← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

W. (continued 2)

Reading edition

Windsor, winzə, stad: —-chair = met hoogen rug; —-soap = soort toiletzeep.

Wine, wain, wijn, dronkenschap, wijnfuif: Still — = niet parelende wijn; Sparkling —s = parelende wijnen; — and water = grog van wijn; Spirit of — = wijngeest, alcohol; It is a pity to dilute this — = te verdunnen; He never mixes his —s = drinkt nooit door elkaar; Good — needs no bush = behoeft geen krans; When — is in, wit is out = als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan; When the — is drawn it must be drunk = men moet het ijzer smeden als het heet is; —-bag = wijnzak; —-bibber = pimpelaar; —-bin = wijnkist; —-biscuit = wijnbeschuitje; —-bottle; —-cask = wijnvat; —-cellar = wijnkelder; —-cooler = koelvat (voor wijnen); —-decanter = karaf; —-glass = wijnglas; —-grower = wijnbouwer; —-growing; —-lees = wijnmoer; —-merchant = wijnkooper; —-press = wijnpers; —-shop = wijnhuis; —-skin = wijnzak; —-stone = wijnsteen; —-vault = groote wijnkelder; —-vaults = proeflokaal; —-vinegar = wijnazijn.

Winfred, winfred, Winfried.

Wing, wiŋ, subst. vleugel, wiek, vlerk, vlucht, coulisse, épaulet, molenwiek; — verb. van vleugels voorzien, bevleugelen, vliegen, doorvliegen, onschadelijk maken (in den vleugel, arm of been treffen): Swallows on the — = vliegende zwaluwen; We are on the — = aan den arbeid; The general was on the left — = aan den linker vleugel; She went there under the —(s) of her mother = onder moeders vleugels; We went there upon the —s of the wind = op de vleugelen des winds; The bird beat its —s against its prison = sloeg met; To clip a person’s —s = iemand kortwieken; His soul has taken — = is (het lichaam) ontvloden; They took — = gingen aan den haal; The angel —ed his flight (way) to the earth = richtte zijne vlucht naar de aarde; I doubt if I can — the ruffian = onschadelijk kan maken; —-case = vleugelschild; —-shell = vleugelhoren; —-shot = schot op een vliegenden vogel; —-stroke = vleugelslag; —ed = ge- of bevleugeld, vlug: —ed words = gevleugelde woorden; —less = zonder vleugels, met rudimentaire vleugels; —let = vleugeltje.

Wink, wiŋk, subst. knipoogje, wenk, oogenblikje, blink; — verb. knipoogen, wenken: I did not get a — of sleep last night, I never slept a — = heb geen oog dichtgedaan; To give (tip) a — to a person = To tip a person the — = een wenk geven; I will just take forty —s = ga even dutten; He —ed at my shortcomings = zag door de vingers; —-a-peep = guichelheil; —er = wimper, oog, oogklep; It was done like —ey, like —ing = zeer snel en flink.

Winkle, wiŋk’l, alikruik.

Winkle-hawk, wiŋk’lhôk, winkelhaak, scheur (Amer.).

Winnipeg, winəpeg; Winipiseogee, winipisôkî.

Winnow, winou, wannen, ziften, schiften; —er; Winnowing: —-basket (-machine, -sieve).

Winslow, winzlou.

Winter, wintə, subst. winter; ook adj.; — verb. overwinteren, de winterkwartieren betrekken, gedurende den winter bewaren (vertoeven), overhouden (van planten, etc.): It happened at (the) death of —, in the depth of — = in het hartje van den winter; — apple = winterappel; — barley = wintergerst; — citron = soort v. winterpeer; — cough = chronische bronchitis; — crop = winteroogst, wintervrucht; — moth = wintervlinder; — pear = winterpeer; — quarters = winterkwartieren; They went into — quarters = betrokken de winterkwartieren; — solstice = winterzonnestilstand; — suit = winterpak; —-garden = wintertuin; —green = wintergroen; —-ground = eene plant tegen de koude met stroo bedekken; —-kill = door strenge koude dooden (Amer.); —-service = winterdienst; —-time = wintertijd; —-weather = winterweer; —ly = wintersch, winterachtig, koud, somber = Wint(e)ry.

Winy, waini, naar wijn smakend; dronken.

Wipe, waip, subst. veeg, het vegen, slag; lik (fig.); — verb. vegen, afvegen, afwisschen, uitwisschen, ranselen: To give a thing a — = afvegen; He gave me a — = gaf me een lik; I —d his eye = stak hem de loef af; To — one’s feet (shoes) = voeten vegen; The past cannot be —d away as we — writing from a slate; Everything was —d off = afgeveegd, weggevaagd; To — off a score = een rekening vereffenen; To — out = het levenslicht uitblazen; He was —d (out) of his watch = zijn horloge werd hem ontfutseld; — it out = veeg of wisch het uit; I have —d up the floor with him = ik heb hem tegen den grond gesmakt; —r = veger, stoffer, wisscher; Wiping-cloth (—-clout) = doek.

Wire, waiə, subst. draad, ijzerdraad, telegraafdraad, telegram; — verb. met een metalen draad vastmaken, aan een draad rijgen, in een strik (van metaal) vangen, telegrapheeren, met ijzerdraad omringen: He replied by — = per draad, telegrafisch; To manipulate (pull, work) the —s = de draden in handen hebben, in ’t geheim besturen; To send a — = telegram; That boy seems to be all on —s = kan niet stil zitten, heeft kwik in zijn lijf; He has —d away (in) = is met kracht aan den arbeid gegaan; — back, please = antwoord per draad verzocht; —-blind = horretje; —-bridge = hangbrug; —-brush; —draw = trekken of rekken van metaaldraden, uitspinnen, muggenziften; —drawer = draadtrekker; —drawing (fig.) = zaniken; —-edge = draad (van een pas geslepen mes, schaats, etc.); —-entanglement = draadversperring; —-grate = chassinet; —-gauze = fijn metaalgaas; —-puller = die de draden in handen heeft, (politieke) intrigant; —-pulling = geheime invloed, intrige(s); —-stitching = het hechten van de bladen met ijzerdraad; Wireless telegraphy (— station); Wiriness, subst. v. Wiry = van of sterk als ijzerdraad, borstelig, mager en gespierd, taai, scherp: His — chin = zijn scherpe, puntige kin; I am rather —, and can stand a good deal of fatigue = ik ben nogal taai.

Wisconsin, wiskonsin.

Wisdom, wizd’m, wijsheid, wetenschap; —-tooth = verstandskies: Has he cut his —-tooth yet? = heeft hij zijn verstandskies al.

Wise, waiz, wijs, verstandig, vroom (Bijb.), ernstig, ervaren, bekwaam: The three — men of the East = de Wijzen uit het Oosten; — woman = waarzegster; vroedvrouw; It is easy to be — after the event = wie wist, die won; Why, man, take it, who is the —r? = wie weet er wat van, wordt er wat van gewaar; A word to the — is enough = een goed verstaander heeft maar een half woord noodig, —acre, waizeikə, waanwijze, wijsneus; —-hearted = wijs, bekwaam; —ness = Wisdom.

Wise, waiz, wijze: In any — = op de een of andere manier; In no — = op geenerlei manier, geenszins; On this — = op deze manier.

Wish, wiš, subst. wensch, verlangen, begeerte; — verb. wenschen, verlangen, hopen: To give a person his — = iemands wensch vervullen; To have one’s — = zijn wensch vervuld krijgen; I — he may do it = ik wou dat .…; I — you joy (of it) = ik feliciteer u (er mee); I — you well = ik mag u graag, ben u goed gezind; To — a person at the devil (Jericho); I —ed for your return = verlangde naar; I —ed him over the moon = wou dat hij op de Mookerhei zat; —(ing)-bone = borstbeen van een vogel: To divide a —(ing)-bone, (gezegd van een jongen en een meisje, die ieder aan een eind trekken; die het langste stuk in de hand houdt, zal het eerst trouwen of een wensch vervuld zien); —ing-cap (-rod) = tooverhoedje (roede); —er; —ful = wenschend, verlangend, smachtend: To be —ful of; subst. —fulness.

Wishart, wišət.

Wish-wash, wišwoš, slap, waterig; ook subst.; Wishy-washy = slap, onbeduidend, sentimenteel.

Wisp, wisp, wisch, bosje of bundeltje, vegertje, dwaallicht; — verb. afvegen: A — of a girl = een nietig, schraal meisje, klein ding; — of hair; adj. —y.

Wist, wist, oud imperf. van to wit.

Wistful, wistful, peinzend, ernstig, droefgeestig, vol droef verlangen; subst. —ness.

Wistiti, wistiti, soort v. Z. Am. aap.

Wistonwish, wist’nwiš, prairiehond.

Wit, subst. kennis, verstand, vernuft, rede, scherpzinnigheid, grappigheid of geest(igheid), geestig man, humorist; ook verb. in: To — = namelijk, te weten: Mother — = natuurlijk gezond verstand; Ready — = gevatheid; He is at his —’s end, at his —s’ end = ten einde raad; Are you in your —s? = hebt gij “de vijf” bij elkander; He is out of his —s = is de kluts kwijt, gek; He has all his —s about him = al zijne zinnen goed bij elkaar; To come to one’s —s again = weer tot bezinning komen; To drive a person out of his —s = dol maken; You have frightened them out of their —s = ze vreeselijk doen schrikken; To live by one’s —s only = op de een of andere manier zonder werken door de wereld komen; That will set your —s to work = u alle overleg doen gebruiken; Use your —s = gebruik uw verstand; —less = dom, onverstandig, dwaas; subst. —lessness; —ted: Dull-—ed, Quick-—ted = suf, scherpzinnig; —tingly = voorbedachtelijk.

Witch, witš, subst. heks; — verb. beheksen, betooveren: He is no — = geen heksenmeester; —craft = —ery; —-elm = bergiep; —-hazel = hamamelis; —-meal = groote wolfsklauw; —ery = betoovering, bekorting.

Witenagemot(e), witənagəmout, nationale vergadering (bij de Angel-Saksers).

With, widh, met, mede, door, bij, van, etc.: Blind — fear; Frantic — despair = gek van wanhoop; Stiff — cold; Thirsty — walking; I have no power — him = invloed op hem; One year — another = het eene jaar door het andere; I am — you there = met u eens; Withal, widhôl, daarbij, bovendien, verder.

Withdraw, widhdrô, terugtrekken, weggaan, onttrekken, terugnemen, inhouden (bij verkoop): He withdrew his support = onthield ons zijn steun; He —drew from business = trad uit; —al = terugroeping, terugtrekking, terugneming, opvraging van inleg; —er; —ing: —ing-room = Drawing-room; —ment = —al; —n, p.p. van Withdraw.

Withe, w(a)idh, with, subst. wilgentwijgje, rijsje. Zie Withy.

Wither, widhə, verwelken, verdorren, vernietigen: One of those mornings when it is hot and cold, wet and dry, bright and lowering, sad and cheerful, withering and genial, in the compass of an hour = akelig (guur) en lekker; —ed = verdord, uitgedroogd; —ing = vernietigend (fig.).

Wither, widhə: —-lock = boschje haar, waaraan de ruiter bij het opstijgen zich vast grijpt; —-wrung = aan de schoft bezeerd of geschaafd; Withers = schoft van een paard: The — are wrung = de schoft is stuk geschuurd; mijn geduld is ten einde; To press on the wrung — = de gevoelige snaar aanroeren; My — are unwrung = ik ben van alle werk ontslagen, vrij.

Withheld, widhheld, imp. en p.p. van Withhold, widhhould, weerhouden, onthouden, onttrekken: The permission was withheld from him = werd hem geweigerd; —er; —ment = onthouding, etc.

Within, widhin, adv. en prep, binnen, in, van binnen, inwendig, niet te buiten gaande: His room is — mine = men komt in zijne kamer door de mijne; — call = te beroepen; — doors = binnenshuis; — my memory = voor zoolang ik mij kan herinneren; — a mile of = nog geen mijl; It is not — my power = in mijne macht; — my price = in mijn prijs; — a month’s time = binnen eene maand; The deer was — range = onder schot; — sight; He was — a little of being killed = het scheelde maar weinig of; Who’s — = wie is daar? To live — one’s income = niet meer uitgeven dan men te verteren heeft; To think — oneself = by zich zelf.

Without, widhaut, adv. en prep. zonder, buiten, van buiten, uitwendig, vrij, beroofd van, onafhankelijk van: — day = zonder een dag te bepalen voor samenkomst of behandeling; geheel van de baan; — doors = buitenshuis; — funds in hand = zonder dekking; — one’s reach = buiten bereik; The station is — the town = buiten de stad; I can get ready — you = zonder u; I can do — it = ik kan het missen, heb het niet noodig.

Withsay, widhsei, tegenspreken, ontkennen.

Withstand, widhstand, weerstaan, zich verzetten; —er = tegenstander, die zich verzet; Withstood, widstud, imp. en p.p. van to withstand.

Withwind, widhwaind, akkerwinde, haagwinde.

Withy, withi, w(a)idhi, uit wilgentwijgen, taai, buigzaam.

Witness, witnəs, subst. getuigenis, getuige, ooggetuige (= Ocular —); — verb. getuige zijn van, als getuige teekenen, ondervinden, beleven: In — whereof = ten bewijze waarvan; — for the crown, for the prosecution = getuige à charge; — for the defence, defendant (prisoner) = getuige à décharge; To bear — to = getuigenis afleggen, betuigen; To call to — = tot getuige roepen; When we turn to the art of education, the English educationist does not leave himself without — = laat zich niet onbetuigd; I took him to — = nam hem tot getuige; You have been romping, — your hot face = getuige je vuurroode gezicht; The most violent storm I ever —ed = dien ik ooit beleefd heb; Did you ever — such a thing? = ooit zóó wat gezien; The signatures were —ed = door getuigen gestaafd; —-box = getuigenbank.

Witticism, witisizm, geestige zet; Wittiness, subst. v. Witty = geestig, scherp, snedig.

Witwal, witwôl, groene specht.

Wive, waiv, trouwen, tot vrouw nemen: Hanging and wiving goes by destiny = hangen en trouwen is eene loterij; This Hottentot chief is the most —d man (scherts.) = heeft de meeste vrouwen.

Wiveliscombe, wilsk’m.

Wivern, waivən; Zie Wyvern.

Wizard, wizəd, subst. waarzegger, toovenaar.

Wizen, wiz’n, adj. dor, droog, verschrompeld; — verb. verwelken, verschrompelen; —-faced = met verschrompeld gelaat.

Woad, woud, weede (plant); —ed = met weede, blauw gekleurd.

Wobble, wob’l, waggelen(d loopen); op en neer gaan (van effecten): “Quawk”, said the pig, and —d off; These pictures are wobbly = onzeker in prijs. Zie Wabble.

Woburn, wubən, woubən.

Woe, wou, subst. smart, verdriet, wee: — is me = wee mij; — worth the chase = wee zij de jacht; — worth the day = wee den dag; —begone = naargeestig, in smart gedompeld; —ful = treurig, ellendig, naargeestig, droevig; subst. —fulness; —-worn = door smart verteerd; Woful = Woeful.

Wolcot(t), wulkət.

Wold, would, woud, bosch, heuvelland.

Wolf, wulf, subst. wolf, harde wanklank, lupus; — verb. op de wolvenjacht gaan, gulzig verslinden: A — in sheep’s clothing = een wolf in een schapevacht; He always cries — = maakt altijd valsch alarm; I have a — by the ears = ik heb mijn man gevonden; To have a — in the stomach = een razenden honger hebben; We could hardly keep the — from our door = nauwelijks den mond open houden; —-dog = wolfshond; —-fish = zeewolf; —-net = wonderkuil (soort v. net); —’s bane = gele monnikskap; —’s-claw, —’s foot = wolfsklauw; —’s-peach = tomaat; —ish = wolfachtig, wreed, vraatzuchtig; —kin, —ling = jonge wolf.

Wolfe, wulf; Wolfram, wulfram, Wolfram; wolframium; Wollaston, woləst’n; Wolstonecraft, wulst’nkrâft; Wolseley, wulzli; Wolsey, wulzi; Wolton, wult’n; Wolverhampton, wulvəramt’n.

Wolverine, wulvərin, veelvraat.

Wolves, wulvz, mv. v. Wolf.

Woman, wum’n, vrouw, vrouwelijke bediende: — of the town = prostituée; — of the world = vrouw van de wereld; My good — = vrouwtje; Kept women = maîtressen; Lady’s — = kamenier; The New — = de (ultra) moderne vrouw; The Scarlet — = de moeder van alle ontucht en onheiligheid (Openb. XXII, 4); That frivolous Winsley — = dat wijf (die meid) van die W.’s; He played (acted) the — = speelde de rol der zwakke vrouw; There is a — in the wind = daar zit eene vrouw achter; —-born = uit eene vrouw geboren; —-built = door vrouwen gebouwd; —-doctor = doctores; —-hater = vrouwenhater; —-saint; —-servant; —hood = vrouwelijke staat, vrouwelijkheid; —ish = vrouwelijk, vrouwen …; (— tears), verwijfd; subst. —ishness; —kind = het vrouwelijk geslacht, de vrouwen, het vrouwvolk; —like = vrouwelijk, zacht; —liness, subst. v. —ly = —like; Women, wim’n, vrouwen; —-folk = vrouwvolk; —’s rights = rechten der vrouw; —’s (Woman’s, Woman-) suffrage = vrouwen-stemrecht; —kind = Womankind.

Womb, wûm, subst. baarmoeder, schoot: Falling and displacement of the — = uitzakken; —-fury (med.); —-passage = (hals der) scheede.

Won, wɐn, imp. en p.p. van to win.

Wonder, wɐndə, subst. wonder, verbazing, bewondering; — verb. verbaasd staan, zich verwonderen, nieuwsgierig zijn, benieuwd zijn: —s will never cease = de wonderen zijn de wereld nog niet uit; To do (perform, work) —s = wonderen doen; To look all — = groote oogen opzetten; It caused considerable scandal, and remained a nine days’ — = en bleef een korten tijd de aandacht trekken; No article in a review is a nine days’ — = baart ooit lang opzien; In the name of — = om ’s hemels wil; It is no — he refused = het is heel natuurlijk; He is here, for a — = zoowaar (vreemd genoeg); The seven —s of the world = de zeven wonderen der wereld; I — where he can have been = ik ben benieuwd; I — how much he left me = ik ben toch nieuwsgierig, ben benieuwd; —land = land der wonderen; —-stricken = —-struck = verbaasd, door verwondering getroffen; —-working = wonderdadig; —er = wie zich verbaast, etc.; Wonderful = verwonderlijk, vreemd, verbazend; subst. —ness; Wonderment = verwondering, verbazing; Wondrous = verwonderlijk, vreemd.

Won’t, wount, samentr. v. Will not: It — do = dat gaat niet.

Wont, wount, wɐnt, gewend; subst. gewoonte, gebruik; — verb. gewend zijn, plegen; zich gewennen (— oneself): —ed = gewoon, gewend; —less = ongewoon, niet gewend.

Woo, wû, vrijen naar, dingen naar, het hof maken, trachten te winnen: They — the battle = zoeken den strijd; —er; —ing: To go a-—ing = uit vrijen gaan.

Wood, wud, subst. woud, bosch, hout, vat, houtinstrument; — verb. met bosch bedekken, in bosch veranderen, hout innemen: It was drawn from the — = van het vat getapt; In a — = verward, verlegen; The ale is in the — = in het vat: The Palace in The — = Het Huis ten Bosch; I shall soon be out of the — = buiten gevaar of de moeilijkheid te boven zijn; She is out of the — again = is weer bij (kennis); Have you taken in your stock of — yet? = al hout opgedaan; He doesn’t see the — for trees = hij ziet wegens de boomen het bosch niet; —-ant = boschmier; —-ashes = houtasch; —-band = houtorkest, de blaasinstrumenten, “het hout”; —bine = wilde kamperfoelie; —-bird = boschvogel; —-bound = ingesloten door hooge en zware heggen; —-carver = houtsnijder; —-carving = houtsnijwerk; —chuck = soort v. marmot; — coal = bruinkool; —cock = houtsnip; sukkel; —craft = bedrevenheid in boschcultuur of jacht; jachtvermaak; —cut = houtsnee(plaat); —-cutter = houthakker, maker van houtsneden; —-drink = afkooksel van medicinale planten; —-engraver = houtgraveur; —-engraving = houtgraveerkunst, houtgravure; —-fretter = houtworm; —-gear = raderwerk van hout; —-grouse = auerhaan; —-hole = —-house = houtloods; —-knife = hertsvanger; —land, subst. boschland, adj. bosch.., woud.., boschachtig; —lark = boomleeuwerik; —-lot = stuk land waarop brandhout wordt verbouwd (Amer.); —-louse = houtluis; —man = boschwachter, boschbewoner, houthakker; —-mite = houtworm; —-mouse = boschmuis; —-nymph = boschnimf; —-paper = papier uit hout vervaardigd; —-pavement = houten bestrating; —pecker = specht; —-pigeon = houtduif; —-pile = houtmijt; —reeve = houtvester; —-rick = —-pile; —-rock = bergvlas, soort v. asbest; —-ruff = Lieve Vrouwe Bedstroo; —-sare = koekoekspog; —-screw = houtschroef; —shed = houtloods; —-skin = boot of kano van boombast (Guyana); —-soot = houtroet (bemesting); —-sorrel = boschklaverzuring; —-spite = groene specht; —-tar = houtteer; —-vetch = soort lathyrus; —-wale = —pecker; —-wax(en) = verfbrem; —work = houtwerk; —-worm = —-mite; —ed = bedekt met bosch; Wooden = van hout, houterig, dom, suf: What are you so — about? = hoe ben je zoo suf; — horse = paard (gymn.); ook strafmiddel (To ride the — horse); — shoes = klompen, armoede, oude spotnaam voor de Fransche natie; —ness = houterigheid, stijfheid: That particular —ness which has in all ages been characteristic of mere philologists; Woodiness, subst. v. Woody = houtachtig, boschrijk: — fibre (tissue) = houtvezels (weefsel).

Woof, wûf, inslag, weefsel.

Wool, wul, wol, bont: Great (Much) cry and little — = veel geschreeuw en weinig wol = More squeak than —; To draw (pull) the — over a person’s eyes = iemand zand in de oogen strooien; —-ball = wolbal (in magen van dieren); —-bearing = woldragend; —-comber, wolkammer; —-combing = het wolkammen; —-cotton = boomwol; —-dyed = in de wol geverfd; —-gathering, subst. het vergaren van pluisjes wol; verstrooidheid; adj. verstrooid: His wits are a-—-gathering = zijn verstand is op den loop, hij suft; —-grower = schapenfokker; —-man = wolkooper; —-market; —-merchant; —-mill = wolspinnerij; —pack = baal wol (± 108,826 K.G.); —sack = zitplaats van den Lord Chancellor in het House of Lords; —sorter = wolsorteerder = —-stapler, dit laatste ook wolhandelaar; —-staple = wolmarkt; lengte der wolharen; —-trade = wolhandel; Woollen = van wol, grof, lomp, boersch: —s = wollen stoffen, wollen goederen = — articles of — goods; — trade = wolhandel; —-draper = lakenkooper, handelaar in wollen goederen; —-printer = woldrukker; —-scribbler = machine om wol te kaarden; Woolliness = wolligheid; Woolly = wollig, wolachtig, gedempt, dof, onduidelijk, prikkelbaar, knorrig; —-haired; —-head = neger; —-minded men = suffers.

Woolwich, wulidž.

Woom, wûm, beverbont.

Wootz, wûts, fijn Indisch gietstaal.

Worcester, wustə.

Word, wɐ̂d, subst. woord, uitdrukking, mededeeling, bericht, bevel, wachtwoord, parool, motto; — verb. onder woorden brengen: The — = de H. Schrift; Money is the — = geld is de boodschap; He is as good as his — = houdt zijn woord = He has not been worse than his —; There were angry —s between us = we hadden hooge woorden; At a — = met één woord; By good — = met goedheid; He communicated it to me by — of mouth = mondeling; I repeated it to him — for — = woord voor woord; In a (one) — = in één woord, kort en goed; There you have it in a — = met dat ééne woord is alles gezegd; He is a hero in —(s) = een held met den mond; To a — = woordelijk; Upon my — = op mijn woord; To come to —s = woorden krijgen; He tried to get away from his — = van zijne belofte af te komen; I could not get in a — edgeways = er geen woord tusschen krijgen; To stick to one’s — = zijn woord houden; I take you at your — = houd je aan; To take up the — again = weer opvatten; To understand at half a — = met een half woord verstaan; To bring — = bericht brengen; You shall eat your —s = terugnemen; He gave me many kind —s = sprak zeer vriendelijk; I must have a — with you = u even spreken; To have a few —s = woorden (ruzie) hebben; To have the final — = het laatste woord hebben; I have your — = uw woord, verzekering; I won’t have any —s about it = ik wil er niet van hooren; She hasn’t a good — to say of (for) anybody = zij heeft op iedereen wat te zeggen; To keep one’s — = houden; To leave — with the servant = boodschap achterlaten; I should like a — with you = je gaarne even spreken; To put in a good — for = een goed woordje doen voor = To say a good — for; He has not said his last — = zijn laatste woord nog niet gezegd (fig.); I’ll send you — = ik zal u eene boodschap zenden; To speak a good — for, Zie Put in; You may take my — for it = gij kunt erop aan; To take the — = het woord nemen; To write — = bericht zenden; —-book = woordenlijst; —-building = woordvorming; —-catcher = woordenzifter, woordenvitter; —-catching; —-painter = woordkunstenaar; —-painting = woordkunst; —-picture = beeld of beschrijving; —-spin = met woorden schermen: Journalists can —-spin on occasion = verstaan de kunst om met veel woorden niets te zeggen; —-spinner = redekunstenaar; —-square = reeks v. woorden (in een vierkant) die hetzelfde woord opleveren hetzij naar beneden of van rechts naar links gelezen; Cautiously —ed = voorzichtig gesteld; A well-—ed letter = een goed gestelde brief; —ing = redactie, bewoordingen; —iness, subst. v. —y; —less = sprakeloos, niet uitgesproken; —y = woordenrijk, langdradig: —y warfare = woordentwist.

Wordsworth, wɐ̂dzwəth.

Wore, wö, imperf. van to wear.

Work, wɐ̂k, subst. werk, arbeid, bezigheid, bewerking, behandeling, etc.; —s = industrieele inrichting, fabriek, (uur)werk; goede werken, zedelijke plichten (tegenover “genade”), muren, loopgraven, versterkingen, vestingwerken; — verb. werken, arbeiden, zich inspannen, gisten, stampen (v. een schip), werken op, zich laten bewerken, laten werken, afbeulen, sturen, leiden, oplossen, bedienen, afvisschen, dresseeren, etc.: That is a good day’s — = eene flinke dagtaak; It’s hard and slow — = moeilijk en langzaam vorderend werk; Bicycling is warm — = warm werk; At —! = aan het werk! They were at — on the map = aan het werk; A maid of all — = meid alléén; To be out of — = zonder werk, stilstaand; You’ll have all your — cut out for you = er de handen vol aan hebben; To find a person — = werk verschaffen; I must try to get through all this — to-day = al dit werk zien af te krijgen; You are going the right (wrong) way to — = legt het goed (verkeerd) aan; To go (fall) to — with a will = met ijver aan het werk gaan; To go out to — = uit werken gaan; To make sad — of = verknoeien; To make short — of = korte metten maken met; To set to — = aan het werk gaan, aan het werk zetten; Take up the — you dropped last week = vat het werk weer op; To be thrown out of — = buiten werk (geraakt) zijn; Gas-—s = gasfabriek; An iron-—s = ijzergieterij; The Board of —s = een lichaam, dat de secular functions van de Vestries in de meeste parishes heeft overgenomen (Zie Vestry); To — guns = bedienen; He —ed his men fewer hours = liet werken; To — a mill = aan den gang brengen, drijven; To — arithmetical problems = oplossen; To — a railway = exploiteeren; If I could — my will = mijn zin kon doorzetten (Vergel. To — with a will = flink aanpakken); —ed in iron, gold, etc. = van ijzer, goud bewerkt; He is a hard —ed man = hij moet hard werken; Stocks are —ing down = de effecten gaan naar beneden; The ship is —ing to windward = kruist naar loevert op; I have been —ing at my grammar = heb gewerkt; He —ed himself into the king’s favour = drong zich in; I had a headache but I have —ed it off = maar ze is met werken overgegaan; That did not — on him = had geen invloed; It has —ed out something good = heeft uitgewerkt; I left these things to — out their own problems = om vanzelf tot oplossing te komen; To — out one’s dinner, passage = zijn middagmaal, overtocht verdienen met daarvoor te werken; We have steadily —ed through all the exhibits = hebben alle uitstallingen geregeld nagegaan; He —ed up his rage = hij werd al woedender; It was —ed up into something quite different = er kwam geheel iets anders van; He —ed himself up into a passion = maakte zich driftig; —aday = —-a-day = daagsch, alledaagsch; —-bag = werktaschje; —-basket = mandje; —-box = werkdoos, naaikistje; —-day = werkdag; —-folk(s) = werklui; —-girl = fabriekarbeidster; —house = werkhuis (waarin de armen worden opgenomen, en de voor werk geschikten tot arbeid gedwongen worden); soort tuchtschool of werkinrichting; —man = arbeider, werkman; —manlike = knap, handig, vaardig; —manship = wijze van uitvoering, bewerking, arbeid, bekwaamheid, handigheid: This is a box of excellent —manship = een fraai bewerkte; —-people; —-room = werkkamer (voor vrouwen) in huis of fabriek; —-season = campagne; —shop = werkplaats; —-shy = afkeerig van werken; subst. leeglooper; —-table = werktafel(tje); —woman = werkvrouw, werkster; —able = wat bewerkt, in beweging of gang gebracht, geëxploiteerd kan worden, uitvoerbaar, praktisch: That is not a —able theory, proposal = practisch; —er = werker, werkman, arbeider; werkbij (-mier): He was my fellow —er for a time = wij hebben een tijdlang samengewerkt; Working, subst. werk, gisting, beweging, gang, bedrijf, exploitatie; adj. werkend, arbeidzaam, werkzaam, bruikbaar: —-account = exploitatierekening; —-beam = drijfstang; —-class(es) = arbeidende klasse; —-day, subst. werkdag; adj. als v. een werkdag, zwoegend, gewoon; —-drawing = plan of teekening, constructieteekening; —-expenses = exploitatiekosten; —-man = werkman, arbeider; —-party = troep soldaten voor eene korvee bestemd; —-point = deel der machine waarop het vereischte effect wordt teweeggebracht; Workless = zonder werk, werk(e)loos: The —, the Thriftless and the Worthless, a book by Francis Peek.

World, wɐ̂ld, wereld (ook fig.), aardsch bestaan, levensloop, de menschen, het publiek, maatschappij, menigte: A — of pains = ontzettend veel moeite; — without end = eeuwig; The next (other, future) — = The — to be (— to come) = het hiernamaals; The fashionable (great) — = de groote wereld; It’s him, for all the — = hij is het waarachtig; I wouldn’t part with you for (all) the — = voor niets ter wereld; What in the — do you mean by it? = wat ter wereld; History (Knowledge) of the —; He is a man of the — = een man van de wereld; He is of the — worldly = een echte wereldling, wereldschgezinde; We have travelled all over the —, all the — over = de geheele wereld door- of rondgereisd; All the — say so = alle menschen; All the — and his wife go(es) there = Jan en alleman; She was beginning the — = trad de wereld in; I wish I could begin the — over again = dat ik nog eens weer van voren af aan kon beginnen: I would have given —s = alles; He has renounced the — = heeft van de wereld afstand gedaan; He thinks (all) the — of his nephew = heeft een hoog idée van; As the — goes = zooals het gaat in de wereld; That is how the — wags (Such is the —, This is the way of the —) = is ’s werelds beloop; —-English = phonetisch internationaal spelstelsel v. Melville Bell; —-famous; —-pain = wereldsmart (“Weltschmerz”); —-wearied = de wereld moede, levensmoede; —-wide = oneindig, zeer groot; —-wise = ervaren; Worldliness = wereldsch-gezindheid; Worldling = wereldling; Worldly = wereldsch, menschelijk, aardsch, verachtelijk; —-minded = wereldsgezind; subst. —-mindedness; —-wise = wijs naar de wereld (gew. in afkeurenden zin).

Worm, wɐ̂m, subst. worm, made, larve, stumper, klabak, gewetenswroeging, schroefdraad, krasser op den laadstok, koelslang; — verb. kruipende vooruitkomen, in het geheim en langzaam werken, op slinksche wijze bewerkstelligen, de lading uit geweer of kanon halen, touw spiraalsgewijs omwikkelen, van wormen zuiveren: Even the trodden — will turn = zelfs het wormpje laat zich niet zoo maar trappen; He —ed himself into the king’s confidence = drong zich kruiperig in; He tried to — that secret out of me = van mij los te krijgen; —-cake = wormkoekje; —-eaten = wormstekig; subst. —-eatenness; —-fever = wormkoorts; —-grass = muurpeper; —-hole = wormgaatje; —-powder = wormpoeder, wormkruid; —-seed = alsem, welriekende ganzevoet, boerenkers; —-shaped = wormvormig; —’s meat = voedsel voor wormen, lijk; —-wheel = schroefrad, snek; —y = vol wormen, wormstekig, aardsch, kruipend.

Wormwood, wɐ̂mwud, bittere alsem: It is (gall and) — to him = hij wormt er over, het grieft hem.

Worn, wön, p.p. van to wear, versleten, uitgeput, verweerd, uitgeteerd.

Worrier, wɐriə: He is a — = een kwelgeest, onaangenaam mensch; It has caused me much worriment = me veel last en verdriet veroorzaakt; Worrit, wɐrit (= Worry): Don’t — yourself = plaag jezelf toch niet, zit toch niet (zoo) te kniezen.

Worry, wɐri, subst. kwelling, angst, zorg, drukte, “soesa”; — verb. kwellen, tobben, plagen, afworgen (zooals de honden doen), rukken, uitputten: You have no worries = niets dat u hindert; Don’t be uneasy, my dear old — = lieve tobber (bezorgde moeder); The dog worried the old gentleman’s gaiters = rukte en scheurde aan de slobkousen van den ouden heer; To be worried at = zich ergeren over, verdrietig zijn over; The chief had been —ing for her for two hours = naar haar gevraagd, overal gezocht.

Worse, wɐ̂s, erger, slechter; ook subst.: From bad to — = van kwaad tot erger; — luck = ongelukkigerwijze; To be — = erger, zieker zijn; To be ¼ — = ¼ procent lager staan; I am no — = I am none the — for it = dat heeft me niets gehinderd; To be the — for = minder waard zijn, schade lijden, er slecht aan toe zijn; To be the — for drink = aangeschoten zijn; The — for wear = versleten; To change for the — = minder worden; To get — and — = al erger worden; He is — off than his brother = slechter af; And, to make things —, one of the horses fell down dead = en tot overmaat van ramp; Worsen = verergeren, ontaarden; een voordeel behalen op; His betters or his worsers = zijne meerderen of zijne minderen (schertsend).

Worship, wɐ̂šip, subst. waardigheid, aanzien, eerbied, eerbewijzen, aanbidding, godsdienst, eeredienst, titel (vooral van magistraatspersonen); — verb. aanbidden, vol eerbied behandelen, vereeren, hoogachten, zich toewijden: Yes, your — = ja, edelachtbare; —ful = grootachtbaar (titel): —ful Master; subst. —fulness; —per = aanbidder: —per of idols = afgodendienaar.

Worst, wɐ̂st, subst. en adj. slechtst(e), ergst(e), minst(e), snoodst(e); — verb. verslaan, overwinnen: At the — = op zijn minst, in ’t ergste geval; In the event of the — = If the — comes to the — = als het op het ergst loopt; The — of the thing was = het ergste van de zaak was; Let him do his — = het ergste doen wat hij kan; He had (got) the — of it = hij verloor het, trok aan het kortste eind; Why should you suppose the —? = het ergste onderstellen; They were —ed in the battle = zij werden in den strijd totaal verslagen.

Worsted, wustid, subst. en adj. (van) sajet: A ball of — = een kluwen sajet.

Wort, wɐ̂t, kruid (in samenstellingen).

Worth, wɐ̂th, worden of zijn (alléén) in: “Woe —” met volgenden datief: Woe — the chase, woe — the day, That costs thy life, my gallant grey = wee de jacht en wee den dag.

Worth, wɐ̂th, subst. waarde, waardij, verdienste, uitstekendheid; adj. waard: To be — = gelden, waard zijn; What’s that man —? = hoeveel bezit die man; Take all I’m — = neem alles wat ik bezit; It is hardly — looking at = haast geen aankijken waard; It is as much as my place is — to let him see it = het zou me mijn betrekking kunnen kosten, als hij het zag; He gave the last shilling he was — = dien hij bezat; He liked to think that he was — his salt = dat hij den kost waard was; You are not — a two-penny rope = je bent het ophangen niet waard; He danced for all he was — = zooveel en zoo goed hij kon; —iness, wɐ̂dhinəs, waardigheid, deugd, uitstekendheid; —less = waardeloos, verachtelijk; subst. —lessness; Worthy, wɐ̂dhi, subst. held, beroemdheid, persoon; adj. waardig, edel, verdienstelijk: The Nine —ies = de negen helden der Oudheid (Hector, Alexander, Julius Caesar, Jozua, David, Judas Maccabaeus, Arthur, Karel de Groote, Godfried v. Bouillon); I am — to be scorned = verdien veracht te worden; This work is not — of your talents = is uwe talenten en gaven onwaardig; The labourer is — of his hire = zijn loon waard.

Would, wud, imperf. van will: — to God = God gave; He — often go there = placht te gaan; — you have me go there? = woudt ge, dat ik daarheen ging? What — you have me do? = wat woudt ge (dan) dat ik deed; I — have you know = ik moet je zeggen; Would-be, subst. bluffer; adj. zoogenaamd: A — friend = valsche, zoogenaamde vriend; A — sportsman = Zondagsjager.

Wound, wûnd, subst. wonde, smart; — verb. wonden, kwetsen: To give (inflict) a — = eene wonde toebrengen; To — to death; To — to the quick = pijnlijk verwonden of grieven; —-fever; —-wort = andoorn.

Wound, waund, imp. en p.p. van to wind.

Wove, wouv, Woven, wouv’n, imperf. en p.p. van to weave: —(n) paper = velijnpapier.

Wow-wow, wauwau, woef (= hond in de kindertaal); langarmige apensoort (Sumatra).

Wrack, rak, zeewier; wrak; lichte, dunne wolk (Zie Rack): Let the world go to — = ten onder gaan.

Wrain-bolt, reinboult; Zie Wring-bolt.

Wraith, reith, geest(verschijning) van iemand vóór zijn dood of even na zijn dood, schim, spook: His friendship for me was henceforth a hollow — = niets dan eene schim, eene holle klank.

Wrangle, raŋg’l, subst. gekijf, ruzie; — verb. kijven, rumoerig twisten: The birds were wrangling for the seed = vochten om; Wrangler = twister, ruziemaker; aan de universiteit te Cambridge een van hen, die in het Honours examen voor B.A. in de wiskunde hooge punten hebben behaald; de beste heette Senior — (afgeschaft in 1909); —ship; Wrangling = twist, ruzie.

Wrap, rap, subst. omhulsel, overtrek, omslagdoek, sjaal, mantel, morgenjapon; — verb. samenwikkelen, bedekken, inwikkelen, oprollen, hullen, opgaan in: The world was —ped in silence, darkness = in stilte duisternis gehuld; I don’t understand why you are so —ped up in your country = hoe gij zoo geheel in uw land opgaat, er zoo mee zijt ingenomen; —page = omhulsel; Wrapper = emballage, sjaal, morgenjapon, doek, dekblad, kruisband: Sumatra —s = sigaren met S. dekblad; Wrapping-paper = pakpapier; Wrapt = P. Imp. en P.P. v. To wrap.

Wrasse, ras, lipvisch.

Wrath, rôth, râth, woede, gramschap; —ful = vol toorn en gramschap; subst. —fulness; —y = toornig, gramstorig.

Wreak, rîk, subst. wraak, woede; — verb. wreken, koelen: To — one’s anger (rage) upon = zijn toorn (woede) koelen aan; I’ll — my vengeance on you = zal mijne wraak aan u koelen.

Wreath, rîth, krans, ring, winding, kring: —s of smoke; Wreath(e), ridh, omkransen, bekransen, kronkelen, strengelen; Wreathy, rîthi, gewonden, etc.

Wreck, rek, subst. wrak, wrakhout, vergaan, verval, ondergang, vernietiging; — verb. vernietigen, te gronde richten, stranden, schipbreuk (doen) lijden, te gronde gaan: —s = overblijfselen, wrakhout: Receiver of —s = strandvonder; Everything went to — and ruin = ging te gronde; The ship was —ed off Kijkduin = verging; To — a train = een spoorwegongeluk veroorzaken; The rebels —ed the bakers’ shops = vernielden en plunderden; —-commissioner = strandvonder (Amer.); —-free = niet onderworpen aan het strandrecht, zooals b.v. de Cinque Ports; —-master = strandvonder (Engl.); Wreckage, rekidž, schipbreuk, wrakhout, overblijfselen; Wrecker = stranddief, strandjutter, strandwacht, bergingsschip; Wrecking-car = spoorwagen met materiaal om na een spoorwegongeluk den weg vrij te maken (Amer.).

Wren, ren, tuinkoning: A — in the hand is better than a crane to be caught = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht; —ning = jacht op —s; de 26e Dec. heet in ’t Z. van Ierland —ning-day, omdat oudtijds de —s op dien dag gevangen, en in triomf van huis tot huis gedragen werden om geld voor een pretje op te halen; de deelnemers aan de jacht heetten —-boys.

Wrench, renš, subst. ruk, verdraaiing, draaiing, verstuiking, schroefsleutel; — verb. draaien, wringen, verdraaien, verrekken, verstuiken: It was a hard (shocking) — to part with her = het was een zeer hard gelag; Students have a fancy for —ing off knockers = mogen graag kloppers (bellen) “moeren”; To — open = openbreken.

Wrest, rest, subst. draaiing, winding, list, verrekking; stemhamer; — verb. verdraaien, verwringen, ontrukken.

Wrestle, res’l, subst. worsteling, worstelwedstrijd; — verb. worstelen, strijden; —r = worstelaar, athleet; Wrestling-place = worstelplaats.

Wretch, retš, ellendeling, schelm: ongelukkige: Poor — = arme stakker: That young — of a girl = dat nest; Wretched, retšid, ellendig, ongelukkig, betreurenswaardig, armzalig; subst. —edness.

Wrexham, reks’m.

Wriggle, rig’l, subst. wriemelende beweging, draaiing; — verb. wriemelen, zich kronkelend bewegen, draaien, wrikken (v. een boot): To — oneself into a person’s favour = zich vleierig indringen; —r = draaier, knoeier.

Wright, rait, bijna alléén in samenstellingen, als Cart— = wagenmaker; Ship— = scheepstimmerman.

Wring, riŋ, wringen, draaien, persen, afpersen, uitknijpen, omdraaien, buigen, martelen, pijnigen: He wrung the confession from me = perste mij de bekentenis af; To — out clothes; These shrieks — my heart = knijpen mij het hart toe; We listened with wrung hearts; —-bolt = ringbout; —er = wringmachine; Wringing: —s of conscience = gewetenswroeging; — of the guts = krampen (plat); —-machine = wringmachine; —-wet = zóó nat dat men het kan wringen.

Wrinkle, riŋk’l, subst. rimpel, plooi, vouw, oneffenheid, gelukkige gedachte of inval, wenk; — verb. rimpelen, plooien, vouwen; liegen, opsnijden: I’ll put you up to a — (or two) = ik zal je eens op de hoogte brengen; Shopping —s = kneepjes bij ’t koopen in acht te nemen; He —d up his face, nose; —d = Wrinkly.

Wriothesley, rot(ə)sli.

Wrist, rist, handgewricht; —band = vaste manchet, boord van de (over)hemdsmouw; —-drop = verlamming der hand; Wristlet = soort polsmof, armband, handboei.

Writ, rit, geschrift, bevelschrift, oproeping, dagvaarding, aanklacht: Holy — = de H. Schrift; —s were issued = bevelschriften werden uitgevaardigd; A — was served upon him = er werd hem eene dagvaarding beteekend.

Write, rait, schrijven, beschrijven, zich schrijven (teekenen): I have written him word = hem geschreven, schriftelijk kennis gegeven; Will you — this fair? = dit in ’t net schrijven; They wrote down what I dictated = zij schreven op; She writes down too much in her books for children = zij schrijft al te kinderachtig; The critic’s objections were written down = werden afdoende weerlegd; The debt was written off = werd doorgehaald, afgeschreven; The ship was written off as wrecked = als vergaan van de lijst gevoerd; Will you — it out? = het copieeren; He has written himself out = zijn schrijversvermogen uitgeput; To — up = bijschrijven, bijhouden: The novel was written up = werd gunstig gerecenseerd, in de hoogte gestoken (afgemaakt) door de critiek; He has written to say that = heeft geschreven, dat; Writer = schrijver, klerk: —’s cramp = schrijfkramp; — to the Signet = een Schotsch solicitor; —ship = schrijversambt.

Writhe, raidh, verwringen, verdraaien, ineenkrimpen: He —d his features as in pain = verwrong zijne gelaatstrekken.

Writing, raitiŋ, geschrift, handschrift, tekst, oorkonde: To commit one’s thoughts to — = op schrift brengen = To draw up (put down, take down in) — = op schrift zetten; In his own — = eigenhandig geschreven; —-book = schrijfboek; —-case = map; —-desk = schrijflessenaar, schrijf map; —-master = schrijfmeester; —-pad = sous-main; —-paper = schrijfpapier; —-part = schriftelijk gedeelte van een examen; —-school = schrijfschool; —-table = schrijftafel; Written = geschreven: It is — = er staat geschreven (in de H. Schrift); — examination; — Law = geschreven wet = Statute Law.

Wrong, roŋ, subst. onrecht, onrechtmatige daad, overtreding, beleediging, nadeel, misvatting; adj. verkeerd, onbillijk, onrechtmatig; — verb. verongelijken, onrecht aandoen, krenken, beleedigen: Private (public) — = onrecht een persoon (de maatschappij) aangedaan, inbreuk op de rechten van een persoon (v. de maatschappij); To be — = verkeerd zijn, ongelijk hebben; That is altogether (decidedly) — = heelemaal (bepaald) verkeerd; There is something — somewhere = er is ergens iets niet in den haak; To do a person — = To do — to a person = verongelijken, onrecht doen; He has done — = verkeerd gedaan, slecht gehandeld; He has had — = is verongelijkt; To get to —s = in de war raken; To get on (to) the — tack = op het verkeerde spoor; To go — = verkeerd gaan, den verkeerden weg opgaan; My watch goes — = loopt niet goed; To go the — way = in ’t verkeerde keelgat komen; To rub the — way = boos maken, prikkelen; To swallow a crumb the — way = in ’t verkeerde keelgat krijgen; To get hold of the — end of the stick = iets bij het verkeerde eind hebben; He got out of bed the — foot (leg) foremost = hij is met het verkeerde been uit het bed gestapt; I am on the — side of sixty = over de zestig; The — side uppermost (outward) = den verkeerden kant boven (buiten), ondersteboven (binnenstebuiten); He —ed her by two years = dacht ten onrechte dat ze twee jaar ouder was; He never —ed me of a penny = heeft mij nooit een cent te kort gedaan; —-doer = overtreder; —-doing = onrecht, overtreding; —-headed = verkeerd, eigenzinnig; subst. —-headedness; —er = verongelijker; —ful = onbillijk, benadeelend, verkeerd; subst. —fulness; —ly = verkeerdelijk, onrechtmatig; —ous = onwettig (Schotl.).

Wrote, rout, imperf. van to write.

Wroth, rôth, roth, verbitterd, toornig.

Wrought, rôt, gewrocht, bewerkt, gevormd, gesmeed, geslagen: He was — on by his relations = werd bewerkt door zijne familie; — up to great fury = tot groote woede gebracht; — upon = bewerkt (fig.); High-— expectations = hooggespannen verwachtingen; —-iron = gesmeed ijzer, staafijzer.

Wroxeter, roksitə.

Wrung, rɐŋ, imp. en p.p. van to wring; — heads = kim (scheepst.).

Wry, rai, scheef, verdraaid, verkeerd: To make a — face = een leelijk gezicht trekken; To make — faces = gezichten trekken; —-neck = scheeve nek (hals); draaihals (vogel); —ness = scheefheid, verdraaidheid.

Wunner, wɐnə, kranige vent = Oner.

Wuther, wɐdhə, huilen, bulderen: —ing heights = onherbergzame hoogten.

Wyandotte, waiəndot, waiəndot.

Wyat(t), waiət.

Wych-elm, witšelm = bergiep; Wych-hazel (Z. Witch).

Wycherley, witšəli; Wyclif(fe), wiklif; Wyclif(f)ite, wiklifait, volgeling van W. (1324–1384); Wycombe, wikəm; Wye, wai; Wykeham, wikəm; Wykehamist, wikəmist, naam van de leerlingen van Winchester College, door Wykeham, Bisschop van Winchester, te Oxford gesticht; Wyndham, wind’m; Wyoming, waioumiŋ.

Wyvern, waiv’n, gevleugelde draak (Herald.).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings