N.
Reading edition
N, en; N(orth) A(merica); Nap(oleon); Nat(ural) Hist(ory); Nat(ural) Phil(osophy); Naut(ical); N(ota) B(ene); N(ew) E(ngland); N(orth) E(ast); Neg(ative); Nem(ine) Con(tradicente) = éénparig, éénstemmig = Nem(ine) Diss(entiente); Neth(erlands); Neut(er); N(ew) J(ersey); N(orth) N(orth) E(ast); Nom(inative); Non con(tent) = tegen (bij eene stemming in het House of Lords); Non seq(uitur) = daaruit volgt niet; Norm(an); Norw(ay); Norw(egian); Nos. = nummers = Num(bers); N(orth) W(est); N(ew) Y(ork); N(ew) Z(ealand).
Nab, nab, snappen, gappen; subst. kop, bergspits, haan, fat (Amer.).
Nabob, neibob, Nabob; vr. —ess.
Nacarat, nakərat, helderroode kleur; stof van die kleur.
Naches River, nâtšəs rivə.
Nacre, neikə, paarlemoer; —ous, neikriəs, paarlemoerachtig: — shells = schelpen met eene laag paarlemoer.
Nadir, neidə, nadir, voetpunt.
Nag, nag, subst. knol, hit; — verb. plagen, zeuren, kwellen, vitten, aanmerkingen maken: I can’t bear to be —ged at = ik kan dat geplaag en geneger niet velen; —ger; —gy = vitterig, plagerig.
Naga, nâgə, de heilige slang in Ind. Myth.; een lid van de Nagastammen, lid van een klasse Hindoebedelaars; ook adj.
Nagpur, nâgpûə.
Naiad, naiəd, neiəd, waternimf; nymphkruid.
Nail, neil, subst. nagel, klauw, spijker, maat van 0,057 M.; — verb. vastspijkeren: Hard as —s = gezond en sterk, geslepen, ongevoelig; Your comments are more down on the — than his = meer raak; To bite one’s —s = bijten op; To cut (pare, trim) one’s —s = knippen; To drive (knock) in a — = inslaan; One — drives (out) another = het eene verdringt het andere, den een zijn dood is den ander zijn brood; Drive a — where it will go = wees practisch; It would mean the last — driven into the coffin of domestic life = zou de genadeslag zijn voor; You have hit the — on the head = den spijker op den kop geslagen; I have laboured tooth and — = met alle macht; I’ll pare your —s = ik zal je kortwieken (fig.); Goods brought to the hammer must be paid on the — = contant betaald worden; He was never —ed at being drunk = betrapt op; To — down = vastspijkeren; To — up = dichtspijkeren; To — to the counter = valsch geld tegen de toonbank spijkeren; de waarheid van een bewering aantoonen; Jesus was —ed to the cross = genageld aan; To — one’s colours to the mast = hardnekkig weigeren zich over te geven; —-brush = nagelborstel; —-file = nagelvijltje; —-head = kop; —-headed characters = spijkerschrift; —-trimmer = nagelschaartje; —er = spijkermaker; kraan, goed renpaard.
Naïve, nâîv, nâiv, ongekunsteld, oprecht; —té, —ty.
Naked, neikid, naakt, bloot, openlijk, ontbloot, kaal, eenvoudig, oprecht, weerloos: With the — eye = met het bloote oog; The — truth; Stark — = spiernaakt; He was stripped — = geheel uitgekleed, uitgeschud, van alles beroofd; subst. —ness.
Namaycush, namikɐš, soort zalm (der Amer. meren).
Namby-pamby, nambipambi, subst. sentimentaliteit, zoetelijkheid; ook adj.: There is nothing — in him.
Name, neim, subst. naam, benaming, roem, aanzien, naamwoord; — verb. noemen, benoemen, vaststellen, tot de orde roepen: As in — so in aim = de naam is een voorteeken; A nice — to go to bed with = ’t is me ook ’n naampje! He called me all kinds of —s = schold me voor alles uit; As good be hanged as have an ill — = wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat; Give my — = dien mij aan; To go (pass) by the — of X. = doorgaan onder; They left their —s = gaven hunne kaartjes af; To appear below one’s — = onder iemands naam verschijnen; To print over one’s — = drukken onder; I know him, but I cannot put a — to him = kan hem niet thuis brengen; Do not take the — of God in vain = gebruik Gods naam niet ijdellijk; Take up my — = dien mij aan; To write under a —; Christian — = doopnaam, voornaam; Family — = geslachtsnaam; Maiden — = eigen naam van getrouwde vrouwen; Proper — = eigennaam; A man, Williams by —, of the — of W. = genaamd W.; In — of = in plaats van; In the — of = namens; — the child! = spreek op! laat hooren! To — the day = den dag van het huwelijk bepalen; He was —d after me = naar mij genoemd; —-board = naambord; Station —-boards = de borden met namen op de perrons; —-day = naamdag; —-part = titelrol; —-plate = naamplaatje; —sake = naamgenoot; —less = nameloos, onbekend, onnoemelijk, anoniem; —ly = namelijk.
Namur, neimə, Namen.
Nancy, nansi, Nancy: Sweet — = witte narcis.
Nankeen, Nankin, nankîn, nankîn, Nanking, nanking (gele katoenen stof): —s = nanking broek.
Nanny, nani: — goat = geit.
Nantucket, nantɐkət.
Nap, nap, subst. slaapje, dutje; nop, zijden vezel voor hoeden; soort kaartspel; — verb. dutten; noppen, snappen: His hat was not — but felt; To go — = alles wagen (er op of er onder), grof speculeeren; To take a — = een uiltje knappen; You have been —ping = je hebt gesoesd; I caught him —ping = ik heb hem op heeterdaad betrapt, gesnapt; —less = kaal, zonder haar of noppen; —py = met noppen, wollig, kroes; koppig (van dranken), schuimend.
Nape, neip, nek = — of the neck.
Naphtha, naftə, nap-thə, naphtha: — launch = petroleum-motorboot; —lene of —line = naphtaline.
Napier, neipjə.
Napiform, neipiföm, knol- of raapvormig.
Napkin, napkin, servet, handdoek, vaatdoek: Don’t hide your gifts in a — = zet uw licht niet onder de korenmaat; —-ring.
Naples, neip’lz, Napels: — yellow = Napelsch geel.
Napoleon, nəpoulj’n, Napoleon, gouden 20-frankstuk, soort kaartspel; The Napoleonic period; Napoleonite = soort veldspaath.
Narciss(us), nâsis(əs), narcis.
Narcosis, nâkousis, narcose; Narcotic, nâkotik, verdoovend, slaapwekkend (middel); Narcotine, nâkətin, narcotine; Narcotism, nâkətizm, narcose, slaapzucht; Narcotization, subst. v. Narcotize = narcotiseeren.
Nard, nâd, nardus (olie); —ine = nardus …
Nardoo, nâdû, nâdû, watervaren.
Narghile, nâgilei, Nargile, nâgil, Narghileh, nâgilei, nargileh.
Narrate, nəreit, nareit, verhalen, beschrijven; subst. Narration; Narrative, narətiv, subst. verhaal, verslag; adj. verhalend; spraakzaam; Narrator, nəreitə, verhaler; adj. Narratory, narətəri = Narrative.
Narrow, narou, nauw, eng, klein, bekrompen, gierig, vrekkig, nauwkeurig, precies; subst. (meest mv.) engte, zeeëngte; — verb. vernauwen, verengen, beperken, begrenzen, minderen (bij het breien), nauwer worden: — circumstances = bekrompen; A — compass = beknopte omvang, ruimte; We made (had) a — escape = ontkwamen ternauwernood; A — majority = kleine; — means = bekrompen middelen; He has a — mind, is —-minded = bekrompen van geest; —-brimmed = met smallen rand; —-chested = met smalle borst; —-cloth = laken minder dan 80 c.M. breed; —-gauge = spoorwijdte tusschen de rails van minder dan 1,44 M. (tegenover de vroegere algemeene Broad-gauge van 2,13 M.); —-minded = kleingeestig, bekrompen; —-mindedness; To look —ly into = nauwkeurig onderzoeken; —ness = nauwheid, etc.
Narw(h)al, nâ(h)wəl, narwal.
Nasal, neiz’l, nasaal, neus …; subst. neusklank, neusbeen; —is, nəzeilis, neusaap; —ity, nəzaliti, neizaliti, eigenschap van door den neus te worden gesproken; Nasalization = nasaleering; —ize = tot een neusklank maken.
Nascency, nas’nsi, ontstaan, oorsprong; Nascent, nas’nt, ontstaande: — state.
Naseby, neizbi; Nasmyth, neismith.
Nasturtium, nastɐ̂šəm, O.I. kers; waterkers.
Nastiness, nâstinəs, subst. v. Nasty, nɐ̂sti, vuil, vies, akelig, onaardig; leelijk: A — attack of hay-fever = een leelijke aanval van hooikoorts.
Natal, neit’l, geboorte …: — day (hour); Natality = geboortecijfer.
Natal, natâl, Natal.
Natant, neit’nt, drijvend, zwemmend; Natation = zwemkunst, het zwemmen; Natatores, neitətôrîs, zwemvogels = Natatorial birds; Natatory = zwem …: — bladder = zwemblaas.
Natchez, natšiz; Nathan, neith’n; Nathaniel, nəthaniəl.
Natheless, neithləs, niettemin; Nathemore, neidhəmö, niet te meer.
Nation, neiš’n, subst. natie, volk, gemeenschap, hoop; adj. en adv. (verkorting v. Damnation) kolossaal, verduiveld.
National, našən’l, nationaal: — air (anthem) = volkslied; — debt = staatsschuld; — Ledger = Grootboek; — school = Church of England school, uitgaande van de National Society, opgericht in 1811 (in Ierland = volkschool); —ism = vaderlandsliefde; program der Iersche nationale partij; —ist, aanhanger van die partij; Nationality = volkskarakter, volkseenheid, vaderlandsliefde; —ize = nationaliseeren, naturaliseeren, onteigenen door den staat.
Native, neitiv, subst. inboorling, inlander, inheemsch(e) dier (plant); pummel; adj. geboorte - -, aangeboren, inheemsch, natuurlijk: A — of Germany, of Rotterdam = een geboren Duitscher, Rotterdammer; Eminent, Famous —s = beroemde mannen in een stad of streek geboren; He is — to the soil = daar geboren; — is a disparaging word for rustic; — country (land) = vaderland; — forest = oerwoud; — heat = natuurlijke warmte; — language = moedertaal; — oyster = gekweekte oester; — wit = natuurlijke gevatheid; Nativism, neitivizm, polit. program der Nativists, die de geboren Amerikanen boven de emigranten wenschen te begunstigen; Nativity, nətiviti, nativiteit (ook in de Astrologie); (schilderij van de) geboorte van Christus: He had his — cast = hij liet zijn horoscoop trekken.
Natolia, nətouljə, Anatolië.
Natron, neitr’n, natr’n, natron.
Nattiness, natinəs, subst. v. Natty, nati, keurig, netjes, chique: Everything belonging to Nancy was of delicate nattiness = alles om en aan haar was even fijn en keurig.
Natural, natšər’l, natuurlijk, inheemsch, aangeboren, wildgroeiend, natuurgetrouw, onecht (v. geboorte); subst. idioot; naturel (muz.): Why was not he — in his life-time? = waarom was hij bij zijn leven niet als andere menschen? — death = natuurlijke dood; — history; — philosophy, — science = natuurkunde, natuurwetenschappen; — son; — selection = natuurlijke teeltkeus; —ism = natuurstaat, naturalisme (in godsdienst en kunst); —ist = natuurphilosoof, naturalist; —istic = naturalistisch, realistisch, natuurwetenschappelijk; —ization, subst. v. —ize = natuurlijk maken, naturaliseeren, inburgeren, acclimatiseeren, zich laten naturaliseeren, inburgeren; —ly = natuurlijk, van nature; —ness = natuurlijkheid; Nature, neitšə, natuur, (natuurlijke) aard, karakter: By — = van nature; From — = naar de natuur; In a state of — = in den natuurtoestand, naakt, zondig; In the — of = krachtens; In —’s garb = in Adamscostuum; He has gone the way of —, paid the debt of — = hij is den weg van alle vleesch gegaan; Good — = goedigheid; Ill — = boosaardigheid; —-worship = natuuraanbidding.
Naught, nôt, subst. niets, nul: To call to — = geducht uitschelden; To come to — = mislukken; To set at — = in den wind slaan.
Naughtiness, nôtinəs, ondeugendheid; adj. Naughty, nôti.
Nausea, nôšə, walging, misselijkheid (ook fig.): To create — = misselijkheid teweeg brengen; —te, nôšeit, misselijk zijn, worden of maken, walgen; Nauseous, nôšəs, walgelijk; subst. —ness.
Nautch, nôtš, Indische dans; —-girl = bajadère.
Nautic(al), nôtik(’l), zee …, scheeps …: —al almanac = zeemansalmanak; —al chart = zeekaart.
Nautilus, nôtilɐs, nautilus.
Naval, neiv’l, zee …, scheeps …, marine…: — affairs; — architect = scheepsbouwmeester; — architecture; — battle (combat) = zeeslag; — cadet = adelborst (voor hij na 4 jaar en 8 maanden tot Midshipman wordt bevorderd); — college = marine instituut; — officers; — service; — station = marinestation; — term = scheepsterm.
Nave, neiv, naaf (v. wiel); schip (v. kerk).
Navel, neiv’l, navel; —-string = navelstreng; —-wort = waternavel.
Navicular, nəvikjulə, bootvormig: — bone = scheepvormig beentje uit den hand- of voetwortel.
Navigability, navigəbiliti, subst. v. Navigable, navigəb’l, bevaarbaar; subst. —ness; Navigate, navigeit, varen, bevaren, besturen; Navigation, navigeiš’n, het varen, scheepvaart, stuurmanskunst: Aerial — = luchtscheepvaart; Inland — = binnenvaart; Navigator, navigeitə, zeevaarder.
Navvy, navi; polderjongen, grondwerker.
Navy, neivi, scheepsmacht, marine, zeemacht: — League = de Eng. vereeniging “Onze Vloot”, opgericht in 1895; His son is in the — = bij de marine; —-blue = marineblauw; —-yard = marinewerf; arsenaal (Amer.).
Nawab, nəwôb, Ind. onderkoning, nabob.
Nay, nei, subst. weigering; adv. neen, ja, jazelfs, wat meer is: Not only the navy, — the army was discouraged = ja zelfs; To say — = ontkennen, afslaan: If you invite me, I will not say you — = niet bedanken; If I invite you I will have no — = mag je niet bedanken.
Nazarenean, nazərîniən, Nazareensch; Nazarene, nazərîn, Nazarener, de Heiland; Nazareth, nazəreth; Nazarite, nazərait, Nazarener (Num. IV).
Naze, neiz, landtong, voorgebergte.
Nead-end, nîdend, toonstuk (van eene rol goed).
Neagh, nei: Loch —; Neale, nîl.
Neap, nîp, laag, vallend; ook subst. = Dead — = doodtij; —-tide = laag water; —ed = bij eb aan den grond zittend (van schepen): The tides are —ed = het is doodtij.
Neapolitan, nîəpolit’n, subst. en adj. Napolitaan(sch), Napelsch.
Near, nîə, adj. en adv. nabij, nauw verwant, dierbaar, letterlijk, getrouw, kort, recht, aan de linkerhand, uiterst zuinig; nabij, dicht aan; — verb. naderen: — at hand = op handen; Far and — = wijd en zijd; — is my coat, but —er is my skin = het hemd is nader dan de rok; I had a — chance of not seeing him again = ’t was er bij af, of ik …; — escape = hachelijke ontsnapping; The — horse = het bijdehandsche of linksche paard; You are — the mark = gij zijt er haast, hebt ’t bijna geraden; It was a — thing = het spande er om, ’t kon maar net; It will go — to ruin him = het zal bijna zijn ondergang zijn; It won’t seem — so hard = niet half zoo moeielijk; —-sighted(ness) = bijziend(heid); —ly = bijna, na, innig: Not —ly (so) = op verre na niet; —ness = nabijheid, schraapzucht, etc.
Neat, nît, netjes, zuiver, rein, smakelijk, keurig, onvermengd, handig: Brandy — = klare cognac; A little — = een kleintje cognac pur; To put — = opredderen; —-handed = handig; subst. —ness = netheid, etc.
Neat, nît, rund: —’s hide; —’s leather.
Neb, neb, snavel, snoet, spits, tuit.
Nebula, nebjulə, nevelvlek; vlekje op het hoornvlies; —r = nevelvlek - -, troebel; Nebulosity, nebjulositi, nevelachtigheid (ook fig.); Nebulous = nevelachtig, schemerig: subst. —ness; Nebuly = golvend; golvende lijn (Herald.).
Necessary, nesəs’ri, noodzakelijk, noodig, onvermijdelijk, gedwongen; subst. het noodzakelijke; privaat: Necessaries of life = levensbehoeften; Necessitate, nəsesiteit, noodzakelijk maken, noodzaken; Necessitous, nisesitɐs, behoeftig, nooddruftig; subst. —ness; Necessity, nisesiti, noodzakelijkheid, nood, nooddruft, noodstand: From sheer — = enkel uit nood; Of — = noodwendig; There is no — for = het is niet noodig; — is the mother of invention = de nood maakt vindingrijk; — has no law = nood breekt wet; To consult with (To make a virtue of) — = van den nood eene deugd maken; This will put me under a — of doing it myself = mij noodzaken.
Neck, nek, hals, nek, halslengte, nauwste punt van pas of kanaal, landengte (= — of land): That has broken the — of him = dat heeft hem vernietigd, geknakt; To break the — of an affair = het moeilijkste van een werk afdoen; iets verijdelen; This came in the — of your tidings = kwam onmiddellijk na; He narrowly escaped with his — = bracht er net het leven af; I have got my — out of it = ik ben er van af, bevrijd; He has a stiff — = is een stijfkop; He has laid the guilt on my — = heeft mij de schuld op den hals geschoven; One misfortune rides on the — of another = een ongeluk komt zelden alleen; To tread on the — of a person = iemand den voet op den nek zetten; He won by a — = met eene halslengte; It was a —-and-— race = zeer harde strijd, was kamp; The horses ran —-and-— = bleven elkander prachtig bij; —-and-crop = volslagen, geheel: He chucked him, —-and-crop, out of the room = hij gooide hem vierkant de kamer uit; He tumbled down —-and-heels = halsoverkop; Away they went, — or nothing (naught) = in dolle vaart; —-band = hemd- of halsboord; —-beef = halsstuk; —-chain = halsketting; —cloth = halsdoek; —erchief = halsdoek; —lace = halssnoer, halsband, strop; —-tie = dasje, colletje; —-verse = aanvangswoorden van Psalm 51, door het oplezen waarvan een misdadiger het Benefit of Clergy deelachtig kon worden; —-wear = das, dasje, colletje; —ed = met een nek (in samenst. zooals: Stiff-—ed); —let = halssnoer.
Necrological, nekrəlodžik’l, tot eene necrologie behoorende; Necrologist = schrijver van eene necrologie; Necrology, nekrolədži, sterftelijst; levensbeschrijving van een overledene.
Necromancer, nekrəmansə, toovenaar; Necromancy = zwarte- of tooverkunst; Necromantic of Necromantic = toover - -.
Necropolis, nikropəlis, doodenstad, begraafplaats; Necroscopic = de lijkschouwing betreffend; Necroscopy = lijkschouwing.
Necrose, nekrous, nekrous, door beeneter of koudvuur aangetast worden of zijn; Necrosis, nikrousis = beeneter, koudvuur.
Nectar, nektə, nectar; honigsap; —eal, —ean, nəktêriəl, —ən, —eous, nəktêriəs, nectarachtig, heerlijk als nectar; —iferous = honigsaphoudend; —ine, nektərin, soort v. West-Ind. pruim; —ous, nektərəs = —eous; —y, nektəri, honigkelk (v. eene bloem).
Ned(dy), ned(i) = Edward.
Neddy, nedi, ezel; ploertendooder.
Need, nîd, subst. nood, behoefte, ellende, nooddruft; — verb. behoeven, noodig hebben, noodig zijn: At the hour of —; In time of —; A friend in — is a friend in deed; He has — (stands in —) of a good scolding = moet eens hebben; There is no — for crying = ge behoeft niet; About as gay a thing as — be = als mogelijk is; If — be = zoo het noodig is; You — not do it = gij behoeft het niet te doen; He —ed to go there = moest er noodzakelijk naar toe; —ful = noodig, vereischt; ook subst.; We do the —ful with these bills to your credit; = wij brengen deze wissels op uw credit; —fulness = noodzakelijkheid; —iness = nooddruft, ellende; —less(ness) = noodeloos(heid); It is —less to discuss the point; —s = noodzakelijk, noodwendig, onvermijdelijk: He must —s go whom the devil drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen; —y = behoeftig, armoedig.
Needle, nîd’l, subst. naald, magneetnaald, wijzer, spits, obelisk; ergernis, zenuwachtigheid; — verb. doorboren; prikkelen, ergeren; naaldvormige kristallen schieten: As sharp as a — = zeer slim; zoo scherp als een vlijm; Dip of the — = helling van de magneetnaald; To get, have the — = geprikkeld, zenuwachtig worden (zijn); —-book = naaldenboekje; —-case = naaldenkoker; —-furze = kattendoorn; —-gun = naaldgeweer; —-leaved trees = naaldboomen; —-point = punt, prik (fig.); —-woman = naaister; —-work = naaldwerk, naaiwerk, handwerken, borduurwerk (Fancy —-work = fraaie handwerken); —ful = een draad naaigaren.
Ne’er, nêə, verk. v. never: He is a —-do-good (—well) = hij is een onverbeterlijke deugniet.
Nefarious, nifêriəs, afschuwelijk, schandelijk: — practices, means; subst. —ness.
Negation, nigeiš’n, ontkenning; leegte; Negative, negətiv, ontkennend, negatief; subst. ontkenning, weigering, negatief (photogr.), negatieve pool; — verb. ontkennen, verwerpen, weerleggen: —-electricity; He answered in the — = ontkennend; I —d his arguments = ik bewees de onjuistheid van; To — a motion = verwerpen; Negatory = ontkennend.
Neglect, niglekt, subst. verzuim, verwaarloozing, zorgeloosheid; — verb. verzuimen, verwaarloozen, over het hoofd zien: I did it in — = uit achteloosheid; He studied literature, to the — of his other work = met veronachtzaming van; To — one’s duty, an opportunity; —edness = verwaarloozing; —ful = achteloos, nalatig, onverschillig; subst. —fulness.
Negligée, negližî, ochtendjapon, négligé; negližei, halssnoer v. ongeslepen koralen.
Negligence, neglidžens, nalatigheid, verzuim, achteloosheid, geringschatting; adj. Negligent.
Negotiability, nigoušəbiliti, subst. v. Negotiable, nigoušəb’l, verhandelbaar; Negotiate, nigoušieit, handelen, verhandelen, onderhandelen, in omloop brengen, sluiten (v. leeningen); subst. Negotiation: To carry on (To enter into) —s with = onderhandelingen voeren (treden in); Negotiator = onderhandelaar; makelaar; Negotiatory = handelend, onderhandelend.
Negress, nîgrəs, negerin; Negrillo, nigrilou, dwergneger (Midden-Afrika); Negrito, nigrîtou, Negrito (op de Philippijnen); Negro, nîgrou, neger: — minstrels = (meest nagebootste) negerzangers; —-driver = blankofficier; —-head = pruimtabak in reepen geperst; —land = Afrika ten Z. van de Sahara; Negroid, nîgrôid, negerachtig.
Negus, nîgəs, Negus; warme gekruide wijn.
Nehemiah, nîhimaiə, Nehemia.
Neigh, nei, hinniken; subst. gehinnik.
Neighbour, neibə, subst. buur(man), concurrent, naaste; adj. aangrenzend, naast; — verb. nabij wonen, vriendschappelijk verkeeren, aangrenzen; —hood = nabijheid, nabuurschap, omtrek: It was somewhere in the —hood of 50 dollars = het was zoowat om en bij de 50 d. (Am.); —liness, subst. v. —ly = als goede buren, gezellig, vriendelijk.
Neill, nîl; Neilson, nîls’n.
Neither, naidhə, nîdhə, geen van beiden, noch, en … ook niet: — … nor = noch … noch; He does not like her, — do I = en ik ook niet; He is not so bad — (in plaats van either) = nog niet zoo kwaad.
Nell(y), nel(i); Nelson, nels’n; Nemean, nimîən, nîmiən; Nemesis, neməsis, Nemesis, ook fig.; Nenagh, neinə.
Nenuphar, nenjufâ.
Neolithic, nîəlithik, tot de latere steenperiode behoorende.
Neologian, nîəloudž’n, neologisch; neoloog; Neological = neologisch; nieuw gevormd; Neologism, niolədžizm, nieuw woord, nieuwe beteekenis, nieuwe leerstelling; Neologist = neoloog; Neologize = nieuwe woorden, beteekenissen of leerstellingen invoeren; Neology = neologie, invoering van nieuwe woorden of moderne godsdienstbegrippen.
Neophyte, nîəfait, subst. novice, nieuweling, beginner; adj. pas toegelaten.
Neoplatonic, nîəplətonik, Nieuw-Platonisch; Neoplatonism = Nieuw-Platonische wijsbegeerte; Neoplatonist.
Neoteric, nîəterik, nieuw, modern; ook subst.
Nepaul, nəpôl, stad: — paper = sterk ongelijmd schrijfpapier: —ese, nepôlîz, subst. en adj. (bewoner) van N.
Nepenthe, nipenthî, tooverdrank, die alle leed doet vergeten = —s; dit ook = kannekenskruid.
Nephew, nevjû, neef (oomzegger).
Nephralgia, nifraldžə, nierpijn; Nephritic = nier - -; subst. middel tegen nierziekte; Nephritis, nifraitis, nierontsteking; Nephrotomy, nifrotəmi, nieroperatie.
Nepotic, nipotik, adj. van Nepotism, nepətizm, nîpətizm, nepotisme.
Neptune, neptjûn, Neptunus; Neptunian, nəptjûnj’n, tot N. of de zee behoorende.
Nereid, nîri-id, zeenimf; borstelworm.
Nero, nîrou; adj. Neronian.
Neroli, Neroly, nerəli, nîrəli, oranjebloesemolie.
Nerve, nɐ̂v, subst. zenuw, nerf, pees, spierkracht, geestkracht, moed, durf; — verb. versterken, bemoedigen; zijn moed bijeenrapen, moed vatten (oneself, one’s mind): He has not got the — to do it = durft niet; She was —s and nothing else = door en door zenuwachtig; To be (to get) on one’s —s = zenuwachtig zijn; zenuwachtig maken; He recovered his — = herkreeg zijne zelfbeheersching, kracht: He —d himself = vatte moed, vermande zich; —d = met nerven; —less = zwak, zonder kracht; subst. —lessness; Nervine, nɐ̂v(a)in, zenuw …, kalmeerend middel; Nervose, nɐ̂vous, nɐ̂vous, zenuw …; geribd, geaderd; Nervosity = zenuwachtigheid; Nervous, nɐ̂vəs, zenuwachtig, zenuw …; gespierd, krachtig: — English = gespierd Engelsch; — fever = zenuwziekte; — force = innerlijke kracht, spierkracht; subst. —ness; Nervure, nâvjə, vertakking d. nerven (in een blad), ribben in de vleugels der insecten; Nervy, nɐ̂vi, krachtig, moedig, driest, moed vereischend.
Nescience, nešiəns, nîšiəns, onwetendheid.
Ness, nes, voorgebergte, landtong.
Nest, nest, nest, verblijf(plaats), schuilhoek, haard (pathol.), bende; — verb. nestelen, een nest bouwen of uithalen, in een nest leggen, of liggen: — of boxes; To build (make) a —; He has feathered his — = is binnen; —-chicken; —-egg = nestei, potpenning(-geld); —ling = nestvogel; adj. jong.
Nestle, nes’l, zich nestelen, (zich) verschuilen, aankruipen, verborgen liggen: The little girl —d close to her mother = kroop dicht aan; He —d himself to her = vlijde zich tegen haar aan; His head —d itself on my shoulder = hij lei zijn hoofd op mijn schouder.
Nestor, nestə, Nestor.
Net, net, subst. net (val)strik (fig.), soort mousseline, netwerk; — verb, tot een net maken, haken; in een net vangen, verstrikken: —maker; —-work = netwerk; —-work of railway-lines = spoorwegnet; —ting = het netten maken, netwerk (op schepen, enz.); —ting-needle = haaknaald, haakpen; —ting-pin.
Net, net, netto; — verb. netto opbrengen: — amount, — gain, — profits, — price, — proceeds, — weight.
Nether, nedhə, lager, beneden: — lip = onderlip; — millstone (Job.); —most = laagste, onderste; —land = Nederlandsch; The —lands = Nederland(sch); —lander, —landish.
Nettle, net’l, subst. brandnetel (= Common —, Stinging —); — verb. boos maken, prikkelen: — in, dock out (In dock, out —) van den hak op den tak; To be —d at = geprikkeld, geërgerd; —-cloth = neteldoek; —-rash = netelroos.
Neufchatel, nɐ̂šatel.
Neural, njûr’l, de zenuwen betreffend; —gia, njuraldžə, zenuwpijn; Neuralgic = neuralgisch; Neurasthenia, njurasthənaiə, neurastenie; Neurasthenic = neurastenisch; neurastenicus; Neuritis, njuraitis, zenuwontsteking; Neurology = zenuwleer; Neuropathy, Neurosis, njurousis, zenuwlijden; Neurotic, njurotik, zenuw- -, zenuwlijdend, zenuwsterkend; subst. zenuwlijder, zenuwmiddel.
Neuter, njûtə, adj. onzijdig, onovergankelijk; geslachtloos; subst. onzijdig geslacht, geslachtloos dier (plant); Neutral, njûtr’l, adj. onzijdig, onverschillig, neutraal, onpartijdig; subst. onzijdig persoon; Neutrality = onzijdigheid; Neutralization, subst. v. Neutralize = neutraliseeren, neutraal verklaren, onschadelijk maken: To — each other = tegen elkaar opwegen.
Nevada, nəvâdə.
Never, nevə, nooit, geenszins, nimmer, volstrekt niet, toch niet: He’s — the one to pay = hij betaalt nooit; He is — the better for it = hij is er daarom niet beter aan toe; — a word = geen stom woord; Well, I —! = heb ik ooit van mijn leven; — so much as = niet eens, zelfs niet; Be he — so rich = al is hij nog zoo rijk; That problem is — so simple = vraagstuk is doodeenvoudig; —-do-well lad = deugniet; —-dying = onsterfelijk; —-failing = onfeilbaar; — fear = heb geen zorg; — mind = dat doet er niet toe, dat behoef jij niet te weten; — say die = je moet nooit den moed opgeven; —more = nimmermeer; —theless, nevədhəles, niettemin, niettegenstaande.
Nevil(le), nevil.
New, njû, adj. nieuw, onbekend, onervaren, versch, frisch: — bread = versch; — man = parvenu; — moon; The — woman = de geëmancipeerde, de moderne vrouw; The — World = de Nieuwe Wereld; That’s nothing — to me = dat is niet nieuw voor mij; He is — to the business = er nog niet mede op de hoogte; —-birth = wedergeboorte; —-born = pasgeboren; —-comer = pas(aan)gekomene; —fangled, njûfaŋgld, njûfaŋgld, nieuwerwetsch; subst. —fangledness; —-fashioned = nieuwmodisch; —-laid eggs = versche eieren; —(ly) married = pasgetrouwd; —-model = nieuw modelleeren; —-painted = pas geverfd; —-year = Nieuwjaar; —-year’s Eve = Oudejaarsdag; —ish = eenigszins nieuw; —ly = kortgeleden, op nieuwe wijze, opnieuw: —ness = nieuwheid, onervarenheid.
New Britain (—brit’n); New Brunswick; Newbury, njûbəri; New Caledonia; Newcastle, njûkâs’l; Newcomen, njûkom’n; New England (= Maine, New Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode Island, Connecticut); Newfoundland, njûfaundland, njûfôndland, njûfôndland, het eiland en de N. hond; Newfoundlander, bewoner, vaartuig, hond; New France, oude naam voor Canada; New Guinea (—gini); Newhaven, njûheiv’n; New Hebrides (— hebridîz); New Holland; Newmarket, njûmâkit; New Orleans, njû öliənz, njû ölînz; New South Wales; New York, njûjök; New Zealand.
Newel, njûəl, stijl van eene wenteltrap.
Newgate, njûgit, gevangenis in Londen: A — fringe beard = baard onder de kin.
News, njûz, nieuws, tijding, bericht: An item (A piece) of — = nieuwtje; No — is good —; I had news that = ik hoorde; What’s the —? = wat voor nieuws is er? —-agent = agent voor dagbladen, etc.; —-boy = courantenjongen = —-man; —-monger = nieuwtjesverspreider; —-paper = courant: Some of these essays are too obviously —paperish = dragen al te zeer den stempel couranten-artikelen te zijn: —-room = tijdingzaal, leeszaal: —-vender, —-vendor = courantenverkooper; —-walk = buurt of wijk van een —-boy.
Newt, njût, watersalamander.
Newton, njût’n, Newton: —ian, njûtounj’n, subst. en adj. (volgeling) van N.
Next, nekst, naastbij, naast, volgende op, daarna: Wear flannel — your skin = op je bloote lijf; This — Thursday = den eerstvolgenden; — time = de volgende keer: — after you = dadelijk na u; I am the — in blood, — of kin = ik volg in graad van bloedverwantschap; He has — to nothing = zoo goed als niets; —-door to poverty = de armoede nabij; He is —-door to an idiot = driekwart idioot; He lives —-door = hiernaast; — eldest to = in leeftijd volgende op; — M. in age = volgt op M.: What —? = wat zullen we nu nog hebben? dat is àl te gek; Nog iets?
Nexus, neksəs, band, verbinding.
Niagara, naiagərə: Falls of —.
Nib, nib, snavel, mand, spits, punt, pen, koffieboon, cacaoboon; — verb. van een nib voorzien, spitsen: A soft — = zachte pen; Hard —bed = met harde punt.
Nibble, nib’l, — verb. knabbelen, bijten, visschen, vitten, gappen; ook subst.: A glorious day for a — = prachtige dag om te hengelen; To — bare = kaal vreten; To — off; —r = vitter.
Niblick, niblik, een zware ijzeren kolf met kleinen voet, gebruikt wanneer de bal in wagensporen, struiken, etc. ligt (Golfspel).
Nicaea, naisîə: —n councils; Nicaragua, nîkarâguə, nikərâguə; Nice, nîs, Nizza; nais, Nicea.
Nice, nais, stipt, nauwkeurig, keurig, zedig, kieskeurig, preutsch, teer, lastig, lekker, aangenaam, lief: That’s rather a — question = lastige vraag; You must not be — about accepting it = u niet geneeren om het aan te nemen; —ish, naisiš, lief, aardig: A —ish girl; —ness = liefheid, keurigheid, aangenaamheid, enz.; Nicety = fijnheid (van waarneming), nauwkeurigheid, kieschheid, kieskeurigheid; lekkernij: The coat fits to a — = zit keurig; One must not stand upon niceties = men moet de dingen niet al te nauw nemen; I can’t weigh niceties = rekening houden met zulke bagatellen; Niceties of words = spitsvondigheden.
Niche, nitš, nis, plaats, schuilhoek; — verb. in een nis plaatsen, verbergen.
Nicholas, nikəlas: The Festival of St. —: Nichol(l)s, nikəlz.
Nick, nik, kabouter, demon; kerf, kerfstok, rekening; juist oogenblik, hooge worp (bij het dobbelen), centstuk (Amer.); — verb. kerven, eene inkerving maken; op het juiste oogenblik treffen, overeenstemmen, passen: gappen, zich vlug bewegen: Old — = de duivel; Speak of the Old — and you’ll get an odour of brimstone = als je van den duivel spreekt, trap je hem op zijn staart; In the very —, just in the — of time = te juister tijd; That is out of all — = gaat buiten de schreef.
Nickel, nik’l, nikkel, 5 centstuk (Amer.): They spun a — = gooiden op; —-plated = vernikkeld; —-silver; Nickelic, nikəlik, nikelik = nikkelachtig, nikkel … = —iferous = nikkelhoudend.
Nicker, nikə, hinniken (N. E. en Schot.).
Nick-nack, niknak = knick-knack.
Nickname, nikneim, subst. bijnaam, scheldnaam: — verb. een bijnaam geven.
Nicobar, nikəbâ: — Islands; Nicodemus, nikədîməs.
Nicotin(e), nikətin, nikətîn, nicotine; Nicotinism = nicotinevergiftiging.
Niddle-noddle, nid’lnod’l, knikkend; — verb. knikkebollen, op en neer gaan; The plumes —d on the horses’ heads.
Nidification, nidifikeiš’n, het maken van nesten: Nidify, nesten bouwen.
Nidnod, nidnod, knikkebollen; —y = sukkel.
Nidus, naidəs, nest, broedplaats; infectiehaard.
Niece, nîs, nicht (oom- of tantezegster).
Niemen, nîm’n.
Nifty, nifti, goed, voldoende (Amer.).
Niger, naidžə.
Niggard, nigəd, subst. vrek; adj. vrekkig, gierig; —liness = vrekkigheid; adj. —ly.
Nigger, nigə, nikker: He works like a — = als een ezel.
Niggle, nig’l, beuzelen, beknibbelen, kleingeestige aan- of opmerkingen maken over (about), peuterig uit- of afwerken; ook subst.; Niggling = peuterig, krenterig.
Nigh, nai, nabij, nauw verwant, bijna (poët.): Well — = bijna; To be — at hand = nabij zijn; To draw — = naderen; subst. —ness.
Night, nait, nacht, avond, duisternis, onwetendheid, dood, tijd van rouw en smart: At (By) — = ’s nachts = In the —; At dead of — = in ’t holst van; Last — = gisteravond; (Late) at — = (laat) in den avond (nacht); To-— = van avond; Taking — = avond waarop de jongens een kermisvrijster kozen; A first —(er) = eerste opvoering; To bid (wish) good —; We have made a — of it = wij hebben den geheelen nacht doorgezwierd; To pass (spend) the —, To stay all — = overnachten; —-bell = nachtbel; —-brawler = (nacht)rustverstoorder; —-cap = slaapmuts, slaapmutsje(fig.); —-cart = kar van den reinigingsdienst; —-clothes (—-dress) = nachtgoed; —fall = het vallen van den avond; —-fly = avondvlinder, mot; —-gear = nachtgoed; —-gown = nachtjapon: —-gown case = nachtzak; —-jar = geitenmelker (= —-hawk); —-light; —-man = nachtwerker, man van den reinigingsdienst; —mare = nachtmerrie; —-pan = ondersteek; —-piece = nachtstuk; —-porter = nachtportier; —-school = avondschool; —shade = nachtschade (plant); —shirt = nachthemd; —-soil = fæcaliën; —-stand = nachtkastje; —-stool = stilletje; —-train; —-walker = slaapwandelaar, nachtelijk vagebond, prostituée; —-watch = nachtwacht; wekker; —-watchman; —ly = nachtelijk, elken nacht; —y = nachtpon.
Nightingale, naitingeil, nachtegaal.
Nigritia, nigrišə; adj. —n, ook subst. neger.
Nihilism, naihilizm, nihilisme; Nihilist = nihilist; adj. Nihilistic.
Nil, nil, niets, leeg: — desperandum! = ende désespereert niet!
Nile, nail, de Nijl; Nilgiri, nilgîrî: — Hills.
Nilly-willy, niliwili, goed- of kwaadschiks.
Nimble, nimb’l, vlug, lenig: The —-fingered gentry = de heeren met lange vingers (dieven); —-footed = vlug ter been, rap v. voet; subst. —ness.
Nimbus, nimbəs, stralenkrans.
Nimeguen, nimeig’n, Nijmegen.
Niminy-piminy, niminipimini, geaffecteerd, gekunsteld; ook subst.
Nincompoop, niŋk’mpûp, stommerik, sul = Nincom.
Nine, nain, negen: The (sacred) — = de muzen; Dressed up to the —s = keurig, netjes, piekfijn gekleed; That’s a — days’ wonder = verbaast de wereld eene week lang; — corns = een pijp vol; — winks = knippertje (dutje); —pin = kegel: They were playing at —pins = zij waren aan het kegelen; —fold = negenvoudig; —teen = negentien; She would chatter —teen to the dozen = praatte honderd uit; —teenth = negentiende; —tieth, naintiəth, negentigste; —ty = negentig; Ninth, nainth, negende; —ly = ten negende,
Ninny, nini, sukkel.
Niobe, naiəbî, Niobe.
Nip, nip, verb. nijpen, knijpen, omsluiten, afknijpen, door vorst beschadigen of vernielen, snijden (van koude), prikken, kwellen, pijnigen, ergeren; subst. kneep(je), beschadiging (door vorst en koude), slag, wippertje (borrel): —ped in the bud = in den knop gedood; in de kiem gesmoord; —ped by the ice = ingesloten door; I’ll first take my — and then my nap = eerst mijn wippertje en dan mijn knippertje; He takes two —s a-day = hij gebruikt zijne twee borrels per dag; There was an exhilarating — in the air = de vorstige lucht had iets opwekkends; —per = knijper, voortand van een paard, schaar (van een kreeft), vorstige dag, peuter, jongmaatje; —pers = (kleine) nijptang, schaar, knijper(s), soort handboeien; —ping = knijpend, scherp, snijdend, sarcastisch, stekelig; geaffecteerd (Amer.); —py = krachtig; scherp, bijtend: You had to look very —py to see him = scherp en vlug kijken.
Nipple, nip’l, tepel.
Nirvana, nirvâna, Nirwana; Nisan, naisan, nîsân.
Nisi Prius, naisai praiəs, (= unless previously), bevelschrift den Sheriff gelastend voor een Jury te zorgen aan het Court of Westminster, tenzij de Judges of Assize eerder naar zijn County komen; bevoegdheid aan deze writ ontleend; behandeling van een zaak krachtens dit bevel; civiele zaken door de Judges of Assize behandeld.
Nit, nit, neet (van ongedierte).
Nitre, naitə, salpeter; Nitric: — acid; Nitrification = salpetervorming; Nitrify = tot salpeter vormen (worden); Nitrogen, stikstof; Nitro-glycerine; Nitrous: — acid = salpeterig zuur; Nitry = salpeter …
Nix(ie), niks(i), watergeest.
Nizam, nizâm, nizam, titel van den vorst van Hyderabad.
No, nou, neen, niet; geen; subst. ontkenning, weigering, tegenstemmer, stem tegen: — cards = algemeene kennisgeving; — such matter = geenszins; It is — matter = het kan niets schelen; By — means = in geen geval; Of — use = nutteloos; —! (als uitroep) = och kom! wat je zegt! There is — avoiding it = dat is niet te vermijden; The —es have it = het voorstel is verworpen; Twenty —es and five ayes = twintig stemmen tegen en vijf vóór; The everlasting — = ontkenning van het bovenzinnelijke, de sceptische geest.
Noah, nouə, Noach.
Nob, nob, knop, kop, hoofd; hooge (oome): Old —s = de oude heer; —by = prachtig, piekfijn.
Nobble, nob’l, beetnemen, bepraten, gappen: To — the favourite = de favourite door eenig gift ongeschikt maken om mee te loopen; —r = slag op het hoofd; diefjesmaat.
Nobiliary, nəbiljəri, adellijk, adel …; subst. adelboek.
Nobility, nəbiliti, adel tot en met de Barons; grootheid: — of soul; Noble, noub’l, edel, grootmoedig, doorluchtig, adellijk, prachtig, statig; subst. edelman; rozenobel (oude munt van 6s.8p.): —man (—woman) = adellijke (man, vrouw); — metals = edele metalen; —-minded; subst. —-mindedness; —ness = edelheid, adel (fig.), grootschheid; Nobly-born = van adellijke geboorte.
Nobody, noubədi, niemand, nul, proleet: He is a — = een nul; They are — particular = zij zijn van gewone “kom-af”.
Nocake, noukeik, geroosterd maïpoeder.
Noctilionid, noktiljənid, Z.-Amer. vleermuis; Noctule, noktjul, spekmuis of rosse vledermuis.
Noctograph, noktəgraf, schrijfraam voor blinden; contrôle-instrument voor nachtwachten.
Nocturnal, noktɐ̂n’l, nachtelijk; Nocturne, noktɐ̂n, noktɐ̂n, nocturne (muz.).
Nocuous, nokjuəs, schadelijk, giftig.
Nod, nod, knikken, knikkebollen, slapen, droomen, suffen, toeknikken; subst. knik, wenk: A — is as good as a wink to a blind horse = een goed verstaander heeft maar een half woord noodig; To give one a — = toeknikken; He was a man to — to, not to speak with = hij was iemand om op een afstand te kennen en te houden; He —ded approbation, an affirmative, his assent = hij knikte goedkeurend, toestemmend; I had a —ding acquaintance with him = kende hem eenigszins; —dy = wankel.
Noddy, nodi, domkop; ijseend; soort van zeezwaluw; zie Nod.
Noddle, nod’l, subst. kop: Cracked in the — = niet recht snik.
Nodal, noud’l, knoop …; Nodated, nouditid, geknoopt; Node, noud, knoop, knoest, knobbel, spierverharding; verwikkeling, intrigue; Nodose, nədous, noudous, met knoopen of knoesten; Nodosity, nədositi, knoestigheid, knoop; Nodular, nodjulə, knoestig; Nodule, nodjûl, klompje, knoestje, knobbeltje.
Nog, nog, houten nagel; — verb. met nagels bevestigen.
Noggin, nogin, kroes, maat (¼ pint), kop.
Nogoism, nougouizm, onmogelijkheid, wat niet gaat.
Nohow, nouhau, in geen geval: To look — = er verloopen, slordig uitzien; —ish = onlekker.
Noise, nôiz, subst. geraas, getier, leven; — verb. tieren; verspreiden, uitbazuinen: There is a — abroad = er loopt een gerucht; — in the ear = oorsuizen; Hold your — = schei uit met je lawaai; He made a great — in his time = deed veel van zich spreken; It was —d about = rondgebazuind; —less = stil, zonder geraas of geluid; subst. —lessness; Noisiness, subst. v. Noisy = druk, lawaaiig, luidruchtig.
Noisome, nôisəm, nadeelig, ongezond, walgelijk, stinkend; subst. —ness.
Noli me tangere, noulaimîtanžərə, kruidje-roermeniet, gewoon springzaad, ezelskomkommer; een bepaalde huidziekte.
Noll, nol.
Nomad, nomad, noumad, subst. nomade; adj. nomadisch = Nomadic; —ism = zwervend leven; —ize = een zwervend leven leiden.
Nombril, nombril, navel (Herald.).
Nomenclature, noum’nkleitjə, nomenclatuur, naamlijst.
Nominal, nomin’l, nominaal: — price; — rank = titulaire rang; To pay a — rent = een zeer geringe huur; —ism = de leer, dat aan onze begrippen geene werkelijkheid beantwoordt, en zij slechts als namen bestaan; —ist = aanhanger van deze leer; Nominate, nomineit, benoemen, candidaat stellen, op de voordracht zetten; Nomination = benoeming, candidaatstelling: To be in — for = voorgedragen worden; Nominative, nominətiv, subst. eerste naamval = — case; adj. daarop betrekkelijk; Nominator = noemer, benoemer; Nominee, nominî, benoemde.
Non, non (in samenst.) niet, b.v. —-ability = onbekwaamheid; —-acceptance = non-acceptatie; —-appearance = niet verschijning; —-arrival = uitblijven (van een trein b.v.); —-attendance = niet verschijning; —com = non compos mentis, non-commissioned officer; A —-commissioned officer (zie Warrant-officer); A —-committal answer = antwoord, waarbij men zich tot niets verbindt, zich niet bloot geeft; —con, verkort voor —conformist = Dissenter, of voor —-content (= tegenstemmer of stem tegen in het Huis der Lords); —-conformist = afgescheidene; —-conformity = afgescheidenheid van de Anglikaansche kerk; —-delivery = niet bestelling, onbestelbaarheid; —descript = abnormaal, onmogelijk, vreemd, zonderling; ook subst.; —entity = nul; —intoxicants = niet alcoholische dranken; —juring, nondžûriŋ, tot de Nonjurors behoorende; —juror, nondžûrə, Jacobite, die bij de revolutie van 1688 niet trouw wilde zweren aan de nieuwe regeering; —-pareil, nonpərel, nonpərel, weergaloos; subst. iets weergaloos; nonpareille drukletter; soort zijden lint, soort appel; —-payment = niet betaling; That is a — sequitur (sekwitə) = eene onjuiste gevolgtrekking; —-sexual = geslachtloos; —-stop = doorgaand; —suit, nonsiût, subst. het opgeven of royeeren v. eene aanklacht wegens een gepleegd verzuim; — verb. aanleiding geven tot het opgeven of royeeren.
Nonage, noneidž, minderjarigheid; —d.
Nonagenarian, nonədžənêriən, 90-jarig(e).
Nonagon, nonəgon, negenhoek.
Nonce, nons, alléén in: For the — = voor dezen keer; —-word = gelegenheidswoord.
None, nɐn, subst. en pron. niemand, niets; adj. geen: — of your cheek here = hou je brutalen mond thuis; — the less = niettemin; He is — so young either = ook zoo jong niet meer; — too soon = geen oogenblik te vroeg; I am — the wiser = geen haar wijzer.
Nones, nounz, negende dag vóór de Ides.
Nonplus, nonplɐs, subst. verlegenheid; moeilijkheid; — verb. overbluffen, verlegen maken: To be at a —; To catch on the — = verrassen.
Nonsense, nons’ns, onzin, dwaasheid: I will stand no — = oppassen asjeblieft! Nonsensical(ness) = ongerijmd(heid), onzinnig(heid).
Non(e)such, nɐnsɐtš, subst. weergaloos persoon of zaak; soort van appel.
Noodle, nûd’l, uilskuiken, dwaas; —s = deeg van tarwemeel, dun gerold en aan reepen gesneden (Amer.).
Nook, nuk, hoek, gezellig plekje.
Noon, nûn, subst. middag, toppunt; adj. middag..: —day = middag; —house = herberg; —tide = middag; hoogtepunt; middag..; —ing = namiddagslaapje, -rust, -maal.
Noose, nûs, nûz, subst. lus, strik, schuifknoop; — verb. knoopen, in een strik vangen, verstrikken: To run oneself into a — = in de val loopen.
Nopal, noup’l, vijgendistel.
Nor, nö, noch, en ook niet: — I either = en ik ook niet; — is this all = en dat is nog niet alles; Much better — I = dan ik (plat).
Nora(h), norə; The Nore, dhə nö; Norfolk, nöfək.
Norm, nöm, norm; —al, nöm’l, naar den regel, normaal, loodrecht; subst. loodlijn: —al school = normaalschool; —ality, nömaliti = normaliteit, etc.; —alize, normaliseeren.
Norman, nöm’n, Normandiër: — architecture; —dy = Normandië.
Norn(a), nön(ə), Norne, Noorsche schikgodin.
Norse, nös, subst. en adj. (Oud-)Noorsch(e taal); —man = Noorman.
North, Nöth, subst. Noorden; adj. noordelijk; —-east = noordoosten, noordoostelijk; —-eastern = noordoostelijk; — by East = noord ten oosten; — America; — Pole; —-star = noord(pool)ster; —-west = noordwesten, noordwestelijk; —-western = noordwestelijk, noordwestelijke wind; —er, nödhə, harde, ijzige noordenwind; —erly, nödhəli, noordelijk; —ern, nödhən, noordelijk, uit het noorden: —ern-lights = Noorderlicht; —erner, nödhənə, bewoner van het noorden, van de Noord. Staten van Amer.; —ernmost, nödhənmoust, het meest noordelijk gelegen; —ing, nöthiŋ, noordelijke declinatie, afstand naar het noorden; —man = Noorman; —ward = naar het noorden: To the —ward = benoorden.
Northampton, nöthamt’n; Northumberland, nöthɐmbəland; Norway, nöwei, Noorwegen; Norwegian, nöwîdž’n, Noorsch; subst. (bewoner of taal) van Noorwegen; Norwich, noridž.
Nose, nouz, neus, reuk, snavel; spion; — verb. ruiken, in den neus krijgen, beruiken, trotseeren, door den neus spreken: Bridge (Point) of the —; — of wax = meegaand persoon; You had best follow your — = rechtuit te gaan; As plain as the — on one’s face = zoo klaar als een klontje; To cut the — off one’s own face = zijn aangezicht schenden (fig.); All my life my — was kept to the grindstone = heb ik hard moeten werken; You can lead them by the — = blindelings leiden of doen volgen; To pay through the — = duur betalen, duur te staan komen; That has put his — out of joint = hem den voet gelicht; When the baby came the little boy’s — was put out of joint = was de kleine jongen “Benjamin-af”; To snap a person’s — off = afsnauwen; He speaks in the — = spreekt door den neus; He thrusts (puts, shoves) his — into everything = steekt zijn neus in alles, bemoeit zich met alles; He turned up his — at it = hij trok er zijn neus voor op; He put his thumb to his — = bracht … aan (ook als teeken van minachting); He did it under my very — = hij deed het waar ik bij was; —-bag = voederzak (van een paard); in kellner’s slang: bezoeker die zijn eigen mondvoorraad meebrengt: The British Museum reading-room is made a —-bag of by many = velen gaan naar de leeszaal van het B. M. om warm onder dak te zijn; —-band = neusriem; —-bleed = gemeen duizendblad; —-gay = ruiker; —hole = neusgat; —-piece = neusriem; mondstuk; objectief uiteinde van een microsc.; —-ring = ring door den neus; —d: Flat —d = met een platten neus; —less = zonder neus; Nosing = vooruitstekende rand van lijstwerk.
Nostalgia, nostaldžə, heimwee (naar = for); Nostalgic = heimwee hebbend.
Nostril, nostril, neusgat.
Nostrum, nostr’m, kwakzalversmiddel.
Nosy, nouzi, met grooten neus.
Not, not, niet: — at all = geenszins, integendeel; — by a very long way = geenszins; — in the least = in het minst niet; — if I know it = ik denk er niet aan, het komt niet bij mij op; Will they do it? — they = ’t mocht wat, dat kun je begrijpen.
Notabene, nouta bînî.
Notability, noutəbiliti, merkwaardigheid, gewichtigheid; notabele; Notable, noutəb’l, merkwaardig, aanzienlijk, groot, uitstekend, bekend, berucht, flink (v. huisvr. = notable); subst. kopstuk, notabele: Assembly of —s = afgevaardigden van Frankrijk (1787); subst. —ness.
Notalgia, nətaldžə, pijn in den rug.
Notarial, nətêriəl, notariëel; Notary, noutəri, notaris = — public = Public —.
Notation, nouteiš’n, aanteekening, opschrijving, notatie.
Notch, notš, subst. kerf, inkeping, keep, gergel; bergpas (Amer.); — verb. kerven, inkepen, opschrijven: The stick was —ed across at regular distances = over den stok waren op gelijken afstand inkepingen gemaakt; —-board = wang van een trap.
Note, nout, subst. opmerking, bekendheid, beteekenis, belang, (verklarende) aanteekening, uitlegging, briefje, mededeeling, nota, rekening, orderbriefje, promesse (ook: — of hand), toon, noot; — verb. aanteekenen, letten op, nota of notitie nemen van, aanteekeningen maken, laten protesteeren: — of charges = onkosten-nota; — of exclamation (interrogation); A thing worthy of — = merkwaardig iets; He is a man of — = man van aanzien en gewicht; As per — = volgens nota; We compared —s together = wij vergeleken onze bevindingen; To make a — of = aanteekenen; To take —s = aanteekeningen maken; To take no — (of it) = geen nota nemen van, niet letten op; —-book = aanteekenboek; —-paper = klein formaat schrijfpapier; —-shaver = iemand, die tegen buitensporige rente wissels disconteert, enz.; maker van valsche bankbiljetten; —worthiness, subst. v. —worthy, noutwɐ̂dhi, merkwaardig; He is a —d general = vermaard; —dness = vermaardheid.
Nothing, nɐthiŋ, subst. niets, kleinigheid, nul, prul: For — = te vergeefs; Next to — = zoo goed als niets; — at all = in ’t geheel niets; The piece was — like so witty as I expected = het leek er niet op, dat; There was — for it but to get out = er zat niets anders op dan; To have — on = niets aan hebben; That’s — to me = dat kan mij niet schelen; He is — to us = we hebben niets met hem te maken; There’s — in it = dat beteekent niets, is van geen belang; I will have — to say to you = niets met u te maken hebben; It is — to be inquired into = het is de moeite niet waard, er onderzoek naar te doen; Things have come to — = er is niets van gekomen; I can make — of it = kan er niet uit wijs worden; — venture, — have = wie niet waagt, die niet wint; —ness = waardeloosheid.
Notice, noutis, subst. opmerking, aandacht, acht, hoede, kennisgeving, waarschuwing, aankondiging, recensie; — verb. opmerken, waarnemen, notitie nemen van, vermelden, bespreken, recenseeren, eerbied bewijzen: To escape — = onbekend (onopgemerkt) blijven; He gave me — (to leave, to quit) = hij heeft me de huur (den dienst) opgezegd; Have you given — as yet? = hebt ge u al (voor ’t examen) aangegeven; The child takes — in a wonderful way = krijgt al merkwaardig veel “weet”; At a moment’s — = onmiddellijk; At (a) short — = op korten termijn; We —d the work in last week’s issue = hebben in ons nummer van de vorige week besproken; Do not — me = doe maar alsof ik er niet ben, let niet op mij; I had no opportunity of noticing this to you = u hierop opmerkzaam te maken; —-board = aanplakbord; —-paper = agenda; —able = opvallend, opmerkenswaard: Actresses generally go about with —able dress = zijn nogal dikwijls opzichtig gekleed.
Notification, noutifikeiš’n, kennisgeving, verwittiging, mededeeling, het beteekenen (van een vonnis); Notify, noutifai, bekend maken, verwittigen, kond doen.
Notion, nouš’n, begrip, denkbeeld, neiging (—s = kleinigheden, snuisterijen) (Amer.): He hasn’t a — of doing it = denkt er niet aan; I had no — of it = ik had er geen flauw idee van; —al = denkbeeldig, droomerig, begrips …: —al words = begripsnamen.
Notoriety, noutəraiiti, algemeene bekendheid, beruchtheid, onloochenbare zekerheid; bekende persoonlijkheid; Notorious, nətôriəs, bekend, berucht: A — burglar = berucht inbreker; subst. —ness.
Notturno, notɐ̂nou, nocturne (muz.).
Notus, noutəs, Zuiden (of Z. W.) wind.
Not-wheat, notwît, ongebaarde tarwe.
Notwithstanding, notwidhstandiŋ, niettegenstaande: — that = ofschoon.
Nougat, nûgâ, noga.
Nought, nôt. Zie Naught.
Noun, naun, zelfstandig naamwoord: Proper — = eigennaam.
Nourish, nɐriš, voeden, grootbrengen, koesteren; —able = wat gekweekt of gevoed kan worden; —er; —ing = voedzaam; —ment = voeding, voedsel.
Nous, naus, nûs, verstand; helderheid: You need all your — for that = daar mag je “de vijf” wel goed voor bij elkaar hebben; —-box = “kop”, kersepit.
Nova Scotia, nouvəskoušə, Nieuw Schotland; Nova Zembla, nouvəzemblə.
Novel, nov’l, subst. roman, novelle (Jur.); adj. nieuw, ongewoon: The purpose — = tendenzroman; A — point = een nieuw gezichtspunt; A —-writer = romanschrijver; —ette, novəlet, novelle; —ist = romanschrijver; —istic = roman..; —ty = nieuwigheid, nieuw artikel: That is quite a —ty = dat is wat nieuws.
November, nəvembə, November.
Novice, novis, nieuweling, beginner, novice (klooster); Noviciate, Novitiate, nəvišieit, leertijd, proeftijd (in een klooster), novitiaat.
Now, nau, nu, thans: — … — … = nu eens … dan weer …; — and again = telkens; — and then = nu en dan; Every — and then = telkens; Before — = reeds vroeger; By — = op dit oogenblik; But (Even) — = net nog; Just — = zooeven; Till — = tot nu toe; Don’t spill oil on my dress, — = zeg er eens, mors nu geen olie op mijne japon; —, the weather being nice = aangezien het weer mooi was; He said so. Did he —? = och kom! I shan’t tell you, So —! = basta! Sure —? = Heusch? (Iersch); — for it! = nu moet het maar wezen; — for them! = laten ze nu maar komen! — that = daar nu, omdat; —adays, nauədeiz, heden ten dage.
Noway(s), nouwei(z), geenszins.
Nowhere, nouwêə, nergens: Now that he has lost his property, he is — = beteekent hij niets meer; My horse was — = verloor het royaal, viel geheel uit; His new play is — = trekt geen publiek; It is — by comparison = haalt er niet bij; Nowhither, nouwidhə, nergensheen; Nowise, nouwaiz, op geenerlei wijze.
Noxious, nokšəs, schadelijk, verderfelijk, ongezond; subst. —ness.
Noyau, Fr. uitspr. persico.
Nozzle, noz’l, pijp, mondstuk, snuit; neus.
Nub, nɐb, knobbel; adj. —bly.
Nubia, njûbjə, Nubië; wollen netje (hoofdbedekking voor Amer. dames); —n = Nubiër, negerslaaf.
Nubile, njûbil, huwbaar.
Nucleus, njûkliəs, kern, grondslag.
Nude, njûd, naakt, bloot, kaal; ongeldig: The — = het naakte (lichaam); —ness = Nudity.
Nudge, nɐdž, subst. duwtje; — verb. eventjes aanstooten: He —d me (with his elbow) = hij gaf me een duwtje (met den elleboog), stootte mij aan.
Nudity, njûditi, naaktheid.
Nugatory, njûgətəri, beuzelachtig, waardeloos.
Nugget, nɐgət, klomp edel metaal.
Nuisance, njûs’ns, plaag, last, burengerucht: What a — = dat is vervelend; Don’t be a — = hinder me zoo niet; Commit no —! = verontreiniging van deze plaats is verboden.
Null, nɐl, krachteloos, nietig, ongeldig; subst. nul: Some voting-papers were — = van onwaarde; —ification = vernietiging, nietigverklaring; -ify, nɐlifai, van nul en geener waarde maken; —ity = ongeldigheid.
Nullah, nɐla, kanaal, droge stroom, bedding (Brit. Ind.).
Numb, nɐm, adj. verstijfd, verkleumd, verdoofd; — verb. verdooven, verstijven; subst. —ness.
Number, nɐmbə, subst. getal, nummer, menigte, (vers)maat; — verb. rekenen, nummeren, (op)tellen, bedragen: —s = verzen, poëzie; Numeri; To look well after — one = voor zichzelf zorgen; Out of (Without) — = talloos; To the — of 40 = ten getale; In great —s = in gr. getale; It’s the —s that pay = slechts bij grooten omzet is winst te behalen; — off = nummert u! (mil.); They can be —ed on the fingers of one hand = zij zijn op de vingers te tellen; —er; —less = talloos.
Numbles, nɐmb’lz, ingewand van een hert.
Numerable, njûmərəb’l, telbaar; Numeral, subst. telwoord, getalteeken; adj. tot een telwoord behoorende, een getal aanduidend; Numerary = in een zeker getal begrepen; Numeration = het tellen; Numerate, njûməreit, tellen, rekenen; Numerator, njûməreitə, teller; Numerical, njumerik’l: — difference = verschil in getal; — frame = rekenmachine; Numero = nummer; Numerous = talrijk; subst. —ness.
Numidia, njumidjə, Numidië; —n = Numidiër, Numidisch.
Numismatic, njûmizmatik, penning - -, munt - -; —s = penningkunde; Numismatist, njûmizmətist, penningkundige.
Numskull, nɐmskɐl, uilskuiken; —ed = dom.
Nun, nɐn, non; nonnetje (een zaagbek-eend): —’s veiling = soort voile-stof; —nery = nonnenklooster.
Nuncheon, nɐnš’n; Zie Luncheon.
Nunciature, nɐnšiətjuə, ambt of woning van een Nuncio, nɐnšiou, pauselijk gezant, nuntius.
Nuncle, nɐŋk’l = Uncle.
Nuncupative, nɐŋkjupətiv, Nuncupatory, nɐŋkjupətəri, mondeling: A — will = mondeling gemaakt testament.
Nundinal, nɐndin’l, Nundinary, nɐndin’ri, jaarmarkt - -: — laws.
Nuneaton, nɐnîtən, nɐnətən.
Nuphar, njûfə, njûfâ, gele waterlelie of plomp.
Nuptial, nɐpš’l huwelijks.…: — benediction = huwelijksinzegening; — tie = huwelijksband; —s = huwelijk, bruiloft.
Nuremberg, njûr’mbɐ̂g, Neurenberg.
Nurse, nɐ̂s, subst. pleegzuster; baker (= Dry —, of Monthly —); min (= Wet —); kindermeid, “juffrouw”; kweeker, verzorger; — verb. zoogen, grootbrengen, oppassen, koesteren, streelen, strijken, sparen, dicht blijven bij: The child was at —, was put out to — = het kind was, werd bij eene min uitbesteed; He put out his income to — and accumulate = zette op rente; He understands the art of nursing = om ze warm te houden (bilj.); He —d his capital = was spaarzaam, leefde zuinig; You must — your cold = wat doen tegen; To — one’s face = de handen voor het gezicht houden; He —d his leg = hij zat met over elkaar geslagen of hoog opgetrokken knieën; —-girl = kindermeisje; —-maid; —-pond = vijver voor vischcultuur; —ry = kinderkamer; kweekerij (van planten); wedstrijd voor 2 jarige paarden; —ry-cannon = kanonnetje uit de speelgoeddoos; —ry-gardener = gardenier, kweeker; —ry-governess = kinderjuffrouw; —ry-man = kweeker, gardenier; —ry-plant = stekje; —ry-rhyme = kinderversje; —ry-tale = sprookje; Nursing-bottle = zuigflesch; Nursling = voedsterling, lieveling.
Nurture, nɐ̂tšə, subst. het voeden of grootbrengen, voeding, voedsel, opvoeding; — verb. voeden, grootbrengen, opvoeden.
Nustle, nɐs’l = Nuzzle.
Nut, nɐt, subst. noot, hazelnoot, moer, neut (van een anker), fat, dandy, nootjeskool, kop; — verb. noten plukken: He is as close as a — = zoo dicht als een pot; As sweet as a — = als uit een doosje; Hard —s to crack (tackle); I have a — to crack with you = appeltje met je te schillen; That is —s to me = een kolfje naar mijn hand; It is —s to read that letter = het is een genot; She is dead —s on him = smoorlijk verliefd op; Juggles, the policeman, is dead —s on poachers = is fel op; You are always dead —s on that school = je geeft altijd af op die inrichting; He is off his — = gek; —-brown = licht bruin; —-cracker(s) = notenkraker; ingevallen mond; —-gall = galappel; —-hatch = boomklever; —-hook = notenhaak; dievenvanger; —-key = schroevensleutel; —meg = notenmuskaat; —meg-grater = notenmuskaat-raspje; —meg-oil = muskaatolie; —shell = notedop (ook fig.): The world in a —shell = de wereld in een doosje; The whole matter lies in a —shell = is doodeenvoudig; —-tree; —-wood = notenboomhout; —ter = notenplukker; —ting: To go a-—ting = gaan noten plukken; —ty = vol noten, als noten smakende; lief.
Nutrient, njûtriənt, voedend; subst. voedende stof; Nutriment, njûtriment, voedsel: —al, njûtriment’l, voedend; Nutrition = voeding, voedsel, voedingswaarde; Nutritious = voedzaam; subst. —ness; Nutritive = voedzaam; subst. —ness.
Nuzzer, nɐzə, een geschenk aan een superieur (Brit. Ind.).
Nuzzle, nɐz’l, met den neus omwroeten (zooals een varken), met den neus wrijven tegen, een ring door den neus trekken, liefkoozen, het hoofd verbergen in moeders schoot (als een kind); met het hoofd voorover loopen.
Nymph, nimf, nimf; jonge schoone; —-like of —ly = als eene nimf; —aea, nimfîə, witte plomp; —ean, nimfîən, nimfachtig = —ical = —ish.