← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

D.

Reading edition

D. di, D.; 500 (D̄ 5000); doctor; date, day; died; denarius (= penny); damn; (ook verb.): The big D = groote vloek (D. = Damn); ’d = had, would; D.D. = Divinitatis Doctor; M.D. = Medicinae doctor; D.C.L. = Civilis Legis Doctor; L.L.D. = Legum Doctor; Dec(ember); De(l) = Delaware; Deut(eronomy); Div. = Divide, Dividend, Division, Divisor; D.Lit(t) = Litterarum Doctor; D(ead) L(etter) O(ffice); Do. = Ditto; Doz(en); On the D(ead) Q(uiet) = in strikt vertrouwen; D.T. = Delirium Tremens; Du(t). = Dutch; D(eo) V(olente); Dwt. = Pennyweight; D.W.T. = D(eclined) W(ith) T(hanks) = beleefd afgewezen (van een bijdrage).

Dab, dab, subst. klompje, vlak, klad; tik, pik; schar (ook allerlei platvisch); meester, kraan; — verb. zacht kloppen (met een vochtig of zacht werktuig); pikken; bevuilen; clicheeren; adj. knap: He is a — at cricket = knap in; She —bed at her hair with a brush = ging hier en daar even over; —ber = hij die clicheert; tampon; —ster = meester, kraan.

Dabble, dab’l, besprenkelen, bevochtigen, plassen; knoeien, liefhebberen: He —d at his forehead with a pocket-handkerchief; He —s in politics = liefhebbert in; —r = knoeier, stumper.

Dabchick, dabtšik, pas uitgekomen kuiken; kuifduiker = Dipchick.

Da Capo, dâkâpou, Da Capo.

Dace, deis, serpeling of witvisch.

Dacia, deišə, Dacië; —n, Dacisch.

Dacoit, dakôit, bandiet, roover (Brit. Ind.); —age, —y = rooverij door —s.

Dactyl, daktil, dactylus (– ⏑ ⏑); vinger, teen (anatom.); —ar, —ic, daktilik, uit dactylen bestaande; een dactylische versregel; —ioglyph, daktiljəglif, ringgraveur, inschrift; —ology, daktilolədži, vingerspraak.

Daddle, dad’l, waggelen.

Dad(dy), dad(i), paatje; Daddy-long-legs, dadiloŋlegz, langpoot mug; hooiwagen; langbeenig mensch.

Dado, deidou, dâdou, vlakke voorzijde van een voetstuk, soort van lambrizeering.

Daedalus, dedəlɐs.

Daffodil, dafədil, affodil. Zie Asphodel.

Daft, daft, subst. bot van geest, dwaas, gek; subst. —ness.

Dagger, dagə, subst. dolk, kort zwaard, leesteeken (†); — verb. doorsteken: At —s drawn = klaar om te vechten; op hoogst gespannen voet; To look —s at a person = iemand met zijn blikken doorboren; To speak —s to a person = vlijmscherp toespreken; —-plant = Jucca.

Daggle, dag’l, door het slijk sleepen, door den modder loopen; —-tail = slordevos, = —-tailed = slordig, bevuild.

Dago, deigou, scheldnaam voor elk Spaansch of Portugeesch sprekend matroos.

Dagonet, dagənet.

Daguerreotype, dəgerətaip, subst. daguerreotype; — verb. daguerreotypeeren.

Dahabeeyah, Dahabieh, dâhâbîə, Egyptisch vaartuig, voornamelijk voor den Nijl.

Dahlia, dâljə, deiljə, dahlia.

Dahomey, dəhoumi.

Daily, deili, subst. dagblad; adj. dagelijksch: — News = naam van een Eng. dagblad.

Daimio, daimiou, groote leenheer, vazal van den Mikado (Japan).

Daintiness, deintinəs, fijnheid, verweekelijking, kieskeurigheid, lekkerheid; Dainty, deinti, subst. lekkernij; adj. lekker, kieskeurig, sierlijk, fijngevoelig: My — = lieve; ’Don’t be —’ = (opschrift op een) slabbetje; —-mouthed = kieskeurig.

Dairy, dêri, subst. melkhuis, melkwinkel; —-farm = melkboerderij; —-house = melkhuis; —maid = melkmeid; —man = melkboer.

Dais, dei-is, estrade, met een troonhemel overdekte troon.

Daisy, deizi, subst. madeliefje; adj. keurig, prima: Daisied meadow = vol madeliefjes; —-cutter = dravend paard, dat zijne pooten niet hoog oplicht; Cricket-bal, die laag over ’t veld vliegt; —-picker; Zie Gooseberry-picker.

Dak, dak, brievenpost in Brit. Indië.

Daker, deikə, Dakir, tien stuk of paar; —-hen, wachtelkoning.

Dakoit, dakôit = Dacoit.

Dakota, dakoutə; adj. —n.

Dalai Lama, dəlailâmə, opperpriester.

Dale, deil, dal; —sman = dalbewoner, vooral op de grens tusschen Engeland en Schotland.

Dalhousie, dalhûzi; Dalkeith, dalkîth.

Dalliance, daliəns, het dartelen, stoeien; Dally = dartelen, beuzelen, treuzelen, talmen.

Dallop, daləp, bosje (gras).

Dalmatia, dalmeišə, Dalmatië; —n = Dalmatiër, Dalmatisch.

Dalmatic(a), dalmatik(ə), dalmatica.

Dalrymple, dalrimp’l, dalrimp’l; Dalston, dôlst’n.

Daltonian, dôltounj’n, kleurenblinde; Daltonism, dôltənizm, kleurenblindheid.

Dalzel(l), dalzel, deiel; Dalziel, deiel, diel.

Dam, dam, subst. moer, wijfje; dam; sloot (Austr.); — verb. stuiten, afdammen.

Dam, dam. Zie Dawm.

Damage, damidž, subst. schade, nadeel, kosten, averij; — verb. beschadigen, schade lijden, toetakelen: What’s the —? = hoe groot zijn de onkosten, wat ben ik schuldig? —s = schadevergoeding; —able = beschadigbaar; —d = beschadigd, bedorven.

Damascene, daməsîn, damasceeren; subst. damastpruim (ook Damask-plum); adj. v. Damascus; Damascus blade = Damascener zwaard.

Damask, daməsk, subst. damast; adj. lichtrood; — verb. bloemen in stoffen werken (damast weven), staal met goud of zilver inleggen, damasceeren; —-steel = Damascus-staal; Damaskeen, daməskîn, daməskîn, damasceeren; Damassin, daməsin, damast, met bloemen van goud- en zilverdraad doorweven.

Damboard, damböd, dambord.

Dame, deim, deftige dame, vrouwe, matrone; dorpsschoolmaitres; ouderwetsche bewaarschoolhouderes; de Dame, thans de Assistant-Master, by wie(n) de externe leerlingen (The Oppidans) van Eton College in den kost zijn; —’s-violet, —-wort, nachtviooltje.

Damietta, damietə, Damiette.

Damn, dam, verdoemen, veroordeelen, vloeken: It is not worth a — = het is geen lor waard; —able = verdoemelijk, vervloekt, kolossaal; Damnation, damneiš’n, subst. verdoeming, verdoemenis; interj. vervloekt; Damnatory = verdoemend, verdoemings …; Damnific = schadelijk; Damnify = schade veroorzaken, beschadigen (Jur.); Damning = verpletterend (bewijs).

Damoclean, daməklîən, van D.: — sword; Damocles, daməklîz, Damocles.

Damon, deim’n.

Damosel, daməzel. Zie Damsel.

Damp, damp, subst. vochtigheid, nevel, uitwaseming, neerslachtigheid; adj. vochtig, saai, neerslachtig, kil; — verb. vochtig maken, verkillen, verzwakken, ontmoedigen, smoren, dempen, dof maken: His presence threw a — on our joy = was als een emmer koud water; —en = bevochtigen; ontmoedigen; —er = demper, sleutel (in een kachelpijp), toondemper; ongezuurd brood (Austr.); teleurstelling, ontmoediging: He puts a —er on every thing I do or say = hij beneemt me den moed bij; —ish = eenigszins vochtig; subst. —ishness; —ness = vochtigheid.

Dampier, dampî.

Damsel, damz’l, jonge deern, jonkvrouw; —-fly = waterjuffer.

Damson, damz’n, damastpruim: — cheese = conserf van deze pruimen.

Dan, dan, Heer: — Cupid; Daniel, Dan; From — to Beer-sheba (biəšîbə, biɐ̂šibə) = overal, op alle punten.

Danaid, danəid; Danaidean, deinəidiən, danəidiən.

Dance, dâns, subst. dans, bal; — verb. dansen, rondspringen; laten dansen: He —d attendance on (to) the powerful = liep de groote lui na; — of death = doodendans; He led me a jolly — = hield me leelijk aan het lijntje; —r = danser; Dancing: —-girl = Indische danseres; —-master; —-mistress = balletmeesteres; —-room = danszaal; —-school.

Dandelion, dandelaiən, leeuwetand.

Dander, dandə, subst. toorn; roos (= Dandruff); — verb. treuzelen, zeuren, stotteren: He got (had) his — (dandriff) raised = hij werd woedend.

Dandify, dandifai, zich adoniseeren.

Dandiprat, dandiprat, dreumes.

Dandle, dand’l, liefkoozen, spelen met, laten dansen (op de knie): The mother —d him to rest.

Dandriff, dandrif, Dandruff, dandrəf, roos.

Dandy, dandi, fat, pronker; soort vaartuig, jolleman op den Ganges; soort palankijn; iets keurigs; adj. fatterig; —-cock (—-hen) = Bantamsche haan (hen); —-horse = ouderwetsche tweewieler; —-rigged = met Dandy tuig; —ish = fatterig.

Dane, dein, Deen: Great — = Deensche dog; —geld, deingeld, jaarlijksche belasting, in vroeger tijd opgelegd ter verdediging tegen de Denen; —lagh, deinlôg, — law = Deensch recht (9e eeuw), het gebied hiervan.

Dane-wort, deinwɐ̂t, lage vlier, paarsche anemoon.

Danger, deinžə, gevaar; —-signal = onveilig sein (bij spoorwegen); —ous = gevaarlijk; subst. —ousness.

Dangle, daŋg’l, slingeren, bengelen; achterna loopen; —r = vrouwengek; sleepsabel.

Dan(iel), dan(j’l).

Danish, deiniš, Deensch(e taal).

Dank, daŋk, subst. vochtigheid; adj. vochtig.

Dantesque, dantesk, in den stijl van Dante, somber, verheven.

Danube, danjûb, Donau; Danubian, dənjûbj’n, Donau - -.

Dap, dap, het aas voorzichtig in ’t water neerlaten.

Daphne, dafni, Daphne; peperboompje.

Dapper, dapə, netjes, wakker, kregel.

Dapple, dap’l, subst. spikkel; adj. gevlekt; — verb. bespikkelen; —-grey = appelgrauw (paard).

Darby, dâbi: — and Joan = de Eng. Philemon en Baucis.

Darbies, dâbiz, handboeien.

D’Arblay, dâblei.

Darbyites, dâbiaits, godsdienstige sekte, ook Plymouth Brethren genoemd.

Dardanelles (The), dâdənelz, de Dardanellen.

Dardania, dâdeinjə, Dardanië; —n.

Dare, dêə, durven, wagen; tarten, uitdagen; leeuweriken onder schot of in ’t net brengen, door ze met behulp van een houten bord met spiegeltjes (a dare) te verblinden: I — say = ik durf wedden; I —say, dêəsei, voorwaar; I — you to do it = tart u; —-devil = waaghals; roekeloos; Daring, subst. vermetelheid; adj. onverschrokken, moedig; —net, slagnet.

Darg, dâg, subst. dagwerk, dagtaak; — verb. een dagtaak verrichten (Schotl.).

Darius, dəraiəs; Darjeeling, dâdžîliŋ.

Dark, dâk, subst. duisterheid, onwetendheid; adj. duister, donker, somber, heimelijk, ontmoedigend, slecht, blind, onzeker, donker uitziend: — Ages = Middeleeuwen; —blue = de kleur van de studenten van Oxford (Sport); —chamber, —room (phot.); — lantern = dievenlantaarn; After — = na donker; He rides a — horse = hij voert wat in het schild; Then I had my — hour = droevig uur; I fear I shall go — = blind worden; I have kept it — = geheim; He has kept me in the — = hij heeft mij onwetend gehouden; —en = verduisteren, verdonkeren, zwart maken, bezoedelen, blind maken, duister worden: You shall —en my doors no more = komt me nooit weer over den drempel; —ish = vrij duister; —le = duister worden; —ling, adj. somber, droevig; adv. in het donker, blindelings; —ly = in ’t geheim, geheimzinnig; —ness = duisternis, verborgenheid, blindheid, onwetendheid; —some, dâks’m, somber, duister; —y = zwartje, neger; dievenlantaarn.

Darling, dâliŋ, subst. lieveling: My — = lieverd; adj. geliefd.

Darn, dân, subst. stop; adj. vervloekt (Amer.); — verb. stoppen, mazen: The —est fool I ever saw = grootste gek; —er = stopnaald, stopper of stopster; —ing-needle; —ing-yarn.

Darnel, dân’l, dolik.

Dart, dât, subst. pijl, schicht, werpspies; sprong; — verb. (een pijl) schieten, (eene lans) werpen, schieten (v. stralen), wegsnellen, losstormen op (at, on): To — rays.

Darwin, dâwin; adj. Darwinian; —ism = Darwinianism.

Dash, daš, subst. slag, schok, stoot, aanval, vlugge beweging, élan, kranigheid, bezieling, geestkracht, streepje (–), drupje; — verb. stooten, slaan, te pletter slaan, bespatten, met water werpen, besprenkelen, vermengen, bederven, een streep halen door, teleurstellen, snel bewegen: — of the pen = pennestreek; A — of romance = tintje; A — under the word = streep; A morning — through the Park = morgenritje; At first — = op het eerste gezicht; He wanted to cut a — (figure), and lived above his income = wou bluf slaan; I got a — of German = een hap en een snap; I —ed at him = vloog op hem aan; I —ed this paper off in two hours’ time = ik heb dit artikel in twee uur op het papier gegooid; I —ed it out = ik streek het uit; — it = wat duivel! —-board, dašböd, spatbord (vooraan een rijtuig); —er = schepbord, stamper; fat; —ing = kranig, flink, voornaam, zwierig; —y = opzichtig, fijn gekleed.

Dastard, dastəd, bloodaard, lafaard; —liness = lafhartigheid, blooheid; adj. —ly.

Datary, deitəri, hoofd van de Dataria = afdeeling der pauselijke kanselarij voor de uitvaardiging van bullen.

Date, deit, subst. dadel; datum, dagteekening, duur, tijd; — verb. dateeren, vaststellen, rekenen; beginnen (from): That is out of —, up to — = uit den tijd, op de hoogte van den tijd; He wrote to me under — Oct. 2; To — = totnutoe; —less = zonder datum; —-palm.

Dative, deitiv, dativus.

Datum, deit’m (Mv. Data, deitə), het gegevene, een gegeven.

Daub, dôb, subst. gemeene kalk, smeer, kladschilderij; — verb. besmeren, bekladden, kladschilderen, vermommen, smakeloos opsieren, grof vleien; —er = knoeier, kladschilder; grove vleier; —ery = knoeierij (in de kunst); valsch voorwendsel; Dauby, dôbi, kleverig, lijmerig.

Daughter, dôtə, dochter; —-in-law = schoondochter; — of Heth = zedelooze vrouw (Gen. XXVII, 46).

Daunt, dânt, dônt, schrik inboezemen, ontmoedigen; —less = onbevreesd; subst. —lessness.

Dauphin, dôfin, dauphin; —ess; —y = Dauphiné.

Davenant, davən’nt; Davenport, dav’npöt, kleine (dames)schrijftafel; Daventry, dav’ntri; David, deivid; Davis, deivis; Davison, deivis’n.

Davits, deivits, davits (scheepst.).

Davy Jones, deividžounz, de booze geest der zee: To go to —’s Locker of Davy’s Locker = “voor de haaien” zijn.

Davy-lamp, deivilamp, daviaan, veiligheidslamp (mijnwerkers).

Daw, dô, (kerk)kauw; leeghoofd.

Dawdle, dôd’l, beuzelen, verbeuzelen, zeuren: She is a regular —(r) = echte zeur.

Dawk, dôk, subst. inkeping; wisselplaats voor dragers; posthuis (Brit. Ind.); — verb. eene inkeping maken.

Dawm, dôm, Indische munt: 1⁄40 ropij.

Dawn, dôn, subst. dageraad; — verb. licht worden, dagen, aanbreken: At — of day = bij het aanbreken van den dag; It —ed upon me = er ging me een licht op, ’t werd me bewust; —ing = dageraad; flauw idee.

Day, dei, dag, daglicht, strijd, overwinning: — by — = dag aan dag; A — to order = uitgezochte; All — (long) = den geheelen dag; Every — = alle dagen; Every other — = om den anderen dag; One — = op een dag; One of these —s = een dezer dagen; This — fortnight, sennight = vandaag over veertien, acht dagen; For ever and a — = voor eeuwig; To-— = vandaag; These systems have had their — = hun tijd; We lost the — = den slag; The emperor won the — = behaalde de overwinning; A —’s march; A several —’s journey; — of grace = dag der genade; —s of grace = respijtdagen; —-bed = rustbank, sofa; —-blush = dageraad; —-boarder = scholier in den halven kost; —book = journaal; —break = het dagen; —-coal = bovenste kolenlaag; —-dream = mijmering, luchtkasteel; —-fly = eendagsvlieg; —-labourer = daglooner; —light; —-scholar = externe; —-room = zitkamer, huiskamer; —sman = scheidsrechter (Job. IX 33); —spring = dageraad; —-star = morgenster; —-ticket = dagkaart; In the —-time = overdag; —-wearied = vermoeid van het dagwerk; —work = dagwerk; —’s-work = bestek (zeeterm).

