L. (continued 2)
Reading edition
Locofoco, loukəfoukou, subst. zwavelstok, ultraradicaal; adj. zeer radicaal (Amer.).
Locomotion, loukəmouš’n, beweging, plaatsverandering; Locomotive, loukəmoutiv, plaatsveranderend, bewegings - -; subst. locomotief (Amer.): — engine = locomotief; — organs = bewegingsorganen.
Locust, loukəst, sprinkhaan; krekel, cicade (Amer.).
Locution, ləkjûš’n, spreekwijze, uitdrukking.
Lode, loud, sloot of waterafvoerkanaal; metaalader.
Lodestar, Lodestone, Zie Loadstar, etc.
Lodge, lodž, subst. portiershuis (bij een buiten), hut, optrekje, hol, schuilplaats, loge, de leden eener loge, Indianenfamilie in één wigwam; — verb. plaatsen, leggen, tijdelijk huisvesten, herbergen, plaats verschaffen, indienen, ingraven, zich nestelen, deponeeren, bevatten, blijven zitten (steken), logeeren: The —s of the beaver = holen; To — a complaint (at, against, with) = een aanklacht indienen (te, tegen, bij); To — information (against) = aangeven; Certificates must be —d with the committee = ingeleverd bij; I have —d it in my memory = opgenomen; —-keeper = portier bij een landgoed; —able = bewoonbaar; —r = bewoner (vooral van gehuurde kamers); Lodging = logies: —s = gehuurde kamer: Furnished —s; Unfurnished —s; To live in (To stay at), To take —s; —-allowance = toelage voor huishuur; A —-bill was stuck up in the window = verhuurbiljet; —-house = huis waar men kamers verhuurt, hotel garni; Lodgement = huisvesting, deponeering, ophooping: The enemies secured a — = kregen vasten voet.
Loft, loft, zolder, galerij of kraak, koor, verdieping, duiventil.
Loftiness, loftinəs, hoogte, verhevenheid, hoogmoed; Lofty = hoog, verheven, voornaam, trotsch.
Log, log, subst. blok hout; log, scheepsjournaal; — verb. in blokken zagen (Amer.); opschrijven in het —-book = scheepsjournaal; schoolregister; —-cabin = blokhuis; —-canoe = boot van een uitgeholden boomstam gemaakt; —-headed = dom; —-hut (—-house) = blokhuis; —-line = loglijn; —man = houthakker, knecht op een zagerij; —-reel = logrol; —-roller = machine voor het laden van hout op de schabels; iemand, die, in vereeniging met anderen, de politiek tot bevordering der gemeenschappelijke belangen aanwendt; Influential —-rollers tried to impose that nobody upon the public = invloedrijke voorspraak trachtte het publiek dien “nul” op te dringen; —-rolling = wederzijdsche hulp (in de politiek), wederzijdsche bewondering en aanprijzing (van letterkundigen en kunstenaars); —wood = campèche-hout; —ged = met blokken bevestigd; vol water; stilstaand (van water); —ger = houthakker.
Logarithm, logərithm, logəridhm, logarithme; adj. —ic(al), logərithmik(’l).
Loggerhead, logəhed, domkop: They are at —s = zij hebben standjes; To come (get, fall) to —s together = elkaar bij den kop krijgen.
Loggia, lodžiə, loggia, soort vóórgalerij.
Logic, lodžik, redeneerkunde, logica; —-chopper = pedante disputant; —al = logisch; Logician = logicus.
Logography, ləgogrəfi, wijze van drukken, waarbij korte woorden of lettergrepen uit één type (logotype) bestaan en dus niet als afzonderlijke letters gezet worden.
Logomachist, ləgoməkist, haarkloover; Logomachy = haarklooverij.
Logos, logos, “Het Woord”, Christus.
Loin, lôin, lende(stuk): To gird up the —s = de lendenen omgorden; —-cloth = lendendoek; —-steak = lendestuk.
Loiter, lôitə, dralen, treuzelen, talmen: To — about = rondslenteren; He —ed away his time = verbeuzelde; —er = treuzelaar.
Loll, lol, lusteloos (lui, gemakkelijk) liggen, lummelen, (laten) hangen uit (den bek): They —ed back in the carriage.
Lollard, loləd, lid eener sekte (14e eeuw); spotnaam van de volgelingen van Wiclif; ketter.
Lollipop, lolipop, een snoeperij; lekkerbek.
Lollop, loləp, lui liggen; zich log bewegen, heen en weer geslingerd worden.
Lombard, lombəd, lɐmbəd, Lombarde; adj. Lombardisch: It’s all — street to a China orange = tien tegen één; Lombardic = Lombardisch; Lombardy = Lombardije.
Lomond, loumənd: Lake —.
London, lɐnd’n, Londen; ook adj.: To carry to — = op handen dragen (kinderspel); —-pride = porseleinbloempje; —er = Londenaar; —ese = Cockney dialect; —ism = typisch Londensche uitdrukking; —ize = de eigenaardigheden van Londen navolgen, Londensch maken.
Lone, loun, eenzaam, verlaten; —liness, subst. v. —ly = alléén, eenzaam, akelig, somber; —some = eenzaam; subst. —someness.
Long, loŋ, adj. lang, gerekt, langdurig, vervelend: He is cleverer than you by a — chalk = heel wat knapper; He cannot work a sum in — division = kan geen lange deelsom maken; — dozen = dertien; — figure = lang getal; — firm = flesschentrekkersfirma; — hand = gewoon schrift; — hundred = 120 stuks (haringen); I will accept — odds against him = durf veel op hem wedden; It is — odds = het is honderd tegen één; — premium = hooge premie; — price = brutoprijs; hooge prijs; — primer = klein romein (drukletter); You got a — pull = meer bier dan je besteld of betaald hebt; He will have to give it up in the — run = eindelijk, op den duur, ten lange leste; To dress, to travel by — stages = op z’n dooie gemak; It is a — way = een heel eind; I shan’t be — = ik blijf niet lang weg; He is — saying what he intends = het duurt lang voor hij zegt; The opportunity was not — in coming = liet zich niet lang wachten; To take — = langen tijd noodig hebben; The — and short of it is, that he went away = om kort te gaan; —-boat = pinas; —-bow: He draws (pulls) the —-bow = schiet met spek; —-breathed, —bretht = lang van adem; —-headed = vooruitziend, uitgeslapen; —legged = langbeenig; —-lived, —laivd, langdurig: Ours is not a —-lived family = onze familie wordt niet oud; —-necked; —-nosed; —-shoreman = baliekluiver; The —-shore fraternity = baliekluivers; —-sighted = vèrziend, sluw, slim: —-sighted bill = wissel op langen tijd; subst. —-sightedness; —-staple = langdradig katoen; —-suffering, subst. lankmoedigheid, geduld; adj. lankmoedig, geduldig; —-tail, subst. langstaart (van jachthonden); —s, fijne of adellijke lui; Chineezen, fazanten; adj. met ongekorten staart; —-tongued = praatziek, babbelachtig; —-winded: A —-winded speech = lange, vervelend gerekte redevoering; —ish = wat lang: —ish bills = al lang staande rekeningen.
Long, loŋ, verlangen, hunkeren; —ing = verlangend, hunkerend; ook subst.
Longevity, londževiti, lange levensduur, hooge ouderdom.
Longfellow, loŋfelou.
Longipennate, lonžipenit, met lange vleugels (zwemvogels).
Longirostral, lonžirostr’l, met langen snavel.
Long Island, loŋail’nd.
Longitude, lonžitjûd, geographische lengte; Longitudinal, lonžitjûdin’l, lengte …
Loo, lû, subst. gezelschapskaartspel; — verb. elken trek winnen bij dit spel: I am —ed = ik heb geen enkelen trek; —-table = speeltafel, elegante ronde tafel.
Looby, lûbi, lummel.
Loof, lûf, loef (van een schip).
Look, luk, subst. blik, gelaat, uitdrukking; — verb. zien, kijken, zoeken, toezien, zorgen, er uit zien, ’t uitzicht hebben, verwachten, etc.: I don’t like the — of him = ik mag zijn oogopslag niet; He does not belie his —s = hij is zooals hij er uit ziet; No one can help his —s = kan het helpen, dat hij niet mooi is; Judging from his —s = te oordeelen naar zijn uiterlijk; It —s like you = dat is net wat voor u, ’k had niet anders van u verwacht; het lijkt sprekend; — alive! = vlug wat; — at home = bemoei je met je eigen zaken; To — one’s best = op zijn voordeeligst; He —ed black as thunder = zeer dreigend; Things —ed black against her = het zag er donker voor haar uit; You — pale = ziet er bleek uit; — sharp = maak wat voort; He —ed daggers at me = doorboorde mij met zijne blikken; He —ed his wish = men kon op zijn gezicht lezen wat hij wou; To — all wonder = een en al verbazing zijn; You must — about you = gij moet goed om u heen zien, uw oogen den kost geven; Will you — after the children = letten op, zorgen voor; I — at it in that light = beschouw het als zoodanig; To — back = terugzien, omzien; To — beyond = verder zien (dan), overheen zien; To — down = naar beneden kijken, de oogen neerslaan; To — down on a person = neerzien op; He —ed me down = hij deed mij door zijn blik de oogen neerslaan; To — downwards = achteruitgaan in prijs; To — for = wachten op, verwachten; zoeken naar: Not —ed for = onverwacht; I — forward to a pleasant evening = ik verwacht (hoop op) een prettig avondje; To — in at = even gaan kijken; To — in upon a person = even bezoeken, aanloopen bij; I —ed him in the face = flink onder de oogen; To have a —-in = kans hebben; Let me — into it = eens onderzoeken; I — on him with a kind eye = zie hem met gunstig oog aan; I merely —ed on = ik heb niets gedaan dan toekijken; To — out = uitkijken; To — out at (of) the window; My rooms — out upon a beautiful landscape = zien uit op; You may — out for a thorough scolding = kunt verwachten; I have —ed it out = ontdekt, gevonden, uitgezocht; Is that your —-out = zoo! dat is jou plan? That’s your —-out = dat moet jij weten, is jou zaak, belang; He was on the —-out = stond op den uitkijk; On the —-out for a job = uitziende naar; He established a sharp —-out all round the bed = met scherpen blik keek hij om het geheele bed heen; — out there = pas op! voorzichtig! I will just — over it = doorloopen, nagaan; We will — over (= over—) your neglect = uw verzuim over het hoofd zien; My room —s over a pretty meadow = geeft uitzicht op; He —ed over my book = hij keek bij mij in; To — round = To take a —-round; He seems to — through things = geheel te doorzien, grondig te kennen; I — to you for support = reken op uw steun; I — to your prudence = vertrouw op; You should — to a rich woman = uitzien naar; I have not been able to — it up = het niet kunnen vinden; The weather is —ing up = knapt op; Things are —ing up = beginnen er beter uit te zien; I will — you up to-morrow = ik kom morgen eens aan, ik kom eens zien waar je woont; Eggs have —ed up 3 d. per dozen = zijn in prijs gerezen; I was a mere —er-on = slechts toeschouwer; —ing: Good-—ing = knap; —ing-glass = spiegel; nachtspiegel.
Loom, lûm, subst. weefgetouw; gedeelte van een roeiriem binnen de dollen, handvat; roodhalzige zeeduiker, groote zeekoet; —ery = broedplaats van looms.
Loom, lûm, schijnen, zichtbaar worden, boven den horizon of de oppervlakte verschijnen, opdoemen (als in een mist): It —ed upon my mind = doemde op voor mijn geest; —ing = zichtbaar worden, luchtspiegeling.
Loon, lûn, lummel, domkop, vent, kerel, deugniet; ijsduiker, fuut, dodaars: He is a lazy — = luie vlegel; As crazy as a —, As wild as a — = zoo gek als eene windvaan, zoo wild als een springhaas; —y = dwaas, krankzinnig.
Loop, lûp, subst. lus, lis, strop, bocht, hengsel, kijkgat; — verb. eene lus maken, met lussen vastmaken, opnemen, opschorten, bochten: To form an ‘h’ without a —; The curtains were —ed back = met een embrasse opgenomen; —hole = kijkgat, sluipgat, uitvlucht; —-line = zij- of verbindingslijn (bij spoorwegen); —y = vol bochten.
Loose, lûs, los, vrij, wijd, ruim, onsamenhangend, slordig, loszinnig, dartel, loslijvig; ook subst.; — verb. losmaken, loslaten, ’t anker lichten, wegzeilen, losdrukken, afgaan, enz.: — cash (change, money) = kleingeld; — definition = onvolledige; Every — farthing = losse cent; — fish = pierewaaier; — gown = peignoir; At — ends, At a — end = verwaarloosd, zonder regelmatige bezigheid; To be on the — = aan den rol; To be on the — for a job = werk zoeken; To break —; To come — = losgaan; To give a — to = den teugel vieren; To let — = loslaten; He was set — = in vrijheid gesteld; Afternoon church was just loosing = ging juist uit; —-box = stalafdeeling, waarin het paard zich vrij bewegen kan; —n = losmaken, loslaten, loslijvig maken; losgaan, los worden; —ness = losheid, slapheid, liederlijkheid; loslijvigheid (= —ness of the bowels); —ly = losjes: A —ly-hung boy of sixteen = lange slappe lijs van een jongen; A loosish mouth = slap, flabberig.
Loot, lût, subst. buit, roof; — verb. rooven, buitmaken, plunderen: The waggon had been —ed of its provisions.
Lop, lop, subst. afgesnoeide takken of hout; — verb. snoeien, afsnijden, knotten; laten vallen, neerhangen, rondboemelen (about); A —-eared dog = met hangende ooren; —-sided = scheef, eenzijdig; The —-sidedness of such societies = de éénzijdigheid van zulke genootschappen; —ping-shears = snoeischaar.
Lope, loup, subst. sukkeldraf, lange stap; — verb. lange stappen maken, draven.
Loquacious, ləkweišəs, babbelziek, druk; subst. —ness = Loquacity, ləkwasiti.
Lor, lö, heerejé.
Lord, löd, heer, meester, hoogste Wezen, echtgenoot, pair van het rijk, zoon van hertog of markies, oudste zoon van een earl, eeretitel (als in — Mayor); — verb. met macht bekleeden; heerschen over, bestrijken: The — = de Heere, Jezus Christus; The Day of the — = dag des oordeels; —’s = Lord’s Cricket Ground in Londen; The —’s Day = dag des Heeren; The —’s Prayer = het Onze Vader; The —’s Supper = het Avondmaal; The — Harry = de duivel; The House of —s = het Hoogerhuis (der Lords) in Engeland; —-Advocate = Advocaat-Generaal (Schotl.); —-lieutenant = Commissaris der Koningin (des Konings), Onderkoning (Ierland); — Mayor = titel van sommige burgemeesters, bijv. v. Londen, Dublin en York (de andere heeten eenvoudig Mayor); — of Misrule = leider der Kerstmispret in vroegere dagen; —s spiritual = de geestelijke leden (aartsbisschoppen en bisschoppen) van het House of Lords (tegenover de wereldlijke leden, die —s temporal heeten); —s of (the) creation = heeren der schepping, de mannen; First — of the Treasury, — High Treasurer = hoofd van den Board of Treasury, bestaande uit dien First Lord (doorgaans de premier), den Chancellor of the Exchequer en 3 Lords Commissioners of Junior Lords; I won’t allow him to — it over me = om mij te commandeeren; The hill —s it over the surrounding landscape = steekt hoog uit boven; —like = —ly; —liness = hooge rang, trots, aanmatiging; —ling = jonge lord, pseudo lord; —ly = voornaam, heerschzuchtig, hoogmoedig; —olatry = lordvereering; —ship = heerschappij, macht, heerschap, grondgebied van een lord, titel: His (your) —ship.
Lore, lö, kennis, wetenschap, leer.
Lorenzo, lərentsou.
Lorgnette, lönjet, tooneelkijker, lorgnon.
Lorica, ləraikə, pantserhemd; schild.
Lorikeet, lorikît, soort papegaai.
Loriot, loriot, wielewaal (vogel).
Lorn, lön, verlaten, ongelukkig.
Lorraine, lorein: —r = bewoner van L.
Lorrie, Lorry, lori, lorrie (dienstwagentje).
Lory, lôri, soort van papegaai.
Lose, lûz, verliezen, verbeuren, verspelen, verkwisten, doen verliezen, achterloopen; verdwalen (oneself): I — my debts = men betaalt mij niet; You have lost flesh since = zijt mager geworden; You seem to have lost your head = het hoofd verloren te hebben, schijnt de kluts kwijt te zijn; I frequently lost heart in those days = verloor dikwijls den moed; To — one’s heart = verliefd worden; I lost my legs = raakte van de been; To — sight of = uit het oog verliezen; They had lost their soundings = zij konden geen grond meer peilen; To — one’s way = verdwalen; He was lost to all sense of honour = alle eergevoel was er uit; Good words are lost upon him = hebben geen vat op hem; —r: You always were a bad —r = je hebt nooit tegen verlies gekund; He shall be no —r by it = zal er geen schade bij hebben; To come off a —r = aan ’t kortste eindje trekken; We are fighting a losing battle, playing a losing game = vergeefs, zonder hoop.
Loss, los, verlies, het verlorene, nadeel: He bears his — well = kan goed tegen; This world with its —es and crosses = moeiten en bezwaren; I was at a — how to do it = verlegen hoe ik het zou aanpakken; At a — for money = in geldverlegenheid.
Lost, lost, imperf. en part. perf. van to lose.
Lot, lot, lot, aandeel, post, partij, portie, stuk lands, bouwterrein, hoop, boel; — verb. in porties of stukken verdeelen: He bought about a hundred —s = honderd nummers (uit den catalogus); Let us cast —s = er om opgooien of loten; I have cast (thrown) (in) my — with yours = heb mijn lot aan het uwe verbonden; To come quite a — = druk komen; They have drawn —s = geloot; It fell to my — = mij ten deel; To like quite a — = een “boel” houden van; They made a — of him = ze haalden hem erg aan, fêteerden hem zeer; He has —s of money = een ‘schep’ geld; Let us have —s of room here = zorg, dat we hier veel ruimte krijgen; He thinks a — of himself = hij denkt dat hij heel wat is; Can you walk a —? = een heel eind?
Loth, louth. Zie Loath.
Lothario, ləthêriou, verleider (naar een rol in Rowe’s The Fair Penitent): A gay — = een Don Juan.
Lotion, louš’n, wassching, waschmiddeltje, schoonheidswatertje; sterke drank.
Lottery, lotəri, loterij, het loten: To hold a —; —-ticket.
Lotos, loutəs, lotus(boom), lotusvrucht, Indische waterlelie, rolklaver; —-eater = lotuseter, iemand, die zich aan droomerige gemakzucht overgeeft.
Lotto, lotou, Lotto- of kienspel.
Loud, laud, luid, luidruchtig; sterk, onwelriekend; opvallend, opzichtig: Those that laugh last, laugh —est = die het laatst lacht, lacht het best; A — dress = opzichtige, drukke japon; She dresses — = opzichtig; He said it out — = luide; —-voiced = met luider stem; subst. —ness.
Lough, lok, meer; Loughborough, lɐfbərou; Louis, lûis, St. —; Louisa, luîzə; Louisiana, lûižânɐ; Louisville, lûisvil.
Lounge, launž, subst. slentergang, soort sofa; zaal of veranda in een hotel; — verb. lummelen, rondslenteren, lui liggen, lanterfanten; —r.
Louse, laus, luis; Lousiness, subst. v. Lousy, lauzi, vol luizen, gemeen.
Lout, laut, subst. lummel, pummel, kinkel; — verb. buigen, bukken, (zich) vernederen; —ish = lummelachtig, onhandig; subst. —ishness.
Louth, laudh, lauth; Louvain, luvein.
Louver, Louvre, lûvə, lantaren (archit.); —-window = klankgat.
Lovable, beminnenswaardig; subst. —ness.
Love, lɐv, subst. liefde, genegenheid, vriendschap, teederheid, lieverd; — verb. beminnen, liefhebben, aanhalen, behagen scheppen in: — God = Amor; —-all! = beide partijen niets; Yes, my — = ja, lieve; First — never lasts = is niet bestendig van duur; — laughs at blacksmiths = liefde zoekt list; — in a cottage, — in a hut with water and a crust = in een hutje op de heide, huwelijk zonder geld; To be in — with = verliefd zijn op; To be out of — with = iets moede (zat) zijn; I did it out of — for you = uit liefde voor; To fall in — with = verliefd worden op; Give my — to your sister = groet … hartelijk; It cannot be got for — or money = voor geen geld of goede woorden; There is no — lost between them = zij mogen elkaar niet; To make — to = het hof maken; I made — to the gardener to let me gather the flowers myself = coquetteerde met; We play for — = spelen om ’s keizers baard; To send one’s — = zijn complimenten doen; That work is a labour of — = uit liefde tot stand gekomen; A — of a book = een allerliefst boek; —s of girls = snoezige meisjes; I — to go there = ik ga er graag heen; — me, — my little dog = wie mij lief heeft, moet alles van mij lief hebben; —-affair = liefdezaak; —-apple = tomaat; —-charm = liefdesdrank; —-child = onecht kind; —-crossed = ongelukkig in de liefde; —-feast = liefdemaal; —-in-idleness = driekleurig viooltje; —-in-a-mist = juffertje in ’t groen; —-knot = liefdeknoop; —-letter = minnebrief; —-lies-a-bleeding = kattestaart; —-lights: The —-lights were shining in her blue eyes = hare blauwe oogen straalden van liefde; —-lock = haarlok of krul bij het oor (oudtijds in de mode); —-lorn = verlaten door de(n) geliefde, doodelijk verliefd; —-making, hofmakerij, vrijerij; —-match = huwelijk uit liefde; —-potion = liefdesdrank; —-shaft = minnepijl; —-sick = sentimenteel (smachtend) verliefd; subst. —-sickness; —-song = minnelied; —-token = minnepand, liefdegeschenk; —able = Lovable; —less = liefdeloos; —liness = lief(elijk)heid; —ly = lief, beminnelijk, mooi, snoeperig; —r = minnaar: A pair of —rs = een paar geliefden; —worthiness = beminnenswaardigheid; adj. —worthy; Loving: —-cup = vriendschapsbeker (moest om zijne grootte met twee handen worden aangevat); —-kindness = goedertierenheid (Bijb.), liefde, toewijding; —ness = liefde, teederheid.
Low, lou, laag, klein, diep, goedkoop, karig, somber, droefgeestig, zwak, gering, nederig, ordinair, gemeen, verachtelijk, plat; — Church = de meer Puriteinsche of Evangelische richting in de Angl. Kerk; The — Countries = de Nederlanden; — dress = laag uitgesneden japon; — fever = binnenkoorts; — German = Nederduitsch; — Latin = Middeleeuwsch Latijn; — life = leven der lagere standen; — mass = stille Mis; — Sunday = eerste Zondag na Paschen; — tide = laag tij; To be — = laag staan (van koersen), terneergeslagen zijn, er slecht aan toe zijn; I feel very — to-day = ben niet monter; He lies — = is dood; houdt zich schuil; My story is running — = raakt op; To speak — = zacht; —-born = van lage afkomst; —-bred = van lage komaf; onbeschaafd; —-caste = van een lage kaste, stand of ras; —-class = van mindere kwaliteit; —-crowned = met lagen bol; —-laid = begraven; —land = laag gelegen (land); —lands = de lagere landen van Schotland; de Nederlanden; —-minded = van verachtelijke beginselen; —-necked = (japon) met laag uitgesneden hals; —-pitched roof = laag dak; —-pressure = lage drukking, laagdruk; —-priced = goedkoop; —-rated = geminacht; goedkoop; —-spirited = somber, neerslachtig; subst. —-spiritedness; An easy, —-tread staircase = met lage treden; —-voiced = met zachte, vriendelijke stem; Lower = lager, onder - -; — verb. laten zakken, verlagen, lager draaien, vernederen, strijken: To — the colours = de vlag strijken (ook fig.); To — the gas; Prices were —ed = de prijzen werden verminderd; I will — his pride = ik zal zijn trotsch wel breken; —most = laagst; At lowest = op z’n laagst, minst; Lowliness = subst. v. Lowly = laag, nederig, bescheiden; deemoedig; Lowness = laagheid, diepte, ontoereikendheid, gemeenheid, enz.
Low, lou, subst. geloei; — verb. loeien, bulken; —-bell = bel aan den hals van vee; een bel gebruikt bij het bat-fowling.
Lowe, lou; Lowell, louəl; Lowestoft, loustoft.
Lower, lauə, dreigend, somber en norsch zien: —ing thunder-clouds = dreigende onweerswolken.
Lowndes, laundz; Lowth, lauth.
Loyal, lôiəl, trouw, oprecht, eerlijk; —ist; —ty = trouw.
Lozenge, loz’nž, ruit (Herald.); ruitvormige tablet of pastille; ruitvormige vensterruit; —-moulding = versiering met ruitvormige paneelen; —-shaped = ruitvormig = —d.
Lubber, lɐbə, lomperd, lummel; onbevaren matroos.
Lubricant, l(j)ûbrik’nt, glad of smeuig makend; subst. smeersel; Lubricate, l(j)ûbrikeit, smeren, olieën; subst. Lubrication; Lubricator = smeertoestel.
Lucan, l(j)ûk’n, Lucanus.
Luce, l(j)ûs, volwassen snoek.
Lucernal, lusɐ̂n’l, lamp …: — microscope = lampmicroscoop.
Lucern(e), l(j)usɐ̂n, l(j)ûsən, honigklaver.
Lucern, l(j)usɐ̂n, l(j)ûsən, Lucia, l(j)ûšə; Lucian, l(j)ûš’n.
Lucid, l(j)ûsid, schitterend, stralend, helder, duidelijk, begrijpelijk: — interval = helder oogenblik; subst. Lucidity = —ness.
Lucifer, l(j)ûsifə, de Satan; Venus (ster); lucifer = — match; —ian, l(j)ûsifîriən, satansch.
Lucilius, l(j)usiliəs; Lucina, l(j)usainə.
Luck, lɐk, toeval, geluk, fortuin: Good —, Ill — = geluk, ongeluk; Worse — = jammer genoeg! He was down on his — = er slecht aan toe, in geldverlegenheid; You are in — = gij boft; He has a run of good — = het loopt hem voortdurend mee; — for the fools, and chance for the ugly = gekken krijgen de kaart; —-penny = gelukspenning, kleine som, die de verkooper aan den kooper teruggeeft als gelukspenning; —iness = geluk; —y = gelukkig: He is a —y dog; Un—y in love, —y at play = gelukkig in het spel, ongelukkig in de liefde; A —y hit = treffer, gelukje; —less = ongelukkig, zonder resultaat, ongunstig: It was a —less boast = onzalige blufferij.
Lucknow, lɐknau.
Lucrative, l(j)ûkrətiv, winstgevend, voordeelig; Lucre, l(j)ûkə, winst, voordeel, hebzucht.
Lucrece, l(j)ûkrîs = Lucretia.
Lucubrate, l(j)ûkjubreit, bij nacht werken, ernstig bepeinzen, in nachtelijke studie bewerken; subst. Lucubration; Lucubrator.
Lucy, l(j)ûsi.
Ludicrous, l(j)ûdikrəs, grappig, koddig, lachwekkend, belachelijk; subst. —ness.
Lues, l(j)ûîz, pest: — venerea = syphilis.
Luff, lɐf, subst. loefzijde; — verb. loeven: Keep and —! = loeven! The ship was —ing up to the wind = was aan het oploeven.
Lug, lɐg, subst. oor; breefok; — verb. trekken, sleepen; betalen (out): In two shakes of a cat’s — = in een ommezientje; He —ged off his hat with a bend = rukte af; —-mark = merk in het oor v. varken of schaap, enz.; —-sail = breefok; —-worm = soort van regenworm (als aas gebruikt).
Luggage, lɐgidž, bagage, passagiersgoed, pakkage; —-office = bagagebureau; —-porter = witkiel; —-ticket = bagagereçu; —-train = goederentrein; —-van, —-waggon = goederenwagen.
Lugger, lɐgə, logger.
Lugubrious, l(j)ugjûbriəs, treurig, somber; subst. —ness.
Luke, l(j)ûk, Lucas.
Lukewarm, l(j)ûkwöm, lauw, onverschillig, koel; subst. —ness.
Lull, lɐl, subst. tijdelijke stilte of kalmte; — verb. in slaap maken, kalmeeren, gaan liggen: A sudden — in the conversation = plotselinge stilstand; The — before the storm; The — of August = de Augustusstilte (wanneer de vogels gedurende een tijd zich niet laten hooren).
Lullaby, lɐləbi, wiegeliedje; — verb. in slaap zingen.
Lumbaginous, lɐmbadžinɐs, spit - -; Lumbago, lɐmbeigou, lendepijn, spit in den rug.
Lumbar, lɐmbə, lende - -: — region = lendestreek.
Lumber, lɐmbə, subst. rommel, prullen, afval, ruw bekapt timmerhout (Amer.); — verb. verward opstapelen, met rommel vullen; boomen vellen en ruw bekappen (Am.), zich lomp (zwaar) bewegen, rammelen: A —ing carriage; The deck was —ed up = het dek stond vol rommel; —man = houthakker, houthandelaar (Amer.); —-room = rommelkamer, pakkamer; —er = —man.
Lumbrical, lɐmbrik’l, wormachtig, wormvormig.
Luminary, l(j)ûminəri, lichtgevend (hemel)lichaam; lichtende ster op eenig gebied (fig.): — of the criminal law; Luminiferous = lichtgevend; Luminosity = glans, helderheid; Luminous = stralend, schitterend, licht - -, helder; subst. —ness.
Lummy, lɐmi, uitstekend; sluw.
Lump, lɐmp, subst. klomp, (vormelooze) massa, hoop, buil; plomp persoon; — verb. in één massa vereenigen, bij elkaar gooien: I knocked my head against the wall, and had a — above my eye = buil; I felt a — in my throat = een prop; I bought them in the — = zooals ze daar waren, den geheelen hoop; I sold them by the — = in massa, bij den roes; His — of benevolence = welwillendheidsknobbel; A — of fuel = brok; A — of sugar = klontje; Whether you like or — him, he is your master = of ge hem moogt of niet; —-sugar = suiker in blokjes of klontjes; A — sum = ronde; —er = dokwerker; —iness = bulterigheid; A —ing lot = kolossaal stuk; —ish = lomp, dom; subst. —ishness; —y = vol dikten of knobbels, onstuimig, dronken: Who has made my bed? It is awfully —y.
Lunacy, l(j)ûnəsi, krankzinnigheid.
Lunar, l(j)ûnə, van de maan, maans …: — cycle = maancirkel; — eclipse = maansverduistering; — month = 29½ dag; — year = maanjaar; Lunate(d) = sikkelvormig.
Lunatic, l(j)ûnətik, krankzinnig; subst. krankzinnige: — asylum (əsail’m) = krankzinnigengesticht.
Lunch, lɐnš, subst. tweede ontbijt, noenmaal; — verb. het tweede ontbijt gebruiken; —-bar = lunch-room; ook: Luncheon.
Lunette, l(j)unet, lunette; concaaf-convex glas, patentglas, oogklep.
Lung, lɐŋ, long: Those of feeble —s; There was no disease of the —s; —-chill = bekleuming; —-sick = longziek; subst. —-sickness.
Lunge, lɐnž, subst. stoot, uitval bij ’t schermen, ruk, plotselinge beweging; — verb. een uitval doen, zich met een ruk bewegen: He made a — at my uncle, on his heart.
Lunt, lɐnt, subst. lont; rook en vlam (Schotl.); — verb. vlammen, rook uitwerpen.
Lunular, l(j)ûnulə, sikkelvormig; Lunulate(d) = met sikkelvormige vlekken.
Lupercal, l(j)ûpək’l, l(j)ûpɐ̂k’l (Mv. Lupercalia, l(j)ûpəkeiljə), het feest van Lupercus; Lupercalian = daartoe behoorende.
Lupine, l(j)ûp(a)in, lupine, wolfsboon.
Lupulin, l(j)ûpjulin, lupuline, hopbitter.
Lupus, l(j)ûpəs, lupus.
Lurch, lɐ̂tš, subst. een plotselinge zijwaartsche beweging, overhalen (scheepst.); — verb. gieren, overhalen, slingeren; op de loer liggen; ontfutselen: The coach gave a sudden — to = helde plotseling over naar; He left me in the — = in den steek; We lay on the — = lagen op de loer; —er = strooper; soort van jachthond (uit wolfshond en hazewind).
Lure, l(j)ûə, subst. lokaas; — verb. lokken, verlokken, roepen.
Lurid, l(j)ûrid, vuilbruin, duister; spookachtig, doodsbleek, somber; schril.
Lurk, lɐ̂k, op de loer liggen, loeren, schuilen, zich schuil houden, verscholen zijn; —er; —ing-hole, —ing-place = schuilplaats; —ing rocks = blinde klippen.
Lurry, lɐri, Zie Lorry.
Luscious, lɐšəs, zeer zoet, heerlijk, lekker; overdreven; subst. —ness.
Lush, lɐš, weelderig, sappig.
Lush, lɐš, drank, bier; — verb. drinken, zuipen: To — and feed = volop (laten) eten en drinken; —y = aangeschoten, dronken.
Lusiad, l(j)ûsiad, Lusiade.
Lusitania, l(j)ûsiteinjə.
Luskish, lɐskiš, vadsig; subst. —ness.
Lust, lɐst, subst. zucht, begeerte, zinnelijke lust, wellust; — verb. begeerte voeden, haken (met after): The — of the chase = begeerte naar jagen; The — of conquest; —ful = onkuisch, zinnelijk; krachtig; subst. —fulness; —ihood = —iness, subst. v. —y = krachtig, flink, kloek.
Lustral, lɐstr’l, reinigings - -, wij - -; Lustrate, door offers reinigen; Lustration = reiniging, wijoffer.
Lustre, lɐstə, glans, luister, schittering, lichtkroon met hangers van geslepen glas; lustre (stof); lustrum; —less = glansloos, mat; Lustrous = vol glans, schitterend.
Lustring, lɐstriŋ. Zie Lute-string.
Lustrum, lɐstr’m, lustrum; zoenoffer.
Lutation, l(j)uteiš’n, luteering; Lute, l(j)ût, subst. luit; kleefdeeg, kit; gummiring; — verb. op de luit spelen; met kleefdeeg dicht maken, luteeren: A rift in the — = een wanklank; —-string = snaar.
Lutestring, l(j)ûtstriŋ, lustrine, glanstaf.
Luther, l(j)ûthə = Luther; —an = Luthersch; ook subst.; —anism = leerstellingen van L.
Luthern, lûthən, dakvenster.
Luxuriance, -cy, lɐgžûriəns(i), lɐkšûriəns(i), weelderigheid; Luxuriant = weelderig, overvloedig; Luxuriate = weelderig voortwoekeren, zwelgen in; Luxuriation = weelderige groei; Luxurious = weelderig, overmatig; subst. —ness.
Luxury, lɐkšəri, weelde, weelderige leefwijze, luxe, prachtlievendheid, kostbaarheid, lekkernij.
Lyall, laiəl.
Lycanthrope, laikənthroup, laikanthroup, weerwolf; Lycanthropy = weerwolfsziekte.
Lyceum, laisîəm, lyceum.
Lycopodium, laikəpoudiəm, lycopodium: — powder.
Lycurgus, laikɐ̂gəs.
Lyddite, lidait, lyddiet.
Lydia, lidjə, Lydië, Lydia: —n = Lydiër; Lydisch; —n stone = toetssteen.
Lye, lai, loog.
Lying, laiiŋ, Pres. Part. van To lie = liggen: —-in = kraambed; —-in hospital = hospitaal voor kraamvrouwen; —-in woman = kraamvrouw; —-to = bijgedraaid liggen.
Lying, laiŋ, Pres. Part. van To lie = liegen; leugenachtig; leugen.
Lyly, lili; Lyme Regis, laimrîdžis.
Lymph, limf, lymphe; —atic = lymphatisch, lymph …; subst. lymphvat; —y = lymphachtig.
Lynch, linš, lynchen (Amer.); —-law = lynchwet, eigenmachtige handhaving van het recht door het volk zelf; —er.
Lynx, liŋks, los; —-eyed = met scherpen blik.
Lyon, laiən: The — King-at-(of) arms = Schotsche wapenheraut = — Herald, — King.
Lyons, laiənz, Lyon; Lyra, lairə.
Lyre, laiə, lier: To play (touch) the — = de lier bespelen, dichten, zingen; Lyric = lyrisch; lyrisch gedicht: — poetry, lyrische poëzie.
Lysander, laisandə; Lysimachus, laisiməkɐs; Lytham, lithəm.
Lythe, laidh, koolvisch (Schotl.).