P. (continued 3)
Reading edition
Prize, praiz, subst. prijs, buit, belooning, voordeel; adj. bekroond; — verb. waardeeren, schatten, den prijs bepalen van: To draw a — in the lottery; He got (took, won) the first — = heeft den eersten prijs behaald; — of war; —-cat, —-ox = bekroonde; —-court = hof dat uitspraak doet over den op zee behaalden buit; —-essay = bekroonde verhandeling; —-fight = wedstrijd in het boksen; —-fighter; —-fighting = het boksen; —-man = prijswinnaar (vooral aan een universiteit); —-money = prijsgeld; —-ring = worstelplaats.
Pro and con, prouəndkon, voor en tegen.
Proa, prouə, prauw (Ind. vaartuig).
Probabiliorism, probəbiljərizm, Roomsche leer dat een handeling veroorloofd is als een waarschijnlijk motief daarvoor kan worden opgegeven.
Probability, probəbiliti, waarschijnlijkheid; weervoorspelling (Amer.): In all — he will come = naar alle waarschijnlijkheid; Probable, probəb’l, waarschijnlijk.
Probate, proubit, officieele erkenning van de rechtsgeldigheid van een testament, het afschrift hiervan op perkament met het zegel van het — Court; — Court = vroeger gerechtshof, waar de rechtsgeldigheid van testamenten geconstateerd werd, waar door den executor “the will was proved”; thans een afd. van de Probate, Divorce and Admiralty Division of the High Court of Justice; — duties = recht te betalen bij het aanvragen van; — of a will = successierecht; Probation, prəbeiš’n, bewijsvoering, voorwaardelijke vrijspraak, bewijs, onderzoek, proeftijd: To preach on — = een proefpreek houden (Amer.); —al = —ary = op proef, proef …; Probationer, prəbeišənə, provisioneel aangestelde, novitius, proponent (Schotl.); Probative = op proef, proef …; Probator, prəbeitə, onderzoeker; Probatory = proef - -.
Probe, proub, subst. tentstaal of sonde, peilstift (Med.); — verb. sondeeren, onderzoeken: They —d my knowledge to its utmost quick = peilden mijne kennis; —-scissors = wondschaar.
Probity, probiti, beproefde eerlijkheid of rechtschapenheid, oprechtheid.
Problem, probl’m, vraagstuk, lastig geval: He could not do that —, solve that — = kon dat voorstel niet maken, dat vraagstuk niet oplossen; —atic(al), probləmatik(’l), twijfelachtig, onzeker; —atize, probl’mətaiz, vraagstukken voorleggen.
Proboscidean, proubəsidiən, van snuitdieren (olifanten, etc.); ook subst.; Proboscis, prəbosis, snuit (van olifanten, tapirs; ook de zuigorganen der insecten), groote neus.
Procedure, prəsîdjə, handelwijze, manier v. doen, procedure.
Proceed, prəsîd, voortgaan, voortzetten, voortrukken, voortkomen uit, ontstaan, overgaan tot procedeeren, een acad. graad verkrijgen: This —s from sheer vanity = komt voort uit; He —ed on his way, journey = zette voort; Let us — to business = aan het werk gaan, tot onze werkzaamheden overgaan; You — upon the wrong principle = gaat te werk; Let us — with our business = laten wij voortgang maken met; —ing = voortgang, handeling, gedragslijn, handelwijze; —ings = maatregelen in eene rechtszaak genomen, verslagen van een genootschap: —ings of the Geographical Society = Handelingen v. het Aardrijkskundig Genootschap; He took legal —ings = deed gerechtelijke stappen; He wound up the —ings of the meeting with a speech = besloot de werkzaamheden der vergadering; Proceeds = opbrengst: He lived on the — of his estates = hij leefde van de opbrengst (rente, huur) zijner (land)goederen.
Process, pro(u)səs, voortgang, loop, verloop, handelwijze, maatregel; verlenging; chem. proces, dagvaarding: In — of time = in verloop van tijd; To serve a — on = dagvaarden; Procession, prəseš’n, processie: Funeral — = begrafenisstoet; —al, subst. titel van een deel van het Rituaal met 14 artikels over processies; adj. tot eene processie of een stoet behoorende; —ary = processie - -.
Procidence, pro(u)sidens, verzakking; Prociduous, prəsidjuəs, verzakkend, verzakt.
Proclaim, prəkleim, afkondigen, openbaar maken, verspreiden, proclameeren, in staat van beleg verklaren: The ban(n)s were —ed = huwelijksafkondiging had plaats; The county was —ed = het graafschap werd in staat van beleg verklaard krachtens de Peace Preservation Acts (Ierl.); Proclamation, prokləmeiš’n, bekendmaking, afkondiging: — of war; To issue a —.
Proclivity, prəkliviti, neiging, overhelling; Proclivous, prəklaivəs, overhellend, geneigd.
Proconsul, prokons’l, proconsul, stadhouder; adj. —ar; —ate, prəkonsiulit, proconsulschap = —ship.
Procrastinate, prəkrastineit, uitstellen, verschuiven; Procrastination = uitstel, traagheid; Procrastinator; adj. Procrastinatory.
Procreate, proukrieit, telen, voortbrengen; subst. Procreation; Procreative = voortbrengend; Procreator = voortbrenger.
Procrustean, prokrɐstj’n: — bed = bed van Procrustes, prokrɐstîz, bekende roover in Attica, die zijne slachtoffers verminkte of uitrekte tot ze van pas waren voor zijne rustbank.
Proctor, proktə, een soort van universiteitsrechter en opziener die met de bewaring van orde en tucht belast is, en uit de Fellows gekozen wordt; procureur (in een geestelijk gerechtshof), afgevaardigde; —ize = roepen voor den Proctor; —ship = waardigheid van Pr.
Procumbent, prəkɐmb’nt, liggend.
Procurable, prəkjûrəb’l, verkrijgbaar.
Procuracy, prokjurəsi, procureurschap, procuratie; Procuration, prokjureiš’n, bezorging (van eens anders belangen of zaken), volmacht, procuratie: —-fee (—-money) = makelaarsloon; —s = geld door de E. geestelijken te betalen in plaats v. het vroeger aan den bezoekenden bisschop of aartsdeken aangeboden maal; Procurator = procureur, gevolmachtigde: —ship; adj. —y.
Procure, prəkjûə, verschaffen, krijgen, bezorgen: I could — an order for you = zou u wel een toegangsbewijs kunnen bezorgen; I got it through his —ment = bemiddeling, zorg; Procurer, prəkjûrə, prokjurə, verschaffer, bezorger; koppelaar; Procuress = koppelaarster.
Prod, prod, subst. prikkel, gepunt werktuig, els, prik; — verb. prikken, stooten, aanzetten (ook met up).
Prodigal, prodig’l, subst. doorbrenger, verkwister; adj. verkwistend, overvloedig: The — Son = de Verloren Zoon; —ity, prodigaliti, verkwisting, overvloed.
Prodigious, prədidžəs, kolossaal, ongehoord, verschrikkelijk; subst. —ness; Prodigy, prodidži, wonder, wangedrocht, voorteeken: Youthful — = wonderkind.
Produce, pro(u)djûs, opbrengst, resultaat.
Produce, prədjûs, voortbrengen, veroorzaken, vertoonen, bijbrengen, aanvoeren, overleggen, verlengen: I don’t know how many witnesses he offered to — = hij wel zeide er te kunnen bijhalen; His words did not — the least effect = hadden niet de minste uitwerking; He —d his papers = haalde voor den dag; To — a new play = voor het voetlicht brengen; —r = producent; Producibility, subst. v. Producible = wat bijgebracht, aangehaald, vertoond kan worden: Many proofs are — for this assertion = kunnen worden bijgebracht; subst. —ness.
Product, prodəkt, voortbrengsel, product, resultaat, gevolg; Production, prədɐkš’n, overlegging, productie, vrucht, voortbrengsel, verlenging; Productive = voortbrengend: This law has been — of much good = deze wet heeft veel goeds gewrocht; —ness = Productivity = vruchtbaarheid, rentabiliteit.
Proem, prouəm, inleiding, voorrede; —ial, prəîmiəl, inleidend.
Profanation, profəneiš’n, ontheiliging, ontwijding; Profane, prəfein, adj. ontheiligend, profaan, goddeloos; — verb. ontheiligen, profaneeren; subst. —ness; —r; Profanity, prəfaniti, goddeloosheid, godslasterlijke taal, heiligschennis.
Profess, prəfes, openlijk verklaren of betuigen, erkennen, betuigen, beweren: He is a —ed misogynist = verstokt vrouwenhater; I don’t — to be a judge of literature = geef mij niet uit voor; He —ed himself an artist = gaf zich uit voor; —ed friendship = beweerde; —edly = onloochenbaar: Profession = erkentenis, openlijke verklaring, belijdenis; beroep; kloostergelofte: By — = van beroep; The learned —s = geleerde beroepen; —al, subst. die een beroep uitoefent, die eene kunst niet als amateur beoefent, kunstenares; adj. beroeps - -: A —al cricketer, skater = beroeps …; —al gentleman (man) = jurist, theoloog, dokter.
Professor, prəfesə, belijder, hoogleeraar: — of law, of natural history = hoogleeraar in de rechten, in de natuurlijke geschiedenis; —ate = —iate; —ial, proufəsôriəl, professoraal; —iate = gezamenl. professoren van een hoogesch.; professoraat = —ship = hoogleeraarsambt.
Proffer, profə, subst. aanbod, voorstel: — verb. aanbieden, voorslaan: —s of peace; To make a —; I shook his —ed hand = uitgestoken hand; —er.
Proficience, Proficiency, prəfiš’ns(i), vaardigheid, bedrevenheid; bekwaamheid; Proficient, subst. ingewijde, meester; adj. ingewijd, bedreven, bekwaam: To be — in = bekwaam in.
Profile, prouf(a)il, subst. profiel; — verb. in profiel teekenen; Profilist, prouf(a)ilist, silhouetteekenaar.
Profit, profit, subst. voordeel, winst, nut; — verb. helpen, v. nut zijn, vorderingen maken: I have derived much — from your instruction = veel nut getrokken; To leave a — = winst afwerpen; Small —s, quick returns = kleine winst, groote omzet; I have —ed very much by your advice = uw raad is mij zeer heilzaam geweest; —able = voordeelig, nuttig, heilzaam, winstgevend; subst. —ness; —less = zonder nut, onvoordeelig.
Profligacy, profligəsi, losbandigheid; Profligate, profligit, subst. en adj. losbandig(e), losbol; subst. —ness.
Profound, prəfaund, diep, geleerd, diepzinnig, diepgevoeld; subst. afgrond: A — mistake = grove dwaling; The — = de zee; A —ly interesting book = hoogst..; —ness = Profundity, prəfɐnditi, diepte, diepzinnigheid, grondige kennis, etc.
Profuse, prəfjûs, mild, verkwistend, kwistig, overvloedig; subst. —ness; Profusion, prəfjûž’n, overvloed, verkwisting, mildheid.
Prog, prog, bedelen; opgebedelde eetwaren; bedelaar.
Progenitor, prədženitə, voorvader, voorzaat; vr. Progenitress; Progeny, prodžini, nageslacht, nakomelingen.
Prognosis, prognousis, prognose; Prognostic, prognostik, subst. voorteeken, prognose; adj. voorspellend, vóórbeteekenend; Prognosticate = voorspellen, wijzen of doelen op; Prognostication = voorspelling, voorteeken; Prognosticative = voorspellend; Prognosticator.
Program(me), prougram, programma.
Progress, prougrəs, progrəs, voortgang, reis, vorstelijke rondreis, vorderingen, vooruitgang: The matter is in — = de zaak is in wording, gaat geregeld voort; The committee reported — = deelde den stand der zaak mede.
Progress, prəgres, voortgang of vorderingen maken, vooruitkomen, stijgen, bevorderen; Progression = voortgang, vooruitgang, opklimming, reeks (in de rekenkunde): Arithmetic — = rekenkundige reeks; Geometrical — = meetkundige reeks; Ascending, Descending — = opklimmende, afdalende reeks; —al = voortgaand, vorderend; —ist = voorstander van den vooruitgang, uitspr. Progressist, Progressist; Progressive = voortgaand, verbeterend; subst. vooruitstrevend man, voorstander van vooruitgang; — minded = vooruitstrevend; — number = doorgaand nummer; subst. —ness.
Prohibit, prəhibit, verbieden, beletten: Bill-sticking —ed here = verboden hier aan te plakken; —er; Prohibition, prouhibiš’n, verbod: Writ of — = bevel van het High Court aan een lager hof tot schorsing van een geding; — party = partij die het verbod van den verkoop van sterken drank voorstaat (Amer.); —ist = lid dier partij; voorstander van beschermende rechten; Prohibitive, prəhibitiv, verbiedend; — duties = beschermende rechten.
Project, prodžəkt, proudžəkt, ontwerp; (dwaas en onpractisch) plan.
Project, prədžekt, vooruitwerpen, projecteeren, ontwerpen, beramen, vooruitsteken; —ile, prədžekt(a)il, voortdrijvend, voortgedreven; subst. projectiel; —ion = ontwerp, vooruitspringing, projectie; —or = maker van (dwaze en onpractische) plannen; sciopticon; —ure = het vooruitsteken.
Prolapse, prəlaps, Prolapsus, prəlapsəs, uitzakking (Med.).
Prolegomena, prouləgomənə, inleiding.
Proletarian, proulitêriən, laag, gemeen, proletarisch; subst. proletariër; —ism = toestand of invloed der proletariërs; Proletariat, proulitêriət, proletariaat; Proletary, pro(u)litəri = Proletarian.
Prolific, prəlifik, vruchtbaar: A — writer = vruchtbaar schrijver; —ation, prəlifikeiš’n, voortteling, bevruchting; —ness = vruchtbaarheid.
Prolix, pro(u)liks, prəliks, langdradig, vervelend; —ity, prəliksiti = —ness = langdradigheid.
Prolocutor, prəlokjutə, prouləkjûtə, proləkjûtə, woordvoerder, voorzitter; —ship.
Prologue, pro(u)log, inleiding, proloog.
Prolong, prəloŋ, verlengen, uitstellen, prolongeeren; subst. —ation, prouloŋgeiš’n; —er, prəloŋə.
Prolusion, prəl(j)ûž’n, voorspel, poging, proeve.
Prom, prom, verk. van Promenade-concert.
Promenade, promənâd, subst. wandeling, wandelplaats, promenade; — verb. op en neer wandelen; —-concert = wandelconcert.
Promethean, prəmîthiən, adj. van Prometheus; Prometheus, prəmîthiəs, prəmîthjûs.
Prominence, Prominency, prominens(i), Uitsteken, uitstèkendheid, hooge plaats, beroemdheid: To bring into — = op den voorgrond brengen; Prominent = ùitstekend, uitstèkend, voornaamste.
Promiscuity, proumiskjûiti, vermenging, verwarring, vrij geslachtelijk verkeer; Promiscuous, prəmiskjuəs, gemengd, verward, door elkander: They always came at — hours (= op alle uren v. d. dag), never at stated times (= gezette tijden); — society = gemengd gezelschap; The two words may be used —ly = men mag die woorden voor elkander in de plaats zetten; subst. —ness.
Promise, promis, subst. belofte, verwachting; — verb. beloven, toezeggen: A — is a — = belofte maakt schuld; Breach of — cases = gevallen van (huwelijks)beloftebreuk; Land of — = land van belofte; You should not have made or recalled that — = dat hadt gij niet moeten beloven of herroepen; He acted up to his — = deed zooals hij beloofd had; He was very happy, I — you = dat beloof ik je; To — well = veel beloven; —-breaker = woord- of beloftebreker; To be in a promising state = veel beloven; Promissory, promisəri: A — note = promesse.
Promontory, prom’ntəri, voorgebergte, kaap.
Promote, prəmout, bevorderen, aankweeken, begunstigen, op touw zetten, oprichten, verwekken: To be —d at school = verhoogd worden; —r = oprichter (vaak in ongunstigen zin); Promotion = bevordering, aanmoediging: He is on — = verwacht (staat op) bevordering; Promotive: To be — of a thing = iets bevorderen.
Prompt, prom(p)t, adj. gereed, vaardig, gevat, vlug, stipt: — verb. aanzetten, aansporen, souffleeren, inblazen, vóórzeggen (in school): Eleven-thirty — = precies om half twaalf; Avarice —ed him to that mean action = deed hem bedrijven; —-book = souffleursboek; —er = aanzetter, voorzegger, souffleur; Boxes P. S. (= —er’s-side) = loge aan de rechterzijde van het tooneel waar de souffleur staat (in Engeland staat hij achter eene coulisse); The —ings of nature = de ingevingen (stem) der natuur; —itude, promtitjûd, vaardigheid, vlugheid = —ness; —uary, promtjuəri, magazijn van gereede goederen, bergplaats; —ure = inblazing, het aanzetten.
Promulgate, prəmɐlgeit, openbaar maken, verkondigen: The secret was —d = bekend gemaakt; subst. Promulgation.
Prone, proun, naar voren of beneden gebogen, steil, gretig, geneigd, vooroverliggend: He lay — before the emperor = in het stof gebogen; He is — to mischief = geneigd, in staat; —ness = helling, steilheid, neiging.
Prong, proŋ, scherp werktuig, tand van een vork; — verb. steken; —buck, —horn antelope = soort van Amerikaansche antilope; —ed: A three-—ed fork = vork met drie tanden.
Pronominal, prənomin’l, voornaamwoordelijk; Pronoun, prounaun, voornaamwoord.
Prononcé, pronoŋsei, met kracht of klem.
Pronounce, prənauns, uitspreken, houden, verklaren of beslissen: Sentence of death was —d on the murderer = het doodvonnis werd uitgesproken over; He was —d to be a fool = hij werd voor dwaas verklaard; It is not easy to — upon the subject = daaromtrent te beslissen; —able = wat uitgesproken kan worden; —ment = uitdrukkelijke verklaring: A — on that question = eene beslissing omtrent die zaak; That — pulls me up = voor die uitspraak sta ik stil; Pronouncing dictionary = woordenboek met uitspraak.
Pronunciation, prənɐnšieiš’n, uitspraak, voordracht; Pronunciative, prənɐnšieitiv, tot de uitspraak behoorende, dogmatisch.
Proof, prûf, bewijs, proef, drukproef, overtuigend bewijs, vastheid, kracht, ondoordringbaarheid; adj. ondoordringbaar, beproefd, bestand, van zeker alcoholgehalte: Clean — = revisie; First — = (eerste) proef; Burden of — = bewijslast; A lot of — = een hoop proeven; I read it in the — = las de proeven; What can you adduce in — of your assertion? = tot bewijs van; We shall put it to the — = op de proef stellen; The — of the pudding is in the eating = ondervinding is het beste bewijs; A — overcoat = waterdichte overjas; He is — against temptation = tegen de verleiding bestand; Cholera-—; The safe proved to be fire-— = bleek tegen het vuur bestand te zijn; —-reader = corrector; —-sheet = drukproef; —less = onbewezen.
Prop, prop, subst. steun, stut, pen (van gloeikousje); — verb. stutten, schragen.
Propaedeutic, proupədjûtik, propaedeutisch; —s = propaedeuse.
Propagable, propəgəb’l, wat voortgeplant, bevorderd of verspreid kan worden.
Propaganda, propəgandə, propaganda: College of the — = Propaganda-College te Rome; To make — for; Propagandism = verspreiding van leerstellingen; Propagandist = propagandist.
Propagate, propəgeit, (zich) voortplanten, verspreiden, verbreiden; Propagation = voortplanting, verspreiding, verbreiding; Propagator; adj. Propagatory.
Propel, prəpel, voortdrijven: —ling force = drijfkracht; —lent = voortstuwend; —ler = drijver, voortstuwer, schroef (= Screw-—ler); —ler shaft = schroefas.
Propense, prəpens, geneigd; —ness, prəpensnəs, Propensity, prəpensiti, geneigdheid, natuurlijke neiging.
Proper, propə, gepast, geschikt, eigen(aardig), behoorlijk, betamelijk, fatsoenlijk: — name (— noun) = eigennaam; What’s your — name? = eigen naam; That is the — thing = dat is “je ware”; The thing — = de eigenlijke zaak; A word used in its — sense = eigenlijke beteekenis; All in its — time = op zijn tijd; It is not — for you to do so = het past u niet; To think — = goed vinden; —ness = gepastheid; Property = eigenschap, hoedanigheid, eigendom (Properties = requisieten): Funded —, Landed — = kapitaal-vermogen, landbezit of grondeigendom; Movable, Personal — = roerend goed; Real — = onroerend goed; —-letter = tooneelbrief; —-master = requisiteur; —-room; —-tax = vermogensbelasting.
Prophecy, profəsi, voorzegging, voorspelling; Prophesier, profəsaiə, profeet; Prophesy, profəsai, voorzeggen, voorspellen; Prophet, profət, profeet: A — has no honour in his own country = een profeet is niet geëerd in zijn land; —ess, profətəs, profetes; —ic(al), prəfetik’(l), profetisch.
Prophylactic, pro(u)filaktik, subst. en adj. voorbehoedend (middel) tegen ziekte; Prophylaxis = prophylaxe.
Propinquity, prəpiŋkwiti, nabijheid, nauwe verwantschap.
Propitiate, prəpišieit, gunstig stemmen, bevredigen, verzoenen; Propitiation = verzoening; Propitiator = verzoener; Propitiatory = verzoenend, zoen …: — sacrifice = zoenoffer; Propitious, prəpišəs, gunstig, genadig, vergevend; subst. —ness.
Propolis, propəlis, maagdenwas.
Propontic, prəpontik, Zee v. Marmora.
Proportion, prəpöš’n, subst. evenredigheid, verhouding, regel van drieën (= Rule of —); — verb. toebedeelen, evenredig maken, regelen: In — as you work so you will be rewarded = naar de mate dat; In — to = met betrekking tot; That is out of all — to the want = geheel onevenredig aan; They bear no — to one another = staan in geen verhouding tot, houden geen verband met; The work ought to be —ed to his strength = moet in overeenstemming zijn met; —able = evenredig = —al; dit ook subst. = evenredige hoeveelheid: —al representation = evenredige vertegenwoordiging; Mean —al = de middenevenredige; —ality = evenredigheid;—verb. (prəpöšəneit) evenredig maken: —ate (prəpöšənit), adj. evenredig; subst. —ness.
Proposal, prəpouz’l, voorstel, aanbod: — of marriage, of peace; — book = register waarin de “voorgehangen” leden van een club worden ingeschreven; I make this — but once = doe dit voorstel.
Propose, prəpouz, voorstellen, aanbieden, van plan zijn (to oneself), stellen (van candidaten): He has actually —d for her = (haar vader of voogd) om hare hand gevraagd (Vergel. —ed to her = haarzelf om hare hand gevraagd); Man —es, but God disposes = de mensch wikt, God beschikt; It is —d to provision the fortress = het plan bestaat; I — to go (going) there = ben van plan; To — a toast; —r; Proposition, propəziš’n, voorstel, aanbod, verklaring, probleem, vergelijking; adj. —al.
Propound, prəpaund, voorstellen, onderwerpen of voorleggen (v. eene vraag): That question was —ed to the meeting = werd voorgelegd; —er.
Proprietary, prəpraiətəri = eigendoms …; subst. eigendomsrecht; Proprietaries = eigendommen, bezitters; Proprietor, prəpraiətə, eigenaar, deelnemer: —ship = eigendomsrecht; vr. Proprietress, Proprietrix, prəpraiətriks.
Proprietous, prəpraiətəs, “netjes”, zooals het hoort: I am stifled at the thought of this pretty girl being guarded by those — dragons of aunts = die stijve draken van tantes; Propriety, prəpraiəti, juistheid, gepastheid, welvoegelijkheid: This fellow sets all — at defiance = handelt tegen alle regelen der welvoegelijkheid in.
Props, props, verk. van Properties.
Propulsion, prəpɐlš’n, voortstuwing; Propulsive, Propulsory = voortdrijvend, stuwend.
Propylaeum, propilîəm, proupailîəm.
Pro rata, prou reitə, evenredig; Pro-ratable, naar rato of verhouding te verdeelen (Am.).
Prorogation, prourəgeiš’n, verdaging; Prorogue, prəroug, uitstellen, verdagen, sluiten van de zittingen der wetgevende macht: The Second Chamber was prorogued by the Home Minister in the Queen’s name = de zitting van de 2de kamer werd in naam der Koningin door den Min. v. B. Z. gesloten.
Prosaic(al), prəzeiik(’l), prozaïsch, alledaagsch; Prosaist, prouzə-ist, prozaschrijver, nuchter persoon.
Proscenium, prəsînj’m: — box = loge avant scène.
Proscribe, proskraib, verbannen, verwerpen, verbieden, veroordeelen, buiten de wet plaatsen; —r; Proscription = verbanning, verbod; Proscriptive = verbannend, tyranniek.
Prose, prouz, subst. proza; adj. prozaïsch, vervelend; — verb. vervelend schrijven of verhalen: This writer never preaches nor —s = moraliseert of verveelt nooit; The poet’s way of handling his materials is different from the —man’s = die van een prozaschrijver; —-writer = prozaschrijver; He is a —r = vervelend spreker of schrijver.
Prosect, prəsekt, lijken ontleden; —or = prosector.
Prosecute, prosəkjût, vervolgen, voortzetten: To — a war, one’s studies; Trespassers will be —d = overtreders worden volgens de wet vervolgd; Prosecution, prosəkjûš’n, vervolging, voortzetting; Prosecutor, prosəkjûtə, voortzetter, vervolger: The Public — = Off. van Justitie = Counsel for the Prosecution = ambtenaar van het Openb. Ministerie; vr. Prosecutrix.
Proselyte, prosəlait, subst. bekeerling, proseliet; — verb. bekeerlingen maken = Proselytism, prosəlitizm, proselietenmakerij; Proselytize, prosəl(a)itaiz.
Proserpine, prosəpin, Proserpina.
Prosiness, prouzinəs, nuchterheid, vervelendheid.
Pro-slavery, prousleivəri, de slavernij voorstaand (Amer.).
Prosodian, prəsoudj’n, een in de prosodie bedrevene; Prosodical, prəsodik’l, overeenkomstig de wetten der prosodie; Prosody, prosədi, prosodie.
Prospect, prospəkt, verschiet, uitzicht, aanblik, hoop, verwachting: Golden —s; In — = in ’t vooruitzicht; —-glass = verrekijker.
Prospect, prəspekt, onderzoeken van land met het oog op geschiktheid van ligging of vooral om te zien of het edele metalen bevat; —ive = vooruitziende, waarschijnlijk, aanstaande: His —ive father-in-law = zijn schoonvader in spe; —ive glass = verrekijker; —or = mijnonderzoeker, speculant; Prospectus, prəspektəs, prospectus, programma.
Prosper, prospə, bloeien, gelukken, begunstigen: God — you = zegene u; —ity, prosperiti, voorspoed, welvaart, geluk; —ous = voorspoedig, welvarend, gunstig, gelukkig; subst. —ousness.
Pross, pros, gebabbel, enthousiastisch liefhebber van het tooneel; — verb. afbedelen, zich laten trakteeren.
Prosthesis, pros-thəsis, prothesis.
Prostitute, prostitjût, subst. prostituée, huurling; — verb. (zich) prostitueeren: He —d his honour = gooide te grabbel; Prostitution = prostitutie; Prostitutor = die zichzelf of een ander aan ontucht prijs geeft.
Prostrate, prostrit, adj. neergebogen, in ’t stof gebogen, ootmoedig, verzwakt, slap: To fall — = een voetval doen; To lie — = geknield; — verb. (prostreit), nederwerpen, ter aarde werpen, geheel vernielen, verzwakken: To — oneself = zich ootmoedig buigen; Prostration = ternederwerping, diepe vernedering, ootmoedige aanbidding, groote zwakte.
Prostyle, proustail, zuileningang.
Prosy, prouzi, prozaïsch, vervelend.
Protagonist, prətagənist, leider, toonaangever; voornaamste speler in een Grieksch drama.
Protasis, protəsis, protasis.
Protean, proutiən, prətîən, als Proteus, licht van gedaante veranderend.
Protect, prətekt, beschermen, honoreeren: — me from (against) mine enemies = behoed mij voor mijne vijanden; —ingness: The mother threw her arm round the child with a tender —ingness = beschermende teederheid; —ion = bescherming, middel, vrijgeleide, paspoort, protectie, beschermend recht, honoreering: To find (meet with) due —ion = behoorlijk gehonoreerd worden (v. een wissel); —ion paper = vrijstelling, die men den Press-gang toonde; —ionism = protectionisme; —ionist, subst. protectionist; adj. protectionistisch: —ive = beschermend middel; adj. beschermend: — deck = pantserdek; — duties, taxes = beschermende rechten; — system; —or = beschermer, protector; —orate = protectoraat, protectorschap = —orship; —ory = opvoedingsgesticht voor verwaarloosde kinderen (Amer.); —ress of —rix = beschermster, beschermvrouw.
Protégé, Fr. uitspr., beschermeling.
Protein, proutiin, proteïne: —-body = eiwitlichaampje.
Protest, proutəst, plechtige verklaring, protest: He entered a — against = teekende protest aan tegen; To levy (make, order) — = protesteeren; To be returned under — = teruggezonden worden onder protest.
Protest, prətest, plechtig verklaren of bevestigen, betuigen, protesteeren: I had (got) the bill of exchange —ed = liet protesteeren; Protestant, protəst’nt, subst. protestant; adj. protestantsch, protesteerend; —ism = protestantisme; Protestation, protəsteiš’n, plechtige verklaring, betuiging of verzekering; Protester = die protest aanteekent, betuiger.
Proteus, proutiəs, proutjûs, Proteus, wispelturig persoon.
Prothalamion, —mium, prouthəleimj’n, —mj’m, lied ter eere van het bruidspaar.
Prothonotary, prəthonətəri, eerste griffier in Amer. gerechtshoven; protonotarius, pauselijk geheimschrijver.
Protocol, proutəkol, protocol; — verb. een protocol opmaken: To draw up a —; —ist = griffier; — verb. —ize.
Protogenic, proutədženik, primair (Geol.).
Protomartyr, proutəmâtə, eerste martelaar.
Protoplasm, proutəplazm, protoplasma; adj. —(at)ic.
Prototype, proutətaip, oorspronkelijk type, model.
Protozoa, proutəzouə, laagst georganiseerde dieren: —n, subst. en adj.
Protract, prətrakt, uitstellen, rekken, verlengen: A —ed struggle = langdurige worsteling; —er; —ile, prətraktil, rekbaar; —ion = rekking, vertraging; —or = transporteur, graadboog.
Protrude, prətrûd, uitsteken, overhangen: Something —d from his robe which proved to be a claw = er stak iets uit zijn mantel; Protrusion = uitsteking; Protrusive: — motion = stootende beweging.
Protuberance, prətjûbər’ns, uitwas, knobbel, gezwel; Protuberant = uitstekend, uitpuilend, gezwollen; subst. Protuberation.
Proud, praud, trotsch, hoovaardig, aanmatigend, fier; blij (Amer.): To be — of = trotsch zijn op; It does him — = het doet hem eer aan; As — as Lucifer = zoo trotsch als eene pauw; — flesh = wild vleesch (bij wonden); —-hearted; —-minded; —-spirited = met trotschen, fieren geest, hooghartig; —ish = ietwat trotsch.
Provable, prûvəb’l, bewijsbaar; subst. —ness; Prove, prûv, bewijzen, beproeven, ondervinden, aantoonen, de proef maken op, blijken te zijn: To — false (true) = niet waar (waar) blijken; I have —d him to be a mean fellow = ik heb bewezen; The bill was —d = geverifieerd; Not —n = niet bewezen (formule waarmee in Schotland de jury een beschuldigde vrijspreekt); —r.
Provender, prov’ndə, droog voeder (hooi, haver, koren): He is —-pricked = de broodkruimels steken hem.
Proverb, provəb, subst. spreekwoord, voorwerp van spot (The —s = Spreuken Salomo’s); — verb. van een spreekwoord voorzien: To be a — = spreekwoordelijk berucht zijn; —ial, prəvɐ̂bj’l, spreekwoordelijk: To be —ial for; —ialism = spreekwoordelijke uitdrukking; —ialist = maker en verzamelaar van spreekwoorden.
Provide, prəvaid, voorzien van, verschaffen, zorgen, maatregelen nemen: You must — your own supper = zorgen voor; The law —s that = de wet bepaalt, dat; We must — against it = daar moeten wij maatregelen tegen nemen; You have nobody to — for = waar ge voor zorgen kunt (moet); You have to — for nobody = voor niemand te zorgen; Are you —d for? = is er voor u gezorgd; hebt gij genoeg: The poor were —d with the necessaries of life = werden voorzien van; —d = mits, onder voorwaarde: —d schools = lagere gemeentescholen; Non —d schools = lagere scholen, die medebestuurd worden door het een of ander godsdienstig genootschap; Providence, providens, de Voorzienigheid, spaarzaamheid, voorzorg, voorzichtigheid: — protects children and drunken men; Under — = D. V. = Deo Volente = als het God behaagt; Provident = voorzichtig, zorgend, zorgzaam: — bank = spaarkas; adj. Providential: God’s — care; Provider = verzorger, verschaffer.
Province, provins, provincie, wingewest, kerspel, gebied, vak, sfeer: Arithmetic is not my — = mijn vak (en “fort”) niet; That is within my — = behoort tot mijn departement, daar moet ik voor zorgen; —s: This gentleman is from the —s = meneer komt “van buiten”; Provincial, prəvinš’l, gewestelijk, boersch, onbeschaafd; subst. provinciaal; —ism = gewestelijke spreekwijze of spreektrant; Provinciality = provincialisme, bekrompenheid.
Provision, prəviž’n, subst. voorraad, voorziening, voorzorg, voorbereidende maatregel, dekking, remise, bepaling; (—s = mondvoorraad, eetwaren); — verb. van levensmiddelen voorzien (a town, etc.): The —s of this law = de bepalingen; To make — against = maatregelen nemen.
Provisional, prəvižən’l, voorloopig: A — measure = voorloopige maatregel; Proviso, prəvaizou, voorbehoud, beding, bepaling: With (a) — = onder voorwaarde; Provisor, prəvaizə, geestelijke tot een ambt benoemd vóór de houder dood is; de schat- of hofmeester van een klooster, etc.; provisor; Provisory = voorwaardelijk, voorloopig.
Provocation, provəkeiš’n, prikkel, terging, tarting, beleediging; Provocative, prəvo(u)kətiv, tergend, prikkelend, boos makend; ook subst.; —ness; Provoke, prəvouk, tergen, aanzetten, verbitteren: Those words —d my anger = maakten mijn toorn gaande; —r; Provoking words = tartende woorden.
Provost, provəst, opziener, hoofd, proost van eene cathedraal, voornaamste magistraat in Schotsche gemeenten; provoost (prouvəst, prouvou, prəvou): Lord — = titel van de burgemeesters van Edinburgh, Glasgow, Aberdeen, Dundee en Perth; —-marshal, prəvoumâš’l = kapitein-geweldiger; —-sergeant = provoost-geweldiger; —ship.
Prow, prau, voorsteven, boeg.
Prowess, prauəs, moed, dapperheid.
Prowl, praul, subst. sluipen, rondzwerven en loeren; — verb. sluipend rondzwerven: To be on the — = de “baan” op zijn; —er.
Proximate, proksimit, naast, onmiddellijk: — cause = naaste, onmiddellijke oorzaak; Proximity, proksimiti, onmiddellijke nabijheid, nauwe verwantschap; Proximo, proksimou, de aanstaande maand: The 7th proxo = de 7e van de volgende maand.
Proxy, proksi, volmacht, gevolmachtigde: To give — = procuratie geven; She married by — = met den handschoen, bij volmacht (= —-wedded); —ship.
Prude, prûd, preutsche vrouw.
Prudence, prûd’ns, voorzichtigheid, bedachtzaamheid; Prudent = voorzichtig, omzichtig, zuinig, spaarzaam; Prudential, prudenš’l, verstandig, beraden, wijs: —s = voorzorgsmaatregelen.
Prudery, prûdəri, preutschheid.
Prud’homme, prudom, lid van een scheidsgerecht van werkgevers en arbeiders (in Frankrijk).
Prudish, prûdiš, preutsch, stijf.
Prune, prûn, subst. gedroogde pruim.
Prune, prûn, snoeien, besnoeien (fig.), glad, netjes maken; —r; Pruning-hook (-knife, -shears) = snoeihaak (mes, schaar).
Prunella, prunelə, zachte, donker-wollen stof; soort van gedroogde pruim = Prunello.
Prurience, Pruriency, prûriəns(i), jeuking, kitteling, heftig verlangen naar; Prurient, prûriənt, jeukend, vurig verlangend: — details = pikante bijzonderheden.
Pruriginous, pruridžinɐs, jeukend, schurftig; Prurigo, pruraigou, jeukende huidziekte, schurft.
Prussia, prɐšə, Pruisen; —n, subst. Pruis; adj. Pruisisch: —n blue = Berlijnsch blauw; Prussic, prɐsik, prûsik: — acid = Pruisisch zuur.
Pry, prai, gluren, onderzoekend kijken: He is a Paul — = hij is een nieuwsgierige bemoeial = A —ing fellow.
Psalm, sâm, psalm: The (Book of) —s = de Psalmen; —ist, sâmist, salmist, psalmdichter: The —ist = David; —odist, sâmədist, salmədist, psalmdichter, psalmzanger; —ody, sâmədi, salmədi, psalmgezang, boek met psalmen; Psalter, sôltə, psalter, psalmboek; Psaltery, sôltəri, psalter, oud Joodsch snaarinstrument.
Pseudo, siûdou, valsch (vooral in samenst.); Pseudonym, siûdənim, aangenomen naam; —ous, siudonimɐs, pseudoniem; Pseudonymuncle, siûdənimɐŋk’l, (verachtelijk voor) iemand, die niet onder zijn waren naam schrijft.
Pshaw, (p)šô, bah! foei!
Psittacus, sitəkəs, jaco, aschgrauwe papegaai.
Psora, sôrə, schurft, adj. Psoric, ook middel tegen schurft.
Psyche, saikî, psyche, de ziel; Psychiatric(al), saikiatrik(’l), psychiatrisch; Psychiatry, saikaiətri, psychiatrie; Psychic(al), saikik(’l), zielkundig, spiritistisch; Psychics, saikiks, psychologie; Psychologic(al), saikəlodžik(’l), psychologisch; Psychologist, saikolədžist, zielkundige; Psychology, saikolədži, zielkunde; Psychologize, saikolədžaiz, psychologische onderzoekingen doen; hypnotiseeren: She —d her uncle to the extent of opening his arms to her = zij bewerkte haar oom zóó, dat hij zijne armen voor haar opende.
Ptarmigan, tâmig’n, sneeuwhoen.
Pteridology, teridolədži, leer der varens.
Ptisan, t(a)iz’n, gerstewater.
Ptolemaic, toləmeiik, Ptolomeisch; Ptolemy, toləmi, Ptolemeus.
Pub, pɐb, gewone verk. voor Public-house.
Puberty, pjûbəti, huwbare leeftijd; Pubes, pjûbîs, schaamstreek, schaamheuvel; Pubescence, pjubes’ns, geslachtsrijpheid; zacht dons; Pubescent, pjubes’nt, van huwbaren leeftijd; donzig, zacht.
Public, pɐblik, subst. het algemeen, publiek, bierhuis; adj. openbaar, algemeen, bekend: The — at large, The general — = het groote publiek; The work was brought before the — in 1880 = werd uitgegeven; He did it in — = in het openbaar; Who introduced this work to the —? = heeft bij het publiek ingeleid; — appointment = benoeming van rijkswege; At — charge, At the — cost = op rijkskosten; — debt = staatsschuld; — good = het nut van ’t algemeen; — health department = gezondheidsraad; —-house = herberg, bierhuis, kroeg; A — man = iemand die eene openbare betrekking bekleedt; algemeen bekend (Vergel.: A — woman = algemeen bekende); — nursery = kinderbewaarplaats; — opinion; —-school = benaming van sommige oude Latijnsche scholen (Eton, Harrow, etc.) met internaat; volksschool (Am.); —-servant = rijksambtenaar; —-spirited = met een hart voor de algemeene belangen; Publican, pɐblik’n, tollenaar; herbergier, kroeghouder; Publication, pɐblikeiš’n, bekendmaking, afkondiging, uitgave: List of new —s; Publicist, pɐblisist, schrijver over staatkundige en staatsrechtelijke onderwerpen; Publicity, pəblisiti, openbaarheid, bekendheid; Publish, pɐbliš, bekend maken, uitroepen, uitgeven; —er = uitgever, bekendmaker: — and Publishee = uitgever en schrijver; The publishing-business, —-firm, —-house = uitgeverszaak; Publishment = bekendmaking, huwelijksafkondiging.
Puce, pjûs, vlookleur.
Puck, pɐk, kabouter, elf, fee.
Pucker, pɐkə, rimpelen, plooien, samentrekken; subst. vouw, verwarring, verlegenheid, opgewondenheid, ergernis: She —ed up her mouth = trok te zamen; —y = vol vouwen, licht kreukend.
Pudding, pudiŋ, pudding, beuling, worst; darm, maag, lijf: But the — was richer than that = maar ’t was nog veel mooier; —-faced = met vollemaansgezicht; —-head = dikkop, domkop; —-pie = vleeschpastei; —-sleeve = wijde (pof)mouw van de toga; steek (iron.); —-time = etenstijd; het juiste oogenblik: He came in —-time = hij kwam net van pas, viel met zijn neus in de boter.
Puddle, pɐd’l, subst. kleine modderpoel of plas, klei en zand gemengd; — verb. bevuilen, modderig maken, waterdicht maken met puddle, poedelen (van ijzer); Puddly = modderig.
Pudenda, pjûdendə, schaamdeelen.
Pudgy, pɐdži. Zie Podgy.
Pudic, pjûdik, schaam - -; Pudicity = schaamte, kuischheid.
Pueblo, pueblou, stad, dorp.
Puerile, pjûər(a)il, kinderachtig, jongensachtig; subst. —ness = Puerility = kinderachtigheid, kinderleeftijd.
Puff, pɐf, subst. krachtige windruk, geblaas, trekje of haal, wat licht en poreus is, luchtig gebak, poeierkwast, reclame, holle en snoevende aanbeveling, gemalen klei; — verb. blazen of waaien met korte en krachtige stooten, opblazen, opzwellen, uitblazen, overdreven in de hoogte steken, verachtelijk snuiven: He —ed his cigar = trok aan; He —ed with anger = snoof van toorn; He was —ed with pride = hij was opgeblazen van hoogmoed; —-ball = stuifzwam; —-paste = feuilleté deeg; —-ridden = opgeblazen van trots; —er = snoever, bluffer, opjager (op verkoopingen); —iness, subst. v. —y = opgeblazen, bombastisch, verwaand.
Pug, pɐg, mopshond; leem; — verb. leem kneden, met leem opvullen: —-dog; —-mill = kneedmachine, mortelmolen; —-nose, mopneus.
Pugaree, pɐgəri, Puggery, pɐgəri, sluier van mousseline om hoed of helm gedragen in tropische gewesten.
Pugh, pû, bah! foei! loop!
Pughe, pjû.
Pugilism, pjûdžilizm, het vuistvechten; Pugilist = vuistvechter, bokser; Pugilistic, pjûdžilistik: — encounter.
Pugnacious, pɐgneišəs, twistziek, strijdlustig; subst. —ness = Pugnacity, pɐgnasiti.
Pugree, pɐgrî. Zie Pugaree.
Puisne, pjûni, jonger, van lageren rang; ook subst.
Puissance, pjûis’ns, macht, kracht; adj. Puissant; subst. —ness.
Puke, pjûk, subst. braakmiddel, braaksel; — verb. braken, iemand misselijk maken: Sounds of puking woe.
Pule, pjûl, piepen, blèren, janken: The children look wretchedly white and —d = zien er erg bleek en schraaltjes uit; —r; Puling = gejank; adj. jankend, zwakjes.
Pulkha, pɐlkə, slede der Laplanders.
Pull, pul, subst. ruk, teug, voordeel, invloed (Am.); — verb. trekken, rukken, plukken, scheuren, inhouden (rensport), roeien: It’s a hard — = een heele karwei; To have a — at a glass = een teug nemen; To have a — on = invloed hebben bij of op; Boot —s = laarzentrekker; Will you — the bell, please? = wil u wel eens bellen? He —ed the long bow = schoot met spek; He —ed a face = keek leelijk op zijn neus; To — a leg = beetnemen, foppen; To — proofs = proeven trekken; He can — a string or two in the press = heeft veel invloed in de pers; The piece of cloth was —ed apart = in stukken gerukt of gescheurd; He —ed at the bell (cord) = trok aan; The old houses near the gate were —ed down = werden afgebroken; I will — him down a little = ik zal hem klein krijgen; He —ed the man’s vengeance down on his head = haalde zich op den hals; —ed-down = afgetobd; He —ed it off = redde het, sloeg er zich door, kreeg het gedaan, speelde het klaar; The shoes were —ed off my swollen feet = werden getrokken; He —ed on his stockings = trok aan; Never say die, man, I hope we shall — you through = je er nog door zullen halen, redden; To — together = één lijn trekken; I had taken a brandy-and-soda to — me together = wat (weer) moed te geven; We —ed ourselves together = wij zetten ons beste beentje vóór, vermanden ons; The coachman —ed up before the house, at the door = hield stil; The things were —ed up = weggenomen; He was —ed up under the act as a vagabond = hij werd opgepakt en gedagvaard; We —ed him up for his insolence = maakten hem een standje; — up a brave heart = vat moed; — up = vooruit, huup, haal op! —ed hen = ruiende, geplukte kip; —er.
Pullet, pulət, kuiken; bakvischje (fig.).
Pulley, puli, katrol, talie: Fast —, Loose — = vaste, vrije katrol.
Pul(l)icat, pɐlikət, gekleurde en geruite zakdoek.
Pullman(-car), pulm’n(kâ), slaap- of salonrijtuig.
Pulmonary, pɐlmənəri, long …: — complaint, consumption = longkwaal, longtering; — inflammation = longontsteking; Pulmonic, pɐlmonik, subst. longlijder, longmiddel; adj. long …: — circulation = kleine bloedsomloop.
Pulp, pɐlp, subst. weeke, vochtige massa, vleezig deel eener vrucht, pulp, merg; — verb. tot pulp of weeke massa maken of worden, rijp maken of worden: I’ll beat you to a — = ik zal je tot mosterd slaan; —-engine; —-mill = pulpmolen; —iness = pappigheid, etc.; —ous = pappig, week, zacht = —y.
Pulpit, pulpit, kansel, katheder: The — = de predikanten; The preacher is in the — = op den stoel; The declaration was read from the — = werd van den preekstoel afgelezen; —-cuffer (—-thumper) = hemeldragonder; —-orator = kanselredenaar.
Pulsate, pɐlseit, kloppen, slaan: Our hearts — to the same ideals = kloppen voor; Pulsatile, pɐlsətil, kloppend, slag - -; Pulsation, pɐlseiš’n, klopping, hart- of aderslag, slingering; Pulsative, Pulsatory = kloppend; Pulse, pɐls, subst. pols(slag), trilling; peulvrucht; — verb. kloppen: The patient has a low — = een zwakken pols; I shall try to feel his — = ik zal hem eens zien te polsen (fig.); My heart —d fiercely = klopte woest; My watch —d regularly = tikte; —-rate = aantal polsslagen per minuut; —less = zonder polsslag.
Pulteney, pɐltni, poultni.
Pulverization, pɐlvər(a)izeiš’n, subst. v. Pulverize, pɐlvəraiz, tot poeder malen of stooten, totaal vernietigen; tot stof vergaan; een zandbad nemen (vogels): The opponents were —d = werden totaal verslagen; Pulverous = poederachtig; Pulverulence = poederachtigheid; Pulverulent = poederachtig.
Puma, pjûmə, Amerik. puma.
Pumice, pɐmis, pjûmis, puimsteen (= —-stone); — verb. met puimsteen glad wrijven; Pumiceous, pjumišəs, puimsteenachtig.
Pummel, pɐm’l. Zie Pommel.
Pump, pɐmp, subst. pomp, dansschoen; — verb. (leeg)pompen, uithooren, oppompen: Lift and force — = zuig- en perspomp; The — is dry = lens; The — is foul = verstopt; To fetch the — = water in een pomp gieten om haar aan den gang te krijgen; To stand under the — = zich laten uithooren; We must try to — him = hem zien uit te hooren; We —ed him dry = hebben hem geheel uitgehoord; —-barrel = pompcylinder; —-brake = pompzwengel; —-cistern = pompbak; —-dale = pompdaal (scheepst.); —-gear = pomptoestel; —-handle; —-room = drinkhal; —-spear = pompstang; A yard of —-water = A flat board-like figure = zoo plat als een schol; —er = pomper, petroleumbron (Amer.), uithoorder, schandelijke nederlaag (rensport).
Pumpernickel, pɐmpənikəl, pompernikkel.
Pumpkin, pɐmpkin, pompoen: To think —s of oneself = een hoogen dunk van zichzelf hebben.
Pun, pɐn, subst. woordspeling; — verb. woordspelingen maken; —ster = die gaarne woordspelingen maakt of ze goed kan maken.
Punch, pɐnš, subst. priem, drevel, slag, stoot, korte en dikke kerel; klein, sterk paard, punch, hansworst; adj. kort en dik; — verb. priemen, doorslaan, ponsen, knippen, slaan, stompen: — and Judy = Jan en Trijn; — and Judy show = poppenkast; As pleased as — = dolblij, jolig; As proud as — = zoo trotsch als Jan Klaassen; —-bowl = punchkom; To — tickets = kaartjes knippen; —er; —y = kort en dik.
Puncheon, pɐnš’n, stift, priem, zekere vochtmaat (84 gallons), ruw bekapte plank (Amer.).
Punctate(d), pɐŋktit(id), gepunt, gestippeld; subst. Punctation; Punctiform = als een punt.
Punctilio, pɐŋktiljou, overdreven vormelijkheid of nauwgezetheid: He stands upon —s = hij is overdreven precies; Punctilious = overdreven vormelijk of nauwgezet; subst. —ness.
Punctual, pɐŋktjuəl, precies op tijd (— to the hour); —ity, pɐŋktjualiti, stiptheid = —ness.
Punctuate, pɐŋktjueit, punctueeren, leesteekens plaatsen, door gebaren kracht bijzetten: A deep sigh —d her remark; subst. Punctuation; Punctuative = tot de punctuatie behoorende; Punctum = punt.
Puncture, pɐŋktjə, subst. prik, gaatje; — verb. prikken.
Pundit, pɐndit, geleerde Bramin, geleerde (ironisch).
Pung, pɐŋ, slede voor goederenvervoer (Amer.).
Pungency, pɐnž’nsi, scherpheid; wrangheid, bitterheid; adj. Pungent.
Punic, pjûnik, Punisch, Carthaagsch, verraderlijk, trouweloos: — faith = trouweloosheid.
Puniness, pjûninəs, subst. v. Puny.
Punish, pɐniš, straffen, kastijden, pijn doen, toetakelen, geducht aanspreken (v. een flesch): The big pugilist was severely —ed = verschrikkelijk toegetakeld; —able = strafbaar; subst. —ableness; Punishment = straf(fe), boete: On — of death = op straffe des doods; He took — very well = hij droeg alle straf geduldig: Punitive, pjûnitiv, straf …: A — detachment, expedition.
Punjab, pɐndžâb.
Punka(h), pɐnkə, waaier, ook kamerwaaier door een bediende in beweging gehouden (Brit. Ind.).
Punster. Zie Pun.
Punt, pɐnt, subst. platboomde boot of schuit, schouw; — verb. basset, ombre of faro spelen tegen den gever; voortduwen, boomen, wegstooten, in een punt op jacht gaan; —-gun = geweer voor de eendenjacht; —sman = eendenjager; —er = pointeur, speculant; iemand die boomt.
Puny, pjûni, klein, onvolkomen ontwikkeld, zwak.
Pup, pɐp, subst. jonge hond: — verb. jongen werpen: To be in — = drachtig zijn.
Pupa, pjûpə, pop; adj. —l: — state; Pupate = zich verpoppen; subst. Pupation.
Pupil, pjûpil, leerling, minderjarige, oogappel; adj. onmondig: —-teacher = kweekeling; —age = minderjarigheid leertijd; —lary = oogappel …, minderjarig …
Puppet, pɐpət, pop, marionet, werktuig; —-man = marionettenspeler; —-play, —-show = marionettenspel; —ry = affectatie.
Puppy, pɐpi, jong, jonge hond; lafbek, kwast; — verb. jongen werpen; —-dog = jonge hond; —-headed = kinderachtig, onnoozel; —ism = kwasterigheid.
Purblind, pɐ̂blaind, bijziende, slecht van gezicht; kortzichtig; subst. —ness.
Purchase, pɐ̂tšis, subst. verkrijging, koop, het gekochte, hefboom en hefboomseffect; — verb. verkrijgen, koopen, aankoopen, opheffen door middel van hefboom: It is mine by — = door aankoop; On the easy — system = met gemakkelijke afbetaling; I could not get any — for my feet = mijne voeten nergens tegen aanzetten; In that posture you have a better — over your instrument = hebt ge het instrument beter in uwe macht; To make —s = inkoopen doen; We have —d him out = wij hebben hem uitgekocht; I have —d it with my own money = voor eigen geld gekocht; —-money = kooppenningen; —r = kooper, afnemer.
Purdah, pɐ̂da, gordijn, scherm (Brit. Ind.).
Pure, pjûə, zuiver, rein, kuisch, echt, onvermengd: It is a newspaper article — and simple = het is niets anders dan een courantartikel; subst. —ness.
Purgation, pɐ̂geiš’n, zuivering, purgatie; Purgative, pɐ̂gətiv, purgeerend, zuiverend; subst. purgeermiddel; Purgatorial, pɐ̂gətôriəl, tot het vagevuur behoorende; Purgatory, pɐ̂gətəri, subst. vagevuur; adj. zuiverend, reinigend.
Purge, pɐ̂dž, subst. purgeermiddel; — verb. zuiveren, reinigen, purgeeren; Purging = buikloop, purgatie.
Purification, pjûrifikeiš’n, zuivering, reiniging; Purificative, Purificative = reinigend, zuiverend = Purificatory, Purificatory; Purifier = zuiveraar, reiniger; Purify, pjûrifai, zuiveren, reinigen, louteren, klaren.
Purim, pjûrim, Purimfeest (der Joden).
Purism, pjûrizm, muggenzifterij, purisme; Purist = muggenzifter, taalzuiveraar; Puristic(al), pjuristik(’l), overdreven nauwkeurig, puristisch.
Puritan, pjûrit’n, subst. en adj. Puritein(sch); Puritanic(al) = Puriteinsch; Puritanism = leer of gewoonten der Puriteinen.
Purity, pjûriti, reinheid, kuischheid.
Purl, pɐ̂l, subst. geborduurde rand, cantille, lus (van een sloop), averechtsche breisteek; alsembier, heete gekruide jenever en bier; kabbeling, gemurmel; — verb. borduren; kabbelen, murmelen: He got —ed = hij viel van het paard; —er = val.
Purlieus, pɐ̂ljûz, omtrek, buurt.
Purloin, pɐ̂lôin, stelen, kapen, ontfutselen; —er.
Purple, pɐ̂p’l, purper, purperen kleed of mantel, kardinaalschap, keizers- of koningsmacht; — verb. purperkleurig; worden of verven: — patches = mooie plaatsen of gedeelten; To be born in the — = van vorstelijke geboorte; —s = scharlakenkoorts; —-frosty = rood van koude; Purplish = purperachtig.
Purport, pɐ̂pöt, subst. beteekenis, inhoud, bedoeling; — verb. ook pɐ̂pöt, bedoelen, beteekenen, inhouden; —less.
Purpose, pɐ̂pəs, subst. bedoeling, doel, voornemen, plan, resultaat; — verb. voornemens zijn, het plan hebben: For what — did you go there? = waartoe; You use this knife quite from the — for which I gave it you = voor geheel andere dingen dan waarvoor; It is wide of the — = heelemaal mis; He did it on — = hij deed het opzettelijk; That is not to the —, to no — = dat is niet ter zake dienende, te vergeefs; He remembered this conversation to some —, as appeared afterwards = uitstekend (ter dege) en met reden; He has hunted to good — = met succes; They struggled to small — = met weinig succes; That does not answer my — = dat kan me niet dienen; To suit a person’s — = in iemands kraam te pas komen; That man has a wonderful tenacity of — = wonderbaarlijke volharding; These persons fell in love with each other at cross —s, for Alfred loves Alice, but Alice loves Herbert, and Herbert loves Kate, who is dying for Alfred = werden tegen het heil in op elkaar verliefd; He —d to write the history of England = hij nam zich voor; Man —s, and God disposes = de mensch wikt, en God beschikt; —ful = belangrijk, expres; —less = zonder doel of resultaat.
Purr, pɐ̂, subst. het snorren of spinnen (van katten vooral); — verb. snorren, spinnen: The tobacco of his somewhat foul pipe began to —.
Purse, pɐ̂s, subst. beurs, schatkist, middelen, som gelds; — verb. in de beurs steken, rimpelen, den mond samentrekken: He has an empty, a light — = hij is arm, heeft geene middelen; He has a long —, a heavy — = hij is rijk; He has a well-lined — = goed gespekte beurs; To bear the — = baas zijn in zijn huis; His —d out underlip hinted at decision of character = zijne vooruitgestoken onderlip; She —d up her mouth (lips) = trok den mond (de lippen) samen; —-bearer = thesaurier; —-bearing animal = buideldier; —-cutter = zakkenroller; —-net = zaknet; —-pride = geldtrots; —-proud = trotsch op geld; —-strings: To keep a tight hand on the —-strings = de hand op den zak houden, gierig zijn; To loosen one’s —-strings = de hand in den zak steken, (ongaarne) geven; —r = administrateur; Pursiness, subst. v. Pursy.
Purslain, Purslane, pɐ̂slin, postelein, portulak.
Pursuance, pɐ̂siûəns, vervolg, voortzetting: In — of your favour = ingevolge uw geëerd schrijven; Pursuant, pɐ̂siûənt, overeenkomstig (to); Pursue, pɐ̂siû, vervolgen (met het doel om in te halen of te vangen), voortzetten, voortgaan: To — a fashion, a tale; He —d his headlong course = zette zijn doldriftigen loop voort; They — after riches = zij jagen rijkdommen na; —r = vervolger, najager; Pursuit, pɐ̂siût, vervolging, jacht op; —s = bezigheden, arbeid, studie: His —s are literary rather than commercial = hij houdt zich meer met letterkundigen arbeid dan met handelszaken bezig; We were in — of the game = wij vervolgden het wild; The — of knowledge = het najagen van kennis.
Pursuivant, pɐ̂swiv’nt, volgeling, wapenheraut (— at arms).
Pursy, pɐ̂si, kort en dik, kortademig, opgeblazen.
Purulence, Purulency, pjûrulens(i), etterigheid; Purulent = etterig.
Purvey, pâvei, voorzien van, verschaffen, aanschaffen; —ance = het verschaffen van levensmiddelen, mondvoorraad, levensmiddelen; —or = leverancier: —or to the Queen = hofleverancier.
Purview, pâvjû, uitgestrektheid, grens, omvang, competentie.
Pus, pɐs, etter.
Puseyism, pjûziizm, de leerstellingen van de Oxford School; Puseyite, pjûziait = volgeling van Pusey, een der hoofdleiders van de Oxford Movement.
Push, puš, subst. duw, stoot, aanval, energie, volharding; — verb. duwen, stooten, voortdrijven, vooruithelpen, (aan)dringen, aanvallen: At a — = in geval van nood; in één slag of stoot; He brought (put) things to the last — = hij dreef de zaken tot het uiterste; When it comes to the — = in het beslissende oogenblik; You must — good books = den verkoop of lectuur bevorderen; He —ed the comparison too far = zette te ver door; We —ed him hard = we legden hem het vuur na aan de schenen; He —ed a joke = tapte eene aardigheid; To — one’s way = vooruitdringen; Let us — at them = op hen aanrukken, hen aanvallen; He —ed himself forward = drong naar voren; To — off = opruimen, afzetten, afstooten; — on = vooruit! haast u!; He —ed on his work = zette zijn werk krachtig en met spoed voort; To — up one’s eyebrows = optrekken; —-button = knop van electr. bel; —-cart = soort kinderwagen; To play at —-pin = prikken (kinderspel); —-strokes are barred = billardeeren mag niet; —ful, —ing = energiek, ondernemend: A —ing fellow.
Pushto(o), puštu, Afghaan(sch).
Pusillanimity, pjûsilənimiti, lafhartig- of kleinmoedigheid; adj. Pusillanimous, pjûsilanimɐs; subst. —ness.
Puss, pus, kat, haas: Have you read —-in-Boots? = “De gelaarsde Kat”; To play —-in-the-corner = stuivertje wisselen; —-faced = met scherp, vooruitstekend gelaat; —y = poesje, katje, jonge haas.
Pustule, pɐstjûl, puistje, blaartje; Pustulous = vol puistjes.
Put, pɐt, subst. lomperd; worp; kaartspel; — verb. het spelen op het putting green, i.e. in een omtrek van 20 yards van een der putting-holes, waarin bij het Golfspel de bal gedreven moet worden. Zie Putt; —ter = de kolf daarbij gebruikt.
Put, put, subst. zet, duw, drang, dwang; koop op termijn; — verb. zetten, plaatsen, brengen, leggen, toepassen, uitdrukken, etc.: That is a —-off = eene uitvlucht; —-on = streek; Let us — this case = dit geval stellen; They — their heads together = staken de hoofden bij elkaar; I do not know how to — it = hoe ik het zal zeggen of uitdrukken; To — a stop to = een einde maken aan; You may — and call these stocks = kunt deze effecten voor een bepaalden prijs verkoopen, koopen (Am.); I’ll — it mildly = zal mij zacht uitdrukken; I hope I don’t — you about = dat ik het u niet lastig maak; The ship was — about = werd gewend; I will — it at the lowest = zoo laag mogelijk stellen, het zoo zacht mogelijk uitdrukken; — it back = zet het weer op zijne plaats; The watch was — back = werd achteruit gezet; The dinner was — back an hour = later gesteld; The thing was — beyond a doubt = buiten allen twijfel gesteld; He — by my remarks with indifference = ging voorbij, gaf er niets om, legde ze ter zijde; He had — by some money for unexpected events = weggelegd; I will — down his pride = hem zijn trots wel afleeren; What may I — you down for? = wat mag ik eens voor u opschrijven, voor hoeveel teekent u in? He — it down to jealousy = schreef het toe aan; They — it down as hare, but maybe it is a cat = op het menu noemen ze het haas; The losses are — down at 40 killed and 60 wounded = worden gesteld, geschat; A declaration was — forth = eene verklaring werd uitgevaardigd; He — forth his hand = stak uit; The trees are —ting forth their leaves = komen in ’t blad; He — forth all his strength = ontwikkelde, spande in al zijne kracht; He — it in writing, in print = zette het op schrift, in druk; I am glad you — me in mind of it = dat ge er mij aan herinnerd hebt; I do not wish to — you in fear of him = u bang voor hem te maken; The ship — in, was — in = liep binnen, werd binnengeloodst; Allow me to — in a word = laat me ook een woord meespreken; He — in thus = hij sprak als volgt, merkte … op; He — in the lot at so much = zette in; The horses were — in (the carriage) = aangespannen; He — in a word for me = deed een goed woord voor mij; She has — herself gently into his life = heeft ongemerkt een plaats verkregen in; Never — off till to-morrow what you can do to-day = stel nooit uit; He — me off = scheepte mij af, stelde mij te leur; bracht mij in een kunstmatigen slaap (“maakte mij weg”); They — the horse off its food = deden het zijn eetlust verliezen; That — me off most = hinderde mij; To — on = aantrekken, opzetten, de schuld geven, aansporen: He did not offer to — me anything on = hij gaf mij geene gelegenheid met hem te wedden (bij wedstrijden); To — out of action, countenance = buiten gevecht stellen, verlegen maken; We can safely — this out of court = wij kunnen dit gerust buiten beschouwing laten; He — out his money at compound interest = zette het uit intrest op intrest; Their plans were — out = gedwarsboomd; I am not afraid of your —ting him out = dat ge hem de loef afsteekt; He was fearfully — out on hearing this = verschrikkelijk ontstemd, boos; To — oneself out = zich moeite geven, zich uitsloven; To — out = verstuiken; They — out in their canoes = staken van wal; The actor was — out = was van streek, in de war; Are we to stand here till we — out? = tot we vastgroeien, wortel schieten; The boy was — out after 3 months = werd verhoogd; To — through = steken door, laten verrichten; It is a pleasure to — such a fellow through = klaar te maken (voor een examen); We have been hard — to it of late = hebben het hard te verantwoorden gehad; He was — to it = hij moest wel; He was sorely — to it = sterk in verzoeking gebracht; I — it to him = stelde hem die vraag, maakte hem erop attent; The criminal was — to the question = werd op de pijnbank gebracht; He hovers over the difficulty, but does not — his hand to it = hij fladdert er wat om heen, maar pakt niet aan; To — to = laten dekken (van dieren); To — to death = ter dood brengen; To — to great expenses = op groote kosten jagen; To — to hazard = op het spel zetten; To — to (any) inconvenience = het iemand lastig maken; To — to the oath = den eed afnemen; To — to pains = moeite veroorzaken; To — oneself to pains = zich moeite geven; To — to the sword = over de kling jagen; To — to rights = in orde brengen; The motion was — to the vote = in stemming gebracht; To — two and two together = alles bij elkaar nemen; alle omstandigheden in aanmerking nemen; — up your sword = steek op; He — up for that place = hij stelde zich candidaat voor die betrekking; Shall we — up here, at this hotel? = onzen intrek nemen; To — up = als getuige laten optreden; To — up a hare = opjagen; Can you — me up for the night = logeeren? They were — up in church = hun huwelijk werd afgekondigd; The house was — up (for sale) = aangeslagen; Shall I — it up for you = inpakken, apart leggen? I have — you up to a good thing = iets goeds aan de hand gedaan; They — up the shutters = zetten de luiken er voor; She — up her lips to kiss him = stak uit, hield toe; That — my back up, — me up = maakte mij boos; You will have to — up with it = dat zult gij u moeten laten welgevallen; The Transvaal war is a —-up job, affair = doorgestoken kaart; He — a trick upon me = hij bakte mij eene poets; He is easily — upon = beetgenomen; —ter; —ter-on = aanstoker.
Putative, pjûtətiv, ondersteld, gewaand.
Putlog, pɐtlog, steigerpaal.
Putney, pɐtni.
Putredinous, pjutredinɐs, verrot, stinkend.
Putrefaction, pjûtrifakš’n, verrotting, het verrotte = Putrification, pjûtrifikeiš’n; Putrefactive = verrottend; Putrefy, pjûtrifai, (doen) verrotten of bederven; Putrescence, pjutres’ns, rotting; adj. Putrescent; Putrescible, pjutresib’l, licht verrottend; Putrid, pjûtrid, verrot; subst. —ness = Putridity.
Putt, pɐt. Zie Put.
Puttee, pɐtî, een soort slobkous bestaande uit een om het been gewonden band of strook.
Puttock, pɐtək, wouw of koningswouw.
Putty, pɐti, subst. stopverf; tinasch; — verb. met stopverf bevestigen; —-knife.
Puzzle, pɐz’l, subst. verlegenheid, raadsel; — verb. verlegen maken, in de war brengen, verbijsteren: I am —d at it = ik ben er verlegen mee, weet er geen weg mee; It —s me = dat is me te geleerd; I have not been able to — it out = heb het onmogelijk kunnen vinden of oplossen; —-headed = verward: He is a —-headed fellow = een warkop; —-lock = letterslot; —-ring; —dom = verwarde toestand = —ment; —r: That’s a —r for him = dat zal hem hoofdbreken kosten.
Pyaemia, paiîmjə, etterige bloedvergiftiging.
Pygmean, pigmîən, dwergachtig; Pygmy, pigmi, subst. pigmee, dwerg; ook adj.
Pyjamas, p(a)idžâməz, een soort zijden of flanellen slaapbroek (of kostuum).
Pyramid, pirəmid, piramide; —s = zeker biljartspel; —al, piramid’l = —ic(al), pirəmidik(’l), als eene piramide, piramidaal.
Pyramus, pirəmɐs.
Pyre, paiə, brandstapel.
Pyrenean, pirənîən, Pyreneesch; Pyrenees, pirənîz, pirənîz, de Pyreneeën.
Pyretic, p(a)iretik, koortsig, koorts …; middel tegen koorts; Pyrexia, p(a)irekšə, koorts(achtigheid).
Pyriform, piriföm, peervormig.
Pyrites, piraitîz, pyriet, zwavelkies.
Pyro, p(a)irou, (in samenst.), warmte …, vuur …; —latry, p(a)irolətri, vuuraanbidding; —logy, p(a)irolədži, leer der warmte; —mania, p(a)irəmeinjə, pyromanie, d.i. manie tot brandstichting; —meter, p(a)iromətə, hittemeter; —scope, p(a)irəskoup, pyroscoop; —sis, p(a)irousis, zuur, branding in de maag; —technic, p(a)irəteknik, tot vuurwerk of het maken ervan behoorende; —technics, —techny = vuurwerkmakerskunst; —technist = vuurwerkmaker.
Pyrrhic, pirik: — victory = te duur gekochte.
Pyrrho, pirou; Pyrrhonism, pirənizm, twijfelzucht; Pyrrhonist = scepticus.
Pyrrhus, pirəs.
Pythagoras, pithagəras, Pythagoras; Pythagorean, pithagərîən, subst. en adj. (volgeling) van Pythagoras: — proposition (theorem).
Pythia, pithiə; Pythian, pithiən, van Delphi of Apollo; — games = vierjaarlijksche volksspelen bij Delphi.
Python, paithon, Python; —ess = Pythia, waarzegster; —ic, p(a)ithonik, profetisch; —ism = voorspelling.
Pyx, piks, monstrans; kist waarin de standaard muntstukken worden bewaard aan de Engelsche Munt; — verb. munten keuren op hun gewicht: The Trial of the — = het officieele keuren aan de Munt.