Daze, deiz, subst. verdooving, verwarring, verblinding, verstijving; mica; — verb. verblinden, verdooven, verstijven, verwarren; Dazzle, daz’l, subst. schittering; — verb. verblinden, verwarren, verbijsteren.

Deacon, dîk’n, diaken (in de Apostolische kerk); geestelijke (ordained, i.e. in Holy Orders), die van altaardienst en het toedienen der sacramenten is uitgesloten (Engelsche kerk); —ess = diacones; —ry = —ship = ambt van een deacon.

Dead, ded, dood, levenloos, doodsch, dof, mat, ongevoelig, diep, pikdonker, beslist, volstrekt, waardeloos, onbestelbaar, verschaald, blind, somber: He is a — man = een man des doods; Just — = pas gestorven; — and gone = gestorven, al lang begraven; He was — of small-pox = gestorven aan; At — of night = in het holle van den nacht; In the — of winter = in het hartje; The book fell —-born from the press = werd doodgezwegen; To stop — (= To come to a — stop) = plotseling blijven staan (steken); The wind was — against us = vlak tegen; (He is) —-alive = levend dood; uiterst vervelend; dom (Slang); I had it a — bargain = spotgoedkoop; —-beat = doodop; —-broken = geruineerd; The wind fell a — calm = het werd bladstil; — capital = renteloos kapitaal; — certain = beslist zeker; — colour(ing) = doodverf, grondeering; — copper = dof koper; — drunk = stomdronken; It was a — failure = het mislukte totaal; He went off (into) a — faint, fainted — away = viel geheel van zich zelf (in zwijm); — head = bezitter van een vrijbiljet voor een schouwburg (stoomboot) (Amer.); The race was a — heat = kamp; — horse = vooruit betaald werk; The actor was — letter-perfect = volkomen rolvast; — letter = onbestelbare brief; The country is a — level = volkomen vlak; — lift = zware last; —-lights = luiken; phosphorisch lichten van doode visch; We have him at a —-lock = in onze macht, tot staan, vastgezet; Things have come to (are at) a —-lock = de zaken (vooral politieke) zitten vast, ze kunnen niet vooruit; — in love = smoorlijk verliefd; The band played the —-march in Saul = de marche funèbre uit Saulus; How many — men did you count? = ledige flesschen; — on end = in tegengestelden koers; —-reckoning = raming; gegist bestek; The — Sea = de Doode Zee; A — security = waarborg van geen waarde (bijv. stilstaande fabriek); The dog made —-sets at me = venijnige aanvallen; He is a — shot = schiet nooit mis; We were in a — stand = in groote verlegenheid; I made a — stand against him = ik verzette mij krachtdadig tegen hem; — stock = renteloos kapitaal; It came to a — stop = hield in eens op; —-struck = doodelijk getroffen; vervuld van afgrijzen; — wall = blinde muur; —-water = kielwater; —-weight = doode last; zwaar gewicht, ballast; renteloos kapitaal; voorschot van de Engelsche bank aan officieren, die op non-actief, of gepensionneerd zijn; —s = uitgeworpen gesteente bij het graven; —en = verzwakken, verminderen, verstompen, verdooven, doen verschalen, den glans ontnemen; —lihood = de staat der dooden; —liness = doodelijkheid, gevaarlijkheid; —ly = doodelijk, vergiftig, vreeselijk: —ly nightshade = belladonna; —ly sin = doodzonde.

Deaf, def, doof, onoplettend, zonder pit of kern: He is —-and-dumb = doofstom; —-mute = doofstomme; — of an ear = doof aan één oor; — to prayers = doof voor; I am — with the noise = doof van het lawaai; Deafen = verdooven, doof maken: The floor was —ed = ondoordringbaar gemaakt voor geluid.

Deal, dîl, subst. hoeveelheid, handel; het geven (bij het kaarten), deel (hout); — verb. verdeelen, geven (van kaarten), toebrengen, handelen, zich gedragen, behandelen, te doen hebben, bestrijden: White — = vurenhout; Red — = grenenhout; A — = een hoop; A great (good) — of money (slechts voor enkelv. woorden) = zeer veel; The — is with me, I have the —, I have to — = ik moet geven; To make a — = eene overeenkomst aangaan (Amer.); What shop does he deal at? = waar koopt hij zijne waren; — by others as you wish to be —t by = behandel anderen zooals gij wenscht behandeld te worden; He —s in wines and spirits = handelt in; He has troublesome customers to — with = hij heeft met lastige klanten te doen; I — with him = ben bij hem in den winkel; —-box = spanen doos; Dealer = koopman, handelaar; Dealing = omgang, verkeer, handeling.

Dean, dîn, deken, hoofd van een domkapittel (Engelsche kerk); — and chapter = domkapittel; Rural — = geestelijk hoofd van eenige plattelandsgemeenten; —ery = waardigheid, huis- of rechtsgebied van een Deanship = ambt van een Dean.

Dear, dîə, duur, dierbaar, geliefd: Oh —! = hemeltjelief! — me = Goede Genade; There’s a — = dan ben je een beste; My — = lieve (ook mv. —s); M. is such a — = zoo’n snoes; —-bought = duurgekocht; —ly = innig, dolgraag: I should have —ly liked to go there = had er dolgraag heen gewild; —ness = duurte, kostbaarheid; innigheid; —th, dɐ̂th, schaarschte, gebrek, hongersnood, armoede; —y = lieveling, schat.

Death, deth, de dood, sterfgeval, holle of hartje (van winter of nacht): To bore to — = doodelijk vervelen; To do to — = dooden; overdrijven; To drink oneself to — = doodzuipen; Frightened to —, Frozen to — = doodelijk geschrokken, dood gevroren; To put to — = ter dood brengen; To ride a free (willing) horse to — = misbruik maken van iemands goedheid; To be in at the — = tegenwoordig zijn bij het dooden van den vos; ook fig.: bij de tragische ontknooping; You will be the — of me = je zult nog mijn dood zijn, ik zal het besterven (ook van lachen); It was war to the — with Germany = het was oorlog op leven en dood met Duitschland; — when it comes, will have no denial; — is deaf, and hears no denial = tegen den dood is geen kruid gewassen; One man’s breath is another man’s — = den eene zijn dood is den ander zijn brood; — devours lambs as well as sheep = de dood maakt geen onderscheid; — keeps no calendar = de dood komt als een dief in den nacht; —-bed; —-bell; —-blow = doodelijke slag, genadeslag; —-duties = successierechten; —-hurt = doodelijke wonde; —-rates = sterftecijfers; —-rattle = gerochel; I have been at —’s door several times = ben er na “aan toe” geweest; —’s head = doodskop; —sman = beul; —-stroke = doodelijke slag; —-struggle, —-throe = doodstrijd; —trap = valluik voor een gevangene, gevaarlijke plaats; —-warrant = bevelschrift tot terdoodbrenging; —-watch = doodkloppertje (een houtkevertje, welks getik eertijds geacht werd een zeker voorteeken van een sterfgeval te zijn); —ful = doodelijk: —less = onsterfelijk; —like = als dood, doodelijk; —ly sick = doodziek.

Debacle, dibak’l, dibeik’l, ijsgang, moddervloed, algemeene vlucht, ondergang, val.

Debar, dibâ, uitsluiten, den toegang beletten.

Debark, dibâk, ontschepen, aan wal gaan; subst. Debarkation.

Debase, dibeis, vernederen, verlagen; vervalschen; onteeren; subst. —ment; —r.

Debatable, dibeitəb’l, betwistbaar; Debate, dibeit, subst. debat, woordenstrijd; — verb. debatteeren, nadenken over (on, upon), behandelen; Debating-Society = dispuut- of debatteercollege.

Debauch, dibôtš, subst. ongebondenheid, losbandigheid; roes; — verb. bederven, verleiden, demoraliseeren; losbandig zijn; —edness = liederlijkheid; —ee, debôšî, lichtmis; —er = verleider; —ery = losbandigheid, verleiding.

Debenture, dibentjə, obligatie (= — Bond); betalingsmandaat; mandaat door de douane uitgegeven voor in- of uitvoerrechten, die men terugkrijgt: — holder = obligatiehouder; Registered —s = obligatiën op naam; —d goods, goederen waarvoor men de betaalde rechten terugkrijgt.

Debilitate, dibiliteit, verzwakken; Debilitation = verzwakking; Debility = zwakheid.

Debit, debit, subst. debet, debetzijde; — verb. debiteeren: To the — of = ten laste van; No one could be credited or —ed with any knowledge of it = men kon niemand de eer of de schande geven, dat hij er iets van wist.

Debonair, debənêə, beleefd, inschikkelijk.

Deborah, debərə.

Debouch, dibûš, deboucheeren (van een leger), uitloopen: The new street is to — into the Strand = zal op het Strand uitkomen; subst. —ment.

Debris, debrî, deibri, debri, overblijfselen, wrak, overschot.

Debt, det, schuld: An action of — = schuldvordering; — on call = opzegbare schuld; You are in my —, head over ears in — = bij mij in de schuld, tot over de ooren in de schuld; To pay the — of nature = tol der natuur; To run into — = schulden maken: —or, detə, schuldenaar, debiteur; —or-side = debetzijde.

Debut, Fr. uitspr., eerste optreden, begin; Debutant(e) (Fr. uitspr.) = debutant(e).

Decachord, dekəköd, ouderwetsche 10-snarige harp.

Decade, dekəd, tiental (van jaren, etc.).

Decadence, —cy, dekədəns(i), dikeid’ns(i), verval; Decadent = decadent.

Decagon, dekəgon, tienhoek.

Decahedral, dekəhîdr’l, tienvlakkig (-zijdig); Decahedron = tienvlak.

Decalcomania, dikalkəmeinjə, het decalqueeren.

Decalogue, dekəlog, decalogus, de tien geboden.

Decameron, dikaməron, Decamerone.

Decamp, dikamp, opbreken, heengaan; uitsnijden.

Decanal, dekən’l, tot eene Dean(ery) behoorend.

Decangular, dikaŋgjulə, tienhoekig.

Decant, dikant, zacht òvergieten; klaren; subst. Decantation; —er, dikantə, wijnkaraf.

Decapitate, dikapiteit, onthoofden; ontslaan (Amer.); subst. Decapitation.

Decapod, dekəpod, tienpootig: —s = Decapoda, dikapədə, de tienpootigen.

Decarbonization, dikâbən(a)izeiš’n, ontkoling = Decarburization; Decarbonize, dikâbənaiz, ontkolen = Decarburize.

Decastich, dekəstik, tienregelig gedicht.

Decasyllable, dekəsiləb’l, woord van tien lettergrepen; adj. Decasyllabic.

Decay, dikei, subst. verval, vergaan, verwelken; — verb. vervallen; vergaan, verwelken: To fall (go) to (into) — = in verval geraken, te gronde gaan; A —ed tradesman = achteruitgegaan; What’s put away will soon — = rust roest; —edness = toestand van verval.

Decease, disîs, subst. dood, overlijden; — verb. sterven: The —d = de overledene(n).

Deceit, disît, bedrog, begoocheling; —ful = bedriegelijk, listig; subst. —fulness; Deceivable, disîvəb’l, (licht) te bedriegen; subst. —ness; Deceive, disîv, misleiden, bedriegen, teleurstellen; —r = bedrieger.

December, disembə, December; —ly = winterachtig.

Decemvir, disemvɐ̂, Tienman (Rome); Mv. Decemviri, disemvirai; adj. Decemviral; Decemvirate = decemviraat.

Decency, dîs’nsi, welvoegelijkheid.

Decennary, disenəri, decennium; Decennial = decennaal.

Decent, dîsən’t, welvoegelijk, betamelijk; voldoende, behoorlijk.

Decentralization, disentrəlaizeiš’n, decentralisatie; — verb. Decentralize.

Deception, disepš’n, subst. bedrog, misleiding; Deceptive = bedriegelijk; subst. —ness.

Deciare, dešiâ, deciare (= 107,641 square feet).

Decide, disaid, beslissen, bepalen, overhalen, doen besluiten: He —d me to go there = kreeg er mij toe; —dly true = bepaald waar.

Deciduous, disidjuəs, vergankelijk, uit- of afvallend; subst. —ness.

Decigram(me), desigram; Decilitre, desilîtə; Decimal, desim’l, subst. tiendeelige breuk; adj. decimaal: To calculate to five places (points) of —s; — fraction = tiendeelige breuk; — six = nul komma zes = 0,6; Decimate, desimeit, door tien deelen, den tienden man dooden, in grooten getale ombrengen; subst. Decimation; Decimetre, desimîtə.

Decipher, disaifə, ontcijferen, ontwarren; —able = ontcijferbaar; —er.

Decision, disiž’n, beslissing, uitslag, beslistheid; Decisive, disaisiv, beslissend, afdoend: —ness = vastberadenheid.

Deck, dek, subst. dek; kaartspel (Amer.); — verb. tooien, versieren, bedekken, van een dek voorzien: The —s were cleared = alles werd in orde gebracht, tot den strijd voorbereid; Have you swept the —s = hebt gij den inzet (den pot) gewonnen, het dek schoongeveegd (fig.); —ed out = getooid; —-chair = rieten dekstoel; —-passenger.

Declaim, dikleim, voordragen, declameeren; uitvaren: He —ed against such measures = liet krachtig zijne stem hooren tegen; —er = declamator; Declamation = redevoering, voordracht, hoogdravende rede; Declamatory = gezwollen, hoogdravend.

Declaration, dekləreiš’n, verklaring, aangifte, aanklacht; adj. Declarative; To be declaratory of = bevestigen; Declare, diklêə, verklaren, verzekeren, bekend maken, aangeven, constateeren: I — = ik moet zeggen; The result was —d as follows = bekend gemaakt; He —d himself to her = deed haar eene liefdesverklaring; He had not yet —d himself = nog geen partij gekozen; His name was —d at the Exchange = werd aangeslagen op de beurs als failliet; Anything to —? = iets te declareeren; I have —d the contract off = ik heb verklaard, niet te willen voortzetten; —d = openlijk; —r.

Declassed, diklâst, uitgestooten.

Declension, diklenš’n, verval, afdaling, vermindering, afwijking, verbuiging; bedanken (Amer.).

Declinable, diklainəb’l, verbuigbaar; Declinate, deklineit, naar beneden gebogen, met een bocht; Declination = neerbuiging, verval, achteruitgang, helling, declinatie, afwijking: — of the needle (compass); Declinator = afwijkingsmeter; Declinatory = weigerend, afwijzend; Declinature = bestrijding van de competentie van een hof (Schotl.).

Decline, diklain, subst. afneming, verval, vermindering, uittering; — verb. afwijken, verbuigen, neerbuigen, bukken, weigeren, vervallen, uitteren, ten einde loopen, afwijzen: To go into a — = uitteren; He is on the — = gaat achteruit; Prices are declining = gaan achteruit; Declining age = hooge ouderdom.

Declivity, dikliviti, helling, glooiing, schuinte; Declivitous = schuin, hellend = Declivous.

Decoct, dikokt, afkoken, uittrekken; subst. —ion.

Decollate, dikoleit, onthalzen; Decollation of St. John = 29 Aug.

Decolo(u)r(ize), dikɐlə(raiz), bleeken, Decolorant, dikɐlər’nt, bleekmiddel; Decoloration = bleeken, kleurloosheid.

Decompose, dîk’mpouz, ontbinden, oplossen, ontleden; Decomposite, Decomposite, veelvoudig samengesteld; Decomposition = ontbinding.

Decompound, dik’mpaund, veelvoudig samenstellen of verbinden; ook adj.: A — leaf, flower = een dubbel blad, dubbele bloem.

Decorate, dekəreit, versieren, optooien; Decoration, dekəreiš’n, versiering, sieraad, decoratie: — day = 30 Mei (in Amerika), bestemd tot versiering van de graven der in den burgeroorlog gesneuvelden (1861–1865); Decorative = versierend, verfraaiend; Decorator = versierder, (decoratie)schilder.

Decorous, dikôrəs, dekərɐs, gepast, welvoegelijk; subst. —ness; Decorum, dikôr’m, welvoegelijkheid, decorum.

Decoy, dikôi, subst. lokmiddel, aas, krijgslist; lokeend, eendenkooi; — verb. verlokken, verleiden; —-duck; —-man = kooiker.

Decrease, dikrîs, dîkrîs, subst. afneming, vermindering, het vallen (van het water); — verb. dikrîs, verminderen, (langzaam) afnemen.

Decree, dikrî, subst. decreet, verordening, voorschrift; gebod, rechterlijke beslissing; — verb. bepalen, vaststellen, beslissen, decreteeren: — nisi, naisai, voorwaardelijke beslissing (geldig zoolang geen nieuw feit hiermee in strijd blijkt te zijn); To — levies = lichtingen uitschrijven.

Decrement, dekrim’nt, achteruitgang, vermindering.

Decrepit, dikrepit, afgeleefd, gebrekkig.

Decrepitate, dikrepiteit, calcineeren van zouten; subst. Decrepitation.

Decrepitude, dikrepitjûd, afgeleefdheid, gebrekkigheid.

Decrescent, dikres’nt, afnemend; Decrescendo, dikrəšendou, decrescendo (Muz.).

Decretal, dikrît’l, subst. bevel (vooral pauselijk); adj. tot een decreet behoorend.

Decrier, dikraiə, hij die decries; Decry, dikrai, laken, in discrediet brengen.

Decumb, dikɐmb, gaan liggen; Decumbence = liggende houding; Decumbent = liggend, bedlegerig.

Decuple, dekjup’l, subst. tienvoud; adj. tienvoudig; — verb. vertienvoudigen.

Decurrent, dikɐr’nt, afloopend; Decursive, dikɐ̂siv, afloopend.

Decussate, dikɐsit, kruisstandig; — verb. dikɐseit, dekəseit = kruiselings snijden.

Dedicate, dedikit, adj. toegewijd; — verb. dedikeit, toewijden, opdragen, wijden; Dedicatee = wien een werk wordt opgedragen; Dedication = toewijding, opdracht; Dedicator = die opdraagt; Dedicatory = bij wijze van opdracht.

Deduce, didjûs, afleiden, opmaken (uit); —ment = gevolg; Deducible = af te leiden uit (from).

Deduct, didàkt, aftrekken, afnemen, wegleiden: Charges —ed = na aftrek van kosten; —ion = vermindering, afneming, gevolgtrekking; The —ive method = de deductieve methode.

Deed, dîd, subst. daad, feit, handeling, akte; — verb. bij akte overdragen (Amer.): — of gift = schenkingsakte; — of partnership = acte v. vennootschap; — of sale = koopakte; — of trust = volmacht; He was caught in the very — = op heeterdaad; —-poll = hoofdelijke akte (tegenover de dubbele), omdat ééne der partijen ze maakt; —y = ijverig, knap.

Deem, dîm, oordeelen, denken: He —ed it an honour = achtte het eene eer.

Deemster, dîmstə, titel van de 2 justices op het eiland Man.

Deep, dîp, subst. diepte, zee; adj. diep, diepzinnig, verdiept, laag, achteraf, verborgen, geheim, doordringend, ernstig, zwaar, hoog, donker, sluw: He is a — one = een slimmerd; Of a — blue (colour) = donkerblauw; They have drunk — = zwaar gedronken; He lied — = loog schandelijk; To play — = hoog spelen; A —ly-bitten sketch of the city of L. = een scherpe (scherp gelijnde) schets; The —-mouthed thunder = krachtige en holklinkende; —-read in the classics = zeer belezen; The —-sea water = het water der zee op meer dan 200 vademen diepte; —-set = diepliggend; —-toned instruments = zwaar (plechtig) klinkende; —en = verdiepen, donkerder (sterker) worden of maken; —most = diepste, verste; —ness = scherpzinnigheid, sluwheid.

Deer, dîə, hert; goedje: The small — = het kleine grut; —mouse = eekhorentje (Canada); —-neck = dunne, slecht gevormde nek (van een paard); —-stalker = hertenjager; laag hoofddeksel (soms met oorkleppen) door deze jagers gedragen; —-stalking, stôkiŋ, jacht op herten (door ze te besluipen).

Deface, difeis, schenden, misvormen, doorhalen, uit het veld slaan; bekrassen of beschrijven van muren, etc.; subst. —ment.

Defalcate, difalkeit, snoeien (van geld), verminderen, korten; verduisteren; Defalcation = verkorting, verduistering, besnoeiing; Defalcator, Defalcator = verduisteraar.

Defamation, defəmeiš’n, laster, eerrooving; adj. Defamatory; Defame, difeim, lasteren, eerrooven.

Default, difôlt, subst. gebrek, verzuim, verwaarloozing, in gebreke blijven, nietverschijning (voor de rechtbank); — verb. bij verstek veroordeelen, niet voldoen aan (een contract, eene belofte, etc.): Judgment by — = veroordeeling bij verstek; To go by — = bij verstek veroordeelen; door afwezigheid van een der partijen niet doorgaan; He made (a) — = hij verscheen niet; To suffer a — = verstek laten gaan; In — of = bij gebreke van: A fine of £ 3, or seven days’ imprisonment in — = subsidiair 7 dagen gevang.; —er = woordbreker, misdadiger, wanbetaler.

Defeasance, difîz’ns, nietigverklaring, vernietiging, opheffing; —d = vernietigbaar = Defeasible.

Defeat, difît, subst. nederlaag, verijdeling, vernietiging, berooving, ongeldig verklaring; — verb. verslaan, verijdelen, van nul en geener waarde maken; berooven.

Defecate, defikit, adj. gezuiverd; — verb. defikeit, zuiveren, klaren; subst. Defecation.

Defect, difekt, gebrek, onvolkomenheid; —ion = afval, afvalligheid; —ive = gebrekkig; subst. —iveness.

Defence, difens, verdediging, versterking, verdedigingswerk, bescherming: Line of — = verdedigingslinie; —less = weerloos; subst. —lessness.

Defend, difend, verdedigen, beschermen: We —ed ourselves against the enemy = verdedigden ons tegen; To — oneself from reports = tegen praatjes; — me from my enemies = bewaar mij voor; —able = verdedigbaar; —ant = beklaagde, gedaagde; —er = verdediger: — of the Faith = titel van Eng. vorsten sedert Hendrik VIII (1521); Defense = Defence; Defensibility = verdedigbaarheid; Defensible = houdbaar; Defensive = verdedigend, verwerend: To act (be, stand) on the — = een verdedigende houding aannemen; Defensor = verdediger, beschermer; Defensory = verdedigend.

Defer, difɐ̂, uitstellen, talmen; zich onderwerpen aan; verwijzen: I — to your opinion = onderwerp mij aan; I — to the sixth example = verwijs naar; —red bonds = obligaties recht gevend op stijgenden interest (tot bepaalde hoogte) in welk geval ze geconverteerd of tot active bonds worden; —ence, defərens, eerbied, onderwerping, eerbiediging; —ent, defərent, geleidend; subst. geleider, overbrenger: The air is a —ent of sound = klankgeleider; Deferential, eerbiedig; —rer = uitsteller.

Defiance, difai’ns, uitdaging, uittarting: In (flat) — of all rules = trots alle regelen; He bears (bids) — to them all = tart ze allen; He set all the rules at — = hij zondigde tegen al de regels; Defiant = trotseerend, tartend.

Deficience, —cy, difiš’ns(i), gebrek, tekort, deficit, onvolkomenheid: — Bills = voorschot door de Bank of England aan de regeering, ter inlossing der coupons; To make up for (to supply) a — = voorzien in een gebrek; Deficient: He is — in that quality = hem ontbreekt, hij schiet te kort in …: Mentally — = zwakzinnigen; Deficit, defisit, dîfisit, deficit.

Defile, difail, subst. engte, pas, défilé; — verb. defileeren; bevuilen, verontreinigen, bezoedelen; subst. —ment; —r = ontwijder, schender.

Definable, difainəb’l, te bepalen of begrenzen; Define, difain, bepalen, beperken, uitleggen, beschrijven; Definite, definit, bepaald, begrensd; subst. —ness; Definition = bepaling, omschrijving, beschrijving; Definitive, subst. bepalend woord (b.v. een adjectief); adj. beslissend, afdoend; subst. —ness.

Deflagrate, defləgreit, verbranden; subst. Deflagration.

Deflate, difleit, gas of lucht uitlaten.

Deflect, diflekt, afbuigen, afwijken; —ion = Deflexion, afwijking, afdrijving (v. een schip).

Defloration, dîfloreiš’n, defloreiš’n, verkrachting; Deflour, Deflower, diflauə, onteeren, schenden; —er = verkrachter.

Defluxion, diflɐkš’n, ontsteking, catarrh.

Defoe, dəfou.

Deforest, diforəst, ontwouden.

Deform, diföm, misvormen; Deformation = mismaking; —ed = mismaakt; subst. —edness; Deformity = wanstaltigheid, mismaaktheid.

Defraud, difrôd, onrechtmatig onthouden, bedriegen, beetnemen; —er = bedrieger, smokkelaar.

Defray, difrei, betalen, afbetalen, vereffenen: He —ed our expenses = hield ons vrij; subst. —ment.

Deft, deft, vlug, vaardig, handig; subst. —ness.

Defunct, difɐŋkt, overleden(e).

Defy, difai, uitdagen, tarten, trotseeren: It defies description = gaat alle beschrijving te boven. Zie Defiance.

Degeneracy, didženərəsi, ontaarding; Degenerate, adj. ontaard, laag; subst, gedegenereerde; — verb. ontaarden; Degeneration = ontaarding.

Deglutinate, diglûtineit, losmaken (wat gelijmd is).

Deglutition, deglutitiš’n, dîglutiš’n, slikken.

Degradation, degrədeiš’n, dégradatie, afzetting, vernedering, vermindering;—verb. Degrade, digreid; Degrading = onteerend.

Degree, digrî, subst. graad, rang, waardigheid, verwantschap, stand: He took his — = promoveerde; By —s = trapsgewijze, langzamerhand; Persons in their — = van hun stand; In a — = tot op zekere hoogte, in zekeren zin; In no — = geenszins; In some — = eenigszins; eenigermate; To a — = in hoogen graad, buitenmate; Honorary — = doctorstitel honoris causa; —-day = promotiedag; —-title = academ. graad.

Dehisce, dihis, openspringen; adj. —nt; subst. —nce.

Dehort, dihöt, afraden; adj. —atory.

Deicide, dîisaid, Christusmoord, Christusmoordenaar.

Deific(al), dîifik’(l), vergoddelijkend; Deification = vergoddelijking, apotheose; Deifier = vergoder; Deiform = van goddelijken vorm; Deify, dîifai, vergoden, vergoddelijken.

Deign, dein, zich verwaardigen, toestaan.

Dei gratia, dî-ai greišiə, van Gods genade.

Deil, dîl, dil, duivel (Schotsch).

Deism, dîizm, deïsme; Deist = deïst; adj. Deistic(al); Deity, dîiti, Godheid.

Deject, didžekt, adj. terneergeslagen (= —ed), ontmoedigd; — verb. ontmoedigen, neerslachtig maken; —edness = —ion = neerslachtigheid, moedeloosheid; —ory = ontmoedigend, afdrijvend.

Delactation, dîlakteiš’n, het spenen.

Delany, dileini, deləni.

Delate, dileit, aangeven, aanklagen; subst. Delation: Espionage and —; Delator = verklikker.

Delay, dilei, subst. uitstel, vertraging; — verb. uitstellen, rekken, uitstel geven; zich laten wachten, aarzelen, belemmeren: All is not lost that is —ed = uitstel is geen afstel; —er = uitsteller; reden van uitstel.

Del credere, delkredərə, delcredere.

Dele, dîli, subst. uitschrappingsteeken; — verb. uitschrappen, wegnemen; Deleble, delib’l, uitwischbaar.

Delectable, dilektəb’l, verrukkelijk, lekker; subst. —ness; Delectation = genot.

Delegate, deləgit, subst. gevolmachtigde, afgevaardigde; adj. gevolmachtigd; — verb. (deləgeit) volmacht geven, toevertrouwen, afvaardigen; Delegation = afvaardiging, opdracht, deputatie.

Delete, dilît, uitwisschen, doorhalen.

Deleterious, dîlətîriəs, vergiftig, schadelijk.

Deletion, dilîš’n, subst. Zie Delete.

Delf, delf, Delftsch aardewerk = Delft ware.

Delhi, deli, Delhi.

Delian, dîliən, uit Delos.

Deliberate, dilibərit, adj. bedaard, overleggend, opzettelijk; — verb. (dilibəreit) overwegen, beraadslagen; subst. —ness; It was taken into deliberation = het werd in overweging genomen; Deliberative, dilibərətiv, overleggend.

Delicacy, delikəsi, fijnheid, keurigheid, teerheid; heerlijkheid, lekkernij; zwakheid; Delicate, delikit, fijn, teer, lekker, voorzichtig, kiesch, kieskeurig, fijngevoelig, zwak; subst. —ness; Delicious, dilišəs, heerlijk; subst. —ness.

Delict, dilikt, delict.

Delight, dilait, subst. genot, wellust, verrukking; — verb. verrukken, streelen; behagen scheppen in, verheugd zijn over: To have (take) — in = behagen scheppen in; I am —ed with it = ik ben er verrukt mee, over; —ful = verrukkelijk; subst. —fulness.

Delimit, dilimit, afperken, de grenzen vaststellen; Delimitation = vaststelling (der gr.).

Delineate, dilinieit, schetsen, ontwerpen, beschrijven; subst. Delineation; Delineator = schetser, enz.

Delinquency, diliŋkw’nsi, misdrijf, misdaad, plichtverzuim; Delinquent, diliŋkw’nt, subst. schuldige; adj. schuldig.

Deliquesce, delikwes, smelten of oplossen door vochtopneming; subst. —nce; adj. —nt.

Delirious, diliriəs, ijlhoofdig, dol van (= with): To be — = ijlen; subst. —ness; Delirium = delirium: In a — of drink; — tremens = dronkaardswaanzin.

Delitescence, delites’ns, verborgenheid; plotseling verdwijnen van gezwel of ontsteking; adj. Delitescent.

Deliver, dilivə, verlossen, bevrijden, overbrengen, leveren, in-, op-, uitleveren, bestellen, overgeven, uitspreken: To — a message = overbrengen; To be —ed in 8 days, at B = te leveren; To be —ed immediately = in handen (op brieven); She was -ed of a boy = beviel van een jongen; —ed in my trust = mij toevertrouwd; The fortress was —ed up (over) = overgegeven; He —ed himself up = gaf zich in handen der politie; —able = te leveren; —ance = bevrijding, beslissing, vrijspreking; —er = verlosser, overbrenger; —y, diliv’ri, verlossing, bevrijding, uitspraak, (wijze van) voordracht, levering, bestelling; —y-pipe = afvoerpijp; —y-window = loket.

Dell, del, nauw dal.

Deliac, dîliək, uit Delos; artistieke vaas; Delos, dîlos; Delphian, delfiən, Delphic, delfik, Delphisch, raadselachtig.

Delphin(e), delfin, den dauphin betreffend: — classics = de voor het gebruik van den Dauphin (zoon van Lod. XIV) bestemde uitgaven der klassieken; Delphine, delfin, tot de dolfijnen behoorend.

Delta, deltə, de Grieksche D = Δ; delta; —-leaved = met Δ-vormige bladeren; Deltaic, delteiik, Delta …; Deltification = deltavorming; Deltoid, deltôid, deltavormig; deltaspier.

Deludable, dil(j)ûdəb’l, licht te misleiden; Delude, dil(j)ûd, bedriegen, misleiden; —r = misleider.

Deluge, deljudž, subst. watervloed, zondvloed, groote menigte, ramp; — verb. overstroomen, overstelpen: After me the —.

Delusion, dil(j)ûž’n, bedrog, bedriegerij, waan, begoocheling; adj. Delusive, dil(j)ûsiv; subst. —ness; Delusory, dil(j)ûsəri = Delusive.

Delve, delv, graven, uitvorschen.

Demagogic(al), deməgodžik(’l); Demagogism, deməgodžizm, de beginselen van een volksleider; Demagogue, deməgog, volksmenner.

Demain, dimein. Zie Demesne.

Demand, dimând, subst. eisch, vraag, behoefte; vordering; — verb. eischen, vorderen: — and supply = vraag en aanbod; In great — = Much in — = zeer gezocht, in trek; On — = op verlangen; Payable on — = op zicht; —ant = eischer; —er = schuldeischer, adressant.

Demarcate, dimâkeit, de grenzen vaststellen; subst. Demarcation, dîmâkeiš’n, afpaling, grenslijn.

Demean, dimîn, (zich) gedragen of houden; (zich) vernederen of verlagen; —our, dimînə, gedrag, houding.

Dementate, dimentit = Demented = waanzinnig, krankzinnig; subst. —ness = Dementia, dimenšə, krankzinnigheid, waanzin, idiotisme.

Demerara, demərârə.

Demerit, dimerit, gebrek, blaam, schuld, wangedrag, onwaardigheid.

Demersed, dimɐ̂st, onder water groeiend.

Demesne, dimîn, domein, grondbezit; gebied: The —s of the school = het gebied.

Demi, demi: —god, halfgod; —-john = groote mandflesch; —-lance = korte lans, licht gewapend ruiter; —-official = officieus; —-rep (= demi-reputation), demi-mondaine; —-repdom; —-semiquaver = 32ste noot.

Demisable, dimaisəb’l overdraagbaar; subst. Demisability; Demise, dimaiz, subst. overlijden; overdracht; — verb. overdragen; nalaten (bij uiterste wilsbeschikking = To — by will).

Demission, dimiš’n, opgeven, laten varen; verlaging; Demit = neerleggen.

Demiurge, demiɐ̂dž, Demiurgos, dimiɐ̂gəs, demiurgos; adj. Demiurgic.

Demobilization, dimobilizeiš’n, dimoubilizeiš’n, demobilisatie; Demobilize, Demobilize = demobiliseeren, ontbinden (van troepen).

Democracy, dimokrəsi, volksregeering; Democrat, deməkrat, democraat; adj. Democratic(al); Democratize = democratiseeren.

Demolish, dimoliš, afbreken, slechten, verwoesten; —er = afbreker, verwoester; Demolition, deməliš’n = het afbreken, verwoesting.

Demon, dîm’n, demon; —ess = duivelin; —iac, dimounjək, bezetene; adj. demonisch = —iacal, dîmənaiək’l = —ian, dimounj’n = —ic, dimonik; —ology, dîmənolədži, demonenleer.

Demonetization, dimonitizeiš’n, subst. van Demonetize, dimonitaiz, buiten omloop stellen van geld.

Demonstrable, dimonstrəb’l, dem’nstrəb’l, bewijsbaar; subst. —ness; Demonstrate, dimonstreit, dem’nstreit, aantoonen, aanwijzen, demonstreeren: Demonstration, dem’nstreiš’n, bewijs, demonstratie; schijnbeweging; Demonstrative, dimonstrətiv, aanschouwelijk, openhartig, overdreven, demonstratief, aanwijzend (voornaamwoord); (brutaal, demənstreitiv); subst. —ness; Demonstrator = demonstrator, prosector, wijsvinger.

Demoralization, dimorəlizeiš’n, dimorəlaizeiš’n, demoralisatie;—verb. Demoralize, dimorəlaiz.

Demosthenes, dimosthənîz; adj. Demosthenic, demosthenik = Demosthenian.

Demotic, dimotik: — character = oud-Egyptisch volksschrift.

Demur, dimɐ̂, subst. aarzeling, weifeling; protest; — verb. aarzelen, weifelen, excepties opwerpen: I cannot subscribe without —(ring) to so sweeping a sentence = ik kan zulk een algemeen oordeel niet zonder protest aanvaarden; I — at that = kom in verzet tegen; He —red to my assertion = was het niet eens met; —rer = weifelaar; exceptie (jur.).

Demure, dimjûə, stemmig, zedig, preutsch; subst. —ness.

Demurrage, dimɐridž, liggeld (v. schepen); korting van 1½ d. per ons goud bij inwisseling van banknoten bij de Bank of England: Days of — = ligdagen.

Demy, dimai, een zeker papierformaat (56 bij 46 c.M. voor drukwerk, 48 bij 38 c.M. voor schrijven); zoogenaamde half-fellow of scholar van het Magdalen College te Oxford; —-ship = beurs van 100 tot 50 £.

Den, den, subst. hol, leger, kuil; hok, gat: Daniel in the lions’ —.

Denarius, dinêriəs, oude zilveren munt (Rome) van ongeveer 8 stuivers; een Engelsche penny: — Dei = Godspenning; — Sancti Petri = St. Pieterspenning.

Denationalize, dinašənəlaiz, van de nationaliteitsrechten berooven.

Denbigh, denbi.

Dendri.…, dendri.…, Dendro …, dendrə …, in samenst., boom …; Dendritic = boomachtig.

Dendrolite, dendrəlait, dendroliet, versteende boomstam; Dendrology = boomenleer.

Denham, denəm.

Deniable, dinaiəb’l, loochenbaar; Denial, dinai’l, ontkenning, verloochening, weigering: I will take no — = neem geen bedankje aan; Denier = loochenaar.

Denim, denim, grove wollen stof.

Denis, denis.

Denization, denizeiš’n, naturalisatie: Letters of —; Denizen, deniz’n, subst. bewoner, genaturaliseerd burger; — verb. het burgerrecht verleenen; —ship.

Denmark, denmâk: — satin shoes = stoffen laarsjes.

Dennis, denis, Dionysius.

Denominate, dinomineit, benoemen, aanwijzen; Denomination = naam, benaming, sekte; Denominational education = confessioneel onderwijs; Denominative = benoemend of benoemd; Denominator = noemer (van eene breuk).

Denotable, te onderscheiden; Denotation of a term = omvang (ruimte) of beteekenis eener uitdrukking; Denote, dinout, aanwijzen, aanduiden.

Denouement, Fr. uitspr., ontknooping, afloop.

Denounce, dinauns, dreigen met, dreigend verklaren, aanklagen, aanbrengen, opzeggen (a treaty); subst. —ment; —r = aanbrenger.

Dense, dens, dicht, bekrompen, dom; The —ness of the public is something wonderful = domheid; Density = dichtheid.

Dent, dent, indruk, deuk; tand; —al, subst. tandletter; adj. tand …: — formula = tandformule; — surgeon = tandmeester; —ate(d), denteit(id), —ed, getand; —iculate(d), dentikjul(e)it(id), met tandjes; met kalfstanden (bouwk.); subst. —iculation; —iform, dentiföm, tandvormig; Dentifrice, dentifris, tandpoeder; Dentist, dentist, tandmeester; Dentistry = tandheelkunde; Dentition, dentiš’n, het tandenkrijgen; tandstelsel; Dentolingual, dentəliŋgw’l, subst. en adj. (consonant) door tong en tanden gevormd; Denture, dentjə, tandenrij; kunstgebit.

Denudation, denjudeiš’n, ontblooting, berooving:—verb. Denude, dinjûd.

Denunciation, dinɐnšieiš’n, Denunciate, dinɐnšieit; Denunciator. Zie Denounce.

Deny, dinai, ontkennen, tegenspreken, weigeren, (ver)loochenen: To — oneself = belet geven; He denied himself every pleasure = ontzeide zich elk genot; She was denied = zij kreeg “belet”.

Deobstruct, diobstrɐkt, purgeeren; Deobstruent = subst. en adj. zuiverend of purgeerend (middel).

Deodorization, dioudərizeiš’n, dioudəraizeiš’n, ontsmetting, reukeloos maken;—verb. Deodorize, dioudəraiz; —r = ontsmettingsmiddel.

Deontology, diontolədži, Bentham’s leer der zedelijke verplichting.

Deo volente, dîə vəlenti, als God het wil.

Deoxidate, dioksideit, Deoxidize, dioksidaiz, reduceeren; subst. Deoxidation.

Depaint, dipeint, afschilderen, malen.

Depart, dipât, vertrekken, heengaan, sterven, opgeven, afzien van, afwijken, verlaten: The statesman —ed this life on the 20th = scheidde uit het leven, stierf; He —ed from his house = ging heen; Our dear —ed = overledene(n); The —ed = de overledenen; Departure, dipâtšə, vertrek, dood, afwijking, richting, wending: He took his — = vertrok; That is quite a new — = heel wat nieuws, een geheel nieuwe richting; He took a new — at 40 = op 40-j. leeftijd werd hij een ander man.

Department, dipâtm’nt, afdeeling, werkkring, departement; Departmental = afdeelings- -.

Depauperization, dipôpərizeiš’n, subst. v. Depauperize, dipôpəraiz, uit de armoede opheffen.

Depend, dipend, neerhangen, afhangen, vertrouwen op, rekenen op: It (All) —s = dat hangt er vanaf; They are people to be —ed upon = ver- en betrouwbare menschen; — upon it = reken daarop; Every man must — upon himself = zelf is de man; —able = vertrouwd: To employ — tradespeople; —ance, —ence, —ency = afhankelijkheid, verband: —encies = toebehooren; wingewest, kolonie; —ent = afhangend (on), neerhangend (from), afhankelijk, onbeslist, berustend op; subst. dienaar, vazal; —ing, onbeslist of hangende (van eene rechtszaak).

Depict, dipikt, afschilderen, malen = —ure.

Depilate, depileit, ontharen; Depilation, ontharen, uitvallen van haren; Depilatory, ontharend; Depilatories = ontharingsmiddelen.

Deplete, diplît, ledigen, aderlaten, uitputten; subst. Depletion, aderlating, uitputting.

Deplorable, diplôrəb’l, betreurenswaard, jammerlijk; subst. —ness; Deplore, diplö, betreuren, beweenen.

Deploy, diplôi, (doen) ontplooien, ontwikkelen: The troops —ed into line = kwamen in bataille; subst. —ment.

Deplume, diplûm, van vederen berooven.

Depone, dipoun, onder eede bevestigen; —nt, dipoun’nt, subst. getuige; werkwoord met passieven vorm en actieve beteekenis; adj passief van vorm en actief van beteekenis.

Depopulate, dipopjuleit, ontvolken; subst. Depopulation.

Deport, dipöt, deporteeren: To — oneself = zich gedragen; Deportation, deportatie; Deportment = houding, gedrag.

Deposable, dipouzəb’l, afzetbaar; Deposal = afzetting; Depose, dipouz, afzetten; onder eede bevestigen (verklaren, verhooren).

Deposit, dipozit, subst. neerslag, storting, pand, deposito; — verb. leggen, neerleggen, bijzetten, storten, toevertrouwen, in bewaring geven: — at call, — at notice (zonder, met opzegging); In (on) — = in deposito (van gelden, etc.); —ary, dipozitəri, bewaarder; —ion, depəziš’n, dîpəziš’n, neerslag, getuigenisaflegging, verklaring, onttroning, afzetting, deposito; —or, hij die deponeert; —ory, dipozitəri, bewaarplaats.

Depot, dîpou, depou, dipou, depot, bergplaats, stapelplaats; station (Amer.): Coal and Cattle —.

Depravation, deprəveiš’n, verdorvenheid, bederf; Deprave, dipreiv, bederven, demoraliseeren: —dness = Depravity, dipraviti, verdorvenheid.

Deprecate, deprikeit, door smeeken trachten af te wenden, krachtig opkomen tegen, ernstig afkeuren; Deprecation; Deprecatory looks = smeekende blikken.

Depreciate, diprîšieit, de waarde verminderen (Amer.); geringschatten, onderschatten; Depreciation = waardevermindering; onderschatting, geringschatting; Depreciative, diprîšiətiv, Depreciatory, diprîšiətəri, minachtend, gering-, onderschattend.

Depredate, deprideit, (uit)plunderen, verwoesten, verslinden; subst. Depredation; Depredator, plunderaar; Depredatory = verwoestend, plunderend.

Depress, dipres, neerdrukken, neerslaan, buigen, vernederen, matigen, verlagen, lager richten (van geschut), neerslachtig maken, in waarde doen dalen; —ed = gedrukt, flauw; Depression, dipreš’n, (neer)drukking, indruk, depressie, neerslachtigheid, uitputting, slapte (in zaken): — of spirits = melancholie; —ist = pretbederver, vreugdeverstoorder; Depressive = drukkend.

Deprivation, depriveiš’n, berooving, verlies, ontzetting uit een ambt; Deprive, dipraiv, berooven, ontdoen, ontzetten: She was —d of her membership = lidmaatschap.

Deptford, detfəd.

Depth, depth, diepte, hoogte, breedte, donkerheid (bij eene kleur), afgrond, zee, hartje (van den winter), holle (van den nacht), diepzinnigheid, onmetelijkheid: In the —(s) of winter; Ten feet in — = tien voet diep; I am out of (within) my — here = ik voel hier geen (nog) grond, kan hier (niet) staan (ook fig.); —less = ondiep; onpeilbaar.

Depurate, depjureit, reinigen; subst. Depuration; Depurative = bloedzuiverend (middel).

Deputation, depjuteiš’n, afvaardiging, deputatie: In, by — = bij volmacht; Depute, dipjût, subst. gevolmachtigde (Schotsch); — verb. afvaardigen; Deputy, depjuti, subst. afgevaardigde, gevolmachtigde, plaatsvervanger, helper: —-chairman (—-judge) ondervoorzitter (rechter-plaatsvervanger).

Deracinate, dirasineit, uitroeien, verdelgen.

Derail, direil, (laten) derailleeren; uit den trein laden (van troepen): The train got —ed = derailleerde; subst. —ment.

Derange, direinž, verstoren, krenken (van geest of lichaam); —d = gek; —ment = storing, krenking.

Deray, direi, wanorde, tumult.

Derby, dɐ̂bi, dâbi, Derby; stijve, ronde hoed met smallen rand (Amer.): —-day = de dag bestemd voor de — races = wedrennen te Epsom (in Mei).

Derelict, derəlikt, subst. onbeheerd goed, verlaten schip; aangeslibd land; adj. onbeheerd, verlaten (Jur.); Dereliction = verzaking, het onbeheerd laten, landaanwinning door aanslibben: A serious — of duty = een ernstig plichtsverzuim.

Derham, derəm.

Deride, diraid, bespotten, uitlachen; Derision, diriž’n, spot, hoon; Derisive, diraisiv, spottend: subst. —ness; Derisory, diraisəri, spottend, hoonend.

Derivable, diraivəb’l, afleidbaar; Derivation, deriveiš’n, afleiding, afwijking; Derivative, dirivətiv, afgeleid, voortkomend, bijkomend; subst. afgeleid woord, afleiding; Derive, diraiv, afleiden, verkrijgen (door schenking of overdracht), trekken uit, voortkomen uit.

Derm, dɐ̂m, Derma, dɐ̂mə, huid; —al, dɐ̂m’l, huid- -; —atology, —ətolədži, leer der huidziekten.

Dermestes, dɐ̂mestîz, knotssprietigen.

Derogate, derəgeit, afbreuk doen (from one’s honour, dignity = aan), benadeelen, schenden, verkleinen; subst. Derogation; Derogatory = benadeelend, nadeelig, verslappend.

Derrick, derik, laadboom, kraan.

Derringer, derindžə, pistool met korten loop, doch van groot kaliber (Amer.).

Dervis(e), dɐ̂vis, Dervish, dɐ̂viš, derwisch.

Descant, deskn’t, discant, meerstemmig lied; gedachtenwisseling.

Descant, deskant, sopraan zingen, vibreeren; breedvoerig van gedachten wisselen over (on, upon).

Descend, dəsend, neerdalen (-vallen, -stroomen), dalen, afdalen, invallen, neervallen, tendeelvallen, zich vernederen, afstammen, komen aan: He —ed in his price = sloeg af; He —ed into particulars = daalde af tot; —ant = afstammeling; —ent = afstammend, nederdalend; Descension, dəsenš’n, neerdaling, vernedering; Descent, dəsent, neerdaling, helling, val, vernedering, landing, aanval, afstamming: —-theory = afstammingstheorie.

Describable, diskraibəb’l, beschrijfbaar; Describe, diskraib, beschrijven; —r = beschrijver; —nt = beschrijvend: — surface (wisk.); Description, diskripš’n, beschrijving, klasse, soort; Descriptive geometry = beschrijvende meetkunde.

Descry, diskrai, bespieden, ontdekken.

Desecrate, desikreit, ontheiligen, ontwijden, profaneeren; subst. Desecration.

Desert, dezət, subst. woestijn, woestenij; adj. woest, onbewoond; —-bird = pelikaan.

Desert, dizɐ̂t, subst. verdienste, verdiende loon (gew. Meerv.): He got (was brought to) his —s = hij kreeg zijn verdiende loon.

Desert, dizɐ̂t, verlaten, deserteeren, afvallig worden van; —er = deserteur, afvallige; Desertion, dizɐ̂š’n, verlatenheid, wanhoop, desertie.

Deserve, dizɐ̂v, verdienen, waardig zijn: He has deserved well of his country = heeft zich verdienstelijk gemaakt jegens; —dly = terecht; The deserving poor man = fatsoenlijke arme; Deserving of a better cause = eene betere zaak waardig.

Deshabille, dezəbîl = Dishabille.

Desiccant, disik’nt, desik’nt, subst. en adj. opdrogend (geneesmiddel); Desiccate, desikeit, disikeit, opdrogen; subst. Desiccation; Desiccative, disikətiv = Desiccant.

Desiderate, dəsidəreit, wenschen, noodig hebben, missen: I could have —d a fuller treatment of that subject = eene vollediger behandeling ware wenschelijk geweest; A —d reform = gewenscht, maar niet verkregen; Desiderative, dəsidərətiv, subst. en adj. gewenscht(e zaak); Desideratum, desideratum.

Design, dizain, disain, subst. schets, plan, ontwerp, voornemen, bedoeling, aanslag, dessin; — verb. schetsen, ontwerpen, bedoelen, aanwijzen: Industrial — = vakteekenen; A school of — = ambachtsteekenschool; Through — = opzettelijk; —edly = opzettelijk; —er = ontwerper, intrigant; —ing, subst. het ontwerpen van dessins, etc.; adj. intrigeerend, listig.

Designate, designeit, aanwijzen, onderscheiden, noemen, bestemmen voor; subst. Designation.

Desilver(ize), disilvə(raiz), ontzilveren; subst. Desilverization.

Desirable, dizairəb’l, wenschelijk; subst. —ness = Desirability; Desire, dizaiə, subst. begeerte, wensch, verlangen; — verb. verlangen, begeeren, verzoeken: He is not all that can be —d = hij kon wel beter zijn; I —d him to walk upstairs = verzocht hem; Desirous = begeerig: — of praise = begeerig naar lof.

Desist, disist, dizist, ophouden, nalaten, afzien van (from); subst. —ance.

Desk, desk, subst. lessenaar, lezenaar: —-work = schrijfwerk, zittend werk.

Desolate, desəlit, adj. verlaten, droevig, somber, eenzaam, woest; — verb. (desəleit), verwoesten, eenzaam maken, ontvolken, vernietigen; subst. —ness; Desolater, Desolator, deseleitə, verwoester; Desolation = verwoesting, eenzaamheid, troosteloosheid.

Despair, dispêə, subst. wanhoop; — verb. wanhopen: In — = wanhopig; His life was —ed of = er werd gewanhoopt aan.

Despatch, dispatš, subst. verzending, wegzending, afdoening, spoed, bericht; — verb. afzenden, afmaken, volbrengen, afdoen, dooden: Happy — = de Jap. Harakiri; —-box = portefeuille, schrijfmap; —-goods = ijlgoederen; —-money = premie op vlug laden of lossen; —er = dispacheur.

Desperado, despəreidou, dolle waaghals, wanhopige schurk, woesteling.

Desperate, despərit, adj. vertwijfeld, wanhopig, verloren, hopeloos, roekeloos, geweldig: — of = wanhopend aan; subst. —ness = vertwijfeling, razernij; Desperation = vertwijfeling.

Despicable, despikəb’l, verachtelijk, laag, gemeen, waardeloos; subst. —ness; Despise, dispaiz, verachten, versmaden.

Despite, dispait, subst. boosaardigheid, spijt, verachting; He did it (in) — of warning = trots alle; —ful = boosaardig; subst. —fulness.

Despoil, dispôil, berooven, plunderen; Despoliation, despoulieiš’n, dispoulieiš’n, plundering, berooving.

Despond, dispond, moedeloos of hopeloos worden, wanhopen; —ency = moedeloosheid; adj. —ent = —ing.

Despot, despot, alleenheerscher, tiran; adj. Despotic(al); Despotism = despotisme.

Despumation, despjumeiš’n, afschuiming.

Dessert, dəzɐ̂t, dəsɐ̂t, dessert; —-dish; —-spoon.

Destination, destineiš’n, bestemming; Destine, destin, bestemmen (to, for); Destiny, destini, bestemming, lot, noodlot: The Destinies = de drie Parcae of Schikgodinnen.

Destitute, destitjût, ontbloot van, behoeftig, verlaten, hulpeloos; ook subst.; —ness = verlatenheid; Destitution = groote armoede.

Destroy, distrôi, vernietigen, verwoesten, afbreken, dooden, verdelgen: Never — anything = doe nooit iets weg; —ing angel = worgengel.

Destructibility, distrɐktibiliti, vernietigbaarheid; adj. Destructible; Destruction, distrɐkš’n, vernieling, verdelging, verwoesting, ondergang; Destructive, distrɐktiv, subst. radicale hervormer; adj. vernietigend, verderfelijk; subst. —ness.

Desudation, desjudeiš’n, overmatig zweeten.

Desuetude, deswitjûd, (in) onbruik (raken).

Desulphurate, disɐlfjureit, ontzwavelen = Desulphurize.

Desultoriness, desəltərinəs, subst. v. Desultory, des’ltəri, onsamenhangend, vluchtig, oppervlakkig, van den hak op den tak.

Detach, ditatš, scheiden, losmaken, afkeerig maken, detacheeren: The Free Staters will not be —ed from their alliance = zich niet losmaken; —able = scheidbaar; —ed house = vrijstaand; —ment = scheiding, onbevangenheid, detachement.

Detail, diteil, dîteil, subst. omstandig verhaal, omstandigheid, bijzonderheid, afdeeling manschappen (voor speciale diensten): In — = omstandig, stuk voor stuk; He entered into —s = trad in bijzonderheden; Further —s = nadere bijzonderheden, details.

Detail, diteil, omstandig verhalen, in bijzonderheden mededeelen; voor speciale diensten aanwijzen: A —ed account = omstandig verslag.

Detain, ditein, afhouden, ophouden, terughouden, onthouden, gevangen houden: A writ of —er was issued against them = bevel tot verlengde gevangenhouding werd tegen hen uitgevaardigd; Forcible —er = gewelddadige inbezithouding.

Detect, ditekt, ontdekken, betrappen, aan ’t licht brengen; —able of —ible = ontdekbaar; —er (—or) = indicateur; —ion = ontdekking, betrapping; —ive = subst. geheime agent; ook adj.: The —ive force = geheime politie.

Detent, ditent, lichter, drukker, trekker.

Detention, ditenš’n, terughouding, uitstel, opsluiting; het nablijven: —-colony = strafkolonie; —-work = strafwerk; House of — = huis van bewaring.

Deter, ditɐ̂, afschrikken, afhouden; —rent = afschrikkend (middel of voorbeeld).

Deterge, ditɐ̂dž, eene wond zuiveren; —nt = reinigend (middel).

Deteriorate, ditîriəreit, ontaarden, verergeren; subst. Deterioration.

Determinability, ditɐ̂minəbiliti, subst. v. Determinable, ditɐ̂minəb’l, bepaalbaar, beslisbaar; Determinate, ditɐ̂minit, bepaald, beperkt, beslist; Determination, ditɐ̂mineiš’n, einde, beslissing, bepaling, besluit, vaststelling, beslistheid, vastberadenheid; Determinative = bepalend; Determine, ditɐ̂min, bepalen, beperken, besluiten, beslissen, vergewissen; Determinism, ditɐ̂minizm, determinisme.

Detest, ditest, verfoeien; —ability = —ableness = verfoeielijkheid; —ation, dîtəsteiš’n, verfoeiing, walging.

Dethrone, dithroun, onttronen; subst. —ment.

Detinue, detinjû: Action of — = actie tot teruggave van onwettig onthouden goederen.

Detonate, detəneit, (doen) ontploffen: Detonating cap, gas, powder = slaghoedje, knalgas, donderpoeder; Detonation = explosie; Detonator, slaghoedje, knalsignaal (= Detonating fog-signal), donderbus.

Detour, ditûə, kromming, omweg, omhaal, wijking.

Detract, ditrakt, wegnemen, smaden, verkleinen, belasteren: That does not — from my wish to serve you = dit belet niet, dat ik wensch; subst. —ion; adj. —ive = —ory; —or, smaler, lasteraar; aftrekspier.

Detrain, ditrein, uit een spoortrein laden, uitstijgen.

Detriment, detriment, schade, nadeel; Detrimental; adj. nadeelig, schadelijk; subst. jongmensch, dat meisjes het hof maakt, en ernstige aspiranten daardoor afschrikt.

Detroit, ditrôit.

Detruncate, ditrɐŋkeit, knotten, afsnijden; subst. Detruncation.

Deuce, djûs, twee (op dobbelsteenen of kaarten), beide spelers 3 slagen (Lawntennis); duivel, droes, drommel: I had the —’s own trouble with him = drommels veel moeite met; The — is in it = daar speelt de duivel mee; He is the — to talk = hij is een vervelende babbelaar; Deuced difficult = verduiveld moeilijk; —-ace = de één en twéé bij het dobbelen.

Deus ex machina, dîəseksmeikinə.

Deuteronomy, djûteronəmi, Deuteronomium.

Deuxponts, djûpoŋ, Tweebruggen.

Devastate, devəsteit, verwoesten; subst. Devastation; Devastator = verwoester.

Develop, diveləp, (zich) ontwikkelen, verduidelijken, ontvouwen; —er = ontwikkelaar; —ment = ontwikkeling, ontvouwing.

De Vere, də vîə; Devereux, devərû.

Devest, divest, vervreemden (van recht of titel); verloren gaan: Zie Divest. He —ed himself of his power = hij legde af.

Deviate, dîvieit, afwijken, afdwalen; subst. Deviation.

Device, divais, subst. plan, oogmerk, devies, motto, list, vinding; Full of —s = vindingrijk, slim.

Devil, dev’l, subst. duivel, drukkersloopjongen, scheurmachine (in lompenfabrieken); sterk gekruid vleeschgerecht; — verb. aan flarden scheuren (van lompen), sterk kruiden of peperen; handlangen: What comes over the —’s back, goes under his belly = onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet; —’s bones = dobbelsteenen; —’s books = speelkaarten; —’s dirt = duivelsdrek; —’s Own = het 88e linie-regiment; —’s tattoo = het trommelen met de vingers op eene tafel, etc.; Between (the) — and (the) deep sea = tusschen Scylla en Charybdis; He must needs go whom the — drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen; — take the hindmost = loope wie loopen kan; He gave the — his due = hij heeft hem recht laten wedervaren; The boy plays the — with his teachers = plaagt verschrikkelijk; It is enough to kill the — = je zou er des duivels van worden; That is the — of it = dat is het beroerde van de zaak; What the — do you want? = wat duivel moet je; — a bit I care = het kan me geen zier schelen; A —-may-care fellow = onverschillig, roekeloos; —ish = duivelsch, verduiveld; —ment = schurkerij: There’s — in him = hij heeft leelijke streken; —(t)ry = duivelsche slechtheid, streken.

Devious, dîvjəs, afwijkend, afdwalend: — path (way) = omweg; — step = misstap; subst. —ness.

Devisable, divaizəb’l, bedenkbaar; vermaakbaar; Devise, divaiz, subst. erflating; testament; — verb, verzinnen, overleggen, overwegen, nalaten (by will); Devisee, devizî, wien de grondbezittingen worden vermaakt; —r = plannenmaker; Devisor = erflater.

Devitrification, dəvitrifikeiš’n, subst. v. Devitrify, divitrifai, tot matglas maken.

Devocalize, divoukəlaiz, stemloos maken.

Devoid, divôid, ontbloot (of).

Devoir, Fr. uitspr., plichtpleging.

Devolution, devəl(j)ûš’n, toevallen bij erfenis; verwijzing naar eene commissie (Parl.).

Devolve, divolv, overdragen, overgaan, toevallen, tebeurtvallen, neerkomen op: It —s on you = komt op u neer; subst. —ment.

Devon, dev’n = —shire; Devonian = uit D.; Devonport; Devonshire: — colic = loodkoliek.

Devote, divout, verb. wijden, offeren, doemen; —d = gewijd, gedoemd; innig verknocht; subst. —ness; Devotee, devətî, aanbidder, enthousiast; bekrompen dweper, kwezel; Devotion, divouš’n, toewijding, opoffering, godsvrucht, godsdienstoefening, gebed, gehechtheid, vurige liefde: —s = gebeden, godsdienstige plichten, godsdienstoefening; Devotional = godvruchtig, vroom, stichtelijk.

Devour, divauə, verslinden, verteren, vernietigen.

Devout, divaut, vroom, innig, oprecht; subst. —ness.

Dew, djû, subst. dauw; — verb. bedauwen, bevochtigen; —-beater = dauwtrapper; voet; —-berry = dauwbraam; —-dropping = dauwend, zacht neervallend als dauw; —lap = kossem, halskwabbe; —-point = dauwpunt; —-worm = aardworm, pier; —y = bedauwd.

D’Ewes, djûz.

Dexter, dekstə, rechtsch, ter rechter (Herald.); Dexterity, deksteriti, handigheid, vaardigheid; Dext(e)rous, dekstrəs, (dekstərɐs), handig, vaardig.

Dextrine, dekstrin, dextrine.

Dey, dei, (Turksche titel voor) stadhouder.

Dhobi(e), doubi, Brit. Ind. waschvrouw; Dhole, doul, wilde hond; Dhotee, Dhoti, douti, lendendoek (Brit. Ind.).

Dhow, dau, Arabisch vaartuig.

Dhurra, dɐrə, Indisch en Egypt. gierst.

Diabetes, daiəbîtîz, suikerziekte; adj. Diabetic: — sugar = druivensuiker.

Diablerie, Diablery, diabləri, diâbləri, = Devilry; Diabolic(al), daiəbolik(’l), duivelsch, kwaadaardig; subst. —alness; Diabolism, daiabəlizm, duivelachtigheid, bezetenheid.

Diaconal, daiakən’l, een deacon betreffend; Diaconate = decanaat.

Diacritic, daiəkritik, onderscheidend; subst. onderscheidingsteeken; adj. —al.

Diadem, daiədem, diadeem; — spider = kruisspin.

Di(a)eresis, daiîrisis, daierisis, diaeresis.

Diagnose, daiəgnouz, daiəgnous, de diagnose bepalen; Diagnosis, daiəgnousis, diagnose; Diagnostic = kenmerkend (teeken); Diagnostics = diagnostiek.

Diagonal, daiagən’l, adj. en subst. diagonaal.

Diagram, daiəgram, subst. diagram; adj. Diagrammatic.

Diagraph, daiəgraf, een soort teekenaap; Diagraphic(al) = beschrijvend.

Dial, dai’l, zonnewijzer, wijzerplaat, draaibord: Arabic, Roman —(-plate) = wijzerplaat met Arab. of Romeinsche cijfers.

Dialect, daiəlekt, dialekt, tongval; adj. Dialectal = Dialectical = de dialectiek betreffend = Dialectic; Dialectician, dialecticus; Dialectics, dialectiek; Dialectology = studie en kennis der dialecten.

Dialogic(al), daiəlodžik(’l), dialogisch; Dialogist; Dialogue, daiəlog, subst. tweegesprek, tweespraak; verb. een d. houden.

Diameter, daiamətə, middellijn; Diametric(al) = diametraal.

Diamond, dai(ə)m’nd, subst. diamant, diamantletter, ruit; ook adj.: It is — cut — = ze zijn aan elkaar gewaagd; Nine of —s = ruiten negen; —-cutting = diamantslijpen; The windows were —-pane lattices = in lood gevatte ruiten; A —-shaped figure = ruitvormige figuur; Diamondiferous = diamanten bevattend.

Diana, daianə, daieinə, Diana.

Diapason, daiəpeiz’n, algemeene toonomvang van stem of instrument; algemeen aangenomen toonhoogte, diapason.

Diaper, daiəpə, subst. soort van damast, servet; adj. gebloemd; — verb. figuren of bloemen maken (in eene stof), schakeeren; —-pavement, —-work = mozaïekvloer.

Diaphane, daiəfein, doorschijnende stof, zijden stof met doorschijnende figuren.

Diaphanous, daiafənɐs, diaphaan.

Diaphoretic, daiəfəretik, subst. en adj. zweetverwekkend (middel).

Diaphragm, daiəfram, middenrif; diaphragma (microsc.).

Diarist, daiərist, houder v. een Diary.

Diarrhoea, daiərîə, buikloop; adj. Diarhoetic, daiəretik.

Diary, daiəri, dagboek.

Diastase, daiəsteis, diastase.

Diastole, daiastəlî, uitzetting van het hart na samentrekking; verlenging van eene korte lettergreep.

Diatribe, daiətraib, schimprede, schotschrift.

Dib, dib, subst. bikkel; fiche; — verb. hengelen; —s = bikkelspel; geld; —ber = hengelaar; pootijzer.

Dibble, dib’l, subst. pootijzer; — verb. planten met een pootijzer; hengelen; —r.

Dice, dais, subst. dobbelsteenen, dobbelspel; — verb. dobbelen; —r = dobbelaar; —-box = dobbelkoker; Dicing-house = dobbelhol.

Dicephalous, daisefəlɐs, tweekoppig.

Dick, dik, (verkorting voor) Richard; een soort pudding: —, Tom and Harry = Jan, Piet en Klaas; The children were making —-duck-drakes in the sea with flattish pebbles = keilden platte kiezelsteentjes over de zeeoppervlakte.

Dickens, dik’nz, Dickens; duivel: What the — = wat drommel!

Dicker, dikə, subst. tiental, tien paar; ruilhandel (Amer.); — verb. (ruil)handel drijven (Amer.).

Dick(e)y, diki, achterbok (van een rijtuig), voorhemdje, slabbetje, ezel; adj. twijfelachtig, vreemd, onwel.

Dicotyledon, daikotilîd’n, plant met twee zaadlobben; adj. —ous.

Dictate, diktit, subst. voorschrift, inspraak; — verb. dikteit, voorschrijven, gebieden, dicteeren; Dictation = dictee: voorschrift; Dictator; Dictatorial = gebiedend, dictatoriaal; Dictatorship.

Diction, dikš’n, wijze van zeggen, uitdrukking, stijl; Dictionary, dikš’nəri, woordenboek; Dictum, dikt’m (Meerv. Dicta, diktə), uitspraak, bewering: Obiter Dicta = beweringen “in ’t voorbijgaan”.

Didactic(al), didaktik(’l), didactisch: Didactic poetry = didactische; —s = didactiek.

Didder, didə, rillen (van koude).

Diddle, did’l, zwendel; — verb. bedotten; waggelen: He —d me out of it = zette het mij af; —r = zwendelaar.

Dido, daidou, bokkesprong: He is cutting —s = hij maakt bokke(kromme)sprongen.

Die, dai, subst. dobbelsteen (Meerv. Dice), muntstempel (Mv. Dies, daiz); teerling, kubusvormig voetstuk: As straight as a — = zoo recht als eene kaars; The — is cast = de teerling is geworpen; —-sinker = graveur: Those —s are well sunk = goed gegraveerd.

Die, dai, sterven, vergaan, omkomen, achteruitgaan, verdwijnen, verdorren, verwelken, uitgaan, gaan liggen, wegsterven, smachten naar: To — hard = onbevreesd sterven, een taai leven hebben; Never say — = geef het nooit op; He —d of hunger, for thirst, from poison, with terror = van honger, dorst, aan vergif, van schrik; This man has —d to the world = is der wereld afgestorven; I am dying to see you = brand van verlangen.

Dies irae, daiîzairi, dag des toorns, aanvangswoorden van een ouden boetpsalm; Per diem = per dag.

Diesis, daiisis, dubb. dolk: ‡ of ⌗.

Diet, daiit, subst. voedsel, dieet; rijks- of landdag; — verb. voeden, eten; een dieet volgen of voorschrijven: I think I ought to — you = op dieet zetten; —ary = het dieet betreffend, verplegings …, keuken …; subst. dieet; Dietetic = tot — behoorende; Dietetics, daiətetiks, leer der juiste voeding.

Differ, difə, verschillen, zich onderscheiden van; niet eens zijn, twisten: He —s from you = verschilt van (is anders dan) u; He —ed with me in opinion = was ’t niet met me eens; Difference, subst. verschil, onderscheid; strijd, geschilpunt; — verb. onderscheiden; To arrange a — = een geschil uitmaken; It makes no — = het maakt niet uit; To pay the — = het ontbrekende bijbetalen; With a — = met eenig verschil; Reason —s man from the brutes; Different = verschillend; Differential, difərenš’l, verschil of onderscheid makende; subst. differentiaal: — calculus = differentiaalrekening; — duties = differentiaalrechten; Differentiate, difərenšieit, (zich) onderscheiden, differentieeren; subst. Differentiation.

Difficult, difikɐlt, moeilijk, lastig; —y = moeilijkheid: He is in —ies = in geldelijke verlegenheid.

Diffidence, difidens, gebrek aan zelfvertrouwen, schroom, bedeesdheid; Diffident = beschroomd, bescheiden.

Diffract, difrakt, breken; —ion, breking (van stralen).

Diffranchise, difranšaiz = Disfranchise.

Diffuse, difjûs, adj. verspreid, verstrooid; wijdloopig; subst. —ness.

Diffuse, difjûz, (zich) verspreiden, uitspreiden, uitgieten; —d = verspreid; subst. —dness = wijdloopigheid = —ness; Diffusibility = diffusievermogen; Diffusible = verspreidbaar; Diffusion = verspreiding, verstrooiing, uitstorting, overvloed; Diffusive, difjûsiv, verspreidend, uitstortend, wijdloopig; subst. —ness.

Dig, dig, subst. stomp, duw, blokker, steek (fig.); — verb. graven, spitten, uitgraven, indrukken; blokken: To have a sly — at; To give a — = (stiekum) een steek onder water geven; To — away at = blokken op, aanhoudend werken aan; The wall was dug down = werd ondermijnd; The ground was dug up = uitgehold; —ger = graver, schop; —gings = goudvelden, goudmijnen (in Californië, etc.); woonplaats, district, woning, kast.

Digest, daidžəst, digesten, pandecten, verzameling van Romeinsche wetten.

Digest, didžest, daižest, rangschikken, verteren, slikken (fig.), dulden, rijpelijk overdenken; zacht laten worden (door hitte), tot mest prepareeren; —er = verteringbevorderend middel: Papin’s — = Papiniaansche pot; Digestibility = verteerbaarheid; —ible = verteerbaar; —ion = vertering, het prepareeren van mest; —ive = verteringbevorderend: —ive organs = verteringsorganen.

Dight, dait, tooien, sieren.

Digit, didžit, subst. vinger, vingerbreedte, 1⁄12 van de middellijn van zon of maan; cijfer: Number of three —s = getal van drie cijfers; —al = vinger…, vingervormig; —alis, didžiteilis, vingerhoedskruid; —at(ed) = gevingerd; —igrade = op de teenen gaande; subst. teenganger.

Dignified, dignifaid, waardig, deftig; Dignify, dignifai, met eer bekleeden, onderscheiden, eerbied wekken; Dignitary, dignitəri, waardigheidsbekleeder; kerkvoogd; Dignity, digniti, waardigheid, deftigheid, rang: To stand on one’s — = op zijn point d’honneur staan.

Digraph, daigraf, twee letters met één klank (de ea in head).

Digress, d(a)igres, afdwalen, afwijken; subst. —ion = afwijking, uitweiding, afdwaling; adj. —ive.

Dike, daik, subst. sloot; dijk, grensmuur; ader: — verb. indijken; draineeren; —-grave(-reeve) = dijkgraaf.

Dilapidate, d(a)ilapideit, laten vervallen, neerhalen, afbreken; subst. Dilapidation.

Dilatability, d(a)ileitəbiliti, rekbaarheid; uitzetbaarheid; adj. Dilatable, d(a)ileitib’l; Dilatation, d(a)iləteiš’n, uitzetting; Dilate, d(a)ileit, — verb. uitzetten, verwijden, uitwijden: —d eyes = opengesperde.

Dilatoriness, dilətərinəs, traagheid, nalatigheid, uitstellen; adj. Dilatory = tot uitstellen geneigd.

Dilemma, d(a)ilemə, dilemma: To find oneself on (To place between) the horns of a — = zich bevinden in (iem. plaatsen voor) een dilemma.

Dilettant(e), dilətant, dilettant; Dilettant(e)ism = dilettantisme.

Diligence, dilidž’ns, ijver, naarstigheid; adj. Diligent.

Dilly, dili, diligence (verkorting van Diligence, Fr. uitspr.).

Dilly-Dally, dilidali, (ver)treuzelen.

Diluent, diljûent, met water verdunnend; subst. bloedverdunnend middel.

Dilute, d(a)il(j)ût, adj. verdund, zwak; — verb. verzwakken, verslappen, verdunnen; Dilution = verdunde oplossing (van vloeistoffen).

Diluvial, d(a)il(j)ûv’l; Diluvian, diluviaal; tot den zondvloed behoorend; Diluvium, d(a)il(j)ûvj’m, diluvium.

Dim, dim, adj. donker, dof, onduidelijk, schemerig, suf, mat; — verb. verduisteren, dof maken, dof worden; —-eyed = met zwakke oogen; —-sighted = bijziend; —-twinkling = zwak schijnend.

Dime, daim, zilveren muntstukje, 1⁄10 van een dollar, kwartje: —-novels = goedkoope prulromans; —s = geld.

Dimension, dimenš’n, afmeting, graad, grootte; adj. —al.

Dimeter, dimətə, (versregel) van twee of vier voeten.

Dimidiate, dimidjit, gehalveerd.

Diminish, diminiš, verminderen, verkleinen, verlagen, afvallen, afnemen: Our opponents may well hide their —ed heads = beschaamd afdruipen; Diminution, diminjûš’n, vermindering, verkleining, verlaging; Diminutive, diminjutiv, subst. verkleinwoord; adj. klein, gering; subst. —ness; Diminuendo, diminjuendou, verminderingsteeken: >.

Dimissory, dimisəri, wegzendend, ontslag …

Dimity, dimiti, diemet.

Dimness, dimnəs, duisterheid, dofheid.

Dimple, dimp’l, subst. kuiltje; — verb. (zich) rimpelen, kuiltjes vormen: A pretty, —d face = gezichtje met kuiltjes erin; Dimply = vol kuiltjes, gerimpeld.

Din, din, subst. geraas, gerammel, gekletter, lawaai; — verb. verdooven (door geraas), rammelen, kletteren, aan de ooren schreeuwen of zeuren (into a person’s ears).

Dinah, dainə, Dina.

Dine, dain, middagmalen, middagmaal verschaffen: I have —d with Duke Humphrey = heb geen (warm) eten gehad; You can — a boat’s crew on this piece of meat = aan dit stuk vleesch heeft de bemanning van eene boot genoeg; —r = eter; restauratiewagen (Amer.): He is a —r-out = hij is bijna altijd op diner, eet buitenshuis; Dining: —-car = restauratiewagen; —-rooms = eetzalen, restaurant; —-table.

Ding, diŋ, met kracht stooten, neerslaan, wegwerpen, inscherpen (into), pochen, klinken, luiden; —-dong, diŋdoŋ, bom-bam, gebeier, verdoovend, nadrukkelijk.

Ding(e)y (Dinghy), diŋgi, Indisch bootje; kleinste boot (van een schip).

Dinginess, dinžinəs, donkerbruin, vuil.

Dingle, diŋg’l, klein dal, vallei.

Dingle-dangle, ding’ldang’l, slofslof.

Dingy, dinži, vuil, donker of vuil-zwart.

Dink, diŋk, keurig: — and dainty; — verb. optooien.

Dinner, dinə, middagmaal, feestmaal: Public — = officieel diner, banket; I have made a good (poor) — = heb goed (weinig) gegeten; —-jacket = ‘smoking’; —-party = gezelschap, dischgenooten; —-service = servies; —-time = etenstijd; —-waggon = dienbak op rolletjes; —less = zonder eten.

Dint, dint, subst. slag, stoot, deuk, indruk, striem, kracht; — verb. groeven, indrukken: By (through) — of hard work he succeeded = door hard werken; These are the —s of his fingers = indrukken.

Diocesan, daiosîs’n, daiəsîs’n, subst. bisschop of inwoner van een diocese; adj. diocesaan; Diocese, daiəsîs, diocese.

Diocletian, daiəklîš’n, Diocletianus.

Diogenes, daiodžənîz; Diomedes, daiəmîdîz; Dionysus, daienisəs: Fruit of — = wijn.

Dioptric(al), daioptrik(’l), dioptrisch: —s = dioptrica.

Diorama, daiərâmə, daiəreimə, diorama; adj. Dioramic.

Dip, dip, subst. indooping, bad, helling, glooiing, vetkaars (= —-candle), vette saus, inclinatie (van de kompasnaald); — verb. indoopen, bevochtigen, indompelen, inclineeren, strijken en weer opzetten, op en neer halen, doorslaan (v. balans); uitscheppen, glooien, vluchtig doorlezen, even aanraken, zich inlaten met, op goed geluk kiezen, verpanden: The scale —ped on that side, in favour of him = de schaal sloeg door; He had deeply —ped his estates = had eene zware hypotheek genomen op.

Dipchick, diptšik; Zie Dabchick.

Diphtherea, dif-thîriə, dipthîriə, Diphtheritis, diphtheritis; adj. Diphther(it)ic, diftherik, diptherik, —thəritik.

Diphthong, difthoŋ, dipthoŋ, tweeklank; adj. Dipthongal; —ize = tot een tweeklank maken of worden.

Diphyllous, difəlɐs, daifiləs, tweeblad(er)ig.

Diploma, diploumə, diploma; Diplomacy = diplomatie; —t(e) dipləmat = —tist, diploumətist; —tic, dipləmatik, subst. gezant, diplomaat; adj. diplomatisch; handschrift …; —tics, dipləmatiks, diplomatie; paleografie.

Dipper, dipə, duiker, badknecht; nap; kaarsenmaker; Groote Beer; dompelaar (Amer.), waterspreeuw.

Dipsomania, dipsəmeinjə, periodieke drankzucht; Dipsomaniac = drankzuchtige; adj. Dipsomaniacal.

Diptera, diptərə, tweevleugelige insecten; adj. Dipteral = tweevleugelig = Dipterous.

Dire, daiə, ijselijk, verschrikkelijk, treurig, naar; adj. —ful; subst. —fulness.

Direct, direkt, direct, rechtstreeksch, open, klaar, eenvoudig, oprecht, uitdrukkelijk; — verb. richten, sturen, den weg wijzen, toonen, geleiden, besturen, voorschrijven, adresseeren; —-fire = direct vuur (tegen vrijstaand doel); —-tax = directe belasting; —ion = richting, bestuur, voorschrift, opdracht, aanwijzing, recept, opschrift, adres; —ion-post = wegwijzer; —ly, direct, duidelijk, oogenblikkelijk; —ness = oprechtheid; —or = directeur; —orate = directoraat (= —orship); —ory, direktəri, subst. adresboek; bestuur, directoire (1795); adj. aanwijzend, aanwijzingen bevattend; —ress = directrice = —rix.

Dirge, dɐ̂dž, (verbastering van Dirige), lijkzang (R.K. kerk).

Dirigible, diridžib’l, bestuurbaar; ook subst.

Diriment impediment, dirimentimpediment, storend iets; omstandigheid, die een huwelijk onwettig maakt (R.K. kerk).

Dirk, dɐ̂k, subst. dolk, ponjaard; — verb. doorsteken met een dolk.

Dirt, dɐ̂t, subst. vuil, drek, slijk, vuiligheid, vuil weer; (goud houdende) grond (Amer.); — verb. bevuilen, besmetten: It is as common as — = komt in groote hoeveelheden voor; To eat — = zich vernederen, in zijn schulp kruipen; If you throw enough —, some of it will stick = er blijft van den laster altijd wel wat hangen; —-cheap = spotgoedkoop; To make —-pies = zandtaartjes maken (kinderspel); —iness = vuilheid (ook fig.); —y, adj. bevuild, vuil, laag, gemeen; — verb. bevuilen, bezoedelen.

Disability, disəbiliti, onbekwaamheid, onvermogen, onbevoegdheid; Disable, diseib’l, onbekwaam (onbevoegd, onbruikbaar) maken, buiten gevecht stellen, tot zwijgen brengen: A —d soldier = invalide; A —d state = ontredderde toestand; subst. —ment.

Disabuse, disəbjûz, uit de dwaling of den droom helpen: You must — yourself of such an idea = u losmaken van.

Disaccustom, disəkɐst’m, ontwennen.

Disadvantage, disədvântidž, subst. nadeel, verlies; — verb. benadeelen: To be at a — = achterstaan bij; To place at a — = achterstellen bij; —ous, disadv’nteidžəs = nadeelig; subst. —ousness.

Disaffect, disəfekt, vervreemden, afkeerig of ontrouw maken; —ed = ontevreden, misnoegd; subst. —edness; —ion = afkeer, misnoegdheid.

Disaffirm, disəfɐ̂m, ontkennen, tegenspreken, loochenen, vernietigen; subst. —ance.

Disagree, disəgrî, verschillen, oneens zijn, niet passen bij, slecht bekomen; —able = onaangenaam; subst. —ableness; —ment = meeningsverschil, oneenigheid.

Disallow, disəlau, niet toestaan, weigeren, afkeuren; —able = verwerpelijk; —ance = afkeuring, verbod.

Disannul, disənɐl, vernietigen; subst. —ment.

Disappear, disəpîə, verdwijnen; subst. —ance: He was a nameless —ance = zijn naam stierf geheel uit.

Disappoint, disəpôint, teleurstellen, verijdelen: I am —ed in you = gij valt mij tegen; subst. —ment: — in love = ongelukkige liefde.

Disappreciate, disəprîšieit, onderschatten.

Disapprobation, disaprəbeiš’n, afkeuring, veroordeeling; Disapprobatory = afkeurend.

Disappropriate, disəproupriit, adj. onteigend; — verb. disəprouprieit, ontnemen, onteigenen.

Disapproval, disəprûv’l, afkeuring; Disapprove, disəprûv, afkeuren, verwerpen.

Disarm, disâm, ontwapenen, onschadelijk maken; de wapens neerleggen, subst. —ament.

Disarrange, disəreinž, in de war brengen; subst. —ment = verwarring.

Disarray, disərei, subst. verwarring, wanorde; verwarde kleeding; — verb. in wanorde brengen; de kleeding uittrekken.

Disarticulate, disâtîkjuleit, ontleden; Disarticulator = prosector.

Disassociate, disəsoušieit, ontbinden.

Disaster, dizastə, subst. ramp, tegenspoed, onheil, ongeluk; Disastrous, dizastrəs, rampspoedig, ongelukkig, verwoestend.

Disavow, disəvau, ontkennen, loochenen, verwerpen; subst. —al.

Disband, disband, afdanken (v. troepen), (zich) verspreiden; subst. —ment.

Disbar, disbâ, een Barrister het recht van pleiten ontnemen.

Disbelief, disbəlîf, ongeloof, twijfel; Disbelieve, disbəlîv, niet gelooven; betwijfelen; Disbeliever = ongeloovige.

Disbud, disbɐd, knoppen afbreken.

Disburden, disbɐ̂d’n, ontlasten, zich bevrijden, zijn hart uitstorten.

Disburse, disbɐ̂s, uitbetalen, uitgeven, voorschieten; subst. —ment.

Disc, disk. Zie Disk.

Discard, diskâd, subst. het écarteeren, de weggegooide kaarten; — verb. afdanken, heenzenden, afleggen, verwerpen, verwijderen, laten loopen, écarteeren.

Discern, dizɐ̂n, onderscheiden, bespeuren, beoordeelen, waarnemen; —er = kenner, etc.; —ible = te onderscheiden, duidelijk; subst. —ibleness; —ing = scherpzinnigheid; adj. scherpzinnig, oordeelkundig; —ment = inzicht.

Discharge, distšâdž, subst. ontslag, kwijtschelding, ontlasting, ontheffing; losbranding, salvo, ontlading, lossing, afdoen, vervulling, verrichting; — verb. lossen, uitwerpen, ontladen, afschieten, kwijtschelden, ontslaan, ontheffen, betalen, réhabiliteeren, vrijspreken, uitstroomen, uitstorten, uitstooten, vervullen, dragen (van wonden): Men with satisfactory —s = eervol ontslagen personen; To — one’s duty, from duty = zijn plicht vervullen, van den plicht ontheffen; —-cock = afvoerkraan; —-pipe = afvoerpijp; —r = ontlader, etc.

Dischurch, distšɐ̂tš, doorhalen als lidmaat, berooven van den rang van kerkelijke gemeente (dus: als sekte behandelen).

Disciform, disiföm, schijfvormig.

Disciple, disaip’l, subst. leerling, volgeling; —ship = de jongeren; Disciplinable, disiplinəb’l, voor leering vatbaar; strafbaar; Disciplinarian, disiplinêri’n, subst. tuchtmeester, ordehouder; adj. = Disciplinary, disiplinəri, disciplinair; Discipline, disiplin, subst. tucht, tuchtmiddel, tuchtiging, bestraffing; — verb. onderwijzen, drillen, tuchtigen, bestraffen: To take the — = zichzelf tuchtigen.

Disclaim, diskleim, ontkennen, verwerpen, afstand doen van: He —ed any intention to offend; —er = ontkenning, verwerping, afstand, démenti.

Disclose, disklouz, openbaren, onthullen, blootleggen; Disclosure, diskloužə, openbaring, onthulling.

Discoid, diskôid, schijfvormig; ook subst.

Discoloration, diskɐləreiš’n, verkleuring, verkleurde plek, vlek, smet; Discolour, diskɐlə, ontkleuren, verkleuren, verbleeken.

Discomfit, diskɐmfit, verslaan, verstrooien, ontmoedigen, uit het veld slaan, verijdelen; —ure = nederlaag, verijdeling, teleurstelling.

Discomfort, diskɐmfət, subst. smart, pijn, onrust, droefheid, onbehaaglijkheid; — verb. bedroeven, verontrusten.

Discommend, diskəmend, berispen, misprijzen, kleineeren; Discommendable = berispelijk.

Discommon, diskomən, een meente aan algemeen gebruik onttrekken, van privileges berooven.

Discompose, disk’mpouz, in wanorde of verlegenheid brengen, plagen: He was —d at it = was er geheel van ontdaan; Discomposure, disk’mpoužə, wanorde, verwarring, ontvoering.

Disconcert, disk’nsɐ̂t, in wanorde brengen, in verwarring brengen, verijdelen; subst. —ion.

Disconformity, disk’nfömiti, gebrek aan overeenkomst, ongelijkheid.

Disconnect, diskənekt, afkoppelen, uitschakelen; subst. —ion.

Disconsolate, diskonsəlit, troosteloos, bedroevend; subst. —ness.

Discontent, disk’ntent, subst. ontevredenheid, misnoegen; adj. ontevreden, misnoegd; — verb. ontevreden, misnoegd maken; —ed = ontevreden; subst. —edness = —ment.

Discontinuance, disk’ntinjuəns, staking, onderbreking, afbreking, storing = Discontinuation; Discontinue, disk’ntinjû, onderbreken, afbreken, ophouden, staken, onderbroken zijn of worden: To — (a) business = eene zaak opheffen, likwideeren; Discontinuity = gebrek aan samenhang; Discontinuous = onsamenhangend.

Discord, disköd, tweedracht, strijd, disharmonie, verschil; —ance, disköd’ns, gebrek aan overeenstemming, tegenspraak; Discordant = niet overeenstemmend, wanklinkend, valsch.

Discount, diskaunt, korting, disconto: At a — = beneden pari; niet in trek (aanzien); Reverence (knowledge) is at a — nowadays = staat thans in een slechten reuk; I bought it at a — bookseller’s = bij een boekhandelaar, die netto en à contant verkoopt; —-bank = disconto-bank; —-broker (= —er) = wisselmakelaar; —-day = de vaste dag, waarop de E. bank wissels, enz. disconteert.

Discount, diskaunt, aftrekken, disconteeren, van weinig waarde beschouwen: We do not wish to — the report of the committee = te kort doen aan; Our objections are partly —ed in the preface = onze bezwaren .… ondervangen; The beauty of the book is somewhat —ed by that circumstance = aan de schoonheid wordt afbreuk gedaan; Iron looked up through causes, that everybody had often —ed = de prijs van ’t ijzer ging omhoog door oorzaken, die iedereen dikwijls als van geen invloed had beschouwd; This grand building —s all other structures out of sight = steekt uit boven alle andere gebouwen (fig.); —able = te disconteeren.

Discountenance, diskauntən’ns, subst. koele behandeling, afkeuring; — verb. den moed benemen, afschrikken van, afkeuren, verlegen maken.

Discourage, diskɐridž, ontmoedigen, afschrikken; —ment = ontmoediging, beletsel.

Discourse, diskös, subst. voordracht, redevoering, gesprek, verhandeling, preek; — verb. spreken over, eene redevoering houden, handelen over; onderhouden over: To — music = ten gehoore brengen; He —d the women about their duties = onderhield.

Discourteous, diskɐ̂tšəs, diskötšəs, onbeleefd, lomp: Discourtesy, diskɐ̂təsi, onbeleefdheid, lompheid.

Discover, diskɐvə, ontdekken, openbaren, onderscheiden, toonen: She cannot — hearts from diamonds = zij kent geen harten voor ruiten; He —ed himself as = ontpopte zich als, bleek te zijn; —able = te ontdekken, zichtbaar; —er = ontdekker; —y = ontdekking.

Discoverture, diskɐvətšə, ongehuwde staat (v. vrouwen).

Discredit, diskredit, subst. oneer, schande, discrediet, slechte naam; twijfel, ongeloof; — verb. niet gelooven; in minachting brengen; —able = verkeerd, schandelijk.

Discreet, diskrît, verstandig, oordeelkundig, beleidvol; discreet: He is — = kan een geheim bewaren; subst. —ness.

Discrepance, —cy, diskrep’ns(i), verschil, tegenspraak, inconsequentie; adj. Discrepant.

Discrete, diskrît, afgescheiden, apart; Discretive, diskrîtiv, disjunctief, scheidend.

Discretion, diskreš’n, bezonnenheid, verstand, takt, discretie: Years of — = jaren des onderscheids; The enemies surrendered at — = op genade of ongenade; That is at your — = tot uw dienst, zooals u verkiest; That is in your — = dat moet ge zelf weten; — is the better part of valour = beter een levende hond dan een doode leeuw; Use your own — = handel naar believen; Discretional = Discretionary = naar believen.

Discriminate, diskriminit, adj. onderscheidend; — verb. (diskrimineit) onderscheiden, uitkiezen, kenmerken; Discriminating = karakteristiek; scherpzinnig: — duties = differentiëele rechten; Discrimination, diskrimineiš’n, onderscheiding, onderscheid, onderscheidingsteeken; inzicht; Discriminative = kenmerkend, onderscheidend; oordeelkundig.

Discursive, diskɐ̂siv, logisch; afdwalend; subst. —ness.

Discus, diskəs, schijf.

Discuss, diskɐs, bespreken; (rechterl.) vervolgen; verorberen, opdrinken: To — a bottle of wine; —ion = discussie, debat; vervolging.

Disdain, disdein, subst. versmading, verachting; — verb. versmaden, verachten; adj. —ful = verachtelijk; subst. —fulness.

Disease, dizîz, ziekte, lijden, ziekelijke toestand: —s Prevention Act = Wet op Besmettelijke Ziekten; To die of — of the heart = aan eene hartkwaal sterven; —-bearer = ziektekiem; —d meat = bedorven; —d in mind = zielsziek.

Disembark, disəmbâk, ontschepen, landen; subst. Disembarkation.

Disembarrass, disəmbarəs, bevrijden, uit de verlegenheid helpen; —ment = bevrijding.

Disembellish, disəmbeliš, van versierselen ontdoen.

Disembodiment, disəmbodiment, subst. v. Disembody, disəmbodi, van ’t lichaam bevrijden; afdanken (van soldaten), ontbinden.

Disembogue, disəmboug, uitstorten, uitstroomen; uitvaren.

Disembowel, disəmbau’l, van de ingewanden ontdoen; den buik opensnijden.

Disenchant, disəntšânt, ontgoochelen; subst. —ment.

Disencumber, disənkɐmbə, bevrijden, ontlasten (of, from).

Disenfranchise, disənfrantšaiz, van kiesrecht berooven; subst. —ment.

Disengage, disəngeidž, vrijmaken, zich losmaken, zich lostrekken, ontbinden, ontheffen, ontwarren: I shall be —d to-morrow = vrij zijn; —dness = vrijheid, gebrek aan oplettendheid; —ment = bevrijding, ontslaan.

Disennoble, disənoub’l, van adeldom berooven.

Disentangle, disəntaŋg’l, ontwarren, bevrijden, losmaken; subst. —ment.

Disestablish, disəstabliš, scheiden (v. Kerk en Staat); —ment = scheiding (v. Kerk en Staat).

Disesteem, disəstîm, subst. minachting; geringschatting; — verb. minachten, geringschatten.

Disfavo(u)r, disfeivə, subst. ongenade, minachting; — verb. gunst onttrekken, afkeuren.

Disfiguration, disfigjureiš’n, misvorming, wanstaltigheid; Disfigure, disfigjə, misvormen, bederven.

Disfranchise, disfrantš(a)iz, van privileges of burgerrechten (vooral van het kiesrecht) berooven; subst. —ment.

Disgorge, disgödž, uitbraken, opgeven, teruggeven; subst. —ment.

Disgrace, disgreis, subst. ongenade, schande, schandvlek; — verb. genade of gunst onttrekken, in ongenade brengen, tot schande strekken: That boy is in — = heeft straf; You are —d = in ongenade gevallen, onteerd; —ful, schandelijk; subst. —fulness.

Disguise, disgaiz, subst. vermomming, dekmantel, voorwendsel, veinzerij; roes; — verb. vermommen, verbergen: He did not make the least — of his faults = verbloemde ze niet in ’t minst; He was slightly —d = lichtelijk aangeschoten; —ment = vermomming; —r = schijnheilige.

Disgust, disgɐst, subst. walging, ergernis; — verb. walgen: I am —ed at that = walg ervan; —ful = walgelijk; subst. —fulness; —ing = walgelijk.

Dish, diš, subst. schotel, schaal, gerecht, schoteltje, kop, holte, meetrog; — verb. opdisschen (up), uithollen, verijdelen, uit het zadel lichten, “verlakken”: Meat —; Made —es = fijne schoteltjes; Soap — = zeepbakje; Vegetable —; —-butter = tafelboter; —-cover = deksel; —-cloth = vaatdoek, —-mat = tafelmatje; —-warmer = heetwaterkomfoor; —-washer = bordenwasscher; —-water = schotelwater; —ing = hol.

Dishabille, disəbîl, disəbil, négligé.

Disharmonious, dishâmounjəs; Disharmony, dishâməni, tweedracht.

Dishearten, dishât’n, ontmoedigen.

Dishevel, dišev’l, in wanorde brengen (van haar vooral); —ment = wanorde.

Dishonest, disonəst, oneerlijk, onoprecht, bedriegelijk, schandelijk; subst. —y.

Dishono(u)r, disonə, subst. oneer, schande; — verb. onteeren, te schande maken, niet honoreeren (wissel); —able = onteerend, eerloos.

Dishorse, dishös, van het paard werpen.

Disillusion, disil(j)ûž’n, ontgoocheling; — verb. ontnuchteren, de illusie benemen = —ize.

Disinclination, disinklineiš’n, afkeer, ongenegenheid; Disincline, disinklain, (iemand iets) tegen maken: To be —d = ongenegen zijn.

Disincorporate, disinköpəreit, eene corporatie of vereeniging ontbinden; subst. Disincorporation.

Disinfect, disinfekt, ontsmetten; —ant = ontsmettingsmiddel = —ing agent; —ion = ontsmetting; —or = ontsmetter.

Disingenuity, disinžənjûiti, onoprechtheid; Disingenuous, disindženjuəs, onoprecht, sluw; subst. —ness.

Disinherit, disinherit, onterven; —ance = onterving.

Disintegrable, disintəgrəb’l, scheidbaar, verweerbaar; Disintegrate, disintəgreit, de samenstellende deelen scheiden, (doen) verweeren, (zich) ontbinden; subst. Disintegration.

Disinter, disintɐ̂, opgraven, aan het licht brengen; subst. —ment.

Disinterested, disintərestid, belangeloos, onpartijdig; subst. —ness.

Disinthral(l), disinthrôl, van slavernij bevrijden.

Disjoin, disdžôin, ontbinden, scheiden, losspringen.

Disjoint, disdžôint, ontwrichten, ontleden, uit elkaar nemen: —ed sentences = losse zinnen; —edness = onsamenhangendheid.

Disjunct, disdžɐŋkt, gescheiden; —ion = scheiding; —ive = scheidend.

Disk, disk, schijf, discus.

Dislike, dislaik, subst. afkeer, weerzin; — verb. niet houden van, afkeerig zijn van: Likes and —s = sympathieën en antipathieën; He took a — to me = kreeg een hekel aan mij; I do not — it = ik mag het wel.

Dislocate, disləkeit, ontwrichten, verschuiven; verhuizen (Amer.); Dislocation = ontwrichting, verschuiving, verdeeling (v. troepen).

Dislodge, dislodž, van eene plaats verwijderen, uit eene stelling verdrijven, opjagen, verjagen, opbreken; subst. Dislodgment.

Disloyal, dislôiəl, adj. ontrouw, plichtvergeten; subst. —ty.

Dismal, dizm’l, somber, droevig, treurig, ijselijk: A —ized account of the circumstances = treurig; subst. —ness.

Dismantle, dismant’l, ontdoen van, onttakelen, ontmantelen.

Dismask, dismâsk, ontmaskeren.

Dismast, dismâst, van mast(en) berooven.

Dismay, dismei, subst. verslagenheid, schrik; — verb. verschrikken, moedeloos maken.

Disme, dîm, tiende.

Dismember, dismembə, ontleden, stuk snijden, verscheuren, verbrokkelen; subst. —ment.

Dismiss, dismis, wegzenden, ontslaan, afdanken, verstooten, afwijzen, ontzeggen; uit elkander gaan: I was —ed his house = zijn huis werd mij ontzegd; He was —ed (from) that office = ontslagen uit; The appeal will be —ed = geweigerd; The judge —ed the plaintiff’s suit = wees … af; —al = —ion = ontslag, etc.; A —ive letter = ontslagbrief.

Dismount, dismaunt, afwerpen, uit het zadel lichten, demonteeren, tot zwijgen brengen; uit elkaar nemen; afstijgen.

Disobedience, disəbîdj’ns, ongehoorzaamheid; adj. Disobedient; Disobey, disəbei, niet gehoorzamen: I will not be —ed = ik duld geen ongehoorzaamheid.

Disoblige, disəblaidž, onbeleefd, oninschikkelijk zijn.

Disorder, disödə, subst. wanorde, verwarring, tumult, overtreding, ongesteldheid, kwaal, gekrenktheid (van geest), uitspatting; — verb. verwarren, derangeeren, ziek maken; —ed = gekrenkt, liederlijk, bedorven; —ly = wanordelijk, ongeregeld, oproerig, liederlijk.

Disorganization, disögən(a)izeiš’n, desorganisatie; — verb. Disorganize.

Disown, disoun, verloochenen, niet erkennen, verstooten.

Disparage, disparidž, verkleinen, kwaadspreken van; subst. —ment.

Disparate, disparit, ongelijk, ongerijmd; Disparity, dispariti, verschil, ongelijkheid.

Dispart, dispât, scheiden, deelen, klooven, vizier en as van geschut parallel maken, zich scheiden, splijten; —-sight = vizier (korrel).

Dispassionate, dispašənit, onpartijdig, kalm, leuk.

Dispatch, dispatš. Zie Despatch.

Dispel, dispel, verdrijven, verstrooien, verbannen.

Dispensability, dispensəbiliti, subst. v. Dispensable, dispensəb’l, vatbaar voor dispensatie, toelaatbaar; ontbeerlijk; subst. —ness; Dispensary, dispensəri, armen-apotheek, polikliniek: I hate — stuff = wat uit de apoth. komt; Dispensation = dispenseiš’n, uitdeeling; Godsbeschikking (= — of Providence), ontheffing, vrijstelling, vergunning (tot het hebben van twee betrekkingen, tot het wonen buiten zijn district of gemeente, etc.); Dispensatory, subst. de pharmacopœa; adj. de macht bezittend om vrijstelling te verleenen; Dispense, dispens, uitdeelen, toedienen, recepteeren, toepassen, beschikken, vrijstellen, kunnen ontberen: I can — with that now = ik kan er nu wel buiten, ik kan het missen; —r = uitdeeler, apotheker: He did, as if he were the —r of life and death = beschikker over; Dispensing-power = het koninklijk prerogatief om de wet (b.v. door gratie te schenken) buiten werking te stellen.

Dispeople, dispîp’l, ontvolken.

Dispermous, daispɐ̂məs, tweezadig.

Disperse, dispɐ̂s, verstrooien, verspreiden, uit elkander jagen, uiteengaan; Dispersal = verspreiding; Dispersion, dispɐ̂š’n, verstrooiing, breking (van licht in verschillende kleuren); Dispersive = verspreidend.

Dispirit, dispirit, ontmoedigen, bang maken.

Displace, displeis, verplaatsen, verleggen, verschuiven; afzetten, ontzetten; verdringen, vervangen; subst. —ment = ook waterverplaatsing (v. schepen).

Display, displei, subst. vertooning, vertoon, tentoonstelling; ontvouwing; — verb. ontvouwen, ontwikkelen, tentoonspreiden, vertoon maken: A — of fireworks.

Displease, displîz, onaangenaam zijn, mishagen; —d = boos (with, at); Displeasing, displîziŋ, onaangenaam; subst. —ness; Displeasure, displežə, subst. misnoegen, ongenade.

Disport, dispöt, subst. spel, tijdverdrijf; — verb. spelen, dartelen, zich vermaken.

Disposable, dispouzəb’l, beschikbaar; Disposal, dispouz’l, regeling, schikking, controle, beschikking: I am at your — = tot uw dienst, te uwer beschikking; The — in marriage = uithuwelijking; The — by sale = verkoop; Dispose, dispouz, schikken, regelen, uitdeelen, bestemmen, bewegen, beschikken, disponeeren; verkoopen: Man proposes, God —s = de mensch wikt, God beschikt; It was —d of by will = vermaakt bij testament; This house will be —d of by valuation = is te koop voor de geschatte waarde; He —d of his house for half the value = deed van de hand; How will you — of yourself? = wat ga je uitvoeren? He —d on them for the amount of £ 500, to his own order = trok op hen - - -; —d = geneigd, gezind, gestemd: I am not —d to it = niet voor gedisponeerd; He has a disposing mind for it = neiging; Disposition, dispəziš’n, subst. schikking, indeeling, gesteldheid, beschikking, neiging, gezindheid, aard, aanleg: The house is at your — = te uwer beschikking; I had the worst —ed donkey = kwaadwilligste ezel.

Dispossess, dispəzes, uit het bezit verdrijven, berooven, bevrijden: He was —ed from (of) the throne by his brother; subst. —ion.

Dispraise, dispreiz, subst. blaam, verwijt; — verb. laken, berispen, verwijten.

Disproof, disprûf, weerlegging.

Disproportion, disprəpöš’n, subst. wanverhouding, onevenredigheid; — verb. onevenredig maken; —able = —al = —ate = ongelijk, onevenredig; subst. Disproportionality = Disproportionateness.

Disprovable, disprûvəb’l, weerlegbaar, berispelijk; Disprove, disprûv, weerleggen.

Disputable, dispjutəb’l, dispjûtəb’l, betwistbaar; twistziek; Disputant, dispjut’nt, subst. disputant, opponens; adj. betwistend, strijdig; Disputation, dispjuteiš’n, woordentwist; Disputatious = twistziek, tot opponeeren geneigd; Dispute, dispjût, subst. woordentwist, debat, geschil; — verb. twisten, debatteeren, betwisten, verdedigen: Beyond (Past, Without) — = zonder kwestie; To arrange (settle) a — = bijleggen; He —d for the empire = hij betwistte een ander het bezit van; Disputed = betwist.

Disqualification, diskwolifikeiš’n, onbevoegdverklaring, uitsluiting, onbevoegdheid; Disqualify, diskwolifai, onbevoegd (onbekwaam) verklaren (maken), uitsluiten.

Disquiet, diskwaiit, subst. angst, onrust; — verb. verontrusten, kwellen; —ous = angst- of onrustwekkend; —ude = onrustigheid, ongerustheid.

Disquisition, diskwiziš’n, verhandeling, onderzoek; Disquisitional, onderzoekings.…

Disraeli, disreili.

Disregard, disrigâd, subst. minachting, verwaarloozing; — verb. geringschatten, in den wind slaan, negeeren; adj. —ful.

Disrelish, disreliš, subst. afkeer, tegenzin; — verb. geen zin hebben in, een afkeer hebben van; tegen maken.

Disrepair, disripêə, verval, bouwvalligheid.

Disreputable, disrepjutəb’l, berucht, schandelijk; Disrepute, disripjût, subst. slechte naam, oneer, schande: To bring into — = To bring — upon = in discrediet brengen; To fall (sink) into — = in kwaden reuk komen.

Disrespect, disrispekt, subst. geringschatting, minachting, oneerbiedigheid; — verb. geringschatten; Disrespectability = onwaardigheid, onsoliditeit; —able = onwaardig, onsolide; —ful = oneerbiedig, onbeleefd, minachtend.

Disrobe, disroub, uitkleeden, berooven.

Disroot, disrût, ontwortelen.

Disrupt, disrɐpt, adj. verbroken; — verb. scheiden, verbreken; —ion = scheiding, splitsing, verbreking, breuk; —ive discharge = plotselinge ontlading.

Dissatisfaction, disatisfakš’n, ontevredenheid; Dissatisfactory = onbevredigend; Dissatisfy = mishagen, niet voldoen, ontevreden maken, teleurstellen.

Dissect, disekt, ontleden, scherp en kritisch onderzoeken; —ing-room (—-table) = snijkamer (—tafel); —ion = sectie, nauwkeurig onderzoek; —or = anatoom, prosector.

Disseise, disîz, uit het bezit stooten; Disseisee = de onwettig uit zijn bezit gestootene; Disseisin, disîzin, wederrechtelijke inbezitneming; Disseisor, disîzə, onwettig bezitnemer; vr. —ess.

Dissemble, disemb’l, verbergen, veinzen, huichelen; —r = huichelaar; Dissembling, huichelachtig; subst. huichelarij.

Disseminate, disemineit, verspreiden, uitstrooien; subst. Dissemination; Disseminator.

Dissension, disenš’n, tweedracht, oneenigheid.

Dissent, disent, subst. verschil (van gevoelen), afscheiding (van eene kerk, de Dissenters); — verb. verschillen (van gevoelen), zich afscheiden; —er = afgescheidene (van de Staatskerk) = —ient, disenš’nt, adj. afwijkend: With one —ient voice = één stem tegen; —ing views = afwijkende meeningen.

Dissertation, disəteiš’n, verhandeling, dissertatie.

Disservice, disɐ̂vis, ondienst, nadeel, schade.

Dissever, disevə, scheiden, afsnijden, splijten; subst. —ance.

Dissidence, disidens, oneenigheid; scheiding; Dissident, afwijkend.

Dissilient, disilj’nt, openspringend.

Dissimilar, disimilə, ongelijk; Dissimilarity, ongelijkheid = Dissimilitude, disimilitjûd, ook: tegenstelling.

Dissimulate, disimjuleit, veinzen; subst. Dissimulation; Dissimulator = huichelaar.

Dissipate, disipeit, verstrooien, verdrijven, weggooien, verkwisten, uitputten, zich verspreiden: —d = liederlijk; Dissipation = verkwisting, losbandigheid.

Dissociate, disoušieit, scheiden; afzonderen; subst. Dissociation.

Dissolubility, disəl(j)ubiliti, disoljubiliti, oplosbaarheid; Dissoluble, disəl(j)ûb’l, disoljub’l, oplosbaar.

Dissolute, disəl(j)ût, losbandig; subst. —ness; Dissolution, disəl(j)ûš’n, smelting, oplossing, dood; Dissolvable = oplosbaar; Dissolve, dizolv, oplossen, scheiden, ontbinden, ophouden te bestaan, sluiten (van vergaderingen): To — partnership = ontbinden; —d in tears = wegsmeltende; Dissolvent, dizolv’nt, oplossend (middel); Dissolving views = lichtbeelden.

Dissonance, disən’ns, wanklank; Dissonant = wanklinkend, afwijkend.

Dissuade, disweid, afraden; Dissuasion, disweiž’n, afrading, ontrading; Dissuasive, disweisiv, ontradend; ontrading.

Dissyllabic, disilabik, tweelettergrepig; Dissyllable, disiləb’l, woord van twee lettergrepen.

Distaff, distaf, spinrok(ken), vrouw(elijk geslacht); —-side = de vrouwelijke linie.

Distance, dist’ns, subst. afstand (ook fig.), tusschenruimte, verschiet, tijdruimte, interval (muziek), afstand van ± 200 M. van den eindpaal (aangewezen door den —-post); — verb. verwijderen, ver achter zich laten: At a — = op een afstand; In the — = in de verte; Out of — = onafzienbaar ver; He keeps his — = hij weet waar hij staan moet; I know my — = weet waar ik staan moet; The jockey has saved his — = had den —-post (200 M. vóór den Winning-post) bereikt, voor de winner aan het einde der baan was (en mocht daarom verder aan de wedrennen deelnemen); That horse was —d = dit paard viel uit, omdat het den —-post nog niet had bereikt, toen zijn mededinger aan den Winning-post was; He was —d = legde het schandelijk af; Distant, dist’nt, verwijderd, afgelegen, koel: He was — and reserved = erg op een afstand.

Distaste, disteist, subst. afkeer, walging: He took a — at it = walgde ervan; —ful = walgelijk, onaangenaam; subst. —fulness.

Distemper, distempə, subst. ongesteldheid (thans vooral bij hond, paard en rundvee); tempera-schilderwerk, waarbij de kleuren met een bindmiddel zijn vermengd; een zoo bereide kleurstof; — verb. in de war brengen, tempera-schilderen; —ed, ongesteld, getroubleerd, ontevreden.

Distend, distend, uitstrekken, rekken, uitzetten, opzwellen: To — a crush hat = laten uitspringen; The horse —ed its nostrils = spalkte open; Distension, Distention, distenš’n, uitzetting, omvang.

Distich, distik, distichon.

Distil(l), distil, in druppels neervallen, zacht vloeien, distilleeren, laten druppelen: —led damnation = volkskanker; —late = distillaat; —lation = distillatie; —latory, distilleer …; —ler = brander; —lery = branderij, stokerij; —ment = —late.

Distinct, distiŋkt, onderscheiden, duidelijk: As — from = geplaatst tegenover; Distinction, distiŋkš’n, onderscheid, onderscheiding, onderscheidingsteeken, aanzien, rang, voornaamheid: Without —ion = zonder onderscheid; Distinguish, distiŋgwiš, onderscheiden, indeelen, kenmerken, zich onderscheiden; Distinguishable = te onderscheiden, opmerkelijk; Distinguished = onderscheiden, aanzienlijk, uitstekend.

Distingué, distiŋgei = Distinguished, ook: regenmantel.

Distort, distöt, verwringen, verdraaien; trekken (van hout); subst. —ion; —ive = verdraaid, verwrongen.

Distract, distrakt, afleiden, afwenden, verwarren, storen (v. de geestvermogens), verbijsteren: —ed = verward, onthutst, dol, razend; —edness = —ion, ook afleiding: He allowed himself no —ion = hij gunde zich geene ontspanning; —ive = verwarrend, verontrustend.

Distrain, distrein, beslag leggen op: He threatened to — for the money = beslag te zullen leggen (op het goed) om het geld te krijgen; —able = waarop beslag gelegd kan worden; —er = hij die beslag legt; —t = beslaglegging (on).

Distraught, distrôt = Distracted.

Distress, distres, subst. droefheid, smart, benauwdheid, ellende, nood, tegenspoed; beslaglegging; — verb. benauwen, ongelukkig maken, beslag leggen: To levy (make, put in) a — = beslag leggen; He is in — for money = heeft geldgebrek; Flag of — = noodvlag; Warrant of — = bevel tot beslaglegging; A —ed ship = schip in nood; —ful = ellendig, jammerlijk; —ing = rampspoedig, pijnlijk.

Distributable, distribjutəb’l, verdeelbaar; Distribute, distribjut, verdeelen, uitdeelen, verbreiden, toebedeelen, sorteeren of distribueeren (van letters); Distribution, distribjûš’n, verdeeling, toebedeeling, sorteering, verbreiding; Distributive, subst. distributief woord (b.v. ieder); adj. verdeelend.

District, distrikt, subst. gebied, streek, afdeeling, district, provincie; — verb. in districten verdeelen (Amer.); —-court = arrondissementsrechtbank (Amer.); —-visitor = armenbezoek(st)er.

Distrust, distrɐst, subst. wantrouwen, verdenking; — verb. wantrouwen, verdenken; adj. —ful; subst. —fulness.

Disturb, distɐ̂b, verstoren, doen afwijken, in wanorde brengen, verontrusten, belemmeren, in beroering brengen: Do not — the sleeping lion = stoor niet; —ance = rustverstoring, stoornis, verwarring, verhindering.

Disunion, disjûnj’n, scheiding, ophitsing, tweedracht; oneenigheid; Disunite, disjunait, scheiden, gescheiden raken, uit elkaar gaan; Disunity = gescheidenheid.

Disuse, disjûs, onbruik, ongewoonte: To come (fall) into — = in onbruik geraken.

Disuse, disjûz, niet meer gebruiken, ontwennen, afnemen.

Ditch, ditš, subst. greppel, sloot, gracht; — verb. eene sloot graven, draineeren, met een sloot omringen: It is as dull as —water = verschrikkelijk langdradig; To die in the last — = zich tot het uiterste verdedigen; I am in a dry — = heb mijne schaapjes op het droge; —er = slootgraver; schip dat door het Suezkanaal vaart.

Dithyramb, dithiram(b), —us, dithirambəs, dithyrambe; adj. Dithyrambic.

Dittander, ditandə, peperkers.

Ditto, ditou, hetzelfde: A suit of —es (does) = een pak kleeren van ééne stof.

Ditty, diti, subst. liedje, deuntje; — verb. zingen, neuriën; —-bag = naaizak (met naalden, garen, etc.).

Diuresis, dai-jurîsis, sterke urineafscheiding; Diuretic, dai-juretic, urine-afscheidend (middel).

Diurna, daiɐ̂nə, dagvlinders, kapellen; —l, daiɐ̂n’l, dagelijksch, dag …; subst. dagboek.

Divagation, daivəgeiš’n, afwijking, afdwaling, weiding.

Divan, divan, staatsraad (Turkije); raadzaal; rechtszaal; Turksch koffiehuis; rookkamer, sofa; verzameling gedichten.

Divaricate, daivarikeit, adj. gevorkt; — verb. zich vertakken, in twee takken scheiden, zich afwenden van; subst. Divarication.

Dive, daiv, subst. duiking in het water met het hoofd vooruit, plotselinge greep; dievenhol; — verb. duiken, zich verdiepen, doordringen: He made a — for it = hij dook (greep) ernaar; —r = zeeduiker; zakkenroller.

Diverge, d(a)ivɐ̂dž, divergeeren, afwijken; subst. —nce; —nt opinions = afwijkende.

Divers, daivəz, daivəs, verscheidene, ettelijke; Diverse, d(a)ivɐ̂s, daivəs, onderscheidene; Diversification, verscheidenheid, verschil, verandering; Diversiform = van verschillenden vorm; Diversify = varieeren, afwisselen; Diversion, d(a)ivɐ̂š’n, afleiding, uitspanning, vermaak; schijnbeweging, verlegging: To create a — = eene afleiding bezorgen; Diversity, d(a)ivɐ̂siti, verscheidenheid, ongelijkheid.

Divert, d(a)ivɐ̂t, afleiden, afbrengen van, vermaken; eene schijnbeweging maken; —ing = vermakelijk; —isement = amusement; —ive = vermakend.

Dives, daivîz, de rijke man.

Divest, divest, ontdoen, berooven, ontblooten; zich afwennen (= oneself); Dives(ti)ture, dives(ti)tjə, berooving (van bezit of recht); —ment = het beroofd zijn (worden).

Divide, divaid, verdeelen, deelen, verleggen, scheiden, openen, splijten, in tweeën gaan; stemmen; subst. (water)scheiding: To — the House = een stemming houden (in ’t Lagerhuis); Dividend, divid’end, deeltal, dividend: —-warrant = dividendbewijs; Divider = deeler: —s = passer om lijnen in een zeker aantal gelijke deelen te verdeelen.

Divination, divineiš’n, voorspelling, voorgevoel; adj. Divinatory; Divine, divain, subst. godgeleerde, geestelijke; adj. goddelijk, hemelsch, buitengewoon, voortreffelijk; — verb. voorzèggen, gissen, raden: — service = godsdienstoefening; subst. —ness; Divining-rod = tooverroede (om te ontdekken waar water onder den grond wordt gevonden).

Diving: —-bell, daiviŋbel, duikerklok; —-dress = duikerspak.

Divinity, diviniti, god(delijk)heid, godgeleerdheid: A — student; Divinify, divinifai, vergoddelijken.

Divisibility, divizibiliti, deelbaarheid; Divisible = deelbaar; Division = verdeeling, verdeeldheid, deeling, afdeeling, scheiding, schot, aandeel, divisie, stemming; Divisional = afdeelings..; Divisor = deeler.

Divorce, divös, subst. echtscheiding; — verb. scheiden (van den echt): — from bed and board = scheiding van tafel en bed (ook Judicial separation genoemd); Bill of — = vonnis van echtscheiding; He —d her = liet zich van haar scheiden; —r = scheidingsmotief.

Divulge, divɐldž, onthullen, openbaar maken, verspreiden.

Divulsion, divɐlš’n, vaneenscheuring.

Dizen, daiz’n, zich optooien (out).

Dizziness, dizinəs = duizeligheid; Dizzy, dizi, adj. duizelig, duizelingwekkend; onnadenkend; — verb. duizelig maken, ronddraaien, verwarren.

Do, dû, subst. handeling, daad, moeite, drukte, bedrog; maal; — verb. doen, verrichten, volvoeren, gereedmaken, voleindigen, zich gedragen, zich bevinden, voldoende zijn, enz.: I have done my — = het mijne gedaan; It was all a — = bedrog, afzetterij; To make a great to-— = veel drukte maken over; There’s nothing to — but yielding = niets anders aan te doen dan; I will have nothing to — with him = te maken hebben; What’s to — = wat is er aan de hand? That will — = zoo is ’t goed; These will — = zijn goed; That will not — with me = gaat bij mij niet op; How do you —? = hoe gaat het? He did me on a wager = nam mij beet met; Could you — me some fifty pounds? = zoowat 50 l. leenen? We — these at a shilling a piece = verkoopen; He did himself away = beging zelfmoord; We did away with it = schaften het af; — by others as you wish to be done by = doe anderen, zooals gij wenscht, dat men u zal doen; To — for = zorgen voor, voldoende zijn; beetnemen; What can I — for you? wat is er van uw dienst? We have done for him = He was done for by us = wij hebben hem zijn vet gegeven, totaal verslagen; He did me for three thousand pounds = zette mij af; These things will — for fly-catchers = kunnen dienen als; She was done in stone = gebeeldhouwd; Done into English = overgezet; He did off all his array = legde ter zijde; I am not going to be done out of it = laat me niet ontnemen; He has done me out of £ 3000 = armer gemaakt; The house was done up = opgeknapt, gerepareerd; She has done him up = is hem te slim af geweest; To — up a parcel = vastbinden, toebinden; To be done up (knocked up) with the heat = kapot van; I am —ne with you for ever = je hebt voor goed bij mij afgedaan; I have —ne with him = met hem afgerekend; Have you done with the umbrella? = moet je de parapluie nog gebruiken? I can — without it = kan er buiten, wel zonder; To — battle for = strijden voor; To — the beds = doen; To — bills = wissels realiseeren; She did her hair = maakte op; To — Hamlet = spelen voor; Is your sister game to — the housekeeper = is uwe zuster geschikt (heeft ze lust) om de rol van huishoudster te spelen; We did the Isle of Wight in three days = reisden het eiland Wight rond; To — like for like = met gelijke munt betalen; To — paper = effecten, enz. omzetten; To — a room = doen; She was done brown = leelijk beetgenomen; To — the grand = den heer uithangen; To — the polite = zich zeer vriendelijk aanstellen; You — me proud = ik ben trotsch op je; I’ll — you right (reason) = bescheid; They’ve done splendidly = zich kranig gehouden; To — well = er goed aan doen; het goed maken; Done = fiat, afgesproken; klaar; Have done = schei uit; We are done (with it) = klaar; We were done at three o’clock = 3 uur waren wij klaar; To be done to death = ter dood gebracht; The meat was done to a turn = prachtig gebraden; A well-to-— man = welgesteld; A never-—-well = een wildzang; A —-all = duivelstoejager; —-nothing = luilak, doeniet; adj. nietsdoend; subst. —-nothingness = nietsdoen, laissez-faire; Doing: Fine —s these! = een mooie boel! There is not much — aan de hand.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings