C. (continued 2)
Reading edition
Cleat, klît, subst. klamp, stang, ijzeren zoolplaatje; — verb. bevestigen.
Cleavable, klîvəb’l, kloofbaar; Cleavage = kloven, kloofbaarheid; Cleave = kloven, splijten, banen; kleven, aanhangen, trouw blijven: He —s to his right = staat op; My tongue —s to my mouth = kleeft vast aan mijn gehemelte; —r = (slagers)hakmes, houthakkersbijl: Marrow-bones and —rs = mergpijpen en hakmessen (met deze werd eertijds bij een huwelijk uit de lagere standen muziek gemaakt); —rs = kleefkruid.
Cleek, klîk, kolf met ijzeren voet (bij het Golfspel) voor ’t “drijven” gebruikt.
Clef, klef, (muziek)sleutel.
Cleft, kleft, kloof, reet, barst, scheur; P.P. gespleten; —-footed = met gespleten hoef; The — infinitive (Zie Split).
Cleg, kleg, paardenhorzel.
Clematis, klemətis, heggeboschdruif.
Clemency, klem’nsi, zachtheid, genade.
Clement, klem’nt, subst. Clementius; adj. zacht, vergevend, medelijdend.
Clementina, klem’ntînə, Clementine.
Clemmed, klemd, uitgehongerd.
Clench, klenš. Zie Clinch.
Cleomenes, kliominîz; Cleon, klîən; Cleopatra, klîəpeitrə, klîəpatrə, klîopətrə.
Clergy, klɐ̂dži, geestelijkheid, clerus; —man = geestelijke; —woman = vrouw van den clergyman (iron.).
Cleric, klerik, klerk, geestelijke, clericaal; Cleric(al) = geestelijk - -; schrijf - -: Clerical coat (hat); Clerical and typographical errors = schrijf- en drukfouten; Clericalism = clericalisme.
Clerk, klâk, subst. geestelijke, cantor, koster (= Parish —), geleerde, schrijver, klerk; winkelbediende (Am.); — verb. het boekhouder- of klerkschap uitoefenen (Amer.): Articled — = klerk van een Solicitor, die na eenige jaren bij hem gewerkt te hebben het solicitorsexamen kan afleggen voor de Incorporated Law Society; — of the House = de 1ste griffier van het Lagerhuis; I don’t like figures well enough to — = genoeg van cijfers om klerk of boekhouder te worden; —ship = betrekking van klerk of schrijver.
Clever, klevə, handig, bekwaam, vlug, gevat, gezond, knap, lief (Amer.): A — leading-article = knap hoofdartikel; — at sums = knap in ’t rekenen; —ly, volkomen (Amer.); —ness, handigheid, etc.
Cleves, klîvz, Kleef.
Clevis, klevis, Clevy, klevi, U-vormig ijzer aan een ploeg of dissel.
Clew, klû, subst. kluwen, bal, draad (fig.), wenk, schoothoorn; — verb. (met up) = oprollen, geien.
Click, klik, subst. tik, knip, knap, klink, pal; — verb. tikken, knappen, knippen; wegnemen, gappen; klinken: To — glasses = klinken; Watches —; —er = winkelknecht om klanten te lokken; vormopmaker (zetterij); schoenmaker, die het leer snijdt.
Client, klaiənt, client, beschermeling, creatuur; —age, klaiəntidž, clientèle = Clientele, klaiəntîl, klaiəntîl, klaiəntel.
Cliff, klif, steile rots; —y = rotsachtig, steil.
Climacteric, klaimakterik, klaimaktərik, kritiek; subst. kritieke leeftijd (jaar): Grand — = het 63ste levensjaar.
Climate, klaimit, klimaat, luchtstreek, gewest; Climatic(al) = klimaat..; Climatize = acclimatiseeren; Climatology = klimatologie.
Climax, klaimaks, climax, toppunt.
Climb, klaim, verb. klimmen, klauteren, beklimmen, stijgen; subst. klim: It is a good — = heele klim; We began the upward —; To — down = afklimmen; inbinden (fig.); —able = beklimbaar; —er = klimmer, clematis; —ers = klimvogels: Hasty —ers have sudden falls, High —ers fall low = wie hoog klimt, valt laag.
Climene, klaimîn, Climeen.
Clinch, klinš, klinknagel, ankersteek; — verb. klinken, bevestigen, vasthouden: That —es the matter = dat is afdoende; I can’t — her name = komen op; —-nails = klinknagels; —er = klamp, houvast: That’s a —er = daarmee slaat gij den spijker op den kop, dat is afdoende; —er-built = Clinker-built.
Cling, kliŋ, vastzetten, kleven (hangen) aan, zich vastklemmen, verdorren: She clung hold of his coat = hield stevig vast.
Clinic, klinik, een bedlegerige; kliniek: —(al) = klinisch: —al baptism = doop aan zieke of stervende; —al convert = de aldus gedoopte; —al lecture = kliniek. Clinique, klinîk, kliniek.
Clink, kliŋk,—verb. klinken, doen klinken, laten rijmen; subst. het klinken: At the — of gold; To — glasses (together) = aanstooten; —ing = buitengewoon.
Clinker, kliŋkə, klinkersteen, hamerslag, metaalschuim, best paard; klikker (Schotl.): —-built = met over elkaar liggende planken, overboeid (scheepst.).
Clinquant, kliŋk’nt, subst. klatergoud; adj. glinsterend, in klatergoud gekleed.
Clio, klaiou, Clio; walvischaas.
Clip, klip, subst. de scheerwol van één seizoen; slag, uitknipsel, voorpunt aan hoefijzer, klemhoutje, knijper; — verb. afknippen, snoeien, verkleinen, verkorten, afsnijden, radbraken, slaan, voortrennen (Amer.): He slurred and —ped his words = sprak slordig - - uit en slikte in; His wings were —ped = hij werd gekortwiekt (fig.); —per = besnoeier; klipper; pracht van een kerel (meid); —pers = tondeuse; —ping = snelzeilend (vliegend), uitstekend, omarmend; —pings = lappen, uitknipsels.
Clique, klîk, kliek; Cliquism = kliekwezen; Cliquy = kliekerig.
Clish-clash, klišklaš, geratel: To go — = rammelen, ratelen (fig.).
Clitter-clatter, klitəklatə, gewauwel: Her shoes go — = klip-klap.
Clivers, klaivəz = Cleavers.
Clo, klou = Clothes.
Cloak, klouk, subst. mantel, dekmantel (fig.); — verb. bemantelen, verbergen; —-bag = mantelzak, valies; —-room = vestiaire, (dames)toilet, retirade; bagagelokaal.
Clobber, klobə, smeersel om bij het oplappen van oude schoenen de scheuren te stoppen.
Clock, klok, subst. klok, kever, versierde klink (aan de zijde van eene kous); — verb. klokken, broeden, beieren: What o’— is it? What is (it) o’—? = Hoe laat is het? They set all —s by Greenwich time = scheren alles over één kam; —-dial = —-face = wijzerplaat; —-hand = wijzer; —maker; As regular as —-work = zoo precies als een uurwerk; —-work animal = stuk speelgoed met mechaniek.
Clod, klod, subst. aardkluit, stof, lomperd, domoor; — verb. kluiten, klonteren, met kluiten gooien; —-crusher = wals; —-hopper = boerenkinkel; —-pate, —-poll = ezelskop; —dish = —dy = klonterig, plomp.
Clog, klog, subst. blok, stomp, belemmering, rem, holsblok, trip; — verb. te zwaar belasten, overladen, belemmeren, verhinderen, tegenhouden, stokken, klonteren, verstoppen; —gy, klonterig, kleverig, etc.
Cloister, klôistə, subst. klooster, kruisgang, veranda, piazza; — verb. in een klooster opsluiten, afzonderen.
Clomb, kloum, oud imperf. van To Climb.
Close, klouz, subst. besluit, einde; schermutseling, handgemeen; — verb. sluiten, eindigen, besluiten, aaneensluiten; overeenkomen, handgemeen worden, worstelen: With —ed doors = met gesloten deuren; These are —d questions now = uitgemaakt; Evening —d = de avond viel; At this moment the scene —s in = valt het gordijn; To — in = de gelederen sluiten; We have —d on that point = het eens geworden; They —d round the fortress = sloten in; The passage was —d up = afgesloten; — up, gentlemen; we won’t go home yet = aansluiten, Heeren! To — with = aannemen, het eens zijn, naderen.
Close, klous, subst. ingesloten of omheinde plaats, terrein bij eene cathedraal of abdij, blinde straat of steeg, slop; adj. gesloten, benauwd, drukkend, dicht, stilstaand, nauw, strak, compres, dicht in elkaar, nabij, innig, vlijtig, streng logisch, zeldzaam, nabij (— by), ongeveer gelijk, geheim, achterhoudend, oplettend, beknopt, getrouw, nauwkeurig, gierig, krenterig: — corporation = een corporatie, die vacatures zelf aanvult; — season, — time = gesloten vischtijd of jachttijd; As — as wax = zoo dicht als een pot (fig.); The air is — here = het is hier benauwd; — is my shirt, but —r is my skin = het hemd is nader dan de rok; To come to — quarters = handgemeen worden; To keep oneself — = zich koest houden; To live at — quarters = klein behuisd zijn; To sit — = dicht opeen; —-banded = dicht aaneengesloten; — by (on); — upon = bijna; dicht bij; —-cropped = kort geknipt; —-fisted, —-handed = vrekkig, gierig; —-grained = dicht (v. hout, steen); A —-stool = stilletje; —-tongued = zwijgend, “zoo dicht als een pot”; —ly = dicht op elkaar, ijverig, grondig; —ness = vastheid, dichtheid, geslotenheid, bedomptheid, etc.
Closet, klozət, subst. kabinet, studeerkamer, privaat; adj. geheim, theoretisch, kamer..; — verb.: To be —ed with = een geheim onderhoud hebben met.
Closure, kloužə, subst. sluiting, slot; — verb. het debat sluiten: To apply the — het debat sluiten.
Clot, klot, subst. klonter; — verb. klonteren; —ted cream = dikke room.
Cloth, kloth, laken, wol, stof, calicot, tafellaken, gewaad: The — = de geestelijkheid; More — than dinner = meer vertoon dan degelijkheid; To lay the — = tafeldekken; To wear the — = den soldatenrok (liverei) dragen; geestelijke zijn; —-shearer = lakenscheerder; —-worker = lakenmaker.
Clothe, kloudh, kleeden, bekleeden, inkleeden.
Clothes, kloudhz, kleeren, kleeding, de wasch, luiers: Bed-— = bedlinnen; Long — = lange kinderjurk; Short — = korte rokken; A suit of — = pak; —-press = kleerkast; —-wringer = wringmachine.
Clothier, kloudhjə, lakenkooper, lakenfabrikant; lakenvoller (Amer.).
Clothing, kloudhiŋ, kleeding.
Cloture, Fr. uitspr. = Closure.
Cloud, klaud, subst. wolk, ader, groote menigte, lichte wollen sjaal; — verb. bewolken, verduisteren, somber maken, aderen, moireeren: Every — has a silver lining = geen kwaad zonder baat; To be in the —s = droomen, absent zijn; To be under a — = in verlegenheid zijn, gecompromitteerd zijn; To blow a — = rooken; To cast a — upon = een schaduw werpen op; To drop (fall) from the —s = uit de lucht vallen; —berry = bergbraambes; —-burst = wolkbreuk; —-capped (capt) = zeer hoog, met wolken bedekt; In — Cuckoo Town = hoogst onzeker; —-drift = wolkendrift; —-rack = drijvend zwerk; —-wrapt = in wolken of mist gehuld; —ed = bewolkt, betrokken, troebel, beneveld: I got —ed out = de wolken beletten mij te photographeeren; —iness = bewolktheid enz.; —less = onbewolkt; —let = wolkje; —y = bewolkt, somber, duister, geaderd, gemoireerd.
Clough, klɐf (Arthur); Clough, klau, klɐf, ravijn; kruik; sluis; toegift van 2 Eng. ponden op iedere honderd.
Clout, klaut, subst. lap, vod, roos van een schijf, as-plaatje: — verb. oplappen, opflikken, slaan, met spijkers bevestigen: He looks as white as a — = zoo wit als een doek; —(-nail) = schoenbeslag; —ed = met spijkers beslagen.
Clove, klouv, kruidnagel; gewicht voor kaas en boter (± 3,6 K.G.) en voor wol (± 3,17 K.G.); ravijn; —-gilly-flower = tuinanjelier; —s, klouvz = een soort likeur.
Cloven, klouv’n: —-footed, —-hoofed = met gespleten hoef, satanisch; There was a decided exhibition of the — foot = daar kwam de aap leelijk uit den mouw kijken = He showed his — foot.
Clover, klouvə, klaver: To be (live) in — = een lekker leventje leiden; To go from — to rye-grass = van de veeren op het stroo komen.
Clown, klaun, boerenkinkel, hansworst; —ish = boersch, clownachtig; subst. —ishness.
Cloy, klôi, overladen, tegenstaan.
Club, klɐb, subst. knots, kolfstok, uitwas, haarknoop; club, sociëteit, vereeniging; adj. knotsvormig; —s = klaveren (kaartspel); — verb. met een knots (neer) slaan, samen betalen, geld bijeenleggen: We —bed (our funds) together = wij legden bij elkander wat wij hadden; The soldier —bed his musket = sloeg met den kolf; —fist(ed) = (met) klomphand; —-foot = horrelvoet; —-haul = overstag gaan bij stormweer met behulp van een anker; —-headed = met dikken kop; —-house = sociëteit; —-law = het recht van den sterkste; —-man = lid van een club, knotsdrager; —-moss = wolfsklauw; —-pigtail = dik uitloopende pruik; —-room; —-suit = “smoking”; —-train = bliksemtrein tusschen Londen en Parijs; —(b)able = gezellig; —bed = klomp …, knotsvormig, plomp.
Cluck, klɐk, klokken, smakkend spreken als een Hottentot; —ing-hen = kloekhen.
Clue, klû, kluwen, (leid)draad.
Clump, klɐmp, subst. blok, brok, groep, dikke zool; — verb. lomp stappen, tot groepen vormen; —-boots = zware vetlaarzen.
Clumsiness, klɐmzinəs, plompheid, onbeholpenheid; Clumsy = onhandig, lomp, plomp; subst. stommeling.
Clunch, klɐnš, verharde leemlaag, weeke kalksteen.
Clung, klɐŋ, imperf. en part. perf. van To cling.
Cluster, klɐstə, subst. tros, bos, groep, troep, zwerm, menigte; — verb. in trossen groeien, scharen, zwermen, ophoopen: In —s = saamgehoopt.
Clutch, klɐtš, subst. greep, klauw, haak; — verb. grijpen, omvatten; —-fisted = vrekkig.
Clutter, klɐtə, subst. warboel, lawaai; — verb. onderstboven gooien, eene warboel of drukte maken: —ed shops = drukke, volle.
Clyster, klistə, lavement; — verb. een lavement zetten; —-pipe = klisteerspuit.
Co, kou, verkort voor Company; County; c/o = care of; C. O. = Colonial Office; Commanding Officer.
Coach, koutš, subst. rijtuig, koets, diligence, personenwagen, kapiteinshut; repetitor; — verb. (in) eene koets rijden, drillen, africhten: To drive a — and six (= horses) through (an Act of Parliament, etc.): een uitdrukking veel gebruikt om het gebrekkige van een wet, etc. uit te drukken. (Verg.: Door zijn geweten kan wel een koets met 4 paarden rondrijden); They play at —es with my money = hangen den “heer” uit van; A slow-— = treuzelaar; —-house = koets- of wagenhuis; —man = koetsier; —-office = plaatsbureau (van eene diligence); —stand; —-wheel = wagenrad; ‘achterwiel’ = ½ crown (= Fore—); crown (= Hind—); —ee = koetsier.
Coadjutor, kouədžûtə, coadjutor, medehelper; —ship, coadjutorschap.
Co-agency, koueidž’nsi, medewerking; Co-agent = medewerker.
Coagulable, keagjuləb’l, strembaar; Coagulate, kəagjuleit, (doen) stremmen (stollen); Coagulation = stremming; Coagulum, kəagjul’m, gestolde massa, geronnen bloed.
Coak, kouk, lasch, blokbus; — verb. lasschen.
Coal, koul, subst. kool, steenkool; — verb. verkolen, van kolen voorzien, kolen innemen: To blow the —s = de hartstochten aanwakkeren; To haul over the —s = duchtig onder handen nemen; —-backer = kolendrager; —-box = kolenbak; —-bunker = kolenbergplaats aan boord; —-cake = briket; —-fish = koolvisch; —-gas = steenkolengas; —-heaver = kolendrager; —-hole = kolenhok; —-mine; —-mouse = zwartkopmees; —-pit = kolenmijn; —-scuttle = kolenemmer; (—-scuttle bonnet); —-tar = koolteer; —-whipper = kolenwipper; —ing-station = kolenstation.
Coalesce, kouəles, samengroeien, samenvloeien, zich vereenigen; —nce = vergroeiing, etc.; adj. —nt.
Coalition, kouəliš’n, coalitie.
Coaptation, kouəpteiš’n, aanpassing.
Coarse, kös, grof, ruw, onbeleefd, onkiesch; —-grained = grof, norsch; —n = grof maken (worden); —ness, grofheid, etc.
Coast, koust, subst. kust, met sneeuw bedekte helling; — verb. langs de kust zeilen, van haven tot haven zeilen; op sneeuw of ijs in eene slede naar beneden glijden, eene helling affietsen met de voeten op de foot-rests (Am.): He knows the — of France = is een smokkelaar; —-guard = kustwacht; —ing-trade = kusthandel; —ing-vessel (= —er) = kustvaarder; —ways = —wise = langs de kust.
Coat, kout, subst. jas, haren, pels, veeren, laag, schil, wapen (herald.); — verb. bekleeden, bedekken: Dress-— = rok; Frock-— = gekleede jas; — of arms = familiewapen; A — of mail = maliënkolder; Cut your — according to your cloth = zet de tering naar de nering; —-card = Court-card; —-tail = rokspand; He trailed his —-tails over the green, and dared any one to tread on them (een Iersche vorm van uitdaging); —ee, koutî, nauwsluitend jasje; —ing = overtrek, bekleeding, laag, jasstof.
Coax, kouks, vleien: To — into = bepraten, bevleien; To — out of = aftroggelen; —er = vleier; A —ing puss (= A coax) = vleister(tje).
Cob, kob, subst. zware hit; mantelmeeuw, meelballetje voor het mesten van vogels, spin, rond brood, steen, chignon, maïsaar, piaster, dracht slagen; — verb. afranselen; —-loaf = rond brood; —-nut = kleine hazelnoot; —-wall = muur van leem en stroo; —web = spinneweb, spinrag; adj. dun, fijn, waardeloos: To brush off the —webs = de blommetjes buiten zetten; To have —webs in one’s brain = muizenissen in zijn hoofd hebben; —by = kort en gedrongen.
Cobalt, koubolt, kobalt; Cobaltic, kobaltachtig.
Cobble, kob’l, subst. kiezelsteen, rond stuk kool; — verb. lappen, samenflansen: The buttonholes had been —d out of their original shape = waren verknoeid; —r = schoenlapper, knoeier; wijn met vruchten en ijs, die men door een rietje opzuigt: The —r must stick to (not go beyond) his last = schoenmaker, houd je bij je leest.
Cobham, kob’m.
Coble, kob’l, koub’l, soort van visschersschuit.
Cocaigne, kəkein, het land van Cocagne, luilekkerland.
Cochin-China, kotšin (koutšin)-tšainə.
Cochineal, kotšinîl, kotšinîl, cochenille.
Cochlean, kokliən, lepelvormig; Cochleate(d), kokli(e)it(id), spiraalvormig.
Cochrane, kokrein.
Cock, kok, subst. haan, mannetje, kemphaan (ook fig.), weerhaan, kraan; hooiopper; onrust; wijzer, tong, boot, aanvoerder, opperste; het hanengekraai, kerfje; — verb. overhalen, opheffen, opzetten, optoomen, schuin (zwierig) opzetten, wenken: By — and pie = bij kris en kras; As the old — crows, the young — learns = zooals de ouden zongen, piepen de jongen; He lives like a fighting — = leidt een weelderig leven; That — won’t fight = die vlieger gaat niet op; —-a-doodle (-doo) = kikeriki; That man is —-a-hoop = zijn haan kraait victorie; The — of the school = de “primus”; He is the — of the walk = haantje de voorste, leider; A — and bull (A —-and-a-bull) story = onmogelijk verhaal; To — the ears = spitsen; To — the eye = wenken; To — the eye at = boos aankijken; To — the tail = hoog dragen; —-boat = kleine boot; —-brained = onbezonnen, dwaas; —-broth = hanensoep; —-chafer = meikever; —-crow(ing) = hanengekraai, dageraad; —-fight(ing) = hanengevecht; —-eyed = loensch; —-horse = hobbelpaard, stokpaardje; fier paard; trotsch, op hooge plaats, schrijlings: To ride a —-horse to Banbury = paardje rijden; zich trotsch, aanmatigend gedragen; —-match = hanengevecht; —pit = hanenmat, plaats voor hanengevechten; —pit deck = ziekenboeg aan boord; —roach = kakkerlak; —-robin = roodborstje; —-rose = roode papaver; —s-comb = hanekam, ratelaar, hoofd, fat. Zie Coxcomb; —’s-head = spurrie; —-shut (—time) = schemeravond; —-shy = spel, om met stokken (—-shy sticks) iets op een afstand om te gooien; —-spur = hanenspoor; —-sure, šuə, positief zeker; —swain, koks’n, stuurman in een giek; —tail = renpaard, dat geen volbloed is; paard met fier gedragen staart; poen: Champagne —tail = champ. met enkele droppels Angostura bitter; Soda —tail = selterswater met bitter etc.; —-tread = hanetree; —ed hat = steek; driehoekig gevouwen briefje: To knock into a —ed hat = tot moes slaan; —erel (—let, —ling) = jonge haan; —-up = naar boven gekeerd; boven den regel uitstekend; scheeve hoed; —y = onbeschaamd, pedant, aanmatigend.
Cockade, kəkeid, kokarde.
Cockatoo, kokətû, kaketoe.
Cockatrice, kokətr(a)is, basiliskus.
Cockburn, koubɐ̂n.
Cocker, kokə, subst. fokker van kemphanen; hond voor de snippenjacht; — verb. troetelen, liefkoozen: —ed up too much; — thy child and he shall make thee afraid = vertroetel; According to — = volgens Bartjes.
Cocket, kokət, douanezegel, tolbewijs, douane (veroud.); adj. dartel, levendig, coquet: —ed up in fair gowns = uitgedost; —-bread = tweede soort tarwebrood.
Cockieleekie, kokəlîki, kippesoep met look.
Cockle, kok’l, subst. mossel; bolderik, dolik; — verb. rimpelen, samentrekken: That warms the —s of my heart = doet me innig genoegen; Hot —s = spel waarbij een geblinddoekte moet raden wie hem geslagen heeft; —-hat = pelgrimshoed met een —-shell = (mossel)schelp (als pelgrimsinsigne); notedop (= klein bootje); —-stairs = wenteltrap; —r = mosselverkooper.
Cockney, kokni, subst. (geboren en getogen) Londenaar; verwende en verwijfde jongen; adj. wat een Cockney eigen is; —dom; —fy = tot C. maken; adj. —ish; —ism = aard of uitdrukking van een C.
Cocoa, koukou, cacao; —butter; —-nib = zaadvliesje van de cacaoboon; —-nut = kokosnoot.
Cocoon, kəkûn, cocon; —ery = inrichting voor de zijdewormteelt.
Coctile, kokt(a)il, gebakken; Coction, kokš’n, koking, bakken.
Cod, kod, subst. schil, schaal, buidel, zak; — verb. in eene schil besluiten.
Cod, kod, kabeljauw; —-liver-oil = levertraan; —der = visschersschuit (voor —s); —ling = jonge kabeljauw.
Coda, koudə, coda.
Coddle, kod’l, zacht koken; troetelen, vleien: Don’t — yourself = verwen je zelf niet.
Code, koud, wetboek, reglement: — of morality = zedewet; —-words = afgesproken of telegramwoorden: The telegram was put into the — = in dit schrift overgebracht; Codex = wetboek.
Codger, kodžə, oude vent, vrek.
Codicil, kodisil, aanhangsel van een testament; adj. Codicillary.
Codification, koudifikeiš’n, kodifikeiš’n, codificatie; Codify, koudifai, kodifai, codificeeren.
Codilla, kədilə, ruwe hennep of vlas.
Codille, kədîl, codille (in quadrille of omber).
Codlin(g), kodliŋ, —lin, soort appelboom; Zie Cod.
Codrington, kodriŋt’n.
Coefficient, kouəfiš’nt, medewerkend; subst. coefficient.
Coemption, kouem(p)š’n, het opkoopen of koopen in het groot.
Coequal, kouîkw’l, subst. en adj. gelijk(e); —ity, kouikwoliti, gelijkheid.
Coerce, kouɐ̂s, dwingen; —r; Coercion = dwang; —-act = dwangwet.
Coessential, kouəsenš’l, van hetzelfde wezen.
Coetaneous, kouiteiniəs, even oud.
Coeternal, kouitɐ̂n’l, eeuwig bestaand met; subst. Coeternity.
Coeval, kouîv’l = Coetaneous.
Coexist, kouegzist, gelijktijdig bestaan; subst. Coexistence; adj. Coexistent.
Coffee, kofi, koffie: A cup of black —; To grind, make, roast, take —; —-beans (= —-nibs); —-mill; —-pot; —-room = gelagkamer.
Coffer, kofə, subst. geldkist, kist, koffer, schat; gracht, galerij (vestingb.), sluis (in een kanaal); — verb. in eene kist besluiten; —-dam, kofədam, kistdam; —ed.
Coffin, kofin, subst. doodkist, pasteikorst, peperhuisje, bovenste van een paardehoef, kar van een drukpers; — verb. in eene kist besluiten, insluiten.
Cog, kog, subst. kam of tand (van een rad); kleine boot; — verb. paaien, door mooie praatjes bedriegen: His dice were —ged = zijne dobbelsteenen waren valsch (met lood aan ééne zijde bezwaard); —-wheel = tand- of kamrad.
Cogency, koudž’nsi, overtuigende kracht; Cogent, koudž’nt, krachtig, overtuigend.
Coggle, kog’l, kleine boot; —-stone = afgeronde keisteen.
Cogitate, kodžiteit, denken, overpeinzen; subst. Cogitation; adj. Cogitative.
Cognac, ko(u)njak, cognac.
Cognate, kognit, subst. bloedverwant; adj. verwant (in Schotl. vooral van moederszijde), vermaagschapt, van denzelfden aard; Cognation = bloedverwantschap.
Cognition, kogniš’n, kennis (door eigen ondervinding of onderzoek opgedaan); adj. Cognitive.
Cognizable, ko(g)nizəb’l, kenbaar, vervolgbaar; Cognizance, ko(g)niz’ns, kennis(neming), kenmerk, insigne; competentie, (rechts)gebied: Out of the — of the post; Cognizant, ko(g)niz’nt, kennis dragend of nemend van (of).
Cognomen, kognoum’n, familienaam, bijnaam; benaming.
Cognovit, kognouvit, schriftel. erkenning door den gedaagde, dat de eischer in zijn recht is.
Cogue, kog, nap, vaatje, emmer, slok.
Cohabit, kouhabit, (als man en vrouw) samenwonen; subst. —ation.
Coheir(ess), kouêə(rəs), mede-erfgenaam.
Cohere, kouhîə, samenkleven, logisch samenhangen; subst. —nce = —ncy; adj. —nt; —r = cohaerer, fritter (Draadl. telegr.).
Cohesion, kouhîž’n, cohesie, samenhang, verband; adj. Cohesive; subst. —ness.
Cohort, kouhöt, krijgsbende (oudtijds 500 à 600 man).
Coif, kôif, kwof, subst. kuif, kap, kapsel; — verb. met eene kap bedekken.
Coiffure, kwofûə, kapsel.
Coign(e) kôin. Zie Coin.
Coil, kôil, subst. kronkeling, bocht; vlecht: (False back —s), rumoer, verwarring, menigte; — verb. kronkelen.
Coin, kôin, subst. hoek, buitenhoek, wig, muntstempel (gestempelde munt); — verb. munten, smeden, bedenken, verzinnen: Current — = gangbare munt: To be all over — = een bom duiten hebben; He was paid in his own — = met gelijke munt betaald; He is —ing money = hij verdient geld als water; He —ed new words = smeedde; —age, kôinidž, het munten van geld, muntstukken, het bedenken (van onware of valsche voorstellingen); —er = stempelaar, valsche munter, bedenker (van leugens, enz.).
Coincide, kouinsaid, samenvallen, overeenkomen; Coincidence = samenloop (v. omstand.).
Coir(e), kôiə, kaiə, kokosbast (touw).
Coition, kouiš’n, conjunctie; bijslaap.
Cojuror, koudžûrə, getuige van eens anders geloofwaardigheid of onschuld.
Coke, kouk, subst. coke(s); — verb. in coke(s) veranderen.
Coker-nut, koukənɐt = Cocoa-nut.
Colander, kɐl’ndə, vergiettest; — verb. doorzijgen.
Colchester, koultšəstə.
Cold, kould, adj. koud, huiverig, koel, zonder deelneming of opgewektheid, bedaard: subst. koude, verkoudheid: — comfort = schrale troost; It must be a — day in August ere I ever try it again = het zal lang duren, vóór ik het weer beproef; To be down with a bad —; To have (to catch) a —; She always had the joint in — the second day = als koudvleesch; To leave out in the — = in de kou laten staan; negeeren; afschepen; —-blooded = koudbloedig, koelbloedig; —-cream = zalfje voor barsten; —-served = koud voorgediend; vervelend, saai; —-short = koudbroos, koudbreukig; He gave me the —-shoulder = negeerde mij, zag mij met den nek aan; I am severely —ed = zwaar verkouden; —ish = wat koud; —ness = koude, koelheid.
Coleoptera, kolioptərə, schildvleugelige insecten.
Cole, koul: —mouse = Coal-mouse; —rape, koolraap; —rape-seed = koolzaad; —-wort = Cabbage.
Colic, kolik, subst. koliek, hevige buikpijn: Devonshire —, Painter’s — = loodvergiftiging; —ky = koliek …
Colinderies, kəlindəriz, koloniale producten, enz.; eene tentoonstelling daarvan.
Coliseum, kolisîəm. Zie Colosseum.
Collaborate, kəlabəreit, samenwerken; Collaborator.
Collapse, kəlaps, subst. instorting, invalling, geheele mislukking; — verb. invallen, instorten; Collapsible tubes = samendrukbare.
Collar, kolə, subst. kraag, boord(je), halsband, halsring; — verb. een halsband, enz. aandoen, bij den kraag pakken, de hand leggen op, wegnemen, stelen; eene rollade maken: Against the — = met tegenzin; He slipped the — = streek de halster (af), ging er vandoor; He is out of — = buiten betrekking, heeft geen werk; A — of brawn = eene rollade van varkensvleesch; The beef was —d = het vleesch werd tot den vorm eener rollade gemaakt; —-beam = dwarsbalk; —-bone = sleutelbeen; —-work = zwaar werk; —ed herring = rolmops; Collarette = dameskraagje.
Collate, kəleit, vergelijken (vooral van oude handschriften of boeken), ordenen of rangschikken, schenken, overdragen, met een kerkelijk “benefice” begiftigen; Collation, kəleiš’n, vergelijking; lichte maaltijd, begiftiging, geschenk; Collator, kəleitə, vergelijker, collator, schenker.
Collateral, kəlatər’l, subst. bloedverwant in de zijlinie, adj. zij aan zij, parallel loopend, indirect, zijdelingsch: — security = bij- of nevenborg; subst. —ness.
Colleague, kolîg, subst. ambtgenoot; — verb. (kolîg) zich vereenigen, samenspannen; —ship.
Collect, kolekt, kort gebed, gebed voor een bepaalden tijd of dag; vijver, waterplas (Amer.).
Collect, kəlekt, vereenigen, verzamelen, incasseeren; afhalen; door waarneming of inlichting verkrijgen; gevolgtrekkingen maken: He —ed himself = hij herkreeg zijne zelfbeheersching; He was not —ed = bedaard, zichzelf meester; Collection = verzameling, incasseering (v. coupons), gevolgtrekking, buslichting; — bag (box) = kerkzakje; —s = een soort tentamen (Oxf.); To make a — = collecteeren; Collective = verzamelend, vereenigd, afleidend (uit): The — body of a nation = Body Politic; Collector = verzamelaar, ontvanger (v. belastingen enz.); een der twee B.A.’s met de regeling der Dispuutcolleges belast (Oxf.); Collectorate, Collectorship = ontvangersdistrict of ontvangersbetrekking.
College, kolidž, college, seminarium, universiteit, leerinrichting; verkiezingslichaam (Amer.): —-pudding = pudding van nierenvet, brood, rozijnen en eieren.
Collegiate, kəlîdžiit, subst. lid van een college; adj. tot een college behoorende: — church = collegiale kerk, die door het kapittel en de kanunikken wordt bediend en geen bisschopszetel heeft.
Collet, kolət, halsband, ringkas.
Collide, kəlaid, tegen elkander stooten.
Collie, koli, Schotsche herdershond.
Collier, koljə, kolengraver, kolenhandelaar; kolenschip; —y = kolenmijn, kolenhandel.
Colligate, koligeit, verbinden; Colligation = samenhang.
Collision, kəliž’n, botsing, aanvaring; tegenstand.
Collocate, koləkeit, plaatsen, stationeeren; Collocation = bijeenplaatsing, regeling.
Collodion, kəloudj’n, collodium.
Colloid, kolôid, gelatineachtig, amorph; subst. gelatineachtige stof.
Collogue, kəloug, samenspannen (with).
Collop, koləp, stukje vleesch, lapje.
Colloquial, kəloukwiəl, tot de omgangstaal behoorende, alledaagsch, gemeenzaam: A — command of the language = vertrouwdheid met de omgangstaal; — powers = onderhoudendheid; —ism = alledaagsche uitdrukking; Colloquy, koləkwi, gesprek.
Collude, kəl(j)ûd, onder één hoedje spelen, samenspannen; —r; Collusion = geheime samenspanning.
Colluvies, kəl(j)ûviîz, etterhaard, vuil.
Collyrium, kəliriəm, oogzalf (-water).
Colman, koulm’n; Colnebrook, konbruk.
Colocynth, koləsinth, kolokwint.
Cologne, kəloun, Keulen: —-water = Eau de Cologne.
Colon, koulən, kronkeldarm; dubbele punt; Colon, kəloun, kolən (plaatsn.).
Colonel, kɐ̂n’l, subst. kolonel; — verb. (kolənel) = aanvoeren als —; aanspreken met kolonel; —cy; —ship.
Colonnade, koləneid, zuilenrij.
Colonial, kəlouniəl, koloniaal: The — Dutch (Dutch —s) = Holl. kolonisten; —-office = Min. v. Koloniën; —-produce = koloniale waren; Colonist; Colonization; Colonize.
Colophon, koləfon, koləfoun, colophoon, einde, sluitsteen: From title to — = van ’t begin tot het einde.
Colophony, kəlofəni, koləfouni, colophonium (vioolhars).
Colorado(-beetle), kolərâdou(bît’l), colorado(-kever).
Colorate, kɐlərit, kolərit, gekleurd, geverfd, getint; Coloration; Colorature, kɐləritjə, koləritjə, koloratuur; Colorific, kɐlərifik, kolərifik, kleurgevend, kleur—.
Colossal, kəlos’l, Colossean, koləsîən, kolossaal, reusachtig.
Colosseum, koləsîəm, Colosseum.
Colossus, kəlosəs, colossus.
Colostrum, kəlostr’m, biestmelk.
Colour, kɐlə, subst. kleur, tint, verf, voorkomen, (valsche) schijn, soort, karakter; — verb. verven, kleuren, tinten, doorrooken, blozen, bedekken, bewimpelen, aanneembaar maken, overdrijven: A man of — = kleurling; State — = regimentsvaandel, waarmede alleen voor den koning wordt gesalueerd; —s = kleuren; vlag, standaard, insigne: In —s = opgeschikt; That is off — = niet de ware kleur; I am all off — = flets, onlekker; de kluts kwijt; The off —ed son of an Indian Civilian; Under — of = onder het voorwendsel van; To change, lose — = van kleur verschieten, bleek worden; To nail the —s to the mast = ten teeken dat men zich niet wil overgeven; volhouden; To serve with the —s = als soldaat dienen; To — a pipe = doorrooken; He —ed to the eyes = bloosde tot over de ooren; —-bearer = vaandeldrager; —-box = verfdoos; In the oil and — line = in oliën en verfwaren; —-man = verfbereider, verfverkooper; —-sergeant = onderofficier-vaandeldrager; —ed = gekleurd (niet wit), zwartbruin; —ing = valsche schijn, kleur(sel); —less; —ist.
Colportage, kolpötidž, ook Fr. uitspr. colportage; Colporte(u)r, kolpötɐ̂, kolpötɐ̂, colporteur.
Colquhoun, kəhûn.
Colstaff, kolstaf, draagstok voor watervat of last.
Colt, koult, subst. veulen (ook fig.): —’s foot = klein hoefblad (de bladeren worden wel gerookt tegen asthma); —’s-tooth = melktand; — verb. dartelen, springen (Amer.); afstraffen met een eind touw; —ish = dartel.
Colter, koultə. Zie Coulter.
Colton, koult’n.
Coluber, koljubə = Colubrid(e), adder; Colubrine, koljubr(a)in, slangachtig, listig.
Columbarium, koləmbêriəm, columbarium.
Columbia, kəlɐmbjə.
Columbine, kol’mb(a)in, subst. akelei; Colombine; violette weerschijn; adj. met de kleur van een duivenhals.
Columbus, kəlɐmbəs.
Column, kol’m, zuil, pilaar, kolom, kolonne (troepen), rij: — of companies = compagniescolonne; — of route = marschcolonne; Columnar = zuilvormig, zuil - -.
Colure, kəljûə, kouljuə, (meest mv.) coluren (sterrek.), snijpunt.
Coma, koumə, slaapziekte, diepe slaap; nevelkring van een komeet; zaadpluisje.
Co-mate, koumeit, subst. kameraad.
Comatose, koumətous, koumətous, door slaap bevangen, slaapzuchtig.
Comb, koum, subst. kam, hekel, wolkam, hanekam, honigraat; — verb. kammen, hekelen, rollen en uiteenspatten (der golven): To cut a person’s — = een toontje lager doen zingen; To — some one’s head (hair) = iemand onder den duim houden; He —ed his hair with his hands = streek met de hand door.
Combat, kombət, kɐmbət, subst. strijd, gevecht: Private, single — = duel; — verb. strijden, worstelen, bestrijden; —able = bestrijdbaar; —ant, subst. (ook: —er) strijder; adj. strijdend, strijdlustig; —ive = strijdlustig; —iveness = strijdlustigheid.
Combe, kûm, koum.
Comber, koumə, hij die kamt, wolkam(mer), lange omkrullende golf.
Combinable, kəmbainəb’l, vereenigbaar.
Combination, kombineiš’n, verbinding, vereeniging, komplot; —s = hemdbroek, = —-garment; —-laws = Eng. arbeidswetten van 1824; —-room = gezelschapszaal (aan de universiteit te Cambridge); Combinative, Combinative = verbindend, verbindings …
Combine, k’mbain, nauw verbinden, (zich) vereenigen, samenvoegen; subst. bond, kongsie.
Combings, koumiŋz, kamharen.
Combustibility, k’mbɐstibiliti, brandbaarheid; Combustible, k’mbɐstib’l, subst. brand(bare) stof; adj. verbrandbaar; driftig, opvliegend; Combustion, k’mbɐstj’n, verbranding: Spontaneous — = zelfverbranding.
Come, kɐm, komen, naderen, aankomen, verschijnen, uitbotten, gebeuren, afloopen: —, that’s satisfactory = komaan, dat is plezierig; —, —, hope for the best = kom, kom, laten we ’t beste er van hopen; —, don’t be a fool; — your ways = allo, kom mee; She was trying to — that dodge = die bedriegerij aan te wenden; Will you — the cruise? = tochtje meemaken; You shall not — your ghosts over me = me niet bang maken met je spoken; To — to hand = in goede orde ontvangen; It has — home to me = is me duidelijk geworden; That stab came home = was raak; That word came home = maakte een diepen indruk; To — to light = aan het licht komen; To — to pass = geschieden; To — short = te kort schieten, falen; That is coming it strong = dat is kras gezegd; To — true = uitkomen, waar blijken; To — undone = losgaan; In time to — = in de toekomst; For a long time to — = het zal nog lang duren; First — best served = die ’t eerst komt, ’t eerst maalt; Lightly —, lightly go = zoo gewonnen, zoo geronnen; He’ll be sixty — next Christmas = a.s. Kerstmis; The time has — about, round = is weer daar; How did it — about? = hoe is het gebeurd? To — across = toevallig aantreffen, stooten op; — along, old man = ga nu mee; To — at = bereiken, raken, te pakken krijgen; She was always coming backward and forward = zij was er, of ze kwam er; The soldiers came by = kwamen voorbij; How did you — by that horse? = kwaamt gij aan? To — down = naar beneden komen, vallen, dalen; He came down very soon = hij bakte heel gauw zoete broodjes; They came down handsomely = zij dokten flink op; To — down (up)on = aanpakken (fig.); — in = kom binnen; I just came in for the last act = ik was nog net op tijd voor het laatste bedrijf; He came in for a good scolding = kreeg een flink standje; We came in for a storm = werden overvallen; Chimney-pot hats have — in again = zijn weer in de mode; To — in = te pas komen; He has — into his own = heeft zijn (erf)deel gekregen; He came off scot-free = hij heeft het er zonder kleerscheuren afgebracht; When will the concert — off? = wanneer zal het concert plaats hebben? The trial will soon — off = beginnen; My hair is coming off = ik groei door mijn haar; The soldiers came off duty = kwamen van de wacht; He came out with his guess prematurely = hij raadde te vroeg; Nothing will — out of it = daar zal niets uit voortkomen; She came out on her 18th birthday = kwam in de wereld; kwam uit; The bankrupt has — out again = heeft zich weer (in de maatschappij) vertoond; It came out as I told you = gebeurde; He came out with his secret = hij verklapte zijn geheim; The truth came out; This —s out clearly = blijkt duidelijk, komt duidelijk aan ’t licht; The book came out = verscheen; He has — out strongly = is kranig voor den dag gekomen; To — over to a party = overgaan bij; To — round = komen aanrijden, vóór komen, etc.; He is sure to — round = hij zal wel bijdraaien; The patient will soon — round again = hersteld zijn, tot bewustzijn komen; You shall not — round me = bepraten, inpalmen; He came to (himself) in no time = kwam dadelijk weer bij (uit flauwte); It —s to the same thing = komt op ’t zelfde neer; When all —s to all = alles bijeengenomen; That has — up of late = dat is in den laatsten tijd gebruik geworden; He struck gold, and came up by leaps and bounds = hij vond goud, en werd zeer spoedig rijk; To — up to = beantwoorden aan; He came up to me = naderde mij; To — up to the scratch = iemand staan, een uitdaging aannemen, toebijten; Two travellers came up with me = haalden mij in; He came upon me very suddenly = hij viel mij plotseling op het lijf; —-at-able = genaak(verkrijg)baar; —-down = val, vernedering; —-off, kɐmof, kɐmof, uitvlucht, tot stand koming; —-outer = bekeerde; radicaal (Amer.); He has found his —-uppance = hij heeft zijn meerdere gevonden, hij heeft zijn man gevonden.
Comedian, kəmîdj’n, tooneelspeler, blijspeldichter; Comedietta, komədjetə, klucht; Comedy, komədi, blijspel.
Comely, kɐmli, bevallig, knap, gepast.
Comer, kɐmə, komende, bezoeker: The first — = de eerst komende, de eerste de beste; New— = nieuweling, vreemdeling.
Comestibles, kəmestib’lz, eetwaren.
Comet, komət, komeet, een kaartspel; Cometary = komeet - -; Cometarium = cometarium.
Comfit(ure), kɐmfit(jə), suikergoed, bonbon. Comfit = confijten.
Comfort, kɐmfət, subst. troost, vertroosting, aanmoediging, bijstand; soort sprei (Amer.); — verb. troosten, kracht geven, opwekken, opbeuren: We are in — = kunnen ons goed redden; To take — = zich troosten, moed scheppen; —able = subst. soort sprei of polsmof (Amer.); adj. (= Comfy) aangenaam, gemak gevend: Now I am —able = nu ben ik (voel ik mij) op mijn gemak; —er = trooster; fopspeen; bouffante; de Heilige Geest (Joh. XIV, 26).
Comfy = Comfortable.
Comic(al), komik(’l), grappig; subst. —ality, —alness.
Coming, kɐmiŋ, toekomstig: —! Sir! = aannemen! mijnheer! — in = binnenkomen; inkomsten; — on = nadering, toeneming.
Comitia, kəmišə, volksvergaderingen; adj. —l.
Comity, komiti, (burgerlijke) beleefdheid, hoffelijkheid: — of nations = internationale hoffelijkheid, waardoor b.v. de wetten van het eene land erkend worden binnen de grenzen van een ander.
Comma, komə, komma: Inverted —s = aanhalingsteekens; —-bacillus.
Command, kəmând, subst. bevel, gebod, macht, gezag, commando; — verb. bevelen, bestellen, bedingen, beheerschen, afdwingen: The Boers of De Wet’s — = commando; — of oneself = zelfbeheersching; I am at your — = ben tot uw dienst; To be in — = het bevel voeren; This hill —s (a view of) the surrounding landscape = deze heuvel bestrijkt (geeft het gezicht op); —ant, kom’ndânt, als titel bij een naam; kom’ndânt = commandant; —eer, kom’ndîə, requireeren in den oorlog (Zuid-Afrika): They —eered the caffres for military service; —er = bevelhebber, zeeofficier met rang tusschen Captain en First Lieutenant; stamper; —er of the Faithful = titel van den Sultan van Turkije; —er-in-chief = opperbevelhebber; —(e)ry = kommandeurschap; —ership = bevelhebberschap; —ment = gebod, bevel; —o: The Transvaal —os.
Commeasurable, kəmežər’b’l = Commensurable.
Commemorate, kəmeməreit, herdenken, vieren; subst. Commemoration; adj. Commemorative.
Commence, kəmens, beginnen, worden, een zeker karakter aannemen; —ment = begin, opkomst, oorsprong; de dag waarop vroeger uitsluitend de promotie tot M. A. of Doctor plaats had te Cambridge.
Commend, kəmend, prijzen, aanbevelen, opdragen, toevertrouwen: For a mild winter, — me to the South of France = voor zacht winterweer moet men het Zuiden van Frankrijk hebben; — me to him = doe mijne groeten aan hem; adj. —able = prijzenswaardig; subst. —ableness = prijzenswaardigheid; —er; Commendam = tijdelijk beheer van een kerkelijk ambt of een leen (in 1863 afgeschaft); Commendation = lof; Commendatory = prijzend, aanbevelings- - (— letter); een prebende in commendam hebbend; subst. tijdelijk beheerder van een opengevallen prebende (= Commendam) = Commendator.
Commensurability, kəmenšurəbiliti, commensurabiliteit; Commensurable = commensurabel: A is — with B = Commensurate, kəmenšureit.
Comment(ary), kom’nt(əri), commentaar; Comment = verklarende aanteekeningen maken bij, kritiek uitoefenen (on); Commentator = uitlegger, verklaarder.
Commerce, koməs, handel, verkeer, omgang; een kaartspel: — Union = tolverbond; — of ideas = gedachtenwisseling.
Commercial, kəmɐ̂š’l, handels …: — college = handelsschool; — education = handelsonderwijs; — relations = handelsbetrekkingen; — room = monsterkamer in een hotel voor handelsreizigers; —-school = handelsschool; — traveller = handelsreiziger.
Commination, komineiš’n: —-service = een deel van de liturgie der Eng. kerk, op Aschwoensdag gelezen, waarbij Gods toorn tegen zondaars wordt uitgesproken; Comminatory = dreigend.
Commingle, kəmiŋg’l, (zich) vermengen.
Comminute, kominjût, tot gruis of poeder maken; inkrimpen; subst. Comminution.
Commiserate, kəmizəreit, beklagen; subst. Commiseration.
Commissariat, komisêriət, subst. de intendance van het leger, de daartoe behoorende officieren; ook adj.: All the — animals had been killed = al het slachtvee (voor het leger) was gedood.
Commissary, komisəri, gemachtigde; officier van het Commissariat: — Court = gerechtshof (van een graafschap) inzake erfenissen; —-general = generaal-intendant.
Commission, kəmiš’n, subst. opdracht, last, lastbrief, commissie(loon); officiers-aanstelling (bij marine of leger): — verb. machtigen, belasten, in commissie bestellen; een commission verleenen: Ships in — = in dienst gestelde schepen; — of (the) peace = aanstelling tot vrederechter; To be put into the — of Peace = benoemd worden tot vrederechter; — of lunacy = commissie van onderzoek naar den toestand der geestvermogens; —-agent = (—-merchant); —al = gevolmachtigd; —ed officer = officier; Non —ed officer = onderofficier; —er = gevolmachtigde, commissaris, lid van een commissie, commissionair = —aire.
Commissure, komišuə, voeg, naad.
Commit, kəmit, toevertrouwen, toewijzen, gevangen nemen, blootstellen, compromitteeren, (zich) verbinden, doen, bedrijven, naar eene commissie verzenden: He rarely —s himself in speaking = hij zegt zelden domme of gekke dingen; I would not — myself to these conclusions without examining the affair myself = ik wou niet instemmen met dergelijke conclusies; He —ted himself to that course = besloot tot die wijze van doen; They stand —ted to that policy = moeten volgen; Parliament has the power of —ting = het recht om wetten enz. in handen eener commissie te stellen, of een bevel tot gevangenneming uit te vaardigen; He —ted these words to memory = leerde van buiten; To — to paper = op papier brengen; —ment = verwijzing, overdracht, inhechtenisneming; —table = te begane; —tal = subst. toewijzing, gevangenneming, bevel daartoe, begaan; adj. I thought of a non-—tal thing to say = ik bedacht mij op iets, dat ik gerust kon zeggen, waardoor ik mij niet bloot gaf; —tee, kəmitî, commissie, comité; —tee, komitî, curator (van een idioot of krankzinnige); —ter = bedrijver, lastgever.
Commode, kəmoud, hoog dameskapsel (van vroeger tijd); latafel; stilletje.
Commodious, kəmoudjəs, geriefelijk; subst. —ness; Commodity, kəmoditi, gerief, gemak, handelsartikel, waar.
Commodore, komədö = Captain of the Fleet = rang tusschen schout-bij-nacht en kapitein ter zee; bevelhebber van een eskader; het voorop zeilend schip van een koopvaardijvloot.
Common, kom’n, subst. gemeenteweide, meente; adj. (al)gemeen, gewoon, gebruikelijk, openbaar, van lagen rang, plat, onrein, gemeenschappelijk, gemeenslachtig (van subst. en werkw.); — verb. gezamenlijke grondrechten hebben; samen eten: We have it in — = gezamenlijk; He is above the — = meer dan gewoon; It is out of the — = buitengewoon, ongewoon; — carrier = vrachtrijder; — divisor = gemeene deeler; — council(man) = gemeenteraad(slid); — crier = stadsomroeper; — gender = van ’t zelfde gramm. geslacht; — hall = raadhuis; aula; — law = gewoonterecht (tegenover het geschreven recht); — noun = gem. zelfst. nmw.; — Pleas = oud gerechtshof; thans opgenomen onder de Queen’s Bench Division van het Hooggerechtshof; Book of — Prayer = ritueel en gebedenboek der Angl. kerk; — sense = gezond verstand: That is a — sense remark = van gezond verstand getuigende; —able = gezamenlijk, gemeenschappelijk; —age = gezamenlijk bezit, gemeenschappelijk recht; —alty = burgerij (wat niet tot den adel behoort); —er = burger; lid van het House of Commons; iemand, die mede recht heeft op gemeenschappelijken grond: Gentleman —er = betalend student, die eerst in later tijd werden toegelaten; —ish = vrij algemeen, alledaagsch; —place, kom’npleis, subst. gewoon onderwerp, gewone uitdrukking, gemeenplaats, memorandum; adj. gewoon, alledaagsch; — verb. in een memorandum of commonplace-book aanteekenen; —s, komənz, het volk; de leden van het Lagerhuis = House of —s; voedsel (aan eene algemeene tafel): His cheeks were hollow; he had been on short —s for four years = hij had het schraal van eten gehad; Doctors’ —s = oud gerechtshof bestaande uit 5 hoven, vervangen door het Probate Court, thans Prob. Division van het Hooggerechtshof; —ty = land, aan twee of meer toebehoorende; gemeenteweide; —weal, kom’nwîl, het algemeen welzijn; —wealth, kom’nwelth, gemeenebest, staatslichaam, statenbond, republiek (in Engeland onder Cromwell: 1649–1660).
Commorance, -cy, komər’ns(i), domicilie; Commorant = wonend.
Commotion, kəmouš’n, beroering, beweging, drukte, tumult.
Communal, komjun’l, kəmjûn’l, communaal; Commune, komjûn, gemeente, commune (Fr.), communie: To hold — (with) = spreken met, raadplegen.
Commune, kəmjûn, komjun, spreken met, raadplegen; deelnemen aan het Avondmaal (Amer.); de communie ontvangen (Kath. kerk).
Communicability, kəmjûnikəbiliti, mededeelbaarheid; Communicable, kəmjûnikəb’l, mededeelbaar; Communicant, kəmjûnikənt, avondmaalsganger, communicant; Communicate, kəmjûnikeit, mededeelen, schenken, openbaren, omgang hebben, in verbinding staan met, deelnemen aan het Avondmaal, communiceeren, ter communie gaan.
Communication, kəmjûnikeiš’n, mededeeling, omgang, communicatie (middel), verbindingsweg: —-cord = noodrem; Evil —s corrupt good manners = kwade samensprekingen bederven goede zeden; Communicative = mededeelzaam; subst. Communicativeness; Communicator = mededeeler, noodlijn; Communion, kəmjûnj’n, verbinding, gemeenschap, omgang; Avondmaal; communie: — cup, table, service = avondmaalsbeker, -tafel, -dienst.
Communism, komjunizm, eigendomsgemeenschap, communisme, socialisme; Communist; adj. Communistic(al).
Community, kəmjûniti, gemeenschap, gemeente(wezen).
Commutability, kəmjûtəbility, vervreemdbaarheid, verwisselbaarheid; adj. Commutable.
Commutation, komjuteiš’n, verwisseling, verandering; abonnement (Amer.); stroomwisseling, aflossing; adj. Commutative; Commutator = stroomwisselaar; Commute, kəmjût, verruilen, ineens betalen in plaats van in termijnen, veranderen, wisselen: The sentence of death was —d into lifelong imprisonment = het doodvonnis werd veranderd in.
Compact, kompakt, verdrag, overeenkomst, verbond; Compact, k’mpakt, adj. aaneengesloten, vast, kort, bondig, bestaand uit (of); — verb. krachtig verbinden, nauw vereenigen, verdichten: A —ly built young fellow = kort en stevig ventje; —ness = beknoptheid, soliditeit, stevigheid.
Companion, k’mpanj’n, subst. gezel, kameraad, makker, compagnon, laagste graad in eene ridderorde, kampanje, kapluik (bij de trap van eene kajuit), koekoek (uitstekend dakvenster); adj. vergezellend; — verb. vergezellen: —-hatch = kap boven de kajuitstrap; —-ladder, —-stairs, —-way = kajuitstrap; —able = gezellig; —less; —ship = gezelschap.
Company, kɐmpəni, subst. gezelschap, maatschappij, gilde, genootschap, compagnie, bemanning: I will bear, keep you — = u gezelschap houden; To be in — with, in the — of = in gezelschap van; Two is —, three is none = twee is gezellig, drie is te veel; He kept — with our servant = had verkeering met onze meid; My friend sees no — = is zéér eenzelvig; She wept for — = schreide mee; — verb. het gezelschap genieten van: I companied with very interesting people.
Comparable, kompərəb’l, vergelijkbaar; Comparative, k’mparətiv, vergelijkend, betrekkelijk; subst. comparatief; A —ly small sum = betrekkelijk geringe som.
Compare, k’mpêə, vergelijken, gelijkstellen, gelijk zijn, in den comparatief zetten; zich laten vergelijken; subst. vergelijking: His eloquence may be —d to a thunderstorm = kan worden vergeleken bij; I cannot — the one statesman with the other = vergelijken met; On our comparing notes, many circumstances tallied with wonderful exactness = toen wij onze bevindingen vergeleken (van gedachten wisselden), kwamen vele omstandigheden merkwaardig juist overeen; You cannot — (You — disadvantageously) with your friend = gij kunt een vergelijking met uw vriend niet doorstaan; Beyond —, past — = onvergelijkelijk.
Comparison, k’mparis’n, vergelijking, trappen van vergelijking: Beyond all —, Out of all —, Without — = onvergelijkelijk; By way of — = vergelijkenderwijze; To bear (stand) — with = de vergelijking doorstaan met.
Compartment, k’mpâtm’nt, afdeeling, coupé, vak.
Compass, kɐmpəs, subst. omtrek, omvang, omweg, ruimte, grens, bestek, bereik, kompas; — verb. omvatten, omringen, bekleeden, verkrijgen, bedenken, beramen, tot stand brengen: We have boxed the — = zijn de rij rond geweest; He fetched a — = hij maakte een omweg, ging niet recht op het doel af; We speak within — in asserting this = wij zeggen niet te veel met dit te beweren; True as a — = echt waar; They — heaven and earth to make one proselyte = doorzoeken hemel en aarde; He —ed his end = bereikte zijn doel; I felt resolved to — revenge = op wraak te peinzen; —-box = kompashuisje; —-card = kompasroos; —-saw = cirkelzaag; —-timber = kromhout; —-window = vooruitspringend boogvenster; —es = passer.
Compassion, k’mpaš’n, subst. medelijden; — verb. beklagen, zich erbarmen; —ate, k’mpašənit, adj. mededoogend, medelijdend; — verb. k’mpašəneit, beklagen, medelijden hebben met.
Compatibility, k’mpatibiliti, vereenigbaarheid, bestaanbaarheid; Compatible, k’mpatib’l, bestaanbaar, passend, vereenigbaar (met with).
Compatriot, k’mpeitriot, k’mpatriot, subst. landgenoot; adj. uit hetzelfde land; subst. —ism.
Compeer, k’mpîə, subst. evenknie, gelijke, makker; — verb. evenaren.
Compel, k’mpel, dwingen, drijven, verplichten: That actor —led tears from his audience = dwong zijn gehoor tranen af; —ler = verzamelaar.
Compend, kompend, —ium, k’mpendj’m, kort begrip, verkorte opgaaf; Compendious = beknopt, bevattelijk; subst. —ness.
Compensate, komp’nseit, k’mpenseit, goed maken, vergoeden, opwegen; Compensation = vergoeding, compensatie, tegenrekening: Workman’s — Act = ongevallenwet; —-balance (pendulum) = compensatieslinger; adj. Compensative = Compensatory; Compensator = compensator.
Compesce, k’mpes, bedwingen, beteugelen.
Compete, k’mpît, wedijveren, strijden om.
Competence, kompitens, Competency, kompitensi, bevoegdheid, welgesteldheid, gepastheid: They led a life of competence = zij konden het goed stellen in de wereld; He has a competency = kan zich goed redden; Competent = bevoegd, toereikend, overeenkomstig.
Competition, kompitiš’n, mededinging, wedijver, concurrentie, kooplust; Competitive, k’mpetitiv, vergelijkend (van een examen b.v.), mededingend; Competitor = mededinger, concurrent; Competitress = Competitrix.
Compilation, kompileiš’n, verzameling.
Compile, k’mpail, samenstellen, samenvoegen, verzamelen; een aantal ‘runs’ maken (cricket); subst. —r.
Complacence, k’mpleis’ns, Complacency, k’mpleis’nsi, welbehagen, voldoening, aangename wijze van optreden, manieren, enz.; beleefdheid; Complacent = behaaglijk, etc.
Complain, k’mplein, subst. klacht; — verb. klagen, morren, aanklagen: He —ed of the boys = klaagde over; To — to = zich beklagen bij; —ant = klager, lijder, eischer; —ing = klagend, onpasselijk; subst. klacht; —t = klacht, aanklacht, kwaal, ongesteldheid.
Complaisance, kompləz’ns, kompləzans, beleefdheid, hoffelijkheid, inschikkelijkheid; adj. Complaisant of Complaisant.
Complement, kompliment, subst. aanvulling, volle getal, volheid, toevoegsel, het bijkomende, complement; — verb. aanvullen: Three meals a day was the Homeric — = de taks, het aantal in de dagen van H.; The — of the squadron = getalsterkte; Complemental, Complementary = aanvullend, complementair.
Complete, k’mplît, adj. volledig, voltooid, af, volkomen; — verb. afmaken, voltooien; subst. —ness; Completion = voltooiing, vervulling; Completive = volkomen makend; Completory, subst. de completen, het deel van het Brevier, dat het officium van den dag afsluit (Kath. Kerk); adj. vervullend, voltooiend.
Complex, kompleks, subst. het geheel; adj. samengesteld, ingewikkeld.
Complexion, k’mplekš’n, gelaatskleur, teint, voorkomen; temperament, lichaamsgesteldheid.
Complexity, k’mpleksiti, samengesteldheid, ingewikkeldheid.
Compliance, k’mplaiəns, toegeving, toestemming, onderwerping: In — with = overeenkomstig; Compliant, toegevend, inschikkelijk.
Complicate, komplikeit, adj. ingewikkeld; — verb. verwikkelen, verwarren; Complication = verwikkeling, complicatie (Med.).
Complicity, k’mplisiti, medeplichtigheid.
Compliment, kompliment, subst. plichtpleging, lof, vleierij: —s of the season = Nieuwjaarswenschen; (Make) my best —s to = mijne hartelijke groeten aan; With the author’s —s = van den schrijver.
Compliment, kompliment, verb. complimenteeren, gelukwenschen, complimenten maken; —al = beleefd, beleefdheids … = —ary (op boeken) = presentexemplaar.
Complin(e), komplin = Completory, de completen (Kath. kerk): To go to —s.
Comply, k’mplai, voldoen, toegeven aan, toestemmen: I complied with his wishes = voldeed aan; —ing = Complaisant.
Compo, kompou, compositie; mengsel, enz.; het woord is kort voor Composition.
Component, k’mpoun’nt, subst. en adj. samenstellend (deel).
Comport, k’mpöt, overeenkomen, overeenstemmen, zich gedragen; subst. compôte, kompət: She —ed herself with much gravity; The hangings do not — with the furniture = het behangsel past niet bij het ameublement; —ment = gedrag, houding.
Compose, k’mpouz, samenstellen, samenvoegen; bevredigen, tot bedaren brengen, in orde brengen, voorbereiden; zetten (drukkerij), componeeren, dichten, ontwerpen: What was it —d of? = waaruit bestond het?; —d = kalm; rustig; subst. —dness; —r = componist; Composing draught = kalmeerende drank; Composing-frame (-room, -machine, -stick) = zettersraam, etc. zethaak.
Composite, kompəzit, samengesteld, compositie - - (i.e. hout en ijzer); subst. samenstelling, mengsel; — candle = stearinekaars; — carriage = spoorwegrijtuig met verschillende klassen; — number = deelbaar getal; Composition, kompəziš’n, samenstelling, mengsel, geaardheid, opstel, arbeid, werk, schikking, verdrag, afkooping, bevrediging, het aangenomen bedrag, het letterzetten: A — of a shilling in the pound = een accoord van vijf percent; He has no fear in his — = kent geen vrees; Compositor = letterzetter.
Compost, kompo(u)st, subst. mengmest; pleisterkalk, gemengd nieuws; — verb. mesten; bepleisteren.
Composure, k’mpoužə, kalmte, bedaardheid, bezadigdheid: He upset my — = hij bracht mij van mijn stuk.
Compote, kompout, compôte.
Compound, kompaund, subst. samenstelling, mengsel, massa; samengesteld woord; erf, kampong; adj. samengesteld, gecompliceerd: — fracture = dubbele breuk; — interest = interest op interest; — leaf = sameng. blad; — system = stelsel om mijnwerkers in eene afgesloten ruimte te houden.
Compound, k’mpaund, samenstellen, vermengen, vereenigen, bereiden, delgen, schikken, accordeeren: The matter was —ed for = geschikt; He —ed for his escape = maakte een accoord; He —ed the felony = hij trok de aanklacht in na schadeloosstelling; We —ed some hot stuff = bereidden wat warmen drank; —able = aflosbaar, etc; —er = menger, bereider; hij, die een accoord aangaat.
Comprador, komprədö, Chineesch handelsagent voor Europ. handelshuis.
Comprehend, komprihend, omvatten, insluiten; begrijpen; Comprehensibility = begrijpelijkheid; Comprehensible = duidelijk, begrijpelijk; Comprehension = bevatting, begrip; omvang; Comprehensive = veelomvattend, uitgebreid, groot; bondig: subst. —ness.
Compress, kompres, compres, doek.
Compress, k’mpres, samendrukken, verdichten; Compressibility = samendrukbaarheid; Compressible = samendrukbaar; —ion = samendrukking, bondigheid, beknoptheid; —ive = samendrukkend; —or = drukverband, soort machine, kettingstopper.
Comprise, k’mpraiz, bevatten, insluiten.
Compromise, komprəmaiz, subst. minnelijke schikking, overeenkomst; tusschending; — verb. schikken, bijleggen; compromitteeren, op ’t spel zetten: A life of — = van geven en nemen; I will so far — the matter as to accompany you thither = ik zal er mij dan toe laten vinden er met u heen te gaan; To — one’s principles = het met zijne beginselen op een accoordje gooien; Let us — opinions = laten wij het zien eens te worden.
Compromit, komprəmit, in gevaar stellen, compromitteeren.
Comptant, kaunt’nt, contant geld.
Comptoir, koŋtwö, kantoor, toonbank.
Comptroller, k’ntroulə. Zie Controller.
Compulsion, k’mpɐlš’n, dwang: On (By) — = gedwongen; Compulsory = dwingend, gedwongen, dwang - -: — attendance = verplicht schoolbezoek; — military service.
Compunction, k’mpɐŋkš’n, wroeging, gewetensknaging; Compunctious = berouwhebbend.
Compurgation, kompɐ̂geiš’n, vrijspraak van een beschuldigde op de beëedigde verklaring van 12 personen; Compurgator of kəmpɐ̂gətə = iemand die zoo’n verklaring aflegt.
Computable, kəmpjûtəb’l, kompjutəb’l, berekenbaar; Computation = rekenen, berekening, omslag; Compute = (be)rekenen, omslaan, overwegen.
Comrade, komreid, kameraad, “burger”; —ship.
Con, kon, subst. het tegen: Pro and — = het vóór en tegen.
Con, kon, zorgvuldig nagaan, van buiten leeren; een schip sturen door aanwijzingen van den roerganger: He —ned over his lessons = leerde zijne lessen van buiten; He —ned thanks = betuigde zijn dank.
Concatenate, kənkatəneit, aaneenschakelen; subst. Concatenation.
Concave, konkeiv, subst. holte, (hemel), gewelf; adj. hol, concaaf; — verb. uithollen; Concavity, kənkaviti, holheid; Concavo-concave = hol aan de beide oppervlakten; Concavo-convex = hol aan de eene, bol aan de andere zijde.
Conceal, k’nsîl, verbergen, geheim houden, wegstoppen, vermommen; —able = wat verborgen kan worden; A —ed royalist = verkapte; —er = verberger, heler; —ment = geheimhouding: Place of — = schuilhoek.
Concede, k’nsîd, toegeven, opgeven, toestaan, toestemmen: To — attention to = schenken.
Conceit, k’nsît, subst. bevatting, begrip, meening, valsche waan, verwaandheid; eigenaardige, grillige opvatting of denkbeeld, spitsvondige geestigheid; — verb. opvatten, zich verbeelden: He was a little out of — with her = hij mocht haar niet meer zoo graag; A man of a quick — = vlugge bevatting; A —ed fellow = verwaande vent; —edness = inbeelding, geaffecteerdheid.
Conceivable, kənsîvəb’l, denkbaar, begrijpelijk; Conceive, k’nsîv, een denkbeeld vormen, denken, zich voorstellen, begrijpen, bevatten, opvatten, zwanger worden, ontvangen.
Concentrate, kons’ntreit, kənsentreit, in een punt vereenigen, concentreeren, samentrekken op; subst. Concentration; Concentrative = geneigd of dienend tot concentratie; Concentrativeness.
Concentre, k’nsentə, in een middelpunt samenkomen (samenbrengen); Concentric = Concentrical = concentrisch; subst. Concentricity = de eigenschap van of geschiktheid tot concentreeren.
Concept, konsept, begrip; Conceptual: — incongruities = begripsverwarringen, inconsequenties; Conception = voorstelling, begrip, opvatting, gedachte, ontwerp; ontvangenis.
Concern, k’nsɐ̂n, subst. zaak, onderneming, ding; belang, bezorgdheid, angst; — verb. betreffen, aangaan; ontstellen, bezorgd maken: A manufacturing — = fabriekszaak; I have no — with it = niets mee te maken; That is no — of any one’s = dat gaat geen mensch wat aan; I do not care for the whole — = ik geef niets om het heele spul: Common —s = alledaagsche zaken; Forget such worldly —s now = wereldsche zaken; I am —ed for your welfare = stel belang in (maar maak mij ongerust over); He was greatly —ed for the loss, his friend had suffered = hij had erg te doen met; To be —ed in a plot = betrokken bij; I am not —ed with his opinions = - - - gaan mij niet aan; So far as I am —ed = wat mij aangaat; —ing = betreffende; —ment = zaak: He has no —ment for it = hij bekommert er zich niet om.
Concert, konsət, overeenstemming, harmonie, concert: The European —; They acted by — = één van zin; I have acted in — with your wishes = overeenkomstig uwe; —-hall; —ize = concerten geven.
Concert, k’nsɐ̂t, samenwerken, afspreken, een plan maken, meerstemmig arrangeeren: The —ed works were Beethoven’s Seventh Symphony and Schumann’s Quartet in A minor = de uitgevoerde, ten gehoore gebrachte stukken.
Concertante, kontšɐ̂tanti, concertstuk voor solo-instrumenten; Concertina, konsɐ̂tînə, concertina (soort v. harmonica); Concerto = concertstuk (voor solo met begeleiding).
Concession, k’nseš’n, vergunning, concessie; Concession(n)aire, Fr. uitspraak, Concessionary, k’nseš’nəri. Concessioner (Amer.), concessionaris; Concessive = vergunnend, concessief.
Conch, koŋk, zeeschelp; —a, koŋkə, oorschelp; gewelf van een halfkoepel of nis; —ifera, koŋkifərə, schelpdieren met twee schelpen; —iferous, koŋkifərɐs, schelpen voortbrengend of bevattend; —ology, koŋkolədži, kennis van schelpen en hare bewoners.
Conciliar, k’nsiljə, Concilium - - -.
Conciliate, k’nsiljeit, verzoenen, bevredigen, (voor zich) innemen: A conciliating person = innémend mensch; Conciliation = verzoening, etc.; Conciliative, Conciliatory = verzoenend; Conciliator = bemiddelaar.
Concise, k’nsais, beknopt, zaakrijk; subst. —ness.
Concision, k’nsiž’n, besnijdenis; beknoptheid.
Conclave, konkleiv, (geheime) kardinaalsvergadering; de vergaderde kardinalen, hunne vergaderzalen, geheime zitting.
Conclude, k’nklûd, besluiten, beslissen, bepalen, opmaken uit, ten einde brengen, vaststellen, eindigen, sluiten: To — alliances (peace) = sluiten; I — from your words to his guilt = ik maak uit uwe woorden op, dat hij schuldig is; To be —d = slot volgt; Conclusion, k’nklûž’n, besluit, einde, afloop, gevolgtrekking: I will try —s with him = mij met hem meten; Conclusive, k’nklûsiv, afdoende, beslissend: — evidence = afdoend bewijs; subst. Conclusiveness.
Concoct, k’nkokt, samenkoken, bereiden, zuiveren, overlèggen, smeden, beramen, verteren; —ion = bereiding, overleg; beraming; —er = bewerker.
Concomitance, k’nkomit’ns, Concomitancy, co-existentie: In — with = tegelijk met.
Concomitant, k’nkomit’nt, subst. het begeleidende of bijkomende; adj. vergezellend, bijkomend.
Concord, koŋköd, eendracht, overeenstemming, harmonie; —ance, k’nköd’ns, overeenstemming, index, concordans; —ancy = overeenstemming; —ant = overeenstemmend; —at, k’nködat, overeenkomst, concordaat.
Concourse, kon(g)kös, toeloop, samenloop, menigte, vergadering.
Concrete, koŋkrît, kənkrît, subst. concreet begrip; beton; adj. compact, concreet, uit beton bestaande: The floor is — = de vloer is van beton; —-steel = Ferro— = gewapend beton.
Concrete, k’nkrît, een compacte massa vormen (daartoe vereenigen), kristalliseeren, met beton bouwen; —ness = concreetheid, geronnen of bevroren zijn, verdikking; Concretion = vastworden, vaste massa, verharding; Concretionary = door concretion ontstaan.
Concubine, koŋkjubain, bijzit; Concubinage, k’nkjûbinidž, concubinaat.
Concupiscence, kənkjûpisens, wellust, zondige begeerte, ontucht; adj. Concupiscent = Concupiscible.
Concur, k’nkɐ̂, samenkomen, samenvallen, overeenkomen, overeenstemmen, bijdragen tot, medewerken: I — in this opinion, wish = ben het daarmede eens; To — with the views of an author; —rence, k’nkɐr’ns, Concurrency, k’nkɐr’nsi, samenvallen, overeenkomst, vereeniging, goedkeuring, medewerking: Their entire —rence with our plan; We acted in —rency = wij traden gemeenschappelijk op; —rent, k’nkɐr’nt, subst. bijkomende omstandigheid, medewerker, mededinger; adj. samenwerkend, mededingend, gelijktijdig; subst. —rentness.
Concuss, k’nkɐs, schokken, dwingen (into); —ion = schok, botsing; afdreiging: —ion of the brain = hersenschudding; Concussive = schokkend.
Cond, kond, van eene hoogte de richting aanwijzen, waarin een schuit gestuurd moet worden, met ’t oog op een naderende school visschen; —er, kondə, de persoon, die zulks doet.
Condemn, k’ndem, veroordeelen, afkeuren, berispen, onbewoonbaar of ongeschikt verklaren, verbeurd verklaren, dicht spijkeren: Ship and cargo were —ed = verbeurd verklaard; —ed cells, —ed sermon = cellen, preek voor ter dood veroordeelden; —ed dwelling = onbewoonbaar verklaarde; —able, k’ndemnəb’l, verwerpelijk, strafbaar; Condemnation = veroordeeling, verwerping, afkeuring; Condemnatory = veroordeelend, etc.
Condensability, k’ndensəbiliti, verdichtbaarheid; Condensable, k’ndensəb’l, verdichtbaar; Condensation, kondənseiš’n, condensatie, bekorting; Condense, k’ndens, verdikken, bekorten, condenseeren; zich condenseeren; Condenser, k’ndensə, condensor.
Condescend, kondəsend, zich verwaardigen, zich inlaten met, zich vernederen: He did not — to answer (on an answer) = verwaardigde zich niet; Condescending = minzaam, nederbuigend; Condescension: His — struck us all very favourably = zijne minzaamheid deed ons allen aangenaam aan.
Condign, k’ndain, verdiend: — punishment.
Condiment, kondiment, kruiderij.
Condite, k’ndait, inleggen, konfijten.
Condition, k’ndiš’n, subst. toestand, rang, eigenschap, voorwaarde, bepaling; — verb. bepalen, voorwaarden maken, bedingen, in goeden (gezondheids)toestand brengen en houden, keuren: I am not in a — to feast with you = in de stemming, met u feest te vieren; Our horses take months to — in South Africa = om aan ’t klimaat te gewennen; She felt herself growing quiet and —ed again = gezond, flink; —al, subst. voorwaardelijke wijs, beperking; adj. voorwaardelijk; —ality = ’t afhankelijk zijn.
Condolatory, k’ndoulətəri, condoleantie…; Condole, k’ndoul, medetreuren, betreuren: He —d his own misery = hij had medelijden met zichzelf; I — with you on the loss you have suffered = ik condoleer u met; Condolence, k’ndoul’ns: A visit of —; —r = hij die condoleert.
Condonation, kondəneiš’n, vergiffenis, goedvinding, het over het hoofd zien; Condone, k’ndoun, vergeven.
Condor, kondö, Z.-Amer. gier.
Condottiere, köndotjêə, Ital. vrijbuiter of soldaat.
Conduce, k’ndjûs, leiden, strekken, bijdragen tot; Conducive, dienstbaar, strekkend tot: May your measures be — to that noble end! = mogen .… dienstbaar zijn aan … doel; subst. Conduciveness.
Conduct, kondəkt, gedrag, leiding, houding, geleide: Safe — = vrijgeleide; —-roll = conduitelijst (van ambtenaren en officieren).
Conduct, k’ndɐkt, leiden, aanvoeren, voeren, vergezellen, richten, besturen, geleiden, gedragen: Who —s your correspondence? = voert; —ed: A well —ed boy = fatsoenlijke; Conductibility = geleidbaarheid; Conductible = geleidend; —ing wire = geleiddraad; —ion = geleiding; —ive = geleidend; Conductivity = Conductibility; —or = leider, gids, bevelhebber, kapelmeester, muziekdirecteur, conducteur (van omnibus of tram), bliksemafleider; —-money = reisgeld voor getuigen; —ress = geleidster.
Conduit, kondit, kɐndit, waterleiding, kanaal; —-pipe = buis.
Conduplicate, kondjûplikit, adj. dubbel gevouwen; — verb. (kondjûplikeit), dubbel vouwen; subst. Conduplication.
Condyl(e), kondil, knokkel.
Cone, koun, kegel, denappel: — of sugar = suikerbrood; —-shaped = kegelvormig.
Confab(ulation), kənfab (konfab), kənfabjuleiš’n, gemeenzaam gesprek; Confabulate, Confab of Confab = keuvelen.
Confect, konfekt, bonbon.
Confect, k’nfekt, inmaken, maken; —ion, subst. suikergoed, het maken daarvan; confectie (kleeren); — verb. suikergoed maken; kleederen maken: She is kind enough to —ion for the poor; —ioner = suikerbakker; —ionery = suikerbakkerij; suikergoed, bonbons; kroeg (Amer.).
Confederacy, k’nfedərəsi, verbond, complot; de verbondenen; Confederate, k’nfedərit, subst. bondgenoot; adj. verbonden; — verb. (k’nfedereit), verbinden, een verbond aangaan; Germanic Confederation = de Duitsche Bond (van 1815–66).
Confer, k’nfɐ̂, te rade gaan, beraadslagen; verleenen, overdragen, vergelijken; —ee, konfərî, lid van een conferentie (Amer.); —ence, konfərens, beraadslaging, bijeenkomst, onderhandeling, overdracht, verleening; —rable = overdraagbaar; —rer.
Confess, k’nfes, erkennen, bekennen, toegeven, belijden, biechten: The priest —ed him = nam hem de biecht af; I — to a weakness in his favour = ik beken, dat ik een zwak voor hem heb; She stood —ed, A maid in all her charms (Goldsmith) = bleek te zijn, ontpopte zich als; A —ed culprit = erkend; —edly = openbaar; Confession = bekentenis, erkenning, biecht: The Augsburg — of faith = geloofsbelijdenis; She went to — = ging biechten; —ional = confessioneel; subst. biechtstoel; —ionary, adj. biecht..; —or = biechtvader, belijder.
Confidant(e), konfidant, mann. of vr. vertrouweling, boezemvriend.
Confide, k’nfaid, verb. vertrouwen, toevertrouwen: I will — my experiences in the public ear = aan het publiek toevertrouwen; Confidence = vertrouwen, zelfvertrouwen, driestheid, vertrouwelijke mededeeling: To have (place, put) — in; I took him into —; — men = soort kwartjesvinders, die de — trick toepassen door het slachtoffer over te halen om als token of — zijn kostbaarheden etc. aan hen in bewaring te geven; Confident = vertrouwend, zeker, driest: I am —nt that it is true = overtuigd; Confidential = vertrouwd, vertrouwelijk, geheim: —ntial clerk = procuratiehouder; —ntial position = post van vertrouwen.
Configuration, kənfigjureiš’n, uiterlijke gedaante; Configure, kənfig(j)ə, groepeeren.
Confinable, kənfainəb’l, begrenzend, begrensbaar; Confine, konfain, subst. grens, rand, uiterste.
Confine, k’nfain, begrenzen, opsluiten, beperken, bepalen tot: He is —d to his bed = hij moet het bed houden; To be —d (of) = bevallen (van); —dness, begrensdheid; —ment = opsluiting; bevalling: Solitary — = eenzame opsluiting.
Confirm, k’nfɐ̂m, bevestigen, versterken, bekrachtigen; als lidmaat aannemen, vormen: He is a —ed bachelor = verstokte oude vrijer; —ation = bevestiging; H. vormsel: —ation classes = catechisaties; —ative = —atory = bevestigend, bekrachtigend.
Confiscable, kənfiskəb’l, confisqueerbaar; Confiscate, konfiskeit, kənfiskeit, adj. verbeurd (verklaard); — verb. verbeuren, verbeurd verklaren; subst. Confiscation; Confiscator of Confiscator = verbeurd verklaarder; Confiscatory = verbeurd verklarend.
Confiture, konfitjə, bonbon, suikergoed.
Confix, kənfiks, goed bevestigen.
Conflagration, konfləgreš’n, groote brand.
Conflict, konflikt, botsing, strijd, worsteling.
Conflict, k’nflikt, botsen, strijden, worstelen, in tegenspraak zijn met (with); —ing = tegenstrijdig.
Confluence, konfluens, samenvloeiing, vereeniging, toeloop; Confluent, subst. zijrivier, bijstroom; adj. samenvloeiend; Conflux = Confluence.
Conform, k’nföm, adj. overeenkomstig; — verb. van gelijken vorm maken, passend maken, (zich) schikken of voegen naar, overeenstemmen; zich aan de Staatskerk onderwerpen: You must — yourself to our customs = u schikken naar; —able = overeenkomstig, meegaand: That is not — to the facts = overeenkomstig; Conformation = vorm(ing), bouw, overeenstemming; —ist = lid van de Anglikaansche kerk; —ity = gelijkheid, overeenkomst, overeenstemming (ook: met den ritus der Anglik. kerk): In —ity with; They acted in —ity = dienovereenkomstig.
Confound, k’nfaund, verwarren, dooreenwarren, vernietigen, verbazen, bedremmelen, beschaamd maken: — it! = wat drommel; —ed = verward, verbaasd; verfoeilijk, vervloekt, duivelsch.
Confraternity, konfrətɐ̂niti, broederschap.
Confront, k’nfrɐnt, tegenover staan of plaatsen, het hoofd bieden, confronteeren: I have —ed them together = hen tegenover elkander geplaatst; I —ed him with his guilt = hield hem zijne schuld voor; subst. Confrontation.
Confucius, k’nfjûšiəs, Confusius.
Confuse, k’nfjûz, verwarren, beschaamd of verlegen doen staan, verbijsteren; Confusion = verwarring, verlegenheid, warboel, herrie, onduidelijkheid, ondergang: —! = verduiveld! It was — worse confounded = het was eene onbeschrijfelijke verwarring.
Confutable, k’nfjûtəb’l, weerlegbaar; Confutation = weerlegging; Confute, k’nfjût, weerleggen, verijdelen.
Congeal, k’ndžîl, doen stollen of stremmen; —able = bevriesbaar; —ment = Congelation.
Congee, konži, kɐnžî, subst. ontslag, afscheid; rijstwater (Indië). Zie Conjee.
Congelation, konžileiš’n, bevriezing, stremming.
Congener, konžənə, verwant, gelijksoortig iets; adj. verwant, gelijksoortig = —ous, k’nženərɐs.
Congenial, k’ndžînj’l, verwant, in geest en aard overeenstemmend, sympathiek; subst. Congeniality.
Congenital, k’ndženit’l, aangeboren, natuurlijk.
Conger, koŋgə, zeepaling (-aal); —-eel = (In Calif.) een soort lamprei.
Congeries, k’ndžîriiz, samenhooping, verzameling.
Congest, k’ndžest, ophoopen (van bloed, b.v.); —ion = ophooping (van bloed), congestie: — of the brain.
Conglobate, kongləbeit, kəngloubeit, Conglomerate, k’ngloməreit; adj. bolrond; subst. conglomeraat; — verb. tot een bal of bol verzamelen; Conglomeration = conglomeraat.
Conglutinate, kənglûtineit, samenlijmen, samenkleven, verbinden; subst. Conglutination.
Congo, koŋgou, Congo; ook = Congou.
Congou, koŋgû, zwarte thee.
Congratulate, k’ngratjuleit, gelukwenschen, zich verheugen met (on): Congratulation = gelukwensch; Congratulator = gelukwenscher; Congratulatory = felicitatie - -: — letters.
Congregate, koŋgrigeit, verzamelen, samenkomen; Congregation = vergadering, (kerkelijke) gemeente, broederschap; Congregational = een gemeente der Independenten betreffend; Congregationalism = kerkel. zelf bestuur of leer der Independenten; Congregationalist = lid dier gemeenten.
Congress, koŋgres, vergadering, congres; —-man = lid van het congres (Amer.); Congressional, Congres - -.
Congreve, koŋgrîv: — impression = Congrevische druk; — match = lucifer; — rocket = Congrevische vuurpijl.
Congruence, koŋgruens, Congruency, koŋgruensi, Congruity, k’ŋgrûiti, overeenstemming, gepastheid, congruentie; Congruent (with), Congruous (to, with) = overeenstemmend, samenpassend.
Conic, konik, kegelvormig, kegel - -; subst. kegelsnede = —-section = kegelsnede; —s = leer van de kegelsneden; Conical = Conic (adj.); subst. Conicalness = kegelvorm.
Conifer, kounifə = conifeer (den, etc.); Coniferous = kegelvormige vrucht dragend: — tree = Conifer.
Conjectural, k’ndžektšurəl, vermoedelijk; Conjecture, k’ndžektšə, subst. gissing, onderstelling, conjectuur; — verb. gissen.
Conjee, kondžî, rijstwater.
Conjoin, k’ndžôin, samenvoegen, (zich) vereenigen: This, —ed with his silence = in verband met zijn stilzwijgen; —t = vereenigd, mede - -; subst. Conjointness.
Conjugal, kondžug’l, echtelijk; — knot = huwelijksband.
Conjugate, kondžugit, subst. woord van denzelfden oorsprong als een ander; adj. in paren vereenigd; — verb. (kondžugeit), vervoegen; Conjugation = verbinding, vervoeging; adj. Conjugational: — system.
Conjunct, k’ndžɐŋkt, vereenigd, verbonden; —ion = vereeniging, verbond, voegwoord, conjunctie; —ive = subst. aanvoegende wijs; adj. nauw verbonden, vereenigd, verbindings …; —ly = vereenigd, gezamenlijk; —ure, k’ndžɐŋktjə, vereeniging, samenloop (van omstandigheden), crisis: —ion (—ure) of circumstances.
Conjuration, kondžureiš’n, bezwering, tooverformule.
Conjure, k’ndžûə, bezweren, verzekeren, onder eede bevestigen.
Conjure, kɐndžə, tooveren, heksen, betooveren: To — up = bezweren, oproepen; You are no —r = gij hebt ook het buskruit niet uitgevonden; I have not got a —r’s cap = ik ben (daarin) geen heksenmeester; —r = goochelaar; Conjuring-trick = goocheltoer.
Connate, koneit, kəneit, aangeboren, verwant, samengegroeid.
Connatural, kənatšərəl, nauw verwant, aangeboren (to).
Connaught, konôt.
Connect, kənekt, verbinden, vereenigen, (zich) aansluiten, in verbinding staan: In a —ed form = vereenigd, saamgevoegd; —ed by marriage = geparenteerd; To be aristocratically —ed = van aristocratische familie zijn; —ing-rod = drijf-, koppelstang; —ion, kənekš’n, verband, verbinding, (bloed)verwantschap, bloedverwant, connectie, aansluiting (van spoorwegen), vereeniging, aantal klanten of clienten: In this —ion = in verband hiermede; I bought a —ion in that part of London = ik nam (voor geld) de practijk van een dokter (met diens patienten) over; —ions = handelsbetrekkingen; —ive = verbindingswoord; adj.: — tissue = bindweefsel.
Connecticut, kənetikɐt.
Connexion, kənekš’n = Connection.
Connivance, kənaivəns = Connivence = oogluikende toelating; Connive, kənaiv, oogluikend toelaten, opzettelijk door de vingers zien (met at); —r = hij, die toelaat.
Connoisseur, konišûə, konisɐ̂, (kunst)kenner; —ship = —schap.
Connotation, konəteiš’n, (bij)beteekenis, kenteeken; Connotative of Connotative, ook beteekenend, bijbeteekenissen hebbend; Connote, kənout, tegelijk beteekenen.
Connubial, kənjûbj’l, huwelijks …, gehuwd: — bliss = huwelijksgeluk; Connubiality = echtelijke staat; Connubialities = echtelijke liefkoozingen.
Conoid, kounôid, conoïde; adj. kegelvormig.
Conquer, koŋkə, veroveren, onderwerpen, overwinnen; —able = overwinnelijk; —or: The —or = Willem de Veroveraar; Conquest, koŋkwəst, verovering, onderwerping, overwinning.
Conrad, konrad; Conrade, konreid.
Consanguineous, konsangwinjəs, verwant in den bloede; Consanguinity = bloedverwantschap.
Conscience, konš’ns, geweten: In — = redelijkerwijs; In all — = voorzeker; — clause (= Cowper-Temple clause) = bepaling in de Education Act (1870), dat ouders hun kinderen kunnen vrijstellen van het godsdienstonderwijs in de Elementary Schools; —-keeper = iemand die als ons ‘uitwendig’ geweten fungeert; zielverzorger; — money = vrijwillig gezonden bedrag als men te weinig belasting heeft betaald; —-proof = verhard; —-smitten (—-stricken) = gekweld door; Conscientious, konšienšəs, nauwgezet, gewetens - -: subst. —ness; Conscionable, konšənəb’l, redelijk, billijk; Conscious, konšəs, bewust, gewaar, schuldbewust, zelfbewust: I am not — of any guilt = ik ben mij niet bewust van; subst. —ness.
Conscript, konskript, subst. iemand, die aangeloot is voor den krijgsdienst; adj. op de dienstrol geplaatst: — fathers = senatoren (van Rome), raadsleden; —ion = verplichte krijgsdienst.
Consecrate, konsəkrit, adj. geheiligd, gewijd; — verb. konsəkreit, heiligen, wijden, inwijden, consacreeren; Consecration = wijding, inzegening; Consecrator = inwijder; Consecratory = heiligend, wijdend.
Consecution, konsikjûš’n, opvolging, reeks, gevolgtrekking; Consecutive, k’nsekjutiv, geregeld, opvolgend, volgend; —ness = ’t op elkaar volgen.
Consensual, k’nsenšuəl, reflex - -; Consensus, k’nsensəs, overeenkomst, -stemming, sympathie.
Consent, k’nsent, subst. overeenstemming, berusting, toestemming; — verb. instemmen, berusten, toegeven: Silence gives — = die zwijgt stemt toe; By (with) one, By common — = éénstemmig; The age of — = 14 jar. leeftijd in Engel.; —aneity, konsentənîiti, onderlinge overeenkomst; —aneous, konsenteinjəs, overeenstemmend, gelijktijdig; subst. —aneousness; —ient, k’nsenšiənt, eenstemmig.
Consequence, konsikwens, gevolg, uitwerking, gewicht: In (By) — of = ten gevolge van, dientengevolge; That is of no — = van geen belang; He gave a bottle to keep up his — = hij schonk eene flesch voor zijn fatsoen; A man of — = van invloed; To play —s = protocollen maken; Consequent = daaruit volgend, consequent; subst. gevolg; Consequential = consequent, gewichtig doende.
Conservancy, k’nsɐ̂v’nsi, behoud, bewaring: Thames Court of — = College ter bescherming van en toezicht op de visscherij en de scheepvaart op de Theems onder presidium van den Lord Mayor.
Conservation, konsəveiš’n, behoud: — of force, energy = behoud van arbeidsvermogen; Conservatism = conservatisme; Conservative = subst. behoudsman; adj. behoudend, behoedzaam.
Conservatoire, konsɐ̂vətwö, muziekschool.
Conservator, konsəveitə, konsəveitə, bewaarder, conservator; Conservatrix, k’nsɐ̂vətriks.
Conservatory, k’nsɐ̂vətəri, broeikas, serre; muziekacademie (Amer.); adj. conserveerend, conservatief.
Conserve, konsɐ̂v, conserf.
Conserve, k’nsɐ̂v, conserveeren, goed houden; —r = inmaker.
Consider, k’nsidə, overwegen, beschouwen, waarnemen, bedenken, beloonen: — the end = let op; He put on his —ing-cap = hij begon te overleggen; Considerable = aanzienlijk, gewichtig; subst. —ness; Considerate = attent, zorgvuldig, kiesch, omzichtig; subst. —ness; Consideration, k’nsidəreiš’n, overweging, aanzien, onderscheiding, achting, beweeggrond, invloed, vergoeding, premie, valuta, welwillendheid: He sold the picture for a — = voor iets meer dan den kostenden prijs; In — of = ter vergoeding van, met het oog op; Out of — for your interests = met het oog op; That is a — to me = een heele som voor mij; He extended his — to me = behandelde mij met consideratie; To take into — = in aanmerking nemen; Considerative = beschouwend, peinzend; Considering = in aanmerking nemende, lettende op, wat betreft.
Consign, k’nsain, overdragen, toevertrouwen, overmaken, consigneeren, toewijzen, onderwerpen: —ed to happiness, to fetters = gewijd aan, verwezen tot; Consignation, konsigneiš’n, endossement, deponeering, consignatie; Consignee, konsainî, factor; geconsigneerde, geadresseerde; Consigner, k’nsainə, consigneerder, vervrachter = Consignor, k’nsainə, konsinô; Consignment, k’nsainm’nt, consignatie; geconsigneerde artikelen.
Consist, k’nsist, bestaan, voortbestaan, bestaanbaar zijn met: Happiness —s in contentment = het geluk is gegrond in de tevredenheid; What does it — of? = waaruit bestaat het? Such things cannot — together = zijn niet met elkander bestaanbaar; —ence = samenstelling, dichtheid; —ency = overeenstemming, volharding, consequentie: His idol was —ency = consequentie; —ent, adj. vast, consequent, zich-gelijk-blijvend.
Consistory, konsistəri, kənsistəri, vergadering, consistorie, kerkeraad.
Consolable, k’nsouləb’l, troostbaar; Consolate = To console; Consolation = troost; Consolatory = troostend, troost …
Console, k’nsoul, troosten, bemoedigen, tot berusting aansporen: I hope she will be —d = dat zij zich zal schikken in haar lot; —r = trooster.
Console, konsoul, console; —-table = consoletafeltje.
Consolidate, k’nsolideit, tot eene vaste en krachtige massa vereenigen, samentrekken, consolideeren; —d fund = de gezamenlijke staatsinkomsten van Engeland en Ierland; —d Stocks = Consols = werkelijke schuld; Consolidation = verdichten, vast worden, combinatie.
Consols, kənsolz, konsolz, Engelsche staatspapieren (Werkelijke Schuld).
Consonance, —cy, konsən’ns(i), overeenstemming, harmonie; Consonant = subst. medeklinker; adj. gelijkluidend; overeenstemmend; Consonantal = medeklinker …
Consort, konsöt, gemaal, makker: Prince — = Prins Gemaal.
Consort, k’nsöt, omgaan met (with), overeenstemmen, passen bij, vergezellen, escorteeren.
Conspectus, kənspektəs, overzicht, synopsis.
Conspicuous, k’nspikjuəs, duidelijk zichtbaar, buitengewoon, opzichtig: To be — by one’s absence = schitteren door afwezigheid; He made (rendered) himself — = maakte, dat de aandacht op hem viel; subst. —ness.
Conspiracy, k’nspirəsi, samenzwering, complot; Conspirator, k’nspirətə, samenzweerder; Conspire, k’nspaiə, samenzweren, beramen.
Constable, kɐnstəb’l, konstabel, slotvoogd, connetable: County — = veldwachter; He has been outrunning the — = heeft te groot geleefd; —ship = ambt van - -; Constabulary, k’nstabjuləri, subst. de gezamenlijke konstabels, de geheele politiemacht; adj. politie - -: — force.
Constance, konst’ns, Constanz; Constantia.
Constancy, konst’nsi, standvastigheid, volharding, trouw; Constant = onveranderlijk, voortdurend, standvastig, trouw.
Constantia, k’nstanšiə, soort wijn; Constantine, konst’ntain, konst’ntain, Constantijn; Constantinople, k’nstantinoup’l, Constantinopel; Constantinopolitan, adj. en subst.
Constellate, konstəleit, kənsteleit: The —d sky = de met sterren bezaaide lucht; To be —d = door zijn geboortester voorbestemd tot; Constellation = gesternte, sterrenbeeld.
Consternate, konstəneit, doen ontstellen; Consternation, konstəneiš’n, ontsteltenis.
Constipate, konstipeit, verstoppen; Constipation = hardlijvigheid.
Constituency, k’nstitjuənsi, de gezamenlijke kiezers; Constituent, subst. wezenlijk bestanddeel, lastgever, afgever, kiezer; adj. vormend, samenstellend, hoofd.., grond.., kies..: — body = kieslichaam; Constitute, konstitjût, samenstellen, vormen, uitmaken, machtigen, benoemen: The —d authorities = gestelde, wettige machten; We —d ourselves the champion of the coloured races = wij wierpen ons op als; Constitution = inrichting, samenstelling, aanstelling, ziels- of lichaamsgesteldheid, regeeringsvorm, grondwet, staatsregeling; Constitutional = lichaams - -, geestes - -, gemoeds - -; constitutioneel; subst. wandeling: — government = grondwettelijke regeering; He went for a — every day = maakte eene wandeling voor de gezondheid; Constitutive = Constituent: — power = wetgevende macht.
Constrain, k’nstrein, dwingen, weerhouden, bedwingen, noodzaken, binden; —able = bedwingbaar; —ed = gedwongen: — demeanour = gedwongen houding; —t = dwang, beperking, verlegenheid.
Constrict, k’nstrikt, samentrekken, samenkrimpen; subst. —ion; —or = sluitspier: Boa —or = reuzenslang.
Constringent, k’nstrinžənt, samentrekkend.
Construct, k’nstrɐkt, bouwen, opbouwen, vormen, plaatsen, construeeren, verklaren; —ion = samenstelling, maaksel, bouw, inrichting, uitlegging, constructie: What —ion shall I put upon your words? = welke uitlegging moet ik - - -? The building was in course of —ion = in aanbouw; —ive = vormend, opbouwend; afgeleid, aangenomen: —ive contempt (trust) = aangenomen smaad (vertrouwen); —or = bouwer, maker.
Construe, k’nstrû, konstrû, verklaren, uitleggen, vertalen, prepareeren.
Consuetudinal, konswitjûdin’l, Consuetudinary, konswitjûdinəri, door de gewoonte geijkt.
Consul, kons’l, consul; —ar, konšulə, consulair; —ate = consulaat = —ship.
Consult, k’nsɐlt, raadplegen, beraadslagen, letten op, overleggen: They —ed together = staken de hoofden bij elkaar; Consultation = beraadslaging, consult: Writ of — = verwijzing weer naar het eerste gerechtshof; —ative = raadplegend; —ing-room = spreekkamer (van een dokter).
Consumable, k’nsiuməb’l, verteerbaar, verbruikbaar; Consume, k’nsiûm, vernietigen, uitroeien, verteren, uitteren, gebruiken, afzetten: —dly = kolossaal, verduiveld; Consumer = verbruiker, afnemer.
Consummate, k’nsɐmit, adj. volkomen, volmaakt: — verb. kənsɐmeit, konsəmeit, voltooien, afmaken: — scoundrel = doortrapte schurk; Consummation = voltooiing, vervulling, dood; huwelijksgemeenschap.
Consumption, k’nsɐmš’n, uittering, vertering, verbruik, tering; consumptie: To be (go) in (into) a — = de tering hebben (krijgen); Far gone in —; Consumptive, teringachtig, tering - -; teringlijder.
Contact, kontakt, aanraking, voeling, contact, vereeniging: To come in — with the law; Angle of — = hoek, gevormd door een kromme lijn en de tangens daarvan; Point of — = raakpunt.
Contagion, k’nteiž’n, besmetting, pest, smetstof, gif; Contagious = besmettelijk, giftig: The — Diseases Acts = Wetten op Besmettelijke Ziekten; subst. —ness; Contagium = smetstof.
Contain, k’ntein, bevatten, omvatten, insluiten, bedwingen, (zich) goed houden: We —ed the enemy until nightfall; I could not — my laughter = inhouden, bedwingen; —able = te bevatten; —er = vat, bak.
Contaminate, k’ntaminit, adj. bevlekt, besmet, bedorven: — verb. k’ntamineit, bevlekken, besmetten, bezoedelen, bederven: —d fish; Contamination = besmetting, bederf; Contaminative = besmettend.
Contango, k’ntaŋgou, opgeld, betaald om de betaling der gekochte stukken tot over 14 dagen (Settlement-day) te mogen uitstellen (het tegengestelde van Backwardation); —-day = afrekeningsdag.
Contemn, k’ntem, verachten, geringschatten.
Contemplate, kont’mpleit, k’ntempleit, beschouwen, overpeinzen, van plan zijn, op het oog hebben, ernstig denken over; Contemplation = beschouwing, nadenken, droomerij: This is in — = overweging; Contemplative = nadenkend, beschouwend, speculatief; subst. —ness; Contemplator, Contemplator = denker, etc.
Contemporaneous, kəntempəreinjəs, gelijktijdig; subst. —ness; Contemporary (with), k’ntemp’rəri, gelijktijdig; subst. tijdgenoot, persoon (blad, tijdschrift) van denzelfden (leef)tijd.
Contempt, k’ntemt, verachting, geringschatting: — of Court = beleediging van het (gerechts)hof; In — of = in weerwil van; To hold in — = verachten; —ible = verachtelijk, nietig; subst. —ibleness; —uous, k’ntemtjuəs, smalend, onbeschaamd; subst. —uousness.
Contend, k’ntend, betwisten, betoogen, beweren, strijden, worstelen, streven (met for); —ing = tegenstrijdig.
Content, k’ntent, subst. voldaanheid, berusting; — verb. tevreden stellen; adj. tevreden, voldaan; vóór (stemmer in het House of Lords): To one’s heart’s — = naar hartelust; I am — = ik stem het toe, ben er voor; Not — = (ik stem) tegen; To — oneself = zich vergenoegen; —ed(ness) = tevreden(heid) = —ment: —ment is above riches = tevredenheid gaat boven rijkdommen.
Content, k’ntent, kontent, inhoud: Table of —s = inhoudsopgave; — bill = inhoudsopgave van sommige couranten.
Contention, k’ntenš’n, strijd, twist, naijver, argument, bewering: My — is, that.… = ik beweer, durf volhouden, dat.…; Contentious, twistziek; subst. —ness.
Conterminous, k’ntɐ̂minɐs, dezelfde grenzen hebbend, aangrenzend.
Contest, kontest, strijd, twist, geschil.
Contest, k’ntest, betwisten, strijden om, worstelen, wedijveren: —ed election = verkiezing, waarbij meer dan één candidaat voor ééne plaats is; To — a borough = als candidaat optreden voor; —able = bestrijdbaar, strijdig; —ant = mededinger.
Context, kontekst, samenhang; —ure, k’ntekstjə, samenweefsel, samenstelling, samenhang, bouw.
Contiguity, kontigjûiti, samenhang, nabijheid; Contiguous, k’ntigjuəs, aangrenzend, nabij (met to).
Continence, kontinens, Continency, kontinensi, matigheid, zelfbeheersching, maat, kuischheid.
Continent, kontinent, subst. vastland, Europa (behalve Engeland), stoffelijk omhulsel, aarden vat; adj. kuisch, matig, onafgebroken, bevattend; Continental = continentaal; subst. bewoner van het Continent: The — Powers = de Europeesche mogendheden (behalve Engeland); The — system, van Napoleon I; Continentalize = zich naar vastelandsgewoonten schikken.
Contingency, k’ntinž’nsi, gebeurtelijkheid, toevallige gebeurtenis: In a certain — = onder bepaalde omstandigheden; Contingencies = onvoorziene uitgaven: — of war = krijgskans; Contingent, k’ntinž’nt, subst. toevallige gebeurtenis, aandeel, contingent; adj. voorwaardelijk, toevallig, mogelijk, eventueel: My promise is — on your going away = ik beloof het onder voorwaarde, dat gij weggaat.
Continual, k’ntinjuəl, voortdurend, onophoudelijk, herhaald, voortgezet: — fever = aanhoudende koorts; subst. —ness; Continuance = onafgebroken opeenvolging, volharding, verloop, verblijf: For a — = op den duur; In — of time = in verloop van tijd; Continuation, k’ntinjueiš’n, voortduring, voortzetting, vervolg, prolongatie: — day = beursdag, waarop de interest verrekend wordt; —-schools = M. U. L. O. scholen; Continuations = broek; Continuative = uitdrukking die, of koppelwoord, dat voortduur uitdrukt.
Continue, k’ntinjû, voortduren, voortzetten, blijven, duren, vertoeven: The weather —d fair for several days = het weer hield zich verscheidene dagen goed (bleef droog); To be —d = wordt vervolgd; —d in our next = voortzetting in ’t volgend nommer; —d fever = hardnekkige.
Continuity, kontinjûiti, samenhang, onafgebroken verband, continuiteit; Continuous: — rains = onophoudelijke regens.
Contort, k’ntöt, adj. ineengedraaid; — verb. wringen, draaien; Contortion, k’ntöš’n, verdraaiing, verminking (vooral der ledematen); verrekking: To make —s = zich in alle bochten wringen; —ist = slangenmensch; woordverdraaier.
Contour, k’ntûə, kontûə, subst. omtrek, buitenlinie; — verb. een omtrek of schets maken.
Contra, kontra, contra: Per — = in tegenvordering; Contraband, kontrəband, subst. smokkelhandel, verbod, smokkelgoederen (= —-goods); adj. (wettig) verboden: — trade; — of war; —ist, kontrəbandist = smokkelaar.
Contract, kontrakt, contract, verdrag, acte, overeenkomst; huwelijk; huwelijksacte, aanneming (v. bouwwerken, etc.): —-work = aangenomen werk.
Contract, k’ntrakt, samentrekken, verkorten, inkrimpen, verloven, zich op den hals halen, aangaan, maken, oploopen, aannemen: To — friendship = vriendschap aangaan; —ibility = inkrimpbaarheid, samentrekbaarheid; adj. —ible, —ile; —ing parties = contracteerende partijen; —ing price = leveringsprijs; —ion = samentrekking, afkorting, oploopen, aangaan van; —or = aannemer, leverancier, sluitspier; —or-built houses = bij aanneming gebouwde.
Contra-dance, kontradâns, quadrille.
Contradict, kontradikt, tegenspreken, ontkennen, weerspreken; —ion = tegenstrijdigheid: That is a —ion in terms = tegenstrijdigheid in woorden; Contradictious = tegenstrijdig, twistziek; subst. —ness; Contradictoriness = tegenstrijdigheid; Contradictory = tegenstrijdig, onbestaanbaar met elkander (of one another).
Contradistinction, kontradistiŋkš’n, tegenstelling: In — to (from) = in tegenstelling met; Contradistinctive = tegengesteld; Contradistinguish = door tegenstellingen onderscheiden.
Contralto, kəntraltou, tweede alt.
Contrapuntal, kontrapɐnt’l; Contrapuntist. Zie Counterpoint.
Contrariety, kontrəraiiti, tegenstrijdigheid, moeielijkheid = Contrariness = weerspannigheid; adj. Contrarious; Contrary, kontrəri, subst. tegendeel, tegenstelling; adj. tegengesteld, weersprekend, strijdig, vijandig, weerspannig, knorrig: On the — = integendeel; To the — = niettegenstaande: He will come, all rumours about his health to the —; Unless I hear to the — = tegenbericht krijg; — to equity = in strijd met de billijkheid; — wind = tegenwind.
Contrast, kontrast, tegenstelling.
Contrast, k’ntrast, tegenover elkander staan of stellen (met with), afsteken bij.
Contra-tenor, kontratenö, tweede tenor.
Contravallation, kontravəleiš’n, door belegeraars opgeworpen reeks van borstweringen.
Contravene, kontravîn, in tegenspraak zijn, tegenwerken, overtreden; —r = overtreder; Contravention = tegenwerking, overtreding: He did it in — of that rule = vlak tegen dien regel in.
Contributable, k’ntribjutəb’l, bij te dragen; Contribute, k’ntribjût, bijdragen (voor een gemeenschappelijk doel), bevorderen, medewerken; Contribution = bijdrage, brandschatting, belasting (—-bag = kerkezakje); To levy a — on = brandschatten; Contributive = bijdragend, bevorderend; Contributor = bijdrager, medewerker, bevorderaar; Contributory = bijdragend: — river = zijrivier; subst. = Contributor.
Contrite, kontrait, berouwvol, boetvaardig; Contrition, k’ntriš’n, diep berouw, droefheid.
Contrivance, k’ntraiv’ns, plan, uitvinding, middel, list; zuinig overleg; Contrive, k’ntraiv, beramen, maken, bedenken, het aanleggen, overlèggen; —r = beramer, etc.
Control, k’ntroul, subst. beperking, bestuur, controle, invloed, macht; — verb. controleeren, in bedwang houden, invloed oefenen: He cannot — himself = zich niet beheerschen; —lable = te controleeren; —ler = controleur, stroomregelaar; —ment = Control.
Controversial, kontrəvɐ̂š’l, strijd …, polemisch; —ist = polemicus; Controversy, kontrəvɐ̂si, dispuut, geschil, strijdpunt; Controvert, kontrəvɐ̂t, betwisten, weerleggen; Controvertible = weerlegbaar.
Contumacious, kontjumeišəs, weerspannig, weerbarstig, zich verzettend, niet verschijnend; subst. —ness; Contumacy, kontjuməsi, (opzettelijke) weerbarstigheid, niet verschijnen; Contumelious = honend, verachtelijk, aanmatigend; Contumely = smaad, hoon.
Contuse, k’ntjûz, kneuzen; subst. Contusion; adj. Contusive.
Conundrum, kənɐndr’m, woordraadsel.
Convalesce, konvəles, beter worden; Convalescence = herstel, genezing; Convalescent = genezend, herstellings - -: — hospital = hospitaal voor herstellende zieken.
Convallaria, konvəlêrjə de plantensoort, waartoe het lelietje van dalen behoort.
Convection, k’nvekš’n, voortplanting; Convective = voortplantings - -.
Convene, k’nvîn, samenkomen, samenroepen, oproepen; convenieeren (Amer.); —r = die oproept, etc.
Convenience(-cy), k’nvînj’ns(i), geschiktheid, gepastheid, gemak, gelegen tijd of plaats, wagen, stoel: Do it at your (earliest) — = zoo(dra) het u voegt; Consult your own — = regel het zooals het u best past; To meet the — of = zich regelen naar; Convenient = geschikt, gemakkelijk (gelegen, te vinden): I will make it — = zal het schikken, dat ….
Convent, konv’nt, (nonnen)klooster.
Conventicle, k’nventik’l, subst. conventikel, geheime godsdienstoefening, bidstond of bedehuis (van afvalligen of uitgestootenen eener kerk); — verb. behooren tot (bezoeken van) conv.; —r = bezoeker van een conventicle.
Convention, k’nvenš’n, samenkomst, vereeniging, (voorloopig) verdrag van oorlogvoerende partijen, verbond, afspraak, overeenkomst; —al, —ary = overeengekomen, afgesproken, stilzwijgend gewettigd, gebruikelijk, conventioneel; Conventionalism = conventionalisme, het conventioneele; Conventionalist = aanhanger van het conventioneele; Conventionality = gebruikelijkheid; Conventionalize = convent. voorstellen.
Conventual, k’nventjuəl, klooster - -; subst. kloosterling.
Converge, k’nvɐ̂dž, in één punt samenkomen; —nce, —ncy = convergentie; —nt = convergeerend.
Conversant, konvəs’nt, bekend, bedreven in, vertrouwd, gemeenzaam (with).
Conversable, k’nvɐ̂səb’l, gezellig, onderhoudend; Conversation, konvəseiš’n, verkeer, omgang, gesprek: Criminal — = echtbreuk; We entered into — = wij raakten in gesprek; He joined in the — = hij sprak een woordje mee; Conversational = het gesprek betreffend, in gesprekvorm: — powers = spraakzaamheid; Conversationalism: That is a — = familiare uitdrukking; Conversationalist = Converser.
Conversazione, konvəsatšouni, bijeenkomst ter bespreking van een letterkundig of wetenschappelijk onderwerp.
Converse, k’nvɐ̂s, omgaan (spreken) met, verkeeren; —r = (onderhoudend) prater.
Converse, konvəs, subst. gesprek, gemeenzame omgang: To hold — with.
Converse, konvəs, omgekeerd, wederkeerig; subst. omkeering, tegenstelling.
Conversion, k’nvɐ̂š’n, bekeering, verandering, omkeering, conversie, toeëigening; —ist = bekeerling: A —ist sermon = preek van een bekeerling (waarin hij zijne redding vertelt).
Convert, konvət, bekeerde, geredde; leekenbroeder.
Convert, k’nvɐ̂t, veranderen, bekeeren, redden, omzetten in, converteeren, omkeeren, zich veranderen, aanwenden, in eigen gebruik nemen, doen overgaan: He —ed his property into money, which he —ed to his own use = te gelde maken … aanwenden; —ed India-rubber = gezwavelde; Convertibility = veranderbaarheid, etc.; Convertible = veranderbaar, enz.: — terms = gelijkwaardige uitdrukkingen.
Convex, konveks, subst. en adj. convex; Convexity = convexe vorm; Convexo: —-concave = convex-concaaf; —-convex = bol aan beide zijden; —-plane = plan-convex.
Convey, k’nvei, vervoeren, verschepen (= — by water), overdragen, overbrengen, mededeelen; de gedachte wekken: My words do not mean to — this; —able = overdraagbaar; —ance = vervoer, vervoermiddel, rijtuig, overdracht, voortplanting: Letter of —ance = akte van overdracht; —ancer = —ancing-council = een ambtenaar, die akten v. overdracht maakt; —ancing-law = recht op de overdracht van eigendom; —er = overbrenger.
Convict, konvikt, veroordeelde, galeiboef; —-colony = —-establishment = strafkolonie; —-ship = transportschip van gestraften.
Convict, k’nvikt, adj. schuldig bevonden; — verb. schuldig bevinden, veroordeelen; bewijzen, de onjuistheid aantoonen; —ion = schuldigbevinding, overtuiging, vast geloof; —ive = overtuigend.
Convince, k’nvins, overtuigen; Convincible = te overtuigen; Convincing proof = doorslaand.
Convive, konvaiv, tafelgenoot; — verb. kənvaiv, feestvieren; Convivial, k’nvivj’l, feestelijk, vroolijk, gezellig; Conviviality = feestelijkheid, enz.
Convocate, konvəkeit, bijeenroepen; Convocation = bijeenroeping, vergadering; synode van de 2 kerkelijke provinces (Canterbury en York) waarin Engeland verdeeld is; vergadering der gegradueerden eener universiteit.
Convoke, k’nvouk, samenroepen, oproepen, samenkomen.
Convolute, konvəl(j)ût, —d, konvel(j)ûtid, ineengerold; Convolution = omdraaiing, ineenwikkeling; Convolvulus, k’nvolvjulɐs, winde.
Convoy, konvôi, konvooi, escorte: — of prisoners = transport gevangenen.
Convoy, kənvôi, convoyeeren.
Convulse, k’nvɐls, krampachtig samentrekken, schokken, schudden, hevig ontroeren: To be —d with laughter = zich een stuip lachen; Convulsion = kramp, hevige ontroering, stuip; Convulsionary = krampachtig = Convulsive: — motion = stuiptrekkende beweging.
Con(e)y, kouni, kɐni, konijn; —-burrow = konijnenhol; —-wool = konijnenbont.
Conybeare, kɐnibêə.
Conyza, kənaizə, vlooienkruid.
Coo, kû, kirren, vrijen: They were billing and —ing together = zij zaten te vrijen.
Cooee (Cooey), kûi, signaal der Austral. boschbewoners; ook verb.
Cook, kuk, subst. keukenmeid, kok; — verb. koken, bereiden, een geflatteerde balans maken, vervalschen: Too many —s spoil the broth = te veel koks bederven de brij; To — a person’s goose = iemand geducht beetnemen; To — up = opwarmen; —-shop = gaarkeuken; —ery-book; School of —ery; —ing-box = hooikist; —ing-range (-stove) = fornuis.
Cookie, kuki, koekje; (Am.).
Cooky, kuki, iemand die met Cook (den Engelschen Lissone) reist.
Cool, kûl, subst. koelheid, frischheid; adj. koel, frisch, kalm, onhartstochtelijk, onverschillig, onbeschaamd, brutaal: — verb. afkoelen, bekoelen, koelen, koel (kalm) worden (down): — as a cucumber = zoo brutaal mogelijk; bij zijn neus langs; I call it — = onbeschaamd; It cost me a — hundred = honderd guldentjes; — your brain = kalmeer je wat; He —ed his heels = hij moest lang buiten wachten; —er = koeldrank, koelvat, koelkan: Butter —er; —-headed = onhartstochtelijk, zichzelf meester; subst. —-headedness = bezonnenheid; —ish = wat koel (koud); —ness = koelheid, kalmte, koudbloedigheid, onbeschaamdheid; —th = het koel zijn.
Coolie, kûli, koelie.
Coom, kûm, dik wagensmeer, roet, zaagmeel, stof, vuil.
Coomb, kûm, maat van vier bushels (± 141 L.); ook: Comb, koum.
Coon, kûn, verkorte vorm van Racoon, waschbeer: You are a gone — = je bent erbij, voor de poes (Am.); Old — = slimmerd.
Coop, kûp, subst. kippenhok, konijnenhok, kuip.
Cooper, kûpə, subst. kuiper; mengsel van half stout en half porter; — verb. kuipen; bederven, vervalschen; begrijpen (Am.): —ed up = opgeknapt; —age, kûpəridž, kuiperswerk, kuiperij, kuipersloon = —y.
Co-operant, kou-opər’nt, medewerkend; meewerkende oorzaak; Co-operate, kouopəreit, samen-, medewerken; Co-operation = samenwerking, medewerking; Co-operative: — Society = Vereeniging Eigen Hulp; — Stores = winkel v. E. H.; Co-operator = medewerker.
Co-ordinate, kouödinit, adj. van dezelfde orde of macht; subst. coördinaat; — verb. (kouödineit), doen coördineeren, samenvatten, in overeenstemming brengen; Co-ordination = coördinatie.
Coot, kût, meerkoet.
Cop, kop, pakken, gappen, stelen.
Copaiba, kəpeibə = Balsam of —.
Copal, koup’l, copal.
Copartner, koupâtnə, deelhebber, compagnon; —ship = compagnieschap.
Cope, koup, koorhemd, kap; (blader)dak, uitspansel (= — of heaven); — verb. met een mantel (dak, koepel) bedekken; een kapgewelf vormen; bestrijden, tegemoet treden; handel drijven; wedijveren, meedoen: To — with = voldoen aan; This —s best with women = daarmee komt men bij vrouwen het verst; The doctors could not — with all the wounded = konden al de gewonden niet helpen.
Copenhagen, koup’nheig’n.
Coper, koupə, vaartuig, dat aan de visschers op de Noordzee jenever, etc. verkoopt.
Copernican, kəpɐ̂nik’n, van Copernicus.
Copestone, koupstoun, sluit-, hoek-, of deksteen.
Cophetua, kəfetjuə.
Copier, kopjə, copiïst, naäper, copieermachine.
Coping, koupiŋ, muurkap: —-stone = Copestone.
Copious, koupjəs, overvloedig, volledig, wijdloopig, vrijgevig; subst. —ness.
Copper, kopə, subst. rood koper, ketel, koperen munt; klabak, smeris; adj. van koper; — verb. met koperen platen bedekken; —ed = —-bottomed = gekoperd; —-beech = bruine beuk; —-head = vergiftige slang (Am.); heimelijke vijand; scheldnaam (in den Am. vrijheidsoorlog) voor een Noord-Amerikaan, die het met de Zuidelijken hield (—-headism); —ish = koperachtig; —-plate = koperplaat, kopergravure; —-smith; —-wire; —-worm = paalworm; —y = koperachtig, koper - -; naar koper smakend.
Copperas, kopərəs, koperrood.
Coppice, kopis, onderhout, kreupelboschje.
Coprolite, koprəlait = Coprolith, coprolieten, dreksteen.
Copse, kops, onderhout wegsnoeien, of aanplanten; subst. = Coppice; Copsy = met struikgewas begroeid.
Copt, kopt, Kopt; —ic, subst. en adj. Koptisch(e taal).
Copula, kopjulə, koppelwoord; Copulate, verb. paren; copuleeren; Copulation, verbinding, paring; Copulative, adj. verbindend, parings - - - -; subst. copula, verbindingswoord.
Copy, kopi, subst. afschrift, manuscript, exemplaar, kopie, model; — verb. afschrijven, nabootsen: Foul — = concept, ontwerp; That’s — = dat is een bekende zaak; He made — out of it = maakte er gebruik van voor krant of tijdschrift; He set us copies = hij schreef ons een regel voor om na te schrijven; To take — of = tot voorbeeld nemen; To — fair, To — out = in ’t net schrijven (To write out a fair —); To — from nature; —-book = schrijfboek (voor schoonschrift), copieboek; —hold, kopihould, een soort erfpacht (Het erfpachtsrecht van den Holder of a Copyhold Estate bestaat in een copy van de inschrijving daarvan in the Court Rolls van de Manor waarvan elke copyhold steeds een deel uitmaakt. Voldoet de holder slechts aan zekere Customs of the Manor, dan staat zijn bezit even vast als dat van eenig landeigenaar); —ing-ink (—-paper, —-press) = copieerinkt, etc.; —ist = Copier; —right = copierecht: The paper was duly —righted = het recht op den inhoud van het blad (of artikel) was (werd) volgens de wet verzekerd.
Coquet, kəket, coquetteeren; —ry, koukətri, kəketri, behaagzucht; —te, kəket, behaagziek meisje, coquette; —tish = coquet.
Cor, kö = Coroner; Corinthians.
Coracle, korək’l, visschersboot, bestaande uit een houten geraamte met leer of wasdoek overtrokken (Ierl.).
Coral, kor’l, subst. koraal, kinderrammelaar; adj. van koraal, koraalachtig: —-beads = koralen halssnoer; —-diver; —-fishing; — island; Coralliferous = koraalbevattend; Coralliform, Coralliform = koraalvormig; Coralline, korəl(a)in, koraal …; subst. koraalmos, koraaldier; —lite, korəlait, koraliet.
Corb, köb, kolendragers- of mijnwerkersmand, aalmoezenmand.
Corban, köb’n, offerande als gevolg van eene gelofte (bij de Israelieten); de offerande van schapen (bij de Mahomedanen), die onder de armen verdeeld worden.
Corbeil, köb’l, schanskorf.
Corbel, köb’l, subst. draagsteen of draagijzer, nis, kraagsteen van eene Corinthische zuil; — verb. laten steunen op een corbel; —-steps = geveltrapjes, trapgevel; —-table = aan den muur bevestigde, op een corbel rustend uitsteeksel.
Cord, köd, subst. touw, snoer, band, streng, snaar; vadem hout (128 kub. voeten); — verb. met een touw binden (ook: — up), vamen; —-maker = touwslager; —wood = vademhout; Cordage = touwwerk.
Cordate(d), ködeit(id), hartvormig.
Cordelia, ködîljə.
Cordelier, ködəlîə.
Cordial, ködj’l, subst. hartsterking, opwekkend middel, likeurtje; adj. hartelijk, hartsterkend, opwekkend; Cordiality = hartelijkheid; Cordiform, ködiföm, hartvormig.
Cordilleras, ködiljêrɐz, ködiləraz, Sierra Nevada, Rotsgebergte; de Andes.
Cordite (powder), ködait, cordiet.
Cordon, köd’n, lint, cordon; rand van een muur: —s and decorations = lintjes; — bleu = hoogste onderscheiding; beste kok.
Cordova, ködəvə; Cordovan, ködəv’n, corduaan = — leather.
Corduroy, ködjurôi, ködərôi, geribd katoen, fluweelachtige stof voor broeken (= —s); —-road = weg van dikke stukken hout door venen of moerassen (Amer.).
Core, kö, hart, binnenste, kern, klokhuis; — verb. boren (v. appels), inzouten; —r = appelboor.
Corea, kərîə.
Co-regency, kourîdžənsi, mederegentschap; Co-regent.
Co-religionist, kourilidžənist, geloofsgenoot.
Co-respondent, kourispond’nt, mede-aangeklaagde, medeminnaar of medeplichtige (bij een echtscheidings-proces).
Corf, köf, sleeptrog in mijnen.
Coriaceous, kourieišəs, lederen, taai.
Coriander, kouriandə, koriander.
Corinth, korinth; —ian, kərin-thiən, Corinthisch; subst. fat, aristocratisch amateur (tegenover den professional prize-fighter); Coriolanus, kəraiəleinəs, koriəleinəs.
Co-rival, kouraiv’l, medeminnaar, -dinger; —ship = wedijver; —ry.
Cork, kök, subst. kurk; — verb. kurken, onderdrukken, kniezen, met een kurk zwart maken; —-jacket = zwemvest; —-oak; —screw = kurketrekker; —screw stairs = wenteltrap; —age fee = kurkengeld; To pull the — out of an entertainment = het spel bederven; To draw a — = een bloedneus slaan; To smell the — = drinken; —ed = naar de kurk smakend; —er = kurker; dooddoener; spelbreker; —ing = kolossaal; —ing-machine = toestel om flesschen te kurken; —ing-pin, groote doekspeld, bakerspeld, naald om insecten op te steken; —y = kurkachtig, wankel, schichtig, naar de kurk smakend; —y flavour.
Cormorant, kömər’nt, aalscholver, waterraaf; vraat.
Corn, kön, subst. korrel, koren; maïs (Am.), whisky (Amer.); likdoorn; — verb. pekelen, zulten; met graan of haver voederen; tot korrels maken: There is — in Egypt = er is overvloed; He measures our — by his own bushel = zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten; —-chandler, köntšandlə, korenhandelaar; —-crake = kwartelkoning (spriet); —-cutter = maaimachine (Amer.); —-exchange = korenbeurs; —-floor = (—-loft) = korenzolder; —-mill; —-plaster = likdoornpleister; —-poppy = gewone klaproos; —-salad = veldsalade; —-stalk = korenhalm; —-violet, könvaiəlit, onechte kantvrucht; —-weevil, könwîv’l, graan- of klanderworm; —ed = gepekeld; aangeschoten; —ing-house = korrelhuis.
Cornac, könək, kornak.
Cornea, könjə, hoornvlies.
Cornel, kön’l, eetbare kornoelje = —-berry, —-cherry.
Cornelia, könîljə.
Cornelian, könîlj’n, cornalijn, corneool.
Cornelius, könîljəs; Cornell, könel.
Corneous, köniəs, hoornachtig.
Corner, könə, subst. hoek, bocht, geheime plaats; kliek, die door opkooping den prijs opjaagt; — verb. in een hoek zetten (fig.); den prijs van iets opjagen, eene schaarschte verwekken door opkooping: To drive into a — = in het nauw brengen; To put (stand) one in the — = in den hoek zetten; To turn the — = het hoekje (crisis) te boven zijn; Atween the four —s of the parish = in de geheele; To be at the four —s for = niet weten waar vandaan te halen; To be within the four —s of = behooren tot; The — = Tattersall’s bij Hydepark Corner; To — a person = in ’t nauw brengen; —-boy = lanterfanter; (—er =) —-man = lid van een corner of kliek; —-stone; —-wise = met vooruitspringenden hoek.
Cornet, könət, hoorn, cornet, ruiterbende onder bevel van een cornet; doctorssjerp, neepjesmuts, peperhuisje; —cy = rang van cornet.
Cornice, könis, kroonlijst; —-pole = stok (van overgordijnen).
Corniculate, kônikjulit, gehoornd, hoornvormig.
Cornish, köniš, van Cornwallis; subst. bewoner en taal v. C.; —-engine = soort van stoompomp.
Cornucopia, könjukoupjə, hoorn des overvloeds.
Cornute(d), kônjût(id), gehoornd.
Cornwall, könwôl; Cornwallis, könwolis.
Corollary, korələri, kəroləri, gevolgtrekking uit het voorafgaande.
Corona, kərounə, krans, kroontje, kroon (van een kies), kring (vooral om de maan); Coronal = kroon - -, krans - -: — bone = voorhoofdsbeen; —-feathers = kuifveeren; Coronary = kroonvormig, kransachtig: — arteries = de twee uit de groote slagader zich vertakkende hoofdaderen; Coronate(d) = eene kroon, krans, kuif dragend; Coronation = kroning: —-oath = kroningseed.
Coroner, korənə, lijkschouwer: —’s inquest = gerechtelijke lijkschouw.
Coronet, korənət, kroontje, krans; —ed = met een kroontje.
Coronule, korənjûl, zaadkroontje.
Corporal, köpər’l, subst. korporaal; adj. lichamelijk, stoffelijk: — punishment = lijfstraf.
Corporal, köpər’l, —e, köpəreili, corporale, een met figuren bestikt lijnwaad waarop de hostieschotel en de kelk worden geplaatst.
Corporate, köpərit, tot één lichaam vereenigd: Body — = rechtspersoon; Corporation, köpəreiš’n, staatkundig of wetgevend lichaam, gilde, gemeentebestuur; dikke buik (scherts.): Municipal — = gemeentebestuur; —-pictures = regentenstukken; — spiritual = bestuur van eene cathedraal; — temporal = bestuur van eene gemeente; Corporator = lid v. eene corporatie.
Corporeal, köpöriəl, lichamelijk, stoffelijk: He is a —ist = materialist; Corporeality, Corporeity = lichamelijkheid; Corporealize, belichamen.
Corposant, köpəz’nt, St. Elmusvuur.
Corps, kö (Meerv. Corps, köz), legerkorps.
Corpse, köps (Meerv. Corpses, köpsiz), lijk; —-candle, —-light = licht bij lijken; dwaallicht.
Corpulence, köpjulens, Corpulency, zwaarlijvigheid; adj. Corpulent.
Corpus, köpəs, lichaam, corpus: — Christi = Sacramentsdag; — delicti, diliktai; Corpuscle, köpɐs’l, köpɐs’l, lichaampje, atoompje; Corpuscular = tot atomen behoorende.
Corral, kəral, subst. omheining (voor vee; ook ter verdediging); — verb. omsluiten, opsluiten.
Correct, kərekt, adj. precies, goed, juist, nauwkeurig; — verb. verbeteren, gelijk of op tijd zetten (v. een klok), straffen, verzachten: To be — = juist zijn, gelijk hebben; Correction, kərekš’n, verbetering, terechtwijzing, tuchtiging: House of — = verbeterhuis, gevangenis; — of the press = correctie der drukproeven; He observed under — = merkte bescheiden op; Correctional = straf …, verbeterings …; She stood corrected = daar stond ze, zich van hare schuld bewust; Corrective, kərektiv, verbeterend, verbeterings …, verzachtend; subst. correctief: We will apply a —; —ness = juistheid; —or = verbeteraar.
Correlate, korilit, subst. correlatief; subst. correlaat; — verb. korileit, in correlatie staan of brengen; Correlation, correlatie; Correlative = Correlate: — conjunctions, zooals either … or; These words are —s.
Correspond, korəspond, overeenkomen, correspondeeren, aansluiting hebben, bij elkander passen (to): A mutton-chop, with potatoes to — = een schapenboutje, met daarbij behoorende aardappelen; That —s to this = dat stemt hiermede overeen; I — with him = houd briefwisseling; Correspondence = overeenstemming, omgang, briefwisseling: To carry on (keep up) a — with = briefwisseling houden met; Correspondent = subst. correspondent; adj. overeenstemmend.