← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

M.

Reading edition

M, em, verk. voor Marquis, Masculine, Meridian, Middle, Mile(s), Mille (Thousand), Minute, Monday, Morning; M(agister) A(rtium) of M(ilitary) A(cademy); Macc(abees); Mach(ine); Mad(am), Mag(azine); Maj(or) Gen(eral); Mal(ayan); Mar(ch) of Mar(itime); Marq(uis); Masc(uline); Mass(achusetts); Math(ematics); Matt(hew); M(edicinae) B(accalaureus); M(ember of) C(ongress) of M(aster of) C(eremonies); M(edicinae) D(octor); Mdlle = Mademoiselle; M(ost) E(xcellent); M(ilitary) E(ngineer); Mech(anics); Med(icine); Med(iaeval) Lat(in); Mem(orandum); Messrs = Messieurs; Met(aphysics); Metaph(ysics); Meteor(ology); Meth(odist); M(aster of) F(ox) H(ounds); M(ost) H(onourable); M(iddle) H(igh) G(erman); Miss(issippi); M(ember of the) I(nstitute of) C(ivil) E(ngineers); Min(eralogy); Minn(esota); Min(ister) Plen(ipotentiary; M(ember of the) K(ing’s and) Q(ueen’s) C(ollege of) P(hysicians); M(ember of the) L(ondon) S(chool) B(oard); M.M. = Their Majesties, of: Gentlemen; Mn. = Michigan; Mo. = Missouri of Month; Mod(ern); Mon(day); Mons(ieur); M(ember of) P(arliament); M(ember of the) P(hilological) S(ociety); Mr. = Master, Mister; M(ember of the) R(oyal) C(ollege of) P(hysicians); M(ember of the) R(oyal) G(eographical) S(ociety); M(ember of the) R(oyal) A(cademy); Mrs. = Mistress, misiz; M(ember of the) R(oyal) S(ociety of) L(iterature); M(aster of) S(urgery); Ms. = Manuscript; Mss. = Manuscripts; Mt. = Mount; Mts. = Mountains; Mus(eum) of Mus(ical); M(ost) W(orthy) G(rand) M(aster); Myth(ology).

Ma, mâ, Mama (kindertaal).

Ma’am, mam of mâm, verk. van Madam: —-school = Dame-school (Amer.).

Mab, mab, feeënkoningin; slons; huurrijtuig.

Mabel, meib’l.

Mabys, mabis, jonge dienstbode, eig. verk. van M(etropolitan) A(ssociation for) B(efriending) Y(oung) S(ervants).

Mac, mak, zoon (vóór Schotsche en Iersche namen).

Macaco, məkeikou, vosaap of maki.

Macacus, məkeikəs, Turksche aap of magot.

Macadam, makadəm: — pavement(road) = macadam (steenpuin of granietkiezel) weg; Macadamization, subst. v. Macadamize, macadamiseeren, een straatweg aanleggen naar het stelsel van Mac-Adam.

Macaroni, makərouni, macaroni, mengelmoes; iets uitstekends; fat; Macaronic = dwaas, ijdel, hansworsterig; uit bont dooreengemengde woorden van verschillende talen gevormd (vers).

Macaroon, makərûn, macrone (koekje).

Macassar, məkasə, Macassar: — oil.

Macaulay, məkôli.

Macaw, makô, roode ara (soort v. papegaai).

Macbeth, məkbeth; Maccabean, makəbîən, Maccabeesch; Maccabee, makəbî, Maccabeër; Mac Carthy, məkâthi; Mac Donald, məkdonəld, Macdougal, məkdɐg’l; Macduff, məkdɐf.

Mace, meis, staf, scepter; vroegere lange billartqueue, vroegere knots; zwendel, geleend geld; — verb. bedriegen, leenen: On — = op “de pof”; —-bearer = pedel, stafdrager.

Macedon, masidon; Macedonia, masidounjə, Macedonië; —n, subst. Macedoniër; adj. Macedonisch.

Macerate, masəreit, afmatten, kastijden; laten weeken, macereeren; subst. Maceration.

Machiavel, makiəvel; —ian, makiəveliən, subst. en adj. (volgeling) van Machiavelli (1469–1527); sluw, dubbelhartig, trouweloos (mensch); —ism = de beginselen van M., staatkundige dubbelhartigheid.

Machinate, makineit, kuipen; Machination = kuiperij; Machinator = intrigant.

Machine, məšîn, subst. werktuig, toestel, machine, machinerie, naaimachine, badkoets, fiets, wagen, brandspuit (Amer.); de deus ex machina in drama (= machining God); — verb. machinaal, met behulp eener machine vervaardigen of uitvoeren, op de naaimachine werken: —-gun = soort v. mitrailleuse; —-made = machinaal: —-made manners; —-ruler = linieermachine; —-work = fabriekswerk; —ry = machinerie, mecanisme; het bovennatuurlijk ingrijpen ter ontwikkeling der catastrophe.

Machinist, məšînist, machinist, constructeur van machines; machinenaaister; fietser: Coventry — = rijwielfabrikant.

Mackay, məkai, məkei; Mackenzie, məkenzi.

Mackerel, makerel, makreel: —-sky = lucht met kleine schapenwolkjes.

M(a)cKinley, məkinli: — Bill = de in 1890 aangenomen Amer. beschermende rechten.

Mackintosh, makintoš, waterdichte stof, jas of mantel daarvan; adj. waterdicht; — verb, waterdicht maken.

Macleod, məklaud; Maclise, məklîs; Macmillan, məkmil’n; Mac Neill, məknîl; Macomb, məkûm, məkoum; Macpherson, məkfɐ̂s’n; Macready, məkrîdi.

Macrocosm, makrəkozm, het heelal.

Macron, makron, meikron, lengteteeken (ā).

Macropod, makrəpod, langbeenig; Macropus, makrəpɐs, kangoeroe.

Macroscopic(al), makrəskopik(’l), voor het bloote oog zichtbaar.

Macula, makjulə, vlek; —te, adj. bevlekt (ook fig.); — verb. bevlekken; Maculation = bevlekking, vlek; Maculose, makjulous = gevlekt.

Mad, mad, krankzinnig, dolzinnig, razend, woedend, overmoedig; — verb, dol maken (Amer.): To be — with joy = dolblij zijn; He has driven me — = gek gemaakt; He is sure to go (run) — = wordt bepaald gek; — as a hatter, as a march-hare = stapelgek; — on (upon, for, of) = dol op; —-brained = dol, razend, dwaas; —cap, subst. dolhoofd, dolleman; adj. dol, dwaas; —-headed = dol; —house = gekkenhuis; —man = krankzinnige, dolleman; —wort = schildzaad, steenkruid; —den = dol of woedend maken, razend worden; The madding crowd = de woeste, woelige (dwaze) menigte; —ness = krankzinnigheid, waanzin, dolheid.

Madam, mad’m, Mevrouw, Juffrouw; Madame, madâm, mevrouw, “madam”: At — Jeff’s = bij “Madam” J.; To-morrow — returns to the kitchen = morgen kan men de mooie “madam” weer in de keuken vinden; He always addresses her as “—”, and treats her as a princess.

Madder, madə, meekrap; — verb, met meekrap verven.

Made, meid, imperf. en part. van to make; gemaakt, kunstig vervaardigd, (toebereid), afgeëxerceerd, afgericht, verzonnen (up): — gravy = bouillon; — land = ingedijkt land (Amer.); You are a — man = uw fortuin is gemaakt; — mast = gekuipte mast; — word = nieuw woord; — (up) dishes = fijne schoteltjes; I have seen them — that way = van dat soort heb ik wel gekend; As slangy as sporting-papers are — = maar kunnen zijn. Zie Make.

Madeira, mədîrə, mədêrə, Madera(wijn): — mahogany(-wood) = echt mahoniehout.

Madge, madž, verkorting van Margaret.

Madonna, mədonə, Madonna; soort alpaca.

Madox, madəks; Madras, mədras, Madras; halfzijden stof.

Madrepore, madripö, sterkoraal.

Madrid, mədrid.

Madrier, madriə, madrîə, sterke balk, plank.

Madrigal, madrig’l, madrigal.

Madrilenian, madrilînj’n, uit Madrid, bewoner v. M.

Madura, madjûrə; Maecenas, məsînas.

Maelstrom, meilstrom, mâlstrom, maalstroom; ook fig.

Maenad, mînad, Bacchante; dol wijf.

Maestro, ma-estrou, meester, beroemd componist.

Maffick, mafik: —ing = dol en ruw feestbetoon op straat (oorspronkelijk naar aanleiding van het ontzet van Mafeking 17 Mei 1900); -er.

Mag, mag, babbelen, plagen; subst. snater, babbelkous; halfpenny.

Magazine, magəzîn, magazijn, tijdschrift; kruitkamer (magazijn): — rifle.

Magdalen, magdəlen, Magdalena: — asylum = huis voor gevallen vrouwen; —(e) môdlin: — College te Oxford.

Magdeburg, magdəbɐ̂g, Maagdenburg: — hemispheres, Maagdenburger halve bollen.

Mage, meidž = Magician.

Magellan, məgel’n, mədžel’n, Magellaan: Strait of — = Straat van Magellaan; —ic, magəlanik, madžəlanik, v. Magellaan: —ic clouds = Magellaansche vlekken, kaapwolken.

Maggot, magət, made; gril; —y = vol mijten of maden; grillig, prikkelbaar; subst. —iness.

Magi, meidžai, mv. van Magus; —an = de Magiërs betreffende; Magiër.

Magic, madžik, tooverkunst, hekserij, tooverkracht; adj. —(al) = tooverachtig, betooverend; — circle = tooverkring; — flute = tooverfluit; — lantern = tooverlantaarn; — square = vierkant van zoodanige cijfers, dat deze loodrecht, of horizontaal of diagonaal opgesteld, steeds dezelfde som leveren; Magician, mədžiš’n, toovenaar.

Magister, mədžistə, magister; Magisterial = heerschend, gebiedend, trotsch; subst. —ness.

Magistracy, madžistrəsi, de magistraat, magistratuur; Magistral, madžistr’l, gebiedend; volgens bepaald recept (pharm.); Magistrate, madžistreit, overheidspersoon, vrederechter.

Magna C(h)arta, magnəkâtə, de Magna Charta v. Jan Zonder Land (1215).

Magnanimity, magnənimiti, grootmoedigheid; adj. Magnanimous.

Magnate, magnit, voornaam persoon.

Magnesia, magnîšə, magnîžə, magnesia: Sulphate of — = Epsom salts; —n = magnesium bevattend; Magnesium: —-light.

Magnet, magnət, magneet, magneetstaaf; —ic, magnetik, magnetisch, magneet - -, miswijzend, aantrekkend: —ic field; —ic needle; —ic poles; —ism = magnetisme; aantrekkingskracht: Terrestrial —ism = aardmagnetisme; —ization, subst. v. —ize = magnetiseeren; —izer = magnetiseur; Magneto-electric(al) of Magneto-electric(al); Magneto-ignition = magneetontsteking; Magnetometer = magnetische krachtmeter; Magneto-motor of Magneto-motor; Magneto-telegraph.

Magnific(al), magnifik(’l), prachtig, heerlijk.

Magnificat, magnifikat, lofzang ter eere van Maria (Lukas I, 46–55); Magnification = vergrooting.

Magnificence, magnifisens, grootschheid, luister; Magnificent = grootsch, prachtig, prachtlievend.

Magnifico, magnifikou, vroeger Venetiaansch edelman; rector eener Duitsche Hoogeschool; groot heer.

Magnifier, magnifaiə, vergrooter, vergrootglas; Magnify, magnifai, vergrooten, verheerlijken: —ing-glass = vergrootglas.

Magniloquence, magniləkwens, grootsprekerij, bombast; adj. Magniloquent, magniləkwent.

Magnitude, magnitjûd, grootte, omvang, belangrijkheid.

Magnolia, magnouljə, magnolia.

Magnum, magn’m, dubbele flesch (± 2 L.): — bonum, magn’mboun’m, soort van groote pen, pruim of aardappel.

Magog, meigog, groote reus (1 Mos. X, 2).

Magot, magot, məgou, magot (aap, Chineesch poppetje).

Magpie, magpai, ekster, babbelkous, halfpenny, schot in den buitensten ring.

Magus, meigəs, Magiër, Wijze uit het Oosten.

Magyar, madjâ, mədžâ, Magyaar(sch).

Mahabharata, mahâbârətə, een Indisch epos.

Maharajah, maharâdžâ, Maharadsja (titel).

Mahatma, mahatma, Boeddhistisch priester, theosoof.

Mahdi, mâdi, Madhi; Madhist, aanhanger van den Madhi; —sm = zijne leer.

Mahlstick, mâlstik = Maulstick.

Mahogany, məhogəni, mahoniehout; (eet)tafel: To be under the — = onder de tafel liggen (dronken); To have one’s feet under another man’s — = aan een andermans tafel zitten, over eens anders hulpbronnen beschikken.

Mahomet, məhomət, Mahomed; —an = Mohammedan.

Mahon, məhoun, məhûn.

Mahori, mâhəri, Maori.

Mahout, məhaut, məhût, olifantdrijver (Brit. Indië).

Maid, meid, maagd, meid, meisje: Children’s —; House— = tweede meid; Ladies’ — = kamenier; Parlour — = binnenmeid; Thorough — = flink; — of honour = hofdame; — of all work = meid alléén; —-servant = dienstmeid; Maiden, subst. maagd, meisje, waschmachine; adj. maagdelijk, rein: — assizes = zittingen zonder crimineele zaken; — aunt = ongetrouwde tante; — auntish: The book is irreproachable to a — auntish extent = eene ongetrouwde tante kan er zelfs niets op aanmerken; — effort = eerste poging; — name = de eigen naam van eene getrouwde vrouw; — speech = eerste redevoering van een nieuw parlementslid; — stakes = wedstrijd of de prijzen voor paarden, die voor ’t eerst uitkomen; —hair = venushaar; —head = —hood = maagdelijkheid; —liness, subst. v. —ly = jonkvrouwelijk, zedig.

Maieutic, mei-jûtik, geboorte bevorderend, ontwikkelend.

Mail, meil, subst. maliënkolder; brievenzak, brievenpost; — verb, bepantseren; met de post verzenden, op de post doen (Amer.): Coat of — = pantserhemd; —-bag = brievenzak; —-boat = pakketboot; —-cart = postkar; sportkar; —-clad = bepantserd; —-coach = postwagen; Eng. koets, met zitplaatsen boven op en met 4 paarden bespannen; —-day; —-horse = postpaard; —-line = —-route; —-stage = postwagen (Amer.); —-steamer = postboot; —-train = posttrein; —-van = postwagen; —able = wat per post kan worden verzonden (Am.); —ed = gepantserd, geschubd, met schilden, gevlekt.

Maim, meim, subst. verminking; — verb. verminken, schenden.

Main, mein, voornaamste; subst. geweld; voornaamste deel, hoofdbuis, hoofdkabel, oceaan, wedstrijd tusschen hanen, (hooge) worp, inzet, het gemiddelde der te werpen oogen: By — force = met kracht en geweld; The — body of an army = de hoofdtroep; He has an eye to the — chance = hij let op No. 1, hij is een egoist; In (on) the — = in hoofdzaak; He is honest in the — = over ’t geheel genomen; With might and — = met alle macht; —s and service-pipes = hoofd- en zijgeleidingen; To turn off the gas at the — = de hoofdkraan dichtdraaien; To turn on the — = beginnen te schreien (iron.); —-boom = giek, zeilboom; —-deck = opperdek; —land = vaste land; — lines and branch lines of a railway = hoofd- en zijlijnen van een spoorweg; —mast = groote mast; —-pipe = hoofdbuis; —-road = hoofdweg; —sail (meins’l) = grootzeil; —-sheet = groote schoot; —-shroud = groot want; —spring = groote veer, hoofdader, hoofdmotief, hoofdbron, etc.; —-stay = groot stag; voornaamste steun; —-street = hoofdstraat; —-top = groote mars; —-topgallant = grootbram - -; —-topsail = grootmarszeil; —-yard = groote ra; —ly = voornamelijk, krachtig.

Mainprize, meinpraiz, borgtocht, loslating onder borgtocht; het bevel hiertoe.

Maintain, m’ntein, meintein, handhaven, verdedigen, rechtvaardigen, onderhouden, houden, beweren, volhouden; —able = houdbaar; —er = behouder, verzorger, behoeder, verdediger; Maintenance, meintən’ns, handhaving, onderhoud, verdediging: Cap of — = staatsiemuts of -baret, vóór den koning of hooge ambtenaren uitgedragen als teeken van waardigheid.

Mainwaring, manəriŋ.

Maize, meiz, maïs; Maizena, meizînə, maïsmeel.

Majestic, mədžestik, majestueus: Majesty, madžəsti, majesteit, grootschheid, verhevenheid: His (Your) —.

Majolica, mədžolikə, majolica.

Major, meidžə, subst. majoor, meerderjarige, oudere, eerste term van een syllogisme; adj. grooter, meerder, meerderjarig: —-domo = opper-hofmeester; bestuurder; oppasser; —-general = generaal-majoor; —-premiss, hoofdpræmisse; —-term = major (d.i. de term, die het prædicaat der conclusie vormt); —ship = majoorsrang; Majority, mədžoriti, meerderheid, majoorschap, meerderjarigheid: To carry the —, To have a — = de meerderheid hebben; To have the — on one’s side; The Army Estimates were voted by a sweeping — = de Begrooting van Oorlog werd met eene verpletterende meerderheid aangenomen; To go (pass) over to the great — = sterven = To join the —.

Majorca, mədzökə.

Majuscule, mədžɐskjûl, hoofdletter.

Make, meik, subst. vorm, gedaante, maaksel, snit; — verb. maken, vervaardigen, scheppen, voortbrengen, bereiden, aanleggen, benoemen, bedragen, noodzaken, dwingen, doen, verdienen, africhten, nabijkomen, naderen, etc.: That is painful to my natural — = doet mijne natuur geweld aan; A heart of his — = v. zijne soort; To — no account of = geringschatten; He will never — a good actor = worden; To — amends = excuus maken; To — a bed = opmaken; To — one’s bread = zijn brood verdienen; Milk —s both butter and cheese = levert; To — a call = een visite maken; To — a contract = sluiten; Wool —s warm clothing = vormt; That does not — the least difference = kan niets schelen; I have made a good dinner = flink gegeten; To — no doubt of = niet twijfelen aan; To — an end of = een eind maken aan; To — a long (wry) face = een lang (zuur) gezicht trekken; To — a fool of = voor den gek houden; To — a guess at = raden naar; To — haste = zich haasten; To — headway = vooruitkomen; I will — you a good husband = een goede man voor je zijn; To — an island = naderen, komen in het gezicht van; To — a fair living = behoorlijk veel geld verdienen; To — love to = het hof maken; To — a mess of = bederven, verknoeien; To — misschief = onheil stichten, intrigeeren; To — the ocean = in zee steken; To — peace = sluiten; Will you — a pen for me? = vermaken; He has made his pile = een ‘bom’ geld verdiend; To — the port = in het gezicht krijgen, binnenloopen; To — a promise = doen; To — provisions for = voorzorgen treffen; To — sail = bijzetten; To — a speech = houden; To — a stand = halt houden, standhouden; I have just made the steamer = nog net gepakt, gehaald; To — a stranger of = als een vreemde behandelen; To — one’s toilet = maken; To — war against = oorlog voeren; To — water = lekken; — way there! = uit den weg daar! I made the best of my way home = begaf mij zoo gauw mogelijk; He made the weight 17 pounds = schatte op; I will not — any more words about it = er geen woord meer over verliezen, niet langer over kibbelen; I — bold to observe = ben zoo vrij; He —s free with my wine = doet alsof het zijn wijn is; To — good = vergoeden, houden, handhaven, rechtvaardigen, verdedigen, verantwoorden; To — good a promise = houden; To — good one’s reputation = handhaven; I — the sum larger than you do = houd voor grooter; To — light of a thing = licht opvatten; We have made rather merry to-day = vrijwat pret gehad; You — merry with me = houdt me voor ’t lapje; He made no more of the dog than if he had been a lamb = gaf niet meer om; To — much of = veel ophebben met; The riders made much of their horses after the charge = liefkoosden; He —s sure of it = hij acht het zeker; I will — sure of it = er mij van vergewissen; To — believe = doen gelooven, doen alsof; A —-believe = voorwendsel; It made me laugh = deed me lachen; That will — against your plan = benadeelen; They made after the deer = vervolgden het hert; The king made away with his enemies = ruimde uit den weg; It was made away with = verloren, gestolen, etc.; They made away with the soup = aten de soep op; To — down a dress = vermaken; The ship —s for the harbour = zet koers naar; That —s for peace = leidt tot; What has he to — in the matter? = te maken; He made the warehouse into a ball-room = veranderde; I do not know what to — of it = kan er geen touw aan vastmaken; I cannot — that man out = ik begrijp, “snap”, dien man niet; He made out on me for £ 8 = trok een wissel op mij van; You can — out the steeples here = duidelijk onderscheiden; A skilful defender might perhaps — out a case for him = kon hem misschien vrijpleiten; He made out the account = schreef; He made over his property to his cousin = schonk, droeg over; A made-over black silk = vermaakte; —-up = grimeeren; subst. grime, verkleeding, uitdenksel; I say, you must — it up = zeg er eens, jullie moet elkaar de hand (der verzoening) geven; You are making up to her = tracht u aangenaam te maken, maakt haar het hof; All your money does not — up a guilder = bedraagt nog geen; To — up one’s books = opmaken; To — up medicine = klaarmaken; I have made it up for you = in orde gemaakt; He could not — up lost ground = het verlorene niet herwinnen; He made up to me = kwam op mij toe; The actor was made up beautifully = goed gegrimeerd; We shall have to — up for lost time = moeten inhalen; To — up a loss = een verlies vergoeden; I have made up my mind = ik ben besloten; The proofsheet was not made up as yet = nog niet opgemaakt; A made-up story = gefingeerd verhaal; He made as if he consented = veinsde; —-peace = vredestichter; —-shift = behulp, stoplap: A —-shift contrivance = iets om tijdelijk mee te behelpen; —-weight = aanvulling, toegift, stoplap, noodhulp; —r = maker, vervaardiger, dichter, Schepper; Making = vervaardiging: Of your own — = je eigen schuld (fig.); That was the — of him = dat heeft er hem bovenop geholpen; He has the —s of an excellent teacher = er schuilt (zit) in hem; The —s of a small sweetstuff shop = opbrengst, verdienste. Zie ook: Made.

Malabar, maləbâ, maləbâ; Malacca, məlakə; Malachi, maləkai, Maleachi.

Malachite, maləkait, malachiet.

Maladdress, malədres, onhandigheid, gebrek aan tact.

Maladjustment, malədžɐstm’nt, slechte regeling of inrichting.

Maladministration, malədministreiš’n, wanbeheer, wanbestuur.

Maladroit, malədroit, malədrôit, onhandig; subst. —ness.

Malady, malədi, (slepende) ziekte, moreel gebrek, kwaal.

Malaga, maləgə, Malaga(wijn).

Malahack, maləhak, kneuzen (Amer.).

Malapert, maləpɐ̂t, adj. onbeschaamd, brutaal; subst. wijsneus, brutaaltje.

Malapropism, maləpropizm, verkeerde toepassing van “stadhuiswoorden”, een verkeerd toegepast “stadhuiswoord”; Malapropos, maləprəpou, te onpas, ongeschikt.

Malar, meilə, subst. kaak; adj. tot de kaak toebehoorende; kaak …

Malaria, məlêriə, moeraskoorts, schadelijke moerasdamp; —l fever; —n = Malarious = met schadelijke dampen bezwangerd, malaria veroorzakend.

Malay, məlei, Maleier; ook Maleisch = —an; Malcolm, malkəm.

Malconformation, malkonfəmeiš’n, wanverhouding, misvorming.

Malcontent, malkəntent, subst. en adj. ontevreden(e); —ed, malk’ntentid.

Malden, mold’n; Maldesen, môlds’n; Maldives, maldaivz, maldaivz, Maladiven; Maldon, môld’n.

Male, meil, subst. mannetje; adj. mannelijk: — issue = mannelijk oir; — rime = mannelijk of staand rijm; — screw = vaarschroef.

Malediction, malidikš’n, vervloeking; adj. Maledictory.

Malefactor, malifaktə, malifaktə, boosdoener; Malefic = kwaadaardig, schadelijk; Maleficence = boosaardigheid; Maleficent = boosaardig.

Malevolence, məlevəlens, kwaadwilligheid; adj. Malevolent.

Malfeasance, malfîz’ns, onwettige handeling, kwade praktijken.

Malformation, malfəmeiš’n, misvormdheid; adj. Malformed.

Malice, malis, boosaardigheid, haat, vijandigheid: He did it of — prepense (— aforethought) = met voorbedachten rade; He bears no — = is niet haatdragend; To bear — to = een wrok koesteren tegen; Malicious, məlišəs, kwaadwillig, boosaardig; subst. —ness.

Malign, məlain, adj. nadeelig, kwaadaardig, onheilspellend, ongunstig; — verb. benadeelen, gemeen behandelen, kwaad spreken van; —ance, məlign’ns = —ancy, məlign’nsi, vijandigheid, kwaadaardigheid; Malignant = kwaad-, boosaardig; ook subst. kwaadwillige; —er, məlainə, lasteraar; Malignity = boosaardigheid, kwaadaardigheid.

Malinger, məliŋgə, ziekte voorwenden; —er = simulant.

Malkin, mô(l)kin: The kitchen — = keukenmeid.

Mall, môl, malie, malieklik, maliekolf, vroegere strijdhamer, maliespel; — verb. maliën, in de maliebaan spelen.

Mall, mal, mel, openbare, beschaduwde wandelplaats.

Mallard, maləd, wilde eend.

Malleability, maljəbiliti, smeedbaarheid, rekbaarheid; adj. Malleable, maljəb’l, ook fig.; subst. —ness; Malleation = het pletten, hamerslag.

Mallet, malət, houten hamer; Malleus, maliəs, hamer (in het oor).

Mallow(s), malou(z), malva, kaasjeskruid.

Mallory, maləri; Malmesbury, mâmzb’ri.

Malmsey, mâmzi, malvezij.

Malodorous, maloudərɐs, stinkend; Malodo(u)r, maloudə, stank.

Malone, məloun.

Malpractice, malpraktis, kwade praktijk, overtreding; verkeerde med. behandeling.

Malt, môlt, subst. mout, bier; ook adj.; — verb. mouten, tot mout worden, bier drinken; —-drier = mouteest; —-floor = mouterij; —-horse = paard van een moutmolen; suffer, domkop; —-house = mouterij; —-kiln = (mout)eest; —-spirits = moutwijn; —ster = moutmaker; —y = moutachtig, mout …

Malta, môltə: Knight of — = Johannesridder; Maltese, môltîz, môltis, subst. Maltezer(s), hunne taal; adj. Maltezer: — cross = maltezerkruis; — dog = kleine patrijshond met lang zijdeachtig haar.

Malthus, malthəs; —ian, malthjûš’n, malthjûž’n, subst. en adj. Malthusiaan(sch).

Maltreat, maltrît, ruw of slecht behandelen; subst. —ment.

Malvern Hills, malvənhilz, de heuvels van M.

Malversation, malvəseiš’n, malversatie, kwade praktijk, verduistering.

Mameluke, maməl(j)ûk, Mameluk.

Mam(m)a, məmâ, mâmə (Amer.), mama: —’s headache = ma’s geheimzinnige ziekte bij zekere gelegenheid.

Mammal, maməl, met borsten; subst. zoogdier; —ia, məmeiljə, zoogdieren; adj. —ian, zoogdier …; Mammalogy = leer der zoogdieren; Mammifer = zoogdier; Mammiferous = met tepels, zoogend.

Mammodis, mamədis, Brit.-Ind. sits; fijn lijnwaad.

Mammon, mam’n, Mammon: — worship.

Mammoth, maməth, subst. mammoet; adj. reusachtig.

Mammy, mami, maatje; min (kleurlinge).

Man, man, subst. mensch, man, echtgenoot, manschap, knecht, vazal, stuk (bij dam- of schaakspel); — verb. bemannen, bezetten; zich vermannen (oneself): A — ought to do his duty = men moet; The Old — = de oude Adam; de pipa, den “Ouwe”; I am my own — = ben mijn eigen baas; To a — = éénparig, zonder uitzondering; The social relation of — and wife; To become — and wife = worden; To come between — and wife; A — or a mouse = alles of niets; He came to —’s estate = tot mannelijken leeftijd; It is not in a — = dat kan een man niet; A — about town = (aristocratische) losbol, “bon vivant”, iemand, die veel uitgaat; A —-at-arms = gewapend krijger (ruiter); — in the moon = het mannetje in de maan; — in the street = de eerste de beste persoon; A — of peace = vreedzaam mensch; He is a — of men = voortreffelijk mensch; A — of straw = strooman; A —-of-war = oorlogschip; An East-India-— = Oostinjevaarder; He —ned himself, and did it = vermande zich; The sailors —ned the ship, the shrouds, the yards = paradeerden op de ra’s, in het want, op de ra’s; —-child = jongen; —-eater = menscheneter; tijger, leeuw, soort haai, bijtend paard; —-engine = machine tot het ophalen en neerlaten van mijnwerkers; —-hater = menschenhater, mannenhaatster; —-hole = mangat; —-milliner = handelaar in damesconfectie; —-monster = half menschelijk monster; —-rope = valreep; —-servant = bediende; —slaughter = manslag; —slayer = moordenaar; —-trap = voetangel; gevaarlijke plaats (bijv. een open luik); weduwe (Amer.); —ful = manhaftig; subst. —fulness; —hood = de menschelijke natuur, mannelijkheid, manhaftigheid, mannelijke leeftijd; —like = menschelijk, manhaftig; —liness, subst. v. —ly = mannelijk, manhaftig, kloek; —nish = mannig, d.i. mannelijk in ongunstigen zin: —nish airs = mannelijke airs (van New Women).

Manacle, manək’l (gewoonlijk meerv.), subst. handboei; — verb. de handboeien aandoen.

Manage, manidž, besturen, behandelen, beheerschen, richten, klaarspelen, zich redden: I hope I can — it = dat ik het klaar speel; He cannot — the boys = geen orde houden; —able = handelbaar, leerzaam (van dieren), goed (weêr); subst. —ableness; —ment = bestuur, leiding, administratie, verstandig (slim) optreden of handelen: Good —ment = handigheid, flinkheid; —r = bestuurder, leider, gérant, zetbaas, theaterdirecteur, chef van tractie (bij de spoorwegen), curator; vr. —ress; —rship; Managing = bestuur; adj. besturend, bedrijfs - -, zuinig, overleggend, slim: — clerk = procuratiehouder; — director = bestuurder; — partner = besturend firmant; A — woman = flinke, zuinige.

Manakin, manəkin. Zie Man(n)i-kin.

Manby, manbi: —’s apparatus = vuurpijl (reddings)toestel.

Manchester, mantšəstə: — School = partij van den vrijhandel; Manchu, mɐntšû; Manchuria, mantšûriə.

Manciple, mansip’l, hofmeester, huisbestuurder.

Mandalay, mandəlei.

Mandamus, mandeiməs, bevelschrift van de Crown Side (= kamer v. strafzaken) van de King’s Bench division of the High Court of Justice inhoudend een bepaalde opdracht; ook verb.

Mandarine, mandərin, mandərîn, subst. Mandarijn, mandarijntje; adj. edel, voornaam.

Mandatary, mandətəri, gevolmachtigde; Mandate = mandaat, bevel(schrift), opdracht; Mandator = volmachtgever; Mandatory = bevelend, voorschrijvend; subst. gevolmachtigde.

Mandible, mandib’l, (onder)kaak; Mandibular = onderkaaks …

Mandolin(e), mandəlin, mandoline.

Mandragora, mandragərə, Mandrake, mandreik, alruin, mandragora.

Mandrel, mandr’l, Mandril, mandril, spil, vormijzer, doorslag; (het laatste woord) ook: mandril.

Manducatory, mandjukətəri = kauw …: — organs.

Mane, mein, manen: — of a helmet = pluim; —-comb = roskam; —-sheet = bedekking voor het bovenste van een paardekop.

Manege, məneiž, rijschool, rijkunst.

Manequin, manəkin. Zie Manakin.

Manes, meinîz, schimmen der afgestorvenen; de onderwereld.

Manganese, maŋgənîz, maŋgənîs, maŋgənîz, maŋgənîs, mangaan.

Mange, meinž, schurft.

Mangelwurzel, maŋg’lwɐ̂z’l, mangelwortel.

Manger, meinžə, voerbak (trog); kribbe: He is a dog in the — = hij kan niet zien dat de zon in het water schijnt.

Manginess, meindžinəs, schurftigheid.

Mangle, maŋg’l, subst. mangel; — verb. mangelen, klanderen; verminken, havenen, verscheuren: His mother keeps a — = is mangelvrouw; —r = mangelvrouw; hak-, schaafmachine.

Mango, maŋgou, mangoboom (vrucht).

Mangrove, mangrouv, mangliet of wortelboom.

Mangy, meindži, schurftig, schunnig.

Mania, meinjə, waanzin, manie; —c = waanzinnig, dol; ook subst.; adj. Maniacal.

Manich(a)ean, manikîən, Manicheeër; Manicheism = de leer der M.; Manichees, manikîz, Manicheeën.

Manicure, manikjûə, manicure; ook verb.

Manifest, manifest, openbaar, duidelijk; subst. manifest, vrachtlijst (= Captain’s —, Ship’s —); — verb. openbaar maken, manifesteeren, betuigen, de vrachtlijst vertoonen: To — goods: —able = bewijsbaar; —ation = openbaring, manifestatie; —ness = duidelijkheid: —o, manifestou, manifesto, publieke verklaring.

Manifold, manifould, adj. menigvuldig, talrijk, veelvuldig; hectografische afdruk; — verb. vermenigvuldigen, hectografeeren; —-writer = hectograaf; subst. —ness.

Man(n)ikin, manikin, mannetje, ledepop, phantoom (Med.); adj. dwergachtig, dwerg …

Manilla, manilə, Manilla; arm-(been-)ring: — cigar, — fibre, — hemp.

Maniple, manip’l, ⅓ eener cohorte (in het Rom. leger 60 man + twee officieren en een vaandeldrager); manipel, band om den linkerarm van een priester bij het misoffer; Manipular = tot een Romeinsch vendel behoorend; Manipulate, mənipjuleit (met overleg, slim) behandelen; telegrafeeren; Manipulation = manipulatie, handbeweging; Manipulative = manipuleerend, behandelings - -; Manipulator; Manipulatory = Manipulative.

Manitoba, manitəbâ.

Manitou, manitû, Indiaansche god, geest.

Mankind, mankaind, het menschelijk geslacht; (mankaind) alle mannen (tegenover Womankind); de mannen (tegenover wife, bij de lagere klassen).

Manna, manə, manna.

Manner, manə, manier, wijze, methode, gewoonte, stijl, mode: After his sour — = op zijn norsche manier; By no (Not by any) — of means = op geenerlei wijze, in geen geval; In this — = op deze wijze; In a (certain) — = in zekere mate; In like — = evenzoo; No — of = in ’t geheel geen; No — of doubt = niet de minste twijfel; —s = gedrag, manieren, “mores”; It is not —s to ask = past niet; I’ll teach him —s = ik zal hem manieren leeren; —ed = geaffecteerd; An ill-—ed young fellow = slecht gemanierd; Some of his least —ed work = minst gemaniëreerd; There is a —ism about him = gemaaktheid; This writer’s —ism = gemaniëreerdheid; —ist = gemaniëreerd schrijver of persoon; —liness = welgemanierdheid: adj. —ly.

Mannite, manait, mannasuiker.

Manoeuver, Amer. voor Manoeuvre, mən(j)ûvə, subst. manoeuvre (ook fig.); — verb. manoeuvreeren, klaar spelen: He’ll — it somehow; —er = slimmerd.

Manometer, mənomətə, manometer; adj. Manometric(al).

Manor, manə, ambtsheerlijkheid, riddergoed: —-house, —-seat = heerenhuis, slot; Manorial, mənôriəl, tot een riddergoed behoorende.

Mansard roof, mansədrûf, gebroken dak, waarvan het onderste gedeelte het steilst helt.

Manse, mans, boerenwoning; pastorie (Schotl.).

Mansion, manš’n, groot heerenhuis, woning, huurkazerne: The —-house = het officieele verblijf van den Lord Mayor in Londen.

Mansuetude, manswitjûd, zachtheid, onderworpenheid.

Mantel, mant’l, mantel (Archit.); ook = —piece = schoorsteenmantel = —shelf; Over— = étagèrespiegel.

Mant(e)let, mant(ə)lət, manteltje; stormscherm, beweegbare borstwering; Mantilla, mantilə, mantille.

Mantle, mant’l, subst. mantel, dekmantel, gloeikousje; — verb. bedekken, koken, gisten, schuimen, blozen, de vleugels uitspreiden (v. valken).

Mantua, mantjûə, Mantua; wijde mantel (van ± 1850); —-gown = wijde japon; —-maker = modiste; —n = (inwoner) van Mantua; The —n Swan = Vergilius.

Manual, manjuəl, subst. handboek, manuaal (van orgel of piano), handspuit; adj. hand …, coulant: — alphabet (voor doofstommen); — exercise = oefening in de handgrepen van het geweer; — sign = handteekening.

Manufactory, manjufaktəri, fabriek: adj. Manufactural; Manufacture, subst. fabrikaat, vervaardiging; — verb. vervaardigen, fabriceeren; Manufacturer = fabrikant; Manufacturing = fabricatie; adj. fabrieks …

Manumission, manjumiš’n, manumissie, het vrijlaten van een slaaf; Manumit = slaven vrijlaten.

Manumotor, manjumoutə, wagen door den inzittende mechanisch voortbewogen.

Manure, mənjûə, subst. mest; — verb. bemesten; —-cart; —-distributor = meststrooier; —-fork; —r.

Manuscript, manjuskript, subst. handschrift, adj. met de hand geschreven.

Manx, maŋks, van het eiland Man; subst. de taal, de bewoners; —man = bewoner van Man.

Many, meni, veel, vele(n); subst. menigte, groot aantal: So — countries, so — customs = ’s lands wijs ’s lands eer; — men, — minds = zooveel hoofden, zooveel zinnen; — a man = menigeen; — a time and oft = herhaaldelijk; This — a day = For — a day = reeds lang; As — again = eens zooveel; Twice as — = tweemaal zooveel; We were packed like so — herrings = zaten opeen als haringen in een ton; I am one too — for you = ik ben je de baas af; She made one too — in the omnibus = was te veel; The — = de groote hoop; A good (great) — = zeer vele; —-headed: The —-headed monster = de Hydra; het gepeupel; —-sided = veelzijdig; subst. —-sidedness.

Maori, mauri, mâəri, subst. Maori; hunne taal; adj. tot de Maoris of hunne taal behoorend.

Map, map, subst. landkaart, hemelkaart, nauwk. voorstelling; — verb. teekenen, afbeelden, nauwkeurig beschrijven, ontwerpen (out); —-maker = landkaartmaker.

Maple, meip’l, ahorn.

Mar, mâ, beschadigen, bederven, ontsieren, verijdelen.

Marabou(t), marəbû, marəbû, marabout (veêr, zijde); —-feathers.

Marabout, marəbût, marəbût, Mahomedaansch priester en toovenaar (N. Afr.).

Maracan, marəkan, ara-papegaai (Brazilië).

Maraschino, marəskînou, marasquin.

Marasmus, mərasməs: — senilis = senile aftakeling.

Maraud, mərôd, stroopen, plunderen; —er.

Marble, mâb’l, subst. marmer, marmeren beeld; knikker; adj. marmeren, als marmer geaderd; — verb. marmeren: — Arch = een der toegangen van het Hydepark; The children were playing at —s = waren aan het knikkeren; —-edged = gemarmerd op snede; —-hearted = hardvochtig; —-quarry = groeve; —d = gemarmerd: Marbling = marmeren; het doorgroeid zijn van vleesch; Marbly = marmerachtig, gemarmerd.

Marcescent, mâses’nt, verwelkend; verschrompelend.

March, mâtš, subst. Maart; grens, markegrond; marsch, marche, tocht, loop, geleidelijke ontwikkeling; — verb. grenzen; marcheeren, doen marcheeren, wegvoeren (off): Order of — = marschroute; I have gained (got, stolen) a — upon you = ben u vóór gekomen, u te slim af geweest; To ride the —es = de grenzen omrijden (Schotl.); (Forward) —! The general —ed the army to the enemy = rukte met het leger op tegen; We —ed down upon the enemy = rukten aan op; To — off = afmarcheeren; To — on = voortmarcheeren; oprukken tegen; To — past = voorbijmarcheeren, defileeren; The soldiers were —ed up from the barracks = men liet hen uit de kazerne rukken; —-chick = brutaaltje; —-land = grensland; —man = grensbewoner; —ing-order = marschbevel: To be (To put) under —ing-orders; —ing-past = défilé.

Marchioness, mâšənəs, markiezin.

Marconigram, mâkounigram, draadloos telegram.

Mare, mêə, merrie: Brood — = fokmerrie; A face as long as any —’s = een gezicht als een oorworm; On Shank’s — = op Apostelpaarden; He has found a —’s nest (and is laughing over the eggs) = hij dacht heel wat bijzonders gevonden te hebben, doch blijkt zich geducht te hebben vergist; Some experience will save you from —’s nests = zal u voor teleurstellingen bewaren; —’s-tail = lange vederwolk: Waterdogs (= regenwolkjes) and —’s tails, Make lofty ships have low sails.

Margaret, mâgərət, mâgrət.

Margarine, mâgərin, margarine.

Margate, mâgit.

Margay, mâgei, tijgerkat.

Marge, mâdž, rand, marge.

Margin, mâdžin, subst. rand, grens, speelruimte, verschil tusschen inkoops- en verkoopsprijs, overschot, waarborgsom; — verb. van een rand voorzien, van kantteekeningen voorzien; zich dekken: In such a work a — of error should be allowed = kan men een zeker getal vergissingen verwachten; A small — of profit = een klein voordeeltje; He is so devoted to his work, that he has not a — for social life = dat er geen tijd overschiet voor ’t gezellige leven; I sold out so as to have a larger — with which to operate = om wat meer geld in handen te hebben; He has but a narrow — on which to subsist = hij kan maar even rondkomen; Eleven to four is a sufficient — for me = van 11 tot 4 heb ik tijd genoeg; Named in the — = terzijde vermeld; To operate on a — = alléén verkoopen (b.v. van effecten) als men erop kan winnen; —al: —al notes, glosses (—alia, mâdžineiljə) kantteekeningen; —ate(d) = met een rand, gerand.

Margravate, mâgrəvit, Margraviate, mâgreivi-it, markgraafschap; Margrave, mâgreiv, markgraaf; Margravine, mâgrəvin, markgravin.

Maria, məraiə: Black — = dievenwagen; Marian, mêriən, Maria - -; The Mariana Islands, mêrianə ail’ndz, de Dieveneilanden; Marianne, mêrian.

Marigold, marigould, goudsbloem; een millioen £; — window = radvenster.

Marinate, marineit, marineeren.

Marine, mərîn, adj. zee - -, scheeps - -, marine - -; subst. marine, marinier, zeestuk: Tell that to the —s = maak dat je grootje wijs; — blue: — drive = rijweg langs het strand; — insurance = zeeassurantie; — law = zeerecht; — store dealer = soort scheepstagrijn; Blue —s = matrozen artillerie; Red —s = marine infanterie; Mercantile (Naval) — = koopvaardijvloot (de marine); Mariner, marinə, zeeman, matroos: Master — = kapitein.

Mariolatry, mêriolətri, Maria-vereering.

Marionette, mariənet, marionet (ook fig.).

Marish, mariš, subst. moeras; adj. drassig.

Marital, marit’l, echtgenoots - -, echtelijk: I have no sympathy with — wrongs = voel niets voor mannengrieven.

Maritime, marit(a)im, zee - -, marine - -, maritime - -, strand - -: — Alps = de Zee-alpen; — commerce (— trade) = zeehandel; — insurance = zeeassurantie; — power = zeemacht.

Marjoram, mâdžər’m, marjolein.

Marjoribanks, mâtšbaŋks; Mark, mâk, Marcus.

Mark, mâk, subst. merk, teeken, blijk, baak, striem, nerf, stempel, spoor, doelwit, kruisje (van iemand, die niet kan schrijven), aanzien, gewicht, handelsmerk, nummer, prijs, cijfer; — verb. merken, noteeren, opschrijven, stempelen, punten geven, markeeren, maat slaan, onderscheiden, letten op, scherp onderzoeken, uitpikken, etc.: Above, below the — = te hoog, te laag; You are beside the — = gij zijt de plank mis; Near the — = het doel nabij; A man (names) of — = van beteekenis; That (He) is not up to the — = beneden peil, kan er niet door; Wide of the — = geheel mis; — of the beast (Zie Openbaring XIX, 19); High-(Low-)water — = hoog (laag) waterpeil; Load — = lastlijn, diepgang; He left his — on the country = de invloed van zijne persoonlijkheid doet zich nog gevoelen; That man will make his — = zal van zich doen spreken; God bless (save) the — = God betere het (iron.); — my words (= — me) = let op mijne woorden; To — time = den pas markeeren; They were —ed out for destruction = ten doode opgeschreven; To — with a hot iron = brandmerken; One of the —ed men of his age = groote mannen van zijn tijd; It would look —ed if you stayed away = het zou erg in ’t oog vallen; —er = aanschrijver, teller, marqueur, vleugelman, fiche; —ing-ink = merkinkt: —ing-iron = brandijzer; —ing-list = cijferlijst (School); —sman = scherpschutter.

Market, mâkit, markt, marktplaats (bezoek), navraag, aftrek, marktprijs, voordeel; — verb. de markt bezoeken, op de markt koopen of verkoopen: In the — = voorhanden, aanwezig; Clerk of the — = marktmeester; There is no — for = wordt niet gevraagd; To find (meet with) a ready — = gereeden aftrek vinden; To make — out of = profijt trekken van; Good wares make quick —s = goede waar is half verkocht; It was put upon the — = openbaar ten verkoop aangeboden; They looked like devils who were —ing a corpse = die om een lijk dobbelden; —-bell; —-cross = kruis op een markt (vroeger symbool van het marktrecht); —-day; —-dues = marktgelden; —-garden = moestuin; —-gardener = hovenier, gaardenier; —-hall = hal; —-merry = licht aangeschoten na de markt; —-place = marktplein; —-porter = marktbediende; —-price (—-rate) = marktprijs; —-report = marktbericht; —-rigging = beursmanoeuvre; —-stall = stalletje; —-town = stad met het recht eene weekmarkt te houden; —able = verkoopbaar; —ing = marktbezoek, marktvoorraad.

Marl, mâl, subst. mergel; stof, aarde; — verb, bemesten; marlen (scheepst.); —-pit = mergelgroeve; Marlaceous = mergelachtig.

Marlborough, môlbrə; mâlbərə (als plaatsn.).

Marline, mâlin, marlijn; —-spike of Marling-spike = marlpriem.

Marlow(e), mâlou.

Marly, mâli, mergelachtig, mergel …

Marmalade, mâmeleid, marmelade.

Marmoratum, mâməreit’m, marmercement; Marmoreal, Marmorean, mâmôriəl, mâmôriən, marmerachtig, marmer …

Marmot, mâmət, marmot.

Maronites, marənaits, Maronieten (godsd. sekte aan den Libanon).

Maroon, mərûn, kastanjebruin.

Maroon, məûn, weggeloopen slaaf (West-Ind.); — verb. iemand op een onbewoond eiland opzettelijk achterlaten; wegloopen, rondboemelen: A —ing party = een gezelschap, dat een uitstapje maakt van eenige dagen en kampeert in de open lucht.

Marplot, mâplot, spelbreker; zie Mar.

Marque, mâk: Letters of — = kaperbrieven.

Marquee, mâkî, groote tent.

Marquet(e)ry, mâkətri, ingelegd werk.

Marquis, mâkwis, markies; —ate, mâkwisit, markisaat.

Marriage, maridž, huwelijk(splechtigheid): By — = aangetrouwd; One — makes a-many = van bruiloft komt bruiloft; To ask in — = ten huwelijk vragen; —-articles = huwelijksvoorwaarden; —-certificate = trouwakte; —-contract = huwelijkscontract; —-favours = witte strikken of linten, bouquet witte bloemen bij een bruiloft gedragen; —-licence = huwelijksvolmacht; —-lines = huwelijksbewijs; —-portion = huwelijksgift; —-ring = trouwring: —-service = de liturgie bij het kerkelijk huwelijk; —-vow = huwelijksgelofte; —able = huwbaar; —ables = huwbaren; Married: Newly — couple = jonggehuwden; — life (state).

Marrow, marou, merg, kern, pit: Vegetable — = mergpompoen; To go by the — stage = te voet gaan; —bone = mergpijp; —bones = knieën (Zie Cleaver): Down on your —s = op je knieën! —fat = mergvet; —fat pea = groote erwt; —less; —y.

Marry, mari, trouwen, huwen, uithuwen: — in haste, repent at leisure = snel getrouwd, lang berouwd; He married below his station = beneden zijn stand; Is your brother a married man? No, he is not a —ing man = is uw broer getrouwd? Neen, dat is geen man om te trouwen.

Marry, mari, verbastering van Mary: —, you are right = waarachtig je hebt gelijk.

Mars, mâz, Mars (oorlogsgod, planeet).

Marsala, mâsâlə, Siciliaansche wijn.

Marseilles, mâseilz.

Marsh, mâš, drassig land, moeras: —-fever = malaria; —-fire = dwaallicht; —-gas = moerasgas; —-mallow = gewone heemst; —-marigold = dotterbloem; —-parsley = selderie; —iness, subst. v. —y = drassig, dras …

Marshal, mâšəl, subst. maarschalk; ceremoniemeester; schout, i.e. hoofd van een Amerikaansch Judicial District, overeenkomend met een Sheriff in Engeland; — verb. rangschikken, scharen, ordenen, rangeeren (Amer.): Earl — = opperceremoniemeester aan het Eng. hof (erfelijke waardigheid in het geslacht Norfolk); —ship.

Marshalsea, mâšəlsî, vroegere gevangenis voor gijzelaars in Londen (Southwark).

Marsupial, mâsiûpiəl (Mv. Marsupialia, mâsiupieiljə), subst. buideldier; adj. buideldragend, beursvormig; Marsupium = buidel van de Marsupialia.

Mart, mât, subst. markt, marktplaats; — verb. verhandelen, schacheren.

Martello(tower), mâtelou(tauə), gewelfde, ronde kusttoren, kustfort.

Marten, mât’n, marter(-vel).

Martial, mâš’l, krijgshaftig, krijgs.…: Court — = krijgsraad; — law was proclaimed in the country = de krijgswet werd afgekondigd; — music.

Martin, mâtin, zwaluw: Bank — = oeverzwaluw; House — = huiszwaluw; St. —’s Day = 11 Nov.; (St.) —’s Summer = Martinmas summer.

Martinet, mâtinet, dienstklopper: He gives himself — airs; He has a touch of the — = is een echte dienstdoener; —ism = dienstklopperij.

Martingal, mâtiŋgal, Martingale, mâtiŋgeil, springteugel; doove Jut (Scheepst.); voortdurende verdubbeling van den inzet: He played the — on fate = bond een wanhopigen strijd aan tegen.

Martinmas, mâtinmas, St. Maarten (Nov. 11): — summer = mooie dagen laat in den herfst.

Martyr, mâtə, subst. martelaar; — verb. den marteldood doen sterven, martelen: I’m quite a — to the gout = lijd verschrikkelijk aan; —dom = martelaarschap; —ology, mâtirolədži, geschiedenis of lijst van martelaren.

Marvel, mâv’l, subst. wonder; — verb. zich verbazen, benieuwd zijn: It is a — of cheapness = wondergoedkoop; — of Peru = bonte wonderbloem; I — where he can be = ik wou wel eens weten waar hij is; —lous = wonderbaar; subst. —lousness.

Mary, mêri, Marie: — Janes = dienstboden; A Hail — = Ave Maria; —land, mêrilənd, merilənd; Marylebone, maribən, maribən; Marymas, mêrimas, Maria Boodschap (25 Maart).

Mascle, mask’l, ruitvormig stuk op een geschubd pantser; open ruit (Herald.); —d.

Mascot(te), maskot, mascotte.

Masculine, maskjulin, mannelijk, krachtig, flink, onvrouwelijk, brutaal; subst. —ness = Masculinity.

Mash, maš, subst. mengelmoes, mengvoer, brouwsel; liefje, minnaar, vlam; — verb. vermengen, fijn stampen, mout verdunnen, verliefd worden op, het hoofd op hol maken; gek zijn op; den fat uithangen: Mary is —ed on you = verkikkerd op je; —er = damesgek, fat; soort boord; —y = papperig.

Mashie, maši, een ijzeren kolf bij het golfspel.

Mashonaland, məšounəland.

Mask, mâsk, subst. masker, maskerade(pak), gemaskerde, dekmantel, scherm, vossekop, voorwendsel, draai; — verb. (zich) maskeeren, vermommen, bedekken: —(ed)-balls; —er = gemaskerde.

Maslin, mazlin, subst. messing: — kettle = ketel daarvan gemaakt.

Mason, meis’n, steenhouwer, vrijmetselaar; — verb. metselen, steenhouwen; —ic, məsonik, maçonniek: —ic emblems, jewels = vrijmetselaars-insignes; —ic hall (lodge) = loge; —ry = metselaarswerk, vrijmetselarij.

Masque, mâsk, Masquerade, maskəreid, Zie Mask.; —r.

Mass, mâs, massa, troep, hoop, gesloten formatie van cavalerie, brigade kolonne van infanterie; — verb. (zich) tot een massa verzamelen: The —es and the classes = het volk en de aristocraten; A — of information = groote hoeveelheid kennis; The Boers are —ing in entrenched positions; —-meeting = algemeene bijeenkomst; —iness, subst. v. —y = omvangrijk, zwaar, in massa.

Mass, mas, mis: To attend (the) —, To go to —; To say — = de mis lezen; High (Low, Morning) — = hoogmis (stille —, vroeg—); —-book.

Massachusetts, masətšûsəts.

Massacre, masəkə, subst. moord, bloedbad; — verb. in het wilde moorden.

Massage, masidž, masâž, massage: Massagist, masâdžist, masseur.

Masseter, masîtə, kauwspier.

Masseur, Masseuse, beide Fr. uitspr.

Massinger, masinžə.

Massive, masiv, massief; subst. —ness.

Mast, mâst, subst. mast; vrucht van eik of beuk, eikels, beukenoten; — verb. van masten voorzien; mesten: He has served before the — = als gewoon matroos gediend; The flag floated at half—-high = woei halfstok; —-beam = zeilbalk; —-head = subst. top van den mast; — verb. in top hijschen; voor straf naar boven in den mast zenden; —-hoop = band of hoepel om den mast; —ed: Four —ed vessel = schip met 4 masten = Four-—er; —less = zonder masten.

Master, mâstə, subst. meester, vader (v. armhuis, etc.), heer, baas, “vrind”, eigenaar, jongeheer, magister, kapitein of gezagvoerder; adj. voornaamste, hoofd - -, meester - -; — verb. vermeesteren, meester worden, overwinnen, temmen: The — and matron of a workhouse = vader en moeder; Under-— = ondermeester; He is a — at it = hij is het meester; — of the horse = stalmeester; — of (the) (Fox)hounds = jagermeester van een vossenjachtclub; —-at-arms = provoostgeweldiger; —-builder = bouwmeester; —-hand = meesterhand; —-key = looper; —-man = opzichter, baas; —-mariner = gezagvoerder: —-mason = meestersteenhouwer; —mind = buitengewone geest, supérieur mensch; —piece = meesterstuk; —-spring = hoofdveer; —-stroke = meestertrek, meesterstuk; — theme = hoofdthema; —work = meesterstuk; —dom = heerschappij; —ful = bazig, despotisch; —hood = meesterschap; —less = zonder meester; —liness, subst. v. —ly = meesterlijk, meesterachtig; —ship = meesterschap, meerderheid; leeraarschap: The French —ship = betrekking van leeraar in het Fransch; —y = heerschappij, grootere voortreffelijkheid, meerderheid, voorrang: To gain (get, obtain) the —y = de overhand winnen, heerschappij verkrijgen, onderwerpen.

Mastic, mastik, mastik, mastikboom (= —-tree); —-cement.

Masticate, mastikeit, kauwen, fijn snijden; subst. Mastication; Masticator = hakmachine; Masticatory = kauw - -.

Mastiff, mastif, bulhond, kettinghond.

Mastodon, mastədon, mastodont.

Mat, mat, subst. mat, grof vlechtwerk; — verb. met matten beleggen, dooreen vlechten, verwarren, in de war zijn of raken: She rubbed her boots on the — = veegde af; His —ted hair = verward haar; He was —tedly unkempt = ongekamd, met verwarde haren; —-grass = borstelgras; —ting = matten, matwerk, stof voor matten.

Mat, mat, dof, mat; subst. wit metaal, matbijtel; — verb. matteeren; —-gold = matgoud.

Matabele, matəbîl.

Matador(e), matədö, matədö, matador.

Match, matš, subst. zwavelstok, lucifer, lont; weddenschap, wedstrijd, partij, partuur, gelijke, paar, span; huwelijk; adj. bij elkaar passend; — verb. paarsgewijze vereenigen, verbinden, iets passends uitkiezen, evenaren, opgewassen zijn tegen, zich meten, passen bij: Is it a —? = wedden? It is a —! = top! The — will not come off = de wedstrijd gaat niet door; I am no — for him = ben niet tegen hem opgewassen; He is a — for them all = hij staat ze allemaal; He is more than a — for you = je de baas; To light (strike) a — = een lucifer aanstrijken; You two are well —ed = jullie beiden hoort net bij elkaar; This —es it nicely = komt er mooi bij; To — pennies = pennies opgooien (dobbelen); Not to be —ed (Vergel.: — to none) = onvergelijkelijk; To be ill-(well-)—ed = slecht (goed) bij elkaar passen; —-box = lucifersdoosje; —-girl = meisje dat lucifers verkoopt; —lock = snaphaan; —-maker = lucifersfabrikant; koppelaar(ster): She is a —-making woman = zij mag graag zoo’n beetje koppelen; —-wood = hout voor zwavelstokken, splinters: The carriage collapsed like —-wood = viel in elkaar als tonder; —able = vergelijkbaar; —less = onvergelijkelijk; subst. —lessness.

Mate, meit, subst. maat, kameraad, helper, echtgenoot(e), mannetje, wijfje; — verb. vereenigen, trouwen, paren: Chief — = eerste stuurman; Cook’s — = koksmaat; Mating-season = paartijd.

Mate, meit, mat (schaakspel); — verb. mat zetten.

Mater, meitə, moeder, “ouwe vrouw”.

Material, mətîriəl, subst. (bouw)stof, materiaal; adj. stoffelijk, lichamelijk, gewichtig, belangrijk, materialistisch: He bought the house for its —s = voor afbraak; That is — to your welfare = van ’t hoogste belang voor uw welzijn; His health improves —ly = gaat hard vooruit; They were left —ly undisturbed = in hoofdzaak met rust gelaten; —ism = materialisme; —ist; —istic = materialistisch; —ity, matirialiti = stoffelijkheid; —ization = verstoffelijking; —ize = verstoffelijken, realiseeren, stoffelijk voordeel (of resultaat) opleveren; een stoffelijken vorm aannemen: All our announcements and posters have failed to —ize = al onze advertenties en aanplakbiljetten hebben niets gegeven; —ness = Materiality.

Maternal, mətɐ̂n’l, moederlijk, moeder.., van moederszijde; Maternity = moederschap: —-hospital = kraaminrichting.

Mathematic(al), mathimatik(’l), wiskundig: —al master = leeraar in de wiskunde; —ian, mathimətiš’n, wiskundige; —s = wiskunde: The higher —s.

Mather(s), madhə(z), Mathew, mathjû.

Matie, meiti, maatjesharing.

Matins, matinz, vroegdienst, metten; Matinee, matinei, matinée; morgenjapon.

Matricidal, meitrisaid’l, matrisaid’l, moedermoord betreffend; Matricide, meitrisaid, matrisaid, moedermoord(er).

Matriculate, mətrikjuleit, immatriculeeren, (zich laten) inschrijven in de matricula (= naamlijst); subst. Matriculation.

Matrimonial, matrimounj’l, huwelijks …: — agents; — duties = huwelijksplichten; He is —ly inclined towards her = wenscht haar tot zijne vrouw; Matrimony = huwelijk, huwelijke staat.

Matrix, meitriks, matriks, baarmoeder, matrijs, de vijf eenvoudige kleuren bij het wolverven (zwart, wit, blauw, rood en geel).

Matron, meitr’n, matrən, matrone, deftige dame, directrice van eene instelling of inrichting; —age, meitrənidž, matrənidž, de gezamenlijke matrons, moederlijke zorg; —al = matroneachtig; adj. bejaard; —hood = —age; —ize = als oudere dame (of moeder) eene jonge vergezellen; —like = —al = —ly; —ship.

Matter, matə, subst. stof, zelfstandigheid, onderwerp, voorwerp, zaak, gewicht, etter, kopij (drukkerij), enz.; — verb. van belang zijn: What is the — = wat is er, scheelt er aan? There is always something or other the — with him = hij heeft ook altijd wat; It is a — of five pounds = zoo wat 60 gld.; That is a — of course = dàt spreekt vanzelf; — of fact = daadzaak: As a — of fact = feitelijk; He is a —-of-fact person = door-en-door practisch, nuchter; That is a great — = dat is van groot gewicht; It is not a — of pence but principle = niet om de knikkers, maar om ’t recht van ’t spel; I might go there for that —, for the — of that = wat dat aangaat; No — = het kan niet schelen; It is no — of mine = ’t gaat mij niet aan; No such — = niets daarvan; The subject — = stof, inhoud; It does not — = het kan niet schelen; It —s to us all = is van belang voor ons allen; It cannot greatly — = het doet er niet veel toe; —ful = van gewicht, kracht of beteekenis.

Matthew, mathjû; Matthias, məthaiəs.

Mattock, matək, houweel.

Mattress, matrəs, matras; fascine: Hair —, Wire —.

Maturate, matjureit, rijp worden; subst. Maturation; Maturative = rijpend, ettering bevorderend (middel).

Mature, mətjûə, adj. rijp, gerijpt, geheel ontwikkeld, voorbereid, vervallen (van wissels): A —d plan = wel overlegd, goed doordacht; —d wine = belegen wijn; —ness = Maturity = rijpheid, vervaltijd (van wissels): At (On) maturity = op den vervaldag.

Matutinal, matjutain’l, mətjûtin’l, vroeg, morgen …: — bath; — habits = gewoonte vroeg op te staan.

Maud, môd, Maud; wollen plaid (Schotl.).

Maudlin, môdlin, sentimenteel, schreierig als een dronken mensch; subst. —ism.

Maugre, môgə, niettegenstaande.

Maul, môl, subst. groote houten hamer, moker; — verb. ranselen, verpletteren, beschadigen, mishandelen: They were severely —ed = leelijk toegetakeld, scherp gecritiseerd.

Maulstick, môlstik, schildersstok.

Maunder, môndə, mândə, op huilerigen toon spreken, mompelen, bazelen; subst. gebazel; —er = brompot.

Maundy-Thursday, môndi-thɐ̂zdi, Witte Donderdag, waarop; — money wordt uitgedeeld door den Royal Almoner in Whitehall (gewoonlijk een penny voor elk levensjaar van den vorst).

Maurice, môris, moris; Mauritania, môriteinjə; Mauritius, môrišəs.

Mausoleum, môsəlîəm, praalgraf.

Mauve, mouv, subst. purperkleur; adj. purperkleurig.

Mavis, meivis, zanglijster.

Maw, mô, pens, krop, maag; bek: Hold your —; —-seed = papaverzaad; —-worm = spoelworm; huichelaar.

Mawkish, môkiš, walgelijk; overgevoelig, kieskeurig; subst. —ness.

Maxilla, maksilə, kaakbeen, bovenkaak; —ry, maksiləri, maksiləri, tot de kaak behoorende, kaak.…

Maxim, maksim, grondstelling, leerspreuk.

Maxim, maksim: — gun = soort van repeteerkanon.

Maximal, maksim’l, maximaal.

Maximilian, maksimilj’n.

Maximum, maksimɐm, subst. maximum; adj. grootst.

May, mei, Mei, lente, meidoorn, Meifeest; — verb. het Meifeest vieren; —-bloom = meidoorn; —-bug, —-chafer = meikever; —-day = eerste Mei; —-duke = meikers; —-flower = meidoorn, dotterbloem, pinksterbloem, koekoeksbloem; —-fly = soort watervlieg (Sialis lutaria); —-lady, —-queen = meikoningin; —-lily = lelietje v. dalen; —-meeting = Mei-bijeenkomst (van godsdienstige sekten en staatkundige partijen); —-pole = meiboom, boonestaak (fig.), “kip op hooge pooten”; To go a-—ing = naar het Meifeest gaan; —er = iemand, die aan het Meifeest deelneemt.

May, mei, mogen, kunnen, misschien kunnen: Be this as it — = laat dit zijn zoo het wil; As one — say = om zoo te zeggen; He that will not when he —, When he will he shall have nay = Wie niet wil wanneer hij mag, Krijgt een “neen” op later dag; Come what come — = laat er gebeuren wat er wil; It — be fine to-morrow = het is morgen misschien wel mooi weer; —be = kan zijn, misschien; —hap = misschien, toevallig.

Mayence, Fr. uitspr. Mainz; Mayfair, meifêə; Mayhew, meihjû; Maynooth, meinûth, meinûth; Mainwaring, manəriŋ.

Mayor, meijə, mêə, burgemeester (in Engeland); adj. —al; —alty = burgemeestersambt; —ess = burgemeestersvrouw; —ship.

Mazard, mazəd, schedel, kop; soort kers.

Maze, meiz, subst. doolhof; verlegenheid; — verb. verbijsteren, in verlegenheid brengen; subst. —ment = Maziness.

Maz(o)urka, məzɐ̂kə, məzûəkə, mazurka.

Mazy, meizi, verward, verlegen.

Me, mî, mij: That’s — = dat ben ik.

Mead, mîd, mee (drank); weide (dichterl.).

Meadow, medou, weide, weiland: —-land = weiland; —-mouse = veldmuis; —sweet = moeras-spiraea; theeboompje (Amer.); —y = uit weiden bestaande.

Meager, Meagre, mîgə, adj. mager, schraal, onvruchtbaar: A — correspondent = die weinig schrijft; subst. —ness.

Meal, mîl, maal, maaltijd; meel; maismeel (Amer.); — verb. tot meel of poeder wrijven, met meel bestrooien: You shall be paid in — or malt = in elk geval, hoe dan ook; He made a — of it = at er zijn bekomst van; —-brimstone = fijne zwavel; —-man = meelhandelaar; —-meat = meelspijs; —-time = etenstijd; —-worm; —ies, mîliz, maïs (Z.-Afr.); —iness = meligheid; —y = melig, droog, als met meel bestoven; —y-mouthed = schuchter, zoetsappig.

Mean, mîn, laag, gering, armelijk, gemeen, onbeteekenend, slaafsch, krenterig: No — foe = een tegenstander, dien men niet moet onderschatten; There was nothing — about the party = het was eene royale partij; He has a — look about him = de krenterigheid ziet hem de oogen uit; You are too — for anything = je bent al heel min; —-born = van lage geboorte; —-spirited = kruiperig; subst. —-spiritedness; To think —ly of = geringschatten; —ness = nederige stand, gemeenheid, krenterigheid.

Mean, mîn, middelmatig, gemiddeld; subst. middelweg, middelmaat, middenterm, middel: — distance = gemiddelde; The — Englishman = gewone; A golden — = middelweg; To adopt a happy — = middelweg kiezen; In the —time = ondertusschen; In the —while = middelerwijl; —s = middel, middelen, inkomsten, oorzaak: He lives beyond his —s = boven zijn vermogen; By —s of = door middel van; You must go there by all —s (= vooral); You must try to do it by any —s = hoe dan ook; By no —s = vooral niet; By no manner of —s = in geen geval.

Mean, mîn, meenen, bedoelen, beteekenen, van plan zijn, voornemens zijn: He meant no harm = bedoelde het goed; To — mischief = wat in het schild voeren; I do not — to say = ik wil niet zeggen; You —t (it) well = hebt het goed bedoeld; —ing = beteekenis, meening; —ingless = zonder zin.

Meander, miandə, subst. kronkeling, doolhof; — verb. kronkelen, zich slingeren, drentelen: You tell him my very words, and no —ing of your own = zonder verdraaiing.

Meandrina, mîəndrainə, hersenkoraal.

Meandrous, miandrəs, kronkelend.

Meant, ment, imp. en p.p. van to mean.

Mease, mîz, mîs: — of herrings = ± 500 haringen.

Measles, mîz’lz, mazelen, puisten (bij varkens): To have —; Measly, mîzli, aan de mazelen lijdend; puisterig, gevlekt, vuil, jammerlijk, armzalig: I will break every bone in your — skin = ik zal je fijn wrijven, vuile kerel!

Measurable, mežurəb’l meetbaar; subst. —ness; Measure, mežə, subst. maat, maatstaf, verhouding, aandeel, versmaat, (tijd)maat, maatregel, gematigdheid, statige dans; — verb. meten, afmeten, toemeten, opmeten, afleggen: Lineal, Square — = lengtemaat, vlaktemaat; — of capacity = inhoudsmaat; Beyond (Out of) all — = buitenmate; In a (In some) — = in zekere mate; In a great — = grootendeels; Made to — = naar maat; — for — = leer om leer; I had soon taken his — = begrepen wat hij waard was; To take —s = maatregelen nemen; To — one’s length = languit vallen; Before daybreak we —d twenty miles = legden wij twintig mijlen af; To — one’s words = wikken en wegen; To — swords = de degens kruisen; He —d me for a coat = nam mij de maat voor eene jas; As you — so it will be —d unto you = met de mate waarmede gij meet, met die mate zal u gemeten worden; —d = gelijkmatig, rhythmisch, gematigd, afgemeten; —less = mateloos; subst. —lessness; —ment = meting, maat, tonneninhoud: I have taken your —ments and laid down the chart of your genius = ik heb u gewogen en uitgemaakt wat ge waard zijt; —ment-goods = goederen waarvoor vracht wordt betaald naar maat of grootte; —r = (land)meter, meetinstrument; Measuring-chain (—-cord, —-tape) = maatstok, etc.

Meat, mît, voedsel, kost, spijs, vleesch: Spoon— = lepelkost; Sweet— = bonbons; I am as full of business as an egg is full of — = ik ben naar alle kanten bezet; One man’s — is another man’s poison = den een zijn dood is den ander zijn brood; je kunt niet alle menschen over den zelfden kam scheren; The — is done = goed gaar, op; — and drink: That is — and drink to me = dat is een kolfje naar mijne hand; —ball = balletje; —-biscuit = vleeschbeschuitje; —-extract; —-hook = vleeschhaak; spuuglok; —-jack = spit; —-offering = Joodsch spijsoffer; —-safe = vliegenkast; —-salesman = groothandelaar in vleesch; —-tea = thee met vleesch (visch, etc.); —iness, subst. v. —y = vleezig, stevig.

Mebbe, mebi, verk. van maybe = misschien.

Mechanic, mikanik, subst. mechaniker, handwerksman; adj. = —al, werktuigelijk, machinaal (ook fig.), handwerks.., werktuigkundig: —al drawing = lijnteekenen; —al engineer = werktuigkundige; —al powers = werktuigelijke krachten; —al science = werktuigkunde; —ality = —alness = werktuigelijkheid; —ian, mekəniš’n, werktuigkundige; —s = werktuigkunde; Mechanism, mekənizm, mechaniek, machinerie, mechanismus, techniek; Mechanist, mekənist = technicus, machinist.

Mechlin, meklin, Mechelen, Mechelsche kant = — lace.

Meconium, mikouniəm, kinderpek; papaversap.

Medal, med’l, medaille; — verb. een medaille verleenen; —lic, mədalik, medaille..; —lion, mədalj’n, penning, medaillon; —list = penningkundige, met eene medaille bekroonde, stempelsnijder.

Meddle, med’l, zich bemoeien: Do not — with my affairs = steek je neus niet in; Do not — with him = bemoei je niet met hem; I will neither — nor make with it = ik wil er niets mee te maken hebben; —r = bemoeial; —some = bemoeiziek; subst. —someness = Meddling, ook subst.

Mede, mîd, Mediër; Medea, midîə; Media, mîdjə, Medië.

Medieaeval, mediîv’l, mîdiîv’l, middeleeuwsch, ouderwetsch; —ism = de geest der middeleeuwen in kunst en godsd.; —ist = kenner, vereerder der middeleeuwen; —ize = middeleeuwsch maken.

Medial, mîdj’l, gemiddeld, middel..: An initial, —, final consonant = begin-, tusschen- en eindmedeklinker.

Median, mîdj’n, midden-, mediaan; van Medië, Mediër.

Mediate, mîdi-it, adj. in het midden liggend, bemiddelend; — verb. (mîdieit) bemiddelen, als bemiddelaar optreden: —d water = suikerwater; Mediation = bemiddeling, voorspraak.

Mediatization, mîdiətizeiš’n, subst. v. Mediatize, mîdiətaiz, aan de staatsoverheid onderwerpen.

Mediator, mîdieitə, bemiddelaar; adj. Mediatorial; Mediatorship; Mediatory = bemiddelend; Mediatrix of Mediatrix.

Medical, medik’l, geneeskundig, medisch: — man = medicus; — Officer and Public Vaccinator for a district = districts armendokter; — profession = beroep van geneesheer; — student; Medicament, mədikəment, medikəment, geneesmiddel; Medicamental = geneeskrachtig, heilzaam; Medicaster, medikastə, kwakzalver; Medicate, medikeit, geneeskundig bereiden of behandelen: —d coffee = geneeskrachtige koffie; Medication = geneeskundige behandeling of bereiding; Medicinal = genezend; Medicine, medsin of medisin, geneesmiddel, geneeskunde: —-bag = amulet; —-chest = medicijnkist; —-man = dokter en bezweerder bij de indianen; Medico, medikou, subst. esculaap (schertsend voor geneesheer); adj. tot de geneeskunde behoorende: —-legal = tot de gerechtelijke geneeskunde behoorende; Medicus.

Medina, midînə, Medina; midainə, rivier op Wight, stad in Amerika.

Mediocre, mîdioukə, middelmatig: Mediocrity, mîdiokriti, middelmatigheid; middelmatig persoon.

Meditate, mediteit, peinzen, overdenken, voornemens zijn; subst. Meditation; Meditative = peinzend, zinnend; subst. —ness; Meditator.

Mediterranean, meditəreinj’n, subst. Middellandsche Zee; adj. middellandsch.

Medium, mîdj’m, subst. midden, middensoort, middenterm, middenstof, middel, hulpmiddel, Engl. mediaanpapier (18 × 28 inches), medium; adj. middelmatig, gemiddeld, doorsnee - -: Through the — of = door bemiddeling (middel) van; At a —; Of (Less than, Over the) — height; —-sized.

Medlar, medlə, mispel(boom): —-tree.

Medley, medli, verwarde massa, potpourri; ook adj.

Medulla, midɐlə, merg; —ry, midɐləri, medələri = mergachtig, merg..; Medullin = mergstof (Chem.).

Medusa, mədjûsə, Medusa; kwal; mv. Medusae, mədjûsî.

Meed, mîd, belooning, prijs, gift.

Meek, mîk, zachtzinnig, gedwee, nederig: —-eyed; —-spirited = deemoedig; subst. —ness.

Meerschaum, mîəšôm, mîəšəm, meerschuim(en pijp): — pipe.

Meet, mît, subst. bijeenkomst (van sportlui); rendez-vous voor sportlui, de gezamenlijke sportlui; adj. geschikt, gepast; — verb. ontmoeten, tegenkomen, tegemoet komen, bijeenkomen, nakomen, voldoen aan, bevredigen, enz.: A — of the Coaching Club = het samenkomen van de leden dier club, die coaches bezitten en zelf rijden; It is not — that he should go there = gepast; Mere inquiry will not — the case = is in dit geval niet voldoende; More is meant than —s the ear (the eyes) = daar schuilt meer achter dan men hoort (ziet); That —s the needs of the people = voorziet in; To — due protection = behoorlijk gehonoreerd worden; I will — you on equal terms = durf je staan onder gelijke voorwaarden; The carriage is to — the 10,5 train = moet zijn aan; To — a person halfway = tegemoet komen (fig.); Have I met you? = Is dit wat u verlangt, is dit voldoende? I met with a kind reception = vond eene vriendelijke ontvangst; I met with an accident, a bad fall, a loss = mij trof, ik kreeg; He is met with = heeft zijn man gevonden; He tried to — all my wants = te voorzien in; I cannot make both ends — = ik kan niet rondkomen; I sent to — them at the 10,5 train = liet ze afhalen; It was Greek — Greek, diamond cut diamond = twee Joden weten wat een bril kost; —ing = ontmoeting, bijeenkomst, vergadering, zitting, dag van een wedren, samenvloeiing: The —ing was called for half-past seven = bijeengeroepen tegen; —ing-house = bedehuis; —ing-place = plaats van samenkomst; —ly = gepast, geschikt; —ness = gepast-, geschiktheid.

Meg(a), in samenst.: groot, reusachtig; Megaphone, megəfoun, soort roeper; Megascope, megəskoup, megascoop.

Megass(e), məgas, uitgeperst suikerriet.

Megrim, mîgrim, schele hoofdpijn, gril, luim: —s = zwaarmoedigheid; koliek bij paarden.

Melancholia, mel’nkouljə, zwaarmoedigheid; —c = melancholicus; Melancholy, mel’nkoli, subst. zwaarmoedigheid, droefgeestigheid; ook adj.: He is in a — mood = in eene sombere stemming.

Melanesia, melənîsiə; —n, adj. en bewoner van M.

Melanite, melənait, melaniet.

Mêlée, Fr. uitspr. handgemeen.

Melib(o)ean, melibîən: — song = beurtzang.

Melilot, melilot, honigklaver.

Melinite, melinait, meliniet.

Meliorate, mîljəreit, verbeteren, beter worden; subst. Melioration; Meliorism, mîljərizm, de leer dat verbetering mogelijk is; het streven hiernaar.

Meliphagous, məlifəgɐs, honigetend; Melliferous = honig voortbrengend; Mellifluence, məlifluens, zoetvloeiendheid; Mellifluent, Mellifluous = zoetvloeiend; Mellite, melait, honigsteen.

Mellay, melei = Mêlée.

Mellow, melou, adj. overrijp, beursch, zacht, aangenaam, vol, gerijpt, lichtelijk aangeschoten; — verb, rijp of zacht worden (maken), rijpen, benevelen; subst. —ness; —y = zacht, zoet.

Melodious, miloudiəs, welluidend; subst. —ness; Melodist = componist of zanger v. melodiën; verzameling van melodiën; Melody, melədi, melodie, zangwijze.

Melodrama, melədrâmə, melədrâmə, melodrama; —tic, melədrəmatik, melodramatisch; —tist, melədramətist, schrijver van melodramas.

Melon, mel’n, meloen: —-juice.

Melpomene, melpominî; Melrose, melrouz.

Melt, melt, smelten, wegsmelten, week worden, verteederen, roeren; ook subst.: All the spoons were —ed down = gesmolten; To — into tears; —er = metaalsmelter, smeltoven; —ing heat = zwoele hitte; —ing sorrow = zielsroerende smart; —ing-furnace; —ing-point; —ing-pot = smeltkroes; —ingness = weekheid (fig.).

Member, membə, lid, deel, lidmaat, afgevaardigde: — of Parliament (= M. P.) = lid van het House of Commons; —ed = geleed; —ship = lidmaatschap, ledental.

Membrane, membrein, vlies, perkament: Mucous — = slijmvlies; Membranous, membrənɐs, vliezig.

Memento, mimentou, herinnering, gedenkteeken: — mori (môrai) = gedenk te sterven.

Memoir, memwö, gedenkschrift, verhandeling: —s = Memorabilia.

Memorability, memərəbiliti, subst. v. Memorable, memərəb’l, merkwaardig, gedenkwaardig; subst. —ness.

Memorandum, memərand’m, memorandum, aanteekening, memorie; —-book = memoriaal.

Memorial, məmôriəl, gedenk …, gedachtenis …; subst. nota, memorie, necrologie, gedenkteeken (-feest): — Day = gedenkdag ter eere der in den burgeroorlog (1861–65) gevallen strijders (Amer.); —ist = schrijver van mémoires, indiener van een nota; —ize, məmôriəlaiz, een memorie indienen; herdenken: The municipalities —ized to the queen = dienden een verzoekschrift in bij.

Memorize, meməraiz, in het geheugen bewaren, uit het hoofd leeren; Memory, meməri, geheugen, gedachtenis, gedenkteeken: Her — fails her a bit now and then = laat haar wat in den steek; In — of = ter gedachtenis aan; Within the — of man = Within living — = sedert menschenheugenis; To call to — = zich herinneren; To quote from —.

Memphis, memfis; Memphian: — darkness = Egyptische duisternis.

Men, men, mv. v. Man: —-folk = manvolk; —-pleaser = oogendienaar.

Menace, menis, subst. bedreiging; — verb. (be)dreigen; —r.

Menad, mînad, Bacchante.

Menagerie, Menagery, mənadžəri, beestenspel.

Mend, mend, subst. verbetering, reparatie; — verb. beter worden, verbeteren, repareeren, verhoogen, vermeerderen: On the — = aan de beterhand; To — one’s efforts = verdubbelen; To — the fire = wat bij het vuur doen; To — one’s life (ways) = zich beteren; To — one’s pace = aanstappen; To — stockings = kousen stoppen; The prices have —ed = zijn omhoog gegaan; —er; —ing: A card of —ing = kaart stopgaren; A lapful of —ing = verstelwerk; —ing-basket; My boots want —ing = moeten gerepareerd worden.

Mendacious, mendeišəs, leugenachtig, valsch; Mendacity, mendasiti, leugen, leugenachtigheid.

Mendicancy, mendik’nsi, bedelarij, armoede; Mendicant = bedelend, bedel - -; bedelaar; bedelmonnik = — friar; Mendicity = armoede, bedelarij, bedelstaf.

Menial, mînj’l, dienst - -, huis - -, slaafsch, vuil, gemeen; subst. huisbediende, asschepoester.

Meningitis, menindžaitis, hersenvlies ontsteking.

Mennonist, menənist, Mennonite, menənait, Doopsgezinde.

Menses, mensîz, menstruatie; Menstrual = maandelijksch: — flow, — flux; Menstruate = menstrueeren; subst. Menstruation.

Mensurability, mensiurəbiliti, meetbaarheid; adj. Mensurable; subst. —ness; Mensuration = meting.

Mental, ment’l, ziels …, geestes …: — arithmetic = hoofdrekenen; — defectives = achterlijken; — deficiency = achterlijkheid; — faculties = geestesgaven; — power = geestvermogen; — reservation = heimelijk voorbehoud.

Menteith, mentîth.

Menthol, menthol, menthol: — cone (— pencil) = migrainestift.

Mention, menš’n, subst. (ver)melding; — verb. vermelden, noemen, gewagen: At a — of = bij vermelding van; To make (no) — of = (geen) melding maken van; “Don’t — it” = It is not worth —ing = “’t Is de moeite niet”; Not to — = om niet te spreken van; To be —ed in dispatches = eervol vermeld worden (mil.); Just — some = noem er eens een paar; —able: It is hardly — = het is haast niet noemenswaard.

Mentor, mentə, mentor, adj. Mentorial.

Mentz, ments, Mainz.

Menu, mənû, spijslijst.

Mephistophelean, mefistəfəlîən, adj. v. Mephistopheles, mefistofilîz, Mephistopheles.

Mephitic, mifitik, stinkend, verpestend; Mephitis, mifaitis, —m, mifaitizm, mefətizm, verpestende uitwasemingen of dampen.

Mercantile, mɐ̂k’nt(a)il, handels…, handeldrijvend; baatzuchtig: — code = wetboek van koophandel; The — marine = handelsvloot; — and trade schools = handels-, en vakscholen; — town = handelsstad.

Mercator’s Chart, mɐ̂keitəztšât, zeekaart volgens de projectie van Mercator.

Mercenariness, mɐ̂sənərinəs, veilheid; Mercenary, mɐ̂sənəri, loon - -, baatzuchtig, inhalig, veil; subst. huurling: — marriage = huwelijk om geld; — troops = huurtroepen.

Mercer, mɐ̂sə, zijdekoopman, manufacturier; —y = manufactuurzaak, (handel in) manufacturen of zijde.

Merchandise, mɐ̂tš’ndaiz, koopwaar.

Merchant, mɐ̂tš’nt, subst. koopman, groothandelaar; adj. handels - -, koopmans - -: —-fleet = koopvaardijvloot; —man = koopvaardijschip; —-service = handelsvloot, zeehandel; —-tailor = marchandtailleur; —able = gangbaar, willig.

Merciful, mɐ̂siful, genadig; barmhartig; subst. —ness; Merciless = meedoogenloos; subst. —ness.

Mercurial, məkjûriəl, Mercurius - -; vluchtig, levendig, wispelturig, kwikzilverachtig; subst. Mercuriality; Mercury, mɐ̂kjəri, Mercurius, kwikzilver.

Mercy, mɐ̂si, genade, barmhartigheid, vergeving: To be at the — of = overgeleverd aan de genade van; It was a —, he did not prosecute him = hij mocht van geluk spreken, dat..; Vergel. Lord, have — upon us = Heer, wees ons genadig; To beg (cry) for — = om genade smeeken; To throw oneself on the — of = zich op genade of ongenade aan iemand overgeven; We are thankful for small mercies = voor gering gunstbetoon; —-seat = troon der genade; verzoendeksel.

Mere, mîə, subst. grens, grenssteen; meertje.

Mere, mîə, louter, bloot: He is your — tool = slechts uw werktuig; —ly = enkel, alléén.

Meredith, merədith.

Meretricious, meritrišəs, ontuchtig; verlokkend, bedriegelijk: — courage = voorgewende moed; subst. —ness.

Merganser, məgansə, duikergans.

Merge, mɐ̂dž, verb. indompelen, verzinken, opgaan in (into): To be —d in = geheel opgaan in; —r = het opgaan van eene bezitting of een recht in een ander, van eene zaak in een andere.

Meridian, məridj’n, subst. middag, hoogste punt, meridiaan; adj. middag …, hoogte …, hoogste: — altitude = middaghoogte; — of the globe = koperen meridiaan; Meridional = meridiaan …, middag, zuidelijk: — distance = lengteverschil; Meridionality = zuidelijke of zuidwaartsche ligging of richting.

Merino, mərînou, subst. merinoswol, merinos, merinosschaap (= — sheep); adj. merinos …

Merit, merit, subst. uitstekendheid, waarde, voortreffelijkheid, verdienste (meest meervoud) (—s = hoofdzaken (Jur.)); — verb. verdienen, aanspraak hebben op, zich verdienstelijk maken: To make a — of necessity = van den nood een deugd maken; The matter must rest (stand) on its own —s = moet op zich zelf worden beschouwd; You have —ed well of the country = u verdienstelijk gemaakt jegens; —orious, meritôriəs, verdienstelijk; subst. —oriousness.

Merivale, meriveil.

Merkin, mɐ̂kin, pruik, toer; haarverf (Amer.); pompstok (van een kanon).

Merle, mɐ̂l, meerle.

Merlin, mɐ̂lin, steenvalk.

Mermaid(en), mɐ̂meid(’n), (zee)meermin; Merman, mɐ̂m’n, triton.

Merovingian, merəvindžən, Merovingisch; subst. Merovinger; Merrimac = merimak.

Merriment, meriment, vroolijkheid, pret; Merry, meri, vroolijk, luidruchtig, prettig, gunstig, aangeschoten: A — Christmas to you = ik wensch u een prettig kerstfeest; He was rather — = lichtelijk aangeschoten; They live there as — as the day is long = leven … als vroolijk Fransje; To make — = pretmaken; To make — with a person = in ’t ootje nemen; —-andrew = grappenmaker, Jan Klaassen, hansworst; —-dancers = het Noorderlicht (Schotl.); —-go-round = mallemolen; —-making = subst. pret, vermaken; adj. vroolijk; —-meeting = pret, fuif; —thought = borstbeen (van eene kip).

Mersey, mɐ̂si, mɐ̂zi.

Mesenteric, mesənterik, tot het darmscheel behoorende; Mesenteritis, mesəntəraitis, darmscheelontsteking; Mesentery, mesəntəri, mezəntəri, darmscheel.

Mesh, meš, subst. maas; —es = netwerk, net (fig.), strik; — verb. verstrikken, verstrikt raken; —-work = netwerk; adj. —y.

Mesjid, mezdžid, moskee.

Mesmerism, mezmərizm, mesmerisme; Mesmerist = magnetiseur; Mesmerize = magnetiseeren; —r.

Mesne, mîn, tusschenkomend: — process = nevenproces; — profits = de winsten van een landgoed, in den tijd dat den rechtmatigen eigenaar onwettig het bezit daarvan is onthouden.

Mesopotamia, mesəpəteimjə.

Mess, mes, subst. gerecht, spijs, voer, viertal, gemeenschappelijke tafel, bak (van militairen en matrozen); wanorde, verwarring, vuile boel; — verb. gezamenlijk eten, voeren; dooreenwarren, bevuilen, bevlekken: A — of pottage = linzenschotel: To sell for a — of pottage = voor een linzenkooksel (Genesis XXV, 29); Captain of a — = bakmeester; We are four of a — = we eten met ons vieren; To be in a pretty — = er mooi uit zien (iron.); mooi in de klem zitten; He got himself into a — with the suds = maakte zich vuil met het zeepsop; To get into —es with feminines = intriguetjes hebben met; To make a — of = morsen, vuil maken, in wanorde brengen; I don’t like to be —ed about = dat er zooveel drukte om me (mijne ziekte) gemaakt wordt; To — about after other women = scharrelen met; —-beef = pekelvleesch; —-kit = eetgerei (mil.); —-mate = tafelgenoot, bakgast; —-room = kajuit voor gezamenlijke maaltijden; —-table; —y = vuil, verward: A —y toy = speelgoed, dat aanleiding geeft tot vuil maken van kleeren of tafel.

Message, mesidž, boodschap: To bear (carry, deliver) a — = overbrengen; To go on a — = een boodschap doen; To go —s for; Messenger, mes’ndžə, boodschapper, courier, bode, voorbode; kabelaring (scheepst.).

Messiah, məsaiə; Messias, məsaiəs; Messianic, mesianik, Messiaansch.

Messidor, mesidö, tiende maand van het republikeinsche jaar.

Messieurs, mešɐ̂z, Heeren = Messrs.

Mestee, mestî, kind van blanke en quadrone.

Mestino, mestînou, Mestizo, mestîzou, mesties, kind van Spanjaard (of Creool) en Indiaansche vrouw.

Met, met, imperf. en part. perf. van to meet.

Metal, met’l, subst. metaal, brons, compositie, spoorstaaf, grint of steengruis (voor wegen), gesmolten glas; aantal, kaliber (v. kanonnen); — verb. een weg met metal bedekken: The train went off the —s = derailleerde; —lic, mətalik, metalen: —lic pen = stalen pen; —lic vein = metaalader; —liferous = metaal bevattend; —liform, məteliföm, metaalachtig; —line, metəl(a)in: — water = mineraalwater; —list = metaalwerker: Gold —list = voorstander van den gouden standaard; —lography = wetenschap en beschrijving der metalen; —loid, metəlôid, metalloïde; —lurgy, metəlɐ̂dži, metallurgie.

Metamorphic, metəmöfik, metamorphisch; subst. Metamorphism; — verb. Metamorphize = Metamorphose, metəmöfous, metəmöfouz, metamorphoseeren; Metamorphosis = gedaanteverwisseling.

Metaphor, metəfö, metaphoor; —ic(al), metəforik(’l), overdrachtelijk, figuurlijk.

Metaphysical, metəfizik’l, metaphysisch; Metaphysician, Metaphysicist = bespiegelend wijsgeer; Metaphysics, metəfiziks, bespiegelende wijsbegeerte.

Metathesis, mətathəsis, metathesis.

Metayer, məteiə, landbouwer die de helft der opbrengst als pacht betaalt.

Mete, mît, subst. maat; grens (= —s); — verb. meten, toemeten: Full justice was —d out to him = hij kreeg geheel wat hem toekwam; The treatment, —d out to him = hem ten deel gevallen; To apply the vulgar —-yard to = een nuchteren maatstaf aanleggen.

Metempsychosis, mətempsikousis, zielsverhuizing.

Meteor, mîtjə, verheveling, meteoor; —ic, mîtiorik, meteoor …: —ic shower = groote menigte vallende sterren; —ic stone = —ite, mîtiərait = —olite, mîtiərəlait; —ologic(al), mîtiərəlodžik(’l), meteorologisch; —ologist = weerkundige; —ology = weerkunde.

Meter, mîtə, meter: Dry —, Wet — = drooge, natte meter; To examine the — = gasmeter opnemen; —age, mîtəridž, meting, meetloon.

Metheglin, mətheglin, mede (drank).

Methinks, mithiŋks, mij dunkt.

Method, methəd, methode, stelsel, proces; —ical, məthodik’l, methodisch; —ics, məthodiks, methodiek; —ism = de leer der —ists = aanhangers van de door John Wesley in Oxford gestichte secte (1729): —istic(al), methodistisch; streng methodisch; —ize = stelselmatig behandelen, methodisch rangschikken; —izer; —ology = (verhandeling over) methodiek.

Methought, mithôt, mij docht.

Methuen, məth(j)ûən, methuən; Methuselah, məthjûzələ.

Methyl, methil, methyl.

Meticulous, mətîkjuləs, bang, vreesachtig.

Metonic-Cycle, mitoniksailk’l, maancirkel (19 jaar).

Metonymic(al), metənimik(’l), metonymisch; Metonymy, mətonimi, metonymia.

Metre, mîtə, dichtmaat, versregel; meter (= 39.37 inches); Metric, metrik, metriek; metrisch = Metrical, metrik’l.

Metrograph, metrəgraf, instrument aan een locomotief, dat de snelheid van den trein, met den duur en het aantal malen “stoppen” aanwijst.

Metronome, metrənoum, metronoom; Metronomy = het meten der maat (muz.).

Metropolis, mətropəlis, zetel van een aartsbisschop, hoofdstad; Londen; Metropolitan, metrəpolit’n, subst. aartsbisschop; adj. aartsbisschoppelijk, tot een metropolis (tot Londen) behoorend: — Board of Works = Londensche bouwraad.

Mettle, met’l, (grond)stof, wezen, natuur, geest, vuur, ijver, moed: A man of — = voortvarend, van stavast; A horse of much — = vurig paard; — of youth = jeugdig vuur; To put a person on (to) his — = iemand aanzetten (aanleiding geven) al zijne krachten in te spannen; To try a person’s — = alles vergen van iemands krachten; —d = —some = vurig; subst. —someness.

Meuse, mjûz, Maas.

Mew, mjû, subst. zeemeeuw; ruikooi (vooral voor valken); schuilplaats; gemiauw: —s = stal(len); nauwe straat achter groote huizen waarop de stallen uitkomen; — verb. opsluiten; ruien, verharen; vernieuwen; miauwen: To — the feathers.

Mewl, mjûl, schreeuwen, drenzen (van kinderen); —er = schreeuwleelijk.

Mexican, meksik’n, subst. en adj. Mexicaan(sch); Mexico, meksikou.

Mezzo, medzə; — soprano = tweede sopraan; —tint(o) = mezzotint.

Mho, mou, Ohm (electr.).

Miaow, miau, miaauw!

Miasm(a), maiazm(a), (Meerv. —ata), miasma; —atic(al) = miasmen bevattend: — fever = malaria.

Miaul, miôl, miaul, miauwen.

Mica, maikə, mica; —ceous, maikeišəs, van of als mica, mica …

Micah, maika; Micawber, mikôbə.

Mice, mais, meervoud van mouse.

Michael, maik’l; Michaelmas, mik’lmas, St. Michiel (29 Sept.); herfst: —-term = zittingstermijn (vroeger van 2–25 Nov.; thans van 24 Oct.–21 Dec. = — Sittings); cursus van 1 Oct.–16 Dec. (Cambr.); 10 Oct.–17 Dec. (Oxf.).

Mich(e), mitš, zich verbergen, rondsluipen, de school verzuimen; —er.

Michigan, mišigən.

Mickle, mik’l, veel, groot; ook subst.: Many a little makes a — = veel kleintjes maken een groote.

Microbe, maikroub, microbe; adj. Microbic.

Microcosm, maikrəkozm, de wereld in ’t klein, de mensch; adj. —ic(al), maikrəkozmik(’l).

Micrometer, maikromətə, micrometer; adj. Micrometric(al); subst. Micrometry.

Micron, maikron, micron.

Micronesia, maikrənîziə, Micronesië.

Microphone, maikrəfoun, microphoon.

Microscope, maikrəskoup, microscoop; adj. Microscopic(al); Microscopist, maikrəskoupist, maikroskəpist = iemand, die met den microscoop werkt; Microscopy, maikrəskoupi, maikroskəpi = microscopie.

Mid, mid, subst. midden …; en verk. v. midshipman: —-air = tusschen hemel en aarde; —day = middag, subst. en adj.; —land = (in het) binnenland: The —lands = midden Engeland; The —land railway = de centraalspoor; — Lent = het midden van de vasten; —most = middelste; —night, subst. middernacht(elijk): He burns the —night oil = werkt tot diep in den nacht; —riff = middenrif; —shipman of —shipmite (schertsend) = adelborst (v. het oudste jaar); —-ships = midscheeps; —stream = midden van de stroom; —summer = hartje v. d. zomer (21 Juni): —summer-day = St. Jan (24 Juni); —summer-eve = 23 Juni; —way, subst. middenweg; adj. midden op den weg, halverwege; —winter = het hartje van den winter (21 December); —dy = —shipman; —st = midden: In the —st of.

Midden, mid’n, mesthoop.

Middle, mid’l, subst. het midden, middel (van het lichaam), tusschentijd, tijdschriftartikel; adj. midden, middelst, tusschen beiden, middelmatig: A clever — for an evening paper; — Ages = Middeleeuwen; — course = middenweg; — English = ’t Engelsch van ± 1150–1500; — finger; Above, Under (the) — height; — life = middenstand; — term = middenterm; Barely in —-age = van middelbaren leeftijd; —-aged people = menschen van middelbaren leeftijd; —-class = burgerklasse; Upper —-classes = deftige burgerstand; —-class school = Burgerschool; —man = agent, tusschenpersoon; —most = middenste; —-sized.

Middleburgh, mid’lbɐ̂g.

Middling, midliŋ, middelmatig, redelijk; —s = met zemelen vermengd meel (veevoeder).

Midge, midž, mug; dwerg = —t.

Midwife, midwaif, subst. vroedvrouw; — verb. verlosk. bijstand verleenen; —ry, midw(a)ifri, verloskunde: Professor of —ry.

Mien, mîn, uitzicht, gelaat, voorkomen, houding.

Miff, mif, verdrietig, droevig; — verb. verdrietig zijn.

Might, mait, imperf. van may: As best he — = zoo goed en zoo kwaad hij kon; He wept and well he — = en daar had hij wel reden voor.

Might, mait, macht, kracht: With — and main = uit alle macht; — is above right (— overcomes right) = macht gaat boven recht; —iness = grootheid, vermogen; hoogheid: Their High —inesses = Hunne Hoogmogenden; —y = machtig, groot, sterk: A —y swell = een groote banjer.

Mignonette, minjənet, reseda.

Migrant, maigr’nt, subst. zwerver, trekvogel; adj. trekkend, verhuizend, nomadisch = Migratory: — birds = trekvogels; — life; Migrate, maigreit, verhuizen of trekken naar een ander land; subst. Migration.

Mikado, mikâdou, keizer van Japan.

Mike, maik.

Milan, milən, milan, Milaan; —ese, milənîz, milənîs, Milanees, Milaneesch.

Milch, milš, melkgevend: — cow = melkkoe (ook fig.); —y = melkgevend.

Mild, maild, zacht, zachtaardig, vriendelijk; licht: — ale = licht bier; A — answer = vriendelijk antwoord; — and strong cigars; With — pique = eenigszins gepiqueerd; A — pun = flauwe; The dog is as — as milk = doodgoed; —-spirited (—-tempered) = zachtaardig; —-spoken = vriendelijk; To put it —ly = om het zacht te zeggen; subst. —ness.

Mildew, mildjû, subst. meeldauw, schimmel; — verb. beschimmelen, met meeldauw bedekt worden; —y = bedorven, beschimmeld.

Mile, mail, mijl (1609 meter); —-mark (—-post) = mijlpaal; —stone = mijlsteen: I have passed some black —stones = heb het vaak hard te verduren gehad; —age, mailidž, afstand in —s; uitgaven per mijl; reiskosten per mijl; A ten —r = een marsch van 10 mijl.

Miles, mailz; Milesian, m(a)ilîž’n, inwoner van Milete; Ier; adj. van Milete, Iersch.

Milfoil, milfôil, gemeen duizendblad.

Miliary, miliəri, gierst, gierstvormig, korrelig.

Militancy, milit’nsi, oorlog(stoestand); Militant = vechtend, strijdlustig: The Church —.

Militarism, militərizm, oorlogsgeest, oorlogspolitiek, militairisme.

Military, militəri, adj. krijgs …, krijgshaftig; subst. mv. militairen: — Academy; — chest = oorlogskas; — code; He is a — man = militair; I am not a — man = anti-militair; — officer = officier van de landmacht; — school; — service; — stores = krijgsvoorraad.

Militate, militeit, (met against, from) = vijandig staan tegenover, strijden tegen.

Militia, milišə, militie, die zonder eigen toestemming niet buitenslands diende (nu vervangen door de “Special Reserve”): The land and the marine —; To serve in the —; —man.

Milk, milk, subst. melk, zog, sap; — verb. melken, melk geven: There’s no help for (It’s no use crying over) spilt — = gedane zaken nemen geen keer; To take in with the mother’s —; To — the pigeon = monnikenwerk doen; To — the wires = onrechtmatig vreemde telegrammen aflezen; zich een deel van een electr. stroom toeeigenen; —-and-water(y) = melk en water …, flauw, sentimenteel; —-can; —-cure; —-farm; —-fever = zogkoorts; —-gauge = galactometer; —-glass = melkglas; —-jug; —-livered = laf; —maid; —man = melkboer; —-pail; —-punch = rum met melk, suiker en muskaat; —-sop = in melk geweekt brood; verwijfd persoontje; — Standard Act = wet tegen melkvervalsching; —-strainer = zeef; —-sugar; —-tooth = melktand; —-walk = wijk van één melkboer; —-woman; —er = melker; melkkoe = —ing-cow; —ing-time; —y = melkachtig: The —y Way = melkweg.

Mill, mil, molen, fabriek, spinnerij, tredmolen; vuistgevecht, rekenpenning (​1⁄10 v. een Am. cent); — verb. malen, kartelen, vollen, walken, pletten, afranselen, doen schuimen: That brings grist to your — = dat zet zoden aan den dijk, geeft je voordeel; To go through the — = door ervaring leeren; He has been through the — = hij weet er alles van; Oil —; Saw —; St. Stephen’s — = het Parlement; Wind —; —-brook = molenbeek; —-clack, —-clapper = molenklapper; —-cog = tand (molenrad); —-dam = molendam; —-hand = molenaarsknecht; fabrieksarbeider; —-head = water vóór den molen; —-owner = fabrikant; —-pond = molenvijver: As quiet as a —-pond; —-race = molentocht; —-sail = molenzeil; —-stone = molensteen; To get between the upper and the nether —-stone = tusschen hamer en aambeeld geraken; He can see through (into) a —-stone = hij is scherpzinnig; —-tail = waterstroom uit een molen; —wright = molenmaker; —er = molenaar: There are many cases of drowning the —er in our annotated editions of standard authors = herhaaldelijk vinden we gevallen van te veel commentaar in de verklarende uitgaven van onze classieken; —er’s fee (toll) = maalgeld; —ing = het malen, kartelen (van muntranden).

Millenarian, milənêriən, duizendjarig, wat tot het duizendjarig rijk behoort; subst. geloover in de komst van het duizendjarig rijk; —ism = de leer der Millenarians; Millenary, milənəri, duizendjarig; subst. millennium: The — of King Alfred = de duizendste jaardag; Millennial, milenj’l, duizendjarig; Millennium, milenj’m, het duizendjarig rijk, de tijd van den Wereldvrede.

Milleped, miliped, Millipede, milipîd, duizendpoot, pissebed (oproller, varkentje).

Millerism, milərizm, leer v. William Miller (1782–1849); Millerist, Millerite, milərait, volgeling van Miller, die de onmiddellijke komst en heerschappij van Jezus verwachtte.

Millesimal, milesiməl, duizendste deel.

Millet, milət, gierst.

Milliard, miljəd, duizend millioen.

Milligram(me), miligram; Millimetre, Millimeter, milimîtə, milimitə.

Milliner, milinə, modemaakster, dameskleermaker; —y = (zaak in) modeartikelen; kostuumnaaien.

Million, milj’n, millioen: Two thousand —s of money; The — = de groote hoop, het groote publiek; —aire, milj’nêə, millionair; —ary = uit millioenen bestaande; —th = millioenste.

Millocrats, miləkrats, rijke fabrikanten.

Milnes, milz; Milo, mailou.

Milreis, milrîs, Portug. munt (± ƒ 2,70).

Milsey, milsi, melkzeef.

Milt, milt, subst. milt, horn (van visschen); — verb. bevruchten, kuit schieten; —er = hommer.

Miltiades, miltaiədîz; Milwaukee, milwôki.

Mime, maim, subst. mime, gebarenspel (bij Grieken en Romeinen), gebarenspeler; — verb. spelen; We cannot bedeck our inner selves, and make them — as the occasion pleases = kunnen ons innerlijk niet optooien, en het, al naar de gelegenheid het verlangt, eene rol doen spelen; —tic(al), m(a)imetik(’l), nabootsend; Mimic, mimik, nabootsend, nagebootst; subst. nabootser, mime; — verb. nabootsen: — warfare = spiegelgevecht, manoeuvres; Mimicker = nabootser; Mimicry = grappige nabootsing, aanpassing aan de omgeving ter eigen beveiliging (van dieren).

Mimosa, m(a)imousə, mimosa.

Mimsey, mimzi, maatje.

Minaret, minəret, minaret.

Minatory, minətəri, dreigend.

Mince, mins, fijn hakken, bewimpelen, gemaakt spreken of loopen (met kleine pasjes): He doesn’t — matters = neemt geen blaadje voor zijn mond; She —s her words = spreekt erg gemaakt; To — one’s steps = trippelen; —-meat = fijngehakt, met rozijnen, appelmoes, citroensap, vet, rum, etc., dooreengemengd vleesch voor pasteitjes: To cut into — (To make — of) = in de pan hakken (milit.); —-pie = eene met —-meat gevulde pastei; —r = hakmachine; geaffecteerd persoon; Mincingly = geaffecteerd, vergoelijkend.

Mind, maind, subst. gemoed, geest, ziel, neiging, herinnering, zorg, meening; — verb. letten op, behartigen, bezwaren hebben, bedenken, van zins zijn: Absence of — = verstrooidheid; Presence of — = tegenwoordigheid van geest; To be in one’s right — = bij zijn volle verstand zijn; To be of one — = eenstemmig zijn; To be in two (several) —s = weifelen; To be out of one’s — (of unsettled —) = niet recht bij zijn verstand zijn; To bear in — = bedenken; To bring (call) to — = te binnen roepen, zich herinneren; It came into my — = de gedachte kwam bij mij op; To cross (enter) one’s — = te binnen schieten; To feel in half a — = half van plan (geneigd) zijn; To have a great — = veel lust hebben; To have no — = geen lust hebben; To have all the — in the world = allemachtig veel trek hebben; To keep in — of = herinneren aan; He does not know his own — = weet zelf niet wat hij wil; To make up one’s — = besluiten; Make up your — for it = bereid er je op voor; I will put you in — of it = je er aan herinneren; He has set his — upon it = zijn zinnen er opgezet; Speak your — = zeg wat je op het hart ligt, spreek ronduit; Out of sight, out of — = uit het oog, uit het hart; The house has stood there time out of — = sedert onheugelijke tijden; To my — = naar mijn meening; So many men so many —s = zooveel hoofden, zooveel zinnen; — you! = denk er om! Never — = het kan niet schelen; — your own business = bemoei je met je eigen zaken; To — a child = passen op; To — the door = om de deur denken, op het huis passen; — your head-ache = denk om je hoofdpijn; I should not — going there now = zou er nu wel heen willen; — your P’s and Q’s = pas op je tellen; —-reading = gedachtenlezen; —-wandering = ijlen; —ed = geneigd, gezind: He was —ed to end the matter = van plan; If you are (so) —ed = als ge er zin in hebt; —ful = opmerkzaam, voorzichtig, gedachtig: Be —ful of your health = denk om; subst. —fulness; —less of everything = op (om) niets lettende (denkende).

Mine, main, van mij: This book is —; A friend of — = een mijner vrienden; — host = de waard.

Mine, main, subst. mijn, rijke bron; — verb. ondermijnen (ook fig.); uitgraven, graven naar: A gold —; —-captain = mijnopzichter; —r = mijnwerker, mineur.

Mineral, minər’l, subst. delfstof; adj. delfstoffelijk, mineraal: — kingdom = delfstoffenrijk; — oil; — salt = mineraalzout; — spring; — waters = minerale bronnen of wateren; —ization, subst. v. —ize = versteenen, mineraliseeren; —ogic, minərəlodžik; mineralogisch; —ogist, minəralədžist, delfstofkundige; —ogy, minəralədži, mineralogie.

Minerva, minɐ̂və, Minerva: — press = een vroegere drukkerij in Londen; de sentimenteele romans daar gedrukt.

Minever, Miniver, minivə, Siberisch eekhorentje, het bont daarvan.

Mingle, miŋg’l, vermengen, zich vermengen (onder), versmelten.

Miniature, minitj(u)ə, subst. miniatuur(portret); adj. verkleind, op kleine schaal: — painter.

Minibus, minibɐs, een soort wagen voor 4 personen.

Minify, minifai, verkleinen; geringschatten.

Minikin, minikin, zeer klein, geaffecteerd; subst. kleine speld; lieveling.

Minim, minim, zeer klein; subst. dwerg, kort gedicht; ± 65 m.Gram; halve noot; —s = de strenge orde der Miniemen; Minimal, minimaal; —ization, subst. v. —ize = verkleinen, verbloemen: Let us not —ize the danger of our situation; —um = minimum.

Mining, mainiŋ, subst. mijnbouw; adj. mijn …: —-academy; —-shares (—-stocks) = mijn waarden.

Minion, minj’n, subst. slaafsch volgeling, gunsteling, lichtekooi: —s of the moon = roovers, dieven.

Minister, ministə, subst. (staats)dienaar, minister, gezant; werktuig (fig.); predikant (bij de dissenters); — verb. voorzien van, verschaffen, toedienen, besturen, ministreeren, oppassen, behulpzaam zijn, geneesmiddelen geven: — of the Colonies; — of Finance; — of Foreign Affairs; — of the Interior = M. van Binn. Zaken; — of War; Prime — = minister-president; He —ed to me in those days = verzorgde mij; —ial, ministîriəl, dienend, gehoorzamend; ministerieel; —ialist = regeeringsgezinde; Ministrant, dienend; subst. dienaar; Ministration = dienstverrichting, bestuur, geestelijke bijstand of ambt: The prisoner was offered his — = den gevangene bood men geestelijken bijstand aan; Ministry = ministerie, dienst, geestelijke functiën.

Minium, minj’m, roode menie.

Mink, miŋk, vison, soort v. Amer. wezel; pels daarvan.

Minnow, minou, soort witvisch, voorntje, stekelbaarsje.

Minor, mainə, kleiner, geringer, jonger, klein, gering; subst. minderjarige, mineur, minor, (term van een syllogisme): — key = mineur (muz.); — poets; — premiss, deze bevat den — term = het subject v. de conclusie; — third = kleine terts; Asia — = Klein-Azië; —ite, mainərait, Franciskaner; —ity, m(a)inoriti, minderheid, minderjarigheid.

Minorca, minökə; Minos, mainəs; Minotaur, minətö.

Minster, minstə, hoofdkerk, kloosterkerk.

Minstrel, minstr’l, minstreel; negerzanger (= Negro —); —sy = de kunst v. d. minstreel, balladenverzameling.

Mint, mint, munt, groote hoeveelheid; munt (plant); — verb. munten, slaan, smeden: Master of the — = muntmeester; A — of money = een “bom” duiten; The — and cummin of literature = de nietige dingen of kleinigheden in de letteren (Zie Matth. XXIII, 23); —-drops = pepermuntjes; —-julep = Amer. drank van suiker, spiritualiën en kruizemunt in gestampt ijs; —-sauce = kruizemuntsaus; —age, mintidž, het gemunte, muntrecht.

Minuend, minjuənd, aftrektal.

Minuet, minjuət, menuet: To step (walk) a — = een menuet dansen.

Minus, mainəs, minder dan, onder nul, met uitzondering van, waardeloos.

Minuscule, minɐskjûl, klein, gering; subst. kleine letter.

Minute, minit, subst. minuut, memorandum, concept, notulen, protocol (= —s); ook adj.; — verb. aanteekeningen maken, do minuten of notulen schrijven van: To keep the —s; —-book = klad- of notulenboek; —-glass = zandglas (van ééne minuut duur); —-gun = minuutschot; —-hand = minuutwijzer.

Minute, minjût, zeer klein, gering, precies, omstandig; subst. —ness; Minutiae, minjûšiî, kleinigheden, bijzonderheden.

Minx, miŋks, brutale meid.

Miracle, mirək’l, wonder, mirakel: To a — = wonderbaarlijk; To work —s = doen; Faith works —s; —-play = mysteriespel; Miraculous, mirakjəlɐs, wonderdadig, wonderbaarlijk, wonder..; subst. —ness.

Mirage, mirâž, luchtspiegeling, waan.

Mire, maiə, subst. slijk, modder; — verb. bemodderen, in den modder zakken of zitten, in ongelegenheid brengen: To be in the — = in den klem zitten; To drag into the — = door het slijk halen (fig.); —-crow = kap- of kokmeeuw; Miriness = modderigheid.

Mirror, mirə, subst. spiegel, toonbeeld; — verb. terugkaatsen: Dutch —s = spionnetjes; Halls of —s = spiegelzalen.

Mirth, mɐ̂th, vroolijkheid, opgewektheid; adj. —ful; subst. —fulness.

Miry, mairi, modderig.

Mirza, mɐ̂zə, Perzische eeretitel; vorst.

Misadventure, misədventjə, ongeluk, tegenspoed; adj. Misadventurous.

Misalliance, miselaiəns, huwelijk beneden iemands stand; Misallied, misəlaid, verkeerd vereenigd.

Misanthrope, misənthroup, menschenhater; adj. Misanthropic(al), misənthropik(’l); Misanthropist, misanthrəpist, menschenhater; Misanthropy, misanthrəpi, menschenhaat.

Misapplication, misaplikeiš’n, subst. v. Misapply, misəplai, verkeerd toepassen.

Misappreciate, misəprîšieit, onderschatten; subst. Misappreciation.

Misapprehend, misaprihend, misverstaan, verkeerd begrijpen; subst. Misapprehension.

Misappropriate, misəprouprieit, zich onwettig toeëigenen; subst. Misappropriation.

Misarrange, misəreinž, verkeerd rangschikken; subst. —ment.

Misbecome, misbikɐm, ongepast zijn voor, slecht passen bij; Misbecoming = ongepast, onvoegzaam.

Misbefitting, misbifitiŋ, onvoegzaam.

Misbegotten, misbigot’n, onecht, slecht.

Misbehave, misbiheiv, zich misdragen (oneself); Misbehaviour, misbiheivjə, wangedrag.

Misbelief, misbilîf, ongeloof, dwaalleer; Misbelieve = dwalen, ten onrechte gelooven; Misbeliever = ongeloovige.

Miscalculate, miskalkjuleit, misrekenen; verkeerd uitrekenen; subst. Miscalculation.

Miscall, miskôl, verkeerdelijk noemen.

Miscarriage, miskaridž, mislukking, verloren gaan, wangedrag, miskraam: A gross — of justice = grove rechterl. dwaling; Miscarry, miskari, verloren gaan (v. brieven), mislukken, een miskraam krijgen: He miscarries of puns every minute = hij zegt om den haverklap te onrechter tijd woordspelingen.

Miscast, miskâst, subst. misrekening; — verb. misrekenen, verkeerd berekenen.

Miscegenation, misədžəneiš’n, rassenvermenging.

Miscellanea, misəleinjə, allerlei; Miscellaneous = gemengd, door elkaar, verscheiden; subst. —ness; Miscellanist, misələnist, schrijver van mengelwerk; Miscellany, miseləni, mengeling, mengelwerk.

Mischance, mistšâns, subst. ongeluk, ramp; — verb. ongelukkig gebeuren.

Mischief, mistšif, onheil, ongeluk, kwaad, ondeugendheid, onrecht, schade, nadeel: The boys are never out of — = voeren altijd wat uit; He is bent on — = hij voert wat in zijn schild; Out of pure — = uit moedwil; To do — = ondeugend zijn; To get into — = kattekwaad uitvoeren; To lead into — = verleiden tot kwaad doen; To make — = onheil stichten; He means — = voert wat in het schild; There will be the — to pay = dan heb je de poppen aan ’t dansen; What the — is your little game = wat duivel voer jij in ’t schild? Like the very — = als dol; He is a —-maker = onheilstoker, tweedrachtstichter; A —-making fellow = kwaadstichter, onheilstoker; Mischievous, mistšivɐs, boos(aardig), schadelijk, moedwillig, noodlottig, ondeugend; subst. —ness.

Miscible, misib’l, vermengbaar.

Miscite, mis-sait, verkeerdelijk aanvoeren of aanhalen.

Miscomprehend, miskomprəhend, Misconceive, misk’nsîv, verkeerd begrijpen of beoordeelen; Misconception = verkeerde opvatting, wanbegrip, dwaling.

Misconduct, miskondəkt, wangedrag, verkeerde behandeling.

Misconduct, misk’ndɐkt, slecht besturen of behandelen: To — oneself = zich slecht gedragen.

Misconjecture, misk’ndžektjə, subst. valsche gissing; — verb. verkeerdelijk gissen of berekenen, misrekenen.

Misconstruction, misk’nstrɐkš’n, misvatting, verkeerde uitlegging; Misconstrue, miskonstrû, verkeerd opvatten of uitleggen.

Miscount, miskaunt, subst. misrekening; — verb. verkeerd tellen of rekenen.

Miscreant, miskriənt, afschuwelijk, gemeen; subst. ellendeling, schurk.

Miscue, miskjû, subst. misstoot (bilj.); — verb. misstooten.

Misdate, misdeit, subst. verkeerde dagteekening; — verb. verkeerd dateeren.

Misdeal, misdîl, subst. het verkeerd geven (van kaarten); — verb. verkeerd geven: To make a —.

Misdeed, misdîd, misdaad.

Misdeem, misdîm, verkeerd beoordeelen.

Misdemean, misdimîn: To — oneself = zich slecht gedragen; —ant = misdadiger; —our, wangedrag, misdrijf.

Misdirect, misdirekt, verkeerd adresseeren, verkeerd leiden; subst. —ion.

Misdo, misdû, misdû, verkeerd doen, een vergrijp begaan; —er; —ing = vergrijp, misdaad.

Misemploy, misəmplôi, verkeerdelijk toepassen, misbruiken; subst. —ment.

Misenter, misentə, valschelijk boeken; Misentry = verkeerde boeking.

Miser, maizə, vrek.

Miserable, mizərəb’l, ellendig, verachtelijk, waardeloos, ongelukkig: The —s = katterigheid; subst. —ness.

Miserere, mizərîri, boetpsalm (51), miserere, weeklacht; — verb. drek braken: — Day = Aschwoensdag.

Misery, mizəri, ellende, ramp, ongeluk.

Misfeasance, misfîz’ns, overtreding, misbruik van ambtelijke bevoegdheid.

Misfit, misfit, (iets) wat slecht past; — verb. niet passen: This coat is a —; A — suit.

Misform, misföm, misvormen; subst. Misformation, misvorming.

Misfortune, misfötjən, ongeluk, ongelukje (= misstap): —s never come singly = een ongeluk komt nooit alléén.

Misgive, misgiv, met twijfel of argwaan vervullen: My heart (mind) misgave me = ik vreesde het ergste; Misgiving = angstig voorgevoel, twijfel.

Misgovern, misgɐvən, slecht besturen; subst. —ment = wanbeheer, wanbestuur.

Misguidance, misgaid’ns, verkeerde leiding; Misguide, misgaid, verkeerd leiden, op een dwaalspoor brengen.

Mishap, mishap, ongeluk, ongeval, misstap; To have a —.

Mishmash, mišmaš, mengelmoes, hutspot.

Mishna(h), mišnə, een afdeeling van den Talmud; Mishnic = tot de M. behoorende.

Misinfer, misinfɐ̂, verkeerdelijk opmaken.

Misinform, misinföm, verkeerd inlichten; subst. —ation; —er.

Misintelligence, misintelidžens, verkeerde inlichting, valsch bericht.

Misinterpret, misintɐ̂prət, verkeerd uitleggen; subst. —ation; —er.

Misjoin, misdžôin, slecht of verkeerd verbinden.

Misjudge, misdžɐdž, verkeerd (be)oordeelen; subst. —ment.

Mislay, mislei, verliezen, te zoek maken: She lost her temper, or, rather, mislaid it = zij raakte uit haar humeur, tenminste eventjes; —er.

Mislead, mislîd, misleiden, verleiden; —er.

Mislike, mislaik, subst. afkeer, weerzin; — verb. een afkeer hebben, mishagen.

Mismanage, mismanidž, verkeerd besturen; subst. —ment; —r.

Mismatch, mismatš, verkeerd samenvoegen of paren.

Mismetre, mismîtə, het metrum bederven.

Misname, misneim, verkeerd noemen.

Misnia, mizniə, Meiszen; adj. —n.

Misnomer, misnoumə, verkeerde benaming.

Misogamist, misogəmist, tegenstander van het huwelijk; Misogamy = weerzin tegen het huwelijk; Misogynist, misodžinist, vrouwenhater; Misogyny, misodžini, vrouwenhaat.

Misplace, mispleis, misplaatsen, verkeerd gebruiken; subst. —ment.

Misprint, misprint, drukfout; — verb. verkeerd drukken.

Misprision, mispriž’n, ambtsverzuim: — of felony = verzuim de misdaad te vervolgen; — of treason = verzuim het hoogverraad te vervolgen.

Misprize, mispraiz, onderschatten, verachten.

Mispronounce, misprənauns, verkeerd uitspreken; subst. Mispronunciation.

Misproportion, misprəpöš’n, eene slechte verhouding of schikking maken.

Misquotation, miskwəteiš’n, onjuiste aanhaling; Misquote = onjuist aanhalen.

Misremember, misrimembə, zich niet juist herinneren: If I — not = als mijn geheugen mij niet bedriegt.

Misreport, misripöt, subst. onjuist of valsch rapport; — verb. onjuist berichten.

Misrepresent, misreprizent, onjuist of verkeerd voorstellen; subst. —ation; —er.

Misrule, misrûl, wanorde, wanbestuur, oproer; — verb. verkeerd besturen.

Miss, mis, (me)juffrouw (voor ongehuwde vrouwen): The —es Brown, The — Browns = de (jonge)dames B.; —ie = juffertje; —ish = gemaakt, juffertjesachtig, preutsch; subst. —ishness.

Miss, mis, subst. een misschot, misstoot, misworp; — verb. missen, niet raken, misloopen, overslaan, vermijden; ontberen, ontbreken, ketsen, mislukken: A — is as good as a mile = haast is nog niet half; She feels the — of her children = het gemis; He made a — in balk (a — for safety) = hij gaf een mispunt om goedaf te spelen (bilj.); You have —ed the aim (the mark) = mis geschoten, het doel niet geraakt; The gun —ed fire = ketste; To — a train; To — one’s step (footing) = uitglijden; To be (go) a-missing = weg zijn, weg raken; The book is —ing = is er niet, is weg; Several are killed or —ing = worden vermist; —ing-link = ontbrekende schakel.

Missal, mis’l, misboek.

Missel (thrush), mis’l (thrɐš), groote lijster.

Missend, misend, aan het verkeerde adres zenden.

Misshape, mis-šeip, subst. wanstaltigheid; — verb. wanstaltig maken, verkeerd vormen; —n = wanstaltig, misvormd; subst. —nness.

Missile, misil, werp..; subst. werptuig, projectiel; — dart = werpspies.

Mission, miš’n, subst. zending, opdracht, missie, gezantschap, zendelingenstation; —ary, zendelings..; subst. zendeling; —er = bode, zendeling.

Missive, misiv, gezonden; subst. brief, officiëel bericht.

Missouri, misûri.

Misspell, misspel, onjuist spellen; —ing = verkeerde spelling.

Misspend, misspend, slecht besteden, weggooien.

Misstate, missteit, verkeerd voorstellen of uitdrukken; subst. —ment.

Misstep, misstep, misstap (eigenl. en fig.); — verb. mis-stappen, struikelen.

Mist, mist, subst. nevel, motregen, sluier (fig.); — verb. misten, motregenen, met nevel bedekken: I had a — before my eyes = mijne oogen waren beneveld = A — was over my eyes; They were in a — = zij waren beneveld, de kluts kwijt; The leaden — = grauwe; A Scotch — = zware, natte nevel; —iness, subst. v. —y; —like = nevelachtig; —y = mistig, duister.

Mistakable, misteikəb’l, wat gemakkelijk verkeerd wordt opgevat, of met elkaar verward; Mistake, misteik, subst. vergissing, fout; — verb. verkeerd opvatten of verstaan, verkeerdelijk houden voor, misverstaan, dwalen, zich bedriegen: To make a profound — = zich deerlijk vergissen; He is a good fellow, and no — (about it) = …, en daar kun je op aan; I mistook you for your brother = ik zag u aan voor; You are —n = ge vergist u; A —n notion = dwaalbegrip; —nly = bij vergissing; —r.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings