C.
Reading edition
C, sî, A.C. = Ante Christum = vóór Christus; C natural = C; C. flat = C-mol; C. sharp = C-dur; C = 100; C. B. = Companion of the Bath = ridder van de Bath-orde; CC = 200; Cf. = confer = vergelijk; Camb(ridge); Cantab = student van Cambridge University; Cant(erbury); C(are) O(f) = per adres (op brieven); Cath(olic); Celt(ic); C(ommissionary) G(eneral); Chap(ter); Chas. = Charles; Chem(istry); C(ost), I(nsurance), F(reight) = kosten, assurantie en vracht inbegrepen (uitspr.: Sif); C(ity) I(mperial) V(olunteer); C(ash) O(n) D(elivery) = tegen rembours; Colloq(uial); Comp(arative); Conn(ecticut); Corr(esponding) Mem(ber); Cor(responding) Sec(retary); C(ertificated) T(eacher); C(yclist) T(ouring) C(lub); C(ome) Q(uick) D(anger) = een Marconisein voor schepen; Cwt = a hundredweight; Cyc(lopaedia).
Caaba, kâ-a-ba, kaäba, de zwarte heilige steen in Mahomed’s moskee te Mekka. Ook het tempeltje zelf.
Cab, kab, soort rijtuig, bril = overdekte plaats voor den machinist op de locomotief; — verb. in een cab rijden: We have —bed it; —man, kabm’n, koetsier; —-stand = standplaats voor —s; Cabby = —man.
Cabal, kəbal, subst. cabaal, samenspanning, politieke intrigue; — verb. samenspannen; —ler = intrigant.
Cab(b)ala, kabəla, geheime wetenschap, aan Mozes geopenbaard en den Rabbis overgeleverd, ter verklaring van de Schrift; mystiek; Cabalist, kabəlist, Rabbi, bedreven in de Cabala; mysticus; Cabalistic(al) = mystiek.
Caballine, kabəl(a)in, paarde(n) - - -: — spring = hengstebron = Hippocrene.
Cabaret, kabəret of Fr. uitspr. kroeg.
Cabas, kaba, kabas, reismandje.
Cabbage, kabidž, subst. kool, koolkop; de stof, die bij kleermakers door de naald gaat; — verb. een kop vormen bij ’t groeien; zich stukjes goed toeëigenen; —-butterfly = koolwitje (de —-worm is er de larve van); —-headed = dom; —-lettuce = kropsla; —-tree = koolpalm.
Cabin, kabin, subst. kamertje, hut, kajuit: — verb. opsluiten of wonen in eene cabin; —ed, cribb’d, confined = achter slot en grendel; —-boy.
Cabinet, kabinet, kabinet (in allerlei beteekenissen); photo in kabinetformaat: — council = Meeting of the C., ministerraad; —-maker = kabinetwerker; —-picture = kabinetstuk.
Cable, keib’l, subst. kabeltouw, ankerketting, telegraafkabel, kabelbericht; — verb. met een kabel vastmaken; kabelen: A —’s length = 185,5 M.; To pay out a — = een tros vieren; A — (message) = een kabelbericht = —gram; —-laid = als een kabel gedraaid; —-(rail)road, —-railway = kabelspoor; —-room = —-tier, keib’ltîə, kabelgat; —t = kleine kabel.
Caboodle, kəbûd’l, rommelzoo (Amer.).
Caboose, kəbûs, kombuis; veldkeuken; een aan een goederentrein aangebrachte wagen voor beambten en arbeiders; een woning (Amer.).
Cabriolet, kabriəlei, cabriolet.
Cacao, kəkeiou, kakâou, cacaoboom; —-butter = cacaoboter.
Cachalot, katšelot, potvisch.
Cache, kaš, geheime bewaarplaats; — verb. verbergen.
Cachet, kašei, zegel.
Cachinnation, kakineiš’n, luid, aanhoudend gelach; Cachinnatory = luid lachend.
Cacholong, katšoloŋ, cacholong.
Cachou, kəšû, cachou, cachoupil voor rookers.
Cackle, kak’l, subst. gekwaak, gekakel, gewauwel; — verb. kwaken, wauwelen, giechelen; —r = snaterende gans, kakelende kip; wauwelaar.
Cacography, kəkogrəfi, cacographie.
Cacology, kəkolədži, slechte uitspraak.
Cacophony, kəkofəni, cacophonie.
Cactaceous, kakteišəs, cactusachtig; Cactal, kakt’l, cactus - -; Cactus, kaktəs, cactus.
Cad, kad, poen, ploert; —dish, ploertig.
Cadastral, kədastr’l, kadastraal; Cadastre, kədastə, kadaster.
Cadaver, kədeivə, kədavə, lijk; Cadaverous, lijkachtig, lijkbleek, lijk - - -; subst. —ness = lijkachtigheid, etc.
Caddice, Caddis, kadis, soort pluksel; ook = —-bait (—-worm) = larve van de —-fly = watermot.
Caddie, kadi, drager der kolven (golfspel).
Caddy, kadi, theebus.
Cade, keid, subst. vat haring (500 stuks), vat sprot (1000 stuks); ooilam, verwend kindje; adj. tam; — verb. met de hand groot brengen.
Cadence, keid’ns, Cadency, keid’nsi, cadans, rythme = Cadenza, kədenzə.
Cadet, kədet, jongere of jongste zoon; kadet.
Cadge, kadž, venten, bedelen; —r = venter; smulpaap.
Cadgy, kadži, lustig, dartel, lichtzinnig.
Cadi, kâdi, keidi, Kadi.
Cadiz, keidiz, Cadix.
Cadmean, kadmîən, van Cadmus, Thebaansch; Cadmus, kadməs.
Cadogan, kədoug’n.
Cadre, kadə, kader.
Caduceus, kədjûsiəs, staf van Mercurius.
Caducous, kədjûkəs, vroeg (ontijdig) vallend, broos.
Caecum, sîk’m, blinde darm.
Caedmon, kadm’n.
Caesar, sîzə, Caesar, keizer, autocraat; —ian, sizêrj’n: — operation = keizersnede; —ism, sîzərizm, absolute regeering.
Caesura, sizjûrə, caesuur; —l = caesuur - -.
Caffeic, kəfîik, kafəik: — acid = koffielooizuur; Caffein, kəfîin, kafiin, kafiain, caffeïne.
Caffer, Caffre, kafə, kaffer; kafir; Caffraria, kəfrêriə, het Kafferland.
Cage, keidž, subst. kooi; gevangenis, ijzergaas net (= Wire —, om een gasbrander), liftkooi; — verb. in eene kooi sluiten; — of a stair-case = trappenhuis; —ling = opgesloten vogel.
Cagmag, kagmag, subst. bedorven vleesch, taaie gans; adj. walgelijk, oneetbaar.
Cahoot, kəhût, subst. compagnieschap (Am.); — verb. handelen in vereeniging: To be in —s = onder één deken slapen (fig.).
Caic, kaîk, kaïk.
Caiman, keim’n, kaaiman.
Cain, kein: To raise — = den boel op stelten zetten.
Caique = Caic.
Cairn, kêən, kegelvormige steenhoop (als monument of herinneringsteeken).
Cairo, kairou.
Caisson, keis’n, keisûn, caisson.
Caitiff, keitif, subst. schurk; adj. laag, gemeen.
Caius, keiəs.
Cajuput, kadžəput, kajapoetolie (-boom).
Cajole, kədžoul, bevleien, aftroggelen (out of); —r, vleier; —ry, vleierij.
Cake, keik, koek, gebak; suffer; — verb. tot een koek vormen, zich zetten tot een koek: My — is dough = ’t is mis; There’d be no more —s and ale = geen pret, vroolijkheid; They are —s and ale to him = zijn een feest voor hem; They go off like hot —s = zij gaan als koek, grif van de hand; You cannot eat your — and have it = je kunt je geld maar eens uitgeven; —-walk = oorspronkelijk een danswedstrijd tusschen fraai uitgedoste negerparen met een cake als prijs; Caky = koekachtig.
Calabar, kaləbə, soort pelswerk.
Calabar-bean, kaləbâbîn, Afrikaansche boon (ook toetsboon genoemd, omdat zij als toets diende van de schuld of onschuld van de van hekserij aangeklaagden).
Calabash, kaləbaš, pompoen, kalebas.
Calaboos, kaləbûs, kaləbûz, gevangenis (Amer.), — verb. opsluiten.
Calabria, kəleibriə, kalâbriə, Calabrië.
Calais, kalis.
Calamanco, kaləmaŋkou, kalmink.
Calamint, kaləmint, kalament, kattenkruid.
Calamitous, kəlamitɐs, rampspoedig; Calamity, kəlamiti, ramp, ellende, tegenspoed.
Calamus, kaləmɐs, kalmus; herdersfluit.
Calandra, kəlandrə, kalander-leeuwerik; korenworm.
Calash, kəlaš, calèche; kap.
Calcar, kalkâ, fritoven; calcineeroven; —eous, kalkêriəs, kalkachtig, kalkhoudend: — spar = kalkspaath.
Calcedon, kalsidon, calcidoon, vuile ader in edelgesteenten.
Calcic, kalsik: —-chloride = chloorcalcium; Calciferous, kalkhoudend; Calcify, kalsifai, verkalken; Calcimine = stukadoorskalk; — verb. witten.
Calcination, kalsineiš’n, calcineeren, oxydatie; Calcine, kalsain, kalsin, calcineeren; tot asch verbranden.
Calcium, kalsiəm, Calcium.
Calcography, kalkogrəfi, (koper)plaatsnijkunst.
Calculable, kalkjuləb’l = berekenbaar; betrouwbaar; Calculate, kalkjuleit, berekenen, rekenen, ramen, begrooten, geschikt zijn, zich leenen tot; zich voornemen, vermoeden (Amer.): A calculating boy = een rekengenie; Calculating-machine; Calculation = berekening; Calculative = berekenend; A lightning calculator = snelrekenaar.
Calculous, kalkjulɐs, steen …
Calculus, kalkjulɐs, (mv. Calculi), steen, graveel; berekening: The — of probabilities = kansrekening; Algebraical — = algebra; Differential — = differentiaal-rekening; Integral — = integraal-rekening; Literal — = algebra.
Ca(u)ldron, kôldr’n, groote ketel.
Caleb, keiləb.
Calecannon, keilkan’n, Iersch gerecht (gestampte aardappelen en moesgroente).
Caleche, kəleš = Calash.
Caledonia, kalədounjə, Schotland; —n = Schot(sch); —ns = een soort quadrille.
Calefacient, kalifeišn’t, adj. en subst. verwarmend (middel); Calefaction, kalifakš’n, verwarming; Calefactor = klein kookfornuis; Calefactory = verwarmend.
Calembourg, kal’mbûə of Fr. uitspr. woordspeling.
Calendar, kal’ndə, subst. kalender, register, rol; — verb. registreeren: Perpetual —, Tear-off —; Turn-over —; —-month = zonnemaand.
Calender, kal’ndə, subst. kalander; — verb. kalanderen; —er.
Calends, kal’ndz, eerste dag van iedere maand bij de Romeinen: At (on) the Greek — = nooit.
Calendula, kəlendjulə, goudsbloem.
Calenture, kal’ntjulə, ijlende koorts (door de hitte in tropische gewesten).
Calf, kâf, (Meerv. Calves, kâvs), kalf (ook fig.), kalfsleer; kuit: To kill the fatted —; —-love = kalverliefde; —-skin = kalfsvel (leer).
Calhoun, kalhûn.
Caliban, kaliban, verdierlijkt wezen, wildeman.
Caliber, Calibre, kalibə, kəlîbə, kaliber; gesteldheid, waarde; bevattingsvermogen: —-compasses. Zie Callipers; Calibrate = kalibreeren; van graadstrepen voorzien; subst. Calibration.
Caliciform, kalisiföm, kelkvormig.
Calico, kalikou, calicot (in Amerika bedrukt katoen); —-ball = bal, waarop de dames katoenen japonnen dragen.
California, kaliföniə; —n = Californiër, Californisch.
Caligo, kəlaigou, vlek op het hoornvlies.
Calipash, kalipaš, kalipaš, groenachtig vleesch van een schildpad aan de rugzijde; Calipee, kalipî, kalipî, geelachtig vleesch van een schildpad aan het buikschild.
Caliph, kalif, keilif, kalif; —ate, kalifeit, keilifeit, kalifaat.
Calisthenics, kalistheniks, vrije- en orde(n)-oefeningen (vooral voor meisjes).
Calix, kaliks, keiliks = Calyx.
Calk, kôk, subst. ijsspoor, scherpe kalkoen, ijsnagel; — verb. van ijssporen voorzien, op scherp zetten, calqueeren (kalkeeren), breeuwen; —in = ijsspoor, etc.; —ing-iron = breeuwmes, kalefaatijzer.
Call, kôl, subst. roep, oproeping, aanmaning, roepstem, beroep, smeeking, roeping, aanleiding, vraag, uitnoodiging, ‘invite’ bij kaartspel, kort bezoek, appèl, stoot op een jagershoorn, bootsmansfluitje, lokstem(-fluit); — verb. noemen, rekenen, oproepen, uitroepen, bijeenroepen, aanstellen, inroepen, toeroepen, luide roepen, bezoeken, manen, opvorderen: At — = ter beschikking; He is at my beck and — = hij staat klaar voor mij; To be within — = te beroepen; To accept (to get, receive) a — = een (predikants) beroep; To get the — = opgeroepen worden (brandweer); To give a — = bezoeken (Verg.: To return a —); You had no — to say such a thing = gij waart niet geroepen, het was niet aan u; It seems such a far — = zoo’n groote sprong (fig.); A — of the House = het oplezen van de presentielijst (Parlement); — of obligation (Duty —) = verplichte visite; The headmaster —ed absence = hield appèl; To — to account = ter verantwoording; To — to the Bar = toelaten als Barrister; To — over the coals = een uitbrander geven; To — to memory (mind, remembrance) = herinneren; To — names = uitschelden; To — to naught = voor alles uitmaken; To — the roll = appèl houden. Met voorzetsels en bijwoorden: To — after = achterna roepen, noemen naar; To — again = weer roepen, terugkomen; To — at = een bezoek brengen; aandoen; To — for = roepen om, vragen naar, afhalen; To be left till —ed for = zal afgehaald worden; poste restante; This —ed forth all his strength of mind = deed hem toonen; To — in = binnenroepen, opvragen; To — in question = in twijfel trekken; To — off = terugroepen, intrekken, nietig verklaren: He was —ed off by Death = weggenomen, opgeroepen; To — on (a person; at a house) = bezoeken; He —ed on (upon) the honour of his country = deed een beroep op; To — out = roepen, schreeuwen; uitdagen, oproepen (doen uitrukken) van troepen; To — over = appèl houden, aflezen; To — round = eens aanloopen; To — up = oproepen, wekken; —-bird = lokvogel; —-boy = jongen, die de acteurs op hun tijd op het tooneel roept; jongen op een stoomboot, die den machinisten bevelen overbrengt; —-dinner = diner op —-night, den promotie avond der Barristers; —-office = spreekcel; A —ed assembly = buitengewone vergadering; —er = bezoeker; —er-up, kôlərɐp, morgenwekker, porder; —ing = beroep, roeping; —ing-place = plaats door stoombooten aangedaan.
Calligrapher, kəligrəfə, calligraaf; Calligraphic = calligraphisch; Calligraphy = schoonschrijfkunst, schoonschrift.
Calliope, kəlaioupî, Calliope.
Callipers, kalipəz: — compasses, kɐmpəsiz, krom-(mast) passer.
Callisthenics, kalis-theniks = Calisthenics.
Callosity, kəlositi, verharding, eelt; ongevoeligheid; Callous, kaləs, verhard, vereelt; ongevoelig —ness = verhardheid, etc.
Callow, kalou, kaal; jong, onervaren.
Calm, kâm; subst. kalmte, windstilte; adj. kalm, rustig, gelaten; — verb. stillen, doen bedaren, stil worden: The wind fell a dead — = het werd bladstil; —s = streek der windstilten; We shall try to — him down a little = wat te kalmeeren; —ative, kâmətiv, kalmətiv, kalmeerend (middel); —ness = kalmte.
Calmucks, kalmuks, (de) Kalmukken.
Calne, kân.
Calomel, kaləməl, calomel.
Calorescence, kaləres’ns, overgang van niet-lichtgevende tot lichtgevende warmtestralen.
Caloric, kalorik, adj. warmte - - -: — engine = heete-luchtmachine; subst. warmte; Caloriduct = warmtebuis; Calorifere, kəlorifîə, calorifère; Calorific, kalərifik: — rays = warmtestralen; Calorimeter, kalərimətə = calorimeter; Calorimetric = calometrisch; Calory = calorie.
Calotte, kəlot, kalotje, kuif.
Caltrop, kaltrəp, voetangel (—s = glasof potscherven); sterredistel.
Calumet, kaljumet, vredespijp.
Calumniate, kəlɐmnieit, belasteren; Calumniation = belastering; Calumniator = lasteraar; Calumniatory = lasterlijk = Calumnious; Calumny = laster.
Calvary, kalvəri, calvarieberg, kruisweg (of statie).
Calve, kâv, kalven, jongen voortbrengen.
Calville, kalvil, kalvil, kalvijnappel.
Calvinism, kalvinizm, calvinisme; Calvinist = calvinist; Calvinistic(al) = calvinistisch.
Calx, kalks, oxyde, glasafval.
Calyx, keiliks, kaliks, bloemkelk.
Cam, kam, subst. duim, lichter, kam: —-wheel = excentriek.
Camaieu, kamaijû, camee = Cameo.
Camarilla, kamərilə, camarilla.
Camber, kambə, subst. kromming, ronding; — verb. krommen.
Cambist, kambist, wisselaar, wisselhandelaar.
Cambium, kambj’m, cambium.
Cambray, kambrei, Kamerijk; Cambria, kambriə, Cambrië, Wales: —n = Cambrisch; Cambriër.
Cambric, keimbrik, batist; (batisten) zakdoek: —-paper = satijnpapier.
Cambridge, keimbridž.
Camden, kamd’n: — Town = wijk in het N.W. van Londen.
Came, keim, imperf. van to come.
Camel, kam’l, kameel, scheepskameel: —-backed = bochelig; —eer = kameeldrijver; —ry = infanterie op kameelen.
Cameleon, Z. Chameleon.
Camellia, kəmeliə, camelia.
Camelopard, kəmeləpâd, kamələpâd = giraffe.
Cameo, kamiou, camee.
Camera, kamərə, camera, kamer.
Camerated, kaməreitid, gewelfd, in kamers afgedeeld.
Cameronian, kamərounj’n, volgeling van R. Cameron. Schot. Presbyt: — regiment = 1ste bataljon Schotsche jagers.
Cameroons, kamərunz: The — = Kamerun.
Camisole, kamisoul, kamizool.
Camlet, kamlət, kamelot.
Camomile. Zie Chamomile.
Camp, kamp, subst. kamp; kuil vol rapen (aardappels); wintervoorraad van aardappelen, etc.; — verb. kampeeren; onder den blooten hemel verblijven (out); To strike — = een kamp opbreken; —-bed(stead) = veldbed; —-chair = vouwstoel met leuning; —-fire = kampvuur; officierenfuif (Amer.); —-follower = marketentster; —-meeting = zendingsfeest (Amer.) —-stool = vouwstoel.
Campaign, k’mpein, subst. veldtocht; vlakte; — verb. een veldtocht medemaken; —er = veteraan.
Campana, kampeinə, keukenkruid.
Campaniform, k’mpaniföm; Campanulate(d), Campanulous = klokvormig.
Campanile, kampən(a)il, klokketoren.
Campanula, k’mpanjulə, klokje.
Campbell, kamb’l.
Campeachy(wood), k’mpîtši, Campèche.
Camperdown, kampədaun.
Camphene, Camphine, kamfîn, kamfin, zuivere terpentijnolie.
Camphor, kamfə, kamfer; Camphoraceous = kamferachtig; Camphorated, met kamfer doortrokken, kamfer - -; Camphoric = kamfer - -.
Campvere, kampvîə, Veere.
Can, kan, subst. kan, kroes, kap, blik (Amer.); — verb. vleesch (vruchten) in blikjes conserveeren: They are cup and — = koek en ei; —ned meat = vleesch in blikjes; —ner = inmaker; —nery = fabriek v. inmaking.
Can, kan, kunnen: It is cheap as — = zoo goedkoop mogelijk; — do is easily carried = lichter gezegd dan gedaan.
Canaan, keinən, keinəan, Kanaän; —ite, keinənait, Kanaäniet; Canaanitic, keinənaitik, Canaanitish, keinənaitiš, Kanaänitisch.
Canada, kanəda; Canadian, kəneidj’n, Canadisch; Canadees.
Canaille, keneil, kanalje, gepeupel.
Canal, kənal, kanaal: — boat = trekschuit; Canalization = kanalisatie; Canalize, kanəlaiz, kənalaiz, kanaliseeren.
Canard, kənâ(d), canard.
Canary, kənêri, kanarie; kanarie sek; oude dans; The Canaries = de Kanarische Eilanden.
Canaster, kənastə, rieten mat.
Cancan, kankan, wulpsche Fransche dans.
Cancel, kans’l, subst. strepen halen door; vernietigen, intrekken, buiten omloop stellen; —late(d) = getralied, netvormig; —lation = intrekking, annuleering; netvormigheid.
Cancer, kansə, kreeft, kanker: The Tropic of — = Kreeftskeerkring; To die of a —; She had the — cut out of her breast = werd geopereerd van; Cancerate = verkankeren; Canceration = verkankering; Cancerous = kankerachtig = Cancroid.
Cancriform, kankriföm, kankerachtig; kreeft (krab)vormig = Cancrine.
Candelabrum, kandəleibr’m, kroonluchter.
Candia, kandjə, Candia; —n = Candioot.
Candid, kandid, eerlijk, vrijmoedig, oprecht; —ness = eerlijkheid, etc.
Candidate, kandideit, candidaat, sollicitant; Candidacy, Candidateship, Candidature = candidatuur.
Candied, kandid, geconfijt, geglaceerd; vleierig.
Candle, kand’l, kaars, licht, normaalkaars: When —s are out all cats are grey = bij nacht zijn alle katten grauw; He went off like the snuff of a — = hij ging uit als een nachtkaars; He cannot (is not fit to) hold a — to you = hij kan niet in uw schaduw staan; To hold a — to the devil = een kaars voor den duivel opsteken (steunen wat verkeerd is); The game is not worth the — = de sop is de kool niet waard; For this we owe the author a — = mogen wij den schrijver wel dankbaar zijn; —berry = croton, laurierbes; —-box = kaarsenbak; —-end economies = kleine bezuinigingen; —-light = kaarslicht (ook fig.): She is a —-light beauty = schoon bij de kaars; —-lighter = soort fidibus; —mas = Maria Lichtmis (2 Februari); —-snuffer = snuiter; —-stick = kandelaar; —-waster = dief (aan de kaars); —-wick = kaarsepit.
Candour, kandə, oprechtheid, eerlijkheid.
Candy, kandi, subst. kandij, suikergoed; — verb. met suiker inleggen; kristalliseeren, konfijten (—shop = snoepwinkeltje), (Amer.): He has too much — = een te lekker leventje.
Cane, kein, subst. riet, suikerriet, bamboes, rottang, rotting; — verb. met een riet afranselen (= To give one the —); met riet matten: Bengal — = Spaansch riet; A —-(bottom) chair = stoel met rieten zitting; —-mill = suikerrietmolen; —-trash = afval van suikerriet.
Canella, kənelə, kaneel(plant).
Canicula, kənikjulə, hondsster; —r Days = hondsdagen; —rs = kreupelrijm.
Canine, kənain, kanain, honds …; hond: — appetite = hondshonger; — laugh = hondskramp; — madness = hondsdolheid; — teeth = oogtanden.
Canister, kanistə, bus, kartets (= —-shot); — verb. in een bus doen; een hond een blikken ketel aan zijn staart hangen.
Canker, kankə, subst. kanker, brand, roest, gifzwam, knagende worm (fig.), woekerende ziekte; — verb. kankeren, aansteken, knagen aan, wegvreten; —-rash = roodvonk (met zwerende keel); —-rose = klaproos; —-weed = kruiskruid; —-worm = blad- of vruchtenrups (Am.); —ed = door kanker aangetast; giftig, bedorven, knorrig; Cankerous = verkankerend, brandig.
Cannabine, kanəb(a)in, Cannabis, kanəbis, hennep; harsachtige stof uit hennep getrokken.
Cannel-coal, kan’lkoul, harde harshoudende kool.
Cannequin, kanəkin, wit katoenen stof (Indië).
Cannibal, kanib’l, subst. kannibaal; adj. menschenetend = Cannibalic; —ism.
Cannon, kanən, kanon, geschut; carambole; —-ball; —-foundry = geschutgieterij; —-proof = bomvrij; —-shot = kanonschot(afstand); Cannonade, subst. kanonnade; — verb. (be)schieten; caramboleeren; Cannoneer = kanonnier; —ry = geschut, kanonnade.
Cannula, kanjulə, afvoerbuisje (Med.); —r = buisvormig.
Canny, kani, omzichtig, voorzichtig, slim; spaarzaam; rustig, behagelijk; gevaarloos.
Canoe, kənû, boot, kano; — verb. in een kano varen.
Cañon, kanj’n, diepe, steile bergkloof.
Canon, kanən, canon, in zijn verschillende beteekenissen; domheer: — law = canonieke wet; Canonic(al), canoniek; Canonicals = priestergewaad; Canonicity = echtheid; Canonize = canoniseeren; Canonry, Canonship = domheerschap.
Canopy, kanəpi, subst. baldakijn, hemel, dak; — verb. met een hemel bedekken: — of heaven = hemelgewelf.
Cant, kant, schuine (gebogen) stelling, stoot, ruk, slag, afwijking; geteem, argot; kwezelarij; auctie (Schotl.); adj. argot- -. volks- -, huichelachtig, opgewekt, flink; — verb. op zijde leggen, kanten, werpen, overhellen; teemen, kwezelen, huichelen, koeterwalen; afslaan, verkoopen: —-chisel = kantbeitel; —-hook = kantelhaak.
Cantab, kantəb, student te Cambridge (verkorting van Cantabrigian).
Cantankerous, k’ntankərɐs, twistziek, norsch, vitterig.
Cantate, kantâtə, cantate.
Canteen, k’ntîn, cantine, veldflesch; menagekorf.
Canter, kantə, subst. korte galop; kwezelaar; afslager; — verb. in korten draf of galop zijn of brengen: All was over in a — = in een oogenblik; He struck a — = zette zijn paard in korten galop; To win at (in) a — = gemakkelijk.
Canterbury, kantəberi, kantəbəri, Canterbury; muziekstander: — bell = klokje; — gallop (pace) = korte galop, sukkeldrafje; — Tales = gedicht van G. Chaucer (14e eeuw); vervelend verhaal.
Cantharis, kanthəris (meerv. Cantharides, k’n-tharidîz), Spaansche vlieg.
Canticle, kantik’l, lied, lofzang: The —s = het Hooglied.
Cantinière, kantinjêə, zoetelaarster.
Cantle, kant’l, subst. hoek, stuk; achterboog van een zadel; — verb. verdeelen.
Canto, kantou, zang; sopraanstem; Cantor, kantə, voorzanger.
Canton, kant’n, k’nton, subst. kanton, schildhoek; — verb. in kantons verdeelen; kantonneeren (= kənton, kəntûn); Cantonal = kantonnaal; —ment = kampement (Brit. Ind.); (winter)kwartier.
Cantoon, kantûn, sterke stof (geribd aan de eene zijde, met satijnachtigen achterkant).
Canute, kənjût, Knoet.
Canty, kanti, vroolijk, opgewekt (Schot.).
Canvas, kanvəs, subst. zeildoek, zeilen, grof linnen, kanefas, doek, olieverfschilderij; adj. linnen: Under — = onder zeil in tenten; —-back = soort duikereend; —-booth (—-stall) = kraampje; —-map = kaart op linnen.
Canvass, kanvəs, subst. onderzoek, discussie, stemmenwerving; — verb. onderzoeken, bespreken, bezoeken afleggen (om stemmen te werven), bewerken, werven om: —er = stemmenwerver, colporteur.
Cany, keini, vol riet, rieten.
Canzona, kanzouna, kantšouna, canzone; Canzonet = liedje.
Caoutchouc, kûtšuk, kautšuk, caoutchouc.
Cap, kap, subst. pet, muts, baret, hoed, napje, top, deksel, percussiehoedje; bepaald papierformaat; — verb. bedekken, eene muts of pet opzetten; van een slaghoedje voorzien; de kroon opzetten (fig.), overtreffen (troeven), de promotiekap opzetten, het hoofd ontblooten, groeten: — and bells = zotskap; — of a mast = ezelshoofd (scheepst.); Black — = baret, die de rechter opzet, als hij het doodvonnis uitspreekt; Fur — = bontmuts, berenmuts; That will be a feather in your — = een veer op je muts; She set her — at him = hengelde naar hem; Let him (whom) the — fits, wear it = wie de schoen past, trekke hem aan; To — verses = wedijverend verzen opzeggen (waarbij elk(e) vers(regel) met de eerste of laatste letter van het (de) vorige moet beginnen, of er op moet rijmen, of iets dergelijks); —-paper = zakkenpapier; soort schrijfpapier; —ful = een beetje: A —ful of wind = bui.
Capability, keipəbiliti, bekwaamheid, vermogen; Capable, keipəb’l, bekwaam, bevoegd, in staat, vatbaar; veel omvattend: — of pity = vatbaar voor; They are not — of being harmonized = hooren niet bij elkaar; —ness, bekwaamheid, etc.
Capacious, kəpeišəs, ruim, veelomvattend; —ness = veelomvattendheid; Capacitate, kəpasiteit, bekwaam of bevoegd maken; Capacity, kəpasiti, bekwaamheid, bevoegdheid, capaciteit, inhoud, ruimte, karakter, hoedanigheid.
Cap-à-pie, kapəpî, van top tot teen.
Caparison, kəparis’n, subst. schabrak; — verb. met een schabrak bedekken, prachtig optuigen.
Cape, keip, kaap, kaapsche wijn; pelerine: — smoke = een soort sterke drank; — Town = Kaapstad.
Caper, keipə, subst. kapperstruik (—s = kappertjes); kapriool; — verb. rondspringen: To cut —s = bokkesprongen maken; That’s the proper — = dat is je ware (Am.).
Capercailzie, kapəkeilzi, auerhaan (Schotl.).
Capias, keipias, kapias: Writ of — = bevel tot inhechtenisneming.
Capillaceous, kapileišəs, harig, haarvormig; Capillarity = capillariteit; Capillary, kapiləri of kəpiləri, capillair; subst. haarbuisje; Capilliform = haarvormig.
Capital, kapit’l, subst. kapiteel, hoofdstad (Court — = residentie), hoofdletter, kapitaal; adj. hoogst belangrijk, voornaamst, strafbaar met den dood, uitstekend, flink: To make — (out) of = munt slaan uit; — crime = halsmisdaad; — letter = hoofdletter; — punishment = doodstraf; — stock = bedrijfskapitaal; —ist = kapitalist; Capitalization = kapitalisatie; Capitalize = kapitaliseeren.
Capitate, kapitat, kopvormig; Capitation = hoofdelijke belasting (= —-tax): —-fee = tantième voor elken leerling.
Capite, kapitî: Tenure in — = kroonleen.
Capitol, kapit’l, kapitool; congresgebouw (in Washington); Capitolean, Capitoline = kapitolijnsch.
Capitular, kəpitjulə, kapittel - -; kapittelheer; Capitularies = capitularia.
Capitulate, kəpitjuleit, capituleeren; Capitulation = capitulatie.
Capoc, kapək, kapok.
Capon, keip’n, kapoen; —ize = castreeren.
Caponiere, kapənîə, onderaardsche gang in de loopgraven eener vesting.
Capot, kəpot, subst. het halen van 40 trekken bij het piketspel; — verb. alle trekken halen.
Capote, kəpout, kapot(jas).
Cappadocia, kapədoušə, Cappadocië.
Capriccio, kapritšou, caprice (muz.).
Caprice, kəprîs, gril; Capricious, kəprišəs, grillig; subst. —ness.
Capricorn, kaprikön, de Steenbok: Tropic of — = Steenbokskeerkring.
Capriole, kaprioul, bokkesprong; — verb. bokkesprongen maken.
Capsicum, kapsikɐm, Spaansche peper.
Capsize, kəpsaiz, omslaan, omvallen, omverwerpen.
Capstan, kapst’n, kaapstander.
Capsular, kapsiulə, kapselvormig, kapsel …; Capsule, kapsiul, capsule, kapsel, smeltkroes, schaaltje.
Captain, kapt’n, aanvoerder, kapitein, opzichter, leider, primus: — of horse = ritmeester; —cy, —ship = rang van kapitein; ervaring, beleid.
Caption, kapš’n, legalisatie; arrestatie (Schot.); titel (Am.).
Captious, kapšəs, vitterig, bedillerig; netelig; subst. —ness.
Captivate, kaptiveit, bekoren, boeien, betooveren; Captivation, betoovering, etc.
Captive, kaptiv, gevangen, geboeid (fig.); subst. gevangene: — balloon; Captivity = gevangenschap; Captor = prijsmaker, vanger, kaper; Capture, kaptšə, subst. vangst, prijs, het vangen; — verb. buitmaken, opbrengen, kapen: Without a whole — of columns we cannot do justice to the work = zonder eenige kolommen in beslag te nemen.
Capuchin, kaputšin, kapəšîn, Kapucijner; dameskapmantel; soort v. duif; — monkey.
Car, kâ, kar, wagen, triomfkar, schuitje van een ballon; tram- of spoorwagen: The Northern — = de Wagen (Sterrenbeeld); The International Sleeping-— Company; Restaurant-—; The —s = spoortrein (Am.); —man = karrijder.
Carabineer, Carabinier, karəbinîə, karabinier.
Car(r)ack, karək, Spaansch schip, karaak.
Caracol(e), karəko(u)l, subst. sprong, halve zwenking (van een paard); wenteltrap; — verb. een halve zwenking maken.
Carafe, kərâf, karaf.
Caramel, karəmel, camarel.
Carapace, karəpeis, rugschild, schaal.
Carat, karət, karaat; ± 15 Gr. voor goud en 0,2 Gr. of 205 mGr. voor juweelen: It is not worth a — = geen duit waard.
Caravan, karəvan, karəvan, karavaan, kermiswagen, woonwagen; Caravaneer = iemand, met de zorg voor de kameelen van een karavaan belast; Caravanserai, Caravansery = karavansera; groot gebouw, door vele gezinnen bewoond, beneden met winkels, in groote steden.
Caravel, karəvel, karveel, soort v. vaartuig.
Caraway, karəwei, karwei (plant.).
Carbine, kâbain, karabijn; Carbineer, kabinîə = karabinier.
Carbolic, kâbolik: —-acid = carbolzuur; Carbolize = carboliseeren.
Carbon, kâb’n, koolstof; koolspits: — light = booglicht; — point = koolspits; Carbonaceous, kâbəneišəs, koolhoudend, koolstof - -.
Carbonari, kâbənâri, Carbonari.
Carbonate, kâbənit, carbonaat; verb. carboniseeren.
Carbonic acid, kâbonikasid, koolzuur; Carboniferous = koolhoudend; Carbonize, kâbənaiz, verkolen, carboniseeren; Carbonization = carbonisatie.
Carboy, kâbôi, mandflesch.
Carbuncle, kâbɐŋk’l, karbonkel, bloedzweer; Carbuncular, Carbunculate, Carbunculous = karbonkelachtig; ontstoken.
Carburet, kâbjuret, koolstofverbinding; — verb. Carburize, kâbjuraiz, met kool(water)stof verbinden.
Carcase, Carcass, kâkəs, lijk, geraamte, karkas, wrak.
Carcinoma, kâsinoumə, kankergezwel; Carcinomatous = kankerachtig.
Card, kâd, subst. (speel)kaart, naamkaartje, program, kompasroos, (wol)kaarde; type, origineel; — verb. kaarden: To cut, to deal —s = coupeeren, geven; To fling (throw) up one’s —s = het spel opgeven (ook fig.); To pack —s = op bedriegelijke wijze mengen; He plays his —s well = is een gladde baas; To show one’s —s = zich in de kaart laten zien; To shuffle —s = wasschen; He speaks by the — = drukt zich nauwkeurig uit; It is on the —s = licht mogelijk; That piece is a sure —, it will run fifty nights = het is een successtuk, en zal wel 50 maal gespeeld worden; —-case, —keis, visite(kaarten)boekje; —-board = karton: Glazed —-board = geglaceerd karton; —-sharper = kwartjesvinder, valsche speler; —-table = speeltafeltje; —er = kaarder; —ing-machine = kaardmachine.
Cardamine, kâdaminî, kâdəmain, pinksterbloem, koekoeksbloem.
Cardia, kâdjə, hart, maagmond; Cardiac = hart - -, maagmond - -; hartsterkend (middel.)
Cardiff, kâdif.
Cardinal, kâdin’l, subst. kardinaal, scharlaken mantel, bisschop (soort warme wijn); adj. voornaamst, belangrijkst, donkerrood: — bird = kardinaalsvogel; — numbers = hoofdgetallen; — points = vier hoofdpunten (van het kompas); — signs = de vier voornaamste teekens van den dierenriem: Aries, Libra, Cancer, Capricorn; — virtues = de vier hoofddeugden (bij de Ouden): Prudence, Temperance, Justice, Fortitude; —ate, —ship = kardinaalschap.
Carditis, kâdaitis, ontsteking van het hart.
Cardoon, kâdûn, artisjok.
Carduus, kâdjuɐs, distel.
Care, kêə, subst. zorg, angst, oplettendheid, opzicht; — verb. zorgen, bezorgd zijn, zich bekommeren om, geneigd zijn, lust of trek hebben, houden van: With — = voorzichtig! To Mr. W. (To the — of) Mrs. Müller = per adres (ook c. o. = p. a.); Have a — = pas op! He took — to … = zorgde er voor, dat …; I don’t — if I do = ’t is mij goed; He did not — to do it = deed het liever niet; I like you, and I don’t — to own it = en erken het graag; He did not — a pin, a curse, a damn = hij gaf er geen zier om; Let him go, I don’t — = het kan mij niet schelen; I don’t — about wine just now = heb liever niet; —-taker = huisbewaarder; —-worn = aftgetobd, door zorgen versleten; —ful = bedacht, zorgvuldig, spaarzaam: I am —ful for nothing = ik geef om niets; —ful of = zorgvuldig, spaarzaam; He was not —ful to deny it = hij erkende het gaarne; subst. —fulness; —less, zorgeloos; subst. —lessness.
Careen, kərîn, een schip kanten, naar ééne zijde overhellen, kielen; Careenage = plaats daarvoor, of de kosten daarvan.
Career, kərîə, subst. loopbaan, snelle vaart; — verb. zich snel bewegen, snel doen loopen: We were —ing along at the rate of sixty miles an hour = wij snelden voort met eene vaart.…
Carelia, kərîljə, Carelië.
Caress, kəres, subst. liefkoozing, omhelzing; — verb. liefkoozen, omhelzen, aanhalen.
Caret, kêrət, karət, een teeken (^) bij het corrigeeren, om aan te duiden, dat een ontbrekend woord moet worden ingevoegd.
Carew, kərû, karû.
Cargo, kâgou, lading, goederen; —-carrying = vrachtvarend.
Caria, kêriə, Carië.
Carib, karib, Karibe; —al, Karibisch = —(b)ean, karibjən; —(b)ee, karibî = Carib = Carrib(b)ean Islands.
Caribou, karibû, karibû, N. Amer. rendier.
Caricature, karikətjuə, subst. karikatuur; — verb. karikatureeren, bespottelijk voorstellen; Caricaturist = karikaturist.
Caricous, karikɐs: — tumour = vijggezwel.
Caries, kêriîz, beeneter.
Carillon, karil’n, klokkenspel.
Carinthia, kərinthiə, Carinthië; —n = Carinthisch; Carinthiër.
Cariole, karioul, tweewielig rijtuigje.
Cariosity, kêriositi, beeneter; Carious: — tooth = holle tand.
Cark, kâk, subst. last, gewicht, zorg, kommer; — verb. kwellen; bezorgd zijn: — and care = kommer en zorg; —ing cares = kwellende zorgen.
Carl(e), kâl, kerel, ruwe vent, boer; Carlin(e), kâlin, oud wijf, heks.
Carlisle, kâlail.
Carlovingian, kâləvinžən, Karolingisch.
Carlyle, kâlail; Carlylean = Carlyliaansch; Carlylese, Carlylesque, in den stijl (trant) van C; Carlylism = volgens C’s spraakgebruik.
Carmagnole, kâm’njoul, Carmagnole.
Carmarthen, kâmâth’n.
Carmelite, kâməlait. Karmeliet; Karmalitisch; soort laken, soort v. peer.
Carmichael, kâmaik’l, kâmaik’l.
Carmine, kâm(a)in, karmozijn.
Carnage, kânidž, subst. bloedbad, slachting; — verb. moorden.
Carnal, kân’l, vleeschelijk, zinnelijk: — intercourse = vleeschelijke gemeenschap; —-minded = zinnelijk; Carnality, zinnelijkheid.
Carnarvon, kânâv’n.
Carnassial kânaš’l: — tooth = scheurtand.
Carnation, kâneiš’n, anjelier; vleeschkleur.
Carnegie, kâneigi.
Carnival, kâniv’l, carneval, pret.
Carnivore, kânivö, vleeschetend dier; Carnivorous, vleeschetend.
Carol, kar’l, subst. (lof)zang, lied, gekweel; — verb. (lof)zingen, kweelen.
Carolina, karəlainə; Caroline, karəl(a)in: The — Age = tijd van Karel I.
Carolus, karəlɐs, gouden munt (van Karel I) van 20, later 23 shillings.
Carom, karəm, carambole; gelukje; — verb. caramboleeren (Amer.).
Carousal, kərauz’l, feest, drinkgelag; Carouse, subst. drinkgelag; — verb. drinken, pret maken; Carouser = pretmaker.
Carp, kâp, karper.
Carp, kâp, vitten, bedillen (at).
Carpathian, kâpeithiən, Karpatisch.
Carpenter, kâp’ntə, subst. timmerman; — verb. timmeren; Carpentry = timmermansambacht, -werk.
Carpet, kâpət, subst. tapijt; tafelkleed, looper; adj. verwijfd, salon - -; — verb. met een tapijt beleggen; berispen: —ing = tapijtstoffen; It is on the — now = het is nu op het tapijt; To bring on the — = op het tapijt brengen (fig.); —-bag = subst. reiszak, valies: —-bag politicians of —-baggers = eigenlijk de politieke avonturiers, die na den oorlog v. 1861–65, naar de zuidelijke staten in N. Amer. trokken om, met behulp van de negro-vote, polit. invloed te krijgen en wier eenige property-qualification vaak slechts uit den inhoud van hun carpet-bags bestond; —-beater = tapijtklopper; bediende aan tafel (iron.); —-dance (—-hop) = geïmproviseerd huiselijk bal; —-knight = saletjonker; —-rod = traproede; —-slippers = gewerkte pantoffels; —-walk = zacht, mossig pad.
Carpus, kâpəs, handwortelbeenderen.
Carrack, karək, karaak.
Carrag(h)een, karəgîn, Iersch mos.
Carriage, karidž, subst. rijtuig, wagon; affuit; vervoer; vrachtprijs; last, gedrag, houding, leiding, geraamte (van wagens): —-builder; —-clock = reisklokje; —-door = portier; —-double = dubbele slag met den klopper; deurtjebel; —-drive = rijlaan; —-free = franco (—-paid); —-step = trede; —-tapper = spoorbeambte die a/h laatste station de rijtuigen nazoekt.
Carrick-bend, karikbend, kruissteek (scheepst.).
Carrier, kariə, vrachtrijder, vervoerder, voerman: General — = expediteur, bode, postduif (= —-pigeon).
Carrion, kariən, subst. kreng: —-beetle = aaskever; —-crow = aasraaf; —-vulture = aasgier.
Carrom, karəm, Zie Carom.
Carronade, karəneid, scheepskanonnetje.
Carrot, karət, gele wortel, karot: —s = rood haar; rooie; —y = geelrood.
Carry, kari, dragen, vervoeren, brengen, overbrengen, overdragen (van eigendommen enz.), binnenbrengen; wegnemen; uitwerken, volbrengen, de overhand behouden, verdragen, meebrengen, bij zich hebben, verkrijgen; uitdrukken; vertoon maken, bevatten; met geweld nemen, kleven (van sneeuw b.v. aan de voeten), het hoofd hoog dragen; draagwijdte: To — the day = de overwinning behalen; To — coals = zich als voetveeg laten gebruiken; To — coals to Newcastle = turf in ’t veen brengen; The motion was carried = aangenomen; Seven and eight are fifteen, five — one = vijf ’k houd er één; To — an outwork = (in)nemen (Mil.); To — property = overdragen; Don’t — tales = klap niet uit de school; To — the wind = het hoofd hoog dragen (van paarden); To — one’s years lightly = met eere. Met adject.: To — fair = zich vriendelijk toonen; That is —ing it very fine = gij neemt het zeer nauw; To — it high = zijn neus in den wind steken; Fetch and — = apporteeren. — Met voorz. en bijw.: To — about = (met zich) ronddragen; Quantity carried it against quality = won het van; To — along = voortdragen; To — away = wegdragen; As far as my memory will — me back = gaat; I was (got) carried away by my anger = liet mij meesleepen; He carried everything before him = won alles, van allen; It will be carried forward (to your credit) = geboekt, overgebracht; The work was carried into execution = ten uitvoer gebracht; To — off = wegvoeren; She carried off the honours in her class = behaalde de prijzen; To — a thing off = iets tot een goed einde brengen, redden door talentvolle behandeling, zich er doorslaan; Drink and idleness carried them off = sleepten … ten grave; Don’t — on like that = stel u niet zoo aan; To — on a business, a lawsuit = drijven, proces voeren; To — out = naar buiten dragen, uitvoeren, voleinden; To — over = overdragen, transporteeren, vertalen; The character of the hero is carried through to the end = volgehouden; They carried it through at all costs = zetten het door “coûte que coûte”; —-all = Am. rijtuig; slede; —ing-agent = expediteur; —ing-business = expeditiezaak; —ing-trade = expeditiezaak, reederij; vrachtvaart; —ing-traffic = goederenvervoer; —ing-van = vrachtwagen.
Carse(land), kâs(land), aangeslibd land (Schotl.).
Cart, kât, subst. vracht(kar); — verb. per vrachtkar vervoeren: To put the — before the horse = de paarden achter den wagen spannen; To be put in the — = beetgenomen worden; —age, kâtidž, vrachtvervoer, vrachtloon; Canvas —-cover = huif; —-horse = karrepaard; —-load = vracht; —-wheel = wagenrad, 5 shillingstuk; To do (tumble, turn) —-wheels = kopje-over duikelen; —wright = wagenmaker; —er = karrijder, vrachtrijder.
Carte, kât, paradeslag, menu, photographie: —-de-visite, kâtdəvizît.
Cartel, kât’l, kâtel, overeenkomst tot uitwisseling van gevangenen; cartel; uitdaging.
Cartesian, kâtîž’n, Cartesiaansch aanhanger van Descartes: —-devil (—-diver, —-figure) = C. duikertje.
Carthamus, kâthəmɐs, saffloer.
Carthage, kâthidž, Carthago; Carthagian, kâtheidžj’n, Carthaagsch; Carthager.
Carthusian, kâthjûžən, Karthuizer (monnik).
Cartilage, kâtilidž, kraakbeen; Cartilaginous, kâtiladžinɐs, kraakbeenachtig, kraakbeen …
Carton, kât’n, karton, wit van eene schietschijf of een schot daarin.
Cartoon, kâtûn, kartonteekening; spotprent, die een geheele pagina vult; patroon; —ist = caricatuurteekenaar.
Cartouche, kâtûš, kardoes, patroon; huls; sierlijst: —-box, kardoeskist.
Cartridge, kâtridž, patroon, kardoes: —-bag; —-box; —-paper (ook een soort teekenpapier); —-pouch = patroontasch; Ball —, Blank — = scherpe, losse patroon.
Cartulary, kâtjuləri, klooster of kerkregister, archief, archivaris.
Carve, kâv, snijden, voorsnijden, beeldsnijden, graveeren: To — one’s way = zich een weg banen; Every one must — out his own fortune = ieder is de bewerker van zijn eigen fortuin; —d = —n = gesneden, gebeeldhouwd; —r = beeldhouwer, houtsnijder; Carving = snijwerk: —-knife = voorsnijmes.
Caryatid, kariatid (Meerv. Caryatides, kariatidîz), caryatide.
Cascade, kaskeid, kleine waterval; ook — verb.
Case, keis, subst. etui, schede, kist, kast, koker, trommel, stolp, dek, overtrek, band, letterkast; gebeurtenis, voorbeeld, rechtszaak, rechtsgrond, naamval, geval, toestand; — verb. insluiten, overtrekken, in een koker of kist doen: Botanical — (Dressing —, Surgical —); In your — = geval; In — of need = geval van nood; In no —; In nine —s out of ten; To be in the — = in ’t spel zijn; The — is still on = de zaak is nog voor; The prosecution failed to make out its — = slaagde er niet in de aanklacht te motiveeren; To make out one’s own — = voor eigen belangen opkomen; —-harden = harden; verharden (fig.); —-bottle = veldflesch; —-knife = dolk, hartsvanger; —-shot = (granaat)kartets; —-window = schuifraam; —-work = het maken van den band, het bevestigen van het ingenaaide boek; zetten.
Casein(e), keisi-in, kaasstof.
Casemate, keismeit, kazemat; hol lijstwerk.
Casement, keism’nt, keizm’nt, openslaand venster, hol lijstwerk.
Caseous, keisiəs, kaasachtig.
Cash, kaš, subst. kas, geld, gereed geld; — verb. wisselen, incasseeren, te gelde maken, realiseeren, honoreeren; de kas opmaken (up): Down with the — = eerst geld! For — = à contant; To be in — = bij kas zijn; To be out of (not in, short of) — = slecht bij kas zijn; To keep the — = de kas houden; To pay (in) — = contant betalen; To sell for — = à contant; Hard (Ready) — = baar geld; These are 6 sh. — = kosten 6 sh. contant; —-book; —-box = geldcassette; —-keeper = kashouder; —-price = prijs tegen contant geld; —-system = contante betaling.
Cashier, kəšîə, subst. kassier; — verb. ontslaan, afdanken.
Cashmere, kašmîə, kašmîə, subst. cachemir: — shawl.
Cashoo, kəšû, cachou, of catechu.
Casing, keisiŋ, omhulsel, foudraal, overtrek, bekleeding, mantel.
Casino, kasînou, Casino.
Cask, kâsk, vat, ton; — verb. in een vat doen.
Casket, kâskət, cassette, kistje; kostbare doodkist (Amer.); — verb. in eene cassette of een kistje besluiten.
Caspian (The), kaspj’n, de Kaspische Zee.
Casque, kâsk, helm, stormhoed: Gold — = gouden oorijzer.
Cassation, kəseiš’n, cassatie: Court of — = hof van cassatie (Frankrijk).
Casse-paper, kaspeipə, kaspapier.
Cassia, kašə, cassia; kassie; laurier(bast).
Cassimere, kasimîə, kazimier (wollen stof).
Cassinet(te), kasinet, soort stof.
Cassino, kəsînou, soort kaartspel.
Cassock, kasək, engsluitende toog van priesters of koorknapen, soutane.
Cassonade, kasəneid, ongeraffineerde suiker.
Cassowary, kasəwəri, Casuaris.
Cast, kâst, subst. worp, gooi; oogopslap, blik; vorm, afgietsel, indruk, tint, karakter, aard, berekening, rolverdeeling; — verb. werpen, afwerpen, te vroeg werpen, neerwerpen, overwinnen, stem uitbrengen, doen verliezen, uitschiften, afdanken, berekenen; de rollen verdeelen; optellen, uitrekenen, krom trekken, gieten, stereotypeeren, vallen, zoeken: His genius was of a gloomy — = somberen aard; A promising — = goede hengelplaats; The — of a man’s features = vorm; The — of the play was excellent = rolverdeeling; He has a — in his eye = hij kijkt loensch; I am at the last — = tot het uiterste gebracht; He made an unsuccessful — at the line of the fox = slaagde niet het spoor te vinden; The die is — = de teerling is geworpen; The horse — itself = sloeg over den kop; To — (up) accounts (charges, expenses) = opmaken; To — anchor = laten vallen; To — doubts on = twijfel oppperen omtrent; To — dust into a person’s eyes = iemand zand in de oogen strooien; To — light on = licht laten vallen op; To — a look (glance, eye) on = blik werpen; To — lots = loten; To — a person’s nativity = iemands toekomst uit de sterren voorspellen; To — parts = de rollen verdeelen; To — reflections = critiseeren; The horse — a shoe = verloor een hoefijzer; To — a thing in a person’s teeth = iemand iets voor de voeten werpen; To — votes = stemmen; The cow has — her young = ontijdig geworpen; He — himself adrift upon the world = ging de wijde wereld in; To — loose = losgooien; Met voorz. en bijw.: To — about for the philosopher’s stone = zoeken naar den steen der wijzen; He was — for Horatio = aangewezen voor de rol; I — in my lot with that party = sloot mij aan bij; He began to — in his mind = bij zich zelven te overleggen; To — off copy = een gedeelte van een handschrift zetten, om te zien hoeveel pagina’s druks het wordt; To — off = losgooien (van een schip); The ship — off = gooide de trossen los; She — me off = gaf mij den bons; He — himself on his enemies = gaf zich over, deed een beroep op; I — myself on your pity = doe een beroep op; To — up = uitwerpen, opslaan, uitbraken; optellen, berekenen; —away, kâstəwei, subst. balling, verworpeling; schipbreukeling; ontredderd schip; adj. nutteloos, verworpen; —-house = gieterij; —-iron = gietijzer; adj. onverzettelijk, onhandelbaar; —-off = waardeloos, afgedankt; —-steel = gegoten staal; —ing = gieten, gietstuk; adj. beslissend: —ing-bottle = spuitfleschje; —ing-net = werpnet; —ing vote = beslissende stem.
Castanea, kasteinjə, kastanje.
Castanets, kastənets, castagnetten.
Caste, kâst, kaste: To lose — = zijn rang in de maatschappij verliezen; — feeling = kastengeest.
Castellan, kastəl’n, slotvoogd; Castellated = van torens en kanteelen voorzien.
Caster, kâstə, gooier, gieter, regisseur, rekenaar, wieltje, strooier, afgedankt dienstpaard: Set of —s = olie en azijnstel.
Castigate, kastigeit, kastijden, gispen, verbeteren; Castigation = kastijding, tekstverbetering.
Castile, kastîl, Castilië; Castilian, kastilj’n, Kastiliaan(sch).
Casting, Zie Cast.
Castle, kâs’l, subst. kasteel, slot; — verb. rokkeeren: It brought down the whole card-— = deed het heele kaartenhuis instorten; — in the air, — in Spain = luchtkasteel; —-builder = droomer, fantast; —-gate = slotpoort; —-keeper = slotvoogd; —d elephant = torendragende oorlogsolifant.
Castor, kâstə, bever(geil); kastoren hoed; wieltje; strooier: —-oil = wonderolie.
Castor and Pollux, kâstər’ndpoləks, de Tweelingen (Dierenriem); St. Elmusvuur.
Castoreum, kastôriəm, bevergeil.
Castrate, kastreit, castreeren, een boek zuiveren van aanstootelijke plaatsen; subst. eunuch; adj. gecastreerd; Castration = ontmanning, etc.; Castrato = gecastreerd zanger.
Casual, kažuəl, adj. toevallig, bij gelegenheid voorkomend; subst. daklooze (in een asyl of armhuis tijdelijk opgenomen): —s = de bij een ramp omgekomenen; de als vermist opgegevenen; — labourers = losse werklieden; — ward = asyl; Casualism = de leer dat alles toeval is; Casualist, aanhanger van die leer; Casualty = toevalligheid, toeval, ongeluk; —ties = verliezen aan menschenlevens, ongelukken, ongevallen.
Casuistic(al,) kažuistik(’l), casuistisch; Casuist = sophist; Casuistics = Casuistry, casuistiek.
Cat, kat, subst. kat (ook fig.); soort van schip, sterke takel, dubbele treeft; — verb. katten (scheepst.): Every — to her kind = het muist wat van katten komt; A — has nine lives = een kat komt altijd op zijn pootjes neer; The — is out of the bag = het geheim is verklapt; Care killed the — = Vooruit! er is geen lieve moederen aan; To let the — out of the bag = uit de school klappen; They live like — and dog = als kat en hond; It rained —s and dogs = het regende baksteenen; To see how the — jumps = de kat uit den boom kijken; He leads her a —-and-dog life = zij heeft een hondenleven bij hem; You have been made a —’s paw of by her = ze heeft je de kastanjes uit het vuur laten halen; The translator plays the — and banjo with Heine’s most tuneful metres = bederft totaal; —-bird = Amer. spotlijster; —-call (—-pipe) = schel fluitje; — verb. uitfluiten; —-eyed = in staat in ’t donker te zien; —-gut = darmsnaar; soort stramien; —-gut scraper = fidelaar; —-head = kraanbalk; —-nap = hazenslaapje, dutje; —’s eye = kat(ten)oog; —’s paw = licht briesje; dupe, werktuig; —’s meat = vleeschafval (voor katten); —’s-tail = kattestaart, breedbladige lischdodde; The —-scene = het tooneel (in de Engelsche pantomimes), wanneer alles duister is, juist voor de transformation scene; —tish = kattig; subst. —tishness.
Cataclysm, katəklizm, geweldige beroering, groote ramp, zondvloed: Cataclysmal, als een c.
Catacombs, katəkoumz, Catacomben.
Catafalque, katəfalk, katafalk.
Catalepsy, katəlepsi, zinvang; Cataleptic = lijder aan z.; lijdend aan z.
Catalogue, katəlog, subst. catalogus; — verb. catalogiseeren: He did not know how to — her = waar te plaatsen.
Catalonia, katəlounjə, Catalonië; —n, Catalonisch, Cataloniër.
Catamaran, katəməran, kətaməran, vlot, platboomd vaartuig; feeks.
Catamount(ain), katəmaunt(in), puma.
Catapult, katəpɐlt, catapult.
Cataract, katərakt, waterval; cataract, grauwe staar: To couch a — = van de staar lichten.
Catarrh, kətâ, catarrhe; —al syringe = neusspuit.
Catastrophe, kətastrəfi, catastrophe; adj. Catastrophic.
Catch, katš, subst. vangst, buit, trek, goede partij, voordeeltje, houvast, greep, strikvraag, stokken (v. stem), onderbreking, afwateringssloot, cànon (muziek), steunijzer, klink; — verb. vangen, grijpen, achterhalen (up), betrappen; boeien, winnen, begrijpen, treffen, toebrengen, in de rede vallen (up), blijven hangen, afnemen, vatten (van koude, eene ziekte, enz.); verward raken, in elkaar grijpen, aanstekelijk zijn, zich verbreiden (on): A bit of a — = een fortuintje; A poor — = schrale vangst; It is no great — = niet veel zaaks; Great —es = begeerlijke partijen; She married the — of the season = beste partij van het Season (in Londen van Mei tot Aug.); There is a — in it = er steekt wat achter; To live upon the — = van roof leven; To — it = een pak slaag oploopen, er van langs krijgen; — me (at it)! = dat kan je denken! dan kan je lang wachten! — and have = wien heeft, dien wordt gegeven; To — the Speaker’s eye = door opstaan den voorzitter om ’t woord vragen, het woord krijgen; To — a glimpse of = in ’t oog krijgen, even zien; To — hold of = aanpakken, vastgrijpen; I don’t — your meaning (what you say) = begrijp, snap niet; To — sight of = in ’t oog krijgen; To — step = in den pas komen; To — the train = halen; He caught at all opportunities = pakte aan; He caught at me = greep naar; I’ll make him — on = doen toehappen; You have caught on here = succes gehad; To — out = op een fout betrappen; The lake was caught over = met een vliesje ijs bedekt; He caught towards him a scrap of paper = haalde naar zich toe; To — up = haastig opnemen; terechtwijzen; —-drain = wetering, afvoerkanaal; —-’em-alive = soort vliegenpapier; —-lands = markegronden; —-line = korte titelregel tusschen 2 langere met grooter letter; vervolgwoord onder aan de bladzijde: The report of the Labour Commission is the latest —-line = het rapport van de Enquête-commissie v. d. Arbeid is het jongste opvallend onderwerp van den dag; —-meadow = gedraineerde weide; A —-penny title = een verlokkende, bedriegelijke titel; —phrase = een op effect berekende uitdrukking; —-pole, —-poll = dievenvanger; —-question = strikvraag; —word = vervolgwoord onder aan eene bladzijde, slagwoord (bij acteurs); leus; —ing = besmettelijk, aanstekelijk; pakkend, bekoorlijk.
Catchup, katšəp, pikante saus (uit champignons, tomaten, etc. ook Catsup, en Katchup).
Cate(s), keit(s), spijs, lekkernijen.
Catechetic(al), katəketik(’l), catechetisch; Catechism = catechismus; Catechistic(al) = catechetisch; Catechization = catechisatie, Catechize = catechiseeren, onder handen nemen.
Catechu, katə(t)šû, cachou.
Catechumen, katəkjûm’n, katechumeen, beginner.
Categorical, katəgorik’l, categorisch; Category = categorie.
Cater, keitə, voedsel, genot, enz. verschaffen: In those days art —ed to (for) the national vanity = vleide de kunst de nationale ijdelheid; —-cousin, keitəkɐz’n, verre bloedverwant, goede vriend; —er = leverancier, proviandmeester.
Cateran, katər’n, Iersche of Schotsche vrijbuiter.
Caterpillar, katəpilə, rups.
Caterwaul, katəwôl, subst. kattengegrol; — verb. grollen als krolsche katten.
Catharina, kathərainə, Catharina; Catharine, kathərin: —-wheel = radvenster; vuurrad: To do (turn) —-wheels = buitelen.
Cathedra, kathidrə, kəthîdrə, bisschopsstoel; katheder: Ex — = met gezag; uit de hoogte.
Cathedral, kəthîdr’l subst. kathedraal; adj.: — church = domkerk.
Catherine, kathərin.
Cathode, kathoud, negatieve pool (electr.).
Catholic, kathəlik, katholiek, algemeen, onpartijdig; subst. R. Katholiek: Roman — Church = de R.K. kerk; Catholicism, katholicisme; Catholicity = algemeenheid, onpartijdigheid; Catholicize = katholiseeren.
Catilina, katilainə (Catiline, katilain), Catilina; Catilinarian, Catilinarisch; samenzweerder.
Catkin, katkin, katje (van wilgen, enz.).
Catling, katliŋ, darmsnaar, ontleedmes.
Cato, keitou; Catonian = Catonisch, streng, deugdzaam.
Cattle, kat’l, rundvee; paarden: Blood — = stamboekvee: —-box (= —-truck) = veewagen; —-breeding = veeteelt; —-dealer = veehandelaar; —-plague = veepest; —-range (—-ranch) = weidegrond; —-run = weideplaats (Amer.); —-show = veetentoonstelling.
Caucasian, kôkeiš’n, Caucasisch; Caucasiër; Caucasus, kôkəsɐs, Caucasus.
Caucus, kôkəs, voorloopige partijbijeenkomst ter voorbereiding eener verkiezing (Amer.); kiescomité; — verb. door een caucus bewerken; een caucus houden.
Caudal, kôd’l, staart - -; Caudate = gestaart.
Caudex, kôdeks, stam v. palm, of boomvaren.
Caudle, kôd’l, kandeel.
Cauf, kôf, vischkaar.
Caught, kôt, imperf. en part. perf. van To catch.
Caul, kôl, darmnet; haarnetje, helm: To be born with a —.
Cauldron. Zie Caldron.
Cauliflower, koliflauə, bloemkool; Cauline = stengel …
Caulk, kôk. Zie Calk.
Causal, kôz’l, oorzakelijk; Causality = oorzakelijkheid; Causation = veroorzaking; Causative = causaal; causatief.
Cause, kôz, oorzaak, reden, beweegreden, zaak, aangelegenheid; — verb. veroorzaken, voortbrengen: The First — = God; He was called up to show — with reference to a nuisance = hij werd voorgeroepen om zich te verantwoorden wegens burengerucht (of overlast); He —d his men to follow him = liet; Causeless = zonder oorzaak.
Cause(wa)y, kôz(we)i, subst. straatweg, verhoogd voetpad, dam, steiger, aanlegplaats; — verb. plaveien: A little stone — = geplaveid straatje; A wooden — = steiger.
Caustic, kôstik, subst. bijtmiddel; adj. bijtend, scherp: Lunar — = helsche steen; Causticity = scherpheid, sarcasme.
Cauter, kôtə, brandijzer; Cauterization = uitbranding; Cauterize = uitbranden; Cautery = branden; brandijzer, brandmiddel.
Caution, kôš’n subst. omzichtigheid, waarschuwing; pand; iets geweldigs (zonderlings); — verb. waarschuwen: Well, you’re a —! = jij bent een best merk! That’s a — = da’s kras! —-money = waarborgsom; —ary = waarschuwend; Cautious = omzichtig: subst. —ness.
Cavalcade, kav’lkeid, cavalcade.
Cavalier, kavəlîə, subst. ridder, ruiter, cavalier, Royalist; adj. ongedwongen, zorgeloos, trotsch, aanmatigend.
Cavalry, kav’lri, ruiterij.
Cavatina, kavatînə, cavatine (muz.).
Cave, keiv, subst. hol, grot, het bukken of toegeven; afscheiding van een politieke partij; de afgescheidenen; — verb. instorten, inzakken, inslaan, uithollen, toegeven: He rose to make a speech but soon —d in = bleef steken; We shall never — in to the French, so far as Egypt is concerned = toegeven; A caved-in old hat; —-dwellers = holbewoners = —-men.
Caveat, keivjət, subst. protest; patentaanvrage (Amer.); — verb. een caveat beteekenen; caveeren (bij het schermen): To enter (Put in) a — = een protest indienen; Caveator = protesteerende; protestaanvrager.
Cavendish, kav’ndiš, kandiš, (tot koeken geperste) tabak.
Cavern, kavən, spelonk, hol; —ed, vol holen; Cavernous = hol, vol holen.
Caves(s)on, kavəs’n, neuspranger.
Caviar(e), kaviâ, kaviaar: — to the general = te fijn voor den grooten hoop.
Cavil, kav’l, verb. vitten op (at); subst. chicane, haarklooverij: Without — = buiten twijfel; —ler = vitter, nijdas.
Cavin, kavin, holle weg.
Cavity, kaviti, holte.
Cavort, kəvöt, steigeren, rondspringen, druk doen.
Caw, kô, subst. gekras; — verb. krassen.
Cawnpore, kônpûə, kônpə.
Caxton, kakst’n, Caxton; boek door Caxton gedrukt.
Cay, kei, rif, zandbank, eilandje.
Cayenne, keien, kaien, Cayenne(peper).
Cayman, keim’n, alligator, kaaiman.
Cazique, kəzîk, Amer. opperhoofd.
Cease, sîs, ophouden, staken, laten varen; doen ophouden: —less = onophoudelijk.
Cecil, sesil, sisil; Cecils, sîsilz, gebakken vleeschballetjes; Cecilia; Cecily.
Cedar, sîdə, subst. ceder; adj. van cederhout = —n = Cedrine, sîdr(a)in.
Cede, sîd, afstaan, opgeven, wijken.
Cedrat(e), sîdrit, citroenboom.
Cedric, sedrik.
Cee-spring, sîspriŋ, wagenveer in den vorm eener liggende c = ⏑.
Ceiling, sîliŋ, plafond, zoldering; wegering (scheepst.).
Celadon, seləd’n, bleekgroen (porselein); sentimenteele minnaar.
Celandine, sel’ndain, schelkruid.
Celebes, seləbîz, seləbez.
Celebrant, seləbr’nt, de priester, die de mis opdraagt: The —s of the Shelley Centenary = deelnemers aan de viering; Celebrate = vieren, loven, celebreeren, herdenken; Celebrated = beroemd, vermaard; Celebration = verheerlijking, viering; Celebrator = vierder; Celebrity, səlebriti, vermaardheid, roem, beroemdheid (ook fig.), beroemd persoon.
Celerity, səleriti, vlugheid, snelheid.
Celery, seləri, selderij.
Celestial, silestj’l, hemelsch (ook fig.), hemel …; Chineesch: — empire = China; subst. hemelling; Chinees.
Celestine, silestin, seləst(a)in, Celestine, Celestijner (monnik); een mineraal.
Celibacy, selibəsi, ongehuwde staat; Celibate, selibit, ongehuwd (persoon).
Cell, sel, cel, kluis, hol.
Cellar, selə, kelder: —flap = luik; —flap dance = potsierlijke matrozendans; — hole; —man = wijnkooper, kelderwaard; keldermeester; —age, seləridž, kelderruimte, kelderhuur; —er = keldermeester; Cellaret, Cellaret = likeurkeldertje.
Cellular, seljulə, cel - -: — tissue = celweefsel; —s = celplanten; Cellulate = met cellen; Cellule = celletje; Celluloid = celluloïde; Cellulose = cellulose; celachtig.
Celt, selt, Kelt; bronzen (steenen) beitel; —ic = Keltisch; —icism = Keltisch idioom (gewoonte).
Cement, siment, subst. cement, verband; — verb. cementeeren, samenbinden of -voegen; Cementation, cementeering; —er = bindmiddel.
Cemetery, semət’ri, begraafplaats.
Cenobite, sînəbait, kloosterling, ordebroeder.
Cenotaph, senətaf, cenotaphium.
Censer, sensə, wierookvat, bewierooker.
Censor, sensə, censor, zedemeester, kunstrechter; —ship = ambt van censor; censuur; Censorial, Censorious = berispend; Censoriousness = vitzucht; Censurable = berispelijk, laakbaar; Censure, subst. berisping, censuur, veroordeeling; — verb. berispen, bedillen, aanmerkingen maken: Motion of — = motie van afkeuring.
Census, sensəs, volkstelling: —-paper; —-taker = teller.
Cent, sent, honderd, cent, 1⁄100 dollar: Per — = percent; They do not count for a red — = zijn geen rooden duit waard; —-shop = goedkoope bazaar.
Cental, sentəl, 100 pond avoirdupois.
Centaur, sentö. Centaur, sterrenbeeld.
Centenarian, sentənêrj’n, honderdjarige.
Centenary, sentənəri, Centennial, subst. honderd jaar, eeuwfeest; adj. honderdjarig.
Centesimal, s’ntesim’l, subst. en adj. honderdste (gedeelte).
Centigrade, sentigreid, van honderd graden: Twelve degrees — = 12° Celsius.
Centimetre, sentimîtə, centimeter.
Centiped, sentiped, —e, sentipîd, duizendpoot.
Centner, sentnə, centenaar; 100-deelig gewicht.
Cento, sentou, compilatie.
Central, sentr’l, centraal; Centralization = centralisatie; Centralize = centraliseeren.
Centre, sentə, subst. middelpunt, centrum; — verb. in een middelpunt vereenigen (rusten), concentreeren: —-bit = centerboor; —-board = schip met kielzwaard; —-party = het Centrum; — of gravity = zwaartepunt; Centric = middelpuntig; Centricity = centrale ligging.
Centrifugal, sentrifjug’l, middelpuntvliedend: — force; — machine = centrifuge.
Centripetal, sentripət’l, middelpuntzoekend: — force.
Centuple, sentjup’l, subst. honderdvoud; — verb. verhonderdvoudigen.
Centurion, sentjûriən, centurio.
Century, sentjəri, eeuw: End-of-the-— product = fin de siècle, hypermodern product.
Cephalic, səfalik, sefəlik, hoofd - -: — medicine, middel tegen hoofdpijn.
Cephalitis, sefəlaitis, hersenontsteking.
Cephalonia, sefəlounjə, Cephalonië.
Cephalopod, sefələpod, sefaləpod, koppootig dier.
Cerago, sireigou, bijenbrood.
Ceramic, siramik: —s = ceramiek.
Cerate, sîrit, waszalf.
Cere, sîə, was(huid), verb. wassen, verzegelen: —cloth = wasdoek; in was gedrenkt lijkkleed = —ment(s).
Cereal, sîrj’l, graan …: —s = graanvruchten; Non — crops = aardappelen, knollen, etc.
Cerebellum, serəbel’m, kleine hersenen; Cerebral, serəbr’l, hersen …; Cerebrum, serəbrɐm, groote hersenen.
Ceremonial, serəmounj’l, ceremonieel, ritueel, plechtig, vormelijk; subst. ceremonieel; Ceremonious = plechtstatig, vormelijk: subst. —ness; Ceremony, ceremonie, vormelijkheid, hoffelijkheid: No Ceremonies! = geen complimenten! Master of Ceremonies = ceremoniemeester.
Ceroon, sərûn, theebaal, van huiden gemaakt; korf thee (rozijnen).
Cerris, Cerrus, serəs, Turksche eik.
Certain, sɐ̂tin, zeker, verzekerd, onfeilbaar, zekere, eenige: I will not be — = ik durf het niet zeker zeggen; —ty = zekerheid: For (of, to) a —ty, (To a live —ty) = zéér zeker.
Certes, sɐ̂tis, zekerlijk = Cert.
Certificate, sɐ̂tifikit, subst. getuigschrift, diploma, akte; — verb. sɐ̂tifikeit, een certificaat (attest) verleenen, diplomeeren: Do you hold —s? = ben je gediplomeerd? Nautical — = stuurmansdiploma; Certification = attest; Certifier = verklaarder; Certify, sɐ̂tifai, attesteeren, betuigen, berichten, verklaren: This is to — = hiermede verklaar ik; Certified copy = gewaarmerkt afschrift; This act certified him the knave he was = toonde; Certitude, sɐ̂titjûd, zekerheid, verzekering.
Cerulean, sərûlj’n, hemelsblauw.
Ceruse, sîrûs, sirûs, loodwit.
Cervical, sɐ̂vik’l, nek-, hals …
Cesar = Caesar.
Cess, ses, subst. belasting; — verb. belasten.
Cessation, seseiš’n, ophouding, stilstand: — of (from) arms = wapenstilstand.
Cessio bonorum, sešoubənôr’m, afstand door een insolvent verklaarde van al wat hij bezit aan zijne schuldeischers.
Cession, seš’n, afstand, cessie; —ary = afstand doende; cessionaris.
Cesspool, sespûl, riool, zinkput.
Cestus, sestəs, cestus.
Cetacea, siteišə, walvisschen; Cetacean, walvisch; Cetaceous = walvischachtig.
Cevennes, səven, (De) Cevennen.
Ceylon, silon, siloun, sîlən, Ceylon; —ese, sîlənîz, Ceylonees(ch).
Chab(o)uk, tšâbuk, tšəbuk, zweep.
Chafe, tšeif, warm wrijven, schuren, breken tegen; afslijten, sarren, boos maken, in toorn ontsteken: The horse —d upon the rein (bit) = schuimde in het gebit; —r = komfoor = Chafing-dish = komfoor.
Chafer, tšeifə, kever, meikever.
Chaff, tšäf, subst. kaf, haksel, kleinigheid; plagerij, scherts; — verb. gekheid maken, in ’t ootje nemen: To divide the wheat from the —; Take your — to the goslings. No gammon with me = Doe jij zoo met kleine kinderen. Ik laat niet met me spelen; —y = vol kaf; onbeduidend.
Chaffer, tšafə, handelen, marchandeeren, dingen; —er.
Chaffinch, tšafinš, boekvink.
Chagrin, šəgrîn, subst. kwelling, verdriet, slechte luim; — verb. verdrieten, plagen.
Chain, tšein, subst. keten, ketting, reeks; —s = gevangenschap; — verb. ketenen; aan een ketting leggen: To do the ladies’ — = een dansfiguur; —-bolt = deurketting; —-bridge = kettingbrug; —-gang = afdeeling kettinggangers; —-mail = maliënkolder; —-shot, kettingkogel; —-stitch = kettingsteek; —let = kettinkje.
Chair, tšêə, subst. stoel, zetel, voorzittersstoel, leerstoel, voorzitterschap, draagstoel; — verb. in een stoel in triomf ronddragen: To be in the (Vice-) —; This alderman has passed the — = is Lord Mayor van de City geweest; He took the (was called to the) — = presideerde, werd tot president verkozen; —-bottom = zitting; —-bottomer = stoelenmatter; —man = voorzitter; drager van een draagstoel; —manship = presidium.
Chaise, šeiz, sjees, rijtuig.
Chalcedony, kalsedəni, kalsədoni, chalcedoon.
Chalcograph, kalkəgraf, kopergravure. Chalcographer = graveur; Chalcography = graveerkunst.
Chaldaic(al), kaldeiik(’l), Chaldeeuwsch; Chaldea(n), kaldîə(n), Chaldea (Chaldeeuwsch, Chaldeeër).
Chaldron, tšôldr’n, koren- en kolenmaat (1163,157 L. koren; 2888,9752 L. kolen).
Chalet, šale, Zwitsersch landhuisje.
Chalice, tšalis, kelk, avondmaalsbeker; —d = kelkachtig.
Chalk, tšôk, subst. krijt, krijtstreep; — verb. met krijt mengen (schrijven, teekenen), aankalken, schetsen: French — = kleermakerskrijt; He is better than you by a long —, by long —s = oneindig beter; Not by a long — = op verre na niet; These things are as different as — from cheese, as — and cheese = verschillen hemelsbreed; I found my way —ed out for me = aangewezen; I will — it down = aankalken; To — down a scheme = schetsen; —-stone = jichtknobbels; —-Sunday = de eerste Zondag van den Vastentijd (Ierland), waarop de meisjes de vrijgezellen krijt op hun jas smeerden; —iness = krijtachtigheid; —y = krijtachtig; jichtknobbelachtig.
Challenge, tšal’nž, subst. uitdaging, aanroeping (van een schildwacht), wraken (van een lid der jury of een getuige), aanslaan der jachthonden; — verb. uitdagen, bestrijden, inroepen, eischen, wraken: I — contradiction = ik tart iedereen mij tegen te spreken; —r = uitdager, etc.
Chalybeate, kəlibi-it, adj. ijzerhoudend: — spring.
Chamade, šəmeid, chamade.
Chamber, tšeimbə, subst. vertrek, kamer (in verschillende beteekenissen); — verb. sluiten in (voorzien van) een kamer: —s = een reeks deftig gemeubileerde kamers, zittingzaal, privaat-bureau van een barrister in een Inn: He had been toiling at —s all day = op zijn bureau; — of Commerce = Kamer van Koophandel; — of a lock = schutkolk; —-council = —-counsel = advocaat, die slechts Chamber-practice uitoefent; diens advies; geheim advies (gedachte); —-maid = kamermeisje; —-master = schoenmaker, die thuis voor magazijnen werkt; —-music; —-pot; —-stool = nachtstoel; —ed: A six-—ed revolver.
Chamberlain, tšeimbəlin, kamerheer: Lord — = een der 14 dignitarissen van His Majesty’s Household.
Chambers, tšeimbəz.
Chameleon, kəmîl’n, chameleon.
Chamfer, tšamfə, subst. groef; — verb. canneleeren.
Chamois, šami, šamwô, gems, gemsleder; adj. geelbruin.
Chamomile, kaməmail, kamille.
Champ, tšamp, bijten (van een paard op zijn gebit), kauwen, stuk bijten: To — the bit = mokken (fig.).
Champagne, šampein, champagne.
Champaign, tšampein, (t)šsampein, subst. open, vlak land; adj. open, vlak.
Champerty, tšampəti, afspraak van den solicitor met zijn client om de eventueele voordeelen van het proces te deelen.
Champignon, (t)šəmpinjən, eetbare paddestoel.
Champion, tšampj’n, subst. kampioen; adj. kampioen …, uitstekend; — verb. verdedigen; —ship, kampioenschap.
Champop = Champagne = ‘panje’, ‘sjampie’.
Chance, tšâns, subst. toeval, kans, uitzicht, mogelijkheid; — verb. wagen, gebeuren: By — = toevallig; Main — = persoonlijk voordeel; On the off — = met ’t oog op de mogelijkheid; To stand a — = kans hebben; To take one’s — = het er op wagen; I —d to meet him = ik ontmoette hem toevallig; To — it = het er op aan laten komen; —-comer = een toevallig binnenkomende; —-games; —-medley = manslag uit noodweer.
Chancel, tšâns’l, koor (waar het altaar is, gewoonlijk met een hek afgesloten).
Chancellor, tšâns’lə, kanselier: Lord (High) — = Lord keeper = Minister van Justitie, Groot Zegelbewaarder, President van het House of Lords en voorzitter van de Chancery Division van het Hooggerechtshof; — of the Exchequer = hoofdambtenaar van de Treasury aan ’t hoofd waarvan The First Lord staat; —ship = kanselierschap.
Chancery, tšânsəri, kanselarij: — Division = afdeeling van het hoogste gerechtshof; To be in — = failliet zijn; in de klem zitten.
Chandelier, šandəlîə, kroonluchter; blindeeringsfascine.
Chandler, tšândlə, kaarsenmaker (verkooper): Corn — = factor; Ship — = winkelier in victualiën; —y = kleinhandel, winkel.
Change, tšeinž, subst. verandering, wijziging, overgang, afwisseling, nieuwigheid, variatie, modulatie, klein geld, pasmunt, geld dat men terugkrijgt, verschooning, de Beurs; — verb. veranderen, verwisselen, verruilen, (geld) wisselen, overstappen, zuur worden: To get (give) one his — = geld terug geven; iemand dienen (fig.); He won’t get much — out of me = hij zal van mij niet veel halen, krijgt bij mij den wind van voren; To have no —; They won’t have any — = behoeven niet over te stappen; To ring the —s = op allerlei manieren herhalen; valsch geld uitgeven, een winkelier in de war brengen zoodat hij te veel terug geeft; A complete — of linen = verschooning; The wind —d; To — trams; — here for Velp = Velp overstappen; He —d his dress (linen) = trok andere kleeren aan, verschoonde zich; To — to a steamer = overstappen op; He —d to the diplomatic service = ging over in; —ability = veranderlijkheid; —able, veranderlijk; subst. —ableness; —ful = veranderlijk; —less = onveranderlijk; —ling = wisselkind; weifelaar, wankelmoedige.
Channel, tšan’l, subst. kanaal, bedding, vaarwater, groef, voor; — verb. groeven maken: The (British) — = Het Kanaal.
Chant, tšânt, subst. lied, melodie, kerkgezang; — verb. zingen, bezingen, opdreunen: To — a horse = bedriegelijk verkoopen (door gebreken te verbergen); To — the praises of = (iemands) lof zingen; —er, zanger; melodiepijp; paardekooper; —icleer, tšantiklîə, kraaiende haan; —ry = kapel, waar dagelijks eene mis voor afgestorvenen gezongen wordt.
Chaos, keios, chaos; adj. Chaotic.
Chap, tšap, tšop, subst. kloof, spleet, reet; — verb. splijten, scheuren, doen barsten; —ped = opengesprongen, gebarsten; —py = gebarsten, open.
Chap, tšap, kerel, vent, klant; —pie = kereltje.
Chap, tšop, kaak; —s, snuit, muil; —-fallen = ontmoedigd.
Chap-book, tšap-buk, volksboekje waarmee vroeger gevent werd door —-men.
Chape, tšeip, knip, haak, schoen eener sabelscheede.
Chapel, tšap’l, kapel, godshuis (der van de Staatskerk afgescheidenen); — verb. een uil vangen (zeeterm): — of ease = hulp- of bijkerk.
Chapelet, tšapəlet, stijgbeugelriemen.
Chapelry, tšapəlri, kerkelijke gemeente tot ééne kapel behoorende.
Chaperon, šapəron, šapəroun, baret; oudere dame, die eene jongere vergezelt in het publiek; — verb. vergezellen, beschermen.
Chaplain, tšaplin, geestelijke op een schip, (bij het leger, in een gevangenis); huiskapelaan; —cy = —ship, waardigheid van een chaplain.
Chaplet, tšaplət, subst. krans, rozenkrans, eierstaaf (-lijst); kuif.
Chapter, tšaptə, subst. hoofdstuk, kapittel; — verb. in hoofdstukken verdeelen: — and verse = tekst en uitleg (fig.); You will be persecuted to the end of the — = altijd door, ten einde toe; The — of accidents = het toeval; —-house = kerkeraadskamer; vertrek waar het kapittel samenkomt.
Char, tšâ subst. appelforel.
Char, tšâ, verkolen.
Character, karəktə, subst. merk- of kenteeken, letter, karakter, gedrag, aard; getuigschrift, reputatie, origineel, persoon, naam, rol; — verb., kəraktə, inprenten, graveeren; kenschetsen: To act out of — = uit zijn rol vallen; To be in (out of) — = in, uit de rol; I gave him a good — = ik heb goede getuigen van hem gegeven; To go by the — of = doorgaan onder den naam; He has a — for hospitality = staat bekend als gastvrij; He took away my — = goeden naam; Characteristic = kenschetsend, eigenaardig; subst. kenmerk: To be — of = karakteriseeren; Characterization, karəktər(a)izeiš’n, kenschetsing; —ize = kenmerken, stempelen, karakteriseeren.
Charade, šərâd, šəreid, charade.
Charcoal, tšâkoul, houtskool; — verb. met houtskool zwart maken, door kolendamp bedwelmen.
Chare, tšêə, tšâ, uit werken gaan, huiswerk verrichten; subst. huiswerk.
Charge, tšâdž, subst. zorg, bewaking, opzicht, bevel, plicht, opdracht, ambt, pupil, toevertrouwd persoon (zaak), toespraak, aanval(signaal), last, beschuldiging, lading, prijs, kosten (—s), vergoeding: — verb. aanvallen, een charge doen, (be)laden, belasten, opdragen, bevelen, debiteeren, vermanend toespreken, beschuldigen, toevertrouwen, aanwijzen: A first — = preferente schuld; No — for delivery = franco huis; To be at (To bear) the — of = de kosten dragen; To sound the — = het signaal tot den aanval blazen; To give in — = toevertrouwen; laten arresteeren; The officer in — = dienstdoend; This minister is in — of the bill = zal het wetsontwerp verdedigen; To go into the —s = aanklacht erkennen; He laid it to my — = legde het mij ten laste; He grew up under my — = onder mijne hoede; — your glasses = vult; The judge —d the jury at great length = sprak breedvoerig toe; What do you — for these cigars? = hoeveel kosten? To — to one’s account (debit) = iemand debiteeren; To be —ed with a crime = beschuldigd; —-room = verhoorkamer (in een politiebureau); —-sheet = rol der arrestanten; —ability = toerekenbaarheid, belastbaarheid; —able = te belasten, verantwoordelijk: That was —able to me = dat kwam mij ten laste; —r = strijdros; groote schotel.
Chariot, tšariət, rijtuig, triomfwagen; Charioteer = wagenmenner, voerman.
Charitable, tšaritəb’l, liefdadig, barmhartig; —ness = liefdadigheid.
Charity, tšariti, menschenmin, naastenliefde, barmhartigheid, zachtheid, milddadigheid, gave, aalmoes, liefdadigheidsstichting: Sister of — = liefdezuster; In — = barmhartigheidshalve, voor niets; — begins at home = het hemd is nader dan de rok; To ask (beg) — = bedelen; To dispense — = gaven uitdeelen; It would be a — to help her = een goed werk; We parted in — = scheidden in vriendschap; —-boy (—-child) = kind uit een gesticht; —-school = armenschool, kostelooze school.
Charivari, šarivari, ketelmuziek, charivari.
Charlatan, šâlətan, kwakzalver, charlatan; —ism = marktgeschreeuw.
Charlemagne, šâl(i)mein.
Charles, tšâlz, (Charley, tšâli,) Karel; King —(’s) dog = Bologneesch hondje; —(’s) Wain = Wagen, Groote Beer.
Charlock, tšâlok, krodde, wilde mosterd.
Charlotte, šâlot
Charm, tšâm, subst. toovermiddel(-woord, -formule), amulet, bekoring; — verb. betooveren, verrukken, bekoren: A pig-— = gelukzwijntje aan een horlogeketting; Three is the — = alle goede dingen bestaan in drieën; To bear a —ed life = onkwetsbaar zijn; —er = charmeur, betooverend schepsel: To listen to the voice of the —er = naar het gefluit van den vogelaar; —ing = bekoorlijk; subst. —ingness; —less = zonder bekoring.
Charnel, tšân’l, lijken …, knekel …: —-house = knekelhuis.
Charon, kêr’n, Charon, veerman.
Charpie, šâpi, pluksel.
Charpoy, tšâpôi, veldbed (Brit. Ind.).
Chart, tšât, zeekaart, kaart, tabel, kompaskaart; — verb. (op een kaart aan)teekenen.
Charter, tšâtə, subst. charter, privilege, patent, (voor)recht; — verb. bevrachten, charteren, huren: —-house = Karthuizerklooster; een school en gasthuis in Londen; —-land = cijnsvrije bezitting; —-party = chertepartij, scheepsvrachtbrief.
Chartism, tšâtizm, de leer van F. O’Connor’s Radic. arbeiderspartij, geformuleerd in hun People’s Charter i.e. algemeen stemrecht, jaarlijksche parlementen, geheime stemming, kiesdistricten, en de betaling van de afgevaardigden der natie (1838–1848); Chartist = aanhanger van die leer.
Chartographer, kâtogrəfə, cartograaf; Chartography = cartographie.
Charwoman, tšêəwum’n, tšâwum’n, werkster; Charwork = huiswerk.
Chary, tšêri, zorgvuldig, karig, zuinig: — of praise = karig met lof.
Chase, tšeis, subst. jachtveld, vervolging, jachtstoet, het gejaagde wild, vervolgd schip; groef, voor; — verb. jagen, jacht maken op, nazetten, drijven: To send on a wild-goose — = voor den gek houden, van Pontius naar Pilatus zenden; To be in — (of), To give — = vervolgen; To — away (off) = wegjagen; —d work = gedreven metaal; —r = jager, drijver, springpaard, soort kanon, ciseleur.
Chasm, kazm, kloof, afgrond; —ed = —y = met kloven.
Chasse, šas: A cup of coffee and a — = ‘pousse’.
Chasseur, šasɐ̂, jager, chasseur.
Chassis, šasî, šasis, chassis, (inleg)raam, onderstel.
Chaste, tšeist, kuisch, rein; —n, tšeis’n, straffen, reinigen, zuiveren, matigen, verootmoedigen.
Chastise, tšəstaiz, kastijden, straffen, beteugelen, zuiveren; —r = kastijder; Chastisement = kastijding; Chastity, tšastiti, kuischheid, reinheid.
Chasuble, tšažub’l, kazuifel.
Chat, tšat, subst. gekeuvel; katje, rijsje, aar; naam voor verschillende vogels; aardappel (voor veevoer); — verb. keuvelen: To have a — together = keuvelen; —ty = praatziek.
Chatelaine, šatəlein, chatelaine.
Chatham, tšat’m.
Chatoyant, šətôj’nt, katoog; adj. glinsterend met verschillende kleuren; Chatoyment = kleurenspel.
Chatta(h), tšatə, tšâtə, parasol (Brit. Ind.).
Chattel, tšat’l: Goods and —s = have en goed.
Chatter, tšatə, subst. gesnap, gesnater; — verb. snappen, kakelen, klappertanden: —-box, —-basket = babbelkous; —-pie = klapekster (ook fig.); —er = babbelaar.
Chattiness, tšatinəs, babbelzucht; Chatty, Zie Chat.
Chaucer, tšôsə; adj. Chaucerian.
Chauffer, tšôfə, klein draagbaar fornuis.
Chauvinism, šouvinizm, chauvinisme.
Chaw, tšô, kauwen; (— up) afwijzen, zijn vet geven (Amer.).
Chaw-bacon, tšôbeik’n, pummel.
Chaworth, tšôwəth.
Cheap, tšîp, goedkoop, van weinig waarde; onlekker: Dog-(Dirt-)— = As — as dirt = spotgoedkoop; A man feels — in such a case = ellendig, nietswaardig; To get (come) off —(ly) = er blauw afkomen; To hold — = geringschatten; To make (render) oneself — = zich weggooien; —jack = marktschreeuwer; —-trippers = reizigers met pleiziertreinen; —en = afdingen, goedkoop worden, bekladden.
Cheat, tšît, bedriegen, beetnemen; subst. bedrieger, valsche speler: To — fatigue = verdrijven; To — one into the belief = wijsmaken; To — one out of = afzetten; To — at cards = valsch spelen.
Check, tšek, subst. schaak, belemmering, beteugeling, échec, cheque (Amer.), fiche (Amer.), berisping, verwijt, teleurstelling; controle, contremarque; geruite stof; schaak; — verb. schaakmat zetten (fig.), tegenhouden, beteugelen, berispen, afstempelen, inschrijven (Amer.), laten schrikken (scheepst.); collationneeren, controleeren: He was dressed in a summer — = geruit pak; He handed in his —s = stierf; To keep a — upon = in toom houden; To put a — upon = beteugelen, intoomen; — to the queen = schaak koningin; The king is —ed (is in —) = is schaak; He —ed himself = hield zich in; —-book = controleboek, chequeboekje; —mate = subst. schaakmat, nederlaag; — verb. schaakmat zetten = To give —mate; —-rail = rail, waardoor een trein op een ander spoor wordt gebracht; —-rein = trens; —-string = trekriem; —-taker = controleur; —ed = geruit; —er, subst. damsteen (—s = damspel), geruit uithangbord, herberg, controleur; — verb. = Chequer; —er-board = schaak(dam)bord; —y = in kleine vierkantjes verdeeld.
Cheechee, tšîtšî = Eurasian.
Cheek, tšîk, subst. wang, kaak; brutaliteit; driestheid; — verb. brutaliseeren: With the coolest — = zoo brutaal mogelijk; He has plenty of — = hij is zoo brutaal als de beul; — by jowl (jole) = wang aan wang, zij aan zij, gemeenzaam; —-bone = kaakbeen; —y = brutaal.
Cheela, tšîla, Hindoesch leerling.
Cheep, tšîp, tsjilpen, piepen: —er = jonge patrijs (veldhoen).
Cheer, tšîə, subst. stemming, blijdschap, onthaal, spijs, troost, gejuich, bijval; — verb. aanmoedigen, opmonteren, (toe)juichen, moed vatten, opfleuren: The table was filled with good — = lekkere spijzen; Be of good — = wees goedsmoeds; What —? = hoe gaat het? To receive with —s = met gejuich ontvangen; Three —s for = driemaal “hoera” voor; The speech was —ed to the echo = werd daverend toegejuicht; — up = schep moed; —ful = vroolijk; —fulness = vroolijkheid; —iness = opgeruimdheid; —less = droevig, somber; —y = opgeruimd.
Cheese, tšîz, kaas; overdreven diepe buiging: She dropped him a —; Making —s = een meisjesspel; He would make me believe that the moon is made of green — = hij wilde mij knollen voor citroenen verkoopen; That is the — = dat is je ware; Nip —s = krenterige lui; —-hopper, —-mite = kaasmijt; —-monger = kaaskooper; —-paring = kaaskorst: Financial —-paring = krenterigheid; —-press = kaaspers; —-rennet = Lieve-vrouwe-bedstroo; Cheesy = kaasachtig; schoon, mooi.
Cheeta(h). tšîta, jachtluipaard (Brit. Ind.).
Cheetal, tšîtəl, gevlekt hert (Brit. Ind.).
Chela, kîlə, schaar van krabben of kreeften; Cheliferous, kilifərɐs, van scharen voorzien; Cheliform, kîliföm, schaarvormig.
Chelmsford, tše(l)mzfəd; Chelsea, tšelsî.
Cheltenham, tšeltən’m.
Chemical, kemik’l, scheikundig: —s = chemicaliën; Chemico = scheikundig - -.
Chemise, šəmîz, (vrouwen)hemd; —tte, šemizet, chemiset.
Chemist, kemist, scheikundige, apotheker: Assistant in a —’s shop = apothekersbediende; Chemistry = scheikunde.
Chenille, šənîl, chenille.
Cheque, tšek, cheque: To give one a blank — = “Carte blanche” geven; —-book = chequeboekje.
Chequer, tšekə, met ruitjes versieren, schakeeren: His has been a —ed life = veel bewogen leven.
Cherish, tšeriš, liefhebben, liefkoozen, koesteren, voeden: To — a secret = een geheim trouw bewaren.
Cheroot, (t)šərût, soort v. sigaar (manilla model).
Cherry, tšeri, subst. kers; adj. kerskleurig; van kersehout: Bob — = spelletje waarbij men een kers, waarvan men den steel tusschen de lippen neemt, zonder er met de handen aan te komen in zijn mond werkt; —-cheeked apples = appels met roode wangen; —-stone = kersepit.
Cherson, kɐ̂soun.
Chersonese, kɐ̂sənîz, kɐ̂sənîz, schiereiland.
Chert, tšɐ̂t, vuursteen, hoornsteen.
Cherub, tšerəb, cherubijn; —ic(al), tšərûbik(’l), engelachtig.
Chervil, tšɐ̂vil, kervel.
Cheshire, tšešə.
Chess, tšes, schaakspel: To play at — = schaken; A game of — = spel schaak; —-board; —-man = stuk; —-tournament = schaakwedstrijd.
Chest, tšest, subst. koffer, kist, kas, borstkas; — verb. opsluiten; met de borst tegenaan loopen: There was something on his — = hij had iets op het hart; She heaved her — = slaakte een zucht; — of drawers = latafel; —-foundered = dampig; Flat (feeble) —ed.
Chestnut, tšesnət, subst. kastanje(boom); adj. kastanjekleurig: That is a — = ouwe mop; To pull the —s out of the fire for another.
Cheval, šəval: — glass = toiletspiegel; Chevaux-de-frise = Spaansche ruiters, rij spijkers op een muur.
Chevalier, ševəlîə, ridder, cavalier, ruiter.
Cheverel, Cheveril, šev’ril, subst. bokje; zeemleer; adj. rekbaar (fig.).
Cheville, šəvil, vioolschroef; stopwoord.
Cheviot, tšiviət, tšîviət, tševiət, Cheviot-(schaap).
Chevron, ševr’n, chevron.
Chevrotain, ševrət(e)in, bisamhertje.
Cheyne, tšein, tšain.
Chew, tšû, kauwen, pruimen, overdenken (on, upon); subst. mondvol, pruim: To — the cud = herkauwen; overleggen.
Chian, kaiən, van Chios.
Chiante, kianti, Tosc. roode wijn.
Chiaroscuro, kjâroskûrou.
Chibouk, Chibouque, tšibûk, Turksche pijp.
Chic, šîk, chic, chiek.
Chicago, šikâgou, šikôgou, šikeigou.
Chicane, šikein, subst. chicane; — verb. chicaneeren; —ry = chicanes, haarklooverij.
Chichester, tšišəstə.
Chick, tšik, kuiken: bamboejalouzie (Brit. Ind.), snoes: He has neither — nor child = kind noch kraai; —ling = kuikentje; —-pea = keker; —-weed = gewone sterrenmuur.
Chickeen, tšikîn, 4 ropijen.
Chicken, tšik’n, kuiken: You must not count your —s before they are hatched = je moet de huid niet verkoopen voor de beer gevangen is; Mother Carey’s — = stormzwaluw; iemand die altijd slecht weer heeft; —-broth = kippesoep; —-hearted = lafhartig; —-pox = waterpokken; —-rising apparatus = broedmachine.
Chicory, tšikəri, cichorei, suikerij: As much like a gentleman as — is like coffee.
Chide, tšaid, beknorren, berispen, twisten, kijven.
Chief, tšîf, adj. voornaamste, hoogste, opperste; subst. hoofd, bevelhebber: Command(er) in — = opperbevel(hebber); To hold land in — = land onmiddellijk in leen hebben van den souverein; —-baron = president van het vroegere Court of Exchequer; Lord —-justice = President van de King’s Bench Division van het Hooggerechtshof; —ly = voornamelijk; —tain = hoofd, aanvoerder; —taincy, —tainry, —tainship = leiderschap.
Chiffonier, šifənîə, voddenraper; chiffonière.
Chignon, šinjon, chignon.
Chikara, tšikâra, Bengaalsche antiloop.
Chilblain, tšilblein, builen aan handen en voeten door de koude.
Child, tšaild (Meerv. Children, tšildr’n), kind: The — is father of (to) the man = zoo kind, zoo man; This — = mijn persoontje (Amer.); From a — = van kindsbeen af; With — = zwanger; —bearing = baren; In —bed = in het kraambed; —birth = bevalling; —ermasday, tšaildəmasdei, herdenking (in de Eng. Kerk) van den kindermoord (28 December); —’s-play = kinderspel (ook fig.); —hood = kindsheid; Second —hood = kindschheid; —ing = kinderen barend; —ish, —like, —ishminded = kinderlijk, kinderachtig; —ishness = kinderlijkheid.
Childe, tšaild, jonker.
Chili, tšili; Chilian, tšilj’n, Chiliaan(sch).
Chiliad, kiliad, duizend jaren.
Chill, tšil, kil, koel, koud, ontmoedigend; subst. koude rilling, koude, koudheid; — verb. koud maken (worden), verstijven, ontmoedigen, temperen, huiveren: To catch a — = een bekleuming opdoen; To take the — off = laten beslaan; —(i)ness = koude, etc.; —ing blast = snijdende wind; —y = kil, kleumsch; onhartelijk.
Chiltern Hundreds, tšiltənhɐndridz, Domeingoederen in Bucks. en Oxfords., waarover het nominale rentmeesterschap wordt gegeven aan een parlementslid, dat aftreden wil, daartoe niet het recht heeft, doch als Steward hiertoe verplicht is.
Chimb, tšaim, kim van een vat.
Chime, tšaim, klokkenspel (—s = carillon, melodie), rhythmus, harmonie, kim; — verb. harmonisch luiden (klinken), harmonieeren, instemmen, invallen (in); overeenstemmen (with).
Chimera, kai- of kimîrə, Chimaera; schrikbeeld; hersenschim; Chimeric(al) = hersenschimmig.
Chimere, šimîə, tšimə, wit opperkleed van een bisschop.
Chimney, tšimni, schoorsteen, lampeglas: The — smokes = de schoorsteen rookt, de lamp walmt; —-cap = gek; —-corner = hoekje v. d. haard; —-hook = ketelhaak, vuurhaak; —-money = belasting op schoorsteenen; —-piece = schoorsteenmantel; —-pot = schoorsteenpot; kachelpijp (fig.) = —-pot (silk) hat; —-shaft = deel van den schoorsteen boven het dak; —-sweep(er) = schoorsteenveger.
Chimpanzee, tšimpanzî, tšimpanzî, chimpansé.
Chin, tšin, kin: To thrust the — into the neck = den neus in den wind steken; Up to the — = tot over de ooren; Double —ned = met onderkin; —-music = gesnater; —-scale = (helm)ketting; —-strop = kinriem.
China, tšainə, China; porselein; adj. porseleinen: —-clay = porseleinaarde; —man = Chinees; schip, dat op China vaart; —-orange = sinaasappel; —-shop = porseleinwinkel; —ware = porselein; Chinee = Chinees; Chinese, tšainîz, tšainîs, Chinees(ch), Chineezen: — lantern = lampion.
Chinch, tšinš, graanworm; wandluis (Amer.).
Chinchilla, tšintšilə, chincilla (bont).
Chine, tšain, subst. ruggegraat, ruggestuk, rug; kloof.
Chink, tšiŋk, subst. spleet, reet; gerinkel; geld; — verb. stoppen; rinkelen.
Chinka, tšinka, soort hangende brug (Brit. Ind.).
Chintz, tšints, sits.
Chios, kaios.
Chip, tšip, subst. brokje, splintertje, spaan, afval (= —s), soort hoed van gevlochten bast; — verb. stuk snijden, bekappen, afbreken, afschilferen, afbrokkelen, openspringen: He is a — of the old block = hij heeft een aardje naar zijn vaartje; Not to care a — for = geen lor geven om; A little — of an old lady = een oud dametje; From —ping comes —ping = men hakt geen hout of er vallen spaanders; —-axe = timmermansbijl, snik, houweel.
Chippendale, tšipəndeil, een meubelmaker uit het midden van de 18de eeuw.
Chippy, tšipi, katterig.
Chirk, tšɐ̂k, levendig, vroolijk; — verb. tjilpen (Amer.).
Chiropodist, Chiropedist, kairopədist, spécialist voor ziekten aan handen of voeten; likdoornsnijder.
Chirp, tšɐ̂p, tjilpen, kweelen; subst. gekweel, getjilp; —er.
Chirr, tšɐ̂, kirren.
Chirrup, tširəp, verb. tjilpen, opvroolijken; interj. allo! —py = levendig, opgewekt.
Chirurgeon, kairɐ̂dž’n, wondheeler, chirurg.
Chisel, tšiz’l, subst. beitel; — verb. beitelen, uitbeitelen, beeldhouwen; bedriegen.
Chisholm, tšiz’m, Chislehurst, tšiz’lhɐ̂st; Chiswick, tšizik.
Chit, tšit, kind, klein nest, jong ding: A — of a child; A little — of a nurse-girl; —ty = klein en mager, kinderachtig; subst. brief, pas.
Chit-chat, tšitšat, gekeuvel, gebabbel, praatjes.
Chitter, tšitə, huiveren, rillen, klapperen (van tanden).
Chitterlings, tšitəliŋz, varkensdarmen.
Chivalresque, šiv’lresk = Chivalric, šiv’lrik, šivalrik = Chivalrous = ridderlijk; Chivalry, šiv’lri, ridderschap, ridderlijkheid.
Chiv(e)y, tšivi, (op)jagen.
Chloe, kloui.
Chloral, klôr’l, chloraal; —-eater = aan ’t gebruik van chloraal verslaafde; —ism = vergiftiging door onmatig gebruik van chloraal.
Chlorine, klôr(a)in, chloor; adj. groen.
Chloroform, klôrəföm, chloroform; — verb. chloroformiseeren.
Chlorosis, klərousis, bleekzucht; Chlorotic = bleekzuchtig.
Chock, tšok, klos; — verb. vastzetten.
Chock, tšok: —-a-block = —ful = stikvol.
Chocolate, tšokəlit, subst. chocolade; adj. chocoladekleurig: —-cake = koekje; —-creams = pralines; —-drop = flikje.
Choice, tšôis, subst. keus, keur, assortiment; adj. uitgelezen, keurig; For — = bij voorkeur; To make — = kiezen (of); To have (make, take) one’s — = een keus doen; To have Hobson’s — = van den nood eene deugd moeten maken; —ness = uitgelezenheid.
Choir, kwaiə, subst. koor, zangkoor; — verb. in koor zingen; —-screen = koorhek.
Choke, tšouk, worgen, verstikken, naar adem snakken, stikken; verstoppen, versperren (up); remmen: To — off = door worgen dwingen tot loslaten, smoren, den mond snoeren, afschrikken, remmen; subst. baard van de artisjok; snik; —-damp = stiklucht, mijngas; —-pear, —-plum (= —r) = aftroeving; —weed = bremraap; —ful = stikvol; —rs = witte das, vadermoorders (fig.): White —rs = geestelijken, kellners; A speckled —r = hooge das met stippels; Choky, verstikkend.
Choler, kolə, gal; toorn; Choleric, kolərik, galzuchtig, opvliegend.
Cholera, kolərə, cholera; Cholerine, kolər(a)in, cholerine.
Cholmondeley, tšɐmli.
Choltri, tšoultri, herberg (Brit. Ind.).
Choose, tšûz, kiezen, verkiezen, uitkiezen, liever hebben (— rather): There is not much to — between them = ’t is één pot nat; I cannot — but say = ik kan het niet helpen, maar.…
Chop, tšop, subst. cotelet of ribbetje, houw, korte golfslag, stempel, douanebiljet, kwaliteit; — verb. afkappen, kappen, hakken, voortdurend veranderen; —s = kinnebak, bek, monding: —s and changes = wisselingen; To — and change = koopen en verkoopen; voortdurend veranderen; To — logic = redekavelen; —-fallen (Zie Chap-fallen); — house = gaarkeuken; —-sticks = eetstokjes; —per = hakmes: Logic —per = wauwelaar; —ping = flink, kort (van golfslag), plotseling omslaand (wind); —ping-block = hakbord; —ping-knife = hakmes; —py = vol barsten; onstuimig.
Chopin, tšopin, oude vochtmaat 0,85 L. (Schot.) 0,23 L. (Eng.).
Choral, kôr’l, tot een koor behoorend, in koor gezongen; Chorale, kərâl, koraal.
Chord, köd, subst. snaar, pees, accoord, koorde; — verb. besnaren.
Chore, tšö huiswerk (Amer.). Zie Chare.
Chorea, kərîə, St. Vitusdans.
Chorister, koristə, koorzanger, leider van een kerkkoor (Amer.).
Chortle, tšöt’l, grinniken.
Chorus, kôrəs, koor, refrein; — verb. in koor zingen.
Chose, šouz, zaak (jur.).
Chose, tšouz, imperf. van To choose; —n, part, van To choose: My —n friend = boezemvriend.
Chough, tšɐf, kauw.
Choultry, tšoultri, tšaultri, herberg (Brit. Ind.).
Chouse, tšaus, bedrog; — verb. bedriegen; —r = bedrieger.
Chow-chow, tšautšau, subst. Chineesche maaltijd; soort mixed pickles; adj. vermengd.
Chowder, tšaudə, subst. gerecht, bestaande uit visch, varkensvleesch en scheepsbeschuit; een picnic waarbij dit de hoofdschotel is; —-headed = dom, suf.
Chowree, Chowry, tšauri, vliegenwaaier (Brit. Ind.).
Chrestomathy, krəstoməthi, bloemlezing.
Chrism, krizm, heilige olie; Chrismation = toediening van het oliesel; Chrismatory = fleschje met gewijde zalfolie.
Chrisom, kriz’m, doek, gezalfd met heilige olie, en den kinderen bij het doopen op het hoofd gelegd; doopkleed, pasgedoopt kind; kind, dat binnen eene maand na den doop sterft.
Christ, kraist, Christus; —-cross-row, kriskrosrou, ’t alphabet; —en, kris’n, doopen, noemen; —endom, kris’nd’m, Christenheid; —ian, kristj’n, subst. Christiaan; Christen; adj. Christelijk: —ian era = Chr. jaartelling; —ian name = doopnaam; —ianity, krist’janiti, Christendom; Christianize = bekeeren.
Christmas, krisməs, subst. Kerstmis; adj. tot het Kerstfeest behoorende: —-box, krisməsboks, kerstgeschenk; —-carol, krisməskar’l, kerstzang; —-day = Kerstdag, Kerstfeest; —-eve, krisməzîv, (de avond van) 24 December; —-flower = —-rose = helleborus, zwarte nieswortel; —-tide = Kersttijd; —(s)y = kerstfeestachtig.
Christina, kristînə.
St. Christopher, s’ntkristəfə.
Chromatic, krəmatik, chromatisch: —s = kleurenleer; — scale = chromatische toonladder.
Chrome, kroum, Chromium, kroumjəm, chromium.
Chromolithography, krouməlithogrəfi, chromolithographie = Chromo: You will find insurance —s in all my rooms = gekleurde platen van levensverzekeringmaatschappijen.
Chronic, kronik, chronisch; —al = tijdelijk.
Chronicle, kronik’l, subst. kroniek; — verb, boekstaven; —r = kroniekschrijver; Chronologic(al) = chronologisch; Chronology, krənolədži, chronologie.
Chronometer, krənomətə, chronometer.
Chrysalis, krisəlis (Meerv. Chrysalides, krisalidîz) pop (van een vlinder).
Chrysolite, krisəlait, chrysoliet.
Chub, tšɐb, wimber.
Chubbiness, tšɐbinəs, dikwangigheid, molligheid; adj. Chubby.
Chubb-lock, tšɐblok, slot, naar een bekend slotenmaker, Chubb, genoemd.
Chuck, tšɐk, subst. geklok, lieverd, aai (onder de kin), worp (tot op kleinen afstand); — verb, klokken, roepen, aaien, gooien, er uit gooien (out): To — the whole business (thing) = er den brui van geven, met iets uitscheiden; To — under the chin = strijken; To — up the sponge = zich gewonnen geven; —-farthing = subst. een spel, waarbij centen in een kuil worden geworpen: To play —-farthing with = weggooien, op ’t spel zetten; adj. ondoordacht: —-farthing politics.
Chuckle, tšɐk’l, subst. klokken, gegrinnik; — verb, klokken, kakelen, liefkoozen, grinniken: To — up (in) one’s sleeve = in zijn vuistje lachen; —-head = domkop; —-headedness = domheid.
Chudleigh, tšɐdli.
Chum, tšɐm, subst. contubernaal, kameraad, intieme vriend; — verb. met iemand samen eten of wonen; —my = intiem, gezellig.
Chump, tšɐmp, subst. houtblok; kop, schaapskop (fig.): He’s off his — = niet recht snik; — verb. eten kauwen.
Chunam, tšunâm, kalk ter bestrijking der in sirihbladeren gewikkelde areka.
Chunk, tšɐŋk, brok, klomp: We’ve cut off a bigger — than we can chew = onze oogen waren grooter dan onze maag; —y = kort en dik.
Chupatti, tšûpati, ongezuurde koek (Brit. Ind.).
Chuprassy, tšûprasi, boodschaplooper (Brit. Ind.).
Church, tšɐ̂tš, subst. kerk, de geestelijkheid; ook verb.: To be —ed = den kerkgang doen; in de kerk genoemd worden bij wijze van afkeuring (Amer.); Anglican — = — of England; Broad — = kerk met meer liberale leerstellingen; High — = Angl. kerk; Low — = het Calvinistisch gezinde gedeelte der Angl. Church; To be at (in) —; To attend — = bijwonen; To go to —; He was as fast asleep as a — = hij sliep zeer vast, als een marmot; They were asked in — = zij stonden onder de geboden; —-burial = begrafenis naar den ritus der kerk; —-goer = kerkganger; —-living = prebende, predikantsplaats; —man = geestelijke; lid van de Angl. kerk; —-music = koraalmuziek; —-rate = kerkbelasting; —warden = kerkmeester, kerkvoogd; lange pijp; —yard = kerkhof; —ing = kerkgang na bevalling; —y = kerksch.
Churl, tšɐ̂l, landman, vlegel, vrek; —ish = boersch, lomp, vrekkig.
Churn, tšɐ̂n, subst. karn; — verb. karnen, krachtig roeren, koken of zieden.
Chute, šût, vangzeil (= Canvass —), goot, stroomversnelling; opening in een dam voor vlotten (Amer.).
Chutnee, Chutney, tšɐtni, Ind. kruiderij.
Chyle, kail, chijl.
Chyme, kaim, chym of spijspap.
Ciborium, sibôrj’m, ciborie, hostiekastje, hostievaas.
Cicada, sikeidə, cicade, zingende krekel, soms sprinkhaan = Cicala, sikâlə.
Cicatrice, sikətris, litteeken, nerf. Zie Cicatricle.
Cicatricle, sikətrik’l, nerf; hanetred.
Cicatrix, sikeitriks, sikətriks, litteeken, nerf; Cicatrization = vergroeiing; Cicatrize = vergroeien.
Cicero, sisərou; Ciceronian, Ciceroniaansch.
Ciceron(e), tšitšərouni, sisərouni = cicerone.
Cichory, sikəri; Zie Chicory.
Cicuta, sikjûtə, dolle kervel, waterscheerling.
Cid, sid, opperhoofd, aanvoerder (Spaansch).
Cider, saidə, cider, appelwijn.
Cigar, sigâ, sigaar; —-box = kistje; —-case = koker; —-cutter = knipper; —-divan = rooksalon, waar men voor 1 sh. een sigaar en een kop koffie krijgt; —-factory = fabriek; —ette, sigəret, cigarette.
Cilia, siljə, oogharen; Ciliate(d), met wimpers; Ciliary, wimper - -.
Cimbric, simbrik, Kimbrisch(e taal.)
Cimmerian, simîrj’n: — darkness = uiterste duisternis.
Cinchona, sinkounə, kinaboom.
Cincinnati, sinsinâti, sinsinati.
Cincture, sinktjə, gordel, band; — verb. omgorden.
Cinder, sində, sintel, slak: Yours to a — = tot mijn laatsten snik; —-pail = doofpot; —-woman (—-wench) = kolenraapster; —y = slakvormig.
Cinderella, sindərelə, Asschepoetster (ook fig.): —’s glass slipper.
Cinematograph, s(a)inəmatəgraf, kinematograaf.
Cineraria, sinirêriə, cineraria.
Cinerary, sinərəri, subst. urn; adj. asch…: —-vase (—-urn).
Cingalese, siŋgəlîz, siŋgəlîs, Cingaleesch; subst. Cingalees.
Cinnabar, sinəbâ, cinnaber.
Cinnamon, sinəm’n, kaneel; —-stick = pijpkaneel; —-stone = kaneelsteen.
Cinque, siŋk, vijf: —foil = vijfvingerkruid; —-ports = vijf havenplaatsen: Dover, Sandwich, Hastings, Romney en Hythe, waarbij later nog kwamen Winchelsea, Rye (en Seaford), onder bevel van den Lord Warden of the —-ports, ter verdediging van de kust; het ambt is thans een sinecure.
Cipher, saifə, subst. de 0, cijfer, naamletter, cijferschrift; — verb. berekenen, cijferen, ontcijferen, meeklinken: To be (stand for) a mere — = een nul in ’t cijfer zijn; What’s the —? = wat kost het? —-key = sleutel; —ing-book = rekenboek.
Circassia, sɐ̂kašə, Circassië: —n = Circassiër; Circassisch.
Circe, sɐ̂sî, Circe; Circean, betooverend.
Circensian, sɐ̂senš’n, circus …
Circle, sɐ̂k’l, subst. cirkel, kring, omtrek, cirkelgang, rang, diadeem; — verb. zich in het rond bewegen, zwenken (v. cavalerie), omringen: To go round in a — = in een kringetje ronddraaien (ook fig.); —-trains = ceintuurbanen; —d in on all sides = rondom ingesloten; —t = cirkeltje, ringetje.
Circuit, sɐ̂kit, omloop, omtrek, geregeld bezoek of rondgang, (rechts)gebied, omweg: — verb. zich in een kring bewegen; Ten miles in — = in omtrek; To make a — = omweg; To go the — = zijne tournée maken; To put in —, out of — = aansluiten (van telefoon, b.v.), in- uitschakelen; —or = rondreizend inspecteur; —ous, sɐ̂kjûitəs, met een omweg; —y, sɐ̂kjûiti, kringloop, cirkelgang, omweg.
Circular, sɐ̂kjulə, subst. circulaire; adj. cirkelvormig, rond, rondgaand; — announcement (— letter) = circulaire; — letter of credit (— note) = kredietbrief: —-sailing = het zeilen langs den boog van een grooten cirkel; — ticket = rondreisbiljet; Circularity = rondheid; Circularize = circulaires zenden; Circulate = (laten) circuleeren, rondgaan, verkeeren; Circulating: — decimal = repeteerende breuk; — library = leenbibliotheek; — medium = ruilmiddel; Circulation, circulatie, omloop: — of the blood; Bank of — = girobank; — of matter = stofwisseling; To be (To put) in —; Circulative = circuleerend; Circulator = repetent: — of scandal = lastertong; Circulatory = circuleerend, rondtrekkend.
Circumambient, sɐ̂k’mambj’nt, omgevend; Circumambulate = rondwandelen; polsen; Circumambulation = rondgang, etc.; Circumbendibus = omweg.
Circumcise, sɐ̂k’msaiz, besnijden; Circumcision = besnijdenis.
Circumference, sɐ̂kɐmfər’ns, omtrek; adj. Circumferential.
Circumflex, sɐ̂k’mfleks, circonflex; rondbuigen, van een circonflex voorzien.
Circumfluent, sɐ̂kɐmfluent, omstròòmend.
Circumfuse, sɐ̂k’mfjûz, omgieten; Circumfusion = verbreiding (fig.).
Circumgyrate, sɐ̂k’mdžaireit, ronddraaien; Circumgyration = ronddraaiing.
Circumjacent, sɐ̂k’mdžeis’nt, omliggend, omgevend.
Circumlocution, sɐ̂k’mləkjûš’n, omschrijving; noodelooze omslag; Circumlocutory, sɐ̂k’mlokjutəri, omschrijvend.
Circumnavigable, sɐ̂k’mnavigəb’l, omvaarbaar; Circumnavigate = omvaren; Circumnavigation = òmvaring; Circumnavigator.
Circumpolar, sɐ̂k’mpoulə, om de pool.
Circumscribe, sɐ̂k’mskraib, omschrijven, beperken; Circumscription = begrenzing, beperking.
Circumspect, sɐ̂k’mspekt, omzichtig; Circumspection = omzichtigheid.
Circumstance, sɐ̂k’mst’ns, subst. omstandigheid, voorval, gebeurtenis, toestand; — verb.: To be —d = in een bepaalden toestand zijn; Not a — to = niets in vergelijking met (Amer.); Circumstantial, omstandig, toevallig: — evidence = derivatief bewijs, bewijs door reductie; tegenover Direct evidence = blijk; Extenuating —s = verzachtende omstandigheden; Circumstantiate = omstandig meedeelen, verifieeren.
Circumvallation, sɐ̂k’mvəleiš’n, circumvallatie.
Circumvent, sɐ̂k’mvent, misleiden, bedriegen; —ion = bedrog; —ive = bedriegelijk.
Circumvolute, sɐ̂kɐmvəl(j)ût, omwikkelen. Circumvolution = omwikkeling.
Circus, sɐ̂kəs, circus: —-rider = paardrijder.
Cirencester, sisəstə.
Cirrose, sirous, Cirrous, sirəs, met ranken (vederwolken); Cirrus, sirəs (Mv. Cirri, sirai), hechtrank; vederwolk.
Cisalpine, sisalp(a)in, Cisalpijnsch.
Cisatlantic, sisətlantik; aan deze zijde van den Atlantischen oceaan.
Cispadane, siseid’n, sispədein, ten Z. van de Po.
Cis(sy), sis(i), verkorting van Cecily, sisili.
Cist, sist, kist; Keltisch graf.
Cistercian, sistɐ̂š’n, subst. Cistenciencer monnik; leerling van de Charterhouse School; adj. van een —.
Cistern, sistən, (vergaar)bak, put.
Cit, sit, burger, philister.
Citadel, sitədel, citadel.
Citation, saiteiš’n, dagvaarding; aanhaling; Letter Citatory = dagvaarding; Cite, sait, dagvaarden; aanhalen, aanvoeren; —r = deurwaarder.
Cithara, sithərə, Cither(n), sithə(n), cither.
Citizen, sitiz’n, subst. burger; adj. burger—: The — King; —-soldier = burgermilitair; —ship = burgerrecht.
Citrin(e), sitrin, subst. citrin; adj. citroengeelkleurig.
Citron, citr’n, citroen(boom).
Citrus, sitrəs, lemoen.
City, siti, subst. groote stad (oorspronkelijk: bisschopsstad); handelswijk van Londen; in Amer. elke stad; de burgers; adj. stads—: Mr. A. of this — = de Heer A. alhier; —-article = beursbericht; —-bag = soort reistasch; —-fathers = de raad; —-hall = stadhuis; —-man = koopman; —fied = versteedscht.
Civet-cat, sivətkat, civetkat.
Civic, sivik, burger—: — crown = burgerkroon; — guard = burgerwacht; —s = leer van de rechten en plichten eens burgers.
Civil, sivil, burger—, civiel, beschaafd, beleefd: Doing the — to = beleefd zijn tegen; — death = verlies der burgerschapsrechten, afsterven van de wereld; —-engineer = civiel-ingenieur; — law = burgerl. recht; — list = civiele lijst; — servant = burgerlijk ambtenaar; — service = civiele dienst, burgerlijke ambtenaren; —-spoken = beleefd; —ian, sivilj’n = professor in (beoefenaar van) ’t civiele recht; —ity, siviliti, beleefdheid, beschaafdheid; —ities = attenties; Civiližation, beschaving; —ize = beschaven, civiliseeren.
Clabber, klabə: Bonny —, subst. dikke, zure melk; — verb. klonteren (Amer.).
Clack, klak, subst. geklepper, klepper, geratel (fig.), klik, klep, babbelaar: — verb. klappen, snappen, kakelen, klappeien: He —ed his whip; —-box = ventiel; —-dish = doos of bord met beweegbaar deksel van de vroegere bedelaars.
Clad, klad, gekleed; bevredigd.
Claim, kleim, subst. aanspraak, eisch, concessie aanvraag, stuk land, dat een kolonist productief maakt om het zoo mogelijk te koopen; — verb. aanspraak maken op, eischen: He —s kindred with us = zegt dat hij familie van ons is; To enter (To make, put in) a — = eisch instellen; To give up (renounce, waive) a — = laten varen; To lay — to = aanspraak maken op; —-jumper = iemand die een stuk land in bezit neemt, waarop een ander een vroeger recht heeft; —ant, eischer, pretendent.
Clair, klêə: The telegram was sent en — = open besteld.
Clam, klam, subst. naam van allerlei soorten mossels (mantelschelpen, stroommossels, zoetwatermossels) mond, domkop (Amer.); nijptang, schroef; sabel van Harlekijn: He shut up like a — (Amer.) = zweeg als een mof; —-bake = clams (gapers en venusschelpen) gebakken op heete steenen met laagjes aardappelen, visch en maïs; picnic waarbij dit het hoofdgerecht is (Amer.); If it isn’t true, I am a —-shell = ben ik “ik weet niet wat”; Shut your —-shell = houd je mond.
Clam, klam, klamheid; honger; adj. klam, — verb. besmeren, verstoppen; kleven; hongerlijden.
Clamber, klambə, klouteren.
Clamorous, klamərɐs, luidruchtig, tierend, schreeuwend; Clamour, klamə, subst. getier, luidruchtigheid; weeklacht; — verb. luid schreeuwen, tieren, dringend eischen, klagen.
Clamp, klamp, subst. klamp; zware voetstap, hoop (steenen); — verb. klampen, lasschen, zwaar stappen; —-nails = klampnagels.
Clan, klan, stam, geslacht, kliek, secte: They —ned together = zij staken de hoofden bij elkaar; —nish = aanhankelijk; —nishness = aanhankelijkheid; —ship = clan-schap; —sman = lid van een clan.
Clandestine, klandestin, heimelijk, ongeoorloofd.
Clang, klaŋ, harde klank, gekletter, geraas; interj. kling! — verb. klinken, (laten) kletteren: A clanking noise = een kletterend, rammelend geraas.
Clap, klap, subst. slag, klap, flap, donderslag, handgeklap; — verb. klappen, knallen, tikken, kloppen, slaan (met iets plats), plotseling bijeendrijven, haastig dichtslaan, met kracht neerzetten, met handgeklap begroeten: He took a — at me with his stick = sloeg naar mij; To — eyes on a person = zien, ontmoeten; To — hands = in de handen klappen; The chancellor of the Exchequer has —ped five shillings on champagne = gooide; He was —ped into a strait-waistcoat = hij kreeg een dwangbuis aan; He was —ped into prison, under lock and key = in de gevangenis gestopt; To — on a dress = aanschieten; I’ll sell my boots, I believe and — everything on = alles zetten op (wedden); He was —ped out of the room = gesloten; To — spurs to a horse = de sporen geven; They —ped him up = in de gevangenis; The bargain was —ped up = plotseling gesloten; —board = subst. kleine eikenh. duig; dakspaan (Amer.); — verb. met dakspanen bedekken (Amer.); —-bread = harde, dunne havermeelkoeken; —-dish, Zie Clack-dish; —-net = slagnet; —-trap = subst. kletspraat; bombast; adj. bedriegelijk; schoonklinkend; — display = knaleffect; —per = klepel, claqueur.
Clapper-claw, klapərklô, uitschelden, toetakelen, krabben.
Clara, klêrə, Clare, klêə, Clara, non (orde v. St. Clare).
Clarence, klar’ns, rijtuigje = coupé —.
Clarendon, klar’nd’n.
Clare-obscure, klêrobskjuə, clair-obscuur.
Claret, klarət, subst. Bordeauxwijn; adj. wijnkleurig; —-cup = bowl van rooden wijn, citroen en brandewijn met ijs.
Clarification, klarifikeiš’n, klaring; Clarifier = klaarmiddel, klaarpan; Clarify = klaren, reinigen; opklaren.
Clari(o)net, klari(ə)net, klarinet.
Clarion, klariən, klaroen.
Clarity, klariti, klaarheid, glans.
Clarty, klâti, nat, vuil, glibberig (Dial.).
Clary, klêri, scharlei, muskadel-salie.
Clash, klaš, subst. gekletter, knal, botsen, tegenspraak, tegenstrijd; — verb. rammelen, rinkelen, kletteren, strijden, in strijd zijn met: The — of cymbals; That —es with my interests = strijdt met …
Clasp, klâsp, kram, haak, gesp, knip, omhelzing; — verb. vasthaken, sluiten, grijpen, omklemmen, omhelzen, vouwen: A medal with six —s = met zes gespen; —-knife = knipmes; —-pin = veiligheidsspeld.
Class, klâs, subst. klasse, lesuur, cursus; — verb. classificeeren, ordenen: When (the) — is over = het lesuur om is; To be sent out of —; —-feeling = standen-(kasten)geest; —-fellow (—-mate) = klassegenoot; —man = een “met lof” geslaagde (tegenover Passman), bij Academ. examens; — periodicals = vaktijdschriften; — schools = standenscholen.
Classic(al), klasik(’l), subst. en adj. klassiek (schrijver of boek); Classics = de kl. studiën: The —s = de kl. schrijvers; The Prussian —al schools = gymnasia; Classicality = het klassieke; Classicism = classicisme, klassieke vorm of stijl; Classicist = klassiek geleerde.
Classification, klasifikeiš’n, classificatie; Classifier; Classify = classificeeren.
Clatter, klatə, subst. geklater, gerammel, geratel; — verb. klateren, ratelen, rammelen; —er.
Claudia, klôdjə. Claudius, klôdjəs.
Clause, klôz, zindeel, clausule.
Claustral, klôstr’l, kloosterachtig, klooster …
Clavate(d), kleivit(id), knotsvormig.
Clavecin, kleivsin, spinet, clavecimbaal.
Claver, kleivə, klavə, wauwelen; gewauwel.
Claverhouse, klavərɐs.
Clavichord, klaviköd, clavecordium.
Clavicle, klavik’l, sleutelbeen; Clavicular, kləvikjulə, sleutelbeen …
Clavicorn, klavikön, knotssprietigen (insect.).
Clavier, kləvîə; klavjə, claviatuur, klavier.
Claviger, klavidžə, claviger, custos.
Clavis, kleivis, sleutel, vertaling.
Claw, klô, subst. klauw, nagel, schaar, poot; — verb. krabben, (ver)scheuren, grijpen, krauwen, kittelen, flikflooien, knijpen (zeeterm): — off = door te knijpen uit lager wal komen; —-back = vleier, lekkerbek; — verb. vleien; —-hammer = klauwhamer; zwarte rok; adj. gekleed, deftig: There was quite a —-hammer crowd at the governor’s palace = een troep heeren met zwarte rokken; —-sickness = klauwzeer.
Clay, klei, subst. klei, leem, aarde, stof, aarden pijp; adj. van klei gemaakt; — verb. met klei bedekken (mengen); zemelen, kleien; —-cold = ijskoud; —-marl = kleimergel; —ey = kleiig, leemig = —ish.
Claymore, kleimö, vroeger slagzwaard der Schotsche Hooglanders.
Clean, klîn, adj. zuiver, rein, blank, kuisch, onschuldig, welgevormd, slim, totaal; — verb. reinigen, schoonmaken, zuiveren: As — as a new penny = zoo blank als zilver; He went out of office with his hands — = hij legde zijne portefeuille neer zonder smet of blaam; A — bill (= Bill of Health); He made a — job of it = hij deed het uitstekend, keurig; To — a person out = iemand “blut” maken, geheel uitschudden; —-limbed (—-shaped) = goed geproportioneerd; —-shaven = gladgeschoren; —er = stijfster: Vacuum —er = stofzuiger; —ing = schoonmaak; —liness, klenlinəs, zindelijkheid: —liness is next to godliness; —ly, klenli, adj. zindelijk; —ly, klînli, adv. rein; —liness = reinheid; —se, klenz, zuiveren.
Clear, klîə, adj. klaar, zuiver, helder, doorzichtig, doorschijnend, duidelijk, onbetwistbaar, vlekkeloos, netto, volle, onbelast, onbezwaard, ongehinderd, vrij; — verb. helder maken, verduidelijken, zuiveren, ophelderen, wegnemen, vrijmaken, vrijspreken, zuivere winst maken, betalen, klareeren, overspringen, afruimen, opruimen: The coast is — = de kust is vrij, het veld is schoon; He carried it — = won het royaal; I will try to set you — = u uit de verlegenheid te helpen; We steered — of the rock = liepen de rots vrij; A — hour = vol uur; To — accounts = vereffenen; To — a character = van blaam zuiveren; The grounds will be —ed at ten = het park zal ontruimd worden; —-the-ground skirt = grondvrije rok; To — a hedge = springen over; To — the land = in volle zee blijven; He —ed more than 200 pounds = winst maken; The table was —ed = de tafel werd afgenomen; He —ed his throat = schraapte de keel; He —ed the way = baande den weg; The ship was —ed at the custom-house = uit-, ingeklaard; To — away the tea = opruimen; The ship was —ed for action = voor het gevecht gereed gemaakt; To — off = vertrekken; uit den weg ruimen; afbetalen; He —ed out = hij kneep uit; I am —ed out = platzak; —-cut = fijn besneden, scherp omlijnd; —-headed = helder; —-sighted = helderziend; —-starch = stijven; —-starcher = stijfster; —ance = opklaren, opruimen, (bewijs van) in- of uitklaren, dunnen van boomen, uitverkoop (= —ance sale); —ing = dunnen van boomen; ontgonnen land in bosschen (Amer.); verrekening van saldo’s tusschen bankiers, bij spoorwegmaatschappijen, etc. (dit wordt gedaan in het —ing-house); —ness = helderheid, duidelijkheid, etc.