← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

D. (continued 2)

Reading edition

Do, dou, ut of do (toonschaal); verkorting van ditto: Connubial —es = trouwpak.

Doat, dout: Z. Dote.

Dobbie, dobi, nar; een geest of kabouter (Noord Eng.).

Dobbin, dobin, oud werkpaard.

Dobell, dəbel.

Docible, dosib’l, Docile, do(u)s(a)il, leerzaam, handelbaar; subst. Docility.

Dock, dok, subst. dok, stompje, pit (van de paardestaart), afgekorte staart; zuring; bank der beschuldigden; — verb. afsnijden, kortstaarten, verminderen, afschaffen, dokken (van een schip): A (close-)—ed tail; —-charges, —-dues = dok- of havengelden; —-master = havenmeester; —-warrant = geleibiljet, ceel; —yard = scheepswerf; —age = gelegenheid om te dokken; dokgeld; —er = dokwerker.

Docket, dokət, subst. korte inhoud, lijst der aanhangige rechtszaken of uitspraken; adreskaart (aan goederen), etiket; — verb. een korten inhoud maken, briefjes of nummers plakken op, den inhoud van een stuk op de rugzijde vermelden, adresseeren: To strike a — = eene faillietverklaring aanvragen.

Doctor, doktə, subst. doctor, dokter, leeraar; middel om wijn te vervalschen; — verb. promoveeren, medicineeren, beter maken; vervalschen: He —ed us in the cholera days = behandelde ons; I live by —’s rule = op dieet; —s’ Commons, zie Commons; —’s-stuff = medicijnen; —al = doctoraal; —ate, doktərit, subst. doctoraat; —ate, doktəreit, verb. doctoreeren, promoveeren; —ess = doctores; —ship = —ate.

Doctrinaire, doktrinêə, adj. doctrinair; ook subst.; Doctrinal: — theology = dogmatiek; Doctrine, doktrin, leer, leerstuk, dogma.

Document, dokjument, subst. bewijsstuk, document; — verb. documenteeren; Documental = Documentary: — evidence = schriftelijke getuigenis; — proof of one’s election = geloofsbrieven.

Dod, dod, afsnijden, scheren (van wol).

Dodder, dodə, warkruid; —-grass = trilgras.

Dodder, dodə, beven, trillen: To — about = rondstrompelen; —ing fears.

Doddle, dod’l, waggelen: A doddling old dotard = een strompelende oude sufferd.

Dodecagon, dədekəgon, twaalfhoek.

Dodge, dodž, subst. plotselinge zijbeweging, kunstgreep, list, streek; — verb. plotseling opzij springen, ontwijken, uitwijken, uitvluchten bedenken, voorzichtig rondsluipen, slenteren, vermijden, als een schaduw volgen, nagaan, heen en weer bewegen, bedotten: He worked the — singled-handed = voerde de zwendelarij geheel alleen uit; He went dodging about the village = slenterde door; —r = slimmerd, bedrieger, kuiper, zwendelaar; —ry = zwendel, uitvlucht; adj., Dodgy.

Dodipole, dodipoul, sukkel, domkop.

Dodman, dodm’n, tuinslak.

Dodo, doudou, dodaars of basterdstruis (vroeger op Mauritius).

Dodonian, doudounj’n, uit Dodona, beroemd om haar orakel.

Doe, dou, hinde, ree; wijfje; —skin, douskin, hertenleder, soort buckskin.

Doff, dof, afzetten, uittrekken.

Dog, dog, subst. hond, hondevleesch, vent, snaak; de Groote of Kleine Hond (sterrenbeeld); duivelsklauw, mijnkarretje, haardijzer; — verb. als een schaduw volgen, nauwkeurig nagaan: An artful (sly) — = een slimmerd; A sad — = een snaak; Give a — a bad name, and hang him = als men een hond wil slaan, vindt men wel een stok = There are more ways of killing a — than hanging him; To go to the —s = ten onder gaan: Let sleeping —s lie = maak geen - - - wakker; I call this throwing things to the —s = de dingen weggooien; A — and shadow conviction = persoonlijke; He is a — in the manger = hij kan niet zien dat de zon in het water schijnt; The police —ged him = ging hem na; —-bee = hommel (mannetjesbij); —-berry = bes van de roode kornoelje; —-biscuit; —-briar (—-rose) = hondsroos; —-cart = twee- of vierwielig rijtuigje met twee banken (rug aan rug); —-cheap = spotgoedkoop; —-collar = halsband; —-days = hondsdagen; —-fancier = hondenfokker en -koopman; —-fennel = stinkende camille; —fish = o.a. hondshaai; —-fox = mannetjesvos; —-grass = kweek; —-hearted = onbarmhartig; —-hole = hondegat, hondenhok; hok, gat (fig.); —-kennel = hok; —-latin = kramerlatijn; —’s-ear = ezelsoor; ook verb.; —-sleep = hazenslaapje; —’s-meat = afval van vleesch, hondenvleesch; —-star = hondsster, Sirius; —-tooth = oogtand; —-trick = leelijke streek, gemeene behandeling; —-trot = sukkeldrafje; —-vane = waker (scheepst.); —-violet = hondsviooltje; —-watch = hondenwacht (van 4–6 of 6–8 p. m.); —-weary = zoo moe als een hond; —wood = roode kornoelje; —ged; = norsch, hardnekkig: It’s —ged as does it = de aanhouder wint; subst. —gedness; —gish = hondsch; subst. —gishness.

Doge, doudž, doge; Dogate, dougit, Dogeate, doudžit, waardigheid van een Doge.

Dogger, dogə, dogger (vaartuig).

Doggerel, dogərel, subst. rijmelarij = — rhymes.

Dogma, dogmə, leerstuk; adj. Dogmatic(al); —tism = dogmatisme; —tize = dogmatizeeren.

Doily, dôili, tafelmatje, slabbetje, servetje.

Doit, dôit, duit, kleinigheid; 0,135 mGr.

Dolce, doltši, zacht, liefelijk.

Doldrums, doldr’mz, streek der windstilten: To be in the — = lusteloos, gemelijk zijn, zich vervelen.

Dole, doul, subst. portie, aalmoes; smart; marksteen; — verb. uit- of ronddeelen in kleine hoeveelheden (out); Happy man be his — = moge hij gelukkig zijn; —ful = smartelijk, treurig, akelig; subst. —fulness; —some = —ful.

Doll, dol, pop: —’s eyes, dolzaiz, k(o)ralen (voor poppenoogen).

Doll, dol, Doortje = Dolly, doli.

Dollar, dolə, Amerik. munt (van 100 cents = ƒ 2,50).

Dol(l)man, dolm’n, lang Turksch gewaad; dolman.

Dollop, doləp, klonter, klomp.

Dolly, doli, Doortje; bak met geperforeerden bodem, om erts in te wasschen; grisette; blad met bloemen en vruchten; adj. sukkelig; —-shop = stille bank van leening, lompenhandel.

Dolly Varden, dolivâd’n, lichte en gebloemde soort van polonaise gedragen over een licht gekleurden rok; ook schuin gedragen hoed met bloemen.

Dolorous, dolərɐs, pijnlijk, smartelijk; Dolour, doulə, smart, pijn: Our Lady of —s = naam van de H. Maagd Maria.

Dolphin, dolfin, dolfijn; dolfijnvormig oor (van kanon of mortier), ducdalf, meerboei: He felt as much out of his element as a — in a sentry-box = als een visch, die op het droge ligt.

Dolt, doult, domkop, sukkel: —ish = dom, sukkelachtig; subst. —ishness.

Domain, dəmein, macht, gezag, domein, gebied.

Dombey, dombi.

Dom-boc, doumbouk, wetboek uit den tijd van Koning Alfred = Domebook.

Dome, doum, koepel, koepelvormig dak; een tempel, dom; —-shaped = koepelvormig; —d = met een koepel, gewelfd.

Domesday, dûmzdei; Zie Doomsday.

Domesman, dûmzman, vroeger rechter = Doomsman.

Domestic, dəmestik, subst. huisbediende, dienstbode; adj. huiselijk, huishoudelijk, tam, inlandsch; —s = binnenl. producten (Amer.); — animals = huisdieren; — economy = huishoudkunde; — peace = huiselijke vrede; — quarrels = binnenlandsche twisten; —ate, dəmestikeit, aan huiselijk leven gewennen, temmen, beschaven; —ity, doumestisiti, huiselijkheid.

Domett, domət, katoenflanel.

Domicile, domis(a)il, subst. domicilie; — verb. (zijn) domicilie nemen, domicilieeren: A domiciliary visit = bezoek door de rechterlijke macht, met het oog op huiszoeking; Domiciliate (= Domicile): To — a bill of exchange = een wissel domicilieeren; Domiciliation = domicilie.

Dominant, domin’nt, subst. de dominante (Muziek); adj. heerschend, domineerend, ver zichtbaar; Dominate, domineit, heerschen, zich verheffen boven; Domination = heerschappij; Dominator = beheerscher; Dominative = heerschend; Domineer, dominîə, een gebiedenden, onbeschaamden toon voeren, den baas spelen; opspelen, woedend uitvaren.

Dominic, dominik; Dominica, domənîkə, dəminikə.

Dominical, dəminik’l: — letter = Zondagsletter; — prayer = het Onze Vader.

Dominican, dəminik’n, Dominicaner monnik.

Dominie, do(u)mini, schoolmeester (vaak iron.), dominé (Schotl.); predikant van Holl. gemeente (Amer.).

Dominion, dəminj’n, oppermacht, heerschappij, gebied: — Day = nationale feestdag in Canada (1 Juli); The — = Canada.

Domino, dominou, domino; dominosteen: To play at —es = domino spelen; —-box = dominospel, mond vol tanden.

Don, don, subst. heer (vroeger titel, in Spanje), Tutor of Fellow van een College aan een der hoogescholen; banjer; —nish = pedant.

Don, don, aandoen.

Dona, dounja, Donna; meisje.

Donalbain, donəlbein; Donald, don’ld.

Donate, douneit, geven (Am.); Donation, deneiš’n, gave, gift, schenking; Donative, donətiv, subst. gift, schenking, benefice; adj. bij schenking gegeven.

Doncaster, doŋkəstə.

Done, dɐn, part. perf. van to do. Zie Do.

Donee, dounî, begiftigde.

Donegal, donəgôl, donəgôl.

Donga, doŋgə, spleet in eene rivierbedding, droge rivierb. (Z. A.).

Donjon, dɐnž’n, donž’n, slottoren, kerker.

Don Juan, dondžûən.

Donkey, doŋki, ezel; —ess, doŋkiəs, ezelin; —-engine = een kleine hulpmachine aan boord; —-pump = stoompomp (voor den ketel).

Donne, don; Donnybrook, donibruk, ruw, woest, (genoemd naar: — fair = woeste (Iersche) kermisboel); — dance = woest gevecht; — row = hevige ruzie.

Don Quixote, donkwiksət.

Doodle, dûd’l, subst. beuzelaar, sukkel; Yankee — = Amerik. volkslied.

Doob, dûb, gras als voeder gebruikt (Brit. Ind.).

Dood, dûd, kameel: —-wallah (walə) = kameeldrijver (Brit. Ind.).

Doolie, dûli, Brit. Ind. draagstoel.

Doom, dûm, subst. oordeel, veroordeeling, lot, verdoeming; — verb. veroordeelen, straffen, richten: The crack of — = de jongste dag, het einde der wereld; —sday = dag des oordeels; —sday-book = kadaster, register van de landerijen (samengesteld op last van Willem den Veroveraar); —ster = rechter.

Doonga, dûŋgə, cano met vierkant zeil (Brit. Ind.).

Door, dö, deur, ingang: That was laid at his — = hem ten laste gelegd; It lies at his — = het is zijne schuld; It was never proved at his — = hem nooit bewezen; He lives next-— = in het huis (kamer) hiernaast; Next-— to him = naast hem; We had next-— to nothing = zoowat niets; In, within —s = binnenshuis; Out of —s = buitenshuis; Sent out of —s = weggestuurd; He leant against a —-casing (-case) = kozijn = —-frame; —-handle = kruk; —-hinges = hengsels; —-keeper = portier; —-mat = deurmat; voetveeg (fig.); —-nail = plaatje, waarop de klopper neervalt: He is as dead as a —-nail = zoo dood als een pier (ook: As dead as a —-mat); —-plate = naamplaatje; —-post = deurstijl: He is as deaf as a —-post = zoo doof als een kwartel; —-scraper = krabber; —-step = stoep, of = —-sill = drempel: You shall never darken my —(-step) again = jij zet geen voet meer over mijn drempel; —-stone = steenen drempel; —-way = ingang.

Dop, dop, onderduiken; subst. diepe buiging; dop (bij het diamantslijpen).

Dopatta, doupatə, soort sjerp (Br. Ind.).

Dopper, dopə, schimpnaam voor de ouderwetsche en meer bekrompen leden der Geref. kerk in Zuid-Afrika.

Dor, dö, kever (bladsprietig) = —-beetle.

Dorado, dəreidou, dərâdou, Dorada, Zuidelijk sterrenbeeld van zes sterren; goudmakreel.

Dorcas Society, dökəsəsaiiti, Vereeniging (van dames) tot Christelijk Hulpbetoon (Zie Handelingen IX, 36–41).

Dorchester, dötšəstə.

Dorée, derî, dorî, zonnevisch.

Dorian, dôriən, Doric, dorik, Dorisch: — order = Dorische bouwstijl.

Doring, dôriŋ, het leeuwerikenvangen met een slagnet en een spiegel.

Dormancy, döm’nsi, rust; Dormant, döm’nt, subst. slaper (groote dwarsbalk); adj. slapend, liggend; ongebruikt, dood (Jurid.): Let us allow the matter to lie — = laten rusten; — partner = stille vennoot; Dormer, dömə, verticaal venster in hellend dak (= —-window); Dormitive = subst. en adj. slaapwekkend (middel); Dormitory, dömitəri, slaapzaal.

Dormouse, dömaus, hazel-(berg)muis.

Dorn, dön, rog, stekelrog.

Dorothy, dorəthi, Dorothea.

Dorsal, dös’l, dorsaal, rug …

Dorse, dös, jonge kabeljauw; rug.

Dorsel, dös’l, soort wollen stof.

Dorset, dösət; —shire, dösətšə.

Dorsum, dös’m, rug, heuvelrug.

Dort, döt, Dordrecht.

Dory, döri, zonnevisch (= John —); platboomd bootje (Amer.).

Dose, dous, subst. dosis, bittere pil (fig.); — verb. afmeten (van geneesmiddelen), (een bittere pil) toedienen: They have —d him with liquor = veel drank toegediend, suf of dronken gemaakt.

Dosel, dos’l = Dossal = dorsale, geborduurd kleed achter het altaar; rijke draperie.

Doss, dos, kussen, bed; slaapstee = —-house; —er = logé van een slaapstee, landlooper; huisvader.

Dosser, dosə, kleed, wandtapijt; draagkorf.

Dost, dɐst, 2de p.s. Pres. Imp. v. to do.

Dot, dot, subst. stip, punt; kindje; huwelijksgift (Amer.); — verb. stippelen: —ted lines = stippellijnen; — your i’s and cross your t’s = zet de puntjes op de i (ook fig.).

Dotage, doutidž, suffigheid (vooral van ouderdom), overdreven teederheid, apenliefde; Dotard, doutəd, kindsche grijsaard, verliefde oude gek.

Dotation, dəteiš’n, huwelijksgift, schenking.

Dote, dout, suffen, dol verzot zijn op: He —s on her = is dol op haar; Doting = kindsch; dol, gek (on); subst. —ness.

Doth, dɐth = does.

Dottard, dotəd = Dotard.

Dottel, Dottle, dot’l, kluitje, propje (onverbrande) tabak in een pijp.

Dott(e)rel, dot’r’l, Morinel pluvier; sukkel.

Dottyville, dotivil: To be booked for — = naar “Meerenberg” moeten.

Double, dɐb’l, adj. dubbel, in paren, gekromd, dubbelzinnig; subst. tweevoud, duplicaat, dubbelganger, zijsprong, draai, kunstgreep; — verb. vouwen, verdubbelen, herhalen, omzeilen, dichtknijpen, ballen, over elkaar slaan, doubleeren, verdubbelen van rotten (Mil.), zich verdubbelen, op zijn weg terugkeeren, omdraaien, listig ontwijken, bedriegen: They marched off at the —, at —-quick time = met den looppas; The Cape was —d = omgezeild; He —d his fists = balde; All the leaves were —d down = aan alle bladen waren ezelsooren; We —d upon the enemy = brachten hem tusschen twee vuren; —-acting = dubbelwerkend (mechan.); —-action; A —-barrelled rifle = geweer met dubbelen loop; —-bass = contrabas; —-breasted coat = jas met twee rijen knoopen; —-chin = onderkin; A —-dealer = dubbelhartig mensch, bedrieger; —-dealing, subst. en adj. dubbelhartig(heid); —-Dutch = koeterwaalsch; A —-dyed villain = een aartsschurk; —-eagle = goudstuk van twintig dollars (Amer.); —-edged sword = tweesnijdend; —-entry: Book-keeping by — = Italiaansch boekhouden; —-faced = met twee aangezichten, aan beide kanten bruikbaar; onoprecht; —-first = de eerste zoowel in klassieke talen als in mathematische wetenschappen te Oxford; de graad door zoo iemand verkregen; —-ganger = dubbelganger; —-handed = met twee handvatten; —-hearted = verraderlijk, valsch; —-knock = korte dubbele klop (met een deurklopper); —-minded = weifelend, besluiteloos; —-railed = met dubbel spoor; —-shot = dubb. lading; — verb. zwaar laden, aandikken (fig.); —-tide = overuur; —-tongued = uit twee monden sprekende; —-track = dubbelspoor; —ness = dubbel zijn; dubbelzinnigheid.

Doublet, dɐblət, wambuis, buis, vest, doublette (een woord van denzelfden stam als een ander, maar verschillend in vorm en beteek.); —s = dobbelspel (soort van triktrak); hetzelfde getal op beide dobbelsteenen.

Doubloon, dɐblûn, Spaansch en Zuid-Amer. goudstuk (± ƒ 12).

Doubt, daut, subst. twijfel, onzekerheid, aarzeling, vrees; — verb. weifelen, aarzelen, twijfelen, vermoeden, verdenken, vreezen: Beyond a — = boven allen twijfel verheven; I have put it beyond — = buiten allen twijfel geplaatst; No — = ongetwijfeld; —ful = twijfelachtig, weifelend, verdacht, dubbelzinnig, onzeker; subst. —fulness; —less = ongetwijfeld.

Douche, dûš, douche, stortbad.

Dough, dou, deeg: My cake is — = mijn plan is in duigen gevallen; A —-faced fellow = jabroer, polit. weerhaan (Amer.); —-kneaded = zoo zacht als deeg (Amer.); —nut = soort pannekoek; —y = week, bleek.

Doughtiness, dautinəs, manhaftigheid, flinkheid; adj. Doughty = flink.

Douglas, dɐgləs.

Dour, dûə, hard, streng, onbuigzaam (Schotl.).

Douse, daus, adj. ernstig, eerbaar; — verb. plotseling onderdompelen of in ’t water vallen; ineens vieren of neerlaten; uitdooven; ranselen.

Dove, dɐv, duif, duifje (fig.); —-cot(e), —-house = duivenhok, duiventil; —’s-foot = fijnblad ooievaarsbek; —tail, subst. zwaluwstaart; — verb. vast verbinden, samenvoegen met zwaluwstaarten: His own work and the quoted passages —tail into one another = sluiten in elkander.

Dover, douvə: The Straits of — = het Nauw van Calais; — Court = een luidruchtige bijeenkomst.

Dowager, dauidžə, douairière: Queen — = koningin-weduwe (moeder).

Dowden, daud’n.

Dowdy, daudi, subst. ouderwetsch of slordig gekleede vrouw, slons; adj. ouderwetsch, slonzig = —ish.

Dowel, dau’l, subst. houten pen of nagel; — verb. met pennen verbinden.

Dower, dauə, subst. weduwengoed; — verb. een uitzet geven; Dowerless = zonder bruidschat, arm.

Dowlas, dauləs, grof linnen goed.

Dowl(e), daul, pluim, veder.

Down, daun, subst. dons, nestveeren; zaadpluimpje; zacht haar; duin, schapenweide: The —s = een groote reede aan de kust v. Kent; —y = donzig, piekfijn.

Down, daun, beneden, naar beneden, onder; af, van de hoofdstad of van een hoofdstation weg; terneergeslagen, koest (tegen honden), etc.; — verb. neerdrukken, ontmoedigen, neerdalen: — the country = weg van de hoofdstad; — the sound = in de richting van de ebbe zeewaarts; — the stream = stroomafwaarts; — town = naar het centrum (handelswijk) der stad; To be — at heel = afgetrapt; To be — for a club = vóórhangen; To be — in the mouth = neerslachtig = — on one’s luck = in moeielijkheden; — the wind = met den wind mee; I like her — to the ground = dolgraag; That part suits you — to the ground = is geknipt voor je; From the mayor — to the meanest citizen = tot den geringsten burger toe; To be — on = uitvaren tegen; I’ll be — upon you = ’k zal je wel krijgen; To be — with the influenza = aangetast door, te bed liggen met; — with him = weg met hem; To feel — = somber, neerslachtig; To go — into the country = naar buiten gaan; That will not go — with me = dat wil er bij mij niet in; He has gone — = is met vacantie naar huis gegaan (v. studenten); The wind is — = is gaan liggen; To look — upon = neerzien op; To pay — = kontant; To turn upside — = onderste boven keeren; In writing for children, be careful not to write — too much = niet te kinderachtig te schrijven; He is not to be —ed by censure = laat zich niet ontmoedigen; To —bear = drukken, verdrukken; A —cast look = sombere blik; —come = plotselinge val, omverwerping; He is a —-Easter = iemand, in de Oostel. staten wonend (soms New-Eng. of Maine); —fall = instorting, val (van water), plotselinge val, ondergang; —haul = touw om een zeil neer te halen; —hearted = neerslachtig; —hill = bergafwaarts: —hill work = gemakkelijk werk; —-line = spoorlijn (van de hoofdplaats of het middelpunt af); —-passenger = passagier met een —-train; —pour = plasregen; —right = rechtstreeks, rondweg, echt, volslagen, plotseling, dadelijk, loodrecht, openhartig, grondig: A —right fool = gek in folio, echte dwaas; subst. —rightness; —stairs = (naar) beneden, het dienstpersoneel betreffend; She was —-thump on him = pakte hem (te) hard aan; —-stroke = neerhaal, neergaande beweging; —-train = trein (van de hoofdplaats of het middelpunt af); —-trod(den) = platgetreden, overheerscht; —-weed = roerkruid, viltkruid; —y = sluw.

Dowry, dauri, huwelijksgift, uitzet; hoop.

Dowse, daus. Zie Douse.

Doxological, doksəlodžik’l, lofzingend; Doxology, doksolədži, lofzang.

Doxy, doksi, liefje; snol.

Doze, douz, subst. dutje, sluimering; — verb. sluimeren, dutten, suffen.

Dozen, dɐz’n, dozijn: A baker’s — = dertien.

Doziness, douzinəs, slaperigheid; droomerij; adj. Dozy.

Drab, drab, subst. slons; zoutbak; muisvale stof, geelgrauwe kleur (—s = broek van die stof); adj. muisvaal, geelgrauw; saai, kleurloos, conventioneel; vuil, goor; zwak: The republic is too — to last = te zwak; —bish = vuil, geelgrauw; —by = vuil, slonzig.

Drabble, drab’l, bemodderen, vuil maken; naar barbeelen visschen met een grondangel.

Dracaena, drəsînə, drakenbloedboom.

Drachm, dram, Drachma, drakmə, drachma; oud-Grieksche munt; nieuw-Grieksche munt van ± 50 cts.; oud-Grieksch gewicht.

Draco, dreikou, drakenkop, sterrenbeeld; lichtende uitwaseming van den bodem; vliegende draak = — volans, soort van hagedis (Indië en Afrika); —nian, drəkounj’n, —nic(al), drəkonik(’l), Draconisch.

Dracunculus, drəkɐŋk(j)ulɐs, slangenwortel; pitvisch of schelvischduivel.

Draff, drâf, spoeling, draf: Chaff and — = volkomen waardeloos iets.

Draft, drâft, subst. wissel, traite, stille uitslag, goed gewicht, rafactie; detachement, afdeeling; schets, concept, waterdiepte noodig voor een schip; — verb. concipieeren, schetsen, uitzoeken, detacheeren: Finnish battalions will be —ed into the Russian regiments; He was —ed off with others to work in the mines = hij werd aangewezen; — bill = concept. Zie ook Draught.

Drag, drag, subst. dreg, zware eg, rem, remschoen, slede (Amer.), sleepende beweging, laag voertuig of kar, lange hooge wagen doorgaans met vier paarden; — verb. sleepen, trekken, eggen, dreggen, uitbaggeren, met een sleepnet visschen, langzaam vooruitkomen, niet vlotten: The affair —ged = vlotte niet; —-bar = koppelstang; —-chain = remketting; —-hunt, Zie Anise; —man = visscher, die een sleepnet (—-net) gebruikt; —-rope = trektouw.

Draggle, drag’l, door het slijk of den modder sleepen, bevuilen: A —-tail, a —-tailed woman = eene slons, slordige vrouw; —d skirts = vuile rokken.

Dragoman, dragəm’n, Turksche (of Oostersche) tolk (gids).

Dragon, drag’n, draak; pistool (van de dragoons in de 17de eeuw); sterrenbeeld, lichtende uitwaseming; dragon, slangenkruid, keizersalade; —’s-blood = drakenbloed (roode kleurstof); —-fish = pitvisch; —-fly = paardebijter, waterjuffer; —’s-head = drakenkop (plant); klimmende knoop (Astron.); —-tree = drakenbloedboom; —et = kleine draak.

Dragonnade, dragəneid, dragonade (onder Lodewijk XIV en XV); — verb. onderdrukken met behulp van troepen; Dragoon, drəgûn, subst. dragonder; — verb. door dragonades onderwerpen, plagen, négeren, vervolgen: The military vice of —ing is unsuited to civic life = van “donderen”.

Drain, drein, subst. verlaat, sluis, greppel, riool, slokje; — verb. draineeren of droogleggen, rioleeren, laten leegloopen, onttrekken, uitputten, uitdrinken, filtreeren, wegvloeien: That is a heavy — on my purse = dat kost veel geld; —s = korrels uit de brouwerskuip; —able = wat gedraineerd kan worden; —age, dreinidž, drooglegging, waterafvoer, het drooggelegde land; —(age)-pipe = draineerbuis; —er = vergiet, schep; —ing-engine = pompmachine (voor waterafvoer); —(ing)-tiles = draineerpannen; —ing-well = zinkput; afvoerput.

Drake, dreik, woerd: —-stone = steentje, om over het water te keilen.

Dram, dram, subst. drachme (60 greinen of ⅛ van een ounce), kleine hoeveelheid, slokje, borreltje; — verb. zich aan het gebruik van sterken drank overgeven, trakteeren: Not a — = geen zier; —-drinker = borrelaar; —shop = kroeg.

Drama, drâmə, drama; —tic, drəmatik, dramatisch: The — speed of a railway-train = de werkelijke snelheid van een trein; Thrown —tically together = bont doorééngeworpen; Dramatis Personae, dramətis pɐ̂sounî = handelende personen; Dramatist = tooneelschrijver; The dramatization of a novel = het omwerken tot een tooneelstuk (The novel was dramatized); Dramaturgist = dramaturg; Dramaturgy = tooneelschrijfkunst.

Drape, dreip, drapeeren, bekleeden, hullen in; —r = lakenhandelaar: The —rs’ Company = een der twaalf groote Londensche gilden; —ry = lakenfabricage, lakenhandel; lakensche goederen; drapeering, draperie; — verb. drapeeren.

Drastic, drastik, subst. en adj. krachtig werkend(middel).

Drat, drat: — the boys = die “duivelsche” jongens.

Draught, drâft, subst. trek, span, trektouw, slok, vangst, teug, drankje; tocht, zuiging, trek, luchtstroom; schets, eerste ontwerp, klad; het spannen van een boog; detachement, diepgang; wissel; —s = damspel; — verb. ontwerpen, concipieeren: At a — = in één teug; A boat with a light — = met geringen diepgang; Ale on — = bier van het vat; — and bottled ale = bier van ’t vat en op flesschen; —-animals = trekdieren; —-board = dambord; —-dog = trekhond; —-hole = trekgat (voor smeltovens, etc.); —-ox = trekos; —-screen = tochtscherm; —sman = teekenaar; —y = tochtig.

Draw, drô, subst. trek, haal, vangst, successtuk, getrokken lot, beweegbaar deel van eene brug, voelhoren, onbeslist spel; — verb. trekken, uithalen, sleepen; optrekken, terugtrekken, maken, aantrekken, wekken, ontlokken, inzuigen, slaken, aftappen, vergieten, langzaam bewegen, rekken, uittrekken, uitstrekken; teekenen, schetsen, malen; leiden (door zedelijken invloed), overhalen; diepgang hebben: The — of the concerts was immense = trokken ontzaglijk veel menschen; She was a sure — = trok veel menschen; The game ended in a — = bleef onbeslist; To — a bead upon = mikken op; To — blood = een bloedende schram of wonde veroorzaken; To — bridle = stilhouden; To — a covert = het wild opsporen en uit zijn schuilplaats jagen; To — a curtain = dicht trekken; To — a fox = doen ‘uitvaren’; To — a letter = opstellen; To — the long bow = met spek schieten; To — a man = door list (vleierij) aan ’t praten krijgen; — it mild = maak ’t niet te erg; To — money = trekken, opnemen; To — a parallel; He —s a straight furrow = hij is een eerlijke kerel (Amer.); What water do you — = hoe diep ligt gij? The ship —s twenty feet (of water) = heeft een diepgang van; To — along = voorttrekken; To — back = zich terugtrekken, achteruit wijken; To — forth = uittrekken, ontlokken; To — in = intrekken, aantrekken, inkrimpen, invallen, iemand bewegen of verlokken tot iets: The evenings are —ing in = de dagen worden langer; The time —s near = nadert; His negligence drew on much danger = veroorzaakte; Your confidence will be able to — him out = zal hem voor zijne gevoelens doen uitkomen; I led off on that subject to — out my guest = om mijn gast aan ’t praten te krijgen; They don’t — well together = harmoniëeren niet; They were —ing together = er ontstond toenadering; A report was —n up = opgesteld; To — up a scheme = een plan maken; The coachman drew up instantly = hield dadelijk stil; He drew upon me as often as he had a chance = hij trok een wissel op mij, maakte gebruik van mij (mijn geld, mijn tijd, mijne krachten, enz.); The train drew up at the station = hield stil voor; The soldier drew himself up = nam de militaire houding aan, zette zich in postuur; The troops were —n up in array of battle = opgesteld in slagorde; She —s kindly with him = harmoniëert goed; —back, drôbak, schaduwzijde, nadeel, bezwaar; teruggave van betaalde rechten, uitvoerpremie: Being young is a — which disappears in time = een gebrek; The —back is, that - - = er is tegen, dat …; —-bar, drôbâ, koppelstang; —-bridge, drôbridž, ophaalbrug; —-gear, drôgîə, tuig; koppeling; koppelstang; —-net, drônet, vogelnet; —-plate, drôpleit, stalen plaat met conische gaatjes, waardoor metaaldraad wordt getrokken om het te verdunnen of te rekken; —-well, drô-wel, put met ketting; —ee, drô-î, hij op wien een wissel getrokken wordt; —er = trekker, putter, tapper, trekdier, lade: A pair of —s = onderbroek; Bathing-—s = zwembroek; Chest of —s = latafel; Drawing, drôiŋ, trekking, trekken, teekenen, teekening, ontvangst: Out of — = slecht geteekend; —-board = teekenplank; —-book; —-chalk; —-knife = polijststaal; snijmes; —-master = teekenleeraar; —-paper; —-pen = trekpen; —-pin = punaise, stiftje; —-room = salon, ontvangzaal: The Queen’s —-room = de receptie voor dames en heeren in Buckingham-Palace; I feel —n to that conclusion = voel mij getrokken tot: A —n battle (game) = onbeslist; —n butter = gewelde; A —n fowl = schoongemaakte vogel; A —n and wrinkled face = strak.

Drawcansir, drôkansə, bluffer, snoevende grootspreker (genoemd naar een persoon in Buckingham’s Rehearsal).

Drawl, drôl, subst. temerige spraak; — verb. temerig spreken; adj. —y.

Dray(-cart), drei(kât), sleeperswagen; —-horse; —man = sleeper; —age = gebruik en huur van een dray.

Dread, dred, subst. vrees, schrik, ontzag; adj. gevreesd, verschrikkelijk, ontzagwekkend; — verb. vreezen, duchten: —nought, drednôt, durfal, groot pantserschip, dikke duffel(sche jas); —ful = vreeselijk, ontzagwekkend: Penny —s = goedkoope sensatieromans; subst. —fulness; —less = onbevreesd; subst. —lessness.

Dream, drîm, subst. droom; — verb. droomen, in een droom zien, zich verbeelden: —s go by contraries = komen altijd anders uit; He —s away his life = hij verbeuzelt zijn leven; —er = droomer; —y = droomerig.

Drear, drîə, verlaten, woest, somber; akelig, treurig; vervelend; subst. —iness; —y = Drear.

Dredge, dredž, subst. dreg, sleepnet, baggermachine; mengsel van haver en gerst; — verb. met eene dreg of een sleepnet ophalen, uitbaggeren; meel strooien op; —r = dregger, oestervisscher, baggermachine; strooibus; Dredging: —box = strooibus; —-machine = baggermolen.

Dree, drî, dulden: To — one’s weird = zich schikken in zijn lot.

Dregginess, dreginəs, troebelheid, droesem; Dreggish = troebel, onrein; Dregs, dregz, grondsel, droesem, uitschot, janhagel, schuim: To the — = ten bodem toe.

Drench, drenš, doorweeken, doornat maken, verzadigen (met drank of vocht), een drank toedienen; drenken; subst. drank (v. dieren): Christ was —ed with vinegar; —er = plasregen.

Dresden, drezd’n, dreizd’n: — china, —-ware = Meisz(e)ner porselein.

Dress, dres, subst. kleed, kleeding, kleederen, japon; — verb. kleeden, richten, klaar maken, bereiden, verbinden, in orde brengen, appreteeren, besnoeien, braken, garneeren, opstrijken, bekappen, roskammen, kappen, versieren (out), africhten, mores leeren, zich kleeden: Full — = groot tenu, officieel kleed; High (Low) — = hooge (laag uitgesneden) japon; Halt, —! = Sectie halt! Richt u!; The ships were —ed = met vlaggen getooid; The shops were beautifully —ed = waren mooi uitgestald; —ed to death = vreeselijk opgeschikt; To — up = uitdossen, kostumeeren; —-ball = galabal; —-box = loge avant-scène; —-circle = die rangen van den schouwburg waar het publiek in rok, of gedecolleteerd is; —-coat = rok; —-improver = tournure; —-jacket = ‘smoking’; —maker = naaister; —-shield = sousbras; —-stand = costuumpop; —-suit = rok, enz.; —-sword = galadegen; —-vest = ‘smoking’ (Amer.); —er = aanrechtbank of -tafel, dressoir, kast; aankleeder; Dressing = kleeding, verband, mest, opvulsel (van vogels, enz.), appretuur, enz.; —-case = toilet- of kapdoos, verbandkistje; —-gown = kamerjapon, morgenjapon (voor dames), peignoir; —-room = kleedkamer; —-station = plaats om gewonden te verbinden; —-table = toilettafel; Dressy = pronkziek; fraai gekleed, chic.

Drew, drû, P. Imp. v. To draw.

Dribble, drib’l, druppelen, kwijlen, beuzelen, laten druppelen, bekwijlen, zachtjes vooruit schoppen: Driblet = brokje, brokstukje, kleine som, klein troepje.

Drift, drift, wat gedreven (of bijeengedreven) wordt door wind, water, ijs, enz.; hoop (sneeuw, b.v.), drijfkracht, loop, gang, doel, beteekenis, voornemen, strekking, drift (zeeterm), ruimnaald, horizontale mijngang, doorwaadbare plaats; — verb. drijven (uit den koers), saamgedreven of (voort)gedreven worden, zich ophoopen, een doorgang in een mijn maken: The — of a current = richting en snelheid van een stroom; He —ed about = zwierf rond; He —ed into practice = kreeg zachtjes aan praktijk; —-ice = drijfijs; —-sand = stuifzand; —-wood = drijf- of wrakhout; —age, driftidž, afdrijving (van een schip); —less = doelloos.

Drill, dril, subst. (dril)boor, een soort zaaimachine, exercitie, dril (= —ling): — verb. doorboren, boren, drillen, exerceeren, graan in rijen zaaien: To be at — = aan het exerceeren: —-bow = drilboog; —-ground exercitieveld; —-harrow = fijne egge; —-master = drilmeester, gymnastiekleeraar; —-sergeant = sergeant-instructeur.

Drily, draili, droogjes, leuk.

Drink, driŋk, subst. teug, drank, borrel; — verb. drinken, zich goed laten drinken, begeerig in zich opnemen: To be in — (= The worse for —) = dronken; That brute of a fellow is always on the — and gamble = aan ’t zuipen en dobbelen; To — deep = sterk drinken; To — like a fish = als een tempelier; He took to —(ing) = raakte aan den drank; You cannot — him down = onder de tafel drinken; — off your glass = drink eens uit; The guinea was drunk out = verdronken; I — to the bride and bridegroom = drink op; I’ll — (to) your health = (op) uwe gezondheid; —-money = drinkgeld, fooi; —offering = plengoffer; —able, drinkbaar; drank; —er = Hard —er = drinkebroer; —ing-bout = slemp- of zuippartij: —ing-fountain = drinkfontein; —ing-house = kroeg, bierhuis; —ing-song = drinklied.

Drip, drip, subst. neervallen in druppels, dakkant, goot; — verb. druppelen, laten druppelen: The —ping air of the twilight = de met waterdeelen bezwangerde avondlucht; The —ping(s) of the meat = het van aan ’t spit gebraden vleesch afdruppelend vet (dit wordt opgevangen in de —ping-pan); —ping-caves = benedenste dakrand.

Drive, draiv, ritje, oprijlaan, rijweg, drift (vee), opdrijven (v. wild), krachtige slag: (The — Zie Rotten Row); — verb. drijven, voortdrijven, voortstormen, jagen, doelen op, slaan naar, ijverig werken, rijden, mennen, inslaan, aandrijven tot: Let —, boys! = slaat er duchtig op, jongens! To — a good bargain = een voordeeligen koop sluiten; You are driving a hard bargain = gij laat ook niets vallen; To — a trade in = handeldrijven in; They drove the river = zij stuurden het vlot, etc. de rivier af; To — away = wegrijden, verdrijven, er op los gaan; I did not know what he was driving at = waar hij heen wou (fig.); The enemies were driven in = genoodzaakt te retireeren; They were driven off = teruggedreven; The carriages drove off = reden weg; —-way = drijfpad voor vee, rijweg; —r = koetsier, voerman, veedrijver, machinist, rijder, de play-club bij het golf-spel; blankofficier, uitzuiger, drijfrad; Driving: —-band = drijfriem; —-box = bok; —-gear = drijfwerk; —-glove; —-park = renbaan (Am.); —-wheel = drijfrad, voorrad van een fiets; —-whip = zweep.

Drivel, driv’l, subst. speeksel, kwijl, gewauwel; — verb. wauwelen, suffen; kwijlen; —ler = kwijler, suffer, dwaas, halfwijze.

Driven, driv’n, part. perf. van to drive.

Drizzle, driz’l, subst. stof- of motregen; — verb. mot- of stofregenen, in fijne deeltjes neervallen; Drizzly = stof- - -.

Drogheda, drogidə; Droitwich, drôitidž.

Droll, droul, subst. grappenmaker, snaak; adj. snaaksch, grappig; — verb, grappig zijn, grappen maken; —ery = snakerij; —y = grappig.

Dromedary, drɐməd’ri, dromedaris.

Dromio, droumiou.

Drone, droun, subst. hommel, luiaard; gebrom, gegons, geneurie, baspijp (v. een doedelzak); — verb, gonzen, brommen, opdreunen, luieren: The monotonous — of the wheel = gesnor; He —d out a little song = hij neuriede een liedje; —-bee = mannetjesbij; luilak; —-fly = bromvlieg; —-pipe = baspijp; Dronish = lui; subst. —ness.

Drool, drûl, kwijlen; druipen.

Droop, drûp, neerhangen, versmachten, kwijnen, zinken, dalen, laten hangen; —ing-willow = treurwilg.

Drop, drop, subst. droppel, kleine hoeveelheid, oorknopje, bonbon, daling, valluik, valdeur, tooneelscherm of gordijn (ook het vallen daarvan), drupsje; — verb, druppelen, druipen, vallen, ophouden met, zich laten vallen, verliezen, (jongen) werpen, uitlaten, ter zijde leggen, opgeven, enz.: Kendal Black — = laudanum; A library — = het stel schermen, dat een bibliotheek voorstelt; It was a great —, a fall from the stars to the mire = een diepe val; To get the — on = den vinger tijdig (eerder dan een tegenstander) aan den trekker hebben (Amer.); He likes a — = houdt van een borrel; —s = droppels, borreltje, prisma’s aan een luchter; bonbons: He is fond of his —s = houdt van een borrel; The bear fell down some ten feet of — = viel zoowat tien voet naar beneden; To — anchor; To — a bill = een wetsontwerp terugnemen; — me a line = schrijf me een lettertje; Let us — the official = het officieele laten varen; He —ped me a post-card = zond mij eene briefkaart; We shall — Sicily, and return by Marseilles = niet aandoen; He —ped his voice to a whisper = liet dalen: I never —ped a word on the subject = ik heb er nooit over gesproken; The conversation halted, then —ped = stokte, en hield toen op; To — asleep = in slaap vallen; The steamer —ped astern = zakte, bleef achter; We —ped past a steamer = dreven langzaam langs; We —ped down the river = zakten de rivier af; Where did you — from = waar ben je zoo ineens vandaan gekomen; I will — in one of these days = wel eens aanloopen; He —ped into his place = nam zijne plaats in; After dinner I —ped off (to sleep) = viel ik ongemerkt in slaap; To — on = uitvaren tegen, afsnauwen; —-curtain (= —scene), Zie Act-drop; —letter = brief, geadresseerd aan iemand in dezelfde wijk (Amer.); —-shutter = schuif met veer voor phot. instant.; —stone = druipsteen; The —ping of doors = zakken; A —ping fire = ongeregeld aanhoudend geweervuur; Some —ping cases of typhoid = alleenstaande en onverwachte; —ping-bottle (-tube) = druppel-fleschje; —pings = excrementen, mest.

Dropsical, dropsik’l, waterzuchtig, gezwollen = Dropsied; Dropsy, dropsi, waterzucht.

Dros(h)ky, droski, vierwielig rijtuig (Rusl.).

Dross, dros, droesem, slakken of schuim (van metalen), afval: — of iron = hamerslag; Drossiness = onreinheid, vuil; —y = vol droesem of slakken, waardeloos.

Drought, draut, droogte, dorheid; adj. —y; Drouth, drauth = Drought.

Drove, drouv, P. Imp. van to drive; subst. kudde (groot of klein vee); drom, hoop, drijfpad (voor vee, etc.), buis of nauwe greppel voor besproeiing; —r = veedrijver, veekooper.

Drown, draun, (doen) verdrinken (= To be —ed), onder water zetten, uitdooven, onderdrukken, overschreeuwen, overstelpen, smoren: While intending to — his dog, he himself was —ed = verdronk hij zelf; We were in danger of —ing = gevaar te verdrinken.

Drowse, drauz, subst. dutje; — verb. dommelen, slaperig zijn; Drowsiness = slaperigheid; A drowsy-headed fellow = slaapkop, sufkop.

Drub, drɐb, subst. slag, stoot; — verb. slaan, trommelen (met de vingers op), ranselen: You have brought me many —bings = veel ransel bezorgd.

Drudge, drɐdž, subst. werkezel, slaaf, duivelstoejager, groote hark; — verb. slaven, zich afsloven, hard werken, zwoegen; —ry = zware arbeid, verachtelijk werk.

Drug, drɐg, subst. drogerij, kruid, narcotisch middel, onverkoopbaar artikel; — verb. vermengen met kruiden, bedwelmen, (te veel) medicijnen voorschrijven of gebruiken: Such things are a — in the labour market = zijn niets waard, en brengen dus niets op; —gist, drogist; apotheker (Amer.).

Drugget, drɐgət, droget; morskleed, stofkleed (laken), tafelkleed.

Druid, drûid, druïde; vr. —ess; adj. Druidic(al); —ism = dienst of leer der druïden.

Drum, drɐm, trom, trommelvlies, mat (vijgen), trommelvisch; zuilsteen, groote avondpartij; — verb. trommelen, hard kloppen (van het hart), bijeentrommelen, werven; — of the ear = trommelvlies; The soldier was —med out = werd voor het front der troepen weggejaagd; A — and trumpet spirit = oorlogzuchtige geest; —-head = trommelvel; top van een kaapstander; soort v. kool: At a —-head = op staanden voet; —-major = tamboermajoor; —-stick = trommelstok; boutje van een kip of eend; —mer = trommelslager, handelsreiziger.

Drumble, drɐmb’l, luilakken, luilak.

Drunk, drɐŋk, dronken: Ever —, ever dry = hoe meer je drinkt, hoe dorstiger je wordt; To be —; To get — = dronken worden; —ard = dronkaard; —en = dronken, drankzuchtig, dronkemans - -; subst. —enness.

Drupacious, drupeišəs, adj. v. Drupe, drûp, steenvrucht.

Drury, drûri: — Lane.

Druse, drûs, een korst van kristallen in een grot; een grot waarin dat voorkomt.

Druses, drûziz, volk en secte in Syrië.

Dry, drai, adj. droog, dor (ook fig.), droog, niet zoet, dorstig, sarcastisch; — verb. drogen, (laten) verdrogen, verdorren, van dorst versmachten: A — blow = een flinke opstopper; A — old file = droog komiek; —-wine = belegen (niet zoet); Madera — = belegen, niet zoet meer; The conversation dried up = hield op (door gebrek aan stof); He had dried up their souls by his story = opgevroolijkt (Amer.); He dried up again = verviel weer tot stilzwijgen; —-as-dust = droog, saai; droog kamergeleerde; —-beaten = flink afgeranseld; He is a —-bob = jongen te Eton, die niet aan roeien doet maar wel aan andere sport, tegenover wet-bob; —-boned = knokig; —-dock = droogdok; —-eyed = met droge oogen; —-foot = droogvoets; het wild opsporen door de ‘lucht’ van de pooten (vergl. To draw —-foot); hond hierbij gebruikt; —-goods = manufacturen; —-measure = maat voor droge waren; —-nurse = baker, min; inferieur die een superieur officier terecht helpt; — verb. met de flesch grootbrengen, voor dry-nurse spelen; —-point = punteerijzer; —-rot = vermolmde toestand van hout; de zwam, die dit veroorzaakt: He talks a lot of — = hij kletst heel wat af; —-rub = droogschuren; —salt = zouten en drogen; —salter = koopman in drogerijen en verfwaren, soms in comestibles; —-shod = droogvoets; —-stove = broeikas (—ing-stove = droogoven); —ing-lines = drooglijnen; —ly = droog(jes) = Drily.

Dryad, draiad, dryade.

Dual, djûəl, uit twee bestaande; dualis: The — alliance = het tweevoudig verbond; —ism = dualisme; —ist = dualist; adj. Dualistic; Duality = tweevoudigheid.

Duan, djûən, zang (van een gedicht).

Dub, dɐb, subst. tik, trommelslag; — verb. tot ridder slaan, titel of naam geven; zachtmaken, bereiden, beknippen, besnoeien, een kort en dof geluid maken: — a — = rataplan; We —bed him Charlie = noemden; The cock was —bed = de kam en de lellen afgesneden, d.i. voor ’t (hanen)gevecht klaar gemaakt; To — cloth = appreteeren; —bing = mengsel van traan en talk om leer zacht te maken.

Dubash, dûbaš, Indische tolk.

Dubiety, djubaiiti, onzekerheid; Dubious, djûbjəs, twijfelachtig, onzeker, weifelend, dubbelzinnig; subst. —ness; Dubitable = twijfelachtig, onzeker.

Dublin, dɐblin.

Ducal, djûk’l, hertogelijk, hertogs—.

Ducat, dɐkət, dukaat (gouden ± ƒ 5,70; zilveren ± ƒ 2,20); —oon, dɐkətûn, dukaton (ongeveer ƒ 3,20).

Duchess, dɐtšəs, hertogin; Duchy, dɐtši, hertogdom.

Duck, dɐk, subst. eend, grof linnen, dun zeildoek, tentdoek, knik, buiging; lieveling; — verb. duiken, onderduiken, (zich) bukken, buigen, kruipen: A lame — = iemand, die niet aan zijn financieele verplichtingen kan voldoen; —’s egg = 0 (Cricket); The boys were making (playing) —s and drakes = keilden steentjes over het water; He makes —s and drakes of his money = gooit zijn geld weg; —s = grof linnen matrozenbroek of kleeding; A —-billed bird = vogel met eendenbek; —-meat (—’s-meat, —-weed) = eendenkroos; —-pond = eendenvijver, (schertsend) de Atlantische Oceaan (Amer.); —er = kruiper; zeeduiker, waterspreeuw; —ing = onderdanig; eendenjacht, nat pak: —ing-gun = eendenroer; —ing-stool = stoel ter onderdompeling als strafoefening; —ling = jonge eend; —y = snoes.

Duct, dɐkt, leiding, buis; —ile, dɐkt(a)il, leidzaam, handelbaar, toegevend, rekbaar; subst. Ductility.

Dudder, dɐdə, trillen, beven, verdooven, verwarren.

Dude, d(j)ûd, fat, “gigerle” (Amer.).

Dudeen, djudîn, Iersch neuswarmertje (pijp).

Dudgeon, dɐdž’n, korte dolk, dolkgevest; verontwaardiging, toorn: She left in (high) — = ging (zéér) boos weg; She broiled my bacon into — = verknoeide.

Duds, dɐdz, oude kleeren, vodden, spulletjes.

Due, djû, subst. schuld, plicht, recht, eisch, aanspraak, rechten en leges (de laatste twee steeds —s); adj. en adv. schuldig, verschuldigd, vervallen, behoorlijk, gepast, vlak: That is my — = dat komt mij toe; Give every man his — = geef ieder het zijne; I had been — at my office for an hour = had al een uur op het kantoor moeten zijn; The train is — at 7 = moet aankomen; The debt (becomes, falls) — on the twentieth = vervalt op; The post is — out = de post vertrekt; In — course = op zijn tijd; He came in — time = juist op tijd; — east = vlak oost; —-bill = promesse; —ness = gepastheid.

Duel, djû’l, subst. duel; — verb. duelleeren; —list = duellant.

Duen(n)a, djuenə, oudere dame, die eene jonge begeleidt (Spanje); —ship = het ambt van D.

Duet, djuet, Duetto, djuetou, duet: To play —s = quatre-mains; Duet(t)ino, djûətînou, kort duet.

Duff, dɐf, zakkoek.

Duffadar, dɐfadâ, politieagent, onderofficier (Br. Ind.).

Duffel, dɐf’l, duffel.

Duffer, dɐfə, marskramer, bedrieger, sufkop, brekebeen, domoor; valsch geldstuk: He is but a flat — = een echte sufkous.

Duffle, dɐf’l = Duffel.

Dug, dɐg, P. Imp. v. To Dig: —-out = boomkano, uitgegraven woning (Amer.).

Dug, dɐg, tepel of uier.

Duke, djûk, hertog; —dom = hertogdom.

Dulcamara, dɐlkəmârə, bitterzoet.

Dulcet, dɐlsit, zoet, liefelijk; Dulcification = zoetmaking; Dulcifluous = zoetvloeiend; Dulcify, dɐlsifai, zoet maken.

Dulcimer, dɐlsimə, ouderwetsch snaarinstrument, met roedjes bespeeld.

Dulcine, dɐlsin, Dulcose, dɐlkous, gekristall. zoete zelfstand. uit de Dulcit-manna van Madagascar.

Dull, dɐl, adj. dom, suf, bot, slaperig, loom, zeurig, vervelend, stil, saai, dof, stomp, stroef, ongevoelig, bewolkt; — verb. dof (bot, stom, traag, donker, blind) maken, versuffen, stil worden, afstompen, mat worden, bewolken, verdooven: A — market = slappe; — of hearing = hardhoorig; — of sale = traag (van de hand); —-brained = stomp, traag (van hersens); —-browed = somber uitziend; —-disposed = somber gestemd; —-eyed = zwak van gezicht, suf kijkend; —-sighted = slecht van gezicht; —-tempered steel = dof staal; —-witted = dom, sufferig; —ard, dɐləd = domkop, botterik; —ish = sufferig; Dul(l)ness = sufheid, enz., slapte in zaken.

Dulse, dɐls, roodwier.

Dulwich, dɐlidž.

Duly, djûli, behoorlijk, regelrecht, stipt.

Dumb, dɐm, adj. stom, sprakeloos: It has struck me — = het heeft mij de spraak benomen; —-bells = halters (bij de gymnastiek); —-cake, gebak, door meisjes zwijgend gebakken (24 April), om haar toekomstigen man te ontdekken; —-show = pantomime; —-waiter = dientafeltje, stommeknecht.

Dumbarton, dɐmbât’n.

Dumbledore, dɐmb’ldö, hommel, meikever.

Dumbfound, dɐmfound, den mond snoeren, verplet doen staan.

Dumfries, dɐmfrîz.

Dumdum, dɐmdɐm, stad met munitiefabriek bij Calcutta: — bullets.

Dummy, dɐmi, subst. stomme, iets nagemaakts (pop, leege kist of flesch), patroon (bij exercitie), blinde (bij het kaartspel), figurant; persijzer; adj. nagemaakt: Most of these doors are dummies = blinde deuren; He is not a man, he is a — = pop; Double — = whist met twee personen.

Dump, dɐmp, plof, smak, somberheid, slechtgeluimdheid (meest —s: I am in the —s = somber gestemd); — verb. neergooien, ledigen, hydraulisch persen, neerploffen (Amer.); —ing-cart = stortkar; —ing-ground = vuilnisbelt (ook fig.); —ish = verdrietig; subst. —ishness; —(t)y = kort en dik, verdrietig.

Dumpling, dɐmpliŋ, appelbol, knoedel.

Dun, dɐn, subst. lastige schuldeischer, dringende maanbrief, aardwerk; adj. dofbruin, somber; — verb. onophoudelijk manen; visch inzouten op een bijzondere manier zoodat ze een bruine kleur krijgt; —-fish = bruine gezouten kabeljauw; —-fly = kunstvlieg om mede te hengelen.

Dunbar, dɐnbâ; Duncan, dɐŋk’n.

Dunce, dɐns, ezel, domkop.

Dundalk, dɐndôk; Dundas, dɐndas; Dundee, dɐndî.

Dunderhead(ed), dɐndəhed(id), Dunderpate, dɐndəpeit, subst. domkop; adj. dom.

Dundonald, dɐndonəld; Dundreary, dɐndrîri, banjer; Dunedin, dɐned’n.

Dune, djûn, duin.

Dunfermline, dɐnf(ɐ̂m)lin.

Dung, dɐŋ, subst. mest, drek; — verb. bemesten; —-beetle = mestkever; —hill, subst. mesthoop, vuil hok; adj. laag, gemeen.

Dungaree, dɐngərî, grove (blauwe) katoenen stof.

Dungarvan, dɐngâv’n; Dungeness, dɐnžənes.

Dungeon, dɐnž’n, subst. kerker; — verb. inkerkeren.

Dungy, dɐŋgi, drekkig, vuil.

Dunkeld, dɐnkeld; Dunkirk, dɐnkɐ̂k, Duinkerken.

Dunlop, dɐnləp, Dunlop; —-tyre = fietsband (naar den uitvinder genoemd); vette kaas (Schotl.).

Dunmow, dɐnmou: — flitch = zijde spek vroeger te D. vereerd aan paren, die bezwoeren een jaar en een dag na het huwelijk geen ruzie te hebben gehad.

Dunnage, dɐnidž, stuwhout; bagage, kleeren; — verb. stuwen.

Dunnish, dɐniš, dof bruinachtig.

Dunnock, dɐnək, bastaard nachtegaal.

Dunsinane, dɐnsinən, dɐnsinein; Dunwich, dɐnidž.

Duodecimo, djûoudesimou, subst. een boek in duodecimo (formaat); adj. duodecimo (twaalf bladen of 24 bladzijden in een vel).

Duologue, djûəlog, tooneelstukje met zang voor eene dame en een heer.

Dupable, djûpəb’l, lichtgeloovig; Dupe, djûp, subst. bedrogene, iemand die gemakkelijk bedrogen wordt; — verb. bedriegen; —ry = bedriegerij.

Duplicate, djûplikit, subst. afschrift, duplicaat; adj. dubbel, tweevoudig; — verb. (djûplikeit) verdubbelen, een afschrift maken; subst. Duplication; Duplicature = vouw; Duplicity, djuplisiti, bedrog, huichelarij.

Durability, djurəbiliti, duurzaamheid; Durable, djûrəb’l, duurzaam.

Dura mater, dûrəmeitə, buitenste harde hersenvlies.

Duramen, djureim’n, kernhout.

Durance, djûrəns, gevangenschap, ontbering = — vile.

Duration, djureiš’n, duur.

Durban, dɐ̂ban, dɐ̂b’n.

Durbar, dâbâ, audientie-zaal of receptie van een Brit. Ind. vorst; gala-receptie van den Viceroy.

Duress, djures, djûrəs, subst. dwang, gevangenschap, vrijheidsbeneming: To be under —.

Durga, dɐ̂gə, godin (der Hindoes), vrouw van Siva.

Durham, dɐr’m.

Durian, djûriən, durîən, doerian (vruchtenboom).

During, djûriŋ, gedurende.

Durst, dɐ̂st, imperf. van to dare.

Dusk, dɐsk, subst. schemering, duisterheid: At (In) the — of the evening; —iness = donkere kleur; droefheid; —ish = ietwat donker; —y = somber, donker, droevig.

Dust, dɐst, subst. stof, aarde, vuilnis, verwarring, beroering, geld; — verb. afstoffen, bestuiven: In — and ashes = in zak en assche; The enemies bit the — = beten in ’t stof; To kick up (make, raise) a — spektakel maken; The rain has laid the — = het stof neergeslagen; To throw — in (into) a person’s eyes = zand in de oogen strooien; It was turned to — and ashes = werd waardeloos; I will — your jacket = je een pak ransel geven; —-bin = aschvat; —-cloak = stofjas, stofmantel; —-contractor = aannemer van het straatvuilnis; —-hole = aschhok; —man = vuilnisman, aschman: The —man = Klaas Vaak; —-pan = blik; —-sheet = stoflaken; —-speck = stofje; —er = stofdoek, borstel; —iness = stoffigheid; —y = stoffig, stormig: Well it’s not so — = kom, zoo erg is het niet.

Dutch, dɐtš, Hollandsch, Nederlandsch: The — = de Nederlanders; Double — = koeterwaalsch; That beats the — = dat is ongelooflijk (Amer.); — auction = verkooping bij afslag; — blue = lakmoes; — cheese = Edammer kaas; — clinkers = gele klinkersteenen; — clock = Schwarzwalder klok; — concert = waarbij allen tegelijk een verschillend lied zingen; kikkergekwaak; — courage = jenevermoed; — disease = scheurbuik; — drops = terpentijnbalsem; — gold (metal) = klatergoud, bladgoud; —man = Nederlander: If it is not true, I’m a —man = laat ik me hangen; — oven = kleine oven; — stairs = huistrap; — tiles = haardsteentjes; — toys = Neurenberger speelgoed; — treat = partijtje (uitstapje) waarbij ieder voor zich zelf betaalt; — uncle: To talk like a — uncle = een strafpredikatie houden.

Dutiable, djûtiəb’l, aan invoerrechten onderhevig.

Dutiful, djûtiful, eerbiedig, gehoorzaam; subst. —ness; Duty, djûti, plicht, gehoorzaamheid, dienst; belasting, accijnzen, in- en uitvoerrechten: When will he enter upon his duties = zijn ambt aanvaarden? You are in — bound to go there = verplicht; (Up)on —, off — = in dienst (op wacht), vrij; Succession — (duties) = successie-rechten; —-free = vrij van belasting.

Duumvir, djuɐmvə, duümvir (mv. —s of Duumviri, djuɐmvirai); —ate = duümviraat.

Dux, dɐks, leider, primus (op school).

Dwarf, dwöf, subst. dwerg; — verb. den groei belemmeren, klein doen lijken, klein blijven: Famine has —ed the race = in forschheid achteruit doen gaan; —-wall = grondmuur.

Dwell, dwel, wonen, verblijven, (lang) stilstaan bij, hangen aan: I shall not — any longer on this subject = blijven stilstaan; Her eye dwelt on her child = rustte vol teederheid op; —er = bewoner; —ing = woning; —ing-house; —ing-place.

Dwindle, dwind’l, minder worden, achteruitgaan, inkrimpen, afnemen.

Dyak, daiak, Dajakker.

Dye, dai, subst. kleur, tint, verfstof; — verb. verven (van stoffen): A villain of a first-class — = schurk van ’t ergste soort = of the blackest —; Deeply —d criminal = doortrapte; —-house = ververij; —-stuff = verfstof; —-wood = verfhout; Red —-wood = fernambukhout; —r = stoffenverver.

Dying, daiiŋ, stervend, wegstervend, uitgaand, brandend van verlangen; subst. stervenden, sterven: To be in a — condition = op sterven liggen; —-bed = sterfbed. Zie Die.

Dyke, daik = Dike.

Dynamic(al), d(a)inamik(’l), dynamisch; Dynamics, d(a)inamiks, dynamica.

Dynamitard, d(a)inəmitâd, anarchist van de daad (= Dy(n)amiter); Dynamite, d(a)inəmait, subst. dynamiet: — explosions = dynamietontploffingen.

Dynamo, d(a)inəmou, dynamo; Dynamometer, d(a)inəmomətə, dynamometer.

Dynasty, d(a)inəsti, dynastie; adj. Dynastic.

Dysart, daizət, dizât.

Dysenteric, dis’nterik, dysenterisch; Dysentery, dis’ntəri, dysenterie.

Dyspepsia, dispepšə, Dyspepsy, dispepsi, dispepsi, slechte spijsvertering; Dispeptic = dispeptisch.

Dyspnoea, dispnîə, moeilijke ademhaling.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings