S. (continued 5)
Reading edition
Suspicion, səspiš’n, achterdocht, vermoeden, verdenking, “schijntje” of kleinigheid; Suspicious, səspišəs, achterdochtig, verdacht: A — frame of mind = achterdochtige aard; subst. —ness.
Suspiration, sɐsp(a)ireiš’n, diepe ademhaling; Suspire = diep ademhalen.
Susquehanna, sɐskwəhanə; Sussex, sɐsəks.
Sustain, səstein, dragen, ondersteunen, schragen, volhouden, handhaven, lijden, dragen, helpen, bijstaan, onderhouden, verdedigen, beweren, aanhouden, verdragen: To — authority = het gezag hoog houden; To — a loss = lijden; To — one’s part = zijn rol volhouden; This admirable spirit is —ed throughout the work = wordt het geheele werk door volgehouden; —able = wat volgehouden, enz. kan worden; —er; —ment = ondersteuning, etc. Sustenance, sɐstən’ns, onderhoud, levensmiddelen; Sustentation, sɐst’nteiš’n, steun, onderhoud: — fund = fonds ter verbetering van de traktementen der bedienaren van den godsdienst (vooral in de Free Church of Scotland).
Susurrant, siusɐr’nt, fluisterend, zacht ruischend; Susurration, siûsəreiš’n, gefluister, geritsel; Susurrus, siusɐrəs, geruisch, gefluister.
Sutherland, sɐdhəland.
Sutler, sɐtlə, zoetelaar; —ship; Sut(t)ling, sɐtliŋ: —-wench = marketentster, zoetelaarster.
Suttee, sətî, verbranding der weduwe met haren overleden echtgenoot, weduwe die met haar overleden echtgenoot verbrand wordt; —ism = vrijwillige vuurdood der weduwe.
Suttle, sɐt’l: — weight = netto gewicht.
Sutural, siutjûr’l, naad..; Suture, siûtjuə, het naaien, zoom, naad.
Suzerain(e), siûzərən, subst. leenheer, opperheer; adj. heerschend, machtig; —ty.
Swab, swob, subst. zwabber, wisscher; zuiplap; — verb. dweilen, zwabberen, afwisschen: You drunken — = jij drankorgel; He —bed the perspiration from his face = veegde zich het zweet af; —ber = zwabber (scheepst.).
Swabia, sweibjə, Zwaben; —n = Zwaab(sch).
Swad, swod, kort en dik persoon; pummel; klomp, massa (Amer.).
Swaddle, swod’l, zwachtelen, inbakeren; —r = scheldnaam aan Methodisten gegeven; Swaddling: —-bands = —-clothes = —-clouts = luren, pak (waarin een klein kind gewikkeld wordt).
Swag, swag, subst. ongelijke of hortende beweging, doorzakking, gestolen goed, buit; ransel (Austral.); — verb. los en zwaar hangen, heen en weer slingeren; —-belly = iemand met een hangbuik; swagman = reizend gezel; houder van een —shop = uitdragerij; —sman = heler.
Swagger, swagə, subst. gebluf, ijdel snoeven, zwaaiende gang, rottinkje der Engelsche militairen (= —-cane); — verb. snoeven, met gemaakte gewichtigheid rondstappen, schetteren: — houses = huizen der “groote lui”; —er = bluffer, grootspreker, tiran.
Swain, swein, jonge man, boerenknecht, (landelijk) minnaar.
Swale, sweil, laag gelegen land (Amer.).
Swallow, swolou, subst. zwaluw; keel, afgrond, vraatzucht, groote hap of slok; — verb. verzwelgen, doorslikken, opslorpen, verteren, slikken (ook fig.): At one — = in één slok, hap; I won’t — such insults = zulke beleedigingen slik ik niet; He —ed all this nonsense like gospel-truth = slikte; The poor fellow was —ed by the waves = werd verzwolgen; —-fish = groote zeehaan; —-tail = zwaluwstaart, rok, wimpel, vooruitgeschoven bastion; —-tailed = met een zaluwstaart, gevorkt, met smal uitloopende slippen (als een rok): —-tailed butterfly = koninginnepage; —er = verzwelger, gulzigaard.
Swam, swam, imperf. van to swim.
Swamp, swomp, subst. moerassig of drassig land; — verb. in een moeras zinken, vol water loopen (van eene boot), doen zinken, overstroomen, overtreffen, het overwicht hebben, ruïneeren; in onoverkomelijke moeilijkheden geraken, ondergaan: The Chinaman —s the labour-market of America = overstroomt; We got —ed = wij kwamen er leelijk in te zitten, waren geruïneerd; —-fever = moeraskoorts; —-hickory = Noord-Amerik. hickory-noot; —-honey-suckle = kleverige azalea; —y = moerassig, drassig.
Swan, swon, zwaan: A black — = een witte raaf (fig.); —-down, —’s down = zwanendons; —herd = hoeder; —-hopping (—-upping) = het merken van zwanen; —-shot = ganzenhagel; —skin = soort van gekeperd flanel, zwanevel; —-song = zwanenzang; —wort = soort van orchidee.
Swang, swaŋ, laag gelegen grasland.
Swank, swaŋk, bluf, opsnijderij.
Swansea, swonsî.
Swap, swop, subst. slag; ruil; — verb. neerploffen; ruilen, wisselen: I had a — with him = ruilde; We fell to —ping notes about customs in Germany = onze bevindingen uit te wisselen (te vergelijken); We smoked a final pipe, and —ped a final yarn = vertelden nog een laatst verhaal; To get —ped = de bons krijgen.
Swape, sweip, lang roer (bij een vlot); zwengel eener pomp; —-well = pomp.
Sward, swöd, grasveld; huid, bast; —-cutter = ploeg (voor grasvelden), grasschaar.
Sware, swêə, imperf. van to swear (dichterl.).
Swarm, swöm, subst. zwerm, dichte menigte; — verb. zwermen (van bijen), krioelen, wemelen, zich verdringen; in een boom of mast klimmen (gew. met up): —ing time (van bijen).
Swarry, swori, verbastering van soirée.
Swart(h), swöt(h), zwart, donker; Swarth(i)ness, subst. v. Swarthy = getaand, bruin.
Swash, swoš, subst. gepoch, gezwets, het “geuren” of bluffen; watergeklots of -gekabbel; adj. dronken; overrijp, murw; ovaal; — verb. klotsen, kabbelen; bluffen, zwetsen; —-buckler = schetteraar, bluffer, vechtersbaas = —er; —ing = bluffend, zwaar neerploffend, verpletterend; —y = papperig.
Swath, swôth, zwad, rij gemaaid en bijeengelegd gras of koren, wat eene zeis of maaimachine bereikt: To cut a — = gewichtig doen.
Swathe, sweidh, subst. zwachtel; — verb. zwachtelen, bakeren; Swathing-clothes = luren, pak (zie Swaddle).
Sway, swei, subst. zwaai of slag, overwicht, overmacht, heerschappij, invloed, het doorslaan (van den balans); — verb. zwaaien, slingeren, hanteeren, overhellen, neerdrukken, richten, (be)heerschen, invloed oefenen: He was —ed by my advice = liet zich leiden; — on = vooruit maar; —ed (in the back) = lendenlam (van paarden).
Sweal, swîl, afloopen (van een kaars), walmen, schroeien van een dood varken.
Swear, swêə, subst. eed, vloek; — verb. zweren, vloeken, bezweren, beëedigen, onder eede bevestigen: The jury was sworn = werd beëedigd; To — an oath = een eed doen; To — the peace against a person = iemand bij den vrederechter aanklagen wegens bedreiging; To — false = een meineed doen; He swore by all that is holy = (be)zwoer bij al wat heilig is; I — by you for the best of friends = ik vertrouw u; The new mayor was sworn in = werd beëedigd; I — off lying = ik beloof plechtig niet meer te zullen liegen; They were sworn to silence = moesten onder eede beloven te zullen zwijgen; —er = vloeker, hij die een eed doet.
Sweat, swet, subst. zweet, zware arbeid, het bezweet zijn; — verb. zweeten, uitbuiten, huiden zweeten: In the — of thy face shalt thou eat bread; It gave him (put him in) a cold — = maakte dat hem ’t koude zweet uitbrak; You’ll — for it = er voor bloeden; The —ed carry on their miserable lives = de slachtoffers van hongerloon voor harden arbeid; Sweater, swetə, zweeter, uitbuiter; dikke wollen trui; Sweating: —-bath = zweetbad; —-house = zweethuis; —-iron = roskam; —-room = zweetkamer, droogkamer (kaas); —-sickness = zweetziekte; —-system = hongerloon voor hard werk (vooral bij thuiswerkende arbeiders); Sweatiness, subst. v. Sweaty = zweeterig, bezweet, zwoegend, zwaar.
Swede, swîd, Zweed, Zweedsche raap; —n = Zweden.
Swedenborgian, swîd’nbödžiən, subst. en adj. (volgeling) van Swedenborg; —ism = leer van de —s.
Swedish, swîdiš, subst. en adj. Zweedsch(e taal).
Sweep, swîp, subst. het vegen, veger, veeg, zwaai, draai, omvang, uitgestrektheid, vluchtige blik, sleep, schoorsteenveger, ploert, lang roer, zwengel, half cirkelvormig oprijpad van een buiten; — verb. vegen, wegvegen, even aanraken, voorbij vliegen of schieten, langs schuren, zwaaien, reiken, zich uitstrekken, dreggen, bestrijken, snel overzien: We heard the —s of the oars = de riemslagen; He killed them at one — = met éénen slag; Give this room a — = veeg eens aan; To make a clean — = schoon schip maken, een flinke opruiming houden; Lamp-chimney — = lampeglasveger; — before your own door = veeg uw eigen pad schoon; Our cannon swept the walls = veegde(n) schoon; Everything was swept away = werd weggevaagd; He was swept from our sight = plotseling aan ons oog onttrokken; The waves — (over) the deck = slaan over het dek, vegen het dek schoon; —-net = sleepnet; —-stakes = spelen of wedstrijden waarbij de prijzen hoofdzakelijk bestaan uit de inleggelden; die prijzen zelf: They got up —-stakes = zij zetten samen geld in, dat den winner tebeurt zou vallen; —-washings = afval in goud en zilversmederijen; —er = wie of wat veegt; Sweeping: — assertions = algemeene; The motion was carried by a — majority = met eene verpletterende meerderheid; A — reduction = kolossale prijsvermindering; —s = op- of uitvaagsel, vuilnis: His troops were the —s of the galleys = uitvaagsel der galeien; Sweepy = voorbijsnellend, trotsch stappend, met kleine golven, kronkelend.
Sweet, swît, subst. zoetigheid, liefelijkheid, lieverd; adj. zoet, geurig, welluidend, schoon, lief, aangenaam, frisch, bevallig: A dear little — = lieve snoes = Dearest —; My —; Have a —? = wil je een zoetigheidje; The — of the district = de bekende snoeperij van het district; The —s and bitters of life = het zoet en zuur des levens; —s to the — = het lieve voor de lieve; —s = bonbons, lekkernijen, suikerwerken, enz.; — airs = lieve melodiën; — corn = soort Turksche maïs; — herbs = tijm en marjolein; — manners = zachte, vriendelijke manieren; —mouth = lekkerbek; — oil = olijfolie; — orange = sinaasappel; He has a — tooth = hij is een zoetekauw; — violet = welriekend viooltje; At your — will = naar uw welbehagen; No — without sweat = kermis is een bilslag waard, voor wat hoort wat; He is — on her = verliefd, dol op; —bread = zwezerik; —-briar = eglantier, hondsroos; —-broom = priemkruid; —heart, subst. minnaar, minnares, lieveling; — verb. het hof maken: My master is —-hearting inside = aan het vrijen; —meat = suikerwerken, bonbons, gecandeerde vruchten; —-pea = pronkerwt; —-potato = bataat; —-scented = geurig, welriekend = —-smelling; —-tea = thee, waarbij brood, jams, etc. wordt gepresenteerd; —-william = duizendschoon, ruwe anjer; —wort = elke plant van zoeten smaak; Sweeten = verzoeten, parfumeeren, verzachten, aangenaam maken, zuiveren, reinigen, ontsmetten: She —ed up the apple-sauce = zoette aan; Sweeting = St. Jansappel; lieveling; Sweetish = tamelijk zoet; subst. —ness; Sweetly pretty = snoezig; Sweetness = zoetheid, welluidendheid, geurigheid, wellevendheid; The — of his manners was only equalled by his liberality = de vriendelijkheid zijner manieren; Sweety = ulevelletje, bonbon.
Swell, swel, subst. zwelling, gezwel, aanzwellen, stijging, hoogte, deining; groote heer, “heele piet”, fat, bram; crescendo- of decrescendoteeken; adj. fijn, chique, fatterig; — verb. zwellen, opzwellen, toenemen, zich verheffen, opgeblazen zijn, buiken, vergrooten, vermeerderen: You are quite a — with your new suit = een heele piet; He does the — = hij hangt den fijnen meneer uit; What was called a — 25 years ago is a dude or an effete youth now; He has —ed all expenses = alle uitgaven vermeerderd; The wind had —ed the sails = doen zwellen; My book —s to an unexpected size = groeit aan tot; He was swollen with pride = opgeblazen van trots; —-mob = bende van als heeren gekleede gauwdieven of zakkenrollers; —-mobsman = fortuinzoeker, oplichter; —dom = nageaapte voornaamheid: An ounce of comfort is worth a pound of —dom = zoogenaamde “chic”; Swelling: The — of the sea = het deinen der zee; Swellish = als een fatje.
Swelter, sweltə, smoren of braden van de hitte, in zijn zweet baden, verdorren, verzengen: It was a —ing morning = een smoorheete morgen.
Swept, swept, imp. en p.p. van to sweep.
Swerve, swɐ̂v, subst. beweging naar ééne zijde; — verb. afdwalen, afwijken: He never —d from the path of duty = verliet nooit.
Swift, swift, subst. gierzwaluw; adj. vlug, snel, kort, geneigd tot: — of foot = rap van voet; — to mischief = geneigd tot; subst. —ness.
Swifter, swiftə, boomtouw, zwichtlijn; — verb. sjorren, zwichten.
Swig, swig, subst. groote teug; — verb. met groote teugen (uit)drinken (at), gretig slokken of drinken: He —ged off a great bumper.
Swill, swil, subst. groote teug, overmatig veel drank; spoeling; — verb. gretig en overmatig drinken, dronken maken, zuipen; —er = zuiplap; —ings = varkensdraf.
Swim, swim, subst. zwemmen, zweven; zwemblaas; — verb. zwemmen, vlot zijn, drijven (van), voortglijden, doornat worden, overzwemmen, duizelig zijn: To have (take) a — = zwemmen; He is in (out of) the — = hij is in (niet in) het geheim ingewijd, (niet) medeschuldig; He swam against, with the tide = hij zwom tegen den stroom in, met den stroom mee; We swam down the river = de rivier af; He —s in wealth and luxury = baadt zich in rijkdom en weelde; My head begins to — = het begint mij voor de oogen te draaien, te duizelen; The room began to — with him = begon met hem rond te draaien; The general swam his horse across the river = zwom met zijn paard over de rivier; —(ming)-bladder = zwemblaas; Swimmer = zwemmer, zwemvogel, waterspin, plankje op een vollen emmer die gedragen wordt; Swimming, subst. duizeling, het zwemmen: —-belt = zwemgordel; —-bladder = zwemblaas; —-jacket = zwembuis; —-match; —-school = zwemschool; We are getting on —ly = maken het uitstekend; The work is getting on —ly = vordert vlot.
Swindle, swind’l, subst. oplichterij, zwendelarij; — verb. zwendelen, oplichten: He —d me out of my watch = heeft mij ontfutseld, afgezet; —r = zwendelaar, oplichter.
Swine, swain, varken, zwijn; —-bread = truffel; —herd = zwijnenhoeder; —-pipe = koperwiek; —-pox = waterpokken; —’s snout = paardenbloem; —-sty = varkenskot.
Swing, swiŋ, subst. zwaai, schommeling, schommel, stoot, zet, vrije loop, vrijheid van beweging, neiging, trek, streven, invloed; — verb. schommelen, slingeren, zwaaien, draaien, met lange passen loopen, hangen, ophangen, leiden: The praise of mankind was his — = fort, lust en leven; All the mills are in full — = in volle werking; The party was in full — = in vollen gang; She got into the — of her work = raakte geheel vertrouwd met; To have one’s full — = volle vrijheid hebben, volop krijgen; We played to our full — = naar hartelust; He may — for it = ’t kan hem zijn kraag kosten; To — in a — = schommelen; To — into line = (laten) opmarcheeren; He swung round the corner = reed met korten draai om; —-boats = Russische schommel; —-bridge = draaibrug; —-door(s) = toeslaande (dubbele) deur(en); —-gate; —-glass = draaispiegel; —-lamp = hanglamp; —-wheel = balans- of drijfrad (in een horloge); —er = opsnijderij, groote leugen (fig.).
Swinge, swinž, afranselen, kastijden; Swing(e)ing, swinžiŋ, kolossaal groot, verbazend.
Swingle, swiŋg’l, subst. zwingel, vlegel; — verb. vlas zwingelen, —-bar (-tree) = zwingelhout; —-staff = vlaszwingel, vlegel = Swingling-staff.
Swinish, swainiš, zwijnachtig, vuil; —ness.
Swipe, swaip, subst. lange stok of stang, pompzwengel, harde slag (bij cricket); — verb. met kracht slaan; —r.
Swipes, swaips, dun bier; Swipey = aangeschoten.
Swirl, swɐ̂l, subst. warreling, draai(kolk); — verb. warrelen, draaien: The silent — of bats = geruischloos rondvliegen.
Swish, swiš, zwaaien, slingeren, ranselen, ruischen, suizen; ook subst.: He was —ed several times = afgestraft.
Swiss, swis, subst. Zwitser; adj. Zwitsersch: — cottage = chalet; — guards.
Switch, switš, subst. teentje (takje), roede, karwats, wisselspoor, stroomwisselaar; — verb. slaan, ranselen, op een ander spoor brengen, rangeeren, in- of uitschakelen (bij telefoon of electrisch licht): The telephone-girls have quite enough to do with —ing on and off = met in-, en uitschakelen: I —ed on the electric light = draaide op; The train was —ed on to a side-rail = werd op een zijspoor gebracht; —-back = rutschbaan; —-board = schakelbord; —-man = wisselwachter.
Swithin, swithin; Switzer, switsə, Zwitser; Switzerland; Saxon-Switzerland.
Swivel, swiv’l, subst. schijf, wervel, draaibas (= —-gun); — verb. op eene spil of schijf draaien; —-bridge = draaibrug; —-chair = draaistoel; —-eye = scheel oog; —-eyed = scheel; —-hook = wartelhaak (scheepst.); —-knife.
Swob, swob. Z. Swab.
Swollen, Swoln, swouln, p.p. van to swell.
Swoon, swûn, subst. bezwijming; — verb. bezwijmen: To go off in a — = in zwijm vallen.
Swoop, swûp, subst. het plotseling neerschieten op (van een roofvogel); — verb. neerschieten op, neerstrijken: At a — = met één slag.
Swop, swop, subst. ruil; — verb. ruilen: Don’t — horses in mid river (while crossing the stream) = bepaal u bij ééne zaak in een kritiek geval; Zie Swap.
Sword, söd, zwaard, sabel, degen: He stood on his defence, — in hand = met het zwaard in de hand; At the point of the — = met den blanken sabel; With the flat of the — = het plat; — of State = rijkszwaard; To draw the — = trekken; To put to the — = over de kling jagen; Sheathe your — = steek op; —-arm = rechterarm; —-bayonet = sabelbajonet; —-bearer = zwaarddrager; —-belt = koppel; —-blade = degenkling, lemmet; —-cane = degenstok; —-cut = sabelhouw; —cutler = zwaardveger; —-dance = sabeldans (der Hooglanders); —-fight = gevecht op den sabel; —fish = zwaardvisch; —-grass = honigklaver (Mel. sulcata), rietgras, korenschijnspurrie; —-guard = stootplaat; —-hilt = gevest; —-knot = sabelkwast, dragon; —-lily = zwaardlelie; —-play = gevecht op den degen; —-shaped = zwaardvormig; —sman = soldaat, schermmeester; —smanship = schermkunst; —-stick = degenstok.
Swore, swö, imperf. van to swear.
Sworn, swön, gezworen, onder eede: I’ll be —, that… = er een eed op doen, dat …; — broker = beëedigd makelaar; — enemies = gezworen vijanden; — friends = dikke vrienden; — statement = beëedigde verklaring.
Swot, swot, inpompen; subst. wiskundige, wiskunde, blokker: It’s no use —ting this up, they never set it in exams = het geeft niets of men dat erin pompt.
Swum, swɐm, p. perf. van to swim.
Swung, swɐŋ, imp. en p.p. van to swing.
Sybarite, sibərait, verwijfd persoon, wellusteling, sybariet; adj. Sybaritic(al), sibəritik(’l); Sybaritism, sibər(a)itizm.
Sycamine, sikəmain, zwarte moerbezie.
Sycamore, sikəmö, wilde vijgeboom, gewone eschdoorn; —-fig = wilde vijg.
Syce, sais, Brit. Ind. rijknecht.
Sycomore, sikəmö = Sycamore.
Sycophancy, sikəfansi, lage vleierij, verklikkerij, slaafschheid, pluimstrijkerij; Sycophant, sikəfant, subst. lage vleier, pluimstrijker, sycophant; — verb. den pluimstrijker, etc. spelen; adj. Sycophantic(al), sikəfantik(’l), Sycophantish.
Sycosis, saikousis, baardworm.
Sydenham, sidən’m; Sydney, sidni; Sylla, silə.
Syllabic, silabik, tot de lettergreep behoorende; Syllabicate, tot lettergrepen vormen; Syllabication, Syllabification = verdeeling in of vorming tot lettergrepen; Syllabify = Syllabicate; Syllable, siləb’l, subst. lettergreep; — verb. onder woorden brengen: The warning —d itself in his ear.
Syllabub, siləbɐb; Zie Sillabub.
Syllabus, siləbɐs, korte inhoud, leerplan; Syllabus.
Syllogism, silədžizm, syllogisme; Syllogistic, silədžistik, tot een — behoorende; Syllogization, silədž(a)izeiš’n, het maken v. een syllogisme; Syllogize, silədžaiz, syllogiseeren.
Sylomite, sailəmait, (van) imitatie-ivoor.
Sylph, silf, sylphe; —id = sylphide; —like = bevallig, slank.
Sylvan, silv’n, bosch.., lommerrijk; subst. boschgod, Silvanus.
Sylvestral, silvestr’l, een woud bewonend, woud.., woest.
Sylvia, silviə.
Symbiosis, simbiousis, symbiose.
Symbol, simb’l, subst. zinnebeeld, teeken, kenteeken; adj. —ic, simbolik: To be — of = voorstellen = —ical; subst. —icalness; —ics = symboliek; —ism = symbolisme; —ist; —ization = zinnebeeldige voorstelling, verzinnelijking; —ize, simbəlaiz, symboliseeren.
Symmetric(al), simetrik(’l), symmetrisch; Symmetrize, simətraiz, symmetrisch maken; Symmetry, simətri, symmetrie: Want (Lack) of —.
Sympathetic, simpəthetik, sympathetisch, sympathiek, sympathisch: — cures; — ink = kleurlooze inkt, die eerst na verwarming zichtbaar wordt; ook: —al; Sympathize, simpəthaiz, sympathiseeren: —r; Sympathy, simpəthi, sympathie, harmonie: To feel (express) — for.
Symphonic, simfonik, symphonisch; Symphonist, simfənist, componist van symphonieën; Symphony, simfəni, symphonie.
Symposiac, simpouziak, feest …; Symposiarch, simpouziâk, president van een Symposium, simpouž’m, feestgelag.
Symptom, simt’m, symptoom; —atic(al) = symptomatisch; —atology = leer en studie der ziekteverschijnselen.
Synaeresis, sinîrəsis, samentrekking van twee lettergrepen (of klinkers) tot een(e).
Synagogical, sinəgodžik’l, tot eene Synagogue, sinəgog, synagoge behoorend.
Synchronal, siŋkrən’l, subst. en adj. (het) gelijktijdig(e); Synchronism, siŋkrənizm, synchronisme, synchron. tabel; Synchronistic(al) = synchronistisch; Synchronization, siŋkrənizeiš’n, het gelijktijdig plaats hebben van gebeurtenissen; Synchronize, siŋkrənaiz, terzelfder tijd (doen) plaats hebben, klokken electr. gelijk houden, tegelijk ergens zijn (Amer.); —r; Synchronous, siŋkrənɐs, synchronisch.
Syncopal, siŋkəp’l, syncopisch; Syncopate, siŋkəpeit, syncopeeren; subst. Syncopation; Syncope, siŋkəpî, syncope, flauwte, bezwijming.
Syndic, sindik, syndicus: The Celebrated Five —s = de Staalmeesters (v. Rembr.); Syndicate, sindikit, raad, syndicaat, consortium; — verb. tot syndicaat maken.
Synecdoche, sinekdəkî, synecdoche.
Synergy, sinədži, synergismus.
Synod, sinəd, synode, kerkvergadering; —al, synodaal = —ic(al), sinodik(’l); ook synodisch (astron.).
Synonym, sinənim, zinverwant woord; —ic(al), sinənimik(’l), synoniem; —ity, sinənimiti = Synonymy; —ize, sinonimaiz, door een synoniem of synoniemen uitdrukken of verduidelijken; Synonymous, sinonimɐs, synoniem; Synonymy, sinonimi, het synoniem zijn, synonymie.
Synopsis, sinopsis, synopsis, kort en algemeen overzicht of begrip; Synoptic, subst. en adj. synoptisch bijbelboek (Mattheus, Marcus, Lukas); Synoptical = synoptisch.
Syntactic(al), sintaktik(’l), syntactisch; Syntax = syntaxis.
Synthesis, sinthəsis, synthese; Synthetic(al), sinthetik(’l), synthetisch.
Syphilis, sifilis, syphilis; adj. Syphilitic.
Syphon, saif’n, siphon, spuitwaterflesch, hevel.
Syracusan, sirəkjûs’n, (bewoner) van Syracuse; Syracuse, sirəkjûs; Syracusian = Syracusan.
Syren, sair’n, sirene.
Syria, siriə, Syrië; —c, —n, subst. en adj. Syrisch(e taal), (inwoner) van Syrië.
Syringa, siriŋgə, sering.
Syringe, sirinž, subst. spuit; — verb. uit(in)spuiten, bespuiten: A — for streaming the windows.
Syrinx, siriŋks, Eustachiaansche buis, pansfluit.
Syrtis, sɐ̂tis, drijfzand (aan de noordkust van Afrika).
Syrup, sirəp, stroop; —y = als stroop.
System, sist’m, stelsel, systeem, formatie: Planetary — = planetenstelsel; — of railways = spoorwegnet; Nervous — = zenuwstelsel; It was reduced to a — by a German = gesystematiseerd; —atic(al) = stelselmatig, systematisch, methodisch; —atist = stelselmaker; —atization = systematiseering; —atize = systematiseeren; —atizer; —ic, sistemik, systematisch; —less = stelselloos.
Systole, sistəlî, samentrekking; adj. Systolic.
Systyle, sistail, bouworde waarbij de zuilen slechts 2 zuildikten van elkaar staan.