← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

H.

Reading edition

H, eitš; Hamps(hire) = Hants; H(is of Her) B(ritannic) M(ajesty); Heb(rews); Hert(ford)s(hire); Hhd = Hogshead(s); Hist(ory); H(er) M(ajesty’s) S(ervice); Hon(ourable); H. P. = halfpay, horse-power; H(is of Her) R(oyal) H(ighness); Hung(ary); Hund(red); Hunt(ingdon)s(hire); Hypoth(esis).

Ha, hâ, subst. ha! uitroep van verbazing of vreugde; — verb. verbazing uitdrukken; blijven steken: He hummed and —’ed, before he replied = stotterde, haperde; He was an enemy to beating about the bush, humming and —’ing = hield niet van er om heen te praten en ‘—’ te zeggen; His manner is very ‘—-—’ = hij doet altijd zeer verbaasd.

Habeas corpus, heibiəsköpəs: Writ of — = bevelschrift om een gevangene ter onderzoeking voor te brengen, met opgave van dag en reden zijner arrestatie en gevangenhouding.

Haberdasher, habədašə, winkelier in garen en band, passement en nouveautés; —y = garen en band, enz.

Haberdine, habədin, habədîn, labberdaan.

Habergeon, həbɐ̂dž’n. Zie Hauberk.

Habiliment, həbiliment, kleeding, kleed (gewoonlijk —s).

Habit, habit, subst. gewoonte, neiging, hebbelijkheid, persoonlijk aanwensel; kleeding, kleedij, rijkleed; habitus, houding, uiterlijk; — verb. kleeden: To be in (To get into) the — of swearing = gewoon zijn (zich aanwennen); By — = uit gewoonte; —-shirt = chemisette (v. amazones); —ed = gekleed.

Habitability, habitəbiliti, bewoonbaarheid; adj. Habitable; Habitant, habit’nt, bewoner; Habitat, habitat, natuurlijke woonplaats (of groeiplaats) voor dier (of plant); Habitation, habiteiš’n, bewoning, woning; loge van de Primrose League (eene staatkundige, conservatieve partij in Engeland).

Habitual, həbitjuəl, gewoonlijk, voortdurend, gewoonte: — drunkard = dronkaard; Habituate, həbitjueit, gewennen; Habitude, habitjûd, gewoonte, hebbelijkheid.

Hacienda, asiendə, hacienda, fabriek, mijn, landgoed.

Hack, hak, subst. houw, snede, kerf; huurpaard, jacht(rij)paard; broodschrijver, rek (om visch te drogen), stapel steenen (om te drogen), mestvork, ruif; — verb. hakken, houwen, radbraken, kuchen, als hack gebruiken, zich weggooien; adj. huur - -, versleten; —-in-chief = hoofdredacteur (spottend); A —ing cough = droge kuchhoest.

Hackee, hakî, gestreept Amerikaansch eekhorentje.

Hackery, hakəri, tweewielige ossenwagen in Brit. Indië.

Hackle, hak’l, subst. hekel, ruwe zijde, nek- of rugveer van een haan, kunstvlieg (als aas); — verb. hekelen, een candidaat aan den tand voelen; vaneenscheuren; —r = hekel.

Hackney, hakni, subst. rijpaard, huurpaard, werkpaard, huurrijtuig, duivelstoejager, huurling; adj. verhuurd, alledaagsch, afgezaagd: To make a — of = verslijten, bederven; —-carriage, —-coach = huurrijtuig, huurkoets; —-coachman = koetsier van een huurrijtuig.

Haddock, hadək, schelvisch.

Hade, heid, subst. steile ingang van eene mijn; — verb. hellen (van mijnaderen).

Hades, heidîz, schimmenrijk.

Hadji, hadžî, hadji.

Haematin, he(hî)mətin, haematine; Haemorrhage, heməridž, bloeding, bloed(uit)storting; Haemorrhoids, hemərôidz, aambeien.

Haffle, haf’l, stamelen, hakkelend en onduidelijk spreken, uitvluchten maken.

Hafiz, hâfiz.

Haft, haft, subst. handvat, hecht, heft, woning (Schotl.); — verb. in een heft zetten, van een heft voorzien; zich vestigen.

Hag, hag, subst. heks, tooverkol, furie; — verb. schrik aanjagen; —-ridden = aan nachtmerrie lijdende; —-seed = heksengebroed; —gish = afschuwelijk, heksen …

Hagar, heigâ.

Haggard, hagəd, wild, ongetemd, verwilderd, bleek en vervallen.

Haggis, hagis, fijn gehakte schapekop met hart, lever en longen; een Schotsche schotel van schapenlongen, hart en lever met uien, en gekookt in eene schapenmaag.

Haggle, hag’l, knibbelen, afdingen; —r.

Hagiographa, hagiogrəfə, heidžiogrəfə, de boeken van het O. Testament met uitzondering van de Mozaische en de Profeten; levensgeschiedenissen der Heiligen; Hagiology, hagiolədži, heidžiolədži, geschiedenis der Hagiographa; werk over de levens van (R.-K.) heiligen.

Hague (The), dhəheig, ’s-Gravenhage.

Hah, hâ, ha!

Ha-ha, hâhâ, hâhâ, opening in een tuinomheining met een droge sloot er voor; ook die sloot zelf.

Haidarabad, haidərəbad; Haidee, haidî; Haigh, hei.

Hail, heil, subst. aanroep, welkomstgroet, bezoek; interj. heil! — verb. begroeten, aanroepen, praaien, geboortig zijn van: He is within (out of) — = hij kan (niet) beroepen worden, is (niet) vlak bij de hand, is binnen (buiten) het bereik van de stem; That man is —-fellow-well-met with all people = hij is een allemansvriend; The ship was —ed by us = gepraaid; Where do you — from = komt gij vandaan (waaien)? This dictionary —s from America = is een Amerikaansch voortbrengsel; They sang a — Mary! = een Ave Maria.

Hail, heil, hagel; — verb. (doen) hagelen; —shot = kartetsvuur; —stone = hagelsteen; —storm.

Hair, hêə, haar; ook adj.: It is my friend to a — = op-en-top, tot op een haar; Within a — of = op een haar na; Let us not split —s = laten wij niet haarkloven, vitten, etc.; Not to turn a — = onbewogen blijven; —breadth = haarbreedte, zéér kleine afstand: It was a —breadth escape = wij brachten er nog net het leven af; —brush = haarborstel; —cloth = (paarde)haren stof; —dresser = kapper; —-dye; —-lace = haarlint; —-line = snoer van paardenhaar, ophaallijn (in ’t schrijven); —-net = haarnetje; —-oil = haarolie; —-pencil = fijn penseel; —-pin = haarspeld; —-pointed = met fijne, teere punt; —-powder = haarpoeder (wit); —-restorer = haargroeimiddel; —-shirt = haren kleed; —-splitting subst. = haarklooverij; ook adj.; —-stroke = ophaallijn (bij ’t schrijven); —-trigger = sneller (aan een pistool); pistool daarvan voorzien; —-wash = haarwaschmiddel; —iness = harigheid, behaardheid; —less; —y = behaard.

Haiti, heiti.

Hake, heik, dorsch (visch); vagebond, babbelkous.

Hakluyt, haklût; Hal, hal.

Halberd, halbəd, hôlbəd, holbəd, hellebaard; —ier, hal(hôl-, hol-)bədîə, hellebaardier.

Halcyon, halsiən, subst. koningsvisscher, ijsvogel; kalmte, rust; adj. kalm, rustig: That was in my —-days = dat was in mijn kalmen, gelukkigen tijd.

Haldane, haldein.

Hale, heil, adj. gezond, flink, kloek: I am — and hearty = frisch en gezond; subst. —ness.

Half, hâf, half; subst. helft: That’s not — bad = dat is lang niet kwaad; He tore the letter in — = in tweeën; —-and-— = subst. mengsel van twee bieren (vooral porter en ale), onoprecht mensch; adj. zonder pit, kwijnend; Halves: I will go you halves in a supper = ik sta je de helft van; He cried halves, when I found the guilder = hij riep “buit half”; Do nothing by halves = ten halve; —-baked = halfgaar, sullig; —-baptism = nooddoop (bij Katholieken): The child was —-baptized = ontving den nooddoop; —-binding = half leeren band; —-blood = verwantschap van personen, die alleen een zelfden vader of eene zelfde moeder hebben (halfbroeder, halfzuster); —-blown = half geopend; —-bound = in halfleder gebonden; —-bred = van gemengd ras, onbeschaafd; —-breed, subst. halfbloed; adj. van gekruist ras; —-brother = halfbroeder; —-caste = halfbloed; —-cock = de stand van den haan, als hij half overgehaald is: To go off at —-cock = iets overijld doen, iets uitflappen; —-crown = Eng. zilveren munt van ƒ 1,50; —-dead = half dood; —-faced = “en profil”; —-hearted = lauw, onverschillig, weifelend; —-holiday = vrije middag; —-length = kniestuk (portret); The ensign floated —-mast high = woei halfstok; —-part = half deel; —-pay, subst. nonactiviteitstractement; adj. op nonactiviteit; —penny, heip’ni, halve stuiver; —pennyworth = waarde van 2½ c.; —-price = halve prijs of verminderde prijs; —-seas-over = half dronken, aangeschoten; —-sister = halfzuster; —-starved = slecht gevoed, half verhongerd; —-sword = op de halve lengte van een zwaard: At —-sword = handgemeen: —-timer = een kind, dat de lagere school slechts de verplichte vijf schooltijden per week bezoekt; fabrieksarbeider, die slechts de helft van de uren werkt; —-way = halverwege: —-way house = herberg; —-witted = zwak van denkvermogen, zielig, sukkelig; —-yearly = zesmaandelijks(ch).

Halford, halfəd.

Halibut, halibɐt, holibɐt, heilbot; —ter = heilbotvisscher (vaartuig).

Halifax, halifaks.

Halitus, halitɐs, adem of damp.

Hall, hôl, groote zaal, vergaderzaal, rechtszaal, eetzaal (universiteiten), maaltijd, gebouw, huis, vestibule: A — = ruimte! uitroep bij de oude gemask. optochten; —-mark = stempel, keur, bewijs van echtheid; ook verb.

Hallam, haləm.

Halleluja, haləl(j)ûjə, subst. lofzang; — lass = vrouwelijke heilsoldaat.

Halley, hali.

Halliard, haljəd. Zie Halyard.

Halliwell, haliwel.

Hallo(a), həlou, Halloo, həlû, Hallow, həlou, Hola! Allo! subst. allogeroep; — verb. luid roepen: Do not — before you are out of the wood = men moet geen ho! roepen vóór men over de brug is.

Hallow, halou, heiligen, wijden; —e’en, halou-în, halou-în, avond voor Allerheiligen; —mas(s) = Allerheiligen.

Hallucination, həl(j)ûsineiš’n, zinsbedrog, zinsbegoocheling; adj. Hallucinatory.

Halm, hôm. Zie Haulm.

Halo, heilou, lichte kring om zon of maan, stralenkrans, heiligenkrans; kring (Med.); — verb. met een krans omgeven.

Halt, hôlt, subst. stilstand (-staan), halt; het kreupel zijn, kreupelheid, ziekte bij schapen; — verb. halt houden, halt roepen, ophouden; kreupelen, mank gaan, aarzelen, dralen, gebrekkig zijn, te kort schieten; adj. kreupel; interj. Halt! To call a — = halt doen houden; To make a short — = even stoppen; They were —ed in the dusk = tot staan gebracht; —ing-place = stopplaats; —ingly = hinkend, langzaam, aarzelend.

Halter, hôltə, subst. halster, touw, strop; — verb. een halster aandoen of er mede vastbinden.

Halve, hâv, (in tweeën) deelen. Zie Half.

Halyard, haljəd, val (scheepst.).

Ham, ham, knieboog of knieholte, dijbeen, schink; ham: —s = billen.

Ham, ham, Cham; Hamite, hamait; Hamitic, həmitik, van de nakomelingen van Cham of hunne taal.

Hamadryad, hamədraiəd, hamədraiəd, boomnimf.

Hame, heim, haam.

Hamiform, hamiföm, heimiföm, haakvormig.

Hamilton, hamilt’n.

Hamlet, hamlət, gehucht, dorpje.

Hammer, hamə, subst. hamer, haan; — verb. hameren, slaan, smeden, met moeite uitwerken, instampen (fig.): — and tongs = met alle kracht, met groot geweld; At — and tongs = op gespannen voet; To bring to the — = onder den hamer brengen, publiek verkoopen; I’ll be —ed if I do it = je mag op mij schieten als ik het doe; He is always —ing at it = hij houdt vol, geeft het niet op; I have —ed it out at last = ten laatste ben ik er achter, eindelijk begrijp ik het; —-axe = werktuig, aan de eene zijde hamer, aan de andere bijl; —-cloth = kleed over den bok van een rijtuig; —fish = hamervisch(-haai) = —-head; —-hard(en) = koud metaal door hameren harden; —-stone = splijthamer.

Hammock, hamək, hangmat; —-chair = stoel met linnen zitting en rug; —-nettings = plaats, waar de hangmatten overdag worden geborgen; vinkennet of enternet.

Hamper, hampə, subst. grove sluitmand, kluister, boei, tuigage; — verb. in eene sluitmand doen, belemmeren, boeien, in de war brengen.

Hampshire, hampšə; Hampstead, hamsted; Hampton, hamt’n.

Hamshackle, hamša’kl, den kop (van os of paard) aan een der voorpooten vastmaken, temmen, beteugelen.

Hamster, hamstə, hamster.

Hamstring, hamstriŋ, subst. kniepees; — verb. verlammen door het doorsnijden der kniepees (of staartspier bij een walvisch).

Hand, hand, subst. hand, handvol, handvat, wijzer, handeling, bekwaamheid, acte; deel, zijde, kant, werkman, fabrieksarbeider, matroos, ingewijde; schrift, spel kaarten, een der spelers, vijf (van een artikel dat verkocht wordt), pak tabak; — verb. overhandigen, aangeven, vastmaken, geleiden, helpen, overleveren: To be a clever — at = knap zijn in; An old — = een ervaren, gewikst persoon; His — was against everybody = hij was in opstand tegen ieder; My —s are clean = ik ben onschuldig; I have come out of this business with clean —s = ik ben eerlijk gebleven; —s across! = handen over elkaar; He won the race —s down = op zijn doode gemak; —s off! = handen thuis! niet aankomen; —s up! = geeft u over! It was a —-to-—-fight = gevecht van man tegen man; They are —-and-glove (= — in glove) with = koek en ei, op intiemen voet; My brother is on the mending — = aan de betere hand; My sword was at — = bij de hand, dicht bij; I have received many kindnesses at your —(s) = van u; The time was at — = op handen; The horse is hot at — (heavy on —) = moeielijk te regeeren; I bought it at first (second) — = uit de eerste (tweede) hand; She came out at the right — = kwam er goed af; The child was brought up by — = met kunstmatig voedsel; He sent his reply by — = met een bode; Take him by the — = aan uwe hand, onder uwe hoede; To go from — to — = van den een tot den ander; — to mouth = armelijk, pover; From — to mouth = voor onmiddellijke behoefte; To live from — to mouth = van de hand in den tand; — over fist = — over — = hand over hand, langzamerhand; snel; They go — in — = zij houden het samen, helpen elkander; Our men are in good heart and thoroughly in — = en onder volkomen discipline; We have the matter in — = hebben … onder handen; Payment in — = contante betaling; This horse is light in — = gemakkelijk te regeeren; The matter was taken in — by him = aangepakt, ondernomen; He was taken in — by the judge = onder handen genomen; They carried their lives in their —s = stelden hun leven bloot; Each found the life of his — deed het werk, dat zijne hand vond om te doen; We have no stock on — = geen voorraad voorhanden; Case on —; waiting instructions = collie aanwezig; verzoeke verzendingsinstructies; He did it out of — = dadelijk, onmiddellijk; Out of — = klaar, af; He has got out of — = is buiten den band geraakt; He went up the ladder — over — = door telkens de eene hand boven de andere te brengen; You will find everything to your — here = alles klaar, in gereedheid; Your favour (note) came duly to — = uwe geëerde letteren heb ik in orde ontvangen; I saw an instrument under the minister’s — = een door den minister geteekend stuk; He asked (gave) the — of his cousin = vroeg om (schonk) de hand van zijne nicht; Bear a — there = help eens een handje; This house has changed —s five times in three years; They forced the —s of the government = zij zetten … naar hun hand; He wanted to get his — in = aan slag (aan den gang) komen, zich inwerken; To give a — with = een handje helpen met; I have a free — now = de handen vrij; He had a — in the game = hij had er de hand in; You must have your —s full = volop werk hebben; de handen vol hebben met; He holds —s with the best authors = kan wedijveren met; Let us join —s, Join —s in — = eendrachtig samenwerken; To join —s with = de hand reiken aan; The two armies joined —s = vereenigden zich; One must keep one’s — in = men moet het onderhouden, zich blijven oefenen; The police have laid —s on him = heeft hem te pakken; Lend a (helping) —, old boy = zeg vriend, help eens een handje; I will not put my — to that deed = mijn hand niet zetten onder; He could set his — to every kind of work = hij kon met allerlei werk terecht; Let us shake —s = elkander de hand drukken (= shake each other by the —); You don’t show me your — for nothing = je laat me niet voor niemendal in je spel kijken; To — a sail = vastmaken; To — about = rondgeven; To — down = aangeven, overleveren: This story was —ed down from my ancestors = is van mijne voorouders afkomstig; To — in = helpen (in een rijtuig), inleveren; He —ed it over to me = overhandigde het mij; She was —ed over to her old enemies = overgeleverd aan; —-bag = valies; —-barrow = (draag)berrie; kruiwagen; —-ball = gummibal aan spuit; —-bell = tafelbel; —-bill = snoeimes; affiche, schuldbewijs; —book = handboek; —-brace = drilboor; —breadth = handbreedte; —-cart = handkar; —-clasp = handdruk; —-cuff, subst. handboei; — verb. de handboeien aanleggen; —-dog = Andiron; —-drop = handverlamming; —-gallop = korte galop; —-glass = handspiegel, glas over planten; —grasp = handdruk; —grenade = handgranaat; —grip = greep: To come to —s = handgemeen worden; —kerchief = zakdoek, doek: To drop the — = het teeken geven (oorspronkelijk door den persoon, die gehangen werd); To throw the — to = uitnoodigen; —-language = vingertaal; —-lead = klein peillood; —-loom = weefgetouw; —-maid(en) = vrouwelijke bediende, dienares; —-mill = handmolen; —-organ = draaiorgel; —-paper = papier (met eene hand als watermerk); —-painted = uit de hand geschilderd; —-press = handpers; —-promise = plechtige verloving, die slechts met toestemming van beide partijen ophoudt; —-rail(ing) = leuning; —-sail = klein zeil; —-saw = handzaag: He knows a hawk from a — = hij heeft zijn weetje; —-screw = dommekracht; —-shake = handdruk; —spike = handspaak, koevoet; —spring = sprong, soort salto mortale: To chuck (throw, turn) —springs; —strap = riem (in een tramwagen); In a —-turn = in een ommezientje; —’s turn = hulp; —-writing = schrift; handschrift; —er, handə, aanreiker, overbrenger, klap: No —ers was the motto of the schoolboys on strike = “geen lichamelijke straf” was het motto v. de werkstakende schooljongens; —ful = handvol; —less = zonder handen; onhandig.

Handfast, handfâst, subst. greep, handvat, houvast, handslag, contract, verbintenis; hechtenis; — verb. verbinden, verloven, vereenigen, vasthouden.

Handicap, handikap, subst. vóórgift (in tijd, afstand of gewicht) bij een wedstrijd; (fig.) nadeel; — verb. vóórgeven, (fig.) belemmeren, benadeelen, bezwaren: It is a — to a popular author to have made a great book = het is een nadeel (nl. met het oog op zijne volgende boeken); A — race = wedstrijd met vóórgift; Heavy taxation —s a country = drukken een land (belemmeren het in zijne vrije ontwikkeling); In this way we — our own producers as compared with the foreigner = bezwaren we onze eigen producenten.

Handicraft, handikrâft, handenarbeid, werk van de handen; —(s-man) = handwerksman.

Handiness, handinəs, handigheid, gemakkelijkheid, doelmatigheid.

Handiwork, handiwɐ̂k, handarbeid, kunstwerk, schepping.

Handle, hand’l, subst. handvatsel, “vat”, oor, gevest, enz.; — verb. betasten, bevoelen, hanteeren, behandelen, gebruiken, leiden: He has a — to his name = hij heeft een titel, is van adel; I will give you a — = ik zal u de gelegenheid verschaffen; He flew off (at) the — = hij werd driftig; He knows how to — the matter = weet de zaak aan te pakken; The guns were well —d = goed bediend; Handling = hanteering, behandeling.

Handsel, hands’l, subst. handpenning, handgift, eerste verkoop, geschenk, etc.; — verb. een handpenning geven, handgeld geven.

Handsome, han(d)s’m, mooi, knap, goedgevormd, edel, mild, royaal, ruim: — is, what — does = aan de vruchten kent men den boom; To come down —ly = over de brug komen, zich royaal betoonen.

Handy, handi, handig, vlug, bij de hand, nabij: The book has found a place on the handiest shelf of every student = staat voor het grijpen bij; The children were playing at —-dandy = de kinderen speelden: “Ra, ra, in welke hand?”; —man = helper, handlanger.

Hang, haŋ, subst. helling, verbindingswijze, neiging, richting; — verb. hangen, ophangen, behangen: He has got the — of it (Amer.) = hij is er volkomen mede vertrouwd, heeft er den slag van beet; The general — of the work is disappointing = gang, richting; He —s about her = maakt veel werk van haar, is altijd om en bij haar; Many boys were —ing about the stables = hielden zich op bij de stallen; Do not — back = krabbel niet terug, doe het niet met tegenzin; He hung down his head = liet hangen; All the hearers — on his lips = hangen aan; The thing was hung on by the eyelids = was er slechts even of onvoldoende mee verbonden; He —s on his party as faithfully as may be expected = hij kleeft zijne partij aan; Where do you — out = waar woont gij, hangt gij uit?; All the flags were hung out = uitgestoken; I — over to that opinion = hel naar die meening over; They — together like burs = hangen als klissen aan elkander; The matter was hung up = bleef onbeslist; Be —ed to ’em = laten ze naar den duivel loopen; The suit hung = het proces werd gerekt, uitgesteld; To — fire = niet dadelijk afgaan, besluiteloos zijn, op zich laten wachten, niet willen gelukken; Time —s heavy on my hands, —s heavy to-day = valt mij lang; We have been —ing in doubt = in onzekerheid verkeerd; Men have —ed for less than this = kregen den strop; —-dog = galgebrok, schurk: A —-dog look = een armezondaarsgezicht, -blik; —man = beul; —-nail = nijdnagel; —-nest = hangend nest; —-net = hangnet; —er = hangstuk, haak, ophanger, hartsvanger, korte sabel; woud of boschje (langs eene heuvelhelling); —er-on = aanhanger, afhangeling, klaplooper; —ing, subst. het hangen of ophangen, vertoon; behang, wandtapijt, adj. steil, den dood verdienend, strafbaar met den dood: That is a —ing-affair = eene halszaak; —ing-clause = bepaling, met wier niet-nakoming het leven gemoeid is; —ing-garden = hangende tuin; —ing-guard = verdedigende houding met een sabel; —ing judge = rechter, die het doodvonnis uitspreekt; —ing-shelf = boekenhanger.

Hangar, haŋgâ, hangar.

Hank, haŋk, subst. streng (garen, zijde, etc.); neiging, lust; greep, macht; — verb. tot strengen vormen, krachtig aanhalen: His tales are excellent; the first in the — is the best = het eerste in de verzameling is het beste.

Hanker, haŋkə, hunkeren, verlangen: I felt a —ing after her = een onweerstaanbaar verlangen naar haar bekroop mij.

Hank(e)y-Pank(e)y, haŋkipaŋki, subst. hocus-pocus: — bloke = goochelaar.

Hanley, hanli.

Hanover, hanəvə; —ian, hanəvîriən, subst. en adj. Hannoveraan(sch).

Hansard, hansəd, koopman uit eene hanzestad; officiëel verslag van de handelingen van het Parlement.

Hanse, hans, verbond, vereeniging: — towns = hanzesteden en hun verbond; —atic, hansiatik, van de Hanzesteden: —atic league = hanzeverbond.

Hansom (cab), hans’m (kab), tweewielig huurrijtuig (de koetsier zit achterop en de leidsels gaan over de kap heen).

Ha’n’t, Han’t, hânt, (Amer.) heint = Have not, Has not.

Hants, hants = Hampshire.

Hap, hap, subst. toeval, toevallige gebeurtenis; mantel, hulsel; — verb. toevallig gebeuren; inwikkelen; —hazard = kans, gelukje, toeval: I did it at —hazard = op den bof, op goed geluk af; —less = ongelukkig, rampzalig; —ly = bij toeval, misschien.

Happen, hap’n, gebeuren: I —ed to meet him = ik ontmoette hem toevallig; As it —ed I found him = toevallig vond ik hem; Just — in at my office to-morrow (Amer.) = wip morgen even aan; I —ed on it yesterday = trof (vond) toevallig; I have not seen the —ings with my own eyes (Amer.) = ik heb zelf niet gezien wat er voorgevallen is.

Happiness, hapinəs, subst. v. Happy, hapi, gelukkig, voorspoedig, verheugd, blij, handig, bekwaam: — man be his dole = moge het hem goed gaan! — family = vreedzaam samenlevende menschen of kleine dieren v. verschillenden aard (zooals honden en katten, etc.); —-mean, subst. het ware midden: The —-mean man = de man van ’t ware midden; —-go-lucky = onbezorgd, zorgeloos.

Harakiri, hârəkîri. Zie Harikiri.

Harangue. həraŋ, subst. redevoering, toespraak; — verb. toespreken, eene rede houden; —r.

Harass, harəs, kwellen, vermoeien, uitputten, onophoudelijk verontrusten; subst. —ment.

Harbinger, hâbinžə, subst. voorlooper, voorbode, kwartiermaker, fourier; — verb. voorafgaan als bode, aankondigen.

Harbour, hâbə, subst. schuilplaats, haven, herberg, woning; — verb. herbergen, een schuilplaats verleenen, voeden, koesteren; —-dues = havengeld; —-light; —-master = havenmeester; —-watch = ankerwacht; —age = toevlucht, onderkomen; —less.

Harcourt, hâköt.

Hard, hâd, adj. hard, vast, moeilijk, vermoeiend, streng, wreed, verhard, onbuigzaam, grof, onsmakelijk, wrang, hevig; subst. steiger; meer conserv. democraat (Amer.): No — and fast line can be drawn in this matter = geene scherpe, bepaalde grens kan in deze zaak worden getrokken; As — as the nether millstone = buitengewoon hard; They live — by = zij wonen kort bij, in de buurt; These people were — up = hadden groot geldgebrek; It is — upon seven = dicht bij; Move the rudder — a-starboard = leg het roer zoover mogelijk naar stuurboord; — of hearing = hardhoorig; He died — = hij verdedigde zich tot het laatst toe, stierf onbekeerd; zijn doodstrijd was moeilijk; It will go — with him = het zal hem slecht vergaan; This reward was — won = deze belooning werd met moeite verkregen; —-bake = soort van kokinje; —-believing = ongeloovig; —-beset = eng ingesloten, in ’t nauw gebracht; —-bitted = hard in den bek; —-bound = verstopt, hardlijvig, traag; —-cash = baar geld; —-coal = anthraciet; —-drinker = zuiplap; —-earned = zuur verdiend; —-fish = gedroogde kabeljauw, schelvisch of leng; —-fisted = met harde handen; gierig; —-fought = hardnekkig gestreden; —-grained = grofkorrelig; grof (ook fig.); —-got(ten) = zuur verdiend; —-handed = hardhandig, ruw, streng; —-head = zwart knoopkruid; knorhaan; soort keisteen; —-headed = sluw, helder van hoofd; —-hearted = hardvochtig; subst. —-heartedness; —-labour = dwangarbeid; —-luck = tegenspoed; —-mouthed = hard in den bek (van paarden), ruw, grof (van taal); —-pressed = in moeielijke omstandigheden; — rubber = caoutchouc; —-set = krachtig vervolgd, in het nauw; streng, onbuigzaam; —shell = met harde schaal; streng orthodox of conservatief (Amer.); —-tack = scheepsbeschuit; —-water = hard (wasch)water; —working = zeer arbeidzaam; —-ware = ijzerwaren, vooral potten en pannen, enz.; —en = harden, verharden, hard of gevoelloos maken (worden); —ihood, hâdihud, koenheid, onversaagdheid, onbeschaamdheid; —iness = gehardheid; —ly = nauwelijks, bijna niet, waarschijnlijk niet; hard, moeilijk, streng: —ly .… when = nauwelijks .… of; —ness = hardheid (ook fig.), moeielijkheid; —ship = ontbering; —y = gehard, sterk, stoutmoedig.

Hardicanute, hâdikənjût.

Hare, hêə, haas: As mad as a March — = zoo gek als wat; To hold with the — and run with the hounds = een dubbel spel spelen; He wanted to make a — of me = trachtte mij belachelijk te maken, te foppen, beet te nemen; Jugged — = hazepeper; —-bell = grasklokje, knikkende vogelmelk; —-brained = nietig, onbesuisd, dwaas; —-hound = hazewind; —-lip = hazenlip; —’s-foot = hazepoot (door acteurs gebruikt).

Harem, hêr’m, hâr’m, harem.

Haricot, harikou, harikot, ragout van vleesch met groenten, snijboon.

Harikiri, hârikîri, zelfmoord, door den buik dwars open te snijden (Jap.).

Hark, hâk, luisteren: — ye = luister eens; — away, — forward = vooruit! — back = hier! een uitroep, waarmede de jager de het spoor voorbij hollende honden terugroept; terugloopen als het spoor verloren is: She always —s back to her old grievances = komt altijd terug op.

Harl, hâl, vezels van vlas, haar of wol; koppel van 3 honden, vrij groote hoeveelheid.

Harleian, hâliən, hâlîən, van Harley, naar wien de door hem gevormde, thans in het British Museum aanwezige bibliotheek genoemd is.

Harlem, hâləm.

Harlequin, hâlək(w)in, subst. harlekijn, potsenmaker, grappige vent; — verb. voor harlekijn spelen; —ade, hâlək(w)ineid, harlekinade (dat deel in eene Christmas-pantomime, dat op de transformation-scene volgt).

Harlot, hâlət, hoer; adj. ontuchtig; subst. —ry.

Harm, hâm, subst. nadeel, schade, kwaad; — verb. kwaad doen, schade aanbrengen: — watch — catch = wie een ander een kuil graaft, valt er zelf in; —-doing = het kwaaddoen; —ful = nadeelig, schadelijk; subst. —fulness; —less = onbeschadigd, onschadelijk, argeloos; subst. —lessness.

Harmattan, hâmat’n, harmattan, droge en heete wind, die van December tot Maart v. Midden-Afrika naar het Noorden waait.

Harmonic, hâmonik, harmonisch; —a, hâmonikə, mondharmonica, glasharmonica, collectie verschillend gestemde en met de vingers bespeelde glazen; —al: —al proportion = harmonische verhouding (tusschen vier grootheden): —on, hâmonik’n, orchestrion; —s, hâmoniks, harmonieleer: Grave —s = bijtonen van twee overeenstemmende klanken; Harmonious, hâmouniəs, harmonisch, eensgezind: subst. —ness; Harmoniphon, hâmonifoun, klavierhobo; Harmonist, hâmənist, componist, iemand, die de overeenkomstige plaatsen van verschillende schrijvers, vooral der Evangelisten, opspoort; Harmonists = communistische secte van Gebr. Rapp, in 1803 uit Wurtemburg naar de Vereen. Staten getrokken; Harmonium, hâmounj’m, harmonica, harmonium; Harmonize, hâmənaiz, overeenstemmen, in overeenstemming brengen, in vrede leven, congrueeren; Harmony, hâməni, harmonie, eensgezindheid, overeenstemming: Artificial — = oplossing van dissonanten tot harmonie; — of the spheres = de leer van Pythagoras omtrent de harmonie der tonen, door de planeten in hunne beweging en al naar hare grootte, snelheid en afstand voortgebracht.

Harness, hânəs, subst. harnas, wapenen, paardetuig, gareel; — verb. het tuig aandoen, de wapenrusting aantrekken: He died in — = midden in zijn werk; The thing is well in — = goed bewerkt; —-cask, (—-tub) = vat met pekel vleesch op dek vastgesjord; —-maker = zadelmaker; —-room = tuigkamer.

Harold, harəld, Harold.

Harp, hâp, subst. harp; — verb. op de harp spelen, steeds hetzelfde onderwerp aanroeren: He is still —ing on his first love = hij heeft het nog steeds over; To — on the same string; —er = —ist = harpspeler.

Harpoon, hâpûn, subst. harpoen; — verb. harpoeneeren; —-gun = kanon voor het afschieten van een harpoen; —-rocket = harpoen, die als een raket wordt afgeschoten; —er = harpoenier.

Harpsichord, hâpsiköd, spinet.

Harpy, hâpi, harpij (ook fig.).

Harquebus(s), hâkwəbɐs, haakbus; —ier (—îə) = haakbusschutter.

Harr, hâ, grommen.

Harridan, harid’n, oude feeks, oud wijf.

Harrier, hariə, brak; kuikendief; plunderaar.

Harrow, harou, subst. Harrow; egge; — verb. eggen, kwellen, verontrusten.

Harry, hari, plunderen, verwoesten, kwellen, strooptochten doen.

Harry, hari, subst. andere vorm v. Henry; verpersoonl. v. den echten Londenaar uit de volksklasse = ’Arry: To box — = geen eten krijgen (schooljongens slang); To play Old — with a person = iemand leelijk te pakken nemen.

Harsh, hâš, zuur, wrang, scherp, wreed, streng, ruw; subst. —ness.

Hart, hât, mannetjes hert (na het vijfde jaar): — of ten = hert met een gewei van tien takken; —’s-tongue = hertstong, tongvaren; —(e)beest, hât(ə)bîst, soort van antilope (Z.-Afrika); —-shorn, hâtshön, (geest van) hertshoorn.

Harum-scarum, hêr’mskêr’m, lichtzinnig, roekeloos, wild, slordig; subst. —ness.

Harvard, hâvəd.

Harvest, hâvəst, subst. najaar, oogsttijd, oogst, opbrengst; — verb. inzamelen, oogsten; —-bug = soort van boktor; —-feast = oogstfeest; —-festival = dankdag voor het gewas; —-home = oogsttijd, oogstfeest, oogstlied; —-lady = de tweede maaier van eene rij; —-lord = voormaaier, eerste maaier; —-man = oogster, maaier; —-month = September; —-moon = (bijna) volle maan ten tijde der dag- en nachtevening in den herst; —-mouse = dwergmuis; —-queen = oogstkoningin (pop, Ceres voorstellende, rondgedragen op den laatsten oogstdag); —-spider = hooiwagen (spin); —er = oogster.

Harvey, hâvi; Harwich, haridž.

Hash, haš, subst. gehakt vleesch met groenten; mengsel, poespas; — verb. hakken, fijnmaken, bederven: Trust him for making a — of it = je kunt er op aan, dat hij de boel in de war stuurt, verknoeit; I have settled his — = ik heb een appeltje met hem geschild, hem zijn vet gegeven, afgeranseld, geruïneerd; I have —ed my goose altogether = ik heb mijne zaak totaal bedorven.

Hashish, hašiš, Hasheesh, hašîš, gedroogde bladeren van de hennepplant, die gekauwd worden en waaruit een bedwelmende drank wordt bereid.

Haslemere, heiz’lmîə.

Haslet, hazlət, omloop (v. een varken), lever, hart, ingewanden (v. schapen of kalveren).

Hasp, hâsp, subst. grendel, beugel; — verb. met een klamp of grendel vastmaken.

Hassock, hasək, pluim, een soort van rietgras; dikke mat, dik voetkussen om op te knielen.

Hastate, hastit, speervormig.

Haste, heist, haast, spoed, drift, overhaasting, ijver: Why do you not make — = waarom maakt gij niet voort? In — = haastig, vlug; Hasten, heis’n, haast maken, zich haasten; Hastiness = haast.

Hastings, heistiŋz.

Hasty, heisti, haastig, snel, vlug, driftig, hartstochtelijk; —-pudding = pap (meel in kokende melk geroerd en gekookt).

Hat, hat, hoed, kardinaalshoed, waardigheid v. kardinaal: To do up a — = opmaken; He has hung up his — in my house = hij heeft zijn anker bij mij neergelegd, zijne tenten bij mij opgeslagen; To raise one’s — to a person = afnemen; They have sent (passed) the — round = hebben eene collecte gehouden; To take one’s — off (to) = afnemen (voor); —-band = rouwband (om den hoed); —-maker = hoedenfabrikant; —-rack = hoedenrek, kleerenstander; —-work = werk waar niets in zit; —-writer, die —-work maakt; —ter, hatə, hoedenkoopman of -maker: He is as mad as a —ter = hij is stapelgek; tureluursch.

Hatch, hatš, subst. halve deur, poortje, schuif, traliewerk op een luik, luik; broedsel, gebroed, samenzwering, fijne streep; — verb. met bouten vastmaken, met een deksel sluiten; broeden, uitbroeden, beramen, voortbrengen, arceeren: Under —es = onder de luiken geconsigneerd, beneden opgesloten, zeer verdrukt, er slecht aan toe; welbewaard, gestorven; —-boat = soort van visscherspink met een half dek; —way = luik; muil; —er = uitbroeder; incubator; —ery = inrichting voor kunstmatige vischteelt.

Hatchel, hatš’l; —ler. Zie Hackle.

Hatchet, hatšət, bijl, bijltje; fooi om de kommiezen om te koopen (Amer.): Let us bury the — = laten we vrede sluiten; To sling the — = er uit snijden; They took up the — = zij vatten de wapens op; Do not throw the — = vertel geen leugens; —-face = scherp geteekend gezicht.

Hatchment, hatšm’nt, ruitvormig rouwschild, symbool.

Hate, heit, subst. haat; — verb. haten, verafschuwen; —ful = hatelijk, boosaardig; subst. —fulness; —r; Hatred, heitrəd, haat, kwaadaardigheid, kwaadwilligheid.

Hathaway, hathəwei.

Hatti-sheriff, hatišerîf, door den sultan van Turkije uitgevaardigd onherroepelijk bevel.

Hauberk, hôbɐ̂k, maliënkolder.

Haugh, hô, laag gelegen, vruchtbaar oeverland.

Haughtiness, hôtinəs, subst. v. Haughty, hôti, trotsch, fier, hoogmoedig, aanmatigend.

Haul, hôl, subst. haal, trek; — verb. halen, trekken, sleepen, den koers van een schip veranderen, veranderen van richting, zich terugtrekken, komen, gaan: The sheets were —ed home = de schooten werden aangehaald; — the wind = bras het zeil bij den wind; The ship was enabled to — off from the shore = af te houden van de kust; He was —ed over the coals = kreeg een uitbrander; He —ed out a knuckle-bone of ham = haalde voor den dag; —age = trekkracht; transportkosten; —er = soort hengel.

Haulm, hôm, halm, stroo.

Haunch, hônš, hânš, dij, lendestuk, bout.

Haunt, hônt, hânt, subst. dikwijls bezochte plaats, verblijfplaats; — verb. omgaan, verkeeren, bezoeken of kwellen (v. een geest): This house is —ed = het spookt in dit huis; —er = stamgast; druk bezoeker.

Haut, hôt, weekmarkt; el (Indië).

Hautboy, houbôi, hobo.

Havan(n)a(h), həvana, Havana(sigaar); Havanese, havənîz, havənîs, subst. bewoner(s) van H.; adj. van Havana.

Have, hav, hebben, bezitten, houden, bij zich hebben, genieten, ontvangen, ondervinden, dulden, laten, te pakken hebben, bedriegen, beetnemen: — at him, boys! = pakt hem, raakt hem, jongens! — a care = pas op! To — the ear of the House = tot die sprekers in ’t Huis behooren, naar wie gaarne geluisterd wordt; Let us — lots of room here = maak hier eens flink ruimte; — done = schei uit; I had as lief die as be a slave = zou evenlief sterven; I had rather do that = dat zou ik liever doen; Do well and — well = die wel doet wel ontmoet; You can’t eat your cake and — it = je kunt niet het midden en de beide einden hebben; As Shakespeare has it = zooals S. zegt; As the mood has the reader = al naar de lezer gestemd is; I — no money about me = ik heb geen geld bij mij; — the tea-things away = ruim weg; You — nothing for it but to go = je kunt niet anders doen dan, er zit niets anders op; He had on his best coat = droeg; He had his watch out = haalde voor den dag; I’ll — it out of you = zal je wel krijgen, het je wel inpeperen; I will — it out with you before I go = met je afrekenen.

Havelock, havlok, sluier (tegen zonnesteek in de Tropen); soort mantel.

Haven, heiv’n, subst. haven, veilige ligplaats, schuilplaats; — verb. eene schuilpl. bieden.

Haver, havə, haver; — verb. wauwelen, raaskallen (Schotl.); —sack = knapzak, ransel, reiszak; —s, heivəz = onzin.

Haverhill, heivəhil (Amer.), havəhil.

Havildar, havildâ, Inlandsch sergeant (Brit. Ind.).

Having, haviŋ, bezitting, eigendom; —s = (goed) gedrag (Zie Havers).

Havoc, havək, subst. verwoesting, vernieling; de kreet der krijgslieden wanneer geen kwartier werd gegeven; — verb. verwoesten, vernielen, dooden: To cry —; The boys have played — with my furniture = mijne meubels vernield.

Haw, hô, interj. hu! ö! subst. haag; hof, grasland in een dal; bes van de haagdoorn; aarzeling, hapering; — verb. haperen, ö - - ö zeggen, aarzelen; door hu! te roepen een paard links wenden (Amer.): He spoke in his —-—-style = hij sprak op zijne “ö ö” manier; He was a —-— swell = geaffecteerd, lijmerig sprekend fatje; I felt —, like a fish out of water = ik voelde mij zoo lam en lusteloos; It is — and gee here, instead of woo and gee in the old country = aansporing naar links of rechts te gaan (Zie Gee).

Hawaiian, hawaij’n, bewoner, taal van Hawaii; Hawaii, hawaii.

Hawbuck, hôbɐk, kinkel.

Hawarden, hô-âd’n, hâd’n; Haweis, hôis; Hawes, hôz.

Hawfinch, hôfinš, appelvink.

Haw-haw, hôhô; Zie Ha-ha en Haw.

Hawk, hôk, subst. havik, valk; zwendelaar, bedrieger; schrapende hoest; — verb. met valken jagen, als een valk vliegen, jacht maken op; schrapen; rondventen; —’s-bill = haviksbek; —-eyed = met scherpen blik; —-moth = sfinx, avondvlinder; —-nosed = met arendsneus; —er = marskramer; valkenier.

Hawik, hôik; Hawkesworth, hôkswəth.

Hawse, hôz, kluisgat: Athwart (the) — = dwars voor den boeg; He has crossed my — = hij is mij dwars voor den boeg gekomen; To ride — fallen (— full) = waterscheppen door de kluisgaten bij het op zijn anker rijden van een schip in stormweer; —-hole, (—-pipe) = kluisgat: He came in at the —-holes = hij is van gewoon matroos opgeklommen, van onderop begonnen; —r = kabel, tros.

Hawthorn, hôthön, hagedoorn.

Hawthorne, hôthön.

Hay, hei, hooi, haag, boerendans: To make — = hooien: Make — while the sun shines = smeed het ijzer, terwijl het heet is; He was making — in his papers = gooide zijne papieren door elkaar; This boy is always making — with (of) his hair = maakt altijd zijne haren in de war; —-asthma, (—-fever) = hooiasthma (hooikoorts); —-box = hooikist; —-cock = hooiopper; —-field = hooiland; —-fork = hooivork; —-loft = hooizolder; —-knife = hooisteker; —-maker = hooier; boerendans; —-market; —-mow = hooiberg, hooirook (in eene schuur); —-rick = —stack; —-seed = graszaad; boerenlummel: You didn’t see any — in my hair? = zag ik er zoo lummelachtig uit? —stack = hooiberg; Amer. fighting-top, waarbij de mast door traliewerk is vervangen; That is like looking for a needle in a —stack = onbegonnen (monniken) werk.

Hayes, heiz.

Hazard, hazəd, subst. kans, toeval, gevaar, dobbelspel, stoot om te stoppen (bij ’t biljartspelen), stopbal, waarbij a winning — is, als de bal der tegenpartij, en a losing —, als des spelers bal gestopt wordt; — verb. gevaar loopen, wagen, in gevaar brengen: He did it at the — of his life = met gevaar voor zijn leven; To put to the — = op het spel zetten; I intend to run the — = de kans te wagen; —er = waaghals; —ous = gevaarlijk, gewaagd; subst. —ousness.

Haze, heiz, subst. damp, mist, waas, nevel, duisterheid, onduidelijkheid; — verb. misten; pesten, plagen en straffen met overwerk (matrozentaal), kastijden, berispen; pret maken, rondzwieren; in ’t ootje nemen, groenen.

Hazel, heiz’l, subst. hazelaar; adj. lichtbruin, hazelkleurig; —-earth = mengsel van zand en klei; —-eyed = met lichtbruine oogen; —-nut = hazelnoot; —-tree; —-wood.

Haziness, heizinəs, subst. v. Hazy, mistig, nevelig, duister, aangeslagen, aangeschoten, beneveld.

He, hî, he!

He, hî, subst. man; vn.w. hij; adj. mannelijk, mannetjes.…

Head, hed, subst. hoofd, kop, kruin, top, opperhoofd, haar, gewei, persoon; eereplaats, hoofdeind, bron, de zijde v. munt of medaille met den kop erop, verstand, doorzicht; getal, onderwerp, gelaat, pak vlas, rijpe deel van eene zweer of puist, schuim op dranken, watermassa (voor een molen), beschikbare stoom; adj. eerste, voornaamste, hoofdzakelijk, hoofd …; — verb. van den kop berooven, bekappen, van een kop voorzien, den kop vormen, aanvoeren, zich aan het hoofd stellen, aan het hoofd zitten, zich stellen tegenover, tegenwerken, afsnijden, openen, het eerst staan op, met het hoofd wegstooten, een kop vormen, ontspringen (Amer.), een koers hebben, enz.: Five — of cattle = stuks vee; A fine — of hair = kop met haar; The —s of a speech = onderafdeelingen; The —s of an accusation = punten van aanklacht; The army is a serious — of expenditure in Germany = een zware post van uitgaven; He fell —-first, —-foremost into the water = hals over kop; —-on = —-first = recht tegenover; I fell into it — and ears = heelemaal; He is in debt over — and ears = tot over de ooren; He rose — and shoulders above them = stak een heel eind boven uit; He came down — over heels from the tree = viel holderdebolder; To carry a grey — on green shoulders = jong blijven; Give him his — = laat hem zijn gang gaan; Give the horses their —s = vier de teugels; To have a long — = ver vooruit zien; They laid their —s together = overlegden, staken de hoofden bij elkaar; It is easy to make — against that accusation = te weerleggen; He made — against the enemy = hield stand tegen; I cannot make — or tail of it = kan er geen touw aan vast maken; To take the — = de leiding nemen; steigeren, koppig zijn; That seems to have turned your — completely = je hoofd geheel op hol te hebben gebracht; Then things came to a — = bereikten een crisis; The ulcer has come to a — = is rijp geworden; He did it of his own — = uit eigen beweging; He hit the right nail on the — = sloeg den spijker op den kop; It is on your —s to tell it me = ik bezweer jullie; It keeps running in my — = maalt me door het hoofd, is me steeds in de gedachten; The ship was running under a full — of steam = stoomde met volle kracht; I see through the back of your — = ik doorzie u geheel; The wine went into his — = steeg hem naar het hoofd; The hedges and bushes must be —ed down = moeten gesnoeid worden; She tried to — off the spider = te vangen, te pakken (door haar den pas af te snijden); When I approached the subject, he would — me off = placht hij mij er af te brengen; The boat was —ing towards the ship = stuurde in de richting van; —ache = hoofdpijn; —-band = hoofdverband, kapitaalband (boekb.); — verb. kapitalen; —-boy = primus; —-butler = eerste huisbediende; —-cheese = hoofdkaas; —-clerk = chef, boekhouder; —-dress = kapsel; —-fast = boegtouw; —-gear = hoofdtooisel, hoofdstel (v. paarden); —-hunter = koppensneller; —-land = voorgebergte, kaap; braakland; —-light = licht (vooraan de locomotief); —-line = aanvangsregel, titel; horentouw; ratouw (scheepst.); —long = hals over kop, met het hoofd vooruit, plotseling, roekeloos, gedachteloos, steil: I always write —long = zoo maar weg; —man = hoofdman, onderbaas, werkbaas, mandoer; —master = hoofd, directeur, rector; —mastership = de betrekking van hoofd, directoraat, rectoraat; —mistress = directrice; —-money = hoofdgeld; —most = voorste; —-mould = schedel, vorm van het hoofd; —-moulding = lijstwerk (boven deur of venster); —-piece = hoofd, kop, helm, stormhoed; oorijzer; kopstuk, knappe kop; verstand; —-post = paal bij de ruif; —-quarters = hoofdkwartier; —-rest = steun voor het hoofd (bij photographeeren); kussen; —-sail = vóórzeil; —-sea = stortzee; —shake = beteekenisvol schudden met het hoofd; —-ship = hoogste waardigheid; —sman = beul, scherprechter; mijnwerker, die de kolen naar de plaats brengt vanwaar ze vervoerd worden; —-stall = hoofdstel; wollen mutsje (Amer.); —-stone = hoeksteen, sluitsteen, grafsteen (rechtopstaande aan het hoofdeinde van het graf); —strong = koppig, onhandelbaar; —-voice = kopstem; —-waiter = oberkellner; —-water = bovenloop; —-way = vaart, gang, vooruitgang: We have been making —-way of late = wij zijn in den laatsten tijd goed opgeschoten; —-wind = tegenwind; —-word = hoofdwoord; —-work = werk met het hoofd, intellectueele arbeid; ornamenten op steenen; —-workman = vóórman, werkbaas; —er = sprong of onderduiking met het hoofd voorover; steen uit een koplaag, speldeknopmaker, kaker, kaakmachine; —iness = koppigheid; —ing = titel, opschrift, eerste regel als voorbeeld, schuim; —y = koppig (ook v. dranken), overijld.

Heal, hîl, gezond maken, heelen, genezen, van schuld vrijspreken, bijleggen; —-all = geneesmiddel tegen alle kwalen; —able = geneesbaar; The —ing art = geneeskunde.

Heald, hîld, weefhaak.

Health, helth, gezondheid, heil, welzijn: Bill (Certificate) of — = gezondheidspas; Clean bill of — = schoone lei (fig.); Board of — = gezondheidscommissie; Officer of — = inspecteur van de volksgezondheid; The public —; He is out of — = ongesteld; Your — = santé! —-committee = gezondheidscommissie; —-insurance = ziekte-, en invaliditeitsverzekering; —-officer = ambtenaar van den gezondheidsdienst; —-resort = badplaats, kurort; —ful = gezond, heilzaam; subst. —fulness; —iness, subst. v. —y = gezond, krachtig, heilzaam.

Heam, hîm, nageboorte bij vee.

Heap, hîp, subst. hoop, menigte: — verb. ophoopen, opstapelen: All of a (on a) — = allemaal door elkaar; He was struck all of a — = stom van verbazing; —s of = volop, een hoop.

Hear, hîə, hooren, luisteren, letten op; overhooren, verhooren; —, —, cried some members = bravo (of hei, hei!) riepen sommige leden; Shall we never — the last of it = houdt dat praatje dan nooit op? He —d us our lessons = overhoorde; —say = praatjes, geruchten; I have it by (from) —say, on —say evidence = van hooren zeggen; —er = hoorder; Hearing = gehoor, gehoorsafstand, verhoor, onderzoek: Dullness of — = hardhoorigheid; Hard (Thick) of —; Quick of — = fijn van gehoor; Hardness of — = hardhoorigheid; He is within (out of) — = hij kan ons wel (niet) hooren, wij kunnen hem wel (niet) beroepen; I promise you a fair — = dat men u zal laten uitspreken, en billijk zal beoordeelen, wat ge zegt.

Hearken, hâk’n, luisteren, letten op.

Hearne, hɐ̂n.

Hearse, hɐ̂s, subst. lijkwagen; — verb. kisten (van een lijk), naar het graf brengen (in eene lijkkoets); —-cloth = baarkleed.

Heart, hât, hart, wil, moed, vuur, gloed, angst, verlangen, binnenste, harten (in ’t kaartspel): What the — thinks the mouth speaks = waar het hart vol van is, loopt de mond van over; After their own —s = naar hartelust; He is brave at — = in den grond is hij dapper; — alive, how we laughed = goeie hemel! I would not for my — do it = ik deed het om den dood niet; In his — of —s = in het binnenste van zijn hart; The grass was plentiful and in good — = uitstekend; To be — and mind interested in = met hart en ziel; My — failed me = de moed ontzonk mij; Her — leaped to her mouth = ze ontroerde hevig; His — sank low (into his boots) = zonk hem in de schoenen; It broke his mother’s — = zijne moeder het hart; He could not find it in his — to go there = hij kon het niet van zich verkrijgen; Try to get (learn) this lesson by — = van buiten te leeren; To have the — = het hart, den moed hebben; To have a — of gold; To have at — = beoogen; I had it in my — to tell you so = was van plan; On seeing this I had (felt) my — in my mouth = toen ik dat zag, was ik bijna buiten mijzelf van schrik; Keep a good —, man! = houd moed; If it were not so serious I could laugh my — out = me doodlachen; To lay to — = ter harte nemen; He put some — into me = sprak mij moed in; Set your — at rest about that = wees daaromtrent maar gerust; He had set his — on seeing her = hij had er zijne zinnen op gezet; It spoke to my — = het sprak tot mijn hart; To take to — = zich aantrekken, ter harte nemen; Take this lesson to — = neem ter harte; He took (summoned) — of grace, and did it (to do it) = hij vatte moed; That man wears his — on his sleeve = draagt zijn hart op de tong; —-ache = zielesmart; —-blood of —’s-blood = hartebloed (ook fig.); —-break = hartzeer; —-breaker = wat het hart breekt, soort v. krul of lok; —-broken = verpletterd; —-burn, subst. zuur (in de maag); —-burning = ontevredenheid, ergernis, vijandschap; adj. ontevredenheid of jaloerschheid veroorzakend; —-complaint, —-disease = hartziekte; —-failure = hartverlamming; —-felt(ly) = diep, oprecht, innig; —-rending = hartverscheurend; —’s ease = driekleurig viooltje; —-sick = diep bedroefd, zwaarmoedig, hartzeer gevoelend; —-sickening = bedroevend; —-sickness = zwaarmoedigheid; —-sore = hartzeer, groote smart; —-string = hartzenuw; meest. mv. en fig.; —-struck = getroffen; —-thrilling; —-touching = hartroerend; —-whole = met vrij, niet door de liefde getroffen hart; —en = aanmoedigen, bezielen; —iness = hartelijkheid, ijver, vuur, gezondheid; —less = harteloos, laf, flauw; subst. —lessness; —y = hartelijk, oprecht, ijverend (for, in), opgewekt, voedzaam, flink, stevig: Do it, that’s my —y = doe het, dan ben je een bovenstbeste!

Hearth, hâth, haard, haardstede, huiselijke kring, familie; —-broom, —-brush = haardstoffer; —-money = belasting op de stookplaatsen; —-rug = haardkleedje; —-stone = haardplaat; schuursteen.

Heat, hît, subst. hitte, warmte, vuur, gloed, heftigheid, hooge kleur, loop (in een wedstrijd), loopschheid, heete (bijtende) smaak; — verb. verhitten, warm maken, opwekken, warm worden, broeien: You cannot realise the white — of his wrath = zijne groote woede; His nature was at white — = was in gloed; He wrote this novel almost at a — = “aus einem Guss”, uit één stuk; —-wave; —er = verwarmer, verwarmingstoestel, voorwarmer, ijzeren bout (in een strijkijzer).

Heath, hîth, heide, vlakte, Erica of heidebloempje; —-cock = korhaan; —-game = korhoenders; —-hen = korhen; —-pout = korhaan; —en, hîdh’n, subst. heiden, barbaar, afgodendienaar; adj. heidensch, onbeschaafd, barbaarsch; —endom = heidendom; —enish = heidensch, ruw, wreed; —enism, hîdhənizm, heidensche toestand, barbaarschheid, ruwheid.

Heather, hedhɐ, heide(kruid); —-bell = gewone dopheide; —-tuft = heidetrosje; —y.

Heave, hîv, subst. rijzing, zwelling, deining, poging tot braking, zucht, worsteling; — verb, opheffen, verheffen, deinen, slaken, neerwerpen, ophijschen, hijgen, zwoegen, poging doen tot braken: —s = dampigheid; To — the lead = looden (peilen); She —d a sigh = slaakte een zucht; The ship hove in sight = kwam in ’t gezicht; To — about = over stag gaan; To — down = kielhalen; — down the sails = strijk, haal neer de zeilen; — out the sails = gooi de zeilen los; To — to = bijdraaien; — up = vomeeren: Let us — up that design = laten we dat plan laten varen; —r = hefboom; losser: Coal-—r.

Heaven, hev’n, hemel, lucht: To be in the (a) seventh — = in den zevenden hemel; He moved — and earth to get it = wendde alles aan; It smells to — = schreit; The — may fall, and we may have larkpie for supper; Zie Lark; — of —s = de hemel der hemelen; —-born = van den hemel gedaald, hemelsch; —-bred = van goddelijken oorsprong; —-directed = door den hemel bestuurd, ten hemel wijzend; —-gate = hemelpoort; —-gifted = door den hemel geschonken; —high = hemelhoog; —liness, subst. v. —ly = hemelsch, goddelijk, uitstekend, voortreffelijk; van den hemel; —ly-minded = hemelschgezind, vroom; subst. —ly-mindedness; —-sent = door den hemel gezonden; —ward(s) = hemelwaarts.

Heaviness, hevinəs, subst. v. Heavy, hevi, zwaar, gedrukt, droevig, zwaarmoedig, slaperig, suf, vervelend, dreigend, niet behoorlijk gerezen (van brood), vol (van wijnen), hevig, groot, hoogstaand, slecht, dampig: The officers of the heavies = de officieren der zware cavalerie; —-armed = zwaar gewapend; He did the — business, i.e. van den —man = speelde de père noble rollen; — cavalry = zware ruiterij; A — father kind of man = iemand met het gewichtige van een père noble; —-gaited = met moeielijken, langzamen gang; —-handed = lomp, despotisch; —-laden = zwaargeladen; —-lidded = met zware, hangende oogleden; A — loss; —-spar = zwaarspaath; — type = vette letter; —-weight = zwaargebouwd bokser, of renpaard; jockey voor dat paard; gewichtig persoon (fig.); His life hangs — (up)on his hands = valt hem zwaar.

Hebdomadal, hebdoməd’l, wekelijksch; Hebdomadary, hebdoməd’ri, subst. lid van een kapittel of klooster, die den weekdienst in het koor heeft; adj. wekelijksch.

Hebe, hîbî, Hebe.

Hebetude, hebitjûd, stompheid, sufheid.

Hebraic(al), hîbreiik(’l), Hebreeuwsch; Hebraism, hîbrəizm, Hebreeuwsche spreekwijze of gewoonte; Hebrew, hîbrû, subst. en adj. Hebreeër, Hebreeuwsche taal; —-wise = in tegengestelden zin.

Hebridean, Hebridian, hibridj’n, tot de Hebriden behoorende; Hebrides (The), dhəhebridîz.

Hecate, hekətî, Grieksche godin.

Hecatomb, hekətom, hekətûm, offerande van honderd ossen of andere beesten, groote offerande.

Heck, hek, ruif, boven en onderdeur, klink, bocht of kromming in een stroom.

Heckle, hek’l (Zie Hackle), een verkiezingscandidaat scherp ondervragen; Heckling meeting = meeting met debat, waarin een candidaat onder het mes genomen wordt (Schotl.).

Hecla, heklə.

Hectare, hektêə, hectare, ongeveer 2,471 acres.

Hectic, hektik, teringachtig; subst. = —-fever = teringkoorts, teringblos.

Hectogram(me), hektəgram, hectogram.

Hectolitre, Hectoliter, hecktəlîtə, hektolitə, hectoliter.

Hectometre, Hectometer, hektəmîtə, hektomitə, hectometer (328 feet).

Hector, hektə, subst. snoever, vechtersbaas; — verb. snoeven, bluffen, onbeschaamd behandelen: He —ed it out of me = hij kreeg het uit mij door brutaliteit (Vergel. He —ed me out of it = kreeg het van mij door br.); He —ed over me = negerde, donderde mij.

Hectostere, hektəstîə, 100 kubieke meters (ruim 3531,4 cubic feet).

Hecuba, hekjuba.

Hederal, hederel, klimopachtig; Hederiferous, hedərifərɐs, klimopdragend, voortbrengend.

Hedge, hedž, subst. heg; adj. slecht, gemeen, heimelijk; — verb. met een heg omgeven, insluiten, omheinen, op verschillende kansen tegelijk wedden, zich koest houden: Over — and ditch = over heg en steg; You are on the wrong side of the — = gij hebt het mis, zijt verkeerd; —-berry = vogelkers; —-bill = snoeimes; —-born = van lage geboorte; onecht; —-creeper = landlooper; —hog = egel; —hog thistle = nopal; vijgdistel; —-hyssop = genadekruid; —-marriage = geheim huwelijk; —-parson, —-priest = hageprediker; —-row = haag; —-school = hageschool (boerenschool, vroeger in Ierland in de open lucht gehouden); —-schoolmaster = meester van die school; —-sparrow = bastaard-nachtegaal; —-stake = heiningpaal, stut; —-writer = prulschrijver; —r = haagmaker, haagsnoeier.

Hedonism, hîdənizm, hedənizm, de leer, dat genot het levensdoel is: You are right from a hedonistic point of view = als het leven slechts genot is hebt gij gelijk; Hedonist = aanhanger van die leer.

Heed, hîd, verb. zorgvuldig letten op, gadeslaan; subst. zorg, oplettendheid, omzichtigheid: Take — = pas op; He —ed my words = lette op en deed naar; —ful = opmerkzaam, behoedzaam; subst. —fulness; —less = achteloos, onbezonnen, onverschillig; subst. —lessness.

Hee-haw, hî-hô, balken.

Heel, hîl, subst. hiel, hak, knobbel, korst, knop, laatste stuk, overhelling naar eene zijde; — verb. een hak of hiel zetten aan, van een hiel of spoor voorzien, overhellen, op de hielen zitten; van geld voorzien (Amer.); krengen (scheepst.): He went at it —s over head = hals over kop, onbezonnen, roekeloos; Neck and —s = in de volle (lichaams)lengte; The police are at (upon) his —s = zit hem op de hielen; His shoes are down at —s, out at —s = afgetrapt, versleten; To cool one’s —s = lang (moeten) wachten; To fling up one’s —s = achteruit slaan, uit den band springen, dansen; To keep to — = achter zijn meester aanloopen (v. honden); To kick up one’s —s (Zie Fling up); To kick one’s —s = wachten; They were laid by the —s = zij werden geboeid, gevangen genomen; The enemies showed their —s, took to their —s = lieten de hielen zien, zetten het op een loopen; To stick to — = achter blijven loopen; He always treads upon a man’s —s = volgt een mensch gelijk zijne schaduw; To turn up the —s = doodgaan; —-ball = mengsel van harde was en lampzwart, om de hielen glad, of afdrukken van koperen gedenkplaten te maken; —-piece, subst. achterlap, hakstuk; —-tap, subst. staartje (in een glas); een der laagjes leer waaruit de hak bestaat: No —-taps! = uitdrinken!

Heft, heft, gewicht, handvat, poging, grootste deel (Amer.); woning, verblijf (Schotl.); — verb. optillen om het gewicht te bepalen; gewoon worden aan (Schotl.): A Part-—er = acteur, die de beteekenis van zijn rol afmeet naar de lengte; —y = zwaar.

Hegemony, hədžeməni, hedžmoni, hîdzəmoni, hegəmoni, hîgəmoni, hegemonie.

Hegira, hedžərə, Hegira of Hedjra, vlucht van Mahomed uit Mekka (622).

Heifer, hefə, vaars.

Heigh, hei, hai, hei! holà! —-ho = ha, och, o wee!

Height, hait, hoogte, verhevenheid, toppunt, gestalte, lengte: In the — of fashion = naar de laatste mode; We were in London at the — of the season = toen de “season” in vollen gang was; The — of summer = het hartje; Heighten = verhoogen, verheffen, vermeerderen, versterken.

Heinous, heinəs, afschuwelijk, snood, misdadig; subst. —ness.

Heir, êə, subst. erfgenaam, nakomeling; — verb. erven; —-at-law, —-apparent = rechtm. erfgen. of troonopv.; —-general = universeele erfgen.; —-presumptive = vermoedelijke erfgenaam (wiens rechten ophouden, zoo er nog een ander erfgenaam, den bezitter nauwer verwant, geboren wordt); Joint — = mede-erfgenaam; —ess = erfgename; —less = zonder erfgenamen; —loom = erfstuk; —ship = erfrecht.

Held, held, imp. en part. perf. van to hold.

Helen, hel’n, Helena (St.), helənə, həlînə.

Heliac, hîliək, Heliacal, hilaiək’l, met de zon opkomende en ondergaande,

Helianthus, hîlianthəs, zonnebloem.

Helical, helik’l, spiraalvormig; —-spring = spiraalveer.

Helicon, helikon; Heliconian, helikounj’n, tot den Helicon behoorende.

Heligoland, heligəland, Helgoland.

Heliocentric, hîliousentrik, met de zon als middelpunt.

Heliochromy, hîliəkroumi, hîliokrəmi, kleurenphotographie.

Heliograph, hîliəgraf, heliograaf; — verb. heliographeeren; adj. Heliographic(al); Heliography = heliographeeren, heliographie; Heliogravure, hîliəgreivjə, heliəgravûə, heliogravure; Heliometer, hîliomətə, toestel aan kijker om den schijnb. diameter van de zon te bepalen; Helioscope, hîliəskoup, helioscoop.

Heliotrope, hîliətroup, heliotroop (plant, gesteente, astron. instrument).

Helium, hîliəm, helium.

Helix, heliks, hîliks (Meerv. —es, hîliksiz, Helices, helisîz), spiraal, schroeflijn; slakkenhuis of buitenste zoom van het oor; huisjesslak; schelpslak.

Hell, hel, hel, speelhuis: What the — do you want? Where the — are you driving at? To play — and Tommy = de beest spelen; —-cat = feeks = —-hag; —-hated = verfoeid en veracht als de hel; —-hound = helhond, cerberus; —ish.

Hellebore, heləbö, Helleborus, nieskruid.

Hellene, helîn, helîn, Helleen; Hellenian, helînj’n = Hellenic, helînik, Helleensch; Hellenism, helinizm, Hellenisme; Hellenists, helinists, Grieksche joden in Egypte gevestigd, die het Hellenisme tot bloei brachten, Hellenisten; adj. Hellenistic(al); Hellenize, helinaiz, Grieksche gewoonten aannemen, Grieksche idiomen nabootsen.

Hellespont, heləspont.

Helm, helm, subst. roer, helmstok, roer van staat; helm; — verb. besturen: At the — (of) = aan ’t roer (ook fig.); —less = zonder roer of helm; —sman = roerganger.

Helmet, helmət, helm; —ed.

Helminthagogue, həlminthəgog, wormkoekje; Helminthic, həlminthik, wormen verdrijvend (middel).

Helot, helət, hîlət, heloot, slaaf (in het oude Sparta), lijfeigene; —ism = toestand van een heloot; —ry = staat van een heloot; de gezamenlijke heloten.

Help, help, subst. hulp, bijstand, steun, ondersteuning, helper; — verb. helpen, bijstaan, ondersteunen, voorkomen, nalaten, bedienen: There is no — for it = er is niets aan te doen; That is but my second — = ik word pas voor de tweede maal bediend; You give large —(ing)s = groote porties; He couldn’t — himself = kon er niets aan doen; He shan’t go if I can — it = als ik er wat aan doen kan; I couldn’t — attaching myself to him = ik moest me wel aan hem hechten; Thank you for —ing me forward = dat je me zoo vooruit geholpen hebt; He —ed me off with my cloak = hielp mij afdoen; Let me — you off time = laat ik u den tijd helpen verdrijven; He —ed me on with my coat = hielp mij aantrekken; Can’t you — me on = kunt gij mij niet voorthelpen? To — out with = aanvullen met; He —ed me over the stile = hij heeft mij over het hek geholpen; May I — you to a potato = mag ik u geven? He —ed me to my coat = verschafte mij; —mate = helper, helpster, kameraad, echtgenoote = —meet; —er; —ful = hulpvaardig, heilzaam; subst. —fulness; —ing = portie voedsel: I have not yet finished my first —ing of veal = mijne eerste portie kalfsvleesch; —less = hulpeloos, machteloos, radeloos, ongeneeslijk: He was —lessly drunk = stomdronken; subst. —lessness.

Helter-skelter, heltəskeltə, holderdebolder, verward: A — young fellow = onbesuisd.

Helve, helv, steel van een hakmes, bijl, enz.; — verb. van een steel voorzien: That is throwing the — after the hatchet = dat is den steel naar de bijl werpen; —r = handvat.

Helvellyn, helvelin.

Helvetia, helvîšə, Helvetië; —n, helvîš’n, subst. en adj. Zwitser(sch); Helvetic, helvetik, subst. Zwitser; adj. tot Helvetië behoorende.

Hem, hem, subst. “H’m”, korte hoest; zoom, rand, boord; — verb. “h’m” roepen, aarzelen; zoomen, insluiten, omsingelen: —med in with enemies, I knew not what to do = door vijanden van alle kanten ingesloten; My feelings —med in my speech = beletten mij te spreken; —-stitch = zoomsteek.

Hemans, hemənz, hîmənz.

Hematite, hîmətait, hemətait, bloedsteen, rood en bruin ijzererts.

Hemi, hemi, (in samenstellingen) half …: —carp, hemikâp, vrucht (zooals eene perzik) die zich vanzelf in tweeën deelt; —plegia, hemipledža, verlamming aan de eene zijde van het lichaam; —sphere, hemisfîə, halfrond; —tone, hemitoun, halve toon.

Hemlock, hemlok, dolle kervel; —-spruce = Canadeesche (Hemlock) spar.

Hemp, hemp, hennep, werk; —-nettle = hennepnetel; —-seed = hennepzaad: To die of a —en fever = aan de galg sterven.

Hen, hen, kip, hen: Every — must sit on her own nest = ieder moet zijn eigen zaakje opknappen; —-bane = bilzenkruid; —-coop = hoenderhok; —-harm, —-harrier = blauwe kuikendief; —-hawk = kuikendief; —-house = kippenhok; —-peck: He is a —-pecked husband = hij zit onder de plak van zijne vrouw; —-roost = hoenderrek, kippenhok; —nery = kippenloop.

Hence, hens, adv. vanhier, hier vandaan, daardoor komt het dat; interj. weg, ruk uit; A week — = over eene week; — I am sad = dat is de reden mijner droefheid; (From) —forth, hensföth, — forward, hensföwəd, hensföwəd, voortaan.

Henchman, henšm’n, vroeger een bediende of page; betaalde politieke aanhanger, handlanger.

Hendecagon, hendekəgon, elf hoek.

Hendecasyllable, hendəkəsiləb’l (vers)regel van elf lettergrepen; adj. Hendecasyllabic.

Henriette, henrietə. Henry, henri.

Hent, hent, grijpen, pakken.

Hepatic(al), hipatik(’l), lever..; Hepatite, hepətait, hîpətait, leversteen; Hepatitis, leverontsteking; Hepatocele = leverbreuk.

Heptachord, heptəköd, reeks van zeven noten, zevensnarig instrument; Heptagon, heptəgon, zevenhoek; Heptahedral, heptəhîdr’l, zevenzijdig; Heptahedron, heptəhîdr’n, zevenzijdige figuur; Heptangular, heptaŋgjulə, zevenhoekig; Heptarchy, heptâki, heptarchie; Heptastich, heptəstik, zevenregelig vers; Heptateuch, heptətjûk, de eerste zeven boeken van het O. Testament.

Her, hɐ̂, bez. en pers. voorn.w., haar.

Heracl(e)id, herəkl(a)id, Heraclide; Heracl(e)idan, herəklaid’n, subst. afstammeling van Hercules; adj. tot de Heracliden behoorende.

Herald, her’ld, subst. heraut, wapenheraut, bode, voorlooper; — verb. aankondigen, verkondigen: —s’ college = Hooge Raad van Adel, bestaande uit den Earl Marshal, 3 kings-at-arms en 6 heralds; —ic, həraldik, wapenkundig; —ry, her’ldri, wapenkunde, praal; ambt van heraut = —ship.

Herb, hɐ̂b, gras, kruid (éénjarig); —-woman = groentevrouw; —aceous, hɐ̂beišəs, tot de kruiden behoorende, plantenetend; —age, hɐ̂bidž, de gezamenlijke kruiden of grassen, gras, weide, weiderecht; —al = kruiden - -, planten - -; subst. kruidenboek, herbarium; —alist = kruidenkenner, plantenverzamelaar, handelaar in geneeskrachtige kruiden; —arium, hɐ̂bêriəm, plantenverzameling, herbarium; —iferous, hɐ̂bifərɐs, planten voortbrengend; —ivora, hɐ̂bivərə, plantenetende dieren; enkelv. —ivore; —ivorous, hɐ̂bivərɐs, plantenetend; —orize = botaniseeren.

Herculean, hɐ̂kjûlj’n, herculisch, buitengewoon sterk, groot, moeilijk of gevaarlijk; Hercules, hɐ̂kjulîz, Hercules: — beetle = Herculeskever.

Hercynian, hɐ̂siniən: — forest = groot bergwoud.

Herd, hɐ̂d, subst. kudde, troep, zootje herder, hoeder; — verb. in kudden leven zich vereenigen, hoeden, oppassen: To — cattle; —-book = rundveestamboek; —’s-grass = weidegras; —’s-man = veehoeder = —er (Amer.) ook (fig.).

Here, hîə, hier, bij deze gelegenheid: —’s to J.! = daar gaat (= ik drink op) J.; It was Sir P. —, Sir P. there, Sir P. everywhere = vóór en na; It’s Mr. D. —, and Mr. D. there; That is neither — nor there = dat hoort er niet bij, doet niets tot de zaak af; — you are = alstublieft; —about(s) = hieromtrent, hier in de buurt; —after = subst. het hiernamaals; adj. aanstaande, toekomstig; adv. hierna, voortaan; —at = hierbij; —by = dichtbij; —in = hierin; —of, hiervan, hier vandaan; —on = hierop; —to = hiertoe, hierbij; in overeenstemming hiermede; —tofore = eertijds, vóór dezen; —upon = hierop; —with, —widh, hiermede, bij deze(n).

Hereditable, həreditəb’l, erfelijk; Hereditament, herəditəment, həreditəment, erfgoed; Hereditary, həreditəri, erfelijk, overerfbaar (van ziekte), erf..; Heredity, hərediti, erfelijkheid, overerving.

Hereford, herfəd.

Heresiarch, herəsiâk, hərîsiâk, aartsketter, ketterhoofd; Heresy, herəsi, ketterij; Heretic, herətik, ketter; Heretical, həretik’l, kettersch.

Heriot, heriət, schatting, aan den landheer te betalen bij den dood van den pachter.

Herisson, heris’n, Spaansche of Friesche ruiter (Mil.); egel (Herald.).

Heritability, heritəbiliti, erfgerechtigdheid, erfelijkheid; adj. Heritable; Heritage, heritidž, erfenis, erfdeel.

Hermaphrodite, hɐ̂mafrədait, subst. tweeslachtig dier of plant; adj. tweeslachtig; adj. Hermaphroditic(al), hɐ̂mafrəditik(’l), Hermaphroditism, hɐ̂mafrədaitizm.

Hermeneutic(al), hɐ̂mənjûtik(’l), uitleggend, verklarend; Hermeneutics, hɐ̂mənjûtiks, uitlegkunde (vooral van de H. Schrift).

Hermes, hɐ̂mîz, Hermes.

Hermetic(al), hɐ̂metik(’l), hermetisch, luchtdicht.

Hermione, hɐ̂maiənî.

Hermit, hɐ̂mit, kluizenaar; adj. Hermitical; Hermitage, hɐ̂mitidž, kluis, soort Fransche wijn (wit of rood).

Hernehill, hɐ̂nhil.

Hernia, hɐ̂niə, breuk; adj. —l; Herniology, hɐ̂niolədži, leer van —, verhandeling over breuken.

Hern(shaw), hɐ̂n(šô), jonge reiger.

Hero, hîrou, held, halfgod; —-worship = heldenvergoding; —ic, hirouik, heldhaftig, helden …: He goes into —ics = vervalt in bombastische taal; —ic age = de heldentijd; —ic treatment = drastische behandeling (van een ziektegeval); —ic verse = versregel van vijf jamben (bij de modernen), hexameter (bij de ouden); —ine, herouin, heldin; —ism, herouizm, heldenmoed; —-ship = heldendom.

Herodians, həroudj’nz, partij van Herodes (= Herod, herəd: Matth. XXII, 15 en 16).

Heron, her’n, Hern, hɐ̂n, reiger; —ry = reigerhut.

Herpes, hɐ̂pîz, vlecht (huidziekte).

Herpetology, hɐ̂pətolədži, leer van de kruipende dieren.

Herring, heriŋ haring: Fresh — = panharing; Pickled — = pekelharing; Red — = bokking, Zie Aniseed-bag; Such an inquiry should not end in a savour of red — = zulk een onderzoek moet niet eindigen onder de verdenking, dat de jury listig op een dwaalspoor is gebracht; I suppose that line will be your red — with the jury = met die argumentatie zul je de jury het spoor bijster willen maken (hoofdzaak en bijzaak willen doen verwarren); Vinegared — = zure; —-bone = haringgraat, diagonale dwarssteek, diagonaal metselwerk; —-buss = haringbuis; —-fishery = haringvisscherij; —-pond = de (Atlantische) Oceaan (Amer.): To cross the —-pond = oversteken naar Amerika; gedeporteerd worden.

Herrnhuter, hɐ̂nhûtə, Hernhutter.

Hers, hɐ̂z, de of het hare, van haar; She was by herself = alléén.

Herse, hɐ̂s, hekel of hamei.

Hertford, hâfəd; —shire, hâfədšə = Herts, hâts.

Hertha, hɐ̂thə, Oud-Noorsche godin der aarde.

Hervey, hɐ̂vi.

Hesiod, hîsiod, Hesiodus; adj. —ic, hîsiodik.

Hesitate, heziteit, hesiteit, aarzelen, weifelen, stamelen; Hesitation, heziteiš’n, hesiteiš’n, aarzeling, weifeling, hapering; adj. Hesitative.

Hesper(us), hespər(əs), avondster; Hesperia(n), hespîriə(n), subst. (bewoner van) Hesperië of het Avondland; adj. westelijk; Hesperides, hesperidîz, de Hesperiden.

Hesse, hes, Hessen; Hessian, heš’n, subst. bewoner van Hessen; politieke huurling (Amer.); adj. tot Hessen behoorende: — boot = hooge rijlaars met kwastjes van voren; — fly = eene kleine mug, wier larve in plantenuitwassen leeft (Cecidomyia).

Hest, hest, bevel, gebod.

Heter(o), hetə(rou) (in samenstellingen), anders, vreemd, verschillend: —oclite, hetərəklait, subst. en adj. onregelmatig gebogen (woord); —odox, hetərədoks, onrechtzinnig, kettersch; —odoxy, hetərədoksi, ketterij, onrechtzinnigheid; —ogeneous, hetərədžîniəs, ongelijksoortig; —ogenesis, hetərədženəsis, voortbrenging van nakomelingen verschillend van de ouders.

Hetman, hetm’n, hetman.

Hew, hjû, houwen, hakken, vellen.

Hewes, hjûz; Hewitt, hjûwit.

Hex(a), heks(ə), (in samenstellingen), zes; —adactylous, heksədaktiləs, met zes vingers of teenen; —agon, heksəgon, zeszijdige figuur, zeshoek; —ahedral, heksəhîdr’l, zeszijdig; —ahedron, heksəhîdr’n, zeszijdig lichaam, kubus; —ameter, heksamətə, subst. zesvoetige versregel; Hexametric(al), met zes voeten; —angular, heksaŋgjulə, zeshoekig; —apod, heksəpod, zespootig insekt; —astich, heksəstik, zesregelig gedicht; —astyle, heksəstail, tempel of gebouw met zes zuilen in het front.

Hey, hei, ha, hei, hoera! It is — for R. now = Het is nu: vooruit naar R.: —-day, heidei, he! subst. toppunt, storm: — Presto! Change! = Rrrt! iets anders!

Hezekiah, hezəkaiə, Hiskia.

Hi, hai, he!

Hiatus, haieitəs, gaping, leemte, hiaat.

Hiawatha, haiəwâthə, haiəwôthə.

Hibernate, haibɐ̂neit, den winter in slapenden of verstijfden toestand doorbrengen (van dieren); overwinteren; subst. Hibernation.

Hibernia, haibɐ̂njə, Ierland; —n, haibɐ̂nj’n, subst. Ier; adj. Iersch; Hibernicism, haibɐ̂nisizm, Iersch idioom; Hiberno-celt, haibɐ̂nouselt, Iersche Kelt; Hiberno-Celtic = Oud-Iersch.

Hiccough, Hiccup, hikɐp, subst. hik; — verb. den hik hebben.

Hickery pickery, hikəripikəri, mengsel van gestampte kaneelbast en aloe = Hicra picra.

Hickory, hikəri, hickoriehout, witte N. Amer. walnotenboom; adj. taai en sterk (Amer.): — shirt (shorts) = hemd (onderbroek) van gestreept katoen.

Hid(den), hid(’n), imp. en p.p. van to hide: The spaces of the Hid = het onbekende land.

Hidalgo, hidalgou, Hidalgo.

Hidder and shidder, hidəran(d)šidə, hij en zij, mannetje en wijfje.

Hide, haid, subst. huid, zweep, oude landmaat: I have curried his — = I gave him a good hiding = ik heb hem goed afgerost; —-bound = met strakke huid of bast; bekrompen: You cannot fatten a — colt = een veulen met strakke huid; That is — conservatism = star, bekrompen conservatisme.

Hide, haid, verbergen, geheim houden, ranselen, verborgen zijn, zich schuil houden, bedekken: To — one’s face = zijn aanschijn verbergen, zijn gunst onttrekken, niet achtslaan op; zich schamen; I will — my face from it = zal het over het hoofd zien; The children were playing at —-and-seek = de kinderen waren aan het verstoppertje spelen; Hiding, haidiŋ, het verbergen, schuilplaats; pak ransel: He was in — there = hield zich daar schuil; —-place = schuilplaats.

Hideous, hidjəs, leelijk, afzichtelijk; subst. —ness.

Hie, hai, zich haasten.

Hiemal, haiəm’l, winter.…

Hierarch, hairâk, opperpriester, kerkvoogd; —al, hairâk’l, hairɐ̂k’l = Hierarchic(al), haiərâkik(’l) = hierarchisch; —y = priesterregeering, kerkheerschappij; Hieratic(al), hairatik(’l), hiëratisch, priesterlijk.

Hieroglyph, hairəglif, subst. hiëroglief; adj. Hieroglyphic(al).

Hierophant, hairəfant, haierəfant, hoogepriester.

Hifalautin, haifəlôtin. Zie High-faluting.

Higgle, hig’l, rondventen, afdingen, zaniken of vallen over kleinigheden, vitten; —r = afdinger, venter.

Higgledy-piggledy, hig’ldipig’ldi, onderstboven, in volkomen verwarring, overhoop; subst. verwarde hoop.

High, hai, hoog, verheven, machtig, edel, aanmatigend, hevig, sterk riekend, pikant, scherp: The Most — = de Allerhoogste; This word must be written with a — M = groote M.; — and dry = hoog en droog; geborgen, in zekerheid; vastgezet, in ’t nauw gebracht: These people are — and dry conservatives = ouderwetsche, onvervalschte; With a — hand = uit de hoogte, brutaal, onbeschaamd; — Bailiff = vroeger voor Sheriff en Mayor gebruikt, baljuw; It is — day = klaar dag; That is all — Dutch to me = volkomen onbegrijpelijk; — German = Hoogduitsch; — jinks = groote jool; —life = de groote wereld; — noon = ’s middags 12 uur; On the — seas = in volle zee; — Sheriff = de voor één jaar door den koning benoemde hoogste ambtenaar van een county; It is — time = hoog tijd; — old time = de goede oude tijd; — treason = hoogverraad; — water = hoog water; — wind = krachtige wind; — wine = sterke cognac (Amer.); On — = omhoog, in de lucht; To carry it — = airs aannemen; —-aimed = met een verheven of groot doel; —-blown pride = opgeblazen trots; —-bred = van zuiver bloed of ras, voornaam; —-born = van edele geboorte; —-caste = van hoogen rang; —-church, subst. Anglikaansche kerk van meer orthodoxe richting, in zooverre in verband met de Oxford of Tractarian Movement (sedert 1833) meer nadruk wordt gelegd op de beteekenis en handhaving van het Ritualism of Anglican Sacerdotalism; adj. tot die kerk behoorende; —-churchism = beginselen der —-church; —-churchman = aanhanger dezer kerk; —-class work = uitstekend; —-cockalorum = bok sta vast (kinderspel); —-coloured = met hooge, sterke kleur; in bloemrijken stijl, sterk gekleurd; — court of Justice = hoog gerechtshof; —-cross = kruis, vroeger op de markten geplaatst; —-day = hoogtij, feestdag; bloeitijd; —-faluting = hoogdravend, bombastisch, gemaakt (Am.); —-fed = volgepropt, gemest, weelderig; —-flier = fantast, wijsneus, zwendelaar: He was a —-flier at fashion = erg op de mode gesteld; —-flown = trotsch; opgeblazen, eerzuchtig; —-handed = aanmatigend, willekeurig; —-heeled: She has her —-heeled shoes on (Amer.) = wat draait zij op haar hakjes, wat steekt ze den neus in den wind; —land = hoogland: The —lands = bergachtig deel van Schotland; —land fling = Schotsche dans, horlepijp; —lander = bewoner van de —lands; —-lived, hailaivd, voornaam; —-living, hailiviŋ, het leven op grooten voet; wonen op een zolderkamer; —-low = bottine, rijglaars; —-mass = hoogmis; —-mettled = vol vuur en opgewektheid; —-minded = grootmoedig, edel; hoogmoedig; subst. —-mindedness; —-pitched = trotsch, eerzuchtig; hooggestemd: —-pitched roof = hoog en spits dak; —-pressure = subst hooge druk; adj. met hoogen druk: —-pressure engine; —-priest = hoogepriester; —-principled = met edele beginselen; —-proof = krachtig, sterk-alcoholisch; welbeproefd; —-reaching = hoogreikend, eerzuchtig; —road = groote weg, straatweg; —-seasoned = sterk gekruid, pikant; —-seated = hoog gezeten; —-souled = edel van ziel; —-sounding = hoogdravend, praalziek, vol vertoon; —-spirited = vol vuur en fierheid, stoutmoedig; —-stepper = paard, dat de pooten hoog optilt, iemand die pedant stapt; —-stepping = hoogdravend, fier; —-strung = hooggespannen, overmoedig, opgeblazen; —-swollen = opgezwollen, opgeblazen; —-tasted = pikant; —-tide = hoog water, vloed; —-toned = hoog van toon, krachtig van klank; met hooge beginselen; —-water = vloed; —-watermark = hoogpeil; —way = straatweg, groote weg: To take the —way = struikroover worden; —wayman = struikroover; —wrought = fijn bewerkt; opgewonden; —ly: To think —ly of = een hoogen dunk hebben van; —ness = hoogheid, verhevenheid: Your — = Uwe Hoogheid.

Highty, haiti; —-flightiness = wuftheid; adj. —-flighty; —-tighty = Hoity-toity: Do not turn me off in that — manner = zend mij niet weg op die hooghartige manier.

Hilarious, h(a)ilêriəs, vroolijk, opgewekt; Hilarity, h(a)ilariti, vroolijkheid, opgewektheid.

Hilary term, hiləritɐ̂m, vroegere zittingstijd (11 Jan.–31 Jan.) in de Eng. gerechtshoven; thans — Sittings van 11 Jan. tot den Woensdag vóór Paschen; cursus van 14 Jan. tot Zaterdag vóór Palmzondag aan de Univ. van Oxford.

Hill, hil, heuvel; — verb. aanaarden; Up — down dale = berg op berg af; As old as the —s = zoo oud als de weg naar Kralingen; To go down the — = achteruitgaan, minder worden; —-folk = bergbewoners; —-side = helling van een heuvel; —-top = heuveltop; —-wort, —wɐ̂t, polei; —iness = heuvelachtigheid; —ock = heuveltje, bergje; —y = heuvelachtig.

Hilt, hilt, hecht, gevest: You can count upon me up to the — = volkomen; Up to the — in debt = tot over de ooren; Mortgaged up to the — = geheel; You have proved it (up) to the — = gij hebt het zonneklaar bewezen.

Him, him, pers. voornw., hem; —self = hemzelf, zichzelf: He was not —self yesterday = zichzelf niet, niet lekker; He was by —self = alleen; He kept —self to —self for some time = hij zonderde zich af.

Himalaya, himâljə, himəleijə, himəlaijə: — Mountains = The —s = het Himalayagebergte.

Hind, haind, subst. hinde; boer, boerenarbeider, knecht.

Hind, haind, achterste: — before = achterstevoren; With their heads turned — foremost = achterstevoren; —-leg = achterpoot; —most = achterste; —er, haində, achterste, laatste = —ermost = laatste.

Hinder, hində, hinderen, verhinderen, beletten, moeielijkheden in den weg leggen: He —ed me from coming = belette mij; Hind(e)rance, hindr’ns, hindernis, nadeel = —er, ook hij die verhindert.

Hindi, hindî, Noord Ind. dialect; Indiër.

Hindoo, Hindu, hindû, hindû, subst. en adj. Hindoe(sch); Hinduism, hindûizm, leer der Hindoes; Hindu Kush, hindukûš; Hindustan, hindustân; Hindustani, hindustânî, Hindostansch(dialect).

Hinge, hinž, subst. hengsel, scharnier, spil; — verb. van hengsels voorzien, draaien, steunen, afhangen: Things are off the —s = de boel is in de war; Everything —s on that fact = om dat feit draait alles.

Hink, hiŋk, sikkel.

Hinny, hini, subst. muildier; — verb. hinniken.

Hint, hint, subst. zinspeling, wenk; — verb. zinspelen, een wenk geven, aan de hand doen, toespelingen maken: Do not — at a present = maak vooral geene toespeling op; The beauties of nature are not only —ed, but brought home = niet slechts aangeduid, maar voelbaar gemaakt; He took the — = begreep den wenk.

Hip, hip, subst. heup; graatspar of hoekkeper van een tentdak; bottel van de hondsroos; —s = zwaarmoedigheid; To catch on the — = in de macht krijgen; To have on the — = in de macht hebben, overwinnen; The government was beaten — and thigh = bleef verschrikkelijk in de minderheid; To smite — and thigh = den schenkel en de heup (Richt. XV, 8); —-bath = zitbad; —-gout = heupjicht; —-joint = heupgewricht; —-roof = tentdak; —-shot = ontheupt, lam; —-tree = hondsroos; —ped = met ontwrichte heup; somber, gedrukt: You are —ped, you want more society = je bent zwaarmoedig (“hiep”); —pish = somber, gedrukt.

Hippocampus, hipəkampəs, zeepaardje; Hippocras, hipəkras, hipokras; Hippocrates, hipokrətîz; Hippocratic, hipəkratik, Hippocratisch: — face = gelaat van een stervende even vóór de dood intreedt. Hippocrene, hipəkrîn, hipəkrînî, Hengstebron; Hippodrome, hipədroum, circus, wedstrijd met vooraf afgesproken resultaat (Amer.); Hippogriff, hipəgrif, gevleugeld paard; Hippolyta, hipolitə, Hippolyta; Hippopathology, hipəpətholədži, leer der paardenziekten; Hippophagist, hipofədžist, eter van paardenvleesch; The man’s hippopotamic manner = ’s mans lompe, onbehouwen manier; Hippopotamus, hipəpotəmɐs, nijlpaard, rivierpaard.

Hircania, hɐ̂keiniə.

Hircine, hɐ̂s(a)in, sterk riekend, als v. een geit, bok, bokachtig: hircine.

Hire, haiə, subst. huur, loon, belooning, steekpenning; — verb. huren van iemand, in dienst nemen voor loon, omkoopen, verhuren: To — oneself to, out = zich verhuren aan, verhuren; —less = gratis; —ling, subst. huurling; ook adj.; —r = huurder; verhuurder (= —r out).

Hirsute, hɐ̂siût, hɐ̂siût, behaard, borstelig, haar - -.

His, hiz, pron. poss. zijn, de of het zijne: He has come by — own = heeft gekregen wat het zijne was; He has come into — own = heeft zijn erfdeel gekregen.

Hish, hiš, aanhitsen; ook interj.

Hisk, hisk, moeielijk ademhalen.

Hispanicism, hispanisizm, Spaansch idioom; The Hispano-Portuguese frontier = Spaansch-Portugeesche.

Hispid, hispid, borstelig.

Hiss, his, subst. sisklank, gesis, gejouw; — verb. sissen, fluiten (van een pijl), uitfluiten.

Hist, hist, aanhitsen; interj. St.!

Histology, histolədži, leer der weefsels.

Historian, histôriən, geschiedschrijver; Historic(al), historik(’l), geschiedkundig: Historical cavalcade = (pageant) = historische optocht; Historic-painting, Historic-picture = geschiedkundig schilderstuk; Historic(al)-sense = historisch inzicht; Historicalness, historik’lnəs, geschiedkundige waarde of waarheid; Historiette, histôriet, verhaal, kleine geschiedenis; Historiographer, histôriogrəfə, geschiedschrijver; Historiography, histôriogrəfi, geschiedschrijving; History, histəri, geschiedenis, verhaal: Ancient (Modern, Natural, Sacred) —; —-piece = historische schilderij.

Histrionic(al), histrionik(’l), tooneelspel …, tooneelspeler …: Our — taste is gone = onze zin voor de tooneelspeelkunst; —s, histrioniks, tooneelkunst; Histrionism = de tooneelspelers, het spelen.

Hit, hit, subst. slag, stoot, steek onder water, aanraking, kans, gelukkige zet, treffer, succes; — verb. raken, treffen, slaan, gissen, raden, passen, gelukken, aantreffen, bedenken, ontdekken: The book is a decided — = heeft veel succes; The singer was a great — in London = maakte grooten opgang; He made an immense — with his song = had kolossaal succes; You must do it, — or miss (hitty missy) = op goed geluk af (eig. luk of raak); To — it off with = opschieten met: I always — it off with dogs and children; You have — it off = ge hebt het juist getroffen, geraden; He — off my likeness very happily = hij heeft mij goed getroffen; He — it out = hij heeft het er goed afgebracht; He — out at me = deed een slag naar mij; Her visit to America was a triumph; she — up all her hearers = zij pakte al hare hoorders in; I could not — upon the right expression = kon niet vinden; These words — the audience in their weakest place = tastten in hun zwak; I — it in his teeth = wreef het hem onder den neus; You have — the mark = het bij ’t rechte eind; You — it very punctually = hebt het precies getroffen; —ting-shot = raakschot.

Hitch, hitš, subst. ruk, kink, steek, beletsel, hapering, tijdelijke hulp in nood; — verb. vastmaken, aanhaken, met een ruk of sprong zich voortbewegen, optrekken, prettig samenwerken, aanslaan (van paarden), wegnemen: The — was due to your carelessness = door uwe zorgeloosheid ontstond het beletsel; Some — had occurred = er was een kink in den kabel gekomen; There the — lies = daar zit de knoop; Upon the least — I will have you write your lesson = als ge even hapert; The extinguisher was —ed to the candlestick = het dompertje was aan den kandelaar gehaakt; Take care, lest he —es you into a story = dat hij je niet in een verhaal ten tooneele voert; He —ed on the battery = haakte aan.

Hither, hidhə, hierheen, aan deze zijde: — and thither = heen en weer; —most = nabij, het meest naar deze zijde; —to = tot hiertoe; —ward = herwaarts.

Hive, haiv, bijenkorf, zwerm bijen, dicht bevolkte buurt; bijenkorfvormige hoed; — verb. in een korf doen of verzamelen, opzamelen, bevatten, samenwonen: I will no longer — with them = met hen onder één dak zijn; —-bee = korfbij; —r = ijmker.

Hives, haivz, keelontsteking; netelroos.

Hizzing, hiziŋ, gesis.

Ho(a), hou, he! ho!

Hoaky: By the — = alleduivels!

Hoar, hö, adj. wit, grijs, beschimmeld; — verb. wit of grijs maken, beschimmelen: —-frost = rijp; —-stone = grenssteen; Hoariness, subst. v. Hoary = grijs, grauw, met grijze haartjes bedekt; —-headed = met grijzen kop.

Hoard, höd, subst. voorraad, hoeveelheid; hoop, geheime schat of voorraad; — verb. vergaren, opzamelen, opleggen: He —ed all savings = zamelde op; —er.

Hoarding, hödiŋ, schutting om een in aanbouw zijnd gebouw.

Hoarse, hös, schor, heesch, krassend: I am as — as a crow; subst. —ness.

Hoax, houks, subst. grap, fopperij, aardigheid, “canard”; — verb. eene grap hebben, foppen: To play a — upon a person = een poets bakken; —er.

Hob, hob, subst. vooruitspringend plaatje aan een haard om iets warm te houden; naaf; houten pin, kinderspel waarbij naar een op een hob geplaatst geldstukje wordt gegooid: To play — with = een speldje steken voor (fig.).

Hob-and-nob, hobən(d)nob, drinken, een lijntje trekken met, vertrouwelijk praten, omgaan met.

Hobbes, hobz, Hobbes; Hobbism, hobizm, wijsgeerig stelsel van Th. Hobbes (1588–1679); Hobbist.

Hobble, hob’l, subst. hinken, strompelen; verlegenheid, moeielijkheid; — verb. strompelen, kluisteren van paarden, knoeien, prutsen: I’ve got into a nice — = ik zit leelijk in de klem; —-skirt = strompelrok; —r = hinkepoot; knoeier, onbevoegd loods, losse arbeider, een man, die een schuit trekt.

Hobbledehoy, hob’ldəhôi, jong mensch, te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken; —ish = slungelig.

Hobbly, hobli, hobbelig, oneffen, vol gaten (van een weg).

Hobby, hobi, boomvalk; stokpaardje; domkop, lummel; telganger: Every man rides his —; —-horse = stokpaardje (eig. en fig.), uilskuiken.

Hobgoblin, hobgoblin, hobgoblin, kabouter.

Hobnail, hobneil, hoefnagel, groote schoenspijker, pummel; — verb. met spijkers beslaan.

Hobnob, hobnob, op goed geluk, luk of raak; — verb. Zie Hob-and-nob.

Hobson’s choice, hobs’nztšôis, geene keus, gedwongen keus.

Hock, hok, knieboogspier (bij menschen); hakpees (bij paarden, etc.); Hochheimer, rijnwijn; — verb. een dier de knieboogspier doorsnijden; —-day = een feestdag bij ’t betalen der pacht; — Monday, — Tuesday = 2de Maandag en Dinsdag na Paschen; —-tide = de voorgaande feestdagen.

Hockey, hoki, soort v. kolfspel.

Hockle, hok’l, verb. Zie Hock.

Hocus, houkəs, drank met slaapkruid erin; — verb. bedriegen, iets bedwelmends door den drank mengen; —-pocus = hocus-pocus; ook adj.; — verb. bedriegen.

Hod, hod, kalk- of steenenbak; —-carrier = opperman = —-man, ook fig. = handlanger.

Hodden, hod’n, boersch; ook = —-gray (grey) = stof van ongeverfde wol.

Hodge, hodž, boer, boerenarbeider; —-podge = hutspot, allegaartje; —-pudding = allegaarspudding.

Hodiernal, houdiɐ̂n’l, huidig, van dezen dag.

Hodometer, hədomətə, afstandsmeter (aan de as van een rijtuig, etc.).

Hoe, hou, subst. schoffel; — verb. schoffelen: To — one’s own row = voor eigen stoep vegen (fig.); —-cake = grove maïskoek.

Hog, hog, subst. varken, gesneden beer, schaap tusschen 6 maanden en het eerste scheren, stier van een jaar; zwijn, vuilik; hog of schrobber, shilling; — verb. kort afknippen, schrobben (technisch “hoggen” genoemd), doorbuigen van een schip, met gebogen hoofd gaan (v. paarden); To go the whole — = voor niets terugdeinzen, iets consequent doorzetten, B zeggen als men A heeft gezegd; —-colt = éénjarig veulen; —-cote = varkenskot; —-herd = zwijnenhoeder; —-mane = kortgesneden opstaande manen; —pen = varkenskot; —’s-back = lage heuvelrug; —’s-lard = varkensreuzel; —-shearing = koude drukte; —-steer = wild zwijn in ’t derde (schaap in ’t tweede) jaar; —-sty = varkenskot; —-wash = varkensdraf; —gery = varkenskot; —gish, hogiš, zwijnachtig, vuil, dom, gulzig, zelfzuchtig; subst. —gishness.

Hogarth, hougâth.

Hoggerel, hogər’l, schaap in het tweede jaar.

Hogger-pump, hogəpɐmp, pomp in eene kolenmijn.

Hoggers, hogəz, kousen zonder voeten (door mijnwerkers gedragen).

Hogget, hogət, zwijn, veulen of schaap in ’t tweede jaar.

Hogmanay, hogmənei, hogmənei, Oudejaarsdag; onthaal of geschenk op dien dag in Schotland.

Hogshead, hogzhed, okshoofd, groot vat (= 52 gallons Tinto wijn; 30 gallons Hock; 48 gallons ale en beer).

Hoiden, hôid’n, subst. wilde meid, driedekker; adj. ruw, brutaal; — verb. stoeien, uitgelaten zijn; adj. —ish.

Hoist, hôist, subst. elevator, kraan; hoogte van vlag of zeil; — verb. (op)hijschen: He was —(ed) with his own petard = de mijn is verkeerd voor hem gesprongen.

Hoity-toity, hôititôiti, drommels! tut, tut! adj. opgewonden, druk, uitgelaten, stormachtig; subst. warboel; opgeblazenheid.

Hokey-pokey, houkipouki = Hocus-pocus; ook goedkoop ijs (op straat verkocht).

Holborn, houbən, Holbrook, houlbruk; Holcroft, holkroft.

Hold, hould, subst. houvast, greep, steun, invloed, macht, gevangenschap, gevangenis, schuilplaats, ruim van een schip; — verb. houden, vasthouden, er voor houden, ophouden, behouden, inhouden, aanhouden, bevatten, bewaren, behoeden, beslissen, bezitten, bekleeden, verkrijgen, verdedigen, deelnemen, vieren, voeren (van taal), wedden, standhouden, enz.: I cannot get — of him = hem te pakken krijgen; Nothing has any — on him = heeft vat op hem; To keep firm — of = stevig vasthouden; Do not let go your — = laat niet los; That great shock looses his — on life = brengt hem den dood nader (eig. doet hem zijn houvast aan ’t leven verliezen); To quit one’s — = loslaten; He took (laid) — of my arm = hij greep (pakte, hield) mijn arm vast; The frost will not — = zal niet aanhouden; That rule always —s (good) = gaat altijd door; — fast by my girdle = houd je vast; — hard = houd je goed vast, wacht even, kalm aan, schei uit, stop; Held in reserve = gereserveerd; She held herself properly = kwam netjes voor den dag; I will — a brief for you = de zaak voor u bepleiten; We held the fortress against the enemy = verdedigden (met succes) de vesting; He can hardly — his own = zich nauwelijks bedruipen; To — one’s own against any odds = zich goed (staande, stand) houden tegen; — your peace = houd je mond; The ministry —s its power at the hands of the people = heeft, ontvangt zijn macht uit de handen van het volk; He held our proxy = was onze procuratiehouder; We — our title of (from) the royal favour = ontleenen onzen titel, ons recht; — your tongue = zwijg; I will — that wager = durf die weddenschap aan; Such an excuse would never — water = opgaan, geaccepteerd worden; He held wool for her = hield een streng wol voor haar op; onderwierp zich aan hare nukken; You can’t — back time = tegenhouden; To — back letters = achterhouden; — hard = stop! He held forth his hand = stak zijne hand uit, bood zijne hand aan; We have been —ing forth on all kinds of subjects = hebben het gehad over, er over uitgeweid; He held off his enemies = hield op een afstand; He held on his (headlong) course = zette zijn (onstuimigen) loop voort, ging door op; — on a bit = wacht eventjes; He held (on) by the railings = hield zich vast aan; They held on downwards = gingen verder naar beneden; — on round my waist = houd je vast om mijn middel; He held on pluckily = hield zich kranig; To — out = toesteken, vóórspiegelen, etc.: He was —ing out to a knot of men = stond te oreeren; He held out those favours to me = bood mij aan; I can — out no longer = kan het niet langer uithouden; Many advertisements must be held over till our next issue = wij moeten laten liggen; You must not — him to that opinion = niet als zijne eind-opinie beschouwen; I held him to his promise = hield hem aan; Behave well and — (stick) to the right = en houd u aan ’t goede; He held faithfully to his party = bleef standvastig trouw aan; — up your head, and look like a man = wees flink; To — up one’s head with = niet onderdoen voor; The same speed was held up to the last = werd volgehouden; He was held up for (to) execration, ridicule = werd prijsgegeven aan; To — up as an example = tot voorbeeld stellen; He held me up, until we were both picked out = hield mij boven water; To — up a train = aanhouden (door roovers); We were in the held-up train; — up man! = houd je goed, courage! Why don’t you — up your end of the line (rope) = waarom neemt gij niet deel aan het gesprek (Amer.)? He —s with the royalists = houdt het met; —-all = soort reiszak, nécessaire; —back = verhindering, beletsel; —er = houder, bezitter, huurder, aandeelhouder, bak; —er-forth = schreeuwerig redenaar; —fast = houldfâst, steun, houvast; —ing = houvast, bezit, gehuurde boerderij.

Hole, houl, subst. gat, hol, opening, kuil, hok (van eene woning), moeilijkheid; — verb. een gat maken, stoppen, in een gat kruipen: My shoes are in —s = stuk; To be in a — = in de klem zitten; To make a — in the water = zich verdrinken; We are not going to pick —s in each other’s coats = elkaar geen kwaad doen, niet op elkaar vitten; I tried to pick —s in his story = trachtte fouten te vinden in, aanmerkingen te maken op; I put my foot into a big — = ben er leelijk ingeloopen, heb me leelijk verpraat; The diplomatic —s and corners of our day = de diplomatieke geheimen (wat er achter de schermen gebeurt); The proceedings of the club are —-and-corner = zijn geheim (stiekum); A —-and-corner engagement = stiekum.

Holibut, holibɐt (Zie Halibut).

Holiday, holidei, subst. heiligedag, vacantiedag, vrije dag, feestdag; ook adj. feest —, Zondags —, onecht —: Their — best = Zondagsche pak; — Hall = plaats waar men zich niet behoeft te geneeren (om te rooken, bijv.); To have a — = vrij hebben; She was on — = met vacantie, had vrijaf; —s = vacantie; —-maker = plezierreiziger; — task = vacantiewerk.

Holiness, houlinəs, heiligheid: His — = Zijne Heiligheid, titel voor den Paus.

Holinshed, holinzhed, holinšed.

Holla, holə, subst. luide roep; — verb. luide roepen, toeroepen; interj. helà, hei!

Holland, hol’nd, Holland, ongebleekt linnen: Brown — = weinig gebleekt linnen; — gin = —s = Schiedammer; British —s = in Engeland gestookte jenever; —er.

Hollow, holou, subst. holte, ledige ruimte, hol, groef, voor, dal; adj. hol, niet massief, uitgehold, concaaf, laag, diep, geveinsd, onoprecht, volkomen; — verb. uithollen; ook roepen: She beat all her sisters — = won het royaal van, overtrof verre; —-eyed = met holle oogen; —-hearted = onoprecht, valsch; —-square = carré (mil.); —-ware = (metalen) keukengereedschap; —ness = holheid, leegheid, valschheid.

Holly, holi, hulst; steeneik; —-fern = stekelige schildvaren; —-hock = stokroos; —-rose = cistroos.

Holm, houm, riviereilandje, vlak en vruchtbaar land langs den rivieroever, hulst; —-oak = steeneik.

Holmes, houmz.

Holocaust, holəkôst, brandoffer bij de Joden, algemeene slachting.

Holograph, holəgraf, eigenhandig geschreven document, adj. eigenhandig geschreven; adj. Holographic(al).

Holothurian, holəthiûriən, zeekomkommer.

Holster, houlstə, holster; —ed.

Holt, hoult, hout, boschje, aanleg, gat, schuilplaats (voor dieren).

Holus-Bolus, houləs-bouləs, halsoverkop.

Holy, houli, heilig, rein, goddelijk, gewijd: — of Holies = het Heilige der Heiligen; The — One = Jehova; — day = Heiligedag; — Ghost (— Spirit) = Heilige Geest; — Office = de Inquisitie; In — orders = in Deacon’s of in Priest’s (= full) orders = Ordained als Deacon of Ordained, admitted en instituted als Priest door den Bishop; — Rood = kruis, kruishout, crucifix (in kerken vooral); — Saturday = Zaterdag vóór Paschen; —-stone = schuursteen; ook verb.; — Thursday = Hemelvaartsdag; — Tide (Week) = week voor Paschen; — water = wijwater; — wells = miraculeuze bronnen; — Writ = de H. Schrift.

Holyhead, holihed; Holyrood, holirûd.

Holywell, holiwel: — Street Literature = pornographische literatuur.

Homage, homidž, subst. hulde, eerbied; — verb. huldigen = To do (render) —; —r = vasal, leenman.

Home, houm, subst. tehuis, huis, geboorteplaats, vaderland, woning, verblijf, liefdadige instelling; — verb. naar huis gaan, wonen, zich vestigen; adj. huis - -, binnenlandsch; adv. naar huis, ten volle, toepasselijk, raak, krachtig: — is —, be it never so —ly = Be in East and West, — is best = oost, west, thuis best; He banged the door — = sloeg hard dicht; To bring — (carry —, come —, leave —, return —); To bring — to = bewijzen, duidelijk maken; All our deeds come — at last = worden op den duur op onszelf verhaald; That truth came — to me = drong tot me door, werd me bewust; To go — = naar huis gaan, het doel treffen; To pay — = betaald zetten; He is perfectly at — with what passed = volkomen op de hoogte van; Make yourself at — = doe alsof je thuis was; Mrs. N is at — on Monday = Mevrouw N. ontvangt Maandags; Is he at —? No he will be — to dinner; Charity begins at — = het hemd is nader dan de rok; —-baked = eigengebakken; —-bound = —ward-bound = op de thuisreis; —-bred = inlandsch (van fokvee); natuurlijk, onbeschaafd; —-circle = familiekring; —-circuit = rechtsgebied van de Judges of Assize, dat Londen tot centrum heeft; —-counties = de counties bevattend en Londen omringend; —-department (—-office) = Ministerie van Binnenl. Zaken; —-farm = boerderij verbonden met het verblijf van den eigenaar, —-fed bacon = inlandsch spek; —-felt = innig, innerlijk, geheim; —-freight = retourvracht; —-keeping = thuisblijvend, huiselijk; —-made = eigengemaakt, van inlandsch fabrikaat; —-return = repatrieering; —-rule = plaatselijk zelfbestuur (vooral met het oog op Ierland); To be —-sick = heimwee hebben; —-sickness = heimwee; —-speaking = eenvoudige, oprechte taal; —-spun = subst. en adj. eigengesponnen (stof), van eigen fabrikaat, eenvoudig; een bepaalde stof; —-stall, —-stead = erf, huismansplaats; —-thrust = gevoelige waarheid, raak antwoord, stoot die raak is; —-trade = binnenlandsche handel; —less = dakloos; subst. —lessness; —like = gemoedelijk, gezellig; —liness = eenvoudigheid; —ly = eenvoudig, dood gewoon, ook ordinair (van het gelaat), voor huiselijk gebruik bestemd; —ward = —ward-bound = op weg naar huis, op de thuisreis.

Homer, houmə, Homerus; Homeric, həmerik, Homerisch.

Homicidal, homisaid’l, homisaid’l, moorddadig, bloedig; Homicide = moord, moordenaar.

Homiletic(al), homiletik(’l), homiletisch; Homiletics = homiletiek; Homilist = homileet; Homily = kerkelijke tekstverklaring, kanselrede.

Homing, houmiŋ: — instinct = om het huis weer te vinden.

Hominy, homini, grof gemalen maïs.

Hommock, homək. Zie Hummock.

Homoeopath, ho(u)miəpath, homoeopaat; Homoeopathic(ally) = homoeopathisch; Homoeopathist = homoeopaat; Homoeopathy = homoeopathie.

Homogeneous, houmədžîniəs, homogeen; subst. —ness.

Homologate, homoləgeit, bekrachtigen, goedkeuren; subst. Homologation.

Homologous, homoləgɐs, homoloog; Homology = homologie.

Homonym, ho(u)mənim, homoniem; adj. —ous, həmonimɐs; —y, homonimi, gelijkluidendheid, dubbelzinnigheid; Homophone, ho(u)məfoun, letter of woord van denzelfden klank.

Homunculus, həmɐŋkjuləs, dwerg; langs chem. weg geschapen mensch (v. Paracelsus).

Honduras, hondjuras, hondjûras (mahoniehout uit) Honduras.

Hone, houn, subst. slijpsteen, oliesteen; — verb. slijpen, aanzetten.

Honest, onəst, eerlijk, braaf, oprecht, kuisch, deugdzaam: — Indian? (Injun) = op je woord? —y = braafheid, eerlijkheid: —y is the best policy = eerlijk duurt het langst; In —y of heart = in alle oprechtheid.

Honey, hɐni, subst. honig, zoetheid, liefje, snoesje; adj. honigachtig, zoet; — verb. met honig bedekken, zoet maken of worden; —-badger = honigdas; —-bag = honigzakje (der bijen); —-bear = honigbeer; —-bee = honigbij; —comb = honigraat, honigcel: The nation is —combed with secret societies = doortrokken van geheime genootschappen; Nature is —combed with pain and strife = is vol van pijn en strijd; —-dew = honigdauw; soort van tabak met stroop bevochtigd en in koekjes geperst; —-flower = honigbloem; —-guide = honigkoekoek (Zuid-Afr.); —-harvest = honigoogst; —moon, subst. wittebroodsweken; — verb. in de wittebroodsweken zijn, deze doorbrengen; —-mouthed = vleierig; —-stalk = honigklaver; —-tongued = vleierig; —-suckle = kamperfoelie; —-wort = wasbloem, kruisbladig walstroo; —ed (fig.) = zacht, zoet, vriendelijk, vleiend.

Honied, hɐnid = Honeyed.

Honorarium, onourêriəm, salaris, belooning.

Honorary, onərəri, eervol, eere …: — President = Eere-Voorzitter; — monument = gedenkteeken voor iemand, die ergens anders begraven is; That is a purely honorific distinction = louter een eeretitel.

Honour, onə, subst. eer, eergevoel, aanzien, rechtschapenheid, kuischheid, hoogachting, waardigheid, titel (= edelachtbare), eerewoord, een der vier hoogste troeven; — verb. eeren, eer bewijzen, vereeren, honoreeren (van een wissel); Meerv. —s = eerbewijzen, hoogste graad: Examinations in —s = “cum laude” examens; —s of war = krijgseer; — bright = op mijn (je) woord van eer; Affair (Debt, Guard, Point, Word) of —; You are in — bound to do it = aan uwe eer verplicht; To do the —s = de “honneurs” waarnemen; That does you — = dat strekt u tot eer; To meet with due — = behoorlijk honoreeren; I pledge it on my —, I pledge my — for it = beloof het op mijn woord van eer; —er.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings