← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

H. (continued 2)

Reading edition

Honourable, onərəb’l, eervol, aanzienlijk, voornaam, edel, achtbaar, titel (aan de jongere zoons van ‘earls’, aan al de zoons en dochters van ‘viscounts’ en ‘barons’, aan opperrechters in Engeland en Ierland en aan de hofdames toegekend; Zie ook Right-—); subst. —ness.

Hood, hud, subst. kap, capuchon, kapvormige plooi van eene universiteitstoga, kap (van een rijtuig); peperhuisje, kap (van een schoorsteen) enz.; — verb. van een kap voorzien, bedekken, omhullen: The — and leathern apron of the carriage = kap; All —s make not monks = ’t zijn allen geen koks, die lange messen dragen; —-cap = soort kaproen; soort zeehond; —man = blindeman (in het spel); —man-blind = blindemannetje; —-moulding = lijst boven deur of venster; —wink = blinddoeken, verschalken; ook subst.

Hoof, hûf, hoef, klauw, poot, stuk vee; — verb. loopen: To beat (pad) the — = te voet (op Apostelpaarden) gaan; —-bound = volhoevig, kreupel.

Hook, huk, subst. haak, vischhaak, sikkel, kram, duim (van eene deur), vooruitspringende landtong; voordeel, meevallertje; — verb. met een hoek vangen, aanhaken, tot een haak buigen, van haken voorzien, vasthaken, stelen: By — or by crook (Zie Crook); Off the —s = in wanorde, ontstemd, ziek, dood: To drop (go) off the —s = het hoekje om (= dood) gaan; I wished him off the —s = wou, dat hij dood was; You must do it on your own — = op eigen gelegenheid, verantwoording; She kept him on the —s = zij hield hem aan het lijntje, To pop off the —s = doodgaan; To take one’s — = uitsnijden; They —ed it = zij zijn er van door; She —s-and-eyes her gown = maakt vast met haken en oogen; —-nose(d) = (met een) haviksneus; —-pin = haakbout; —ed = krom, haakvormig; subst. —edness; adj. —y.

Hookah, hûkə, Oostersche pijp, waarbij de rook door water gaat.

Hooker, hukə, hoeker (visschersvaartuig), zakkenroller.

Hookey Walker, huki wôkə, onzin, maak dat de kat wijs!

Hooligans, hûlig’nz, straatschenders, gespuis; Hooliganism = straatschenderij, woeste, liederlijke jool.

Hoop, hûp, subst. hoepel, crinoline, beugel, riem, — verb. met hoepels, enz. beslaan, omringen (Zie ook Whoop); —-iron = bandijzer; —-petticoat, —-skirt = hoepelrok; —er = kuiper.

Hooping, hûpiŋ: —-cough = kinkhoest.

Hoosier, hûžə, bewoner van — state = Indiana; — cake = soort peperkoek (Amer.).

Hoot, hût, subst. gejouw; — verb. uitjouwen, schreeuwen (van een uil); —er = autohoorn.

Hoove, hûv, koliek bij vee.

Hop, hop, subst. hop; sprong; thé dansant: —-o’-my-thumb = klein duimpje; — verb. hinken, huppelen, springen, dansen, hop oogsten, met hop brouwen: He escorted her at party or — = naar partijen en bals; He has had many girls on the — = het hoofd op hol gemaakt; To catch (take) on the (ground) — = een bal vangen als hij opspringt; iemand onverhoeds overvallen, snappen; He is a — out of kin = hij slaat geheel uit den aard; I can — that lot on one foot = dat eind wel hinkende afleggen; To — the twig = uitsnijden; het hoekje omgaan; op houten beenen loopen; —ped over the twig = over den puthaak getrouwd; —-back = hopzeef; —-bind, —-bine = hopstengel; —-joint = opiumkit; —-picker = hopoogster; —-pole = hopstaak; —scotch = hinkspel; soort balletjes; —-vine = hopstengel; —-yard = hopveld; —per = danser, springer, etc. kaasmijt, sprinkhaan, trechter, zaaikorf, hopoogster; modderschuit = —per barge.

Hope, houp, subst. hoop, vertrouwen, verwachting, wensch; — verb. hopen, verwachten; vertrouwen: Young —ful = veelbelovend jongmensch (ironisch); —fulness; —less = hopeloos; subst. —lessness.

Hopple, hop’l = Hobble = kluisteren; —s = kluisters voor vee in de weide.

Horace, horis.

Horal, hôr’l, Horary, hôrəri, wat een uur duurt of betreft.

Horatian, həreiš’n, Horatiaansch; Horatio, həreišiou.

Horde, höd, subst. horde, bende, troep; — verb. in horden of benden leven of zich vereenigen.

Horehound, höhaund, witte malrove.

Horizon, həraiz’n, horizon, gezichtskring: Apparent, Sensible — = schijnbare horizon; Rational, Real, True — = werkelijke horizon; The plain of literature that is —ed by 1801 = het veld der literatuur tot 1801; Horizontal = horizontaal, waterpas; subst. Horizontalness; Horizontality.

Horn, hön, hoorn, horen, drinkhoorn, voelhoren, de niet-volle maan (bij ’t wassen of afnemen), vleugel (van een leger), zijtak (van eene rivier), punt (van een aambeeld); borrel (Amer.); — verb. van horens voorzien; (fig.) horens doen dragen: A pair of — spectacles; — of Plenty = horen des overvloeds; To come out at the little end of the — = ergens slecht (kaal) af komen; He has drawn, hauled, pulled in his —s = hij is in zijne schulp gekropen; To put to the — = vogelvrij verklaren (Schotl.); I’ll either make a spoon or spoil a — = ik waag het, erop of eronder; To show one’s —s = de tanden laten zien, flink optreden; Take a — = neem een borrel (Amer.); To wear the —s = hoorndrager zijn; —-beak = gewone geep; —beam = hagebeuk; —-bill = neushoornvogel; —-blower = hoornblazer; —-book = oud abéboek bestaande uit een blad papier, waarop het alphabet, de getallen van 0–9, het Onze Vader, beschermd door een doorzichtige plaat van hoorn en bevestigd op een houten raam met handvat; —-distemper = hoornziekte (van vee); —-eel = smelt; —-finch = stormvogeltje; —-fish = zeenaald; —-pipe = oud blaasinstrument; horlepijp; —-work = hoornwerk (vestingbouw); —ed = van horens voorzien; —ed horse (Zie Gnu); —ing = het wassen of afnemen van de maan; door het blazen op een trompet ingeleide openbare afkondiging (Schotl.); ketelmuziek (Amer.); —y = hard, hoornig: —y coat of the eye = hoornvlies; —y hands = vereelte.

Hornet, hönət, horzel; kwelgeest: To bring a nest of —s about one’s ears = zijn hoofd in een wespennest steken.

Horologe, horəlo(u)dž, uurwerk; Horologer = uurwerkmaker; Horology = uurwerkmakerskunst, tijdmetingskunst.

Horoscope, horəskoup, horoscoop; I have cast her — = haar horoscoop getrokken; adj. Horoscopic; Horoscopy, həroskəpi, kunst om de toekomst te voorspellen.

Horrent, hor’nt, borstelig, rechtopstaand, afschuwelijk.

Horrible, horib’l, verschrikkelijk, ijselijk, akelig; subst. —ness.

Horrid, horid, akelig, afschuwelijk; ruw, stekelig, overeindstaand; treurig; subst. —ness.

Horrific, horific, afschuwwekkend; Horrify, horifai, met afschuw vervullen, doen sidderen.

Horripilation, horipileiš’n, een gevoel alsof het hoofdhaar te berge rijst.

Horror, horə, afgrijzen, afschuw, huivering: The —s = delirium tremens; zwaarmoedigheid: To give the —s = afschuw inboezemen; To have the —s = zwaarmoedig, katterig zijn, aan delirium tremens lijden; —-stricken, —-struck = door afgrijzen verpletterd.

Horse, hös, paard (ook zeeterm), hengst, cavalerie, steunbok, droogrek, werk dat vóór het uitgevoerd is betaald wordt (= Dead —), ezelsbrug; — verb. een paard bestijgen, van een paard voorzien, schrijlings plaatsen, dekken, opstijgen; adj. groot, grof: The near — = bij-de-handsche paard; Off — = van-de-handsche; Dark — = nog onbekend renpaard; nieuweling, onbekend candidaat; Master of the — = opperstalmeester; Those who cannot flay the —, flay the saddle = wie het meerdere niet kan doen, doe het mindere; To flog the dead — = aan een dood paard trekken (fig.); To get on (To mount, to ride) the high — = een hoogen toon aanslaan; To look a gift — at (in) the mouth = een gegeven paard in den bek zien; You rode a dark — then = (eig.) gij reedt toen op een onbekend paard, (fig.) gij hieldt u maar dom, voerdet wat in uw schild; To ride a free — to death = een paard den rug stuk rijden, iemand exploiteeren; He sits a — very well = hij rijdt goed; To take — = te paard stijgen; I will win the — or lose the saddle = ik waag het, erop of eronder; I have often been —d in this school myself = ben zelf dikwijls op het “houten paard” geweest, afgeranseld geworden; —-artillery = rijdende artillerie; To be (ride) on —back = te paard; —-bean = paardeboon, tuinboon; —-block = stellage om bij het op- en afstijgen behulpzaam te zijn; —-boat = pont door paarden getrokken, of om paarden over te zetten; —-box = wagon voor paarden; stalafdeeling; —-breaker = pikeur, iemand die paarden dresseert; —-car = tramwagen (Amer.); —-car-track = tramweg (Amer.); —-chanter = opkooper van oude paarden, om ze door knoeierij weer goed aan den man te brengen; —-chestnut = paardekastanje; —-cloth = paardedek; —-coper = paardenkooper; —-courser = koopman in renpaarden; eigenaar van renpaarden; —-cucumber = groote groene komkommer; —-dealer = paardenkooper; —-doctor = paardenarts; —-drench = paardendrank; —-emmet = roode mier; —-faced = met een lang, grof gezicht; —-faker = paardenkooper (Zie Fake); —-flesh = paardevleesch; paarden: The age of —-flesh = de diligencetijd; He knows little of —-flesh = hij heeft geen verstand van paarden; —-fly = paardenvlieg; —-Guards = bereden lijfwacht; bureau van den bevelhebber in Whitehall, de militaire autoriteiten aan het ministerie van oorlog; —-hair = paardenhaar; —-hoe = groote egge; —-jockey = pikeur, paardenkoopman; —-keeper = stalknecht; verhuurder v. paard.; —-knacker = paardenvilder; —-laugh = luide en ruwe lach; —-latitudes = streek der windstilten; —-leech = paardenarts, bloedzuiger; vrek; —-litter = baar door paarden gedragen; —-load = paardenvracht; —-lock = paardenkluister; —man = ruiter; —manship = rijkunst; —marines: Tell that to the — = maak dat je grootje wijs; —-marten = groote hommel, torenzwaluw; —-meat = paardevoer; —-mill = rosmolen; —-milliner = paardetuig- en zadelmaker; —-play = ruwe grap, ruwe wijze van doen; —-pond = paardewed; —-power = paardekracht: —-race = wedren; —-radish = mierik, meerradijs, peperwortel; —-railroad = tramweg (Amer.); —-rake = paardehark, groote egge; —-rider = kunstrijder; —shoe = subst. en adj. hoefijzer(vormig); —-shoeing = beslaan van paarden; —-stinger = paardenbijter; —-tail = paardestaart; Turksche standaard; —-way (Amer.) = rijweg; —-whip, subst. paardezweep; — verb. met de paardezweep slaan, afranselen; —woman = paardrijdster, amazone; —-worm = paardenworm of de larve ervan; Hors(e)y, hösi, paardachtig, gek op paarden, jockeyachtig; Horsing = tuchtiging (met een roede) van een schooljongen, die daartoe op den rug van een anderen jongen hangt.

Hortation, höteiš’n, vermaning; Hortative, hötətiv, Hortatory, hötətori, vermanend.

Horticulture, hötikɐltšə, tuinbouw; A horticultural show = tuinbouwtentoonstelling; Horticulturist = tuinbouwkundige.

Hosanna, həzanə.

Hose, houz, kousen, sportkousen, nauwsluitende kniebroek, brandspuitslang, tuinslang (= —-pipe); — verb. bespuiten: You have got your legs into twisted — there = dat hebt gij glad mis; —-man = spuitgast.

Hosier, houžə, koopman in sajetten en wollen goederen; —y = sajetten en wollen (gebreide) goederen, zaak in die goederen.

Hosea, houzîə, Hosea.

Hospice, hospis, hospitium, kloosterherberg.

Hospitable, hospitəb’l, herbergzaam, gastvrij; subst. —ness; Hospitage, hospitidž, gastvrijheid; Hospital, hospit’l, hospitaal, godshuis: —-ship; Hospitality = gastvrijheid; Hospital(l)er = hospitaal-inspecteur; hospitaal-broeder, -zuster, -ridder.

Host, houst, subst. gastheer, waard; leger, troep, menigte; hostie; — verb. zijn verblijf nemen, onthalen, herbergen: The Lord of —s = de Heer der Heerscharen; —ess = gastvrouw.

Hostage, houstidž, gijzelaar, borgtocht.

Hostel, host’l, herberg, hospitium (voor studenten te Cambridge); Hostelry, host’lri, = herberg, hospitium.

Hostile, host(a)il, vijandig, vijandelijk; Hostility, hostiliti, vijandigheid (Meerv. Hostilities = vijandelijkheden).

Hostler, oslə, stalknecht.

Hot, hot, heet, scherp, brandend, vurig, dol op (on): That horse is — at hand = is vurig en hard in den bek; In — haste = overijld, snel; We found ourselves in — water = we zaten er leelijk in; — water tin = waterstoof; X. is becoming too — for him = hij kan het te X. niet meer uithouden; I’ll make it — for him = ik zal hem mores leeren; Brandy — = warme cognacgrog; —-bed = broeibak; broeinest; —-blast = stroom van heete lucht; —-blooded = vurig, driftig; hartstochtelijk; —-brained = oploopend, heethoofdig; —-cockles = spel, waarbij de geblinddoekte moet raden wie hem geslagen heeft; —-flue = droogkamer (katoenfabr.); —-foot = zoo snel mogelijk; —-head = driftkop, heethoofd; —-headed = heethoofdig, driftig; subst. —-headedness; —-house = broeikast, droogkamer; —-mouthed = hard in den bek, onhandelbaar; —-press = pers (voor het satineeren van papier of het decateeren van laken); —-spirited = vurig van geest, driftig; —-spur, subst. driftkop; vroege doperwt; adj. doldriftig; —-spurred = driftig, onstuimig; —-tempered = opvliegend.

Hotchpot(ch), hotšpot(š), mengelmoes, zootje, hutspot.

Hotel, hətel, logement: —-car = restauratiewagen (Amer.); —-keeper = hotelier.

Hotri, houtri, Brahmaansch priester.

Hottentot, hot’ntot, Hottentot; de taal; ook fig.

Houdah, hauda. Zie Howdah.

Hough, hɐf.

Hough, hok. Zie Hock.

Hougham, hɐfəm; Houghton, hout’n.

Hound, haund, (jacht)hond; — verb. met honden jagen, aanzetten, ophitsen, wegjagen: Master of Fox-—s = jagermeester, hoofd van de Hunt (de jachtvereeniging in een bepaald district): To follow the —s = jagen (op vossen); He rides well to —s = hij is een goed vossenjager; —’s-tongue, = hondstong.

Hounslow, haunzlou.

Hour, auə, uur; —s = uurgebeden, het boek dat ze bevat, de Horae; After —s = na den arbeid of werktijd; He keeps good (bad) —s = hij komt steeds op tijd (te laat) thuis; To keep early —s = vroeg opstaan en vroeg te bed gaan; The house sat far into the small —s = het Lagerhuis zat tot diep in den nacht; I promised him so in an evil — = te kwader ure; What is the — of day = hoe laat is het op den dag? —-angle = uurhoek; —-circle = uurcirkel; —-glass = zandlooper; —-hand = uurwijzer; —-line = uurlijn; —-plate = wijzerplaat; —ly = (van) ieder uur.

Houri, hûri, hauri, houri.

Housage, hauzidž, pakhuishuur.

House, haus, huis, woning, armhuis, geslacht, vorstenhuis, kamer v. afgevaardigden, schouwburg, gehoor of toeschouwers, firma; vierkant (op een schaakbord), plaats van een planeet, één twaalfde v. het firmament; — verb. onder dak brengen, huizen: There is a — = er is zitting van het Parlement; No — = geen zitting; As safe as a — = bepaald zeker, gewis; Like a — on fire = snel als de wind; The — = de Beurs (in ’t City slang); A — of call = arbeidsbeurs, herberg; — of correction = gevangenis, verbeterhuis; — of God = Godshuis, tempel; — of keys = de 24 leden van het Court of Tynwald, een wetgevend lichaam op het eiland Man; Free — = een herberg waarvan de waard vrij is om zijn dranken te koopen bij wie hij wil; tegenover Tied —, een herberg behoorende aan een firma bij wie alle drank gekocht moet worden; His speech brought down the — = werd stormachtig toegejuicht; The piece drew a full — = trok veel publiek; They played at keeping — = zij speelden huishoudentje; He keeps open — = hij ontvangt iedereen, houdt open tafel; Every — has its trial = ieder huisje heeft z’n kruisje; The — was out of windows = het ging er wild langs, het hek was van den dam; —-agent = agent voor het verhuren v. huizen, het ophalen der huur, enz.; —-boat = woonschip (gemeubileerd als zomerverblijf); —-bote = recht om hout te kappen (Jur.); —-breaker = slooper; inbreker; —-breaking = inbraak; —-dog = waakhond; —-duty = —-tax; —-father; —-flag = de bijzondere vlag van een firma; —-flannel = wrijflappen; —-fly = huisvlieg; —hold, subst. huisgezin, huishouding; adj. huiselijk, huishoudelijk, alledaagsch: —hold bread = gewoon brood; —hold brigade = lijfwacht (inf. en cav.); —hold franchise (— suffrage) = huismanskiesrecht; —hold management = bestuur eener huishouding; —hold stuff = huishoudingsartikelen en meubelen; —hold troops = de 3 inf. en 3 cav. reg. van de lijfwacht; —hold words (songs) = bekende of gemeenzame woorden (liederen); —holder = hoofd van een gezin (huurder of eigenaar); —hunting = het zien van huizen als men wenscht te huren; —keep = het huishouden doen (Amer.); —keeper = huishoudster; —keeping = huishouding, adj. huis …, huishoud …: —keeping book = huishoudboek; —keeping money = huishoudgeld; —leek = huislook; —-line = huizing (scheepst.); —maid = dienstmeid, werkmeid; —maid’s closet = meidenkamertje; —maid’s knee = leewater; —-mate = huisgenoot; —-party = de familie met logé(e)s; —-room = ruimte in een huis, logies in een hotel: I can give you —-room till to-morrow = kan u logeeren; —-sparrow = huismusch; —-steward = intendant; —-surgeon = inwonend chirurg (van een hospitaal); —-tax = belasting op huizen van minstens £ 20 huurwaarde; —-warming = inwijdingsfeestje bij het betrekken van een huis; —-wife, hauswaif, huisvrouw, necessaire of naaikistje (in de laatste beteekenis steeds hɐzif uitgesproken); —-wifely gelijk eene huisvrouw, huishoudelijk, spaarzaam; —wifery, hauswaifri, hɐzifri, hɐzwifri, huishouding, huishoudelijkheid; —less = dakloos; subst. —lessness.

Housing, hauziŋ, herberging, onderdak, transportkosten, pakhuishuur: — Bill = Ontwerp Woningwet.

Housing, hauziŋ, dek, schabrak.

Houston, h(j)ûstən.

Houyhnhnm, hwinm, hûinm.

Hove, houv, imperf. van to heave.

Hovel, hov’l, hɐv’l, subst. hut, afdak voor vee; — verb. in eene schuur plaatsen, onderdak brengen, aanbrengen v. een schoorsteenkap; bergen; —(l)er = berger (persoon en vaartuig).

Hover, hovə, hɐvə, zweven, dralen, weifelen, zwerven.

How, hau, hoe, op welke wijze, hoever; You must do it any— and every— = hoe dan ook; I did it some— = ik heb het op de eene of andere wijze gedaan gekregen; I must say —-(de)-do (gemeenz. voor —-do-you-do) to him = hem goedendag zeggen, groeten, bezoeken; — about your friend = hoe staat het met uw vriend? —beit = hoewel, niettegenstaande, echter; —ever = hoe dan ook, in elk geval, nochtans, echter: —ever he manages it, I do not know = hoe drommel hij hem dat levert; —soever = hoedanig ook, hoe ook.

Howard, hauəd.

Howdah, haudə, overdekte tentvormige zitplaats op den rug v. een olifant.

Howe, hau; Howells, hauəlz.

Howel, hauəl, kuipersschaaf, dissel.

Howes, hauz; Howitt, hauit.

Howitzer, hauitsə, houwitser.

Howker, haukə. Zie Hooker.

Howl, haul, subst. gehuil, geschreeuw, kreet, gejank; — verb. huilen, janken, brullen, schreeuwen, gieren (van den wind): All the children were on the full — = al de kinderen waren zoo hard mogelijk aan het gillen, schreeuwen; —er = huiler; brulaap, stommiteit: To go a —er = zwaar verliezen; —ing = akelig, vreeselijk.

Howlet, haulət, uil. Zie Owlet.

Hoy, hôi, subst. soort v. lichter; interj. hei! helà! —man = schuitevaarder.

Hoyden, hôid’n. Zie Hoiden.

Hub, hɐb, uitsteeksel, doelwit, gevest, naaf: The universe is large, and has many —s = dient velerlei bedoelingen, doeleinden.

Hubble-bubble, hɐb’lbɐb’l, gemompel, warboel; pijp; Zie Hookah.

Hubbub, hɐbɐb, verwarring, verward geraas, rumoer; —boo, hɐbəbû, gejank, gegier, gekerm.

Hubby, hɐbi = Husband.

Hubert, hjûbət.

Huck, hɐk, Donauzalm.

Huckaback, hɐkəbak, groflinnen, oogjesgoed.

Huckle, hɐk’l, heup, bult; —-backed = met ronden rug; —berry, hɐk’lberi, blauwe boschbes; —-bone = bikkel.

Huckster, hɐkstə, subst. venter, kramer, bedrieger; — verb. schacheren, venten: To be in —’s hand = bij den duivel te biecht, voor de haaien; —age = kleinhandel, kramerij; —ess.

Huddle, hɐd’l, subst. menigte, gedrang; — verb. haastig doen, door elkaar gooien, slordig bij elkaar pakken, opeendringen, aangooien (on), haastig en verward voortdringen: It is all in a — = ligt alles door elkaar; Peace was —d up with the enemy = er werd een overhaaste vrede met den vijand gesloten; —r = knoeier.

Hudibras, hjûdibras.

Hue, hjû, kleur, tint, schakeering; luid geschreeuw: They raised the — and cry after the thieves = zij zetten de dieven na, schreeuwende: “Houd den dief”; —d = getint; —r, hjûə, persoon op eene verhevenheid, die de bewegingen van eene school haringen nagaat en door roepen bekend maakt.

Huff, hɐf, subst. nijdige bui, geraaktheid; — verb. opzwellen, rijzen, razen, tieren tegen, blazen (in het damspel): She was in a — = had eene booze bui, was geraakt; To take — about a thing = zich geraakt gevoelen; —ish = boos, aanmatigend, opgeblazen; subst. —ishness; —y = —ish.

Hug, hɐg, subst. omhelzing, bepaalde manier van vastpakken (bij het worstelen): — verb. omhelzen, in de armen drukken, pakken, liefkoozen, vleien, dicht houden aan: She —ged herself with the idea of getting rid of him = zij verkneuterde zich in de gedachte; He —ged his constituents (constituency) = praatte zijne kiezers naar den mond; The ship —ged the shore = hield dicht langs de kust.

Huge, hjûdž, zeer groot, kolossaal; subst. —ness.

Hugger-mugger, hɐgəmɐgə, subst. heimelijkheid, geheimhouding; wanorde; adj. geheim, heimelijk; slordig, armzalig.

Huggins, hɐginz; Hugh, hjû; Hughenden, hjûənd’n, hitšənd’n; Hughes, hjûz.

Huguenot, hjûgənot, Hugenoot; —ism.

Hulk, hɐlk, romp v. een afgedankt schip, klomp, plomp mensch: The —s = oude schepen als gevangenis gebruikt voor galeiboeven, enz.; —ing = plomp, log, onbeholpen = —y.

Hull, hɐl, schil, dop, romp (van een schip): The ship is — down = het schip is zoo ver verwijderd, dat alleen de masten nog zichtbaar zijn.

Hullabaloo, hɐləbəlû, lawaai, drukte, geschreeuw.

Hulme, hûm.

Hum, hɐm, subst. gegons, gemompel, gebrom, gesnor (van een wiel), sterk aangezet bier, beetnemerij, mop; — verb. gonzen, snorren, brommen, neuriën, beetnemen: — and ha(w) = stotteren, niet uit zijn woorden komen; interj. h’m, hum! I do not like —ming and ha’ing = ik houd niet van die bedekte, ontwijkende antwoorden; To make things — = leven in de brouwerij brengen; doen floreeren. Zie Humming.

Human, hjûm’n, adj. menschelijk, aardsch; mensch; Humane, hjumein, humaan, menschlievend, vriendelijk, zacht: The Royal — Society = Maatschappij tot Redding van Drenkelingen (gesticht in 1774); Humanism, hjûmənizm, humanisme; menschelijke natuur; Humanist = humanist; adj. Humanistic(al); Humanitarian, hjûmənitêriən, subst. iemand, die gelooft dat Jezus een mensch was; iemand die in de voortgaande volmaking der menschheid gelooft, philanthroop; adj. menschlievend; Humanity, hjumaniti, menschelijkheid, menschheid, menschlievendheid: The Humanities = de klassieke letteren, enz., Humaniora; Humanization, subst. v. Humanize, hjûmən’a’iz, beschaven, veredelen, menschelijk maken; Humankind, hjûmənkaind, hjûmənkaind, de menschheid; Humanly: — speaking = menschelijkerwijs gesproken.

Humble, hɐmb’l, adj. nederig, bescheiden, onderdanig; — verb. vernederen, onderwerpen; —-bee = hommel; —-mouthed = bescheiden, deemoedig; —-pie = pastei van herteningewand (= Humbles) die vroeger het dienstpersoneel kreeg bij jachtmaaltijden: He has eaten —-pie = hij heeft zoete broodjes gebakken; —-plant = kruidjeroermeniet.

Humbug, hɐmbɐg, subst. bedrog, onzin, larie; windmaker, bedrieger; — verb. bedriegen, beetnemen; —ger; —gery = bedotterij, bedriegerij, malligheid.

Humdrum, hɐmdrɐm, subst. eentonigheid, gonzend geluid; vervelend mensch; adj. vervelend, eentonig, alledaagsch.

Hume, hjûm.

Humectation, hjûməkteiš’n, bevochtiging.

Humeral, hjûmər’l, schouder …; subst. amictus, priesterl. schouderbedekking tusschen alb en soutane.

Humerus, hjûmərɐs, opperarmbeen.

Humhum, hɐmhɐm, grove gladde wollen stof (Indië).

Humic, hjûmik, humus …: — acid = humuszuur.

Humid, hjûmid, vochtig, nattig; —ity, hjumiditi, vochtigheid = —ness.

Humiliate, hjumiljeit, vernederen, ootmoedig maken; subst. Humiliation; Humility, hjumiliti, nederigheid, ootmoed.

Humming, hɐmiŋ, gonzend, reusachtig, sterk schuimend, koppig (van bier); —-bird = kolibri; —-top = bromtol.

Hummock, hɐmək, heuveltje, hoogte; adj. —y.

Hummum, hɐmɐm, Turksch bad.

Humoral, (h)jûmər’l, tot de vochten (des lichaams) behoorend; —ism = leer, dat de vochten des lichaams de oorzaken der ziekten zijn, ook — pathology genoemd.

Humo(u)rist, (h)jûmərist, luimig mensch, spotvogel, humorist; Humorous = geestig, grillig, luimig; subst. —ness.

Humour, (h)jûmə, subst. vocht, vochtigheid; temperament, stemming, luim, gril, humor; — verb. believen, toegeven: In good — = goed geluimd; I am out of — with myself = ik ben boos op mijzelf; Vitreous — = glaslichaam; Black —s = kwade sappen; Let him have his —s = geef hem zijn zin; Children must be —ed a little = men moet kinderen wat toegeven; —ed = geluimd; —less = zonder sappen; nuchter; —some = grillig, humoristisch.

Hump, hɐmp, bult, uitsteeksel; — verb. krommen, zich inspannen; het land opjagen: To have the — = het land hebben; —-back = bult, bochel; —-backed; Shoulder “—s” = Over … “huup”; —y = vol bulten; vervelend.

Humphrey, hɐmfri.

Humpty-Dumpty, hɐm(p)ti-dɐm(p)ti, kort en dik; kleine dikkerd.

Humus, hjûməs, teelaarde, humus.

Hun, hɐn, Hun; adj. —nic = —nish.

Hunch, hɐnš, subst. bochel, brok, homp, duw; — verb. krommen, duwen, stooten; —-back = gebochelde; —backed.

Hundred, hɐndrəd, honderd; afdeeling van een county of shire met eigen court; soms dit court zelf = —-court; A — guilders = honderd gulden; Three — and five = driehonderd vijf; Some — = zoowat honderd; Some —s (of) = eenige honderden; —-weight = centenaar (112 lbs.; in Amer. 100 lbs.); —fold = honderdvoudig; —th = honderdste.

Hung, hɐŋ, opgehangen; —-beef = rookvleesch.

Hungarian, hɐŋgêrj’n, subst. en adj. Hongaar(sch); Hungary, hɐŋgəri, Hongarije: —-water = rosmarijn (reuk)water.

Hunger, hɐŋgə, subst. honger, sterk verlangen, dorst (fig.); — verb. hongeren, hunkeren, uithongeren: — is the best sauce = is de beste kok (saus); A pale, —ed woman; —-bit(ten) = door honger gekweld, uitgehongerd; —-rot = soort v. hongerschurft bij schapen; Hungry, hɐŋgri, hongerig, uitgehongerd, hunkerend, schraal, onvruchtbaar: A — belly has no ears = een hongerige buik heeft geen ooren; — evil = geeuwhonger (bij paarden).

Hunk, hɐŋk, homp, groot brok.

Hunker, hɐŋkə, conservatief (Am.).

Hunks, hɐŋks, vrek.

Hunt, hɐnt, subst. (vossen)jacht, troep jagers, jachtgebied; — verb. jagen, afjagen, nazetten, najagen, vervolgen, opzoeken: He is out of the — altogether = kan heelemaal niet mee; To — down (To — to death) = doodjagen; To — high and low = overal zoeken; They were —ing for riches, etc. = jaagden na; I have —ed it out at length = het eindelijk opgesnord; I have not been able to — up that expression = heb niet kunnen vinden; They were playing at — the slipper = speelden “slofje onder”; —-counter = jachthond, die het spoor achteruitloopend volgt; slecht jager; beuzelaar; Hunter = jager, jachtpaard, jagershorloge: I am as hungry as a — = ik heb een honger als een paard; Hunting = het jagen (op vossen), drijfjacht; —-box = jachthuis; —-crop = jachtzweep; —-horn = jachthoorn; —-horse, —-nag = jachtpaard; —-shirt = jachtvest; —-watch = jachthorloge (met openspringend deksel); Huntress; Huntsman = jager; jachtknecht met de zorg en leiding der honden belast.

Hurdle, hɐ̂d’l, subst. horde (waarop vroeger o.a. misdadigers naar de galg werden gesleept), fascine, heining; —-race = wedren met hindernissen, over heggen.

Hurds, hɐ̂dz. Zie Hards.

Hurdy-gurdy, hɐ̂digɐ̂di, lier (draaiorgel).

Hurkaroo, Hurkaru, hɐ̂kərû, loopjongen, koerier (Brit. Indië).

Hurl, hɐ̂l, subst. krachtige worp; — verb. slingeren, werpen, (zich) storten op, uitstooten, het hurley spel spelen; —er = hurley-speler; Hurley = hurley, of hockey-spel.

Hurly-burly, hɐ̂libɐ̂li, verwarring, tumult.

Huron, hjûrən: Lake —.

Hurrah, hurâ, subst. en interj. hoera! — verb. hoera roepen, met hoera’s begroeten = Hurray, hurei.

Hurricane, hɐrikein, orkaan; —-deck = brug-, of bovendek; —-house = Crow’s nest.

Hurry, hɐri, subst. overgroote haast, overijling, verwarring, gewoel; buis voor het lossen van steenkolen uit spoorwagens in schepen; — verb. haasten, drijven, verhaasten, haast maken, overhaasten: There’s no — = er is geen haast bij; What is done in a — is seldom done well = haastige spoed is zelden goed; Don’t be hurried = haast je maar niet; To — away = wegijlen; We were hurried on by fear = voortgejaagd door; To — on one’s things = zich haastig aankleeden; — up there! = maak daar wat voort; —-scurry (—-skurry), subst. verwarde drukte; adv. verward, haastig.

Hurst, hɐ̂st, boschje.

Hurt, hɐ̂t, subst. wonde, beleediging, letsel, nadeel; — verb. wonden, kwetsen, benadeelen; zeer doen; —ful (to) = nadeelig, schadelijk (voor); subst. —fulness; —less = onschadelijk; onbeschadigd.

Hurtle, hɐ̂t’l, krachtig stooten, slingeren; botsen, stooten tegen, kletteren, aanvallen.

Hurtleberry, hɐ̂t’lberi. Zie Whortleberry.

Husband, hɐzb’nd, subst. echtgenoot, man; — verb. zuinig omgaan met; —’s tea = slappe thee; Let us — (out) life (time) as much as possible = laten we zoo zuinig mogelijk omgaan; —man = landman, huisman; —ry = landbouw, spaarzaamheid, landbouwopbrengst.

Hush, hɐš, interj. stil! zwijg!; subst. stilte, rust; — verb. stil maken, tot zwijgen brengen, doen bedaren, doodslaan, stil houden, den kop indrukken, stil zijn of worden: We must try to — it up = moeten trachten het stil te houden, het den kop in te drukken; —-money = steekpenning; Hushaby, hɐšəbi, sussen (van kinderen); Hushmush = behoedz. stilzwijgen, “stiekemig”heid.

Husk, hɐsk, subst. schil, dop; — verb. doppen, wannen, schillen; —er = pelmachine; —ing = het pellen of doppen; —ing-bee, —ing-frolic = partij van vrienden, om een boer maïs te helpen pellen; het feest daarbij gehouden (Amer.); —iness, subst. v. —y = ruw, vol schillen; krassend, schor.

Hussar, huzâ, huzaar.

Hussif, hɐzif, necessaire, naaikistje.

Hussite, hɐsait, husait, volgeling van Huss.

Hussy, hɐzi, meisje, schalk of ondeugd v. eene meid; slechte vrouw.

Husting, hɐstiŋ: —s = tribune der candidaten voor het parlement; vroeger geschiedde daarop de nomination door middel van show of hands; Court of —s = het Kanselarij-Hof van Oud-Londen.

Hustle, hɐs’l, dringen, duwen, door elkaar schudden, zich flink aanpakken: — him = gooi hem er uit.

Hut, hɐt, subst. hut, barak, hok; — verb. in de barak brengen, in hutten liggen of wonen.

Hutch, hɐtš, subst. kist, trog, bak, hok (voor konijnen, etc.), kneedtrog, waschtrog; — verb. in eene kist leggen of bewaren, erts in een trog wasschen.

Hux, hɐks, visschen met aan blazen bevestigde haken.

Huyg(h)ens, haig’nz.

Huzza, huzâ. Zie Hurra(h).

Hyacinth, haiəsinth, hyacint; adj. Hyacinthian = Hyacinthine.

Hyades, haiədîz, Hyads, haiədz, Hyaden, regengesternte.

Hyaena, haiînə; Zie Hyena.

Hyaline, haiəl(a)in, adj. doorschijnend, kristalachtig; subst. glasachtige, doorzichtige stof of oppervlakte; zeespiegel; Hyalite, haiəlait, glasopaal.

Hybrid, h(a)ibrid, subst. bastaard(vorm); bastaardwoord; adj. basterd; —ism, haibridizm, hibridizm = verbastering; —ize, h(a)ibridaiz, verbasteren; adj. —ous, h(a)ibridɐs = Hybrid.

Hydepark, hai(d)pâk; Hyderabad, haidərəbâd.

Hydra, haidrə, hydra, waterslang (myth.), zoetwaterpoliep; —-headed = veelkoppig, zich uitbreidend; —-tainted = vergiftig, doodelijk.

Hydrangea, haidranžiə, hortensia.

Hydrant, haidr’nt, hydrant.

Hydraulic, haidrôlik; —-press = hydraulische pers; —s = hydraulica.

Hydriad, haidriəd, waternimf.

Hydro, haidrou … (in samenstellingen), water..; inrichting voor watergeneeskunde.

Hydrobarometer, haidrəbəromətə, werktuig om door de drukking van het water de diepte te bepalen.

Hydrocephalus, haidrəsefəlɐs, waterzucht in het hoofd.

Hydrodynamics, haidrədainamiks, hydrodynamica.

Hydrogen, haidrədžen, waterstof; —ize, haidrodžənaiz, met waterstof verbinden; —ous, haidrodžənɐs, waterstof …, waterstof bevattend.

Hydrographer, haidrogrəfə, iemand bekwaam in Hydrography, haidrogrəfi, zeebeschrijving, het maken van zeekaarten, enz.

Hydrometer, haidromətə, areometer; hydrometer; Hydrometry.

Hydropathic, haidrəpathik, hydropathisch; ook subst. = — establishment = inrichting voor waterkuur; Hydropathist = hydropaat; Hydropathy = hydropathie, watergeneeskunde, waterkuur.

Hydrophobia, haidrəfoubjə, watervrees, hondsdolheid.

Hydroplane, haidrəplein, hydroplaan.

Hydrops(y), haidrops(i), waterzucht.

Hydroscope, haidrəskoup, wateruurwerk.

Hydrostatic(al), haidrəstatik(’l), hydrostatisch; Hydrostatics = hydrostatica.

Hydrus, haidrəs, eene soort van waterslang; slang (sterrenbeeld in ’t Z. halfrond).

Hyena, haiînə, hyena.

Hygeia, haidžîə, Hygea.

Hygeist, h(a)idžiist, hygiënist; Hygiene, h(a)idžiîn, gezondheidsleer; adj. Hygienic; Hygienics = gezondheidsleer; Hygienist, h(a)idžiənist, hygiënist.

Hygrometer, haigromətə, hygrometer; Hygrometry, haigromətri, hygrometrie.

Hygroscope, haigrəskoup, hygroscoop.

Hymen, haim’n, god des huwelijks, huwelijk; hymen (anatom.); Hymeneal, haimənîəl, subst. en adj. bruiloft(slied).

Hymn, him, subst. lied, ode, gezang; — verb. loven, bezingen: National — = volkslied; —-book = gezangboek = —al = —ology, himnolədži, verzameling of kennis van kerkliederen; verhandeling over dit onderwerp.

Hyper, haipə (in samenstellingen), over …, bovenmate …, overdreven …; —bole, haipɐ̂bəlî, hyperbool; —bolic(al), haipəbolik(’l), hyperbolisch; —bolism, haipɐ̂bəlizm, gebruik van hyperbolische uitdrukkingen; —borean, haipəbôriən, subst. en adj. (iemand) tot het uiterste Noorden behoorende; ijskoud (fig.); —critic, haipəkritik, subst. en adj. letterzifter(ig), overkritisch (mensch); —criticism, haipəkritisizm, haarklooverij, letterzifterij; —criticize = haarklooven, muggenziften.

Hyperion, haipîrj’n, hipəraiən.

Hyphen, haif’n, subst. verbindingsstreepje; — verb. met een streepje verbinden.

Hypnobate, hipnəbeit, slaapwandelaar (Am.); Hypnosis, hipnousis, hypnose; Hypnotic = slaapwekkend (middel), hypnotisch; gehypnotiseerde; Hypnotism = hypnotisme; Hypnotize = hypnotiseeren.

Hypochondria, h(a)ipəkondriə, zwaarmoedigheid; —c, h(a)ipəkondriək, subst. en adj. zwaarmoedig(persoon); —cal, h(a)ipəkondraiək’l, zwaarmoedig.

Hypocrisy, hipokrisi, veinzerij, huichelarij; Hypocrite, hipəkrit, huichelaar; Hypocritical = schijnheilig.

Hypodermic, h(a)ipədɐ̂mik, onderhuidsch; onderhuidsche inspuiting (met morphine) = — injection.

Hypogastric, h(a)ipəgastrik, onderlijfs..: — region = onderlijf.

Hypostasis, h(a)ipostəsis, Hypostasy, haipostəsi, grondslag; Wezen; bezinksel; Hypostatic union, h(a)ipəstatikjûnj’n = vereeniging van God en mensch in Christus.

Hypotenuse, h(a)ipotənjûs, hypotenusa.

Hypothecate, h(a)ipothikeit, verhypothekeeren; Letter of hypothecation = pandbrief.

Hypothesis, h(a)ipothəsis, hypothese; Hypothesize = vooropstellen, aannemen; Hypothetical = onderstellend, voorwaardelijk.

Hyrcania, hɐ̂keinia, Hyrcanië; adj. —n.

Hyson, hais’n, een soort groene Chineesche thee.

Hy-spy, haispai, verstoppertje-spel.

Hyssop, hisəp, hysop.

Hysteria, histîriə, hysterie; Hysteric, histerik, hysterisch: —s = zenuwaanval: To go off (fall) into —s = het op de zenuwen krijgen; Hysterical = hysterisch.

Hysterotomy, histərotəmi, keizersnede.

Hythe, haidh.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings