Q.
Reading edition
Q. kjû; Q. = question; Q(ueen’s) B(ench); Q(ueen’s) C(ounsel of College); Q(uod) E(st) = dat is; Q(uod) E(rat) D(emonstrandum) = wat bewezen moest worden; Q(uod) E(rat) F(aciendum) = wat gedaan moest worden; Q(uantum) l(ibet) = zooveel gij verkiest; Q(uarter) M(aster) G(eneral); Qr = quarterly of quire; Q(uarter) S(essions); Qt. = quart; On the strict Q. T. = Quiet = ‘stiekem’; Qu. = queen, query, question; Quart(erly); Qy. = query.
Qua, kwei, kwâ, als: I speak — a private person.
Quack, kwak, subst. gekwaak, kwakzalver, grootspreker; adj. kwakzalverachtig; — verb. kwaken, bluffen, kwakzalveren; — medicine, nostrum = kwalkzalversmiddel; —salver, kwaksalvə, kwakzalver; —ery = blufferigheid, kwakzalverij, bedrog; —ish = kwakzalverachtig.
Quad, kwod, verk. voor Quadrangle of Quadruple(t).
Quadragesima, kwodrədžesimə, veertigdaagsche vasten vóór Paschen: —-Sunday = eerste Zondag van de vasten; —l = tot den vastentijd behoorende; —ls = offeranden vroeger aan de moederkerk gebracht op den middenzondag in vasten.
Quadrangle, kwodraŋg’l, vierkant (binnen)plein door gebouwen omringd, vierkant; Quadrangular, kwodraŋgjulə, vierhoekig, vierzijdig.
Quadrant, kwodr’nt, vierde deel (van een cirkel), boog van 90 graden, hoekmeter: — of altitude = instrument op eene globe om hoogten te meten; —al, kwodrant’l, kwodrəntəl, tot een quadrant behoorende.
Quadrate, kwodrit, subst. vierkant; adj. vierkant, kwadraat; — verb. (kwodreit) overeenbrengen, overeenstemmen; Quadratic, kwodratik, subst. vierkantsvergelijking; adj. tot een vierkant behoorende: — equation = vierkantsvergelijking: —s = het deel der algebra dat over vierkantsvergelijkingen handelt; Quadrature, kwodrətjə: Problem of the — of the circle.
Quadrennial, kwodreniəl, vierjarig, vierjaarlijksch; Quadrennium = 4-jarige periode.
Quadricapsular, kwodrikapsiulə, met vier kapsels.
Quadricorn, kwodrikön, met vier (voel)horens; adj. —ous, kwodrikönəs.
Quadricycle, kwodrisaik’l, (motor)rijwiel voor 4 personen.
Quadriga, kwodraigə, (Romeinsche) wagen op twee wielen met vier paarden naast elkander.
Quadrilateral, kwodrilatər’l, subst. en adj. vierzijdig(e figuur).
Quadrille, kədril, kwodril, quadrille.
Quadrillion, kwodrilj’n, 1. met 24 nullen er achter; in Amer. 1. met 15 nullen.
Quadrivalvular, kwodrivalvjulə, vierkleppig.
Quadroon, kwodrûn, afstammeling van een creool en terceroonsche vrouw.
Quadrumana, kwodrûmənə, de vierhandigen; Quadrumanous = vierhandig.
Quadruped, kwodruped, subst. en adj. viervoetig (dier).
Quadruple, kwodrup’l, subst. en adj. viervoudig(e hoeveelheid); — verb. verviervoudigen: — births = vierling(geboorten); Quadruplet, kwodruplet = (motor)rijwiel voor 4 personen; vierling.
Quadruplicate, kwodrûplikit, adj. viervoudig; — verb. kwodrûplikeit, verviervoudigen; subst. Quadruplication.
Quaestor, kwîstə, kwestə, thesaurier; —-ship.
Quaff, kwâf, subst. groote teug: — verb. inzwelgen, veel drinken: To — off = in één teug uitdrinken; —er.
Quag, kwag, moeras; —gy = moerassig, meegevend (van grond); —mire = moeras, drassige bodem, poel.
Quagga, kwagə, quagga.
Quail, kweil, subst. kwartel: —-call (—-pipe) = fluitje om wachtels te lokken.
Quail, kweil, den moed verliezen, sidderen; doen sidderen: The boy —ed beneath your glance = sidderde voor uw blik.
Quaint, kweint, adj. raar, zonderling, dwaas, grillig, vergezocht: A — fellow = een rare vent; Your — notions of propriety = je zonderlinge (dwaze) begrippen van gepastheid; subst. —ness.
Quake, kweik, subst. trilling, huivering; — verb. schudden, beven, trillen: The shout set the walls to quaking = deed trillen; Quaker = een van de sekte der Kwakers (gew. Society of Friends genoemd); —(-gun) = gemonteerd houten kanon om den vijand beet te nemen (Amer.); —ess; —ism = leer en praktijk der Kwakers; Quaky = sidderend.
Qualification, kwolifikeiš’n, bevoegdheid, bekwaamheid, eigenschap, geschiktheid, vereischte; Qualificatory = bevoegd, etc. makend; Qualified = bevoegd, voorwaardelijk, nader bepaald: In a — sense = in beperkten zin; subst. —ness; Qualifier = bepalend woord; Qualify, kwolifai, (zich) bekwaam, bevoegd of geschikt maken, wijzigen, beperken, matigen, verdunnen; bezweren, een eed doen (Amer.): You seem to be —ing for a lunatic asylum = gij schijnt gek te willen worden; Would you — this brandy with two thirds of water? = wilt ge ⅔ water door de cognac doen? A —ing examination = akte-examen.
Quality, kwoliti, eigenschap, hoedanigheid, kwaliteit, rang, stand, stroomsterkte: The — = de grooten of aanzienlijken; Gentlemen of — = v. hoogen rang; In the — of a nurse = als min.
Qualm, kwâm, kwôm, misselijkheid, plotselinge ongesteldheid, onaangenaam gevoel, gewetensbezwaar of wroeging: He had no —s (of conscience) about the life he had entered upon = geen berouw over; —ish = misselijk; subst. —ishness.
Quandary, kwondəri, kwondêri, verlegenheid, lastig geval: He was in a nice — = hij zat er leelijk in.
Quant, kwont, kwant, kloet, polsstok.
Quantify, kwontifai, de hoeveelheid aanwijzen of bepalen van; Quantitative, kwontitətiv, quantitatief; Quantity, kwontiti, hoeveelheid, mate, uitgestrektheid, omvang, maatklank; Quantum, kwont’m, hoeveelheid, bedrag.
Quarantine, kwor’ntîn, kwor’ntain, subst. quarantaine, isoleering, quarantaine-station; — verb. ook kworəntîn, tot quarantaine verplichten: To pass (perform, make) — = in quarantaine liggen.
Quaresimal, kwəresim’l: — sermons = lijdensmeditatiën (op Zondagavonden in den vastentijd).
Quarles, kwâlz.
Quarrel, kwor’l, subst. twist, ruzie, gekrakeel; pijl met vierkante spits, (venster)ruit; — verb. kijven, twisten, krakeelen, aanmerkingen maken: Domestic —s = huiselijke twisten; He wanted to fasten a — upon me, to pick a — with me = hij wou ruzie met mij hebben; There are two parties to a — and I won’t be one = voor een twist zijn er twee noodig, en ik doe niet mee; I — with your assertions and statements throughout = ben het volmaakt oneens met; —ler = ruziezoeker; —some = twistziek, ruzieachtig; subst. —someness.
Quarrier, kworjə, arbeider in een Quarry, kwori, subst. steengroeve; wild, prooi; — verb. uitgraven, delven uit; ploeteren: The — was worked by a firm = de steengroeve werd door eene firma geexploiteerd; —ings = brokjes steen of marmer; —man = Quarrier.
Quart, kwöt, twee pint = ¼ v. een gallon; tweepintskan.
Quart, kât, vier opvolgende kaarten (piket).
Quartan, kwöt’n, vierdaagsch: — ague (fever).
Quarte, kât, houw naar de linkerzijde van den tegenstander (bij het schermen).
Quarter, kwötə, vierde deel, vierendeel, kwartaal, kwartier, ± 23 c.M.; ± 12,7 K.G.; wijk, landstreek, genade, kwartier (voor troepen), arm van een ra; — verb. in vier gelijke deelen verdeelen, vierendeelen, inkwartieren, ingekwartierd zijn: No — ought to be given or shown her = geene genade moet haar geschonken worden; The drums beat to —s = de trommen gaven het sein om in te rukken; We came to close —s with the enemy = wij werden met den vijand handgemeen; You have got nice —s here = een mooie kamer; They marched in close —s = in gesloten colonne; The men stood at —s = klaar voor den strijd; We are —ed among friends = bij vrienden ingekwartierd; I have as much a right to — my arms as any of you = mag evengoed mijn wapens op het schild plaatsen; —ing = het inkwartieren; het indeelen van een wapenschild; He has more —ings on his own side than any house in Europe = meer kwartieren op zijn wapenschild; —-bred = met ¼ zuiver bloed (van raspaarden, etc.); —-day = betaal- of kwartaaldag (Lady-day = 25 Maart; Midsummer-day = 24 Juni; Michaelmas-day = 29 September, en Christmas-day = 25 December); —-deck = campagne; —master = kwartiermeester: —master-sergeant = fourier; —-profit system = stelsel, waarbij de schrijver ¼ v. de winst krijgt; —-sessions = driemaandelijksche zittingen v. de vrederechters; —staff = stok; —ly, subst. en adj. driemaandelijksch (tijdschrift); —n = 0,142 L.; 2,27 L.; 0,1134 K.G.; —n-loaf = vierpondsbrood.
Quartet(te), kwötet, kwartet.
Quarto, kwötou, kwartijn; subst. en adj. kwarto.
Quartz, kwöts, kwarts; —iferous = kwartshoudend; —ite, kwötsait, kwartsrots; —ose = kwarts bevattend; —y = van of als kwarts.
Quash, kwoš, subst. Zie Squash; — verb. plat drukken, verpletteren, onderdrukken, nietig verklaren: The verdict was —ed = het vonnis werd vernietigd.
Quasi, kweis(a)i: — nobility = de Baronets.
Quasimodo, kwasimoudou: — Sunday = eerste Zondag na Paschen.
Quass, kwas, kwass, een Russische drank.
Quassia, kwosiə, kwasiə, bitterhout; Quassin = het bittere bestanddeel hiervan.
Quaternary, kwotɐ̂nəri, kwətɐ̂nəri, subst. het getal vier; adj. uit vier bestaande: Quaternion, subst. het getal vier, aantal van vier, vierlettergrepig woord.
Quatrain, kwotrein, kâtrein, vierregelig vers, kwatrijn.
Quaver, kweivə, subst. ⅛ noot, triller, trilling; — verb. trillen, vibreeren, met trillers zingen; —er.
Quay, kwei.
Quay, kî, subst. kaai; — verb. van kaaien voorzien; —age = kaai- of werfgeld.
Quean, kwîn, slet, zedelooze vrouw.
Queasiness, kwîzinəs, subst. v. Queasy, kwîzi, zwak, weekelijk, sentimenteel, kieskeurig, walgend, walgelijk.
Quebec, kwibek.
Queen, kwîn, subst. koningin; — verb. de koningin spelen, tot koningin maken, van eene koningin voorzien: To go to — = dam maken; — of the meadows = Meadowsweet; —-apple = renet; —-bee = bijenkoningin; — consort = gemalin van den koning; — dowager = koninginweduwe; — mother = koninginmoeder; — regent = koningin-regentes; — regnant = regeerende koningin; —’s-Bench Division = afdeeling van het hoogste Gerechtshof; —’s-carriage = gevangeniswagen; —’s-counsel = rijksadvocaat; —’s English = zuiver Engelsch; —’s-head = postzegel (met de beeltenis der koningin); —’s-metal = wit zilver; The —’s Speech = Troonrede; —’s ware = geglazuurd crêmekleurig aardewerk; —’s weather = prachtig weer; —hood = koninginneschap; —like, —ly = als eene koningin.
Queenborough, kwînbərə.
Queer, kwîə, vreemd, zonderling, wonderlijk, verdacht, onlekker, uit zijn humeur, valsch: A — bill = onsoliede wissel: I am in — Street = ik heb me verzien, bedrogen; ik zit er “in”; I feel rather — to-day = ik voel me niet lekker vandaag; —ish = vrij zonderling; —ness = zonderlingheid.
Quell, kwel, onderdrukken, bedwingen, dempen, tot rust brengen: The revolt was —ed = het oproer werd gedempt; —er.
Quench, kwenš, blusschen, lesschen, dempen, onderdrukken, doen bedaren; —able = wat gedempt of gelescht kan worden; —er = domper, een “glaasje”; —less = onbluschbaar, onleschbaar, onverzadelijk.
Quercus, kwɐ̂kəs, eik.
Querimonious, kwerimounjəs, klagend, ontevreden, jammerend; subst. —ness.
Querl, kwɐ̂l, bocht (Amer.).
Querulous, kwer(j)ulɐs, klagend, ontevreden, jammerend; subst. —ness.
Query, kwîri, subst. vraag, vraagteeken, twijfel; — verb. vragen (naar), betwijfelen, van een vraagteeken voorzien: —, which of the two is right? = vrage: wie van beiden heeft gelijk.
Quest, kwest, subst. zoeken, onderzoek; — verb. zoeken naar, onderzoeken: The — of the Holy Grail; To be in (To go in) — of = (gaan) zoeken naar; A fresh and —ing mind = onderzoekende geest; —er = speurhond.
Question, kwestj’n, subst. vraag, ondervraging, geschilpunt, interpellatie, opgaaf, twijfel, rekenschap; — verb. vragen, ondervragen, betwijfelen: —! = Ter zake! uitroep als een spreker in het Parlement van het onderwerp afdwaalt; That is a (the) — = de vraag; If it is a fair — = als ik vragen mag, als het niet te onbescheiden is; The previous — = de prealabele kwestie; Beside the — = er buiten; The point in — = het punt van discussie; That is altogether out of the — = daar is heelemaal geen sprake van; It is him without a — = hij is het ongetwijfeld; It is a — of time; There is no — about it = geen twijfel aan; To ask a — = eene vraag doen; He begged the — = hij nam als bewezen aan, wat nog bewezen moest worden; The —-begging use of certain terms = het zonder bewijs gebruiken van zekere uitdrukkingen, als: “The will of the nation”; The House is calling for the — = (het Lagerhuis) de vergadering verlangt sluiting van het debat; His repentance was called in — = werd betwijfeld; —s will be invited at the close of the meeting = gelegenheid om vragen te stellen zal worden gegeven; To pop the — = ten huwelijk vragen; To put a leading — = een vraag doen waarbij men tegelijk het antwoord in den mond geeft; To put a person to — = in verhoor nemen (ook onder folteringen); He put a — to the Home Minister = stelde een vraag aan den Min. v. Binnenl. Zaken; To put the — = (voorstellen) de debatten (te) sluiten en tot stemmen over te gaan; This — is settled = die zaak is in orde, dit geschil is beslist; Remember you — with a cruel man = dat gij te doen hebt; —-time = tijd om vragen te richten tot de regeering (House of Commons); —ability = twijfelachtigheid; —able = betwijfelbaar, twijfelachtig; subst. —ableness = betwijfelbaarheid; —er = vrager, onderzoeker; —less = ongetwijfeld.
Questor, kwestə, Zie Quaestor.
Queue, kjû, staart, staartpruik: To form a — = “queue” maken.
Quibble, kwib’l, subst. spitsvondigheid, woordspeling, uitvlucht, voorwendsel: — verb. ontwijken, uitvluchten zoeken, spitsvondig zijn, woordspelingen maken; —r.
Quick, kwik, subst. levend vleesch, levende haag; adj. vlug, levend(ig), opwekkend, snel, haastig, gevoelig, hevig, sterk, fijn; To cut (sting, touch) to the — = tot in ’t levende vleesch snijden, een pijnlijke snaar aanroeren, diep wonden (fig.); — ear = fijn gehoor; — of ear = scherp van gehoor; — eye = scherpe blik; — of scent = met fijnen neus; — of sight = scherp van gezicht; The — and the dead = de levenden en de dooden; Be — about it = gauw wat; He is — at figures = hij is vlug in het rekenen, rekent vlug; He is a —-answered boy = gevat jongetje; —-beam = gewone lijsterbes; —-eyed = scherp van gezicht; —-fence = levende haag; —-grass = kweek; —lime = ongebluschte kalk; —-march = versnelde pas; —-match = gezwinde lont; —sand(s) = drijfzand; —-scented = met fijnen reuk; —set = uit levende planten bestaande (—set hedge = levende haag); subst. levende plant (haag); —-sighted = scherp van gezicht; —silver = kwikzilver; —silvered = met kwikzilver bedekt; —-step = —-march; —-tempered = opvliegend, prikkelbaar; At double —-time = in den looppas; —-witted = scherpzinnig, gevat; —en = levend worden, zich snel bewegen, trekken, leven vertoonen (gevoelen), opwekken, bezielen, aanvuren, versnellen, opscherpen; ook subst.: Look out for the — = houd je klaar voor het snellere tempo; To pick up the — = dit tempo aannemen; —ener = opwekker, opwekking, opwekkend middel; —ness = vlugheid, snelheid, scherpte van blik, etc.
Quid, kwid, herkauwd voedsel, tabakspruim, een pond (geldstuk).
Quidditative, kwiditətiv, het wezenlijke van iets uitmakend; Quiddity, kwiditi, het wezenlijk deel van iets; woordspeling, spitsvondigheid.
Quiddle, kwid’l, den tijd vermorsen, beuzelen; —r = beuzelaar.
Quidnunc, kwidnɐŋk, nieuwsgierig neuswijs persoon, politieke tinnegieter.
Quiesce, kwaies, stom zijn of worden (v. letters); —nce, —ncy = rust; winterslaap; het stom zijn; —nt, subst. stomme letter; adj. kalmeerend, rustig, stil, vredig, stom: — draught (powder).
Quiet, kwaiit, subst. rust, kalmte, vrede; adj. rustig, stil, gerust, niet opzichtig, zonder omslag, familiaar; — verb. kalmeeren, doen bedaren, met rust laten, rustig of kalm worden (down): Have a — dinner at our house, with us = eet familiaar bij ons; A — dress = stemmige japon; A — horse = mak; It’s the way with all these — ones = zoo gaat het met (zoo zijn) die stille, bedeesde meisjes; A few weeks’ — = rust; Let me be — = laat me met rust; He kept it — = sprak er niet van; To restore — = de rust herstellen; —, Spartan! = koest! At — = rustig; On the (dead) — = (heel) in stilte; —en, kwaiət’n, tot rust of bedaren brengen: He tried vainly to —en the naughty child; —er = wie of wat stilt; A —ing draught = kalmeerende drank; —ism = quiëtisme, berusting, stille onderwerping, (leer van den Jezuïet Molina (1588); —ist = aanhanger van —ism; —ness = —ude = rust, vrede, berusting; —us, kwaiîtəs, ontheffing, ontlasting; ontslag.
Quill, kwil, subst. schacht (van vleugels), pen, stekel (van een stekelvarken), spoel; — verb. fijn plooien: He carries a good, a clever — = hij heeft eene welversneden pen; —-driver = veelschrijver, pennelikker; —-pen; —-toothpick = veeren tandenstokertje; —ing = fijn plooisel (van kant, tule of lint).
Quilt, kwilt, subst. gewatteerde sprei of deken; — verb. doornaaien, opstoppen, watteeren, twee stukken stof op elkander stikken met watteering daartusschen (together); omwòelen; afranselen: She felt the daisy — creeping up higher and higher = zij voelde den dood naderen; The pipe was —ed with string for its longer preservation = de pijp was met touw omwoeld; —ed calves = valsche kuiten; Tennyson’s works in —ed cover = in gewatteerden band; He went to the —ings long ago = hij is lang geleden gestorven.
Quin, kwin.
Quina, kînə, kwainə, kina.
Quinary, kwainəri, uit vijven bestaande, door 5 deelbaar.
Quince, kwins, kwee(peer).
Quincentenary, kwinsentənəri, kwinsəntînəri, 500 jarig (jubileum).
Quincey, kwinsi.
Quincunx, kwinkɐŋks, figuur als deze: ⁙
Quindecagon, kwindekəgon, vijftienhoek.
Quindecemviri, kwindisemvirai, 15 priesters belast met de bewaking der Sibyllijnsche boeken.
Quinine, kwinîn, kwinain; kwainain (Amer.) kinine.
Quinquagesima, kwinkwədžesimə, tijd v. 50 dagen: — Sunday = Zondag vóór de vasten.
Quinquangular, kwinkwaŋgjulə, vijfhoekig.
Quinquennial, kwinkwenj’l, vijfjarig of -jaarlijksch.
Quinquina, kinkînə, kwinkwainə, kinkinə, kina.
Quinsy, kwinzi, keelontsteking.
Quint, kwint, quint (muziek en schermkunst).
Quintal, kwint’l, ± 45,359 KG. of 100 KG.
Quintan, kwint’n, om de vijf dagen.
Quintessence, kwintes’ns, kern of keur van iets, quintessence; Quintessential, kwintəsenš’l, tot het fijnste behoorende.
Quintet(te), kwintet, quintet.
Quintillion, kwintilj’n, 1 + 30 nullen (Engl.); 1 + 18 nullen (Amer.).
Quintuple, kwintjup’l, adj. vijfvoudig; — verb. vijfvoudig maken; —t = (motor)fiets voor 5 personen.
Quip, kwip, subst. fijne of scherpe zet, schimpschot, wonderlijke inval, woordspeling, speeldingetje; — verb. schertsen, beschimpen.
Quire, kwaiə, boek papier.
Quirinal, kwirinəl.
Quirk, kwɐ̂k, krul, uitvlucht, wonderlijke inval, woordspeling, loopje in muziek: His paltry —s did not impose on any member = zijne flauwe uitvluchten; adj. —y.
Quirt, kwɐ̂t, rijzweep; ook verb. (Amer.).
Quist, kwist, ringduif.
Quit, kwit, adj. quitte, vrij, ontslagen; — verb. verlaten, verzaken, opgeven; overlaten; terugbetalen, loonen, afrekenen, vergelden: To be — for = er af komen met; I shall be — with you = het je inpeperen; To go (get) — = vrij komen, vrijgesproken worden; He got notice to — = hem werd de dienst (de huur) opgezegd; To — business = uit de zaken gaan; To — scores = afrekenen; They —ted the siege = hieven op; To — smoking = opgeven; —s = quitte, kamp, gelijk: We are —s = we zijn quitte; To cry —s = verklaren “quitte” te zijn; He played double or —s = dubbel of quitte; —-claim, subst. afstand (van een recht); ook verb.; —-rent = pacht, die van andere verplichtingen vrijstelt.
Quitch(grass), kwitšgrâs, kweek(gras).
Quite, kwait, geheel: I am — with you = ik ga geheel met u mee, ben ’t geheel eens; A — young girl = een heel jong meisje (Vergel. — a young girl = precies een jong meisje); You are — out = je hebt het heelemaal mis; — so = precies; Persons whom she considered not “—” = niet van haar stand.
Quittance, kwit’ns, betaling.
Quiver, kwivə, subst. trilling; pijlkoker; — verb. trillen, beven, sidderen, ritselen: In a — = sidderend; —ed = van een pijlkoker voorzien, in een koker of scheede.
Quixote (Don), donkwiksət; Quixotic, kwiksotik, dwaas romantisch, buitensporig; Quixotism, Quixotry = Don Quichotterie.
Quiz, kwiz, grappenmaker, spotvogel, vreemde snaak, mikpunt (van spotternij), nieuwsgierig persoon, raadsel, monocle; — verb. voor den gek houden, foppen, schertsen, begluren; —zer = snaak, schalk; —zical = grappig, snaaksch; —zing-glass = monocle.
Quod, kwod, verkort. van Quadrangle, nor, doos: I’ll have you in — = ik zal je in de “doos” zien te krijgen.
Quodlibet, kwodlibet, spitsvondigheid, woordspeling, potpourri; —arian, —êriən, iemand die over alles graag disputeert.
Quoif, kôif, kapsel, hoofdtooi, kap.
Quoin, kôin, uitspringende hoek (archit.); hoeksteen, keg.
Quoint, k(w)ôint.
Quoit, kôit, kwôit, platte ring: —s = spel daarmede: Deck —s = ringwerpen op dek.
Quondam, kwond’m, vroeger, voormalig.
Quorum, kwôr’m, voldoend aantal leden om een besluit te nemen.
Quota, kwoutə, evenredig (aan)deel, contingent.
Quotable, kwoutəb’l, wat aangehaald kan worden; Quotation, kwəteiš’n, aanhaling, citaat, (genoteerde) prijs: Wheat was not in the market at any — = er was geen tarwe te krijgen; — of prices = prijsnoteering; —-marks = aanhalingsteekens; Quote, kwout, aanhalen, citeeren, noteeren (van prijzen); —r.
Quoth, kwouth, zeide of zegt (ik, hij of zij); —a, kwouthə, zoo!
Quotidian, kwətidj’n, subst. en adj. (wat) dagelijks(ch) (voorkomt).
Quotient, kwouš’nt, uitkomst (eener deeling).
Quotum, kwout’m, quotum, evenredig aandeel.