrije scholen (meestal van kerkelijke richting) waarvan de kosten gedeeltelijk door vrijwillige bijdragen (= — contributions) gevonden worden.

Volunteer, vol’ntîə, subst. vrijwilliger, volontair; adj. vrijwillig dienst nemend, uit vrijwilligers bestaande, in ’t wild groeiend; — verb. vrijwillig geven of aanbieden, als vrijwilliger dienen: The —s = een vrijwilligerscorps opgericht in 1859 (Zie Territorials); He did not — an explanation = gaf niet ten beste, opperde geen; Shall we —? = zullen wij vrijwillig gaan, ons aanbieden?

Voluptuary, vəlɐptjuəri, subst. wellusteling; adj. wellustig, zinnelijk = Voluptuous, vəlɐptjuəs; subst. Voluptuousness.

Voluta, vəl(j)ûtə, rolslak; Volute, vəl(j)ût, subst. spiraalvormige krul in Grieksche kapiteelen; rolslak; —d = met een spiraalvormige krul, spiraalvormig.

Volvulus, volvjulɐs, darmjicht, darmkronkel.

Vomic, vomik: —-nut = braaknoot.

Vomit, vomit, subst. braaksel, braakmiddel; — verb. braken, uitbraken: A mass of scoriae was —ed forth from the bowels of the earth = werd uitgebraakt; —ive = braak - - -; —ory = braak(middel).

Voracious, vəreišəs, gulzig, roofgierig; subst. —ness, Voracity, vərasiti, gulzigheid; vraatzucht, roofgierigheid; Vorant, vôr’nt, verslindend (Herald.).

Vortex, vöteks, (Meerv. —es, Vortices, vötisîz), dwarrelwind, draaikolk; —-wheel = turbine; Vortical = dwarrelend, draaiend = Vortiginous, vötidžinɐs.

Vosges, vouž, Vogezen.

Votaress, voutərəs, ordezuster, vereerster, aanhangster; Votary, voutəri, subst. ordebroeder, aanbidder, vereerder, aanhanger; adj. gewijd, eene gelofte afgelegd hebbende.

Vote, vout, subst. stem, stemrecht, stemming, votum, stembriefje (kogeltje); — verb. stemmen, voteeren, kiezen, verklaren: One man one — = ieder man een stem; The chairman has a casting — = beslissende stem; The remaining —s of the army estimates were considered and agreed to = de nog overblijvende artikelen van de oorlogsbegrooting; The ministry had a close escape, and carried the motion by fourteen —s = kreeg de motie met een meerderheid van veertien stemmen aangenomen; He was within a — of losing his situation = met één stem meerderheid behield hij zijne betrekking; The motion came to the — = werd in stemming gebracht; The —s cast, given = de uitgebrachte stemmen = The —s polled; To put to the — = in stemming brengen; To take a — on a question = laten stemmen over; — of confidence = votum van vertrouwen; Want-of-confidence — = votum van wantrouwen; A motion of thanks was —d to the chairman = den president werd de dank der vergadering gebracht; He spoke for the government and —d against it = en stemde er tegen; He —d himself into the chair = benoemde zichzelf tot voorzitter; Voter = kiezer, stemgerechtigde; Voting: — by ballot = ballotage; —-paper = stembiljet: To fill up a —-paper, To mark a —-paper = invullen, merken.

Votive, voutiv: — medal = herinneringsmedaille; — offering = dankoffer; — tablet = gedenksteen.

Vouch, vautš, subst. verzekering, getuigenis; — verb. waarborgen, instaan voor, betuigen, verzekeren, getuigenis afleggen: Will you — for the truth of it? = staat gij voor de waarheid in? Vouchee, vautšî, iemand, die als borg of zegsman wordt opgeroepen; Voucher = getuige, bon(netje), toegangskaart, borg, getuigenis, declaratie (voor uitgegeven en onvergolden gelden): My — has left the audit-office = mijne declaratie is al bij de Rekenkamer geweest; A — for a drink = bon; Vouchor, vautšə, vautšö, die een ander daagt (als —ee); Vouchsafe, vautšseif, toestaan, waarborgen, de goedheid hebben, zich verwaardigen: He did not — any reply = verwaardigde zich niet te antwoorden.

Vow, vau, subst. gelofte, eed; — verb. beloven, eene gelofte doen, bezweren, plechtig betuigen, wijden: To make a — = een gelofte doen; She has received (taken) the —s = heeft de kloostergeloften afgelegd.

Vowel, vauəl, subst. klinker; adj. vocaal.

Voyage, vôi-idž, subst. verre (zee)reis; — verb. reizen, bereizen, bevaren: Our — in, Our homeward — = onze terugreis; I met him on my — = op reis; On our — out = On our outward — = heen-, uitreis; He went on a — = op reis; —r = (zee)reiziger; Voyageur, Fr. uitspr., Canadeesch schuitevoerder.

Vulcan, vɐlk’n, Vulcanus; —ian, vɐlkeinj’n, —ic, vɐlkanik, vulkanisch; —ite = eboniet; —ization = vulkanisatie; —ize = vulkaniseeren.

Vulgar, vɐlgə, adj. gewoon, gemeen, ordinair, grof, lomp, laag, volks …: The — = het gewone volk, groote hoop, het gemeen; — fraction = gewone breuk; — speech (talk, tongue) = volkstaal; —ian, vɐlgêriən, proleet; —ism = platheid, platte uitdrukking; —ity, vɐlgariti, laagheid, platheid, grofheid; —ization, subst. v. —ize = plat of laag maken, vulgariseeren.

Vulgate, vɐlgit, vulgata of Latijnsche bijbelvertaling van den H. Jeronymus (329–420).

Vulnerability, vɐlnərəbiliti, subst. v. Vulnerable, vɐlnərəb’l, kwetsbaar, wondbaar; subst. —ness; Vulnerary, vɐlnərəri, subst. heel- of wondmiddel; adj. heelend: — balsam (herb, plant).

Vulpecide, Vulpicide, vɐlpisaid, iemand, die een vos doodt; wederrechtelijk dooden van een vos; Vulpine, vɐlp(a)in, vosachtig, listig, slim; Vulpinism, vɐlpinizm, sluw- of slimheid.

Vulture, vɐltjə, gier: Bearded — = lammergier; Vulturine, vɐltjur(a)in, gierachtig, roofgierig = Vulturish = Vulturous.

Vying, vai-iŋ, mededingend.

Vyrnwy, vîənwi: — Lake.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings