← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

A.

Reading edition

A, ei, A (letter, noot); A. 1. eiwɐn eerste klasse (in Lloyd’s Register); uitstekend; het lidw. een (ə vóór consonanten); het (vóór gewicht, maat, periode): Sixpence — pound = sixpence per pond; Twice — day = tweemaal daags; a = verbastering van at, by, in, on, van to have en van he, she, it, they: A. B. = able-bodied; A(rtium) B(accalaureus) = Bachelor of Arts; abbr., abbrev. = abbreviated, abbreviation; ABC, eibisî, alphabet, beginselen: All that is of the — of strategy; The very — of a man’s existence = meest elementaire behoeften; An — place = Aerated Bread Comp. Shop; An — = A.B.C. spoorboekje; Most of my work was now — to me = als gesneden brood; Abp. = archbishop; A(merican) B(ible) S(ociety); A. C. = Alpine Club; Ante Christum; a/c = account; A.D. = Anno Domini; A(ide) D(e) C(amp); adv. = adverb; A(dmiral) of the F(leet); A. F. B. S. = American and Foreign Bible Society; A. G. = adjutant-general, attorney-general; Ala. = Alabama; Ald. = Alderman; A. M. = ante meridiem; A. M. = Artium Magister; Amer. = America(n); an(d); App. = Apostles; app. = appendix; A. R. = anno regni; A(ssociate) of the R(oyal) A(cademy); A. R. A. M. = Associate of the Royal Academy of Music; Ariz(ona); Ark(ansas); A. R. S. = A. R. A.; A(nglo) S(axon); Av. = average; Avdp. = avoirdupois.

Aardvark, âdvâk, aardvarken.

Aaron, êr’n, Aaron: —’s beard = hertshooi, steenbreek, etc.; —’s rod = grootbloemige toorts; een staf met een slang er om gekronkeld; —ic(al), êronik(’l), het hoogepriesterambt betreffend.

Aasvögel, âsfɐ̂g’l, aasraaf (in Zuid-Afrika).

Aback, əbak, terug, mastwaarts: Taken — = van zijn stuk gebracht, uit het veld geslagen.

Abacus, abəkɐs, rekentafel, dekstuk (van een kapiteel); soort stommeknechtje, etenskast, waschtrog (v. gouderts).

Abaddon, əbad’n, booze geest; de bodemlooze afgrond (Openb. v. Joh. IX, 11).

Abaft, əbâft, (naar) achter, achteruit (op schepen).

Abalienate, əbeiljəneit, vervreemden (van eigendom), overdragen; Abalienation, vervreemding; verzwakking van het verstand.

Abandon, abəndoŋ, ongedwongenheid.

Abandon, əband’n, verlaten; prijs geven, abandonneeren: — to = zich overgeven aan; An —ed wretch = een verdorven ellendeling; The bill was —ed = werd voor rekening gelaten; Abandonee, əbandənî, cessionaris (iemand, wien iets, b.v. bergen van een wrak, afgestaan wordt); Abandoner, əbandənə, die iets afstaat; Abandonment = afstand, achterlating, overlaten, abandonnement; overgave aan; verlatenheid.

Abase, əbeis, vernederen; subst. Abasement.

Abash, əbaš, beschamen, in verlegenheid brengen; subst. Abashment.

Abatable, əbeitəb’l, voor opheffing of vernietiging vatbaar; Abate, əbeit, opheffen, wegnemen, verminderen, verzachten; afnemen, dalen, ongeldig worden; Abatement, opheffing, vermindering, verzachting, korting, etc.; Abater = middel tot vermindering, etc.

Abat: —-jour, abəžûə, əbâžûə, vallicht; lichtscherm; —-vent, abəvoŋ, luifel, windscherm; —-voix, abəvwö, klankbord (kansel).

Abat(t)is, abətis of abətî, verhakking (ter verdediging van een kamp of fort); —ed, abətist, abətaizd, met een — voorzien.

Abattoir, abətwô, abattoir.

Abb, ab (= —-wool) kettinggaren.

Abba, aba, vader (bij het aanspreken van een monnik); kloostervoogd.

Abbacy, abəsi, het ambt en het rechtsgebied van een abt; Abbatial, əbeiš’l, abtelijk, tot eene abdij behoorende = Abbatical.

Abbé, əbei, (= Abbe, abi), Abbé.

Abbess, abəs, abdis; Abbey, abi, abdij.

Abbot, abət, abt: — of Unreason (Schotl.) Zie Lord of Misrule; Abbotship, ambt of waardigheid van een abt.

Abbreviate, əbrîvjeit, verkorten, afkorten; Abbreviation, afkorting; Abbreviator, vervaardiger van een uittreksel; Abbreviatory, afkortend.

Abdal, abd’l, Perzische derwisch.

Abdera, abdîrə; adj. Abderian; Abderite, abdərait, Abderiet; onnoozele hals: The — = Democritus.

Abdicant, abdik’nt, afstand doende (van); Abdicate, abdikeit, afstand doen (van); verstooten, onterven; Abdication, afstand; Abdicator, hij, die afstand doet.

Abdomen, abdoum’n of abdəmen, onderbuik; achterlijf; Abdominal, abdomin’l, Abdominous, abdominəs tot den onderbuik (het achterlijf) behoorende, (onder)buik(s), achterlijfs.…

Abduce, abdjûs, wegtrekken, op zij trekken; Abducent: — muscle = strekspier.

Abduct, abdɐkt, ontvoeren; wegtrekken; Abduction, ontvoering; aftrekken; Abductor, hij, die ontvoert; strekspier.

Abeam, əbîm, rechthoekig op de kiel.

Abecedarian, eibîsîdêriən, subst. onderwijzer in de beginselen, beginner; adj. alphabetisch = Abecedary, eibisîdəri, subst. en adj.

Abed, əbed, in bed.

Abele, əbîl of eibil = Abel-tree, eib’ltrî, abeel, witte populier.

Aberbrothok, abəbrothok, abəbrəthok; Aberdeen, abədîn.

Aberdavine, Aberdevine, abədəvain, sijsje.

Aberrance, -cy, əber’ns(i), Aberration, abəreiš’n, afdwaling, afwijking, aberratie; Aberrant, afdwalend, afwijkend.

Aberuncator, abərɐŋkeitə, wiedmachine, (—ijzer), tuinschaar.

Abet, əbet, aanhitsen; bijstand verleenen; Abetter of Abettor, aanstoker, handlanger.

Abeyance, əbeiəns, toestand van onzekerheid, werkeloosheid of twijfel: The question now in — = de nog onopgeloste vraag; To (be in) fall into — = krachteloos (zijn) worden; Abeyant = In —.

Abhor, abhö, verfoeien, verafschuwen = To hold in —rence, abhor’ns = verafschuwen; —rent, verfoeiend, onverdragelijk; —rer, hij, die verfoeit.

Abide, əbaid, blijven, verwijlen, wonen; blijven bij, trouw zijn aan; helpen; wachten op; uithouden, verdragen, op zich nemen; Abiding = duurzaam; blijven, voortduur: —-place = verblijfplaats.

Abies, abi-îz, zilverspar; Abietic acid, abietik asid = daaruit bereid zuur.

Abigail, abigeil, kamenier (1 Sam. 20, 5).

Ability, əbiliti, bekwaamheid; Abilities, əbilitiz, geestesgaven, talenten.

Abintestate, abintesteit, adj. zonder testament stervend; — subst. degene, die onder deze omstandigheden erft.

Abiogenesis, abiədženəsis, subst. zelfontstaan; adj. Abiogenetic; Abiogenist, voorstander van die theorie.

Abject, abdžəkt, adj. laag, verachtelijk, kruiperig; subst. Abjection.

Abjuration, abdžureiš’n, afzwering; adj. Abjuratory = afzwerings.…; Abjure, abdžûə, afzweren; den naturalisatie-eed afleggen (Amer.); Abjurer (Abjuror), hij, die afzweert.

Ablative, ablətiv, subst. ablativus.

Ablaze, əbleiz, in brand, vlammend; opgewonden, vlammend op: To set — = in vuur en vlam zetten.

Able, eib’l, bekwaam, bevoegd; krachtig; solvent; bevaren: —-bodied = sterk, krachtig, gezond van lijf en leden, bekwaam: — seaman = matroos 1ste klasse; subst. —ness.

Abluent, abluənt, subst. en adj. afdrijvend of bloedzuiverend (middel).

Ablution, ablûš’n, reiniging (godsdienstige plechtigheid der Mahom.); het uitspoelen van den kelk (Kath.); het daarvoor gebruikte water; Ablutionary, reinigings …

Abnegation, abnəgeiš’n, (zelf)verloochening.

Abnormal, abnöm’l, abnormaal; Abnormality, afwijking = Abnormity, ook: wanstaltigheid.

Aboard, əböd, aan boord: All — for New York! = allen instappen voor N.Y. (Amer.); To fall — (of) a ship = in aanvaring komen met een schip; To go — = aan boord gaan.

Abode, əboud, subst. verblijf, woonplaats: To make — = wonen, verblijven.

Abode, əboud, voorspellen, een voorteeken zijn; Abodement, voorteeken.

Abolish, əboliš, afschaffen, vernietigen, ongeldig verklaren; Abolition, abəliš’n, afschaffing, opheffing, gratie: —dom = de gezamenl. Noord. Staten in den Amer. burgeroorlog; —ism = de afschaffing der slavernij; —ist = een voorstander van die afschaffing.

Abominable, əbominəb’l, afschuwelijk, verfoeilijk; Abominate, əbomineit, verfoeien, verafschuwen; Abomination, afschuw; schanddaad: He is my — = ik walg van hem; To hold in — = verafschuwen.

Aboriginal, abəridžin’l, oorspronkelijk; subst. oorspronkelijke bewoner; dier of plant eigen aan een land.

Aborigine(s), abəridžinî(z), oorspronkelijke bewoner(s) van een land.

Abort, əböt, ontijdig bevallen, rudimentair blijven; adj. Abortient; Abortion, əböš’n, misgeboorte, ontijdige geboorte: Forced — = vruchtafdrijving; Abortive = ontijdig, onvoldragen, rudimentair, onrijp; subst. afdrijvend middel; —ness = mislukking.

Abound, əbaund, overvloedig zijn, wemelen van: To — in one’s own sense = halsstarrig vasthouden aan eigen meening.

About, əbaut, omstreeks: I am — it now = er mee bezig; Be quick — it = maak voort; To bring — a great change = teweegbrengen; To come — = gebeuren; Go — your work = ga aan; I have no money — me = bij mij; He is — to go there = op het punt; What is all that noise —? = waarover is? When papa is not —, he will smoke = niet thuis is; That is all — it = en daarmee is het uit; Look — you = zie om u heen, neem u in acht; The books were lying all — = lagen overal te slingeren; The ship put — = wendde; He stopped and turned — = keerde zich om; You have walked two miles — = omgeloopen; Much ado — nothing = veel geschreeuw en weinig wol; You have been very good — it = je goed gehouden; Left, Right — = links, rechts zwenken; What — your friend? = hoe staat het met? — it = er op los! You are — right = gij hebt vrij wel gelijk; A man — town = roué; iemand, die veel uitgaat.

Above, əbɐv, prep., adv. en adj. boven, meer dan, omhoog: He is — following advice = te trotsch om; He doesn’t mean to marry — him = boven zijn stand; The — observations = bovengenoemde; — the rest = bovenal; — board = eerlijk, oprecht, openhartig; — ground = levend, onbegraven; — par = boven pari, duur.

Abracadabra, abrəkədabrə, tooverwoord; soort amulet; wartaal.

Abradant, əbreid’nt, adj. wrijvend, slijpend; subst. wrijf-, slijppoeder; Abrade = afwrijven, afschaven; beschadigen; His shins were —d = waren geschaafd.

Abraham, eibrəham, Abraham: To sham — = ziekte of ellende voorwenden; In —’s bosom = in Abraham’s schoot; dood; — men = krankzinnige bedelaars uit de Abraham Ward in het Bethlehem (Bedlam) Hospital, die op bepaalde dagen mochten gaan bedelen; bedelende vagebond; Abram = Abraham.

Abrasion, əbreiž’n, afslijting, afwrijving, afschaving.

Abreast, əbrest, naast elkander: — of the newest discoveries, the times = op de hoogte van; To keep — of = op de hoogte blijven; To walk four — = vier op eene rij.

Abridge, əbridž, verkorten, bekorten, samentrekken, te kort doen: He was —d of his rights = verkort in; Abridger, maker van een Abridgment = uittreksel.

Abroach, əbroutš: To set — = aansteken (van een vat).

Abroad, əbrôd, buiten, buitenshuis, buitenslands: To be all — = het geheel mis hebben, geheel in de war (van slag) zijn; It is all — = overal bekend; The schoolmaster is — = het onderwijs geniet (en eischt) alle aandacht; Stories get — = de menschen beginnen er over te praten; Who has set it —? = het ruchtbaar gemaakt? He does not stir much — = hij komt niet veel de deur uit; To take one’s grievances — = te koop loopen met.

Abrogate, abrəgeit, afschaffen, intrekken (van wetten); Abrogation, afschaffing, opheffing.

Abrupt, əbrɐpt, steil, plotseling, onverwacht, ruw, barsch; subst. —ness.

Abscess, absəs, zweer, gezwel.

Abscond, abskond, met de noorderzon vertrekken; zich verschuilen; —er = vluchteling.

Absence, abs’ns, afwezigheid: On leave of — = met verlof; — of mind = verstrooidheid; To be conspicuous for one’s — = schitteren door afwezigheid; Absent, abs’nt, afwezig, verstrooid: Long —, soon forgotten = uit het oog, uit het hart; The — is in the wrong = de afwezige; I am too — to drive a cab in London = te verstrooid, sufferig; —-minded = verstrooid; — verb. Absent, absent, (zich) verwijderen, wegblijven; —ee, abs’ntî, subst. en adj. afwezig(e), niet op zijne bezittingen wonend(e); —eeism, het niet wonen op zijne goederen.

Absinthe, absinth, alsem, absinth; Absinthial, Absinthian, Absinthic = alsemachtig; Absinthiate, əbsinthieit, met alsem mengen.

Absolute, absəl(j)ût, adj. onvoorwaardelijk, onbegrensd, volslagen, volstrekt: The — = het absolute; subst. —ness; Absolution, absəl(j)ûš’n, absolutie, vrijspraak; Absolutism, absəl(j)utizm, absolutisme; Absolutist = absolutist; Absolutory = vrijsprekend.

Absolve, absolv of abzolv, vrijstellen, vergeven, vrijspreken: He —d me from my promise = ontsloeg mij van.

Absonant, absən’nt, wanklinkend, ongerijmd = Absonous.

Absorb, absöb, opslorpen, opzuigen, geheel in beslag nemen: —ed in thought, in study = verdiept; Absorbability = absorptievermogen; Absorbable = opzuigbaar; Absorbent, absorbeerend; absorb. stof, bloedstill. middel; Absorption = absorptie, verdiept zijn; zuiging: Absorptive, absorbeerend.

Absquatulate, abskwotjuleit, er vandoor gaan, uitsnijden (Amer.).

Abstain, abstein, zich onthouden: He —ed from wine = hij dronk geen wijn; Abstainer = Total —er = geheelonthouder.

Abstemious, abstîmjəs, matig, zich onthoudend; —ness, matigheid.

Abstention, abstenš’n, onthouding; —ist = onthouder; adj. Abstentious.

Absterge, abstɐ̂dž, reinigen; Abstergent, abstɐ̂dž’nt, reinigend, afdrijvend (middel) = Abstersive, abstɐ̂siv = reinigend; subst. —ness.

Abstinence, abstin’ns, onthouding; kuischheid, vasten: Total — = geheelonthouding; — day = onthoudingsdag; Abstinent, onthoudend, matig.

Abstract, abstrəkt, abstract, niet werkelijk, theoretisch, duister, ingewikkeld; — noun = begripsnaam; — numbers = onbenoemde getallen; — subst. korte inhoud: In the — = op zich zelf beschouwd, in ’t algemeen gesproken.

Abstract, abstrakt, afscheiden, een verkorten inhoud maken, wegnemen, verduisteren, stelen: It was —ed from me in the railway = mij ontfutseld, ontvreemd; —ed = afgezonderd, verfijnd, verstrooid, ingewikkeld; —edness = onwerkelijkheid, idealiteit; —er, maker van een abstract; —ion, abstractie; afzondering, afgetrokkenheid, verduistering; —ive, afgezonderd; —ness = onwerkelijkheid, etc.

Abstruse, abstrûs, diepzinnig, duister; —ness = Abstrusity, duisterheid, etc.

Absurd, absɐ̂d, ongerijmd; —ity = —ness, ongerijmdheid.

Abundance, əbɐnd’ns, overvloed: Out of the — of the heart the mouth speaketh = waar het hart vol van is vloeit de mond van over; Abundant, overvloedig.

Abuse, əbjûs, subst. misbruik, misstand, euvel, slechte behandeling; scheldwoorden.

Abuse, əbjûz, verb. misbruiken, verdraaien, verkeerdelijk toepassen, ruw behandelen, uitschelden, schenden: He has —d my confidence = geschonden; Abusive, əbjûsiv, verkeerd, scheld..: — language = beleedigende taal.

Abut, əbɐt, grenzen aan (on); vooruitspringen (from); —ment, əbɐtm’nt, het aangrenzen; steenen beer, paalwerk bij bruggen.

Abuzz, əbɐz, gonzend.

Abysmal, əbizm’l, bodemloos; Abyss, əbis, bodemlooze afgrond; hel: They are lost in the — of time; Abyssal, afgronds …

Abyssinia(n), abisinjə(n), Abyssinië(r).

Acacia, əkeišə, acacia.

Acacin(e), akəsin, acacine.

Academic, akədemik, adj. academisch; subst. student; Academical, academisch: —s = costuum (cap and gown) van studenten en beambten: In full —s = in vol ornaat; Academician, əkadimiš’n, lid eener bepaalde academie: Royal Academician = lid der Koninklijke Academie van Schoone Kunsten; Academicism = Academism = acad. leer; Academy, əkadəmi, (hooge) school (vooral voor een bepaald vak); genootschap: Riding-, Dancing-, Military —; in Amerika wat Public School is in Engeland.

Acadia, əkeidjə, thans dichterl. voor Nieuw Schotland; Acadian = N. Schotlandsch; bewoner van N. S.

Acajou, akəžû, cachou, mahoniehout.

Acanaceous, akəneišəs, stekelig.

Acanthus, əkanthəs, acanthus.

Acatalectic, əkatəlektik, subst. en adj. volkomen (versvoet of versregel).

Acatalepsy, əkatəlepsi, onbegrijpelijkheid; Acataleptic, əkatəleptik, onbegrijpelijk.

Accede, əksîd, toetreden, instemmen met (met to) ten deel vallen: To — to the throne = bestijgen.

Accelerate, əkseləreit, bespoedigen, versnellen; Acceleration, versnelling; Accelerative (= Acceleratory) versnellend; Accelerator = dat wat versnelt.

Accensor, əksensə, aansteker (vooral van de kaarsen in de Kath. kerk).

Accent, aks’nt, subst., accent, klemtoon, klemteeken, stembuiging, uitspraak, toon, nadruk; —s = woorden, taal (Dichterl.).

Accent, əksent, verb. accentueeren, uitspreken; Accentual = rhythmisch; klem …; Accentuate = doen uitkomen, in ’t licht stellen, accentueeren; subst. Accentuation.

Accept, əksept, aannemen, goedvinden, instemmen met, accepteeren; Acceptability = aannemelijkheid; —able = aannemelijk, aangenaam, welkom; subst. —ableness; Acceptance, əksept’ns, aanneming, gunstige ontvangst, acceptatie: I request your kind —ance of this = verzoek u vriendelijk, dit aan te nemen; Acceptant, bereid aan te nemen; Acceptation, aksəpteiš’n, aanneming, aanvaarding; aangenomen beteekenis; —ed = aangenomen; subst. verloofde; —er = —or = acceptant.

Access, aksəs, toegang, gehoor, genaakbaarheid, acces, aanval (van een ziekte): To have — to = toegang hebben tot; Easy of — = gemakkelijk genaakbaar; Accessary, aksəsəri, əksesəri = Accessory; Accessibility, bereikbaarheid, genaakbaarheid; adj. Accessible; Accessorial = bijkomend, medeschuldig; Accessory, aksəsəri, əksesəri, bijdragend, bijkomend, medeplichtig; subst. medeplichtige: The Accessories = al wat er bij hoort; Accession, əkseš’n, toetreding, toestemming, vermeerdering, komst (op den troon, tot eene waardigheid), aanval (van eene ziekte).

Accidence, aksid’ns, buigingsleer, beginselen.

Accident, aksid’nt, voorval, toeval, ongeluk, toevallige eigenschap: By — = toevallig; He has met with an — = heeft een ongeluk gehad, is verongelukt; —-column = kolom of rubriek van ongelukken in eene courant; Accidental = toevallig, niet essentieel; subst. toevallige eigenschap, bijzaak: — colours = bijkleuren, aanvullende kleuren.

Accipiter, əksipitə, roofvogel (vooral havik).

Acclaim, əkleim, toejuichen; subst. toejuiching: By — = bij acclamatie; Acclamation, akləmeiš’n, toejuiching, acclamatie; Acclamatory, bijvals …

Acclimatization, əklaimətaizeiš’n, əklaimətəzeiš’n, acclimatisatie: Acclimatize, əklaimətaiz, aan een zeker klimaat gewennen.

Acclivity, əkliviti, helling, steilte.

Accolade, akəleid, accolade (na den ridderslag); haakje: To confer the — on = de accolade geven.

Accommodate, əkomədeit, geschikt maken, aanpassen, verzoenen met; voorzien van; huisvesten, herbergen: If you want a nice room, I can — you = u eraan helpen; Accommodating, əkomədeitiŋ, inschikkelijk, vriendelijk; Accommodation, əkomədeiš’n, schikking, verzoening, geschiktheid, plaatsruimte, logies; wisselruiterij etc.: — bill (—-note, —-paper) = schoorsteenwissel, plezierpapier; —-ladder = trap aan de valreep; —-works = bruggen, schuttingen, afsluitingen, enz., die eene spoorwegmaatschappij verplicht is te bouwen langs hare lijn.

Accompanier, əkɐmpənjə, begeleider (ook bij muziek); Accompaniment, əkɐmpəniment, begeleiding, bijwerk, toebehooren; Accompanist, əkɐmpənist, begeleider; Accompany, əkɐmpəni, vergezellen, begeleiden.

Accomplice, əkomplis, medeplichtige.

Accomplish, əkompliš, vervullen, uitvoeren; bereiken, verwezenlijken; uitrusten; —able, uitvoerbaar; —ed = volkomen, talentvol, voldongen; —er, hij, die voltooit; —ment = voleindiging, vervulling, talent, beschaving; —ments = kundigheden.

Accord, əköd, subst. overeenstemming, harmonie, schikking, accoord; — verb. overeenstemmen, toestaan, inwilligen: With one — = eenstemmig, eenparig; He did it of his own — = uit eigen beweging; —ance = overeenstemming: In — with = overeenkomstig; —ant = overeenstemmend, overeenkomstig; —ing = overeenstemmend: —ing as = al naarmate; —ing to your wish = overeenkomstig; —ing to Cocker (Gunter; Amer.) = volgens Bartjes; You must act —ingly = dienovereenkomstig.

Accordion, əködjən, harmonica; —ist = harmonicaspeler; — kilt = waaierrok; — sleeves = waaiermouwen; A frock of — cut = met waaierplooien.

Accost, əkost, verb. naderen, groeten, aanspreken; subst. aanspraak, begroeting.

Accouchement, əkûšmoŋ of əkûšm’nt, bevalling; Accoucheur, əkûšɐ̂ Accoucheuse, akušɐ̂z.

Account, əkaunt, subst. (be)rekening, conto, rekenschap; bericht, verhaal, verslag; reden; verklaring; belang, voordeel; — verb. berekenen, aanrekenen, achten, houden voor, rekenschap geven, verklaren, verantwoordelijk zijn: It is of no — = van geen belang; On my — = om mij, wat mij aangaat; I do it on — of you = om, ter wille van; I began life on my own — = op eigen verantwoordelijkheid; On no — = in geen geval; He was called to — = ter verantwoording; To cast —s = rekeningen opmaken; To dodge an — = eene verwachting teleurstellen; The smaller of the two prize-fighters gave a good — of himself = hield zich kranig; We will give a good — of our enemies = ons kranig houden tegenover; They had all gone to their — = waren voor Gods rechterstoel geroepen; I lay that to your — = zet het op uwe rekening; To leave out of — = buiten rekening laten; He makes his — of it = profiteert er van (bij); I make no — of omens = geef niet om; He placed a nice sum to my — = op mijn credit; He will certainly render a good — of the work entrusted to him = zich goed kwijten van; You must try to turn it to good — = er zooveel mogelijk van te profiteeren; Every man was —ed for, either as dead or prisoner = verantwoord; It will not be difficult to — for our absence = te verklaren; There is no —ing for tastes = over den smaak valt niet te twisten; I will — for it = neem het op mijne verantwoording; He —s dearly of all his friends = schat hoog; —-current = rekening-courant; —-day = betaaldag; Accountability, əkauntəbiliti, verantwoordelijkheid; Accountable, verantwoordelijk, rekenplichtig; Accountancy, əkaunt’nsi, bekwaamheid of arbeid van een Accountant, əkaunt’nt, subst. accountant; —ship, ambt van accountant.

Accouple, əkɐp’l, samenkoppelen; —ment, koppeling.

Accoutre, əkûtə, uitdossen, uitrusten; —ments = uitrusting.

Accredit, əkredit, machtigen, volmacht geven, krediet verschaffen; gelooven, toeschrijven: He was —ed with miraculous power = hem werd toegeschreven; Accreditation: Letter of — = geloofsbrief.

Accrescent, əkres’nt, toenemend; Accrescence, toeneming; Accretion, əkrîš’n, aanwas, toename, samengroeiing; Accretive = toenemend.

Accrue, əkrû, aangroeien; voortspruiten: Much good may — to you from it; —d interest to date = opgeloopen interest tot den dag toe.

Accubation, akjubeiš’n, Accumbency, əkɐmb’nsi, het aanliggen aan een maaltijd bij de Ouden; Accumbent, aanliggend tegen.

Accumulate, əkjûmjuleit, ophoopen, verzamelen, toenemen; Accumulation, (op)hoop(ing); Accumulative, accumuleerend; Accumulator, accumulator.

Accuracy, akjurəsi, nauwkeurigheid; adj. Accurate; subst. —ness.

Accurse, əkɐ̂s, vervloeken; —d, Accurst = vervloekt, goddeloos.

Accusable, əkjûzəb’l, laakbaar, aanklaagbaar; Accusant, aanklager; Accusation, aanklacht, beschuldiging.

Accusative, əkjûzətiv, subst. 4de nv.; ook adj.; Accusatorial, əkjûzətôriəl, den aanklager betreffend; Accusatory, əkjûzətəri, beschuldigend; Accuse, əkjûz, beschuldigen, aanklagen; Accuser, aanklager.

Accustom, əkɐst’m, gewennen, gewoon zijn; —ed = gewoon, gewend.

Ace, eis, eenheid, aas (bij kaart- of dobbelspel), kleinigheid: Within an — (of) = op een haar na.

Acephalous, əsefəlɐs, koploos.

Acer, eisə, ahorn; —ic acid, əserikasid, ahornzuur.

Acerb, əsɐ̂b, zuur, wrang; streng; —ity, wrangheid, scherpheid, hardheid, gestrengheid.

Acerose, asərous, acerous, als kaf; naaldvormig = Acerous, asərɐs, ook: zonder voelhorens.

Acervate, əsɐ̂veit, in trossen groeiend.

Acescency, əsesənsi, zuurheid; adj. Ascescent, zuur wordend, wrang.

Acetate, asiteit, azijnzuurzout; Acetic acid, əsetik- of əsîtikasid, azijnzuur; Acetone, asitoun, azijngeest; Acetose, asitous, asitous, Acetous, asitɐs, azijn.…

Acetylene, əsetilîn, acetyleen.

Ache, eik, subst. pijn: Chest-—; Face-—; — verb. pijn doen, pijn lijden: My back (sides) ached; I ached in every limb.

Acheen, ətšîn, Atjeh; Acheenese, atšənîz, Atjeher; Acheron, akəron, Acheron.

Achievable, ətšîvəb’l, uitvoerbaar; Achieve, ətšîv, volbrengen, voleinden, verwerven: To — a great success = behalen; Achievement = succes, wapenfeit; wapenteeken: Men of — = beroemde.

Achilles (tendon), əkilîz(tend’n), Achilles (pees).

Achromatic, akrəmatik, achromatisch; Achromatism, Achromaticity = achromatisme; Achromatize, achromatiseeren.

Acicular, əsikjulə, Aciculate, əsikjulit, Aciculiform, əsikjûliföm, naaldvormig.

Acid, asid, subst. zuur; adj. zuur, scherp: An — drop = zuurballetje; Acidify = zuur maken; Acidity, zuurheid; Acidulate, əsidjuleit, zuur maken: —d drop = zuurballetje; Acidulent = zuur, norsch; Acidulous, zuurachtig, scherp.

Acknowledge, əknolədž, erkennen, toegeven, (de ontvangst) berichten, waardeering uitdrukken over: I — (receipt of) your favour of the 14th inst. = bericht u de ontvangst van uwe geëerde van 14 dezer; I — the corn = ik geef de beschuldiging toe (Amer.); Acknowledgment = erkenning, belooning, dank, bericht van ontvangst.

Acme, akmi, toppunt; adj. voortreffelijk.

Acock, əkok, brutaal, uitdagend.

Acold, əkould, koud.

Acolyte, akəlait, misdienaar.

Aconite, akənait, monnikskap (plant).

Acorn, eikön, eikel: —-cup, —-shell = eikeldopje; —ed = eikels voortbrengend, met eikels gevoed of voorzien.

Acorus, akərɐs, kalmus.

Acotyledon, əkotilîd’n plant zonder zichtbare zaadlobben; adj., —ous.

Acoustic, əkûstik of əkaustik, het gehoor betreffend, gehoor …: — duct = gehoorbuis; — nerves = gehoorzenuwen; Acoustician = geluidkundige; Acoustics, əkûstiks of əkaustiks, geluidsleer.

Acquaint, əkweint, berichten, bekend maken; —ance = bekendheid, kennis, vriend: He had made —ance with him, the —ance of him; To maintain the —ance = aanhouden; An —ance of mine = vriend van mij; —anceship, bekendheid.

Acquiesce, akwies, berusten, zich neerleggen bij, inwilligen, toegeven; —nce = berusting; —nt = geduldig, toegevend.

Acquirable, əkwairəb’l, verkrijgbaar; Acquire, əkwaiə, verkrijgen, verwerven; Acquirement, verwerving: —s = talenten.

Acquisition, akwiziš’n, het verkregene, aanwinst, verkrijging; Acquisitive = hebzuchtig; subst. —ness.

Acquit, əkwit, vrijstellen, vrijspreken, (zich) kwijten; —tal, vrijspraak; —tance, vervulling, vereffening: Forbearance is no —tance = uitstel is geen afstel.

Acre, eikə, stuk land (4840 vierk. yards of 4047 M2): God’s —, godzeikə, Godsakker; —age, eikəridž, het gezamenlijke land: The —age of Holland amounts to = de gezamenlijke landerijen van Nederland zijn groot …; —d, eikəd, grond bezittend.

Acrid, akrid, scherp, bijtend; Acridity, scherpheid.

Acrimonious, akrimounjəs, scherp, bits; Acrimony, akriməni, scherpheid, bitsheid.

Acrobat, akrəbat, acrobaat, koorddanser; Acrobatic, acrobatisch; —ism, acrobatisme.

Acropolis, əkropəlis, Acropolis, burcht.

Acrospire, akrəspaiə, subst. (mout)kiem; —d = kiemend.

Across, əkros, əkrôs, dwars, kruiselings, scheef, breed, aan gene zijde: To come — = aantreffen; opkomen (in den geest); With arms — = de armen over elkander.

Acrostic, əkrostik, subst. naamdicht; ook adj. = —al.

Act, akt, subst. handeling, daad, wet, oorkonde, akte, disputatie, bedrijf; — verb. doen, handelen, (in)werken, volbrengen, opvoeren, spelen, zich gedragen: —s of the Apostles = Handelingen …; — of God = godswil; — of Grace = amnestie; — of Honour = acte van interventie; — of indemnity = acte van indemniteit; — of Parliament = parlementswet; He was caught in the (very) — = op heeterdaad; He —s up to his promise = handelt overeenkomstig; I will — upon it = dienovereenkomstig; —-drop = scherm, dat tusschen de bedrijven wordt neergelaten; —able = geschikt om op te voeren, uitvoerbaar; —ing = subst. het spelen, het spel; adj. handelend, tijdelijk, plaatsvervangend: An —ing copy = een exemplaar van een tooneelstuk, zooals het gespeeld wordt.

Action, akš’n, handeling, daad, beweging, gang, werking; voordracht, uitdrukking; mechaniek, gevecht, aanklacht, proces: To bring an — against a person for = iemand aanklagen wegens; I threatened the driver with an — = aanklacht; The hour for — came = het ging op een vechten; —able, akš’nəbl, strafbaar (in rechten): Your words are —able.

Active, aktiv, werkzaam, vlug, levendig, actief; bedrijvend (gramm.): — bonds = prioriteitsobligaties; — capital = activa; — partner = werkend; Activity = bedrijvigheid, vlugheid, behendigheid.

Actor, aktə, tooneelspeler; —-manager, theater-directeur (die meespeelt); Actress, aktrəs, tooneelspeelster.

Actual, aktjuəl, wezenlijk, werkelijk, feitelijk, werkzaam; actueel; Actuality = werkelijkheid; Actualities = actueele omstandigheden; —ize, aktjuəlaiz, verwerkelijken.

Actuary, aktjuəri, gerechtsschrijver; actuaris.

Actuate, aktjueit, aansporen, invloed oefenen, in beweging brengen; Actuation, aandrijving, werkende kracht.

Aculeate(d), əkjûljit(-eitid), stekelig, van prikkels of een angel voorzien, scherp, bits.

Acumen, əkjûm’n, scherpzinnigheid; Acuminate, əkjûmineit, spits; Acumination, spitsheid; Acuminous, puntig.

Acute, əkjût, adj. puntig, scherp, fijn, doordringend, schrander; akuut (van ziekten): An — angle; Acute-angled (= — angular); —ness, puntigheid, etc.

Ad (= advertisement): It was a paper of local news and local —s.

Adage, adidž, spreekwoord, gezegde.

Adagio, adâdžou, langzaam; adagio.

Adam, ad’m, Adam, menschelijke zwakheid, broodheer: —’s ale = water; —’s apple = adamsappel in zijn verschillende beteek.; —’s flannel = melige toorts; —’s needle = Jucca; —ite, Adamiet; adj. menschelijk.

Adamant, adəmant, adamant; groote hardheid: His heart is of — = zoo hard als steen; Adamantin(e), diamantachtig; onverwoestbaar.

Adapt, ədapt, geschikt of passend maken (to, for); toepassen; bewerken naar (from); —ability, aanwendbaarheid; —able, aanwendbaar; —ation = aanpassing, bewerking; —ed = passend, geschikt; subst. —edness; —er = bewerker; —ive, geschikt tot aanpassen; subst. —iveness.

Add, ad, bijvoegen, vermeerderen, verhoogen, optellen (met up): Added to = plus, toegevoegd aan, uitgebreid; Addendum = toevoegsel, bijlage.

Adder, adə, adder; —-bolt = —-fly = waterjuffer; —’s tongue = addertong; —’s wort = adder(slangen)wortel.

Addible, adib’l, vermeerderbaar.

Addict, ədikt, (zich) overgeven aan: —ed to liquor = verslaafd aan den drank; —edness; —ion, neiging, verslaafdheid.

Addition, ədiš’n, bijvoeging, vermeerdering, optelling: In — to = behalve dat, buiten en behalve; — sum = optelsom; Additional = bijgevoegd, extra, bij …: An — petticoat = een rok meer.

Addle, ad’l, bedorven, onvruchtbaar; — verb. bederven, onvruchtbaar maken, verwarren: He has been addling his brains = zich suf zitten denken; —d eggs = bedorven; Never mind such —-brain = domkop; —-brained (-headed, -pated) = suf, stom.

Address, ədres, subst. toespraak, adres, verzoekschrift; aanzoek; manieren, manier van optreden; handigheid; — verb. adresseeren; (zich) richten tot, aanspreken; aanvangen; een adres richten tot: —-book; He has a (is a man of) pleasant — = hij maakt een aangenamen indruk; Wanted a cook; editor has — = adres bij den uitgever dezes; He paid her his —es = maakte haar het hof; To — the house = in ’t parlement spreken; To — the King = zich tot den Koning richten; Addressee, adrəsî, geadresseerde; —er, afzender, adressant.

Adduce, ədjûs, aanvoeren (als bewijs); —nt = aanvoerend, aantrekkend; —r = bewijzer; Adducible = aanvoerbaar.

Adduct, ədɐkt, aantrekken; Adduction = het bijbrengen; Adductive = aantrekkend, bijbrengend.

Adelaide, adəleid, Adelheid; Aden, âd’n, eid’n.

Adenoid, adənôid: — growths = adenoïde vegetaties.

Adept, ədept, ingewijd; subst. ingewijde.

Adequacy, adikwəsi, geschiktheid, voldoendheid, gepastheid; Adequate, adikwit, gepast, geschikt, evenredig, bekwaam voor; subst. —ness.

Adhere, ad-hîə, aankleven, aanhangen, getrouw blijven; —nce, aankleving, aanhankelijkheid, vasthouden (to); —nt = aanklevend, aanhangend; subst. aanhanger; Adhesion ad-hîž’n, adhesie; Adhesive, ad-hîsiv, adj. gegomd; aanklevend, aanhankelijk, blijvend: — envelope = gegomde enveloppe; — plaster = hechtpleister; subst. —ness.

Adieu, ədjû, subst. afscheid; adv. vaarwel.

Adige, âdidž, adidž, Etsch (rivier).

Adipocere, adipəsîə, lijkenvet; Adipose, adipous, adipous, vethoudend, vet..; nierenvet: — tissue = vetweefsel; Adiposity, vetheid.

Adit, adit, toegang; afvoerkanaal.

Adjacency, ədžeis’nsi, aangrenzen, het aangrenzende; adj. Adjacent = aanliggend, aangrenzend.

Adjectival, adžəktiv’l, adžəktaiv’l, bijvoeglijk; Adjective, adžəktiv, subst. bijv. naamwoord; adj. bijvoeglijk.

Adjoin, ədžôin, aanvoegen, aangrenzen.

Adjourn, ədžɐ̂n, uitstellen, verdagen, schorsen; zich begeven: The meeting was —ed; The meeting —ed for lunch; The company —ed to an ante-room = begaf zich; —ment, verdaging; verplaatsing; He moved an —ment to the ladies = stelde voor zich te begeven naar.

Adjudge, ədžɐdž, toewijzen; oordeelen; subst. Adjudgment = Adjudication.

Adjudicate, ədžûdikeit, berechten, toewijzen, rechtspreken (on = over): He was —d (a) bankrupt = hij werd failliet verklaard; Adjudication = toewijzing, uitspraak: — of bankruptcy = faillietverklaring; — order = faillietverklaring; Adjudicator = scheidsrechter.

Adjunct, adžɐŋkt, subst. aanhangsel, toevoegsel, toevallige eigenschap; adjunct; adj. verbonden, vereenigd; Adjunction, toevoeging; Adjunctive, toevoegend.

Adjuration, adžureiš’n, plechtige eed, dringende bede, eedsformule; Adjuratory = door een eed gestaafd; Adjure, ədžûə, bezweren; Adjurer, Adjuror = beëediger.

Adjust, ədžɐst, geschikt maken, in orde brengen, afwikkelen, beslechten; —able: —able chair = verstelbaar; —er, ijker; —ing-screw = stelschroef; —ment = schikking, ijking.

Adjutancy, adžut’nsi, adjudantschap; Adjutant, adžut’nt, adjudant; soort vogel; Adjuvant, ədžûv’nt of adžuv’nt, helpend, bevorderlijk; subst. helper, hulpmiddel.

Administer, administə (Administrate) besturen, beheeren, executeeren, verschaffen, toedienen: To — an oath = afnemen; To — the law = rechtspreken; Administration = beheer, toediening, ministerie; Administrative = administratief, bevorderlijk; Administrator, of Administrator, administrateur, executeur (v. een intestate); vr. Administratrix.

Admirability, admirəbiliti, bewonderenswaardigheid; Admirable, admirəb’l, bewonderenswaardig; subst. —ness.

Admiral, admir’l, admiraal, admiraalschip; —ship, admiraalschap; —ty = de admiraliteit; het admiraliteitsgebouw: —ty Court = Oud Gerechtshof voor alle zaken, die met de scheepvaart in verband staan; thans overgebracht naar de Admiralty Division of the High Court of Justice.

Admiration, admireiš’n, bewondering: She performed to — = speelde wondermooi; Note of — = uitroepteeken; Admire, admaiə, bewonderen; —r = bewonderaar.

Admissibility, admisibiliti, toelaatbaarheid, aannemelijkheid; adj. Admissible; Admission, admiš’n, toegang, toegeving, installatie, entrée: Free — = vrije toegang; —-fee = toegangsprijs.

Admit, admit, toelaten, toestaan, toegeven, erkennen: I — it = erken; It —s of no excuse = het laat zich niet verontschuldigen: To — of no change = geen verandering ondergaan; This ticket will — two persons = geldt voor; subst. —tance: No — = verboden toegang; No — except on business = verboden toegang voor het publiek; —tedly = zooals algemeen wordt erkend.

Admixture, admikstšə, bijmenging, bijmengsel.

Admonish, admoniš, vermanen, waarschuwen; subst. Admonition, adməniš’n; Admonitory = vermanend.

Adnascent, adnas’nt: — plant = parasiet.

Ado, ədû, drukte, moeite: Much — about nothing = veel geschreeuw en weinig wol; There’s a nice — = dat is een mooie boel! Without any more — = zonder verdere omslag.

Adolescence, adəlesəns, jeugd(ige leeftijd); Adolescent = jeugdig; subst. jongeling, jong meisje.

Adolphus, ədolfəs, Adolf.

Adonean, adənîən, Adonic, ədonik, Adonisch; Adonis, ədounis, Adonis; Adonize = zich adoniseeren.

Adopt, ədopt, (als kind) aannemen; aanwenden, zich bedienen van: You — a disagreeable tone to me = ge permitteert u; —able = aanneembaar; —ed = aangenomen; genaturaliseerd (Amer.); —ion = aanneming; —ive = adoptief, vreemd.

Adorable, ədörəb’l, aanbiddelijk; subst. —ness; Adoration = aanbidding; Adore, ədö, aanbidden, vereeren; —r, aanbidder.

Adorn, ədön, versieren, verheerlijken; —ment, versiering.

Adrian, eidriən, Adriaan; Adriano, adriânou; Adriatic, eidriatik of adriatik: — Sea = Adriatische Zee.

Adrift, ədrift, rondzwalkend: To send — = in een boot zetten en laten drijven; To turn — = aan zijn lot overlaten, wegzenden.

Adroit, adrôit, behendig, handig (at); —ness, handigheid.

Adscript, adskript, subst. en adj. lijfeigen(e) = Adscriptitious, adj.; —ion, lijfeigenschap.

Adulate, adjuleit, kruipend vleien; Adulation, adjuleiš’n, kruiperij; Adulator, kruiper; Adulatory, vleiend, kruiperig.

Adult, ədɐlt, subst. en adj. (de of het) volwassen(e); —ness, het volwassen zijn.

Adulterant, ədɐltərənt, middel ter vervalsching; Adulterate, ədɐltərit, adj. vervalscht; verb. ədɐltəreit, vervalschen; Adulteration, vervalsching; Adulterator, vervalscher.

Adulterer, ədɐltərə, echtbreker, afgodendienaar; Adulteress, ədɐltərəs, echtbreekster; Adultery, ədɐltəri, overspel; Adulterine, ədɐltərin of ədɐlterain, adj. onecht, vervalscht; Adulterous, overspelig, afvallig; Adultery = overspel, afgodendienst.

Adumbrate, ədɐmbreit, schetsen, aanduiden: The difficulties here —d; Adumbration = schets.

Advance, advâns, subst. voortgang, vooruitgang, bevordering, verhooging, voorsprong, aanbod, voorschot, hooger bod, winst; — verb, bevorderen, verheffen, verhoogen, verbeteren, voorschieten; voortgaan, vooruitgaan, klimmen, stijgen; ontwikkelen, aanvoeren; Is there any —? = biedt iemand meer? My desires are in — of my means = zijn grooter dan; I tell you so in — = vooruit; The price of the goods is on the — = wordt hooger; Her resistance to his —s = tegen zijne pogingen om haar te winnen; He —d an opinion from which I dissent = ontwikkelde eene meening; We should get wiser as we — in life = … naarmate wij ouder worden; —d = geavanceerd (polit., enz.); An —d child = voorlijk; At the —d age of 80 = gevorderden; —-guard = voorhoede; —-proofs (—-sheets) = proefbladen; —ment = vooruitgang, bevordering, voorschot; —r = bevorderaar.

Advantage, advântidž, subst. voordeel, overwicht, voorrang; — verb. bevoordeelen: To great — = zéér voordeelig; He has an — over me = is in gunstiger conditie dan ik; You have the — of me = gij schijnt mij te kennen, terwijl ik u niet ken; You have taken — of my calamities = misbruik gemaakt van; You must try to turn this to — = hiervan te profiteeren; He is —d by it = profiteert; Advantageous, voordeelig, gunstig.

Advent, adv’nt, advent; komst, nadering: The police kept a space clear for the — of royalty = voor de nadering van den koninklijken stoet; —itious, adv’ntišəs, toevallig, bijkomend.

Adventure, adventjə, subst. avontuur; speculatie, risico; mijnaandeel; verb. wagen, zich wagen, gevaar loopen: Do it at all —s = wat er ook van kome; —r = waaghals, avonturier, speculant (vr. —ss); —some = Adventurous, adventjərɐs, gewaagd, vermetel: subst. —ness.

Adverb, advɐ̂b, bijwoord; An adverbial phrase = bijwoordelijke uitdrukking.

Adversaria, advəsêriə, adversaria.

Adversary, advəsəri, tegenstander; Adversative, subst. en adj. het tegengesteld(e) (gramm.).

Adverse, advɐ̂s, tegen.., nadeelig, vijandig: — fate = tegenspoed; — party = tegenpartij; — winds = tegenwinden; Adversity, tegenspoed: — makes wise, though not rich = door schade en schande wordt men wijs.

Advert, advɐ̂t, letten (wijzen) op: I will no more — to that circumstance = wil laten rusten.

Advertise, advətaiz, publiek maken, adverteeren: The book (author) was —d up = er werd reclame gemaakt voor; —ment, advɐ̂tizm’nt, advertentie, reclame: — station = bord of muurvlakte voor reclamebiljetten; —r, hij die adverteert; advertentieblad; Advertising agency = annoncenbureau.

Advice, advais, raad, advies, rapport, bericht: As per — = volgens bericht; To ask — of = raad vragen; I took his — = volgde; To take medical — = een dokter consulteeren; —-boat = adviesjacht; Mail —s, mailberichten.

Advisability, advaizəbiliti, raadzaamheid; Advisable = raadzaam; subst. —ness; Advise, advaiz, aanraden, berichten; raadplegen, te rade gaan: To — with one’s pillow = zich beslapen op; I — against such a step = raad af; A well —d plan = goed doordacht; The government was well —d in doing it = gaf blijk van overleg; You would have been better —d in abstaining from it = je hadt wijzer gedaan je er van te onthouden; Advisedly, met overleg, expresselijk; Advisory, advaizəri, raadgevend: An — body = raadgevend lichaam; — Committee = Commissie van advies.

Advocacy, advəkəsi, advocatuur, voorspraak; Advocate, advəkeit, subst. pleitbezorger, advokaat (in Schotl.); voorstander; — verb. bepleiten: Devil’s — = Duivelsadvocaat; Judge — = auditeur militair; —ship, advocatuur; verdediging.

Advowee, advauî, kerkpatroon, beschermheer; Advowson, advaus’n, patronaat, collatierecht; prebende (Schotl.).

Adytum, adit’m, het allerheilige van een (heiden)tempel; plaats van het altaar.

Adz(e), adz, subst. houweel; verb. met een houweel slaan.

Aegean Sea, îdžîənsî = Aegeïsche Zee.

Aegis, îdžis, aegis; goddelijke bescherming.

Aeneas, înîəs; Aeneid, îni-id, înî-id, de Aeneide.

Aeolian, î-oulj’n, aeolisch; — harp = Aeolusharp; The — Isles; Aeolic, i-olik, aeolisch.

Aeon, îən, eeuw(igheid); Aeonian, i-ounj’n, eeuwig(durend).

Aerate, eiəreit, lucht of koolzuur voeren door: —d = koolzuurhoudend: —d bread = brood gebakken van deeg waardoor men koolzuur heeft gevoerd; A.B.C. Shop = soort ‘lunchroom’. Zie A.B.C.

Aerial, eiîrj’l, eierj’l, tot de lucht behoorende, in de lucht levend, etherisch, ingebeeld, lucht …: — navigation = luchtscheepvaart.

Aerie, êri, îri, roofvogelnest (arends—), hooge woning; gebroed, kinderschaar.

Aeriform, eiəriföm, luchtvormig; Aerify, eiərifai, met lucht vullen, in lucht veranderen.

Aerodrome, eiərədroum, terrein waarvan vliegmachines opstijgen.

Aerolite, eiərəlait, meteoorsteen; Aerolitic, = meteorisch.

Aerometer, eiəromətə, aërometer; Aerometry, eiəromətri, leer der luchtmeeting.

Aeronaut, eiərənôt, luchtschipper; Aeronautics = luchtscheepvaart.

Aeroplane, eiərəplein, soort vliegmachine.

Aerostat, eiərəstat, luchtballon; Aerostatics = aërostatica.

Aesculapian, eskjuleipj’n, van Aesculaap, geneeskundig.

Aesthete, es-thît, îs-thît, dweper met ’t aestheticisme (vaak in ongunstigen zin).

Aesthetic(al), es-thetik(’l), îs-thetik(’l), es-thîtik(’l), îs-thîtik(’l), aesthetisch; —(s) = aesthetiek; Aestheticism = studie van (zin voor) aesthetiek, kunst.

Aestival, estiv’l of əstaiv’l zomersch.

Aetiology, îtiolədži, etiolədži, aetiologie.

Afar, əfâ, ver, in de verte.

Afeard, əfîəd, bevreesd; verschrikt (Amer.).

Affability, afəbiliti, minzaamheid, adj. Affable, afəb’l, subst. —ness.

Affair, əfêə, zaak, aangelegenheid, gevecht: It was a bloody — = gevecht; Public —s = openbare aangelegenheden; At the head of —s = aan het hoofd der regeering; An — of honour = een duel; As —s stand = zooals de zaken staan; That is not my — = dat gaat mij niet aan.

Affect, əfekt, aandoen, roeren, aantasten, invloed hebben op, betreffen; liefhebben, houden van, de voorkeur geven aan, zich voordoen als, huichelen, voorkomen: It has greatly —ed me = me zeer getroffen; He —s a knowledge of it = doet alsof hij weet; He —ed a stare = hij stelde zich verwonderd aan; A servant was —ed to his private use = bestemd voor, aangewezen tot; —ed with (illness) = getroffen, aangedaan door; Affectation, əfəkteiš’n, gemaaktheid, huichelarij, liefhebberij; They seemed to be his only — = amusement, liefhebberij; Affection, əfekš’n, toegenegenheid, liefde; aandoening; ziekte; ontsteking; eigenschap; invloed: Return of — = wederliefde; Affectionate, əfekšənit, liefhebbend, hartelijk: I am, Yours —ly, B. = Uw liefh. B.; Affective, əfektiv, gemoeds …

Affeer, əfîə, ’t bedrag van een boete bepalen; subst. —ment.

Affiance, əfai’ns, verb. verloven, verbinden: Her —d husband = verloofde.

Affiche, əfîš, affiche, aanplakbiljet (Amer.).

Affidavit, afideivit, schriftelijke beëedigde verklaring.

Affiliate, əfiljeit, adopteeren, opnemen: —d Societies = vereenigingsafdeelingen; Affiliation = adoptie, verwantschap, opneming, verbinding.

Affinitive, əfinitiv, verwant; Affinity, əfiniti, aanverwantschap, overeenkomst, affiniteit (chemie): Electional affinities = verwantschap door keuze.

Affirm, əfɐm, verzekeren, beweren, bevestigen, bekrachtigen, plechtig verklaren; —able = houdbaar; —ant, bevestigend; ook subst.; —ation, bevestiging, etc.; Affirmative, bevestigend, positief, dogmatisch: He answered in the — = bevestigend; Affirmatory = bevestigend, enz.

Affix, afiks, subst. achtervoegsel; Affix, əfiks, verb. hechten of voegen aan.

Afflation, əfleiš’n, aanblazing, inspiratie = Afflatus, əfleitəs.

Afflict, əflikt (with), bedroeven, kwellen, bezoeken met; —ion, droefenis; smart, ramp, ellende; —ive, bedroevend etc.

Affluence, afluens, rijkdom, overvloed; Affluent, rijkelijk, overvloedig, overvloed hebbend; zijrivier.

Afford, əföd, verschaffen, opleveren; (met can) in staat zijn, bestrijden, kunnen betalen: I can — it = mijne middelen veroorloven het mij; I will — you the means = verschaffen; He could — the time = had den tijd.

Afforest, əforəst, in bosch veranderen; —ation, het veranderen in bosch; het land in bosch veranderd.

Affranchise, əfrantš(a)iz, vrijmaken; —ment, vrijmaking.

Affray, əfrei, kloppartij, ruzie, standje.

Affright, əfrait, schrik aanjagen, doen schrikken; ook subst.

Affront, əfrɐnt, subst. hoon, beleediging; verb. beleedigen, weerstaan: —ed at = beleedigd over.

Affusion, əfjûž’n, begieting, besprenkeling.

Afghan, afgan, adj. en subst.; Afghanistan, afgânistân, afganistan.

Afield, əfîld, naar of op het veld, van huis: That would lead me too far — = zou mij te ver voeren.

Afire, əfaiə, in brand, gloeiend: She was all — = vuur en vlam (fig.).

Aflame, əfleim, vlammend; in vuur (fig.).

Afloat, əflout, vlot, drijvend, overstroomd; uit de verlegenheid, aan den gang, onzeker.

Afoot, əfut, te voet, in beweging, op de been, gaande.

Afore, əfö, te voren, vroeger; —named, —said = voornoemd; —thought = voorbedacht; —time = vroeger.

Afraid, əfreid, bevreesd: He is more — than hurt = schreeuwt harder dan noodig is; Don’t be — of him = bang voor; I am — for you = om uwentwil vrees ik.

Afresh, əfreš, opnieuw.

Africa, afrikə, Afrika; African, Afrikaan(sch); Africander, afrikandə, afrikandə, Afrikaander.

Aft, âft, naar de achterzijde van het schip: Fore and — = van vóór- tot achtersteven.

After, âftə, na, later, daarna: — you with the match = na u; — all = bij slot van rekening; — (in) my opinion = volgens mijne meening; I don’t know what he is — = hij bedoelt, tracht te verkrijgen; He was — it = wou het zien te krijgen; I will look — it = er naar zien, er voor zorgen; A year — = een jaar later; The year — = het volgende jaar; —-ages = volgende eeuwen; —-birth = nageboorte; —-clap = nakomende (onverwachte) slag; verrassing, naspel; —-cost = bijkomende kosten; —-crop = nalezing; —day(s) = latere dagen, toekomst; —-glow = nagloed; —-grass (—-math) = etgroen; —noon, âftənûn, namiddag; —-pains = napijnen; —-thought = nader inzien, nadere overweging; nakomertje; —-time = overuren; —-tossing = nadeining; Afterings = de laatste uit de koe gemolken melk; Aftermost = het meest naar achter; achterschip; Afterward(s), âftəwəd(z), later, naderhand.

Aga, âgâ, əgâ, agə, eigə, aga.

Again, əgen of əgein, opnieuw, weer: — and — = herhaaldelijk; He received as much — = nog eens zooveel; The bell rang — = weerklonk luide, krachtig; What are they called —? = hoe heeten zij ook weer? — = en verder, om een ander voorbeeld te nemen; She was loved — = vond wederliefde; At times she was affable, — she was reserved = soms … dan weer.

Against, əge(i)nst, tegen(over), strijdig met, met betrekking tot: — the 6th = tegen; The entries — him = posten op zijn naam geboekt; As — = vergeleken met; To talk — time = al maar door praten, om tijd te winnen, of verlegenheid te verbergen; To work — time = om op bepaalden tijd klaar te zijn, of met inspanning van alle krachten. (Vergelijk: To talk — death = al maar door praten om den patient als ’t ware te doen vergeten, dat hij sterven gaat).

Agape, əgeip, met open mond: To stand —.

Agaric, əgarik, of agərik, zwam, paddenstoel.

Agate, agət, agaat.

Agave, əgeivə, Amerik. aloë.

Age, eidž, subst. ouderdom, levensduur, meerderjarigheid, eeuw, periode, geslacht, lange tijd; — verb. verouderen; oud maken: What’s your —? Hoe oud zijt gij? He became a radical in his — = op zijn ouden dag; What an — you are = wat duurt dat lang; —s ago = eeuwig lang geleden; Behind the — = achterlijk; Middle — = middelbare leeftijd; Middle —s = Middeleeuwen; Of — = meerderjarig; Under — = minderjarig; To be (become) of —; At his coming of — = bij zijn meerderjarig worden; You bear your — well = gij houdt u goed voor uw leeftijd; To be getting well on in middle — = op leeftijd komen; To have passed the specified — = boven den leeftijd zijn (b.v. om voor half geld te reizen); You have —d ten years since the other day = bent tien jaar ouder geworden sedert een dag of wat; The —d = de bejaarden; The ag(e)ing change those years have wrought = de veroudering.

Agency, eidž’nsi, werking, agentschap, tusschenkomst: Through your — = bemiddeling; — business = commissiehandel.

Agenda, ədženda, werkzaamheden, agenda.

Agent, eidž’nt, agent; agens; werktuig (fig.).

Agglomerate, əglomərit, subst. agglomeraat; adj. samengestapeld, opeengehoopt.

Agglomerate, əgloməreit, opeenstapelen, samenhoopen; Agglomeration, agglomeratie; adj. Agglomerative.

Agglutinant, əglûtin’nt, klevend; subst. kleefmiddel; Agglutinate, əglûtinit, adj. aangekleefd; — verb. (əglûtineit), aanéénlijmen; Agglutination = agglutinatie; adj. Agglutinative.

Aggrandize, agrəndaiz, vergrooten, verheffen, verheerlijken; subst. —ment.

Aggravate, agrəveit, verergeren, verzwaren; prikkelen, boosmaken: Aggravating = verzwarend, onaangenaam, onuitstaanbaar: — circumstances = verzwarende; Aggravation = verergering, etc.

Aggregate, agrigit, adj. opgehoopt, gezamenlijk: — amount; subst. ophooping, massa, bedrag, aggregatie; — verb. (agrigeit), tot een geheel vereenigen; opnemen; bedragen; Aggregation = aggregatie; Aggregative = gezamenlijk.

Aggress, əgres, verb. aanvallen, den strijd beginnen; —ion, aanval; —ive, aggressief, strijdlustig; —iveness, strijdlustigheid; —or, aanvaller.

Aggrieve, əgrîv, bedroeven, smarten; benadeelen, krenken.

Aghast, əgâst, ontzet, verbluft.

Agile, adž(a)il, vlug, bedrijvig; Agility, vlugheid, etc.

Agio, adž(i)ou of eidž(i)ou, agio; —tage, adžətidž, agiotage; beursspel.

Agitate, adžiteit, heen en weer bewegen, schokken, verontrusten, opwerpen, opruien; Agitation, beweging, gisting; Agitator, adžiteitə agitator.

Aglet, aglət of eiglət, veter(band).

Aglow, əglou, gloeiend.

Agnail, agneil, nijdnagel.

Agnat(e), agneit, subst. agnaat; adj. verwant; Agnatic relationship = verwantschap in de mannelijke linie = Agnation.

Agnes, agnəz, Agnes: St. — Day = 21 Jan., waarop de meisjes plachten te vasten om van hun toekomstigen echtgenoot te kunnen droomen.

Agnostic, agnostik, agnosticus; agnostisch; Agnosticism = leer der Agnostici.

Agnus Dei, agnəsdîai, Lam Gods.

Ago, əgou, geleden.

Agog, əgog, vurig verlangend, opgewonden (on): They were all — to be off = verlangend om te vertrekken; He came back all — with the sight = opgewonden door; The servants are all — with music = gek, vol van; All the world was — on Trilby = was mal van, had het over.

Agoing, əgouiŋ, aan den gang, in beweging.

Agonist, agənist; —es, agənistîz, kampvechter.

Agonize, agənaiz, den doodstrijd strijden; kwellen, martelen: An agonizing pain, thought; Agony = groote smart, zielsangst (= Mental —), doodstrijd (= — of death); — column = kolom in een dagblad in ’t bijzonder bestemd voor advert. omtrent verdwenen personen, etc.

Agrarian, əgrêrj’n, den akkerbouw of het landbezit betreffend, agrarisch, in ’t wild groeiend: — laws; — crime, outrage = misdrijf tegen landheeren, of rentmeesters; —ism, beweging ter bevordering der agrarische belangen.

Agree, əgrî, het eens zijn, eensgezind leven, toestemmen, overeenkomen, het eens worden; passen bij, overeenstemmen (gramm.); doen sluiten: How do you and your master —? = hoe is de verhouding tusschen u en uw meester? We cannot — about it = eens worden omtrent; We —d on the plan = werden het eens over; He would not — to our plan = goedkeuren; The verb —s with its subject = stemt overeen; Wine does not — with me = ik kan geen wijn verdragen; —d! = top! afgesproken!

Agreeable, əgrîəb’l aangenaam, passend: — to our wishes = overeenkomstig; He does the — = hij wil lief zijn; Is that —, Are you —? = vindt gij het goed?

Agreement, əgrîmənt, overeenstemming, overeenkomst.

Agricultural, agrikɐltšər’l, landbouw.…; — college = landbouwschool; — implements, — labourers; Agriculture = landbouw: Board of — = Ministerie van landbouw; Agriculturist, econoom.

Agrimony, agriməni, leverkruid.

Aground, əgraund, aan den grond; in de klem: To be — = aan den grond; in de klem; To run — = op strand loopen, zetten; in de klem geraken.

Ague, eigju, subst. (koude) koorts, wisselkoorts: Intermittent fevers are of the type of —; —-fit = aanval van koorts; —-tree = sassefras; Aguey, eigjui = Aguish, eigju-iš = koortsig.

Ah, â, ach, och.

Aha, âhâ, of əhâ, hoera! Mooi zoo! Bah!

Ahead, əhed, vooruit, vooraan: — of her turn = vóór haar beurt; He is — of all = allen vóór; You are — of time = voor uw tijd, uw tijd vooruit; To be — = te wachten staan; Go — = vooruit maar! To see — = in de toekomst zien; To write — = vooruit, vooraf.

Aheap, əhîp, op een hoop.

Ahem, ɐhem, h’m!

Ahoy, əhôi, hola! ehoi! (bij zeelieden, om een schip aan te roepen): Boat —!

Ahull, əhɐl, voor top en takel, d.i. een schip ligt ahull, als bij een storm al de zeilen zijn geborgen en het roer is vastgezet.

Ai, âi, luiaard of ai (aai).

Ai, ai, interj. Helaas! — for the fleecy flocks = Helaas, onze wollige kudden.

Aid, eid, subst. hulp, bijstand; helper; — verb. helpen, bijstaan, verlichten: —s = hulptroepen, toelagen, tollen; First — to the injured = eerste hulp bij ongelukken; I have learned first —; This meeting will greatly — in influencing the whole country = ertoe bijdragen; —er, helper; medeplichtige: First —er = wie First — verleent; —less = hulpeloos.

Aiglet, eiglət, jonge arend.

Aigret(te), eigret (eigret). Zie Egret.

Ail, eil, kwellen, pijnigen, deren: I — nothing, of: Nothing —s me; My friend is —ing = ziekelijk, sukkelend; What —s you to beat me = hoe kom je er bij; Ailment, ongesteldheid.

Aim, eim, subst. doel, vizier(korrel), bedoeling, plan; — verb. mikken, richten, bedoelen, streven naar, zinspelen op: To miss one’s — = misschieten, zijn doel missen; To take — = aanleggen; The author —s higher = streeft een hooger doel na; To — right = het goed bedoelen; juist mikken; What do you — at? = Waarop hebt ge het gemunt? He —ed at my ruin = had het gemunt op; Tell —ed at his boy’s head = mikte op; —er, vingerwijzing; —less, doelloos.

Air, êə, subst. lucht, atmosfeer, windje; wijsje, air; voorkomen, schijn, air: — verb. luchten, warmen, drogen; publiceeren, te koop loopen met: To give oneself —s = zich airs geven; To be wholly up in the — = vaag zijn; He has an — of security about him = neemt graag het air aan van zeker te zijn; To hang in mid-— = in de lucht hangen; To live much in the — = buiten; To take — = ruchtbaar worden; To take the — = een luchtje scheppen; The room was —ed = gelucht; She took an —ing every day = ging rijden (of wandelen), om een luchtje te scheppen; The hotel was opened for an —ing = om te luchten; He is always —ing me in public, and dropping me in private = heeft den mond vol over mij in ’t publiek; To — one’s grievances = te koop loopen met; To — horses = afrijden; —-balloon; —bath, luchtbad; —-brake, êəbreik, luchtrem: The engineer turned on the —-brake = bracht in werking; —-built, —-drawn = ingebeeld; —-cushion, windkussen; —-gun = windroer; —-hole, luchtgat; —-man = aviateur; —-pipe = ventileerbuis; —-pump, luchtpomp; —-tight = luchtdicht; Airiness, luchtigheid, lichtheid, luchthartigheid, etc.; Airy, lucht …, luchtig, hoog; onstoffelijk; luchthartig; onbeduidend: — castles = luchtkasteelen = Castles in the —.

Aisle, ail, zijbeuk (van een kerk), doorgang tusschen zitplaatsen in kerk, schouwburg of wagon.

Ait, eit, eilandje (in eene rivier).

Aix-la-Chapelle, eikslašapel, Aken.

Ajar, ədžâ, op een kier; oneenig: To come — = op een kier gaan staan.

Akimbo, əkimbou, in de zijde: With arms — = op de heupen.

Akin, əkin, verwant.

Alabaster, aləbastə of aləbastə, subst. albast; adj. albasten.

Alack, əlak; —-a-day = helaas! wee!

Alacrious, əlakriəs, vroolijk; —ness, Alacrity, əlakriti, opgewektheid, vlugheid, bereidwilligheid.

Alamode, aləmoud, adj. nieuwmodisch; subst. zwarte taf; —-beef = soort bouillon.

Alar, eilə, gevleugeld, vleugel …

Alaric, alərik, Alarik.

Alarm, əlâm, subst. (alarm)signaal, schrik, ongerustheid; wekker (aan eene klok); appèl (bij het schermen): — verb. ontstellen, verontrusten, alarmeeren: To give the — = alarm maken; To take the — = lont ruiken; To sound an — = alarm blazen; The German emperor has a trick of —ing garrisons at impossible hours = te alarmeeren; They all assembled at the —-post = loopplaats (mil.); —-watch = uurwerk met wekker; Alarmist = alarmist; Alarum, wekker.

Alas, əlas, helaas!

Alb, alb, alba, wit priesterkleed.

Albany, ôlbəni: —-beef (Am.) = steur; —-hemp = brandnetel.

Albatross, albətros, albatros.

Albeit, ôlbîit, ofschoon.

Albemarle, albəmâl.

Albert, albət. Ook: korte horlogeketting = —-chain; — medal = een medaille uitgereikt door de Society of arts; een medaille voor ’t redden van personen.

Albigenses, albidžensîz, Albigenzen.

Albiness, albinəs, albainəs, albina; Albinism, albinisme; Albino, albainou of albînou, albino.

Albion, albiən, Albion.

Album, alb’m, album; vreemdelingenboek (Amer.).

Albumen, albjûm’n, eiwitstof; Albuminize = in eiwit omzetten; met een laagje eiwithoudende vloeistof bedekken; Albuminous (matter) = eiwithoudend (eiwitstof).

Albuminuria, albjuminjûriə, nierziekte (v. Bright).

Alburnum, albɐn’m, spint.

Alcazar, alkâthâ of alkazâ, burcht, paleis; café in Moorschen stijl; campagne.

Alcedo, alsîdou, ijsvogel, koningsvisscher.

Alchemist, alkimist, alchemist; Alchemy, alchemie.

Alcibiades, alsibaiədîz; Alciphron, alsifrən.

Alcohol, alkəhol, alcohol, wijngeest: Wood — = houtgeest; Alcoholic liquors = sterke dranken; —ism = alcoholisme; —ization = rectificatie; —ize = in alcohol omzetten, rectificeeren.

Alcoran, Alkoran, alkərən, alkərân, al-koran, de koran; Alcoranist, uitlegger of aanhanger van den koran.

Alcove, alkouv of alkouv, alkoof, nis; prieel, grot.

Alcyon, alsiən. Zie Halcyon.

Alder, ôldə of oldə, elzeboom.

Alderman, ôldəm’n, wethouder, schepen: — in chains = met saucijsjes behangen kalkoen; —cy (—ship) = de waardigheid van een —; —like = als een —, statig.

Alderney, ôldəni, Alderney; koe v. A.

Aldershot, ôldešot, stad, waarbij een groot militair kamp.

Ale, eil, (Engelsch) bier: Bottled — = ale op flesschen; —-bench = bierbank; —gar, algâ = bierazijn; —-hoof = hondsdraf; —-wife = bierhuishoudster; haringvormige visch.

Alee, əlî, aan (naar) lij: To put the helm —.

Alembic, əlembik, destilleerkolf.

Alert, əlɐ̂t, waakzaam; subst. een waarschuwingssein: To be on the — = op zijne hoede zijn; vurig uitzien naar (for); subst. —ness, wakkerheid.

Aleutian Islands, aliûš’nail’ndz, Aleutische eilanden.

Alexander, aləgzandə, Alexandra, aləgzandrə; Alexandria, aləgzandriə; Alexandrian, aləgzandriən, alexandrijnsch; Alexandrine, aləgzandrin, alexandrijn.

Alf(red), alf(red).

Alga, algə, alge; —e, aldži, algen; —l, algenachtig.

Algebra, aldžəbrə, algebra; Algebraic(al), algebraïsch; Algebraist, aldžəbrei-ist, algebraïst.

Algeria, aldžîrjə, Algerije; —n = Algerijn(sch).

Algernon, aldženən.

Algid, aldžid, koud; Algidity = koude.

Algiers, aldžîəz Algiers.

Algous, algəs, algenachtig, vol algen.

Alguazil, algwazîl, (Spaansch) konstabel.

Algy, aldži; Ali, âlî.

Alias, eilias, adj. anders genoemd; subst. alias; Inter alia, intəreiljə onder anderen.

Alibi, alibai, subst. alibi: I proved my — = bewees mijn alibi.

Alice, alis.

Alien, eilj’n, vreemd, buitenlandsch, in strijd met (to); subst. vreemdeling, iemand niet in het bezit der burgerschapsrechten; —-Act = vreemdelingenwet; —ability = vervreemdbaarheid; —able = vervreemdbaar, overdraagbaar; —ate, eiljənit, adj. vervreemd; — verb. (eiljəneit) vervreemden, overdragen; subst. —ation: Mental — = waanzin; Alienee = nieuwe eigenaar. —ism = vreemdelingschap; —ist = dokter voor krankzinnigen.

Alight, əlait, adj. aangestoken, brandend, verlicht: Her eyes are — = schitteren; He intends to set the Thames — = hij heeft groote plannen; The crocuses were — = in bloei.

Alight, əlait, uitstappen, afstijgen, neervallen, neerstrijken, aantreffen: To — at an hotel = afstappen; To — from a horse = afstijgen; The bird —ed on the branch = neerstrijken.

Align, əlain, (zich) richten; —ment, richting; tracé.

Alike, əlaik, gelijk, op dezelfde wijze: They are very much — = gelijken veel op elkaar; They are all treated — = op dezelfde wijze; — brilliant and … = zoowel … als.

Aliment, aliment, subst. voedsel; levensonderhoud; — verb. (iemand) onderhouden; Alimental, voedzaam; Alimentary, voedend, voedings …: — canal = voedingskanaal; Alimentation, voeding, voedzaamheid, onderhoud: Derangements of — = voedingsstoornissen.

Alimony, aliməni, onderhoud, alimentatie.

Aline, əlain = Align.

Alive, əlaiv, in leven, levend, levendig, gevoelig voor; lettend op, bewust: The best man — = van de wereld; No man — = geen sterveling; All — = met oogen en ooren open; He is terribly — to an affront = zeer gevoelig voor; To be — with = wemelen van; Look — = vlug wat, maak voort; They skinned him — = vilden hem levend, sloegen hem rauw.

Alkali, alkəli, loogzout; —ne, alkəl(a)in, alkalisch; —zation, alkalisatie; —ze, alkaliseeren; Alkaloid, alkəlôid, alkalisch; alkaloïde.

All, ôl, subst. het geheel, het alles, allen; adj. en adv. geheel, gansch, volkomen: When — is said (told) = bij slot van rekening = After —; That’s — = en daarmee is het uit; They have lost their (little) — = al wat zij bezaten; My boy is my —; — and sundry = allen zonder onderscheid; I have known him — along = al dien tijd; It is — along of you = alles uw schuld; — but = bijna; This sentence is — capitals = bestaat geheel uit; — day (the town) = de geheele; I am — ears and eyes = ik luister en zie zoo scherp toe als me mogelijk is; On — fours = op handen en voeten; It is — one (the same) to me = hetzelfde; He is a fool — over = een groote dwaas; That’s D. — over = net iets voor, lijkt precies op; He is — right = gezond, klaar, binnen, etc.; Did it cost — that? = zóóveel? Not — there = niet recht snik; — through = van begin tot einde; — of a sudden = plotseling; — the better = des te beter; — the better for = veel beter vanwege; If you do it at — = nog, soms mocht doen; I asked her if she was at — acquainted with him = soms ook; If you are telling a lie at — = toch eenmaal liegt; What she did at —, she did thoroughly = wat ze nu eenmaal deed; The be — and end — of life = in zijn geheel; Take that man for — in — = geheel zooals hij is; For — I know = voor zooverre ik weet; This is a time of — others = vooral een tijd; How can you say such things, and about me of — people = en nog wel van mij; To-night of — nights = nog wel van avond; Fifteen — = 15 gelijk (bilj.); How could you understand at your age and — = trouwens ook op jou leeftijd; Not at — = in ’t geheel niet; —-comers = allen, die zich aanmelden; —-father = alvader, godheid; —-fools’ Day = de eerste April; —-fours = een zeker kaartspel; An —-gone sensation = gevoel, dat men voor de poes is; —-hail = gegroet! —-hallow(s) = Allerheiligen, 1e November; An —-in match = wedstrijd, waaraan allen meedoen, bijv. potspel (bilj.): —-over, ziek, misselijk; —-overish = onlekker; —-round = rondom, in den regel, veelzijdig, van zessen klaar: An —-round actor = voor alle rollen geschikt; —-round price (rate) = uniform vracht, prijs van een artikel in zijn verschillende soorten; —-Souls’ Day = Allerzielen, 2e November; —-spice, myrt, nagelbol, pimentbes; The —-wise (—-powerful, and —-good) = de Alwijze, etc.

Allah, ala, Allah; Allahabad, alahabâd.

Allay, əlei, doen bedaren, stillen, verzachten, verlichten; —er, verzachter, verzachtend middel.

Allegation, aligeiš’n, bewering, getuigenis; citaat.

Alledge, Allege, əledž, verklaren, aanvoeren, beweren; adj. —able.

Alleghany, aləgeini: — Mountains.

Allegiance, əlîdž’ns, trouw: Oath of — = eed van trouw; To swear —; Allegiant, trouw.

Allegoric(al), aləgorik(’l), allegorisch; —alness; Allegorization = allegor. behandeling; Allegorize = allegor. voorstellen; Allegory = allegorie.

Alleluia, alilûjə, Hallelujah!

Al(l)emanni, aləmanai, Allemannen; Allemannic, Allemanisch.

Alleviate, əlîvjeit, verlichten, verzachten; Alleviation = verzachting(smiddel); Alleviator = verzachtend middel.

All(e)y, ali, steeg, laan, gang, baan (kegel —): Blind — = blinde steeg.

Alliance, əlai’ns, verbond, verbintenis, verwantschap, band: To enter into (form, make) an — = een verbond aangaan.

Alligation, aligeiš’n: Rule of — = alligatie rekening.

Alligator, aligeitə, (Amerikaansche) krokodil, kaaiman.

Alliterate, əlitəreit, allitereeren; Alliteration, əlitəreiš’n, stafrijm, alliteratie; Alliterative, allitereerend.

Allocate, aləkeit, toewijzen; Allocation, toewijzing.

Allocution, aləkjûš’n, allocutie, Latijnsche toespraak v. d. Paus tot de verg. kardinalen.

Allodial, əloudj’l, allodiaal; Allodium, əloudj’m, allodium.

Allonge, Fransche uitspr., verlengstuk; uitval; leireep.

Allopath, aləpath, allopaat; adj. Allopathic; Allopathist = allopaat; Allopathy, əlopəthi, allopathie.

Allot, əlot, volgens het lot toebedeelen, toewijzen; —ment = toewijzing; halve soldij of huur aan het gezin van soldaat of matroos: —ments-act (1887) = wet, waarbij de Sanitary Authority v. een district wordt gemachtigd stukken grond te koopen of te onteigenen ten behoeve van arbeiders, die zich voor het huren daarvan aanmelden; Allotee = wien iets toebedeeld wordt; —ter = toebedeeler.

Allow, əlau, toestaan, veroorloven, erkennen, aftrekken, beweren (Amer.): — for = in aanmerking nemen; aftrekken; He was —ed a hundred a year = hij kreeg; He is —ed to be a fool = iedereen geeft toe dat hij is; The estimate does not — for any increase of value = bij de schatting is geen rekening gehouden met; He —s of your excuse = neemt aan; The season —s of it now = veroorlooft; —able, veroorloofd, af te trekken, rechtmatig; Allowance = vergunning, rabat, rantsoen, toelage; — verb. eene toelage geven; op dieet stellen: Dress — = kleedgeld; Regulation — = rantsoen; His weekly — = weekgeld; I will give due — for that fact = voldoende rekening houden met; You must make —(s) for his hard words = door de vingers zien; To place on an — = op rantsoen stellen.

Alloy, əlôi, subst. allooi, bijmenging, vermindering; — verb. legeeren: Without — = onvermengd; —age, legeering.

Allude, əl(j)ûd, zinspelen, toespelen: Did you — to that circumstance?

Allure, əl(j)ûə, aanlokken, verlokken; —ment, verlokking, aas, aantrekkelijkheid.

Allusion, əl(j)ûž’n, toespeling; Allusive = toespelend; subst. —ness.

Alluvial, əl(j)ûvj’l, alluviaal; Alluvion, alluvie; Alluvium = alluvium.

Ally, əlai, subst. bondgenoot; verb. verbinden: To be allied = verbonden (verwant) zijn.

Alma(h), alma, Oostersche zangeres en danseres.

Almadia, almədîə; Almadie, almədi, eene boot of kano van boombast (Indië, Afrika).

Almagra, əlmagrə, almagra.

Almanac, ôlmənak, almanak: Pictorial — = geïllustreerde; — of the million = volks-almanak.

Almandine, alm’nd(a)in, roode granaat.

Almightiness, ôlmaitinəs, almacht; Almighty, ôlmaiti, almachtig: subst. de Almacht(ige): God —; The — dollar = de almacht v. h. geld.

Almond, âm’nd of almənd, amandel: Jordan —s = Malaga amandelen; Soft-shelled — = kraakamandel; —-nails = fijne, schoon geronde nagels.

Almoner, almənə, aalmoezenier; Grand —, Lord High — = Groot-aalmoezenier; Almonry, alm’nri, woning v. d. aalmoezenier; plaats in een klooster waar aalmoezen worden uitgedeeld.

Almost, ôlmoust, bijna, nagenoeg: He is an — Protestant; My — sister = mij bijna zoo dierbaar als een zuster; — never = bijna nooit.

Alms, âmz, aalmoes, aalmoezen: —-bag = kerkezakje; He lives on the —-basket = van liefdadigheid; —-box = offerbus = —-chest; —-deed = daad van liefdadigheid; —-house = hofje, armenhuis; —-man, âmzman, provenier, bedeelde (vr. —-woman); —-people = bedeelden.

Alnwick, anik, Alnwick.

Aloe, alou, aloe; —s, alouz, aloesap; Aloetic = aloeachtig; aloepreparaat.

Aloft, əloft, omhoog, boven aan (in) den mast: To go — = naar boven (in het want) gaan; To pipe — = een fluitsignaal daartoe geven.

Alone, əloun, alleen, eenzaam: Let — = om nog niet te spreken van; Let (leave) him — = laat hem met rust, begaan; Let it — = blijf er af; Let well — = als iets goed is, wees daar dan ook tevreden mee; stuur den boel niet in de war door je bemoeizucht; Let him — to be in time = laat hem maar loopen, hij komt wel op tijd; Let your brother — for a clever administrator = die broeder van u is toch; She can walk — = alléén loopen.

Along, əloŋ, voort, vooruit, langs: Come — = kom mee; She made her way — = zette voort; Twenty miles — = verder op; All — = over de geheele lengte; al dien tijd; I guessed it all — = al dien tijd, altijd wel; It is all — of you = ’t komt alles door u; Go — with you = och loop! We went there — with him = in zijn gezelschap; Take this — with you = neem het mee; — shore = langs de kust: —-shore-man = scheepssjouwerman; —-side = langs zij.

Aloof, əlûf, op een afstand, ver; te loevert: To keep — = zich op een afstand houden, neutraal blijven; This sorrow shook her — from life = vervreemdde haar van; The Scotch and the Frisians stand in the repute of characteristic —ness = hebben den naam, dat hun aard niet toeschietelijk is; An —ness from people = gereserveerdheid.

Alost, âlost, Aalst (stad).

Aloud, əlaud, luide.

Alow, əlou, beneden, naar beneden.

Alp, alp, alp, bergweide; —ine, alp(a)in, adj. alpijnsch, alpen …, zeer hoog: —en-horn; —enstock = alpenstok; The —s.

Alpaca, alpakə, alpaca.

Alpha, alfə: — and Omega.

Alphabet, alfəbet, subst. Het Abc; — verb. alphabetisch rangschikken: They have to learn the — of their business = het A.B.C., de grondbeginselen; —arian, beginneling; Alphabetic(al), alphabetisch.

Already, ôlredi, reeds.

Alroy, ôlrôi; Alsace, alsâs, Alsatia, alzeišə, de Elzas; ook: een vroeger berucht gedeelte van Londen; Alsatian, Elzasser, subst. en adj.

Also, ôlsou, eveneens, ook.

Alt, ôlt, alt(stem).

Altar, ôltə, altaar, de avondmaalstafel, heiligdom: He led her to the — = naar het altaar; —-cloth = altaardwaal; —-piece = altaarstuk; —-table, altaartafel; —-tomb = altaartombe.

Alter, ôltə, veranderen: To — one’s condition = van betrekking veranderen; huwen; —ability = veranderlijkheid; —able, veranderlijk; subst. —ableness; —ation, verandering; —ative = veranderend, subst. bloedzuiverend geneesmiddel.

Altercate, altəkeit, twisten, kijven; Altercation = ruzie.

Alternate, altɐ̂nit, ôltɐ̂nit, adj. alternatief, beurtelings, afwisselend; subst. plaatsvervangend predikant; — verb. altəneit, ôltəneit, beurtelings doen, afwisselen; subst. —ness; Alternation, afwisseling; permutatie; beurtzang; Alternative = alternatief; ook subst.: They went there alternat(iv)ely = om beurten.

Althea, al-thîə, althea, stokroos.

Altho(ugh), ôldhou, (al)hoewel, ofschoon.

Altimeter, altimətə, altimeter; Altimetry, altimetrie.

Altitude, altitjûd, hoogte, hoogtepunt: To take the sun’s — = de zon schieten (zeet.); He is in his — = buitengewoon vroolijk; adj. Altitudinal.

Alto, altou, alt: —-clef (= klef) = alt-sleutel = —-key.

Altogether, ôltəgedhə, in het geheel, volkomen: That’s — wrong = heelemaal mis; — they formed a picture = alles te zamen, alles bijeen genomen.

Altruism, altruizm, altruïsme; Altruist, altruïst; Altruistic = altruïstisch.

Alum, al’m, subst. aluin; — verb. met aluin vermengen; —-water = aluinwater.

Aluminium, aljuminj’m = aluminium.

Alutaceous, aljuteišəs, lederachtig, lederkleurig.

Alveary, alvjəri, bijenkorf, (buitenste) oorholte.

Alveolar, alvîələ, alviələ, tand …; Alveolus, əlvîəlɐs, honigcel, tandholte.

Alvine, alv(a)in, onderbuiks …

Alway(s), ôlwi(z), altijd, steeds, geregeld.

Alwin, alwin, Alewijn.

Amadou, amədû, tonder, zwam.

Amain, əmein, met alle kracht, in eens, gauw: Let go — = strijk! vallen!

Amalgam(a), əmalgəm(ə), amalgaam, mengelmoes; —ate, əmalgəmit, vermengd; — verb. əmalgəmeit, amalgeeren, (zich) vermengen; —ation, amalgatie.

Amanuensis, əmanjuensis, amanuensis.

Amarant(h), amərant(h), —hus, aməranthəs, amarant; purperkleur; Amaranthine, amarant; onvergankelijk.

Amaryllis, amərilis, amarillis.

Amass, əmas, ophoopen; —ment, ophooping.

Amateur, amətɐ̂, amətjuə, amətjuə, amateur; His work is —ish = als van een dilettant; —ism, dilettantisme.

Amatory, amətəri, verliefd, liefde …; minnedrank.

Amaurosis, amôrousis, zwarte staar; adj. Amaurotic.

Amaze, əmeiz, verbazen, ontstellen; subst. verbazing = —ment.

Amazon, aməz’n, amazone, manwijf, heldin; Amazonian = strijdbaar.

Ambages, ambeidžiz of ambədžiz, omhaal van woorden, uitvluchten; adj. Ambagious.

Ambassador, ambasədə, (af)gezant; Ambassadorial, gezantschaps …, diplomatiek; —ship; Ambassadress, afgezante, vrouw van den afgezant.

Amber, ambə, subst. amber, barnsteen; adj. amber: —grease = —gris = ambergrijs.

Ambidexter, ambidekstə, iemand, die beide handen even vaardig kan gebruiken; een onoprecht, dubbelhartig mensch; Ambidexterity, vaardigheid met, etc.; Ambidextrous, vaardig met beide handen; dubbelhartig.

Ambient, ambj’nt, omringend: — air = dampkring.

Ambiguity, ambigjûiti, Ambiguous(ness), ambigjuəs(nəs), dubbelzinnigheid.

Ambition, ambiš’n, eerzucht; wrok, nijd (Amer.); Ambitious = eerzuchtig, begeerig, hoogdravend, aanstellerig, schitterend; subst. —ness.

Amble, amb’l, subst. telgang, kalme gang; verb. (laten) loopen als een telganger; voorzichtig of gemaakt loopen; —r = telganger.

Ambrose, ambrouz, Ambrosia, ambrouž(i)a, ambrosia, godenspijs; —l, ambrozijnsch, hemelsch; zwierig: They appeared in —l locks and rolling collars; —n = —l.

Ambry, ambri, etenskast, vliegenkast.

Ambs-ace, amzeis, eimzeis, dubbel een of aas; ongeluk.

Ambulance, ambjul’ns, ambulance, ambulance-wagen = —-cart (-wagon); —-man = drager.

Ambulate, ambjuleit, rondtrekken; Ambulator = afstandsmeter; Ambulatory court = rondgaand gerechtshof.

Ambuscade, ambəskeid, Ambush, ambuš, subst. hinderlaag; — verb. in hinderlaag liggen, plotseling aanvallen: To lay an — for (To lie in —).

Ameer, əmîə, (Afghaansch) emir.

Amelia, əmîljə, Amalia.

Ameliorable, əmîljərəb’l, te verbeteren; Ameliorate, əmîljəreit, verbeteren, beter worden; Amelioration, verbetering, stijging; Ameliorative, verbeterend.

Amen, eimen, âmen, het zij zoo, amen: To say Yes and — to everything.

Amenable, əmînəb’l, verantwoordelijk; afhankelijk (to); onderworpen; vatbaar, ontvankelijk voor; —ness = verantwoordelijkheid, etc.

Amend, əmend, verbeteren, amendeeren; beter worden: He —ed his ways = beterde zich; —able, voor verbetering vatbaar; —atory = verbeterend (Amer.); —ment, verbetering, amendement: To move an —ment; —s = excuus, vergoeding: To make —s for.

Amenity, əmeniti, aangenaamheid, vriendelijkheid; Amenities = beleefdheden, lievigheden.

Amerce, əmɐ̂s, beboeten met geld (in money); —ment, boete.

America, əmerikə, —n, əmerik’n, subst. en adj. Amerikaan(sch): —n fair = een soort liefdadigheidsbazaar; —n leather = een soort van donkerbruin wasdoek; The America Cup = een beker, die voor ’t eerst in 1851 door de Royal Yacht Squadron als prijs werd aangeboden; —nism = voorliefde v. het Amerik.; Amerik. eigenaardigheid v. taal, etc.; —nist = kenner v. Amerik. toestanden; —nize = veramerikaanschen; Americomania = manie voor alles wat Amerik. is.

Amesbury, eimzbri.

Amethyst, aməthist, amethist; purperkleur; —ine, violetkleurig.

Amiability, eimjəbiliti, beminnelijkheid; Amiable, eimjəb’l, beminnelijk, lief; —ness.

Amiant(h)us, amian-təs, asbest, steenvlas.

Amicability, amikəbiliti, vriendschappelijkheid; Amicable, amikəb’l, vriendschappelijk, welwillend; subst. —ness.

Amice, amis, amictus, de strook linnen, die de priester bij de mis over den schouder draagt; soort toga.

Amid(st), əmid(st), te midden van: —ships = mid(den)scheeps.

Amir, əmîə = Ameer.

Amiss, əmis, verkeerd, te onpas: Don’t take it — = kwalijk; That is not — = niet kwaad.

Amity, amiti, vriendschappelijke verhouding: All is — and sweetness = pais en vree, botertje tot den boom.

Amma, amə, breukband.

Ammonia, əmounjə, ammonia: Liquid — = salmiakgeest: —c = Ammoniacal, ammoniak.…; Ammonium, ammonium.

Ammunition, amjuniš’n, krijgsvoorraad; ’model’-(mil.): —-boots = “model” schoenen; —-bread = kommiesbrood; —-cart = munitiewagen.

Amnesia, amnîsiə, verlies van ’t geheugen.

Amnesty, amnəsti, subst. amnestie; verb. amnestie verleenen.

Amock, əmok. Zie Amuck.

Among(st), əmɐŋ(st), vermengd met, te midden van: — ourselves = onder ons gezegd; We bought the house and garden — us = met ons allen (méér dan twee).

Amorist, amərist, minnaar; Amorous, verliefd, liefdes..; subst. —ness.

Amorphous, əmöfəs, vormloos, amorphe.

Amortization, əmötizeiš’n, overdracht, amortisatie; Amortize, əmötaiz, goederen schenken of overdragen (in de doode hand); amortiseeren; subst. —ment.

Amount, əmaunt, subst. som, bedrag; hoofdinhoud: — of balance = saldo: verb. bedragen: The debit —s to 50 guilders a head = bedraagt.

Amour, əmûə, minnarij.

Amove, əmûv, wegzenden, ontzetten.

Amphibia, amfibjə, amphibieën; Amphibian, amfibjən, tweeslachtig (dier); Amphibiology = de leer der amphibieën; Amphibious = tweeslachtig.

Amphibrach, amfibrak, amphibrachys (⏑ – ⏑).

Amphiscians, amfisiənz; Amphiscii, amfisiai, dubbelschaduwigen.

Amphitheatric(al), amfithiatrik(’l), amphitheatersgewijze; Amphitheatre, amfithîətə, amphitheater.

Amphitrite, amfitraiti, vrouw van Poseidon; kokervorm.

Amphora, amfəra, amphora.

Ample, amp’l, groot, ruim, breedvoerig, prachtig; —ness, grootte, etc.; Amplification = vergrooting, uitweiding; Amplify = vergrooten, uitbreiden, uitweiden.

Amplitude, amplitjûd, grootte, uitgestrektheid, rijkdom; amplitudo: — of oscillation = slingerwijdte.

Ampulla, ampɐla, fleschje bij de Romeinen in gebruik ter balseming van het lichaam na het baden; glazen karafjes bij het Misoffer gebruikt; zilveren (tinnen) busjes met H. olie gevuld; fleschjes met bloed gevuld en gelegd bij de graven der martelaren; Ampullaceous, blaasvormig.

Amputate, ampjuteit, afzetten; Amputation = amputatie; Amputator = hij, die amputeert.

Amsel, ams’l, lijster.

Amuck, əmɐk, amok: To run — against = in blinde woede aanvallen.

Amulet, amjulet, amulet.

Amuse, əmjûz, (aangenaam) bezighouden, vermaken: To be —d at (by, in, with) = zich vermaken met, pret hebben over; Amusement, vermaak, tijdverdrijf; Amuser = iemand die met beloften paait; handlanger.

Amy, eimi.

Amygdalate, əmigdəleit, subst. amandelmelk; adj. amandelachtig.

An, ən, art. het onbepaald lidwoord (vóór vokalen); conj. indien, of; prep. = on.

Ana, einə of ânə, letterkundige anecdoten over, uitspraken van: Shakespeariana.

Anabaptism, anəbaptizm, Anabaptisme; Anabaptist = Anabaptist; Anabaptistic(al) = Anabaptistisch.

Anachronism, ənakrənizm, anachronisme, Anachronistic = anachronistisch.

Anaconda, anəkonda, python, reuzenslang.

Anacreon, ənakrion, Anacreon; Anacreontic, anacreontisch (vers).

Anaemia, ənîmiə, bloedarmoede; Anaemic, ənemik, bloedarm.

Anaesthetic, anəs-thetik, gevoelloos, verdoovend; subst. verdoovend middel; Anaesthetize = verdooven.

Anagram, anəgram, anagram; —matic(al), een anagram betreff. of vormend.

Anak, einak: Son of —.

Analecta, anəlekta, Analects, anəlekts, bloemlezing; Analectic, Anal. betreffende.

Analepsis, anəlepsis, herstel van krachten; Analeptic, subst. en adj., versterkend (middel).

Analepsy, anəlepsi, herstelling.

Analogical, anəlodžik’l, analogisch; Analogism, ənalədžizm, gevolgtrekking uit analogie; Analogize = analogisch verklaren; Analogous = analogisch; Analogue = analogon; Analogy, ənalədži, analogie: By false — with; In — with; On the — of.

Analysable, anəlaizəb’l, anəlaizəb’l = ontleedbaar; Analysation = analyse; Analyse = analyseeren, oplossen; Analysis = analyse, oplossing; Analyst = scheikundige: Public — = ambtenaar met het onderzoek van voedingsmiddelen belast; Analytic(al) = ontledend.

Anana(s), ənanə, əneinəs, ənânəs, ananas.

Anapaest, anəpest, anapaestus (⏑ ⏑ –).

Anarch, anək, onruststoker; tyran; Anarchic = anarchistisch; —ism = anarchisme; —ist = anarchist; —y = anarchie.

Anasarca, anəsâka, huidwaterzucht; Anasarcous, huidwaterzuchtig.

Anathema, ənathəma, anathema, banvloek; —tization = excommunicatie, vervloeking; Anathemize = vervloeken.

Anatomical, anətomik’l, anatomisch; Anatomist = anatoom; Anatomize = ontleden; Anatomy = ontleedkunde, ontleding; geraamte.

Ancestor, ansəstə, stamvader, voorvader; Ancestorial = Ancestral, ansestrəl, ansestrəl, voorvaderlijk; Ancestress, ansəstrəs, stamvrouw; Ancestry = geslacht, afstamming, (hooge) geboorte, voorvaders.

Anchor, aŋkə, subst. anker; — verb. ankeren, rusten: I had an — to windward = nog iets achter de hand, in reserve; To be at — (= To ride at —) = voor anker liggen; To cast, drop (let go the) — = laten vallen; To weigh (the) — = het anker lichten; The fluke (of an —) = hand, klauw; Sheet — = plechtanker (ook fig.); —age = ankergrond, ankerplaats, liggeld: The ship was cast loose from her — = is losgeslagen.

Anchoret, aŋkərət, Anchorite, aŋkərait, kluizenaar.

Anchovy, antšouvi, ansjovis.

Ancient, einš’nt, oud, uit vroegeren tijd, eerwaardig, verjaard; subst. grijsaard, oudere collega; vlag, vaandrig; The —s = de Ouden, klassieken; oudsten: The — of Days = God de Vader; —ness, oudheid; —ry = ouderdom, voorrang, hooge geboorte.

Ancillary, ansiləri, ondergeschikt, aanvullend.

Ancipital, ansipit’l, tweesnijdend = Ancipitous.

And, and of ən(d), en: Without buts, ifs and —s = zonder voorbehoud; — all that (sort of thing) = en dergelijke (meer); Deeper — deeper = al dieper; She wept — wept = schreide al maar door; Try — take it = tracht het te nemen; What’s that — please you? = met uw verlof, wat is dat?

Andalusia, andəl(j)ûžə, Andalusië; —n, Andalusisch; Andalusiër; Andaman, andəman: — Islands.

Andante, andante, adj. andante; subst. andante; Andantino, andantînou, andantino, adj. en subst.

Andes, andîz, de Andes.

Andiron, andaiən, vuurbok; het ijzer, waarin het spit draait; haardstel.

Andrew, andrû, Andries: Merry — = Hansworst; St. Andrews, s’ntandrûz.

Androgynal, androdžin’l = Androgynous, androdžinɐs, tweeslachtig; Androgyny, tweeslachtigheid.

Andromache, androməkî; Andromeda, andromədə; Andronicus, andrənaikəs.

Anear, ənîə, nabij.

Anecdotage, anəkdoutədž, verzameling anecdoten: He fell into — = werd sufferig; Anecdotal = anecdotisch; Anecdote = anecdote; Anecdotic(al) = anecdotisch, anecdoten …, praatziek.

Anemograph, əneməgraf, anemograaf; Anemography = anemographie; Anemometer, anəmomətə, anemometer.

Anemone, Anemony, əneməni, anemoon.

Aneroid, anerôid, aneroïde barometer.

Anew, ənjû, opnieuw, anders.

Angel, einž’l, engel, Godsgezant, oude Engelsche munt (± 10 s.): Talk of an —, and we hear the flutter of her wings = als men van den duivel spreekt, komt hij zelf, of stuurt een oud wijf; The father gave his little cherub a flying — = de vader nam zijn kleinen lieveling op den schouder; Guardian — = beschermengel; —-shot, kettingkogel; Angelic(al) = engelachtig; Angelology = engelenleer.

Angelica, andželikə, engelkruid.

Angelot, anžələt, eene soort luit; oud Eng. muntstuk van 5 shillings; kaas (uit Normandië).

Angelus, anžəlɐs, de “Angelus” verkorte aanduiding van het gebedje “Angelus Domini nuntiavit Mariae”, etc. Het wordt driemaal daags gebeden bij ’t luiden van het Angelus klokje = —-bell.

Anger, aŋgə, subst. toorn, gramschap, verontwaardiging; — verb. vertoornen, tergen.

Angevin Kings, andžəvinkiŋz, koningen uit het huis van Anjou.

Angina, andžinə, andžainə, een soort keelontsteking; adj. Anginous.

Angle, aŋg’l, subst. hoek, haak; Acute (Adjacent, Alternate, External, Internal, Obtuse, Right) —; At right —s to = rechthoekig op; (To branch off at right —s from, (To turn off) at right —s to) = rechthoekig staan op (van straten); To go off at a right — = dadelijk heengaan; You had better set your wishing-cap at another — = deed beter iets anders te wenschen.

Angle, aŋg’l, hengel; — verb. hengelen: He was angling for a compliment = vischte naar een compliment; —r = hengelaar; Angling-line = hengelsnoer; Angling-rod = roede.

Angle(s), aŋg’l(z), Angel(en); Anglia, aŋgliə, Anglia; Anglian, aŋgliən, subst. Angel; adj. van de Angelen.

Anglican, aŋglik’n, Anglikaansch; subst. Anglikaan; lid van de Angl. Church; Anglicanism, leer der Angl. kerk; Anglice, aŋglisi, in het Engelsch; Anglicism, aŋglisizm, Engelsch idioom; Anglicize, verengelschen.

Anglo, anglou (in samenstellingen), Engelsch; —-American = Engelsch-Amerikaansch; subst. Amerikaan van Engelsche afkomst; —-catholic, subst. en adj. Engelsch-Katholiek; —-catholicism, anglo-katholicisme; —-Indian = Engelsch-Indisch; subst. Engelschman wonende in Indië; —-Israelites, izrəlaits = secte uit de laatste helft dezer eeuw, bewerende, dat de Engelschen de verloren “Tien Stammen” waren; —-mania = manie voor Engelsche gewoonten en zeden; —phobe, iemand die Engeland vreest (haat); —phobia = vrees voor Engeland; —-Saxon = Angelsaksisch; subst. Angelsakser.

Angora, aŋgôrə: —-cat (-goat, -wool).

Angriness, aŋgrinəs, boosheid; Angry, aŋgri, boos; stormig; ontstoken, pijnlijk: — at (a person); — about, with (a thing); To get (grow, become) — = boos worden.

Anguilliform, aŋgwiliföm, aal- of slangvormig.

Anguish, aŋgwiš, subst. angst, pijn, smart: — of (the) mind = zielesmart.

Angular, aŋgjulə, hoekig, stijf, hoek …; Angularity = hoekigheid, stijfheid; Angulate(d) = Angular.

Anhydrous, anhaidrəs, watervrij.

Anight(s), ənait(s), in den nacht.

Anil, anil, indigo-plant (West-Indië).

Anile, an(a)il, kindsch.

Aniline, anil(a)in, aniline.

Anility, əniliti, kindschheid.

Animadversion, animadvɐ̂š’n, waarneming, inzicht; berisping, verwijt, critiek; adj. Animadversive; Animadvert, animadvɐ̂t, waarnemen; berispen, etc. (on).

Animal, anim’l, subst. dier; adj. dierlijk: — charcoal = beenderkool; — food = vleeschvoeding; — kingdom = dierenrijk; — spirits = levenslust; —s Protection Act = wet op de dierenbescherming; Society for the Prevention of Cruelty to —s = genootschap ter bescherming van dieren; Animalcule, animalkjûl, microscopisch diertje; meerv. Animalcula, animalkjulə; Animalism = dierlijkheid; Animality = dierlijke natuur, dierlijk leven.

Animate, animeit, bezielen, opwekken: —d nature = dierenrijk; adj. animit, bezield, levendig; Animation = bezieling, levendigheid, animo.

Animosity, animositi, verbittering, haat, vijandschap.

Animus, animɐs, gezindheid, doel; verbittering, wrok: Their words were dictated by — and self-interest = hun ingegeven door hunne vijandige gezindheid.

Anise, anis, anijs: We pay too much attention to the — and cu(m)mins of literature = minder belangrijke zaken (Mattheus XXIII, 23); Aniseed = anijszaad: The devotees of the aniseed-bag = liefhebbers van eene zoogenaamde drag-hunt, die “ride after the red-herring”, i.e. een net of hazevel gevuld met de litter van een tammen vos, langs den grond gesleept en om de vijf minuten besprenkeld met een paar druppels “oil of aniseed”, een spoor, dat de honden na eenige oefening getrouw volgen.

Anisette, aniset, anisette.

Anker, aŋkə, vochtmaat van 10 gallons (= 45,4358 L.).

Ankle, aŋk’l, enkel: —-deep; —-jacks = halve laarzen; —-joint = enkelgewricht; Anklet = enkelring, -sieraad, -verband.

Ankus(h), aŋkəs (aŋkəš), drijfstok van een mahout.

Anlace, anleis, hartsvanger.

Ann(e), an, Anna, anə, Anne, Anna.

Annal, an’l: —s, annalen; Annalist, schrijver van annalen.

Anneal, ənîl, brandverven, émailleeren; temperen; uitgloeien; —ing-furnace = temperoven.

Anectant, ənekt’nt, verbindend, overgangs …; Annex, əneks, aanhechten, toevoegen, vereenigen; subst. bijlage, bijgebouw(tje) = —e; Annexation, bijvoeging, annexatie.

Annesley, anzli.

Annihilate, ənaihileit, vernietigen, te niet doen; Annihilation, vernietiging; Annihilator: Fire — = bluschapparaat.

Anniversary, anivɐ̂s’ri, jaarlijksch; subst. verjaardag, jaarfeest: The four hundredth — of the discovery of America.

Annotate, anəteit, annoteeren; Annotation = annotatie; adj. Annotative; Annotator, schrijver van annotaties.

Announce, ənauns, aankondigen, aanmelden (to); —ment, aankondiging.

Annoy, ənôi, subst. (= —ance) = plaag, ergernis; schade, beschadiging; — verb. ergeren, kwellen, hinderen; The —ing boy read a tedious book = vervelende (lastige) … vervelend.

Annual, anjuəl, jaarlijksch, één jaar durend; subst. éénjarige plant, jaarlijks uitkomend boek, een soort Muzen Almanak; Annuary = jaarboek.

Annuitant, ənjûit’nt = hij, die een jaarlijksche rente geniet; Annuity, ənjûiti, jaargeld, annuïteit.

Annul, ənɐl, vernietigen; afschaffen, herroepen; —ment, vernietiging, etc.

Annular, anjulə, ringvormig, ring..: — eclipse of the sun; Annulate(d) = geringd; Annulation = ringvormige bouw; Annulet, anjulet, ringetje; Annulose, anjulous, anjulous, uit ringen bestaande.

Annunciate, ənɐnš(i)eit (= Announce). Annunciation Day = Maria Boodschap (R.K. kerk, 25 Maart); Will you be so kind as to touch the annunciator (button) = knopje van electrische of luchtschel.

Anodyne, anədain, pijnstillend; subst. pijnstillend middel.

Anoint, ənôint, zalven: The Lord’s —ed = de Gezalfde des Heeren; subst. —ment.

Anomalous, ənoməlɐs, anomaal, afwijkend, onregelmatig; subst. Anomaly.

Anon, ənon, dadelijk, aanstonds; weer: Ever and — = telkens weer, nu en dan.

Anonym, anənim, anonymus, pseudoniem; Anonimity = anonymiteit; —ous, anonimɐs, anoniem; subst. —ousness.

Another, ənɐdhə, een ander, nog een: One — = elkander; Such — creature = een dergelijk schepsel; Have — glass = neem nog een glas (ter onderscheiding van; an other glass = een ander glas); One misfortune rides upon —’s back = een ongeluk komt nooit alleen; He is a fool, and I am — = en ik ook; One thing with — = het eene met het andere.

Anselm, ans’lm, Anselmus.

Anser, ansə, gans; —ine, ansər(a)in, als van een gans, dom.

Anstruther, anstrûthə, anstrûthə, anstə.

Answer, ânsə, subst. antwoord, verantwoording, oplossing; — verb. antwoorden, beantwoorden, respondeeren, instaan voor, boeten, luisteren naar, voldoen, rendeeren, bevredigen, passen, oplossen: An — will oblige = er wordt op antwoord gewacht; There was no — = er werd niet op antwoord gewacht; To call a person to — = ter verantwoording; To — the bell (call, door) = opendoen; To — a letter; What you say there, does not — our purpose = is niet geschikt voor; It seldom —s to break treaties = men komt zelden verder met …; To — for = instaan voor, rechtvaardigen, boeten voor; To — to = antwoorden op; passen bij; overeenkomen met; The ship —ed to the helm = luisterde naar; —able (to, for), verantwoordelijk; subst. —ableness; —er = weerlegger.

Ant, ant of ânt, (maar ant in samenstellingen, zooals ant-hill), mier; —-bear, —-eater = miereneter; —-hole, —-hill = mierennest.

Antagonism, antagənizm, antagonisme; Antagonist = tegenstander, tegenpartij; tegenspier; adj. tegenstrevend; Antagonistic, antagonistisch; Antagonize, tegenwerken; wedijveren, neutraliseeren.

Antalgic, antaldžik, subst. en adj. pijnstillend (middel).

Antarctic, antâktik, Zuidelijk: The — Pole, de Zuidpool.

Antecede, antəsîd = voorafgaan; Antecedence, voorafgaan, voorrang; Antecedent, antecedent: His —s = vroegere gedragingen.

Antechamber, antitšeimbə, voorkamer, wachtkamer.

Antedate, antideit, subst. vóórdatum; — verb. vroeger dateeren, vooruitloopen op, anticipeeren.

Antediluvian, antidil(j)ûvj’n, antidiluviaansch; antidiluviaan, ouderwetsch mensch.

Antelope, antiloup, antilope.

Antemeridian, antimiridj’n, vóór den middag: At 7 a.m. = te 7 v.m.

Antemetic, antimetik, geneesmiddel tegen het vomeeren.

Antemundane, antimɐndein, vóórwereldlijk.

Antenatal, antineit’l, vóór de geboorte geschiedend.

Antenna, antenə, voelhoren, antenne, luchtdraad (Draadl. telegr.); Antennal, voelhorensdragend of betreffend.

Antenuptial, antinɐpš’l, vóór de bruiloft of het huwelijk gebeurende.

Antepenult(imate), antipinɐlt(imeit), derde lettergreep van achteren.

Anteprandial, antiprandj’l, vóór den maaltijd.

Anterior, antîriə, voorafgaand, vroeger; Anteriority, voorafgaan, voorrang; hoogere ouderdom.

Ante-room, antirûm; Zie Antechamber.

Anthem, an-th’m, beurtzang, hymne: The national — = het volkslied.

Anthemis, an-thəmis, kamille.

Anther, an-thə, helmknop.

Anthology, an-tholədži, bloemlezing.

(St.) Anthony’s fire, antənizfaiə, (St.) Antoniusvuur (soort roos).

Anthracite, an-thrəsait, anthraciet.

Anthropography, an-thrəpogrəfi, anthropographie; Anthropology, an-thrəpolədži, anthropologie; Anthropomorphic = menschvormig, menschachtig; Anthropomorphism, an-throupəmöfizm, het toeschrijven van menschelijken vorm en menschelijke eigenschappen aan de Godheid; vergelijken van dieren en planten met den mensch; Anthropophagi, an-threpofədžai, menscheneters; Anthropotomy, an-thrəpotəmi, ontleedkunde (van den mensch).

Anti, anti, tegen, strijdig met.

Antibacchius, antibakiəs, versvoet (– – ⏑).

Antibilious, antibiljəs = tegen de gal.

Antic, antik, kluchtig, grappig; subst. grappenmaker, hansworst; klucht, grimas.

Antichrist, antikraist, Antichrist; Antichristian, tegen het Christendom; vijand van het Chr.

Anticipate, antisipeit, anticipeeren (op), bij voorbaat doen, vooruitloopen op, voorzien, vooraf gevoelen, vooruit betalen, verhinderen; subst. Anticipation, antisipeiš’n: Beyond — = boven verwachting; By (In) — = bij voorbaat: He rejoiced in — = al vooruit; Anticipative; Anticipatory = anticipeerend.

Anticlimax, antiklaiməks, of antiklaiməks, het belachelijk verhevene (in stijl).

Antidotal, antidoutəl, als tegengif dienend; Antidote = antidotum, tegengift.

Antidrinkist, antidriŋkist, afschaffer: My friend is both an anti-smokist and an —.

Antifebrile, antifebril of antifîbril, subst. geneesmiddel tegen de koorts; adj. koortsstillend.

Antifederal, antifed’rəl, tegen bondgenootschappelijke vereeniging; —ism, antifederalisme; —ist, antifederalist.

Antigropelos, antigropilos of antigropilouz, waterdichte lederen beenbeschermers, soort rijlaarzen.

Antilles (The), (dhi) antilîz, de Antillen.

Antilogy, antilədži, tegenstrijdigheid.

Antimacassar, antiməkasə, antimacassar.

Antimonial, antimounj’l, adj. antimoon …; subst. antimoniumhoudende medicijn; Antimony, antimoon.

Antinome, antinoum = Antinomy, antinəmi, antinomie.

Antioch, antiok, Antiochië; Antiochia, antiəkaiə.

Antipathetic(al), antipəthetik(’l), antipathiek; Antipathy, antipəthi, antipathie.

Antiphon, antifon = —y, antifəni, antiphoon.

Antipodal, antipədəl, antipodisch; Antipode, antipoud, tegenvoeter; —s, antipədîz, tegenvoeters: We stand distinctly at —s in our political views = wij staan lijnrecht tegenover elkaar; Antipodean = Antipodal.

Antipyretic, antip(a)iretik, subst. en adj. koortswerend (middel); Antipyrin(e), antipairin, antipyrine.

Antiquarian, antikwêrj’n, adj. oudheidkundig; Antiquary, antikwəri, oudheidkenner, antiquaar; Antiquated, antikweitid, verouderd; Antique, antîk, oud, ouderwetsch; subst. antiquiteit: A dealer in — furniture; subst. —ness; Antiquity = oudheid, antiquiteit.

Antiseptic, antiseptik, bederfwerend (middel).

Antispasmodic, antispazmodik, subst. en adj. krampstillend (middel).

Antistrophe, Antistrophy, antistrəfi, antistrophe; Antistrophic, de antistrophe betreffend.

Antithesis, antithisis, tegenstelling; Antithetic(al), antithetik(’l), tegenstellend.

Antitype, antitaip, tegenbeeld, symbool; adj. Antitypic(al).

Antler, antlə, tak (van het gewei); —ed = met een gewei, knoestig; —s, antləz, het gewei.

Antonomasia, antənəmeižə, antonomasia.

Antral, antr’l, hol …

Antwerp, antwɐ̂p, Antwerpen.

Anus, einəs, anus.

Anvil, anv’l, aambeeld: On the — = in voorbereiding; Between hammer and — = tusschen twee vuren.

Anxiety, aŋzaiiti, angst, bezorgdheid; benauwdheid; vurig verlangen; Anxious, aŋšəs, angstig, bezorgd; verlangend, begeerig: He is on the — seat = hij zit leelijk in de klem; I am — to increase my collection of stamps = verlangend; subst. —ness = bezorgdheid; verlangen.

Any, eni, eenig (in zéér algemeenen zin) etc.: Have you — money for me? = ook? Is my father — better? = soms ook wat; (Verg. ’t Amer.: That don’t comfort me — = geen sier; Will that help you —? = in eenig opzicht; If I had slept — last night = ook maar een oogenblik); You have not been here — time = nog maar zoo kort; You will be welcome at — time, (—when) = te allen tijde, wanneer ge ook komt.

Anyhow, enihau, in elk geval, hoe dan ook; Anything = iets, wat dan ook, etc.: For — I know = voor zoover ik weet; Like — = zooveel mogelijk, dat het een aard heeft; That is too charming for — = onbeschrijfelijk (weergaloos) bekoorlijk; — but = alles behalve; My clock is, if —, fast = loopt in elk geval voor; — like forty times = lang geen 40 keer; He ceased to think of her as the most beautiful or the most — woman = of superieur in wat opzicht dan ook; Anyway = hoe dan ook, in allen gevalle; Anywhere = ergens; Anywise = op eenigerlei wijze.

Aonian, eiounj’n, dichterlijk.

Aorist, eiərist, aoristus.

Aorta, eiöta, aorta; Aortic, tot de aorta behoorend.

Aoul, âûl, een Tartaarsch kamp.

Apace, əpeis, snel, vlug: Ill weeds grow — = onkruid vergaat niet.

Apanage, apənidž, apenage, aandeel, afhankelijk gebied.

Apart, əpât, afgescheiden van, apart, anders dan anders: You cannot consider the one — from the other = de beide dingen zijn niet te scheiden; subst. —ness.

Apartment, əpâtm’nt, vertrek: —s, reeks vertrekken (als woning); —s to let = kamers te huur (ook fig.); — house (Am.) = huizen in verdiepingen verhuurd met gemeenschappel. ingang.

Apathetic, apəthetik, apathisch; Apathy, apəthi, apathie, laksheid.

Ape, eip, subst. aap (zonder staart), naäper; verb. naäpen: The higher the — goes, the more he shows his tail; An —’s an —, a varlet’s a varlet, tho’ they be clad in silk and scarlet = al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een leelijk ding; —ry = apenstreek; naäperij.

Apeak, əpîk, recht op en neer, bijna loodrecht = Apeek.

Apelles, əpelîz; Apennines, apənainz = Appenijnen.

Apepsia, əpepsiə, Apepsy, əpepsi, slechte spijsvertering.

Aperient, əpîriənt, subst. laxeermiddel; adj. laxeerend = Aperitive.

Aperture, apətjuə, opening, spleet.

Apetalous, əpetəlɐs, zonder bloemblad.

Apex, eipeks (Meerv. Apices, eipisiz, of Apexes, eipeksiz), toppunt.

Aphaeresis, əfîrisis of əferisis, aphaeresis.

Aphelion, əfîliən, aphelium.

Aphidian, əfidiən, adj. bladluis …; subst. = Aphis, eifis of afis, bladluis. (Mv. Aphides, afidîz).

Aphorism, afərizm, aphorisme; Aphoristic, aphoristisch.

Aphrodite, afrədaiti, de Grieksche Venus.

Aphtha, af-thə, spruw.

Aphyllous, əfiləs of afilɐs, bladloos.

Apiarian, eipiêriən, de bijen betreffend; Apiarist, eipjərist, ijmker; Apiary, eipjəri, bijenstal.

A-piece, əpîs, per stuk, elk.

Apish, eipiš, aapachtig, potsierlijk; subst. —ness.

A-pit(-a)pat, əpit(ə)pat, met snel geklop.

Aplomb, əploŋ, aplomb.

Apocalypse, əpokəlips, Openbaring; Apocalyptic number = het getal 666.

Apocope, əpokəpî, apocope.

Apocrypha, əpokrifə, de apocryphe boeken (van het Oude Testament); —l = aprocief.

Apodictic, apədiktik, apodictisch.

Apogean, apədžîən: — tides = Neap —; Apogee, apədži, apogaeum.

Apograph, apəgraf, afschrift.

Apollo, əpolou, Apollo: — and the Nine.

Apollyon, əpoliən, Apollyon, (Openb. IX, 11).

Apologetic(al), əpolədžetik(’l), verontschuldigend; Apologist = apologeet; Apologize = zich verontschuldigen; Apology = apologie, verdediging, excuus: He made an — = maakte excuus.

Apo(ph)thegm, apəthem, kernspreuk.

Apoplectic, apəplektik, beroerte …: — fit (stroke) = aanval van beroerte; Apoplexy, apəpleksi, beroerte: A fit of — = aanval van beroerte.

Apostasy, əpostəsi, afvalligheid: Julian the Apostate = Juliaan de Afvallige; Apostatical, afvallig; Apostatize, afvallen.

Apostil, əpostil, kantteekening, naschrift.

Apostle, əpos’l, apostel: Acts of the —s = Handelingen d. Apostelen; —-spoons = zilveren lepels, waarvan het handvatsel in het beeld van een apostel uitloopt (een gewoon geschenk van peetvaders bij het doopen); —ship, ambt v. apostel = Apostolate, əpostəlit; Apostolic = apostolisch: — fathers = Christelijke schrijvers ten tijde of onmiddellijk na de apostelen; — succession = machtsoverdracht van af de apostelen.

Apostrophe, əpostrəfi, aanspraak, toespraak, afkappingsteeken; Apostrophize, zich wenden tot; met een apostrophe voorzien.

Apothecary, əpothəkəri, apotheker (Schotl. en Amer.); soort van plattelands-heelmeester; Apothecaries’ Society = College, dat sedert 1874 examens afneemt en Licenses uitreikt (Zie Chemist): —’s Bill = apothekersrekening (fig.); —’s Latin = potjeslatijn.

Apotheosis, apəthiousis of apəthîəsis, verheerlijking; Apotheosize, apəthîəsaiz, verheerlijken.

Appal, əpôl, verschrikken, ontstellen.

Appanage = Apanage.

Apparatus, apəreitəs, apparaat, hulpmiddelen, uitrusting, organen: The digestive — = de verteringsorganen.

Apparel, əpar’l, subst. de kleederen, gewaad; opschik; — verb. kleeden, uitrusten, opschikken.

Apparent, əpêr’nt, blijkbaar, duidelijk; schijnbaar; rechtmatig: Heir — = rechtmatige troonopvolger; — horizon = schijnbare horizon; — time = ware tijd; — from = blijkend uit.

Apparition, apəriš’n, verschijning, spooksel; —al = schijnbaar, zichtbaar; spookachtig.

Apparitor, əparitə, deurwaarder, pedel.

Appeal, əpîl, subst. beroep, het recht van beroep, appel, dagvaarding; smeekbede: — verb. appelleeren, zich beroepen op, smeeken: Lord Justice of — = lid van Her Majesty’s Court of — (Hof van Beroep); Without — = in laatste instantie; He gave notice of — = gaf kennis dat hij wou appelleeren; He —ed from this Court of Justice to the king’s mercy = hij appelleerde … van deze rechtbank op; The ministry will — to the country = zal de Kamer(s) ontbinden; —able = vatbaar voor beroep.

Appear, əpîə, verschijnen, zichtbaar worden, duidelijk zijn, blijken (by, from): It would — that = lijkt wel of; —ance, verschijnen, voorkomen, aanblik, verschijnsel, vertoon: To keep up (save) —ances = den schijn redden; To keep up a proper —ance = fatsoenlijk voor den dag komen; He put in an —ance = kwam, verscheen.

Appeasable, əpîzəb’l, te bevredigen; Appease, əpîz, stillen, bevredigen; Appeasing remedies = pijnstillende.

Appellant, əpel’nt, appelleerend, het appèl betreffend: Party — = de appellant; subst. appellant; requestrant; Appellate = het appèl betreffend: — Court = Hof. v. Beroep; Appellation, apəleiš’n, benaming, naam; Appellative: — name = soortnaam; Appellee, beschuldigde, aangeklaagde; Appellor, əpelə, aanklager; King’s (Queen’s) Evidence; wraker v. partijdige Jury-leden.

Append, əpend, aanhechten, bijvoegen; —age = aanhangsel; —ages = bijbehoorende terreinen; —ant, bijgevoegd, begeleidend; subst. aanhangsel; afhankelijke; Appendicitis = blindedarmontsteking; —ix = aanhangsel.

Apperception, apəsepš’n, apperceptie, waarneming, voorstelling met bewustheid.

Appertain, apətein, behooren tot, toebehooren; —ment = toebehooren.

Appetence, apətens, begeerte; attractie; Appetent = begeerig.

Appetite, apətait, eetlust, begeerte: To get an — = honger krijgen; To give an — = opwekken; To have an —; To sharpen one’s — = eetlust geven; To take away the — = benemen; The — is concealed under the teeth = al etende krijgt men eetlust; Appetitive (əpetitiv of apətaitiv): — power (faculty) = begeervermogen; An appetizing book = boeiend, smakelijk.

Applaud, əplôd, toejuichen; He was received with general applause (əplôz); Applausive = bijvals …

Apple, ap’l, appel: — of the eye; — of discord = twistappel; —-cart = appelkar; lichaam, wezen: To upset one’s —-cart = een streep door de rekening halen; —-jack = appelcider (Amer.); —-john = appel, die lang goed blijven kan, doch dan ook rimpelig wordt; —-pie bed = bed, opzettelijk zoodanig opgemaakt, dat men zijn beenen niet kan uitstrekken; Everything is in —-pie order = in volmaakte orde; —-tree; —-woman; —-yard = boomgaard.

Appliance, əplaiəns, toepassing, middel, toestel, toebehooren.

Applicability, aplikəbiliti, toepasselijkheid, bruikbaarheid, Applicable, toepasselijk (to); Applicant, sollicitant; requestrant; Application (= aplikeiš’n) toepassing (to) gebruik; ijver, vlijt; aanvraag, sollicitatie; For outward — = voor uitwendig gebruik; On — = bij inschrijving, op aanvraag; A personal (written) —; — for membership in a club; —s are invited for the post = sollicitanten worden opgeroepen; —s are to be made in writing = zich schriftelijk aan te melden.

Apply, əplai, leggen op, brengen aan; toepassen, aanwenden, gebruiken; zich wenden tot (to), solliciteeren (for), betrekking hebben op (to), van toepassing zijn; — oneself (to) = zich toeleggen op.

Appoint, əpôint, subst. saldo; — verb. bepalen, bescheiden, bestemmen, aanwijzen, vaststellen, inrichten, benoemen, aanstellen: He was —ed governor of the town = aangesteld; I must hear the two voices in my breast; it has been —ed me = God heeft het bepaald, het is Zijn wil; Well-—ed = keurig; Appointee = vruchtgebruiker; Appointment = aanstelling, afspraak, honorarium, inrichting of uitrusting: He got his formal — = benoeming; Mr. B. by —! = die belet heeft laten vragen; —-book = agenda; By — (tailor) to his Majesty = hofleverancier.

Apportion, əpöš’n, evenredig verdeelen, aanwijzen: The wages —ed to this post = verbonden; —ment = verdeeling, toedeeling.

Appose, əpouz, leggen (drukken) op; tegenover elkaar stellen.

Apposite, apəzit, geschikt, voegzaam, te pas: This argument is — to the case in question = toepasselijk op; subst. —ness.

Apposition, apəziš’n, bijvoeging; bijstelling; adj. —al.

Appraisable, əpreizəb’l, taxeerbaar; Appraisal = schatting; Appraise, əpreiz, waardeeren, schatten; —ment = schatting, taxatie; —r = taxateur, schatter.

Appreciable, əprîšiəb’l, schatbaar, merkbaar; Appreciate, əprîšieit, waardeeren, hoogschatten, op prijs stellen; verhoogen (toenemen) in prijs (Amer.); Appreciation, waardeering; prijsverhooging; Appreciative, waardeerend; Appreciatory = waardeerend, erkennend.

Apprehend, aprihend, vatten, grijpen, begrijpen, verstaan; onderstellen; duchten; Apprehensibility = begrijpelijkheid; adj. Apprehensible; Apprehension = bevatting; vrees: To be dull of — = traag v. bevatting; He was in no small — for his life = vreesde zeer voor; Apprehensive, bevreesd (of); bevattelijk.

Apprentice, əprentis, subst. leerjongen, leerling; — verb. in de leer doen: To bind (put) a person — to = in de leer doen bij; I was —d to a very kind master at a very moderate —-fee = leergeld; —ship = leertijd (meest 7 jaar in Eng.).

Apprise, əpraiz, bekend maken met.

Approach, əproutš, subst. nadering; toegang, oprit; — verb. naderen, nabij komen, gelijken op; —es = loopgraven; To — a subject = aanroeren; Some relative pronouns — to demonstratives; —able, toegankelijk (ook fig.).

Approbate, aprəbeit, goedkeuren, machtigen; adj. (aprəbit) goedgekeurd; Approbation, goedkeuring: Sent on — = op zicht; —-bill = onteigeningsontwerp.

Appropriable, əproupriəb’l, toepasselijk; Appropriate, əprouprieit, verb. (zich) toeëigenen; voor een bepaald doel bestemmen, besteden: That sum was —d for buying furniture; The balance of the amount will be —d towards the sum due = het saldo van het bedrag zal in vermindering strekken van; He —d the thing to himself = eigende zich toe; — adj. (əproupriit) geschikt, voor een bepaald doel aangewezen; subst. —ness; Appropriation, toeëigening, bestemming, aanwijzing, toestaan; Appropriative, strevend naar toeëigening; Appropriator, bezitter v. een prebende.

Approvable, əprûvəb’l, loffelijk; subst. —ness; Approval = goedkeuring: To be sent on — = op zicht gezonden; Approve, əprûv, goedkeuren; toonen; aanbevelen; bevestigen: I cannot — (of) these means = goedkeuren; Time —s it true = heeft bewezen; —d = beproefd: An —d method; An —d author = erkend schrijver; To — oneself = blijken te zijn; To — oneself to = zich aangenaam maken bij; —ment = verbetering; —r = King’s (Queen’s) Evidence.

Approximate, əproksimit, adj. naderend, bijna juist, bijna gelijk; — verb. (əproksimeit) nabij komen, naderen; By approximation, bij benadering; Approximative = bij benadering.

Appurtenance, əpɐ̂tən’ns, aanhangsel, bijvoegsel, servituut; Appurtenant, bijbehoorend; toebehooren.

Apricot, eiprikot of aprikot, abrikoos.

April, eipril, April; jeugd; onbestendigheid: —-fool = Aprilgek: He made an —-fool of me; —-fool day = All Fools’ Day = 1 April.

Apron, eipr’n, schort, schootsvel; dekkleed, deksel op het zundgat van een kanon; de vette buikhuidbedekking v. eend of gans (Provinc.): He is tied to his wife’s —-strings = hij zit onder de plak.

Apsis, apsis (Mv. Apsides, apsidîz), apsis (in astron. en archit.).

Apt, apt, bekwaam, gepast; onderhevig, geneigd; vlug, klaar; —itude, aptitjûd, geschiktheid, bekwaamheid, neiging = —ness.

Apter, aptə, vleugelloos insect (Mv. Aptera); —an = —ous, ongevleugeld.

Apulia, əpjûliə, Apulië; adj. Apulian.

Apyrous, əpairəs of apərɐs, vuurvast, onsmeltbaar.

Aquarelle, akwərel, aquarel; Aquarellist, aquarellist.

Aquarium, əkwêrj’m, aquarium; Aquarius, əkwêrjəs, de Waterman (Sterrenb.).

Aquatic, əkwatik, in of op het water levend, water…; waterplant; —s = watersport; Aqueduct, akwidɐkt = (steenen) waterleiding.

Aquatint, akwətint, eikwətint, aquatinta; — verb. in aquatinta behandelen.

Aqueous, eikwiəs, waterig, waterachtig, water …: — rocks = sedimentair gesteente.

Aquiferous, əkwifərəs, waterhoudend; Aquiform, eikwiföm, in den toestand van water.

Aquiline, akwil(a)in, tot den arend behoorend, arends - -.

Arab, arəb, subst. Arabier; Arabisch paard; adj. Arabisch: Street —s = daklooze kinderen; Arabesk, Arabesque, arəbesk, subst. arabesk; adj. Moorsch, fantastisch; — verb. met arabesken versieren; Arabia, əreibjə, Arabian, əreibjn, Arabisch, Arabier: The — Nights’ Entertainments = de Duizend en Een Nacht vertellingen; Arabic, arəbik, Arabisch; subst. Arabische taal: — numerals; Arabist, arəbist, geleerde in Arabische taal en letteren.

Arable, arəb’l, beploegbaar, bebouwbaar.

Araby, arəbi, Arabië.

Araeometer, âriomətə, areometer.

Arbalist, âbəlist, voetboog; —er, voetboogschutter.

Arbiter, âbitə, scheidsrechter, autoriteit; Arbitrage, âbitridz, arbitrage; adj. Arbitral = arbitraal: Arbitrariness = willekeur; Arbitrary, âbitrəri, willekeurig, despotisch, grillig: — address = telegr. adres; Arbitrate = arbitreeren; Arbitration = arbitrage: — of exchange(s) = wisselarbitrage; Arbitrator = arbiter, despoot; Arbitratix = Arbitress = vr. scheidsrechter.

Arbor, âbə, boom; hoofdas; —eal, âbôriəl, —aceous, âbəreišəs, boomachtig, op boomen groeiend, boom.…; Arboreous = Arboreal = met bosch begroeid; —etum, âbərît’m, wetenschapp. boomkweekerij; Arboriculture = boomkweeking; Arboriculturist = boomkweeker; —ist, âbərist, boomkenner; Arborous: — roof = loofdak. Arbour, âbə, priëel; berceau.

Arbuscle, âbɐs’l, dwergboompje, struik; Arbuscular, âbɐskjulə, heesterachtig; in bosjes; Arbustum = boschje, boomgaard; Arbute = Arbutus = aardbezieboom.

Arc, âk, cirkelboog: Electric —-lamp = booglamp; —-light.

Arcade, âkeid, bogengang; winkelgalerij.

Arcadia, âkeidjə, Arcadië; Arcadian = Arcadiër; adj. = Arcadic, âkeidik, Arcadisch.

Arcanum, âkein’m, geheim; geheim geneesmiddel: Shall I reveal the arcana of that virgin breast = geheimen.

Arch, âtš, subst. boog, gewelf: — verb. zich welven, krommen, overwelven; — (of heaven) = hemelgewelf; Triumphal — = eereboog; —way = overwelfde gang; —es Court = Court of —es, hoogste geestelijk gerechtshof.

Arch, âtš = voornaamste, eerste, aarts …; schalksch, snaaksch: —angel, âkeinž’l, aartsengel; doove netel; Archangel (âkeinž’l); —architect, âtšâkitekt, de Opperbouwheer des Heelals; —bishop, âtšbiš’p, aartsbisschop; —deacon, âtšdîk’n, geestelijk hoofd van de 2 of meer deaconries waarin elk Bisdom is verdeeld; —diocese, âtšdaiesis, aartsbisdom; —duke (—duchy); —-enemy; —etype, âkitaip, oorspronkelijk model of type; —-fiend, âtsfînd, de Satan; —-foe; —-heresy, âtšherəsi, aartsketterij; —-heretic; — hypocrite.

Archaeologer, âkiolədžə = Archaeologian; adj. Archaeologic(al); Archaeologist = archaeoloog; Archaeology, archaeologie, oudheidkunde.

Archaic(al), âkeiik(’l), oud, verouderd; Archaism, âkeiizm, verouderd woord (of uitdrukking).

Archer(ess), âtšə(rəs), mannelijke (vrouwelijke) boogschutter; —y, boogschieten; boogschutters.

Archimagus, âkimeigəs, Perz. hoogepriester.

Archimedean, Archimedian, âkimîdiən, âkimidîən: — screw = schroef van A.; Archimedes, âkimîdiz, Archimedes.

Archipelago, âkipeləgou, archipel.

Architect, âkitekt, architekt; schepper: Every one is the — of his own fortune = iedereen heeft zijn eigen geluk in zijn hand; Architectonic = Architectural, architectonisch; —ure, âkitektjə, bouwkunde; Architrave = architraaf.

Archival, âkaiv’l, adj. archivarisch, archief …; Archives, âkaivz, het archief: Municipal —; Archivist = Archivaris = Keeper of the Archives.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings