T. (continued 2)
Reading edition
Timid, timid, beschroomd, bedeesd: As — as a hare = zoo bang als een wezel; subst. —ity, timiditi = —ness.
Timocracy, taimokresi, timocratie; adj. Timocratic, t(a)iməkratik.
Timon, taim’n, Timon; Timor, timö.
Timorous, timərɐs, schroomvallig, vreesachtig; adj. —ness.
Timothy grass, timəthigrâs, timotheegras.
Tin, tin, subst. tin, blik, geld, splint; adj. tinnen; — verb. vertinnen, met stanniool beleggen, inmaken: A — case for botanical specimens; Nice girls but not much — = maar geen geld; — roof = zinken dak, plat; —ned meat, fruit = vleesch, vruchten in blik; —-foil = stanniool; —-man = tinnegieter, blikslager; —-mine = tinmijn; —-plate = blik; —-smith = —-man; —-solder = soldeer; —-type = photographie op metaal (Am.); —-worm = duizendpoot; —ny = tin houdend, vol tin.
Tincal, tiŋk’l, ruwe borax.
Tincture, tiŋktjə, subst. tint, kleur, smaak, zweem, tinktuur; — verb. kleuren, verven, tinten.
Tinder, tində, tonder, zwam; —-box = tonderdoos; —like = als tonder = —y.
Tine, tain, tand van eene vork, tak; —d: Twelve —d antlers = met 12 takken.
Tinea, tiniə, mot; schin (Med.).
Ting, tiŋ: —-— = klanknaboots. van een (fiets)bel; — verb. (doen) klinken: To — a bell.
Tinge, tinž, subst. tint, kleur, smaakje, zweem; — verb. tinten, kleuren: She had experienced sharp —s of regret = er nu en dan diep berouw over gehad; Principles, slightly —d with radicalism = iets radicaal getinte beginselen; —r.
Tingle, tiŋg’l, tintelen, prikken, steken, jeuken, tuiten: My ears —d with it = tuitten ervan; Tingling = kriebelen, tuiten: — of the ears.
Tinker, tiŋkə, subst. (ketel)lapper; — verb. (ketel)lappen, lappen, knoeien aan: Political —s = politieke tinnegieters; I must have a — at it = het eens onderhanden nemen; He was always —ing those contracts = zat altijd te knoeien aan die contracten; —ing measures = lapmiddelen.
Tinkle, tiŋk’l, subst. gerinkel, geklingel; — verb. rinkelen, (doen) klinken, tuiten: The tinkling of bells = getjingel; Tinkling his dessert-knife against his wine-glass; Her fingers —d over the spinet = tokkelden.
Tinsel, tins’l, subst. klatergoud (ook fig.), brocaat, valsche schijn; adj. oppervlakkig, schijn …, opgeschikt; — verb. met klatergoud bedekken, mooi maken.
Tint, tint, subst. tint; — verb. tinten: —ed glasses = gekleurde bril; —less.
Tintinnabulation, tintənabjuleiš’n, getjingel; Tintinnabulous, tjingelend; Tintinnabulum of rhyme = rijmgetjingel.
Tiny, taini, klein, teer, zwak.
Tip, tip, subst. punt, tip, topje, helmknopje, tikje, fooi, inlichtingen, inrichting om karren te kippen, kipkar, losplaats; — verb. punten, de punt beslaan met, wippen of kippen (van eene kar), toppen (van ra’s), omvallen, schenken, eene fooi geven, intieme wenken of inlichtingen geven: — of a cigar, the nose, the tail; The pendants shook in the —s of her pretty ears = lellen; She is a lady to the finger —s = op en top; That is a straight — = duidelijke wenk; I don’t know where he gets his —s = waar hij zijne inlichtingen vandaan haalt; He gave me the — = hij waarschuwde mij, gaf mij een wenk; —-car(t) = kipkar; —-cat = timp, tip (ook het spel); —-staff = staf, gerechtsdienaar; —-tilted = opgewipt; He —ped me a guinea = gaf me; To — all nine = alle negen omwerpen; Have you —ped the servant? = heb je een fooi gegeven; He —ped me the wink = gaf me een teeken, een wenk; The minister had been —ped the wink as to the writer of the pamphlet = den minister was heimelijk een wenk gegeven; He —ped the liquor off = gooide “’m” om; The new seats in the theatre — up of their own accord the instant they are vacated = wippen op zoodra men opstaat; —-up seats = klapstoelen; —ping system = fooienstelsel.
Tipperary, tipərêri: — lawyer = korte eiken knuppel.
Tippet, tipət, pelskraag, sjerp, kraag.
Tipple, tip’l subst. drank, geliefkoosde drank; — verb. pimpelen: A place of — = kroeg; This wine is first-rate — = is uitstekend; —r = drinkebroer; Tippling-house = kroeg.
Tipsiness, tipsinəs, subst. v. Tipsy, tipsi, dronken, aangeschoten; —-cake = amandelpudding of gebak met madera of iets dergelijks.
Tiptoe, tiptou, subst. punt van de teen; adj. en adv. op de teenen, tersluiks; — verb. op de teenen loopen: He was (stood) on — = stond op de teenen, was zeer nieuwsgierig, in gespannen verwachting; We are on the — of expectation = in gespannen verwachting.
Tiptop, tiptop, subst. bovenste beste; adj. zeer goed, uitstekend, bovenste beste: A — education = voortreffelijke opvoeding; A —per = banjer, iets heel bijzonders.
Tirade, tireid, tirade; loopje (muz.).
Tirailleur, tiral(j)ɐ̂, scherpschutter.
Tire, taiə, subst. wielband, drijfriem; kleeding, tooi; afmatting; — verb. uitputten, vermoeien, vervelen, afmatten: tooien, (op)kleeden; een band doen om: Cushion (Pneumatic) — = luchtband; This “—d” me = dit verveelde me (Amer.); He soon —d of it = werd het spoedig “beu”; I am —d out = doodop; I am —d to death = doodmoe: He —d me to death = heeft mij doodelijk verveeld; I am —d with (of) listening to your complaints = ben moe (ik heb genoeg) van; Air-—d bicycles = rijwielen met luchtbanden; Dog —d = bekaf; —dness = vermoeidheid, uitputting; —less = onvermoeid; subst. —lessness; —some, taiəs’m, afmattend, vermoeiend, vervelend; subst. —someness; Tiring: —-room = kleedkamer (voor acteurs); —-woman = kamenier (van een actrice).
Tiro, tairou, beginner; Zie Tyro.
Tirra-lirra, tirəlirə, tiereliere, trara, etc.
Tirw(h)it, tɐ̂(h)wit, kievit.
’Tis, tiz, samentr. van It is.
Tisic(k), tisik; Zie Phthisic.
Tisri, tizri, eerste maand van het burgerlijk jaar (Israël.).
Tissue, tišu, subst. fijn weefsel, goud- of zilverlaken, aaneenschakeling, zijdepapier (—-paper); — verb. weven, doorweven, schakeeren: It is a — of lies = weefsel, reeks v. leugens.
Tit, tit, subst. graspieper, meesje; paardje; stukje, brokje, tikje; — verb. tikken, gooien: I gave him — for tat = gaf hem leer om leer; Why should I — up for it? = er om opgooien; —-bit = lekkernij, iets fijns.
Titan, tait’n, zon, Titan; vr. —ess; Titania, t(a)iteinjə, Titania, de feeënkoningin en vrouw van Oberon; Titanic, taitanik, titanisch, reusachtig.
Tith(e)able, taidhəb’l, tiendbaar; Tithe, taidh, tiende; — verb. tienden heffen; Tithing, taidhiŋ, het heffen van tienden; getal van tien huismannen; Tithing-man = hoofd van een Tithing; in Amer. kerkelijk opziener, ambtenaar belast met het toezicht op de Zondagsviering.
Titillate, titileit, kietelen, prikkelen; subst. Titillation.
Titivate, titiveit, opdirken, opzichtig kleeden.
Titlark, titlâk, graspieper = Titling.
Title, tait’l, subst. titel, opschrift, naam, benaming, aanspraak, eigendomsrecht; — verb. betitelen, noemen: To bear a — = titel dragen; To have a — to = gerechtigd zijn tot; He took possession by the clearest — = met de duidelijkste (volste) aanspraken; —-deed = eigendomsacte of -bewijs; —-page = titelblad; —-rôle = titelrol; A —d gentleman = adellijk; —less = zonder titel.
Titmouse, titmaus, mees.
Titrate, t(a)itreit, titreeren; subst. Titration.
Titter, titə, gichelen, wippen; subst. gegichel: Every one around them was in a — = aan het gichelen.
Tittle, tit’l, subst. stip, iota; — verb. wauwelen, babbelen: That is it to a — = precies; —-tattle, subst. gewauwel, gebabbel, wauwelaar; adj. wauwelend; — verb. wauwelen; —-tattler = snapper.
Tittlebat, tit’lbat, stekelbaarsje.
Titty-wagger, titiwagə, leugentje.
Titular, titjulə, titulair, in naam; subst. titularis (die ’t ambt niet zelf uitoefent): — office = eereambt.
Titus (Brown), brauntaitəs, gewone volksetymol. verbastering van Bronchitis.
Tiver, t(a)ivə, subst. roode oker om schapen te merken; — verb. merken.
Tiverton, tivət’n.
Tizzy, tizi, sixpence.
To, tu, adv. en prep. naar, tot, totaan, tegen, toe, in, voor, vergeleken met: As — this question, I am sorry, I can’t act according — your wish = wat betreft …, overeenkomstig; — it again = maar weer opnieuw; The horses are — = zijn voorgespannen; He pulled the door — = trok dicht; They were singing — the strumming of a guitar = zongen bij; They were sitting — breakfast at a little table = ontbeten; He took my sister — wife = nam tot vrouw; To swing — and fro = heen en weer; Don’t come — and fro but wait = kom niet telkens aanloopen; That is death — the patient = de dood van den patient; He took a liking — her = vatte liefde voor haar op; That is nothing — what I saw = haalt niet bij; That’s pleasant — the palate, taste = doet weldadig aan; — the best of my ability (abilities) = zoo goed ik kan; it was war — the death (knife) between them = strijd op leven en dood; I told it him — his face (teeth) = in zijn gezicht; He is kind — a fault = eigenlijk te goed; We were singing — our hearts’ content = naar hartelust; — his eternal honour be it said = tot zijn onvergankelijke eer; Described — the life = getrouw naar het leven; They were — a man in white gloves = droegen allen zonder onderscheid; It is ten — one that he’ll come = het is tien tegen één; A quarter — three = kwart vóór drie; Done — a turn = precies gaar; He exerted his powers — the utmost = spande zijne krachten tot het uiterste in.
Toad, toud, pad(de); —-eater = lage vleier, pluimstrijker; —-eating, subst. lage vleierij; adj. verachtelijk vleiend; —-fish = padvisch; zeeduivel; —-flax = gewone vlasbek; —-spit = kikkerspog; —-stone = paddensteen (= versteende zeewolfstand); basaltporfier; —-stool = paddestoel; —y, subst. lage vleier; — verb. laag vleien: He toadies to the great = loopt achterna; —yism = kruiperij, lage vleierij.
Toast, toust, subst. geroosterd brood, toast, dame (of nog algemeener: iemand) op wie gedronken wordt; — verb. roosteren, warmen, een dronk instellen, bruin of warm worden: She was the — of Bath = zij was de gevierde schoone van B.; On — = prachtig, uitstekend (Amer.): To have a person on — = in ’t nauw brengen; To give (propose) a — = instellen; I — your health = stel een dronk in op; —-master = ceremoniemeester, die bij officieele maaltijden de toasten aankondigt en de glazen laat vullen; —-rack, —-stand = standertje voor geroosterd brood; —er = ijzer of vork om te roosteren; —ing-fork = roostervork; slakkensteker (iron. voor degen).
Tobacco, təbakou, tabak; —-box = kistje; —-pipe = tabakspijp; —-pipe-clay = pijpaarde; —-pouch = tabakszak; —-stopper = instrument om (brandende) tabak in de pijp neer te drukken; —-wrapper = dekblad; Tobacconist = tabaksverkooper (—fabrikant).
Tobias, təbaiəs.
Tobine, toubin, soort taf.
Tobit, toubit.
Tobog(g)an, təbog’n, toboggan, soort slede (Canada); — verb. bergaf glijden in sleden; —-slide = glijbaan; —er, —ist.
Toby, toubi.
Tocher, tokə, subst. bruidsschat (Schot.); — verb. een bruidsschat geven; —less = zonder bruidschat.
Tocqueville, toukvil.
Tocsin, toksin, alarmklok, alarmgelui.
Tod, tod, struik(gewas); oud wolgewicht van 12,7 K.G.; —-stove = houtkacheltje (Amer.).
To-day, tudei, vandaag: — a man, to-morrow a mouse = vandaag rijk, morgen arm; — is the daughter of yesterday = in ’t verleden ligt het heden; — me, to-morrow thee = heden ik, morgen gij; One — is worth two to-morrows = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht.
Toddle, tod’l, subst. waggelende gang; slentergangetje; — verb. waggelen, familiaar omgaan: I’ll pay the bill, and we’ll — = en dan gaan we opstappen; We have not begun to — yet = we gaan nog niet familiaar met elkaar om; He —s on at my side, and dribbles out small talk = hij loopt naast mij voort; —r = klein kind.
Toddy, todi, palmdrank; grog met suiker.
Toe, tou, subst. teen; — verb. met de teenen aanraken, teenen aanbreien: From top to — = van top tot teen; To tread on a person’s —s (ook fig.); He has turned up his —s (to the daisies) = is het hoekje om, is dood; — the line, boys = allen met de teenen aan de streep; Now you are “toeing the line” of the mystery = nadert ge; To — a person = een schop geven; —less.
Toff, tof, fijne mijnheer, banjer; —ish = piekfijn, banjerig; subst. —ishness.
Toffee, Toffy, tofi, kokinje.
Toft, toft, boschje; hofstede; —man.
Tog, tog, (meest —s) plunje; — verb. kleeden: In full — = groot tenue; I have —ged myself out in full rig = mij in m’n beste plunje gestoken.
Toga, tougə, toga, tabberd: To fold one’s — round one = zich in zijn toga hullen (ook fig.).
Together, təgedhə, te zamen, allemaal tegelijk, vereenigd: It has rained for four days — = vier dagen achtereen; By the hour — = een uur lang.
Toggle, tog’l, knoop, knevel (= houten nagel); —-joint = knieverband (bouwk.).
Toil, tôil, subst. zware arbeid, inspanning, net, web of strik (gew. meervoud); — verb. werken, zwoegen, afbeulen: We had the enemy in the —s = in onze macht; He was —ing it up the mountain = bracht het zwoegend den berg op; —-worn = doodaf; —er = zwoeger; —some = zwaar, afmattend; subst. —someness.
Toilet, tôilət, toilet(tafel), servet, linnen kleedje over kaptafels, enz.; nachtzak; retirade (Amer.): She was at her —, making her — = bezig haar toilet te maken; She hurried through her — = maakte haastig toilet; —-paper = closet-papier; —-sponge.
Toison, tôiz’n, schapevacht: — d’or = Gulden Vlies.
Tokay, təkei, Tokayer (wijn).
Token, touk’n, teeken, zinnebeeld, herinnering, gedachtenis, vlek: In — of = ten bewijze; —-money = noodmunt of -penning; —ed = met teekens of vlekken.
Tola, toulə, (Br. Ind.) gewicht van ± 11,6 gram.
Told, tould, imperf. en p.p. van to tell.
Toledan, təlîd’n, (bewoner) van Toledo, təlîdou, (zwaard v.) Toledo.
Tolerable, tolərəb’l, dragelijk, tamelijk, redelijk; subst. —ness; I am tolerably well = vrij goed; Tolerance, tolər’ns, verdraagzaamheid, dragelijkheid, toelating; Tolerant = verdraagzaam, lijdend: To be — of = kunnen verdragen (med.); Tolerate, toləreit, dulden, verdragen, toelaten; Toleration = dulding, verdraagzaamheid: To show — = verdraagzaam zijn.
Toll, toul, subst. tol(geld), marktgeld, staangeld, schatting, maalloon; langzaam en statig klokgelui; — verb. belasten, luiden, slaan, annuleeren, lokken: To exact (take) — = eischen; Thoughts pay no — = zijn tolvrij; To — the funeral bell = de doodsklok luiden; The bell —ed one = sloeg één; —-bar = tol- of slagboom; —booth = tolhuis, gevangenis; —-bridge = tolbrug; —-collector = gaarder; —-corn = maalloon (in den vorm van koren); —-gate = tolhek; —-gatherer = tolgaarder; —-house = tolhuis; —-man = gaarder; —-money; —-union = tolverbond; —able = belastbaar; —age = tol, belasting; —er = tolgaarder, klokluider.
Tom, tom, verk. van Thomas of Tommy, mannetje, kater (= —-cat): I can’t answer every —, Dick and Harry = Jan, Piet en Klaas, Jan en alleman; —boy = wildzang; —fool = kwast, hansworst; — verb. zich gek aanstellen; —foolery: A piece of —foolery = een gekkenstreek; — Tiddler’s ground = luilekkerland; —noddy = ezel, domkop. Zie Tommy.
Tomahawk, toməhôk, subst. Indiaansche strijdbijl; — verb. met een tomahawk dooden: To bury (dig up) the — = vrede sluiten (den strijd beginnen).
Tomato, təmâtou, təmeitou, tomaat, liefdesappel; —-sauce = tomatensaus.
Tomb, tûm, subst. graf, grafgewelf, graftombe; — verb. begraven, in eene graftombe bijzetten; —-stone = grafsteen; —less.
Tombac, tombək, tombak.
Tombola, tombələ, tombola.
Tome, toum, (zwaar) boekdeel.
Tomentose, təmentous, touməntous, Tomentous, təmentəs, wollig, viltig, met dichte haren bedekt; Tomentum, təment’m, korstzwam.
Tomin, toumin, 12 grains (juweliersgewicht).
Tommy, tomi, (= — Atkins) soldaat; brood(je), proviand, gedwongen winkelnering; — verb. uitbuiten door middel daarvan: Let’s go — Dodd for it = er om opgooien; It’s all —-rot = klets; —-shop; —-system = het stelsel van gedwongen winkelnering.
To-morrow, tumorou, morgen: The old prison was blown into — = vloog in de lucht; — morning = morgenvroeg.
Tompion, tompj’n, stop(per), prop.
Tomtit, tomtit, mees, winterkoninkje.
Tomtom, tomtom, trom (O. Ind. en Afrika); — verb. trommelen.
Ton, ton, toŋ, mode.
Ton, tɐn, ton, maat loopende van 40 tot 2000 cb. feet; gewicht loopende van 600 tot 2000 lbs., met nog speciale beteekenissen voor sommige artikelen. Zie Tonnage.
Tonal, toun’l, toon …; —ity, tənaliti, juiste toonhoogte, toon: Our Wilhelmus in the old —ity = in de oude toonzetting; Tone, toun, subst. toon, klank, klem, dreun, kleur, aard, stemming, veerkracht; — verb. een toon geven of hebben: To — down = temperen, verzachten; The colour —s gently from deepest blue to liveliest red = gaat zachtkens over; —-syllable = beklemde lettergreep; —less = toonloos, onwelluidend; subst. —lessness.
Tonga, toŋga, tweewielig karretje. (Brit. Ind.).
Tongres, touŋgə, Tongeren.
Tongs, toŋz, tang; — verb. met de tong den klank wijzigen (bij blaasinstrumenten), in een tong uitloopen; ploegen: A pair of — = eene tang; To marry over the — = over den puthaak trouwen; I wouldn’t touch her with the longest pair of — in all the devil’s kitchen = ik zou haar met geen tang willen aanraken; The — and the bones = ketelmuziek, mopjes: A few people like classical music, but a very much larger majority prefer the — and the bones.
Tongue, tɐŋ, subst. tong, taal, spraak, klepel, tong (van eene gesp), leertje (van een schoen), landtong: That’s a slip of the — = eene vergissing; To bite one’s — = zich bijten op; It fell from my — before I knew it = het ontglipte me; To find one’s — = woorden vinden; To give — = aanslaan; I have it on the tip of my —, at my —’s end = het ligt mij op de tong (maar ik kan het niet zeggen); He has an oily —, a well-oiled — = eene gladde, radde tong; Hold your — = houd je mond; To shoot out one’s — = uitsteken; He thrust his — in his cheek = keek ongeloovig, meesmuilde, lachte ironisch; To wag one’s — = rammelen; —-bone; —-lashing = scheldpartij; —-tied = sprakeloos: He stood —-tied; —-twister = moeilijk uit te spreken woord; —d = met eene tong (in samenst.): —d boards = geploegde planken; —less = zonder tong, sprakeloos; —y = rad van tong, met mooie praatjes.
Tonic, tonik, subst. grondtoon, tonisch middel; adj. tonisch; — solfa = het voorstellen van klanken en tonen door letters, enz.; — spasm = rechtstijvigheid.
To-night, tunait, van avond, van nacht.
Tonnage, tɐnidž, tonnemaat, last, tonnegeld: Bill (Certificate) of — = meetbrief; — and poundage = oude belasting op in- en uitgevoerde koopwaren, wijn, etc.; —-car = goederenwagen (Am.); A 40 Tonner = schip van 40 t.
Tonsil, tonsil, amandel (keelklier); adj. —lary; Tonsillitis, tonsilaitis, ontsteking der amandelen.
Tonsure, tonšə, tonsuur; —d = met eene tonsuur.
Tontine, tontîn, tontine, een naar Tonti genoemd stelsel van verzekering.
Tony, touni, (verk. v. Anthony), onnoozele hals.
Too, tû, al te, tevens, ook: That’s rather — — = dat is wel wat al tè; Jealous — = nu nog mooier, ook nog jaloersch! Quite — = bovenmate.
Toofer, tûfə, slechte cigarette (= Two for a penny).
Took, tuk, imperf. van to take.
Tool, tûl, subst. werktuig (ook fig.), gereedschap, stempel; — verb. vorm geven, een wagen of diligence rijden, van geperste versieringen voorzien: Gold —ing = proces om banden van boeken te versieren met vergulde stempels; —-box (-chest) = gereedschapskist; —-house.
Toom, tûm, adj. ledig; — verb. ledigen.
Toot, tût, toeteren, blazen: The horn was —ing; —er = blazer, toeter.
Tooth, tûth, tand, punt: He cast it in my teeth = gooide het mij voor de voeten; The baby has cut its first — = gekregen; To clench one’s teeth = op elkaar klemmen; He dared me to the teeth = tartte me tot het uiterste (in mijn gezicht); I did it (told it him) in (spite of) his teeth = ik deed het trots zijn verzet, zeide het vlak in zijn gezicht; To have a — drawn (extracted, pulled out, taken out) = laten trekken; He has a sweet — = is een zoetekauw; To get rather long in the — = aftandsch worden; It makes my teeth (mouth) water = het doet mij watertanden; I say it to your teeth = in uw gezicht; It set my teeth on edge = het deed me griezelen, ik werd er akelig van; He set his teeth in grim earnest = zette op elkaar; To show one’s teeth = de tanden laten zien (ook fig.); To defend — and nail = met hand en tand; A set of artificial teeth; Canine, Corner — = hoektand; Cutting — = snijtand; Double, Grinding — = kies; False —; Milk —; Wisdom —; —-ache = tand- of kiespijn; —-brush = tandenborstel; —-drawing = het tandentrekken; —edge = het tintelend gevoel door harde en krassende geluiden veroorzaakt; —-key = sleutel om tanden te trekken; —-paste = pasta; —pick = tandenstoker; —-powder = tandpoeder; —-socket = tandkas; —-wheel = tandrad; —ed = met tanden; —ful = mondje-vol; —ing = het tanden krijgen of wisselen; —less; —let = tandje; —letted = fijn getand; —some = lekker, smakelijk; subst. —someness.
Tootle, tût’l, toeteren, blazen.
Top, top, top(punt), spits, kroon, hoogte, hoofdeinde, hoofd, kap, opslag, mars, hemel, bovenste kant, tol; adj. hoogste, grootste, voornaamste, uiterste; — verb. uitsteken, overtreffen, bedekken, zich verheffen, de toppen of koppen afsnijden of afslaan, toppen (van ra’s), bestijgen, van kappen voorzien, mesten, hoog zijn, vallen, eindigen, voltooien, etc.: He is at the — of his class = nummer één; To be at the — of the tree = op de bovenste sport (fig.); He cried at the — of his voice = zoo hard hij kon; From — to bottom = van onder tot boven; I have slept like a — = als eene roos, als een otter; On the — of = op den top van, daarop, boven en behalve: It is no joke to go tramping to the poll on the — of a day’s work = na eene harde dagtaak; Inside or on the —, sir? = binnenin of bovenop (de omnibus), mijnheer? They are stories without — or tail = verhalen zonder kop of staart; The — of a loaf = bovenste, kapje; The — of the morning to you! = ik wensch je een goeden morgen (Iersch); The — (bottom, lower end) of a hall = vóórin (achterin) de zaal; — value = hoogste prijs of noteering; This trip —s and caps all others = overtreft (bekroont); —-boots = laarzen met gekleurde kappen; —-branch = hoogste tak; —-cloth = vinkennet (zeeterm); —-coat = overjas; —-draining = droogleggen van de oppervlakte van land; —-dress, subst. bovenmest; — verb. de oppervlakte bemesten; —-dressing = bovenmest: To put a fair —-dressing of gentility on a person = een aardig vernisje van beschaving; —gallant, subst. bramsteng, toppunt; adj. van de bramsteng, voornaamste, uitstekend; —-heavy = topzwaar, dronken; —-hole = prima; —-knot = kuif, strik op het hoofd; —-knotted = verwaand, pedant; —-lantern; —-light = toplicht; —-mast = steng; —-sail = marszeil; —-sawyer (-man) = bovenste van twee zagers, bovenste-beste, man van voorname familie (of veel geld); —-soil = bovengrond; —-stone = deksteen; The haystack was —ped off = voltooid; —ped off with gold and silver = versierd met; They —ped up with that work = zij eindigden met; Some cream to — up with = nu nog wat room na; Zie Topper.
Topaz, toupəz, topaas; —olite, təpazəlait, gele granaat.
Tope, toup, subst. boschje of groep boomen; — verb. zuipen, veel drinken; —r = zuiplap.
Topee, təpî, helm(hoed) (Br. Ind.).
Topeka, təpîkə; Tophet, toufət (2 Kon. 23, 10).
Topi, təpî = Topee.
Topiary, toupjəri: — work = kunstmatig en tot bepaalde vormen snoeien v. boomen, heggen, enz.
Topic, topic, onderwerp (van gesprek); plaatselijk geneesmiddel; —al song = gelegenheidsgedicht of -lied; There is no —al interest whatever in the paper = niets actueels.
Topmost, topmoust, hoogste.
Topographer, təpogrəfə, topograaf; Topographic(al), topəgrafik(’l), topographisch; Topography, təpogrəfi, topographie.
Topper, topə, voortreffelijk persoon, uitstekend iets, cylinderhoed: A — for you = dat is een beste, die kun je in je zak steken; Topping, verheven, uitstekend, fijn, voornaam: A — passion = alles beheerschende hartstocht.
Topple, top’l, (voorover) tuimelen, neervallen: My airy castle —d to the earth = viel in.
Topsyturvy, topsitɐ̂vi, onderstboven; subst. chaos; — verb. onderstboven keeren: To turn everything —; Topsyturvyfication = omvergooiing: The book is a regular — of morality = gooit alle moraliteit omver.
Toque, touk, Toquet, təkei, toque.
Tor, tö, steile rots, spitse heuvel.
Torch, tötš, toorts; —-bearer = fakkeldrager; —-dance, fakkeldans; —-light, subst. fakkel- of toortslicht: —-light procession = fakkeloptocht; —-race = fakkelwedloop; —-thistle, fakkeldistel.
Tore, tö, imperf. van to tear.
Toreador, toriədö, toreador.
Torment, töm’nt, kwelling, marteling, plaag.
Torment, töment, martelen, pijnigen; —er, —or = kwelgeest, soort eg, lange vork; —ress = kwelster.
Torminal, tömin’l, Torminous, töminɐs, erge krampen hebbend.
Tormintil, töm’ntil, tormentil, bloedroode ooievaarsbek.
Torn, tön, part. perf. van to tear.
Tornado, töneidou, tornado.
Torose, tôrous, tôrous, Torous, tôrəs, gezwollen, knobbelig.
Torpedist, töpîdist, torpedist; Torpedo, töpidou, torpedo; knalpatroon; sidderrog; — verb. torpedeeren; —-boat = torpedoboot; —-catcher, —(-boat) —-destroyer = torpedojager; —-net = torpedonet.
Torpid, töpid, verstijfd, bewegingloos, langzaam, traag; subst. tweedeklasse giek (Oxford), de bemanning daarvan: —s = roeiwedstrijden in het voorjaar (Oxf.); Torpidity = —ness = verstijfdheid, bewegingloosheid, winterslaap = Torpor, töpə.
Torquay, tökei, töki.
Torrefaction, torifakš’n, uitdroging; Torrefy, torifai, drogen, uitdrogen.
Torrent, tor’nt, subst. hevige stroom, vloed: — of lava; The rain came down in —s = in stroomen; Torrential, tərenš’l, krachtig, stormachtig: — applause, enthusiasm.
Torricellian, toritšelj’n, van Torricelli.
Torrid, torid, verzengd, brandend: — zone; subst. —ness.
Torse, tös, romp; gevlochten krans (herald.); Torsion, töš’n, draaiing, terugdraaiing; adj. —al.
Torsk, tösk, dorsen (visch).
Torso, tösou, romp.
Tort, töt, onrecht, nadeel: The Law of —s, or: a Treatise on the Principles of Obligations arising from Civil Wrongs in the Common Law.
Tortile, töt(a)il, spiraalvormig gewonden; subst. Tortility.
Tortoise, tötəs, (land)schildpad; —-shell, subst. en adj. (van) schildpad; —-shell cat = geelbruine.
Tortuose, tötjuous, gekronkeld, gedraaid; Tortuosity, tötjuositi, kronkeling, kromming, slinkschheid.
Tortuous, tötjuəs, gekronkeld, gedraaid, krom, slinksch; subst. —ness.
Torture, tötjə, subst. marteling, zielsangst, pijniging: — verb. kwellen, martelen, verdraaien: To put to the —; — of animals = dierenmishandeling; —r.
Torulose, tor(j)ulous, Torulous, tor(j)ulɐs, met knoopen.
Tory, tôri, subst. en adj. Tory, conservatief; —ism = de beginselen der conservatieve partij.
Tosh, toš, onzin.
Toss, tos, subst. opgooien, worp, onrust, angst; — verb. werpen, opgooien, slingeren, verontrusten, woelen, dobbelen (door het opgooien v. geldstukjes): In a — = erg gejaagd; To win the — = winnen bij het opgooien; To — the oars = loodrecht opheffen als teeken van begroeting; To — pancakes = bakken en omgooien in de pan; He could not — away the image of his love = van zich afzetten; I —ed it in my mind = overlegde het; We —ed him in a blanket = we hebben hem “gejonast”; — off your glass = sla’m eens om; We will — up for it, head or tail = er om opgooien: kruis of munt: To — up the head = het hoofd in den nek gooien; —-up = risico, onzekerheid: It is a regular —-up = ’t hangt geheel van het toeval af; —-pot = zuiplap; The ship was tempest-—ed, tempest-tost = werd door den storm heen en weer geslingerd; —er; Tossy = trotsch, met het hoofd in den nek.
Tot, tot, subst. kleine peuter; borreltje: I have drunk your health in a — of rum = met een glaasje rum.
Tot, tot, som, post; — verb. optellen: The Highlander knows how to — you up a high bill = weet te rekenen; To — up profits and losses.
Total, tout’l, subst. en adj. (het) geheel, totaal; — verb. gezamenlijk bedragen: Their number —s 20.000; —-abstinence = geheelonthouding; Totalisator, toutəlizeitə, totalisator; Totality, tətaliti, de geheele som, het totaal; Totalize = aanvullen; —r = totalisator.
Tote, tout, het geheel (The whole —); dragen (Amer.): You must — fair = ge moet eerlijk en billijk handelen; —-load = vracht.
Totem, tout’m, totem; —-clan = familiestam, met een gemeenschappelijken totem als familiewapen; —ic, tətemik, tot een totem behoorende; —ism = gebruik om familiën en stammen een zeker symbool te geven.
Tother, t’other, tɐdhə, samentr. van that (the) other.
Totter, totə, waggelen, wankel loopen: The baby is at the —ing and tumbling age = de kleine begint alléén te loopen; —y = bevend, waggelend.
Tottie, toti, kleine of jonge Hottentot.
Totty, toti, subst. kleine “hummel”; adj. waggelend; —-headed = lichtzinnig.
Touch, tɐtš, subst. aanraking, voeling, gevoel, lichte aanval, aanslag (van piano of orgel), streek, toetssteen, proef, trek, smaakje, wenk, toespeling, een ietsje, etc.; — verb. aanraken, raken, reiken tot, bereiken, voelen, betasten, aanroeren, betreffen, roeren, bedroeven, aannemen, innen, schetsen, schilderen, aanslaan, pakken, beleedigen; bedriegen (Austr.), etc.: To be in — with = voeling houden met; He came into — with his century = kreeg voeling met; To establish (Get into) — with = voeling krijgen met; I have found — of my fellows = heb voeling gekregen met; I gave my work the finishing — = heb de laatste hand gelegd; You must keep in — with us = moet voeling met ons houden; To put to the — = op de proef stellen; To stand the — = de proef doorstaan; He has a — of the gout = aanval van jicht; “No,” he said, with a — of temper = eenigszins geraakt; It was —-and-go = het was op het kantje af, er aan toe, het kon weinig lijden; Cold to the — = op het gevoel; He would — no food = niet aanraken; Shall we — glasses = eens klinken; That does not — the question = raakt; To — the (— on the tenderest) spot = den vinger op de wonde plek leggen; We —ed the wind = hielden het schip zoo dicht mogelijk aan den wind; Nobody can — him = bij hem halen; It —ed me to the quick = trof mij diep; It —es you more than any of us = raakt u meer; The ship —ed = stootte; We sighted an island, but did not — at it = deden het niet aan; Two of the characters were excellently —ed in = uitmuntend geschetst; We will — of that next time = behandelen; To — off = vluchtig schetsen, verbeteren, afvuren, geducht raken; Let me just — on it = het even aanroeren; We shall — it up = het wat repareeren, opknappen, opfrisschen, retoucheeren; —-hole = zundgat; —-me-not = kruidje-roer-me-niet; —-needle = toetsnaald, proefnaald; —-pan = kruitpan; —-paper = met salpeter gedrenkt en als lont gebruikt papier; —stone = toetssteen: Irish —stone = basalt van den Giant’s Causeway; —wood = zwam; —able = raak- of voelbaar; subst. —ableness; I can do it in four minutes, as near as a —er = op den kop af; A near —er = op ’t kantje af; Touching, adj. roerend, treffend; prep. betreffende, aangaande; Touchiness, subst. v. Touchy = knorrig, lichtgeraakt.
Tough, tɐf, taai, hard, streng, vasthoudend; subst. verloopen vent, vechtersbaas (Amer.): Oh, say now! This is — = kras; He is a — customer = laat niet los; I had a — time with Pa = had heel wat met Pa te stellen; That is a — piece of work = moeilijk werk; —en = taai worden of maken; —ish = ietwat taai; —ness = taaiheid.
Toupee, tûpî, Toupet, tupei, pruikje.
Tour, tûə, subst. rondreis, uitstapje, toer, volgorde; — verb. een rondreis doen, rondgaan, een uitstapje doen; Tourist = tourist: — ticket = rondreisbiljet.
Tournament, tûənəment. Zie Tourney.
Tournay, tûənei, Doornik.
Tourney, tûəni, tournooi, steekspel.
Tourniquet, tûəniket, draaikruis, haspel.
Tournure, tûənjûə, tournure, houding, omtrek, vorm.
Tousle, tauz’l, in wanorde brengen; adj. Tousy.
Tout, taut, subst. klantenlokker, spion die inlichtingen geeft omtrent voor wedrennen geoefend wordende paarden; — verb. spionneeren, beloeren, klanten lokken: A money-lender’s — = de handlanger van een geldschieter; What can be got by —ing among the critics is not worth the ignominy = wat men bij de critici wint door ze achterna te loopen; To — for applause, custom, orders = bedelen om, zoeken te lokken; —er = Tout.
Tow, tou, sleeptouw; — verb. boegseeren, sleepen: To take in — = op sleeptouw nemen (ook fig.); —boat = sleepboot; —-car = volgwagen (tram); —-line = sleeplijn = —-rope; —age, touidž, het sleepen, sleeploon; —ing-path = jaagpad; —ing-vessel = sleepboot.
Tow, tou, werk, touw; —-cloth = paklinnen; —-head = vlaskop; adj. —-headed.
Toward, touəd, aanstaande, nabij, gewillig, gehoorzaam, leergierig: A battle is — = op til; What is —? = wat is er aan de hand; —(li)ness = bereidwilligheid, leergierigheid; adj. —ly; Towards, touədz, tödz, naar toe, in de richting van, tegenover, ten opzichte, bijna, omtrent.
Towcester, taustə.
Towel, tauəl, handdoek, doek; — verb. afwrijven, ranselen: Oaken — = knuppel; —-horse = rekje; —ling = linnen voor handdoeken, pak ransel.
Tower, tauə, subst. toren zonder spits, burcht, kasteel, hoog kapsel; — verb. zich verheffen, uitsteken boven, hoogvliegen: — of silence = ronde toren, waarin de Perzen (in Indië) hunne dooden (tot aas voor de gieren) leggen; —-bastion = kleine toren in den vorm van een bastion; —ing = zeer hoog of groot, buitengewoon hevig: —ing rage.
Town, taun, subst. stad: — and gown = de stedelingen tegenover professoren en studenten; He is a man about — = roué, viveur, iemand, die veel uitgaat; A man on — = een “city”-man; A girl of the — = prostituée; — clerk = gemeente-secretaris en archivaris; — council = gemeenteraad; — councillor = gemeenteraadslid; —crier = stadsomroeper; —hall = gemeentehuis, raadhuis; —house = raadhuis, huis “in stad”; —land = land nabij eene stad; —-major = plaatscommandant; —-talk = praatje van de stad; — traveller = stadsreiziger; —-wall = stadsmuur; —sfolk = stedelingen; —sman = stadgenoot, stedeling; —speople = stedelingen; —ship = gemeente, stadsgebied.
Townshend, taunz’nd.
Towser, tauzə, groote hond (gew. hondennaam).
Toxic(al), toksik(’l), vergiftig; Toxicological, toksikəlodžik’l, toxicologisch; Toxicology = toxicologie.
Toxophilite, toksofilait, subst. boogschutter; adj. tot de boogschutterskunst behoorende.
Toy, tôi, subst. (stuk) speelgoed, kleinigheid, beuzelarij; — verb. dartelen, stoeien; spelen, beuzelen; —-book = prentenboek; —-box = speelgoeddoos; —-dog = schoothondje; —-drum = kindertrom; —man = speelgoedkoopman; —-pistol = kinderpistooltje; —-shop = speelgoedwinkel; — tea-things = kinderserviesje; —-trade = speelgoedhandel; —-watch.
Trace, treis, subst. spoor, teeken, voetspoor, streng, kleine hoeveelheid; — verb. opsporen, precies nagaan, uitvorschen, trekken, traceeren, doorkruisen, aanspannen (up): All boys are inclined to kick over the —s = uit den band slaan; —ability, subst. v. —able = naspeurbaar, vervolgbaar: —able to temporary conditions = terug te brengen tot; subst. —ableness; —less = spoorloos; Tracery = de ornamenten van den Gothischen bouwstijl.
Trachea, treikjə, luchtpijp; adj. —l; Trachitis, trəkaitis, luchtpijpontsteking.
Tracing, treisiŋ: —-paper = calqueerpapier.
Track, trak, subst. spoor, voetindruk, weg, begaan pad, baan, spoorlijn, zeegat; — verb. het spoor volgen, opsporen, nagaan: Bicycle — = wielerbaan; Double — = dubbel spoor; He followed in your — = drukte uwe voetstappen; The carriage left the — = dérailleerde; The old gentleman has made —s = is er haastig vandoor gegaan; The — and rolling-stock = tractie en rollend materieel; We —ed the deer = wij volgden het spoor van het hert; The tiger was —ed down = werd opgespoord; —-road = jaagpad; —-rope = jaaglijn; —age = het boegseeren of trekken; —er = speurhond; —less = onbetreden, onbegaan, spoorloos; subst. —lessness.
Tract, trakt, verloop, uitgestrektheid, streek, korte verhandeling, tractaatje.
Tractability, traktəbiliti, subst. v. Tractable, traktəb’l, handelbaar, volgzaam, leerzaam; subst. —ness.
Tractarian, traktêriən, subst. lid der High Church beweging (1833–41); adj. tot de High Church-beweging behoorende; —ism = de herleving van den ritueelen eeredienst in de E. kerk.
Traction, trakšn, rekking, (aan)trekking, voorttrekking: Electric — = electr. trek- of beweegkracht; —-engine = niet op rails loopende straatlocomotief; Tractive power = trekkracht; Tractor = wat trekt of tot trekken wordt gebruikt.
Tracy, treisi, Treesje.
Trade, treid, subst. handel, zaken, beroep, bedrijf, ambacht; — verb. handel drijven, verhandelen, verruilen: The — = handel in sterke dranken; Domestic (Inland, Home) —; Foreign —; To do a roaring — = drukke zaken doen; He follows the — of a smith = is smid van zijn ambacht; She practised all the tricks of her — = bracht al de slimme zetten van haar beroep in practijk; Two to a — never agree = concurrenten zijn het nooit eens; I will — this for something better = verruilen, verhandelen; You have —d on me = mij geëxploiteerd; This country —s to Turkey = drijft handel met Turkije; I will — watches with you = met u ruilen; —-card = adreskaart; —-guild = handelsgilde; —-list = prijscourant; —-mark = handelsmerk; —-price = engrosprijs; slijtersprijs; —-winds = passaatwinden; —’s-folk (= —s-people) = neringdoenden; —sman = handelaar, handelsman, neringdoende, winkelier, handwerksman; —(s)-union = vakvereeniging; —(s)-unionism = de beginselen of het stelsel der vakvereenigingen; Trader = koopman, handelaar, koopvaardijschip; Trading: —-vessel; The —-and-Profit-and-Loss account = Inkomsten- en Winst- en Verliesrekening.
Tradition, trədiš’n, overlevering; adj. —al; —alism = gehechtheid aan de overlevering, het stelsel dat alle menschelijke kennis door God geopenbaard en zoo overgeleverd is; —ary = —al.
Traduce, trədjûs, lasteren, smaden; subst. —ment; —r.
Trafalgar, trəfalgə.
Traffic, trafik, subst. (koop)handel, (handels)verkeer; — verb. (ruil)handel drijven, omzetten: Carrying — = goederendienst; Vehicular — = rijtuigverkeer = Wheeled —; — in white slaves = blanke-slavinnenhandel; —-manager = chef van den goederendienst; Trafficker = handelaar.
Tragacanth, tragəkanth, Tragant gom.
Tragedian, trədžîdj’n, treurspelspeler of -dichter; Tragedienne, tradžîdjen, treurspelspeelster; Tragedy, tradžədi, treurspel; adj. Tragic(al); The old French tragics = treurspeldichters; Tragi-comic(al) = tragi-comisch; Tragi-comedy, tradžikomədi, tragi-comisch stuk.
Tragopan, tragəpan, gehoornde fazant.
Trail, treil, subst. sleep, staart, spoor, pad (gemaakt door reizende N.-Amer. Indianen); — verb. langs den grond sleepen, het spoor volgen, opsporen, het geweer met de rechterhand horizontaal dragen, kruipen, rekken: I commanded them to carry their arms at a — = commandeerde: “Omlaag ’t geweer”; She —ed off into a howl = hief een langgerekt gejammer aan; —-net = sleepnet; —er = kruipplant, mandenwagentje achter een fiets; slingerplant = —ing-plant.
Train, trein, subst. trein, reeks, stoet, voortgang, loop, sleep, staart, soort v. slede (Canada), spoortrein, loopvuur (lijn v. buskruit), stel van beweging overbrengende raderen, reeks, lokaas, val, krijgslist; — verb. sle(e)pen, lokken, africhten, oefenen, drillen, richten, leiden, blokken, met den trein reizen: Down-—, Up-— = afgaande, opkomende trein; Freight —; Goods —; — of Artillery = artillerie-trein; The — of his thoughts, of thought = gang; Everything is in — = in gang; He left the town on a regular — = met een gewonen trein (Amer.); The gun was —ed = het kanon werd gericht; He was —ed up for it = er voor opgeleid; —-band (—ed band) = een vroegere schutterij of weerbaarheidskorps; —-bearer = sleepdrager; —-oil = traan(olie); —-road = hulpspoorweg; —-service = spoorweg-postdienst; —able = wie of wat geoefend of opgeleid kan worden; —ed dresses = sleepjaponnen; —ed nurse = ervaren; Trainer = africhter, oefenaar, drilmeester; Training = opvoeding, oefening, exercitie; het leiden van leiboomen; —-course = cursus; —-school = kweekschool; —-ship = oefeningsschip, opleidingsschip.
Traipse, treips; zie Trapes.
Trait, trei(t), eigenaardige en kenmerkende trek, streek, haal, toets.
Traitor, treitə, verrader; —ous = verraderlijk; subst. —ousness; Traitress, treitrəs, verraderes.
Trajan, treidž’n, Trajanus.
Tram, tram, rail van een paardespoor, paardespoor, tramwagen, karretje; ook verb.: To — it = trammen; —-car; —-line = tramweg; —road = tramweg = —way; —way-car = tramwagen.
Tramble, tramb’l, wasschen (v. tinerts).
Trammel, tram’l, subst. (sleep)net, kluister, vuurhaak (in een schoorsteen), hinderpaal, boei, ovaalpasser; — verb. belemmeren, beperken, boeien; —-net = sleepnet.
Tramontane, trəmontein, traməntein, trâmontein: —-wind, noordenwind in de Middellandsche Zee.
Tramp, tramp, subst. gestamp, getrappel, voetreis, landlooper, schip dat “op avontuur” vaart (—-steamer); — verb. (ver)trappen, stappen, treden, zwerven, vagebondeeren: To go on the — = den boer op gaan; —-colony = bedelaarskolonie; —er = landlooper, rondzwerver.
Trample, tramp’l, subst. getrappel, gestap; — verb. vertreden, vertrappen, trappelen: To — under one’s feet (under foot) = met voeten treden (fig.); —r.
Trampoos, trəmpûz, rondzwerven (Amer.).
Trance, trâns, subst. verrukking, geestvervoering, bezwijming, schijndood; — verb. = Entrance; To lie in a —.
Traneen, trənîn, kamgras: It is not worth a — = geen lor waard.
Tranquil, traŋkwil, rustig, kalm, ongestoord; —lity, traŋkwiliti, kalmte, gerustheid, rust = —ness; —lization, subst. v. —lize = tot bedaren brengen, kalmeeren; —lizer.
Transact, transakt, volbrengen, doen, verrichten: To — business with = zaken doen met; He —ed with his political convictions = transigeerde met; Transaction = verrichting, uitvoering, transactie, zaak, handel: —s of the Philological Society = Handelingen van het Philologisch Genootschap; During these —s = middelerwijl; Transactor = volbrenger, handelaar.
Transalpine, transalpain, transalpijnsch.
Transatlantic, transətlantik, transatlantisch.
Transcend, transend, te boven gaan, overtreffen; —ence, —ency = voortreffelijkheid; —ent = zeer voortreffelijk, transcendentaal = —ental, trans’ndent’l; —entalism, trans’ndentəlizm.
Transcribe, transkraib, overschrijven, afschrijven; —r = copiïst; Transcript, transkript, copie; Transcription.
Transept, transept, kruisvleugel.
Transfer, transfɐ̂, overdracht, overbrenging, verplaatsing, overschrijving, overdruk, overstapkaartje; pont; —-paper = overdrukpapier.
Transfer, transfɐ̂, overbrengen, overdragen, verplaatsen, afdrukken; —ability, transfɐ̂rəbiliti, transferəbiliti, subst. v. —able, transfɐ̂rəb’l, transferəb’l = verhandelbaar, overdraagbaar; —ee, transfərî, wien iets overgedragen wordt; —ence, transfərens, overdracht; —rer, transfɐ̂rə, transferə, overdrager.
Transfiguration, transfigjureiš’n, verheerlijking (Matth. XVII, 1–9), feest ter gedachtenis daaraan (6 Aug.); Transfigure, transfigjə, het uiterlijk voorkomen veranderen, verheerlijken.
Transfix, transfiks, doorboren, doorsteken: I stood —ed = als aan den grond genageld.
Transform, transföm, vervormen, hervormen, van vorm veranderen, herleiden; —able = veranderbaar, herleidbaar; —ation, transfömeiš’n, gedaanteverandering of -verwisseling, herleiding, hervorming: —ation-scene = het tooneel in de pantomime, waarbij de voornaamste personen in de personen der harlekinade overgaan; —ative = vervormend; —ator = —er = transformator.
Transfuse, transfjûz, overgieten, overstorten, overbrengen van bloed, zoutoplossingen inspuiten, overdragen; adj. Transfusible; Transfusion, transfjûž’n, overgieting, etc.
Transgress, transgres, te buiten gaan, overtreden, schenden, zondigen; —ion = overtreding, schennis; —ive = zondig; —or = overtreder, zondaar.
Tranship, tranšip, overladen; —ment = overlading.
Transient, tranš’nt, vergankelijk, kortstondig; subst. —ness.
Transit, transit, doorgang, transito, vervoer, overgang, verkeersweg: They went there to observe the — of Venus; — goods; Permit of — = geleibiljet; To pass in — = transiteeren; —-duty = transitorecht; —-instrument = instrument, om den overgang van eene planeet over den meridiaan of de zon waar te nemen; Transition, transiš’n, transiž’n, verandering, overgang(speriode); adj. —al = overgangs …; Transitive = overgaande, overgankelijk; subst. —ness; Transitoriness, subst. v. Transitory = vergankelijk, vluchtig, kortstondig.
Translate, transleit, verplaatsen, overplaatsen, overbrengen, vertalen, ten hemel voeren, uitleggen, oplappen, doorseinen: A —d saint = weggenomen (Hebr. 11, 5); —d with devotion = in aanbidding verzonken; What will the duke say? = The duke be —d = die moge “weggenomen worden”, laat hem stikken; Translation, transleiš’n, overbrenging, overzetting, vertaling, etc.; Translator = vertaler, translator, schoenlapper; adj. Translatory, Translatory.
Transliterate, translitəreit, in andere letters overbrengen (b.v. Grieksch met Latijnsche letters schrijven), herspellen op andere wijze; subst. Transliteration.
Translucence, Translucency, transl(j)ûsəns(i), subst. v. Translucent, transl(j)ûs’nt doorschijnend, duidelijk.
Transmarine, transmərîn, overzeesch.
Transmigrate, transmigreit, verhuizen; Transmigration, transmigreiš’n, (ziels)verhuizing = — of souls.
Transmissibility, transmisibiliti, subst. v. Transmissible, transmisib’l, verzendbaar, overdraagbaar, overerfelijk; Transmission, transmiš’n, overbrenging, overzending, doorlating (van licht door glas), geleiding, overerving: —-business = expeditiezaak; Transmit, transmit, overbrengen, overzenden, doorlaten, voortplanten, etc.; Transmittal = Transmittance; Transmitter = overzender, voortplanter, overbrenger; Transmittible = overzendbaar, etc.
Transmutability, transmjutəbiliti, subst. v. Transmutable, transmjûtəb’l, veranderbaar, verwisselbaar; subst. —ness; Transmutation, transmjûteiš’n, verandering, verwisseling; Transmute, transmjût, veranderen: The sentence of death was transmuted into lifelong imprisonment = werd veranderd in; Transmuter = wie of wat verandert.
Transoceanic, transoušanik, aan de andere zijde van den oceaan.
Transom, trans’m, dwarsbalk: —-window = raam met dwarsbalk.
Transparence, Transparency, transpêr’ns(i), doorzichtigheid, transparant; Transparent = doorzichtig, doorschijnend, klaarblijkelijk; subst. —ness.
Transpirable, transpairəb’l, wat kan uitlekken enz.; Transpiration, transpireiš’n, uitwaseming, zweet; Transpire, transpaiə, uitwasemen, uitdampen, aan het licht komen, uitlekken, gebeuren.
Transplant, transplânt, overplanten, overbrengen; —ation = verplanting, overbrenging; —er = verplanter.
Transport, transpöt, vervoer, transport, transportschip; verrukking, vervoering; —-ship = transportschip; schip waarmee gedeporteerden werden overgebracht.
Transport, transpöt, vervoeren, transporteeren, deporteeren, verzetten, meesleepen, verrukken: Faith —s mountains = het geloof verzet bergen; He was —ed for life = werd gedeporteerd; —ed with joy = vervoerd van vreugde; —ability = vervoerbaarheid, etc.; adj. —able; —ation = vervoer, overbrenging, etc.; —er = wie vervoert; —ing = verrukkend, bekorend.
Transposal, transpouz’l, verschikking, omzetting; Transpose, transpouz, verplaatsen, verschikken, omzetten, transponeeren; Transposition, transpəziš’n, verplaatsing, omzetting; adj. —al.
Transubstantiation, transɐbstanšieiš’n, verandering van brood en wijn in het lichaam van Jezus.
Transudation, transiûdeiš’n, subst. v. Transude, transiûd, doorsijpelen, doorzweeten.
Transvaal, transvâl.
Transversal, transvɐ̂s’l, subst. dwarslijn, snijlijn; adj. dwars(loopend); Transverse, transvɐ̂s, subst. dwarsspier, transversaal; adj. dwars, diagonaal, transversaal.
Transylvania, transilveinjə, Zevenbergen; —n, subst. en adj. (bewoner) van Z.
Trap, trap, subst. val, strik, hinderlaag, klep, valdeur, karretje, soort trap of ladder, soort wagen, schabrak, dek, mond, klabak; — verb. in eene val of strik vangen, verstrikken, versieren: Man-— = klem, voetangel; —s = bagage, goederen, “spullen”; —-door = valdeur; —-door-spider = aardspin (met een door eene deur gesloten nest); —-tufa, —-tuff = vulcanische tufsteen; —-valve = valklep; —per = pelsdierjager, wagenpaard; —piness, subst. v. —py; —pings, trapiŋz, paardentuig, harnachement, sieraad, opschik, versieringen; —py = slim, verraderlijk.
Trapan, trəpan, subst. strik; — verb. verstrikken: —ner of souls = zielverkooper.
Trapes, treips, subst. slons; — verb. rondloopen, vagebondeeren: I won’t be —ing in the mud.
Trapeze, trəpîz, zweefrek of trapezium; Trapeziform, trəpîziföm, als een Trapezium, trəpîž’m, trapezium.
Trappist, trapist, Trappist.
Trash, traš, subst. snoeisel, uitschot, afval, rommel, prullen, geklets, zware halsband (om een jachthond vast te houden); — verb. snoeien; vernederen, onderdrukken, kwellen: Poor white — = naam door negers der Zuidelijke Staten aan de armste blanken gegeven; —iness, subst. v. —y = nietswaardig, prullerig.
Trass, tras, tras.
Traumatic, trômatik, subst. en adj. wondheelend (middel); wond …
Travail, travəl, subst. arbeid: —s = barensweeën; — verb. zwoegen, in barensnood zijn.
Trave, treiv, hoefslag; dwarsbalk.
Travel, trav’l, subst. het reizen (—s = (ontdekkings)reizen, reisverhalen); — verb. reizen, bereizen, doorreizen, trekken, zwerven, verdwijnen, heen en weer gaan: To — out of the record = afdwalen (fig.); —led = bereisd, ervaren, erratisch: The far —led princess = die een verre reis had gedaan; A much —led man, road; Traveller = reiziger: To tip the — = opsnijden; —’s-joy = clematis, heggeboschdruif; Travelling: — instructors = wandelleeraren.
Traversable, travəsəb’l, betwistbaar; doortrekbaar, doorwaadbaar; Traverse, travəs, subst. dwarshout of -strik, middelschot, dwarsgang, wederwaardigheid, tegenspoed, koppelkoers (scheepst.), het doorreizen, streek, wending, uitvlucht; adj. dwars; — verb. ronddraaien, draaien, dwars loopen (van paarden b.v.), kruisen, doorkruisen, stroomen (loopen) door, doorgaan; adv. dwarsover; —-sailing = koppelkoers; Traverser = beugel, schuifring.
Travesty, travəsti, subst. vermomming, travestie; — verb. parodieeren: The trial degenerated into a — of justice = eene parodie op.
Travis, travis. Zie Trave.
Trawl, trôl, subst. sleepnet (= —net); — verb. met een sleepnet visschen; Trawler = visschersvaartuig dat met een trawl vischt.
Tray, trei, schenkblad, bakje, tobbe, lade; —-cloth = kleedje onder theeblad.
Treacherous, tretšərɐs, verraderlijk; subst. —ness = Treachery, tretšəri, verraad, trouweloosheid.
Treacle, trîk’l, (suiker)stroop, theriakel; —-stick = strooppil; adj. Treacly.
Tread, tred, subst. stap, trede, schrede, hanetrede; — verb. treden (ook van vogels), trappen, drukken, wandelen, volgen, paren: To — grapes = druiven treden; To — (the) water = water treden; To — in a person’s (foot)steps (fig.); He —s on it, —s it under foot = vertrapt het, zet er den voet op; One trod on the heels of the other = de een kwam vlak achter den ander aan; We have trod(den) out the fire = uitgetrapt; —-mill = tredmolen; —er; Treadle, tred’l, trapper (v. naaimachine, etc.), trede, pedaal, hanetrede; — verb. trappen.
Treason, trîz’n, verraad: High — = hoogverraad; —able = verraderlijk; subst. —ableness.
Treasure, trežə, subst. schat; — verb. vergaren, verzamelen, bewaren als een schat: He —d up all these memories = bewaarde zorgvuldig; —-house = schatkamer; —-seeker = schatgraver; —-trove = gevonden schat; Treasurer = schatmeester: —ship.
Treasury, trežəri, schatkamer, schatkist, departement v. financiën (—-department) en de ambtenaren (Het nominale hoofd is the First Lord of the Treasury of Lord High Treasurer, gewoonlijk de Premier. Hem ter zijde staan: The Chancellor of the Exchequer en 3 Lords Commissioners of Junior Lords); —-bill (—-bond, —-note) = schatkistobligatie; —-bench = voorste bank (regeeringsbank), rechts van den Speaker in het House of Commons; —-warrant = schatkistontvangbewijs.
Treat, trît, subst. onthaal, traktatie, genot; — verb. behandelen, handelen over, ontwikkelen, bespreken, onderhandelen, onthalen: It is a — to me = genot, traktatie; It is my — now = nu moet ik een rondje geven; He insisted on standing — = wou trakteeren; You have —ed me well, ill = mij goed, slecht behandeld; He —ed of many subjects = handelde over; He —ed us to a bottle and some excellent cigars = schonk eene flesch en liet ons lekkere sigaren rooken; He —ed me to the theatre; I’ll — myself to a new coat = me de weelde veroorloven; Ambassadors were sent to — with Russia = te onderhandelen; —er = onderhandelaar, verhandelaar, onthaler; Treatise, trîtis, verhandeling; Treatment = behandeling, handelwijze: I am under — = geneesk. behandeling; Treaty = verdrag, tractaat: To break, make, violate a — = verbreken, aangaan, schenden; — of commerce; — of partition = verdeelingsverdrag; They are in — with the Greeks = in onderhandeling met.
Treble, treb’l, subst. het drievoudige; hooge bovenstem, discant, sopraan; adj. drievoudig, hoog (van stem of instrument); — verb. verdrievoudigen, driedubbel worden: The boy —s = jongenssopranen; You are doubly, nay trebly blessed = dubbel, neen driewerf gezegend.
Tree, trî, subst. boom, as, leest, galg (in samenst.); — verb. in een boom jagen of vluchten, in verlegenheid brengen of in de macht krijgen, op de leest zetten: As the — so the fruit = zoo boom zoo vrucht; de appel valt niet ver van den boom; He is at the top of the — = hij heeft het hoogste punt bereikt; I have got you up a — = in mijn macht, je zit er leelijk in; — of knowledge = boom der kennisse des goeds en des kwaads; — of life = boom des levens; Books, bound in —-calf = kalfsleer met boomfiguren; —-deity = afgodsboom; —-frog = boomkikvorsch; —-louse = bladluis; —-nymph = dryade; —-toad = boomkikvorsch; —-worship = boomvereering; —less = zonder boomen; —like = als een boom.
Treenail, trîneil, houten nagel.
Trefoil, trîfôil, klaver(blad).
Trek, trek, trekken (in een ossenwagen); subst. trek, reis (Z. Afr.); —-chain.
Trellis, trelis, latwerk, traliewerk, leilatten; —-fence; —-gate; —-work = kruiselings loopende latten voor veranda’s, priëeltjes, etc.; —ed = met latwerk.
Trelawny, trəlôni.
Tremble, tremb’l, subst. beving, vrees; — verb. beven, rillen, sidderen, schudden, trillen: I am all of (in) a — = beef over mijn geheele lijf; He —d with fear = van angst; To — in every limb, in one’s shoes; —ment = triller (muz.); —r = bever, riller; Trembling: — in the balance = onzeker; —-poplar = ratelpopulier.
Tremendous, trimendəs, geducht, verschrikkelijk; subst. —ness.
Tremolo, treməlou, triller, trilling.
Tremor, tremə, rilling, huivering: In a —; — cordis = hartklopping; Tremulous, tremjulɐs, bevend, trillend, sidderend; subst. —ness.
Trenail = Treenail.
Trench, trenš, subst. gracht, greppel, sloot, afvoersloot, loopgraaf; — verb. eene sloot of greppel graven, loopgraven maken, inbreuk maken op (on, upon), diep graven of ploegen: The enemy opened the —es = begon met de loopgraven; —-plough = diepsnijdende ploeg; Trenchancy = scherpheid; Trenchant, trenš’nt, snijdend, scherp, bits; Trencher = graver, houten schotel, broodplank, tafel: —(-cap) = hoofddeksel (met vierkant bovenstuk) van de E. studenten; —-man = goed en smakelijk eter = —-mate.
Trend, trend, subst. neiging, richting, geer, bocht; — verb. geeren, zich richten, loopen, zich uitstrekken: The — of the sea-shore = de bocht der zeekust; The coast —ed to north = de kust liep noord.
Trennel, tren’l, trɐn’l = Treenail.
Trental, trent’l, Gregoriaansche mis: Dertig missen, één per dag, vooral voor overledenen.
Trepan, trəpan, schedelzaag of -boor, boormachine; — verb. doorboren of trepanneeren; —ner.
Trepidation, trepideiš’n, siddering, trilling, beverigheid, ontsteltenis.
Trespass, trespəs, subst. overtreding, zonde, nadeel; — verb. overtreden, zondigen, schenden, te ver gaan, misbruik maken, zich indringen: Forgive us our —es as we forgive them that — against us = vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; To — on (upon) a law, upon a person’s good nature = overtreden.… misbruik maken van; No —ing on the railway is allowed = de toegang tot den spoorweg is verboden; I hope I have not —ed upon your time = niet te veel van uw tijd geroofd heb; —er.
Tress, tres, (haar)lok, krul, vlecht; —ed.
Trestle, tres’l, stellage, bok, schraag; —-board = teekenbord; A —-bridge = schraagbrug; —-work = steigerwerk of viaduct op palen en schragen (Amer.).
Tret, tret, goed gewicht, vier Eng. ponden toe op elke 100.
Trevelyan, trəvelj’n; Treves, trîvz, Trier.
Trevet, trevet. Zie Trivet.
Trey, trei, drie (op dobbelsteen of kaart).
Triable, traiəb’l, wat beproefd kan worden; subst. —ness; Trial, traiəl, proef, experiment, verhoor, (gerechtelijk) onderzoek, beproeving: By way of —; On — = op proef; On one’s — = in verhoor, in onderzoek; Hour of —; He’s a great — to us = baart ons veel zorgen; A — man = iemand, die “op proef” genomen wordt; The pest and — of the libraries = plaag en beproeving; A — at bar = processen waarbij de 4 rechters v. het oude Superior Court waren betrokken, zoodat aan 3 Courts geen zaken behandeld konden worden; A — by jury = gerechtelijk onderzoek door de jury; He was brought to (put to) his — = werd in verhoor genomen, vervolgd; To commit for — = naar een rechtbank verwijzen; Let him have a — = laat het hem eens probeeren; To make a — of = de proef nemen; To move for a new — = appelleeren; To be put on (committed for) — = in verhoor genomen, vervolgd worden; The steamer gave much satisfaction in her —s = op den proeftocht (= —-trip); —-balloon = proefballon (ook fig.).
Triangle, traiaŋg’l, driehoek, triangel; Triangular, traiaŋgjulə, driehoekig: — compasses = passer met drie beenen; Triangulate, traiaŋgjuleit, trianguleeren; Triangulation = triangulatie.
Trias, traiəs, triasformatie; adj. Triassic.
Tribal, traib’l, v. een stam: The — rules which regulate savage life; Tribe, traib, stam, klasse, geslacht, familie, troep; —s-man, lid van een stam.
Tribrach, traibrak, voet v. drie korte syllaben.
Tribulation, tribjuleiš’n, groot verdriet, zware beproeving.
Tribunal, traibjûn’l, rechtbank, gerechtshof, rechterstoel, biechtstoel; Tribune, tribjûn, tribuun, tribune; —ship.
Tributary, tribjutəri, subst. en adj. schatplichtig(e staat); zijrivier (= — stream); Tribute, tribjut, schatting, cijns, schatplichtigheid: To pay the — of nature = den tol der natuur betalen; —-money = cijns, schatting.
Tricapsular, traikapsiulə, met drie kapsels of cellen.
Trice, trais, ophijschen.
Trice, trais, oogenblikje: In a — = in een wip.
Tricentenary, traisentənəri. Zie Tercentenary; adj. Tricentennial.
Triceps, traiseps, driehoofdig.
Trichina, trikainə, trichine; Trichinosis, trikinousis, trichinenziekte; adj. Trichinous, trikinɐs, trikainəs.
Trichord, traiköd, subst. en adj. driesnarig (instrument).
Trick, trik, subst. streek, kunstgreep, handigheid, poets, grap, trek, slag, “volte”, eigenaardigheid, roergang (scheepst.); — verb. bedriegen, bedotten; versieren, opschikken: Boy’s — = kwajongensstreek; —s of fortune = grillen; Don’t come your —s here = haal hier geen streken uit; He has done the — = is dood, kapot; He always had the bad — of mumbling = de slechte gewoonte; We have the odd — = één slag (trek) meer; I knew every — of his face = iedere uitdrukking; I know a — worth two of that = daar loop ik niet in; He knows a — or two = is uitgeslapen; He played you a bad — = heeft u eene leelijke poets gebakken; To show —s = kunstjes vertoonen; He —ed me out of a considerable sum = bedroog mij voor; I am tired of those dramatic —-changes = die dramatische verrassingen; —er = bedrieger; —ery = bedriegerij, bedotterij; —iness, subst. v. —y; —ish = vol streken, bedriegelijk; subst. —ishness; —siness, subst. v. —sy; —ster = bedrieger, schurk; —sy = schalksch, snaaksch, fijn; —y = vol streken, ondeugend, snaaksch.
Trickle, trik’l, zachtkens vloeien, in droppels neerdalen: The blood —d down my fingers = liep tappelings langs mijne vingers.
Trick-track, triktrak, triktrakspel.
Triclinium, traikliniəm, stel lage divans om drie zijden eener eettafel, elk stel voor drie personen; Rom. feestzaal.
Tricolour, traikɐlə, driekleurig(e vlag); —ed.
Tricot, trîkou, tricot.
Tricycle, traisik’l, subst. driewieler; — verb. op een driewieler rijden; Tricyclist = rijder op een driewieler.
Tridactyl(ous), traidaktil(ɐs), met drie teenen of vingers.
Trident, traid’nt, drietand, oppermacht ter zee; —ate(d), traidentit (—eitid), met drie tanden.
Tridentine, traidentin, subst. en adj. het concilie v. Trente of de stad betreffend.
Tridimensional, traidimenšən’l, met drie afmetingen.
Tried, traid, beproefd: A — friend = trouw; Trier, traiə, vroeger een bepaald rechter.
Triennial, traienj’l, driejarig, driejaarlijksch.
Trifid, traifid, in drieën gespleten.
Trifle, traif’l, subst. kleinigheid, beetje, beuzeling, schoteltje v. een gebak in sherry gedrenkt en met room en geslagen eieren bedekt; — verb. spelen, spotten, beuzelen, verbeuzelen: I don’t stand upon —s = zie niet op die kleinigheden; You are trifling away your time and money = ge vermorst; Don’t — with me = houd me niet voor den gek; —r = beuzelaar; Trifling expenses = niet noemenswaardige uitgaven.
Trifoliate(d), traifouljit (—eitid), driebladig; Trifolium, traifoulj’m, klaver.
Trifurcate(d), traifɐ̂kit (—eitid), met drie takken of vorken.
Trig, trig, keurig, netjes.
Trig, trig, subst. remblok, remschoen; — verb. remmen, vastzetten.
Trigger, trigə, trekker (v. een vuurwapen): To pull the — = afvuren; —-guard = beugel (onder den trekker).
Trigon, traigon, trigoon, driehoek; het samenkomen v. drie teekens van den Dierenriem; —al, trigən’l, driepuntig, driehoekig; Trigonometric(al), trigənəmetrik(’l), tot de driehoeksmeting behoorende; Trigonometry, trigənomətri, driehoeksmeting.
Trigraph, traigrâf, drie klinkers met één klank, b.v. eau in beau.
Trihedral, traihîdr’l, traihedr’l, met drie gelijke zijden.
Trike, traik, verb. van Tricycle: These girls are adepts at triking = rijden goed op driewielers.
Trilateral, trailatər’l, driezijdig.
Trilinear, trailinjə, met drie lijnen.
Trilingual, trailiŋgw’l, in drie talen.
Triliteral, trailitər’l, (woord) v. drie letters.
Trill, tril, subst. trilling, getrilde letter (zooals de Nederl. r), tremblant (muz.); — verb. trillen, vibreeren.
Trillion, trilj’n, trillioen, 1 met 18 nullen (Amer. 1 met 12 nullen).
Trilobite, triləbait, zeker fossiel schelpdier.
Trilogy, trilədži, trilogie.
Trim, trim, subst. toestand, staat, orde, kleeding, gala, opschik, garneersel; adj. netjes, keurig, proper, goed passend; — verb. in orde brengen, netjes maken, versieren, uitrusten, snoeien, bijknippen, garneeren, opmaken, oprakelen, schoonmaken, terechtwijzen, geschikt maken, in goeden staat brengen (van een schip met betrekking tot lading, ballast, masten, enz.): We are in good — = in goeden staat, op alles voorbereid; She was dressed in regulation — = gekleed overeenkomstig de voorschriften (op bals, etc.); Out of — = slecht gestouwd; I —med him = veegde hem den mantel uit; To — a candle = snuiten; Will you — the fire? = vuur oppoken (en den haard aanvegen, etc.); He —med the lamp = maakte de lamp in orde; I have —med this piece in here = dit stuk hier ingepast; The sails were —med = zoo gunstig mogelijk (naar den wind) gezet; To — one’s sails accordingly = de huik naar den wind hangen; Independent members do not — to political demagogues = schikken zich niet naar; —mer = tremmer, politieke weerhaan, terechtwijzer, terechtwijzing; —ming = terechtwijzing, pak slaag; onstandvastigheid, weifelmoedigheid; —mings = oplegsel, garneersel, toespijzen: Tea with —mings; —ness = netheid, etc.
Trimeter, trimətə, drievoetige versregel.
Trinal, train’l, drievoudig: — unity.
Tringle, triŋg’l, gordijnroede, kleine kroonlijst.
Trinidad, trinidad.
Trinitarian, trinitêrj’n, subst. en adj. (belijder) v. de drieéénheidsleer; —ism = het leerstuk der drieéénheid; Trinity, triniti, drieéénheid: —-house = oude corporatie te Londen bij welke o.a. het toezicht op vuurtorens en boeien aan kusten en in rivieren berust; —-Sunday = Zondag na Pinkster; —-term = een der vier termijnen (22 Mei–12 Juni) gedurende welke Londensche rechtscolleges zitting hielden; thans — Sittings van Dinsdag na Pinkster tot 12 Augustus.
Trinket, triŋkət, kleinood, lijfsieraad in ’t algemeen; — verb. intrigueeren.
Trinomial, trainoumj’l, subst. en adj. drienamig(e term) = Trinominal, trainomin’l.
Trio, traiou, trîou, trio, klaverblad (fig.).
Triolet, traiəlet, trîəlet, triolet.
Trior, traiə, ambtenaar, die onderzoekt of eene wraking van juryleden juist is.
Trip, trip, subst. trippelpas, getrippel, uitstapje, gang, slag, beentjelichten, struikeling, misstap, val, kleine fout; — verb. trippelen, vlug loopen, huppelen, een uitstapje doen, struikelen, een mispas doen, dwalen, op eene fout betrappen, beentje lichten: They went on their wedding-— = op hun huwelijksreisje; Her foot —ped = zij struikelde; I —ped him up = heb hem den voet gelicht; They —ped up one another’s heels = volgden elkander onmiddellijk, zaten elkaar achterna; I was —ped up by that branch = struikelde over dien tak. Zie Tripper.
Triparted, traipâtid, in drie stukken verdeeld; Tripartite, tripətait, traipâtait, in drie deelen verdeeld, in triplo; Tripartition, tr(a)ipâtiš’n, verdeeling in drieën.
Tripe, traip, pens, ingewanden, buik.
Tripetalous, traipetəlɐs, driebladig.
Triphthong, tripthoŋ, trifthoŋ, drieklank; adj. —al, tripthoŋg’l, trifthoŋg’l.
Triple, trip’l, adj. drievoudig, driemaal; — verb. verdrievoudigen; —-crown = pauselijke kroon; —-headed = driehoofdig; Triplet, triplət, subst. trio, drieling, drieregelig versje, fiets voor 3 personen; adj. drievoudig; Triplex, traipleks, trippelmaat; Triplicate, triplikit, verdrievoudigd, drievoudig; subst. triplicaat; Triplication = verdrievoudiging, tripliek; Triplicity, triplisiti, drievoudigheid.
Tripod, traipod, drievoet(ige stoel, tafel of ketel).
Tripoli, tripəli, Tripoli; Tripoline, tripəl(a)in; Tripolitan, tripolit’n, (bewoner) van T.
Tripos, traipos, het Honours-Exam. te Cambridge voor den B.A. graad.
Tripper, tripə, trippelaar, danser, pleizierreiziger: Cheap —s = pleizierreizigers; Tripple = korte galop: He put the tired nag into a sort of — or ambling canter much affected by South-African horses.
Triptych, triptik, een uit drie deelen bestaande altaarschilderij; antiek waschtafeltje met 2 bladen, die konden worden dichtgeslagen.
Triradiate(d), traireidjit (-eitid), met drie stralen.
Trireme, trairîm, galei met 3 rijen roeibanken boven elkaar.
Trise, trais, opeischen.
Trisect, traisekt, in drie gelijke deelen verdeelen; subst. —ion, traisekš’n.
Trispermous, traispɐ̂məs, driezadig.
Trisyllabic(al), trisilabik(’l), drielettergrepig; Trisyllable, tr(a)isiləb’l, trisiləb’l, drielettergrepig woord.
Trite, trait, afgezaagd, alledaagsch; subst. —ness.
Triton, trait’n, zeegod, watersalamander: He is a — among the minnows = steekt verre boven zijns gelijken uit.
Triturate, tritjureit, tot fijn poeder malen of stampen; subst. Trituration.
Triumph, traiəmf, subst. triomf, zegepraal; — verb. zegepralen, zegevieren: He has —ed over all difficulties = glansrijk overwonnen; —al, traiɐmf’l, zegevierend: —al arch = eereboog; —al car = zegekar; —ant, traiɐmf’nt, zegevierend, zegepralend: — car (chariot) = zegekar; —er = triumphator.
Triumvir, traiɐmvɐ̂, drieman; —ate, traiɐmvirit, driemanschap.
Triune, traijûn, drieëenig.
Trivalvular, traivalvjulə, driekleppig.
Trivet, trivət, treeft, drievoet: I am (as) right as a — = ik ben zoo gezond als een visch.
Trivial, trivj’l, triviaal, onbeduidend, plat: — name = populaire naam voor dier of plant; —ity, trivialiti, alledaagschheid, onbeduidend iets: — verb. —ize; subst. —ness.
Trivium, trivj’m, naam voor de drie hoofdvakken in de Middeleeuwen: grammatica, rhetorica en logica.
Triweekly, traiwîkli, traiwîkli, driemaal per week (verschijnend blad).
Troat, trout, subst. het schreeuwen van een hert in den bronsttijd; — verb. schreeuwen (van een hert).
Trochaic, trəkeiik, trochaeisch.
Troche, troutš, trouk, troukî, (artsenij)tablet.
Trochee, troukî, trochee.
Trochil(us), trokil(ɐs), soort kolibri; tuinkoning.
Trod, trod, imperf. v. to tread; Trod(den), trod(’n), p. perf. van to tread.
Troglodyte, tro(u)glədait, holbewoner; adj. Troglodytic(al), trogləditik(’l).
Trojan, troudž’n, subst. en adj. Trojaan(sch).
Troll, troul, subst. lied (kànon), rondzang, rolletje aan een hengel, soort kunstaas; aardgeest; — verb. rollen, ronddraaien, rondgeven, neuriën, lokken, aantrekken, hengelen, slenteren, een rondzang aanheffen.
Trollop, troləp, slons, slet; —y = slonzig, vuil, zedeloos.
Trollope, troləp.
Troll(e)y, troli, kar, lorrie, rol- of sledecontact bij electr. trams.
Trombone, tromboun, schuiftrompet.
Troop, trûp, subst. troep, hoop, menigte, escadron; — verb. in een troep loopen, tot troepen of in eene menigte vereenigen, aftrekken (away): To get one’s — = ritmeester worden; He sold out, and the sale of his — gave us a competence = hij kocht zich uit, en de opbrengst van zijne ritmeestersplaats verschafte ons genoeg om van te leven; —s of the line = linietroepen; To levy (raise) —s; —ing the colours = paradeeren; A —-horse = cavaleriepaard; —-ship = transportschip; —er = cavalerist, transportschip: He swears like a —er = vloekt als een dragonder.
Trope, troup, redefiguur, fig. uitdrukking.
Trophy, trofi, zegeteeken, tropee.
Tropic, tropik, subst. keerkring: — of Cancer = kreeftskeerkring; — of Capricorn = steenbokskeerkring; The —s = de Tropen; —al = tropisch, beeldsprakig: —al fruit.
Trossachs, trosaks.
Trot, trot, subst. draf; dribbeltje of hummeltje; — verb. draven, in draf zetten: Little —s of four or five years old = kleine hummels; A jog-— = sukkeldrafje; At (On a) full — = in vollen draf; He brought his horse to a — = bracht zijn paard in draf; He was driving on at full — = in vollen draf; To go for a — = een eindje omstappen; To keep a person on the — all day = in touw houden (fig.); To — out = voorrijden; We’ll have to — you out = wij zullen u moeten examineeren, u zal op de koord moeten. Zie Trotter.
Troth, troth, trouw, geloof, waarheid, trouwbelofte: By my — = op mijn woord; In — = voorwaar, waarachtig; They plighted their — = beloofden elkaar trouw.
Trotter, trotə, draver, (schape-, of varkens)poot; Trotting: —-horse = harddraver; —-match = harddraverij.
Trottoir, trotwâ, plaveisel.
Troubadour, trûbədûə, troubadour.
Trouble, trɐb’l, subst. onrust, zorg, droefheid, verlegenheid, ongeluk, moeite, inspanning; — verb. verontrusten, storen, lastig vallen, hinderen, verdriet doen, moeite veroorzaken, angst aanjagen: To be at the — to = zich de moeite geven om; To be in — = in zorgen zitten; To bring — upon oneself = zich in ’t ongeluk storten; —s like crows seldom come singly = een ongeluk komt zelden alleen; My boy, you’ll get into — = je loopt erin, je krijgt nog straf; There’s no good in meeting — = geen zorg vóór den tijd; I fear I have put you to some — = dat ik u last heb veroorzaakt; Will you take the —? = de moeite doen, u den last getroosten; You might hare saved me that — = dien last kunnen besparen; I will spare no — = geen moeite ontzien; Don’t — (your head) about this = heb daar geene zwarigheid over; I will — myself no more about him = me niet meer druk om hem maken; May I — you for the gravy? = om de jus verzoeken; There the wicked cease from troubling = daar houden de boozen op van beroering (Job. III, 17); To fish in —d water = in troebel water visschen; —r = verontruster, verstoorder; Troublesome = lastig, moeilijk, vervelend: My back is — = ik heb last van (pijn in) mijn rug; subst. —ness; A troublous life = leven vol zorgen; In troublous times = in tijden van beroering.
Trough, trof, trog, bak, etensbak, golfdal = — of the sea.
Trounce, trauns, afrossen, uitschelden; Trouncing = afstraffing.
Troupe, trûp, troep tooneelspelers.
Trousering, trauzəriŋ, broekstof; Trousers = lange broek: A pair of — = eene broek; To go into — = een lange broek aankrijgen; To turn up the end of one’s — = zijn broekspijpen omslaan; Trouser-strip = galon.
Trousseau, trûsou, uitzet van de bruid.
Trout, traut, forel(len); —-coloured = forelkleurig (wit met zwarte spikkels); —-farm = kweekerij; —let = kleine forel.
Trouvère, trûvêə, minnezanger.
Trove, trouv. Zie Treasure; —r = bezitverkrijging door vinden, onrechtmatige toeëigening: Action of —r = aanklacht wegens deze toeëigening.
Trow, trau, trou, trû, gelooven, vertrouwen.
Trowbridge, troubridž.
Trowel, trauəl, subst. troffel; — verb. met een troffel opleggen; You are laying it on with a — = legt het er dik op (fig.).
Troy, trôi, Troje, Troyes (stad Z.O. v. Parijs): —(-weight) = gewicht van 12 ounces in het pound (= ± 373,242 gr.), alléén voor goud, zilver en juweelen; medicijnen.
Truancy, trûənsi, wegblijven, schoolverzuim; Truant, trûənt, plichtverzakend, lui, de school verzuimend; subst. leeglooper, spijbelaar; — verb. omboemelen, spijbelen: He often plays (the) truant = spijbelt dikwijls; To run — = wegloopen; —-school = school voor geregelde verzuimers.
Truce, trûs, wapenstilstand, tijdelijke opschorting: Flag of — = witte (parlementaire) vlag; A — to your doggerel = schei uit met je gerijmel; You have broken (the) — = den wapenstilstand verbroken; To make — with = een wapenstilstand sluiten; —-breaker = verbreker van afspraak of wapenstilstand.
Truck, trɐk, subst. ruilhandel, huishoudelijke artikelen, handel, gedwongen winkelnering, verkeer; groente, afval (Amer.); katrol, handwagen, lage stellage op wielen, lorrie, open goederenwagen, kleine ronde schijf of kloot boven aan vlaggestok of mast; — verb. ruilhandel drijven, schacheren, venten, in trucks overladen of verzenden; —-man = ruilhandelaar, wagenrijder; —-system = gedwongen winkelnering; —age, trɐkidž, ruilhandel, vervoerloon; —ful = wagenvol.
Truckle, trɐk’l, subst. wieltje, rolletje; — verb. voortrollen; zich aan den wil van anderen onderwerpen, slaafsch zijn, kruipen voor (to), voortrollen; —-bed = ledikant op rolletjes; He —s to circumstances = onderwerpt zich aan de omstandigheden; People crawl and — for social success = kruipen en buigen zich; —r = kruiper.
Truculence, trɐkjulens, woestheid, wreedheid, woest uiterlijk; Truculent = ruw, wreed, vreeselijk.
Trudge, trɐdž, voortsukkelen, zich voortslepen: He —d after his father = sukkelde achter zijn vader aan.
True, trû, waar, trouw, standvastig, eerlijk, echt, zeker, regelmatig, recht, rechtmatig, juist: What you say there is — enough = is volkomen waar; He was — to his country and loyal to his king = trouw aan koning en vaderland; — to one’s word; He gave us a — account of it = een nauwkeurig verhaal; — bill = uitspraak v. de Grand Jury, dat na onderzoek van het bewijsmateriaal rechtsingang zal worden verleend met verwijzing naar de Petty Jury (Panel); A perfectly — circle = volkomen; — copy = eensluidend afschrift; To come — = uitkomen (v. droomen); To go — = goed loopen (v. horloges); To hold — = waar blijven; To prove — = waar blijken; —-blue, subst. trouw, oprecht en eerlijk persoon, echte Tory; adj. onwrikbaar, trouw en eerlijk; —-born = echt, van wettige geboorte; —-bred = van echt ras, van goede opvoeding; —-hearted = trouwhartig, eerlijk; subst. —-heartedness; —-love, subst. minnaar, geliefde; —-love(r’s)-knot = soort van dubbele knoop (zinnebeeld v. wederzijdsche trouw en liefde); —penny = eerlijke vent; —ness = trouw, oprechtheid, juistheid, etc.
Truffle, trɐf’l, truffel; —-dog = truffelzoeker (hond); —-hunter.
Trug, trɐg, kalkbak; ⅔ bushel; groentemand.
Truism, trûizm, gemeenplaats, waarheid als eene koe.
Trullization, trɐlizeiš’n, het pleisteren.
Truly, trûli: Yours — = hoogachtend uw, etc.
Trump, trɐmp, subst. troefkaart, goede kerel, kranige vent; — verb. troeven, troef (uit)spelen, verzinnen, opdrijven: To call for —s = vragen; To lead off a — = opkomen met; To play —s; He was put to his —(s) = tot het uiterste gebracht; You always turn up —s = gij boft altijd, u loopt alles mee = All your cards are —s; —ed-up = verzonnen, waardeloos: An accusation was —ed up against us = werd tegen ons verzonnen; —ery, subst. vodden, prulleboel, bedriegerij; adj. waardeloos, prullerig.
Trumpet, trɐmpət, subst. trompet, scheepsroeper, uitbazuiner; — verb. met veel ophef bekend maken, uitbazuinen, uitbundig prijzen, trompetten: The last — = de bazuin van den oordeelsdag; A flourish of —s = fanfare; He blows (sounds) his own — = verkondigt zijn eigen lof; He —ed forth his friend’s praise = stak de loftrompet over zijn vriend; —-call = trompetsignaal; —-fish = trompetvisch; —-fly = schapenhorzel; —er = trompetter, loftuiter, schetteraar, trompetvogel; soort duif.
Truncal, trɐŋk’l, tot den stam of romp behoorende; Truncate, trɐŋkit, adj. afgeknot; — verb. (trɐŋkeit), afknotten, snoeien: —d cone (pyramid) = afgeknotte kegel (piramide); Truncation, trɐŋkeiš’n, afknotting, het afgeknot zijn.
Truncheon, trɐnš’n, subst. stam, stomp, schacht, staf, knuppel, maarschalksstaf; — verb. afrossen.
Trundle, trɐnd’l, subst. rol, wieltje, rolwagen; — verb. rollen, doen rollen, hoepelen: Let them — = laat ze loopen; —-bed = rolbed; —-head = kop v. een kaapstander; —-tail = krulstaart.
Trunk, trɐŋk, romp, stam, snuit (v. olifant), neus, koffer, hoofdlijn (voor spoor of telefoon); bak, koker: —s = —-hose = korte wijde broek boven de knieën ingenomen; —-line = hoofdlijn van spoor, kanaal, etc.; —-maker = koffermaker; —-root = hoofdwortel; —-sleeve = pofmouw.
Trunnel, trɐn’l = Treenail.
Trunnion, trɐnj’n, tap (van een kanon).
Truss, trɐs, subst. bundel, pakje, bosje, stellage of geraamte, pianokast, breukband, console; — verb. stijf binden, opstroopen, terecht trekken van kleeren, versterken, opmaken: He —ed on his rags = hing zijne lompen om; He —ed up his hair = bond op; A —ed fowl = opgemaakte vogel (gereed om te worden gebraden); —-maker = breukbandenmaker.
Trust, trɐst, subst. vertrouwen, geloof, toevertrouwd iets, deposito, crediet, zorg, vereeniging v. personen ten einde het monopolie te verkrijgen of te behouden; — verb. vertrouwen, gelooven, toevertrouwen, crediet geven, lichtgeloovig zijn, zich verlaten op: A distillers’ — = vereeniging van distillateurs; Breach of — = trouwbreuk; Position of — = post van vertrouwen; To give — = crediet geven; You are in my — = mij toevertrouwd, onder mijne hoede; Bonds in — = effecten, etc. in bewaring; The watch was committed to my — = mij ter bewaring toevertrouwd; Don’t put your — in such people = stel geen vertrouwen in; I took it on — = op goed geloof; I will — him no further than I can see; it was —ed to my care = toevertrouwd aan; I will — you with this = u dit toevertrouwen; — me for that = daar kunt ge op aan; — him to do it = hij “lapt net hem” wel; Trustee, trɐstî, beheerder, gevolmachtigde, commissaris, curator; —ship; Trustful = vertrouwend; subst. —ness; Trustless = niet te vertrouwen; subst. —ness; Trustworthiness, subst. van Trustworthy = trouw, vertrouwd, beproefd.
Truth, trûth, waarheid, oprechtheid, getrouwheid, standvastigheid: He did — = hij volgde Gods bevelen; Why don’t you speak the —? = waarom zegt gij de waarheid niet; In — = in waarheid, waarachtig, inderdaad; Of a — = waarlijk; —-ful = waarheidlievend, vertrouwbaar; subst. —fulness.
Truttaceous, trəteišəs, forellen …
Try, trai, subst. proef, poging; — verb. beproeven, onderzoeken, op de proef stellen, verhooren (rechtbank), aanwenden, verleiden, ondervinden, ijken, aangrijpen, veel vergen, uitbraden, raffineeren, inschieten: To have a — at = eens probeeren; I have tried hard to do it = ik heb terdeeg mijn best gedaan; I will — conclusions with him = het tegen hem opnemen; That tries the eyes = vermoeit de oogen; Such work tries a man = pakt je aan; We will — this quarrel hilt to hilt = dezen strijd met de degens uitmaken; To — on = passen; probeeren: I tried on my new coat = paste; To — it on = bedriegen, van bedrog leven; probeeren hoeveel het (met iemand) lijden kan; To — out = doorzetten, uitsmelten: We will — the matter out = wij zetten door tot de zaak beslist is; He was tried and condemned = verhoord en veroordeeld; —-sail = gaffelzeil, bezaan; —-your-weighter = automat. weegmachine. Zie Trying.
Trygon, traigən, pijlstaartrog.
Trying, trai-iŋ, lastig, smartelijk, moeielijk: Such things are — to a man = hard voor; A — climate = ongezond klimaat; He is very — = geeft veel last.
Tryst, trist, (plaats van) afgesproken bijeenkomst; —ing-place = plaats van bijeenkomst.
Tsar, tsâ, Czaar; Tsarevitch, tšârəvitš, tšâreivitš; Tsarina, tšârinə, Tsaritsa, tšaritsə.
Tsetse, tsetsə, tsetsevlieg.
T-square, tîskwêə, teekenhaak = T.
Tub, tɐb, subst. tobbe, klein vat, badtobbe, lompe boot, kansel; — verb. in een tobbe doen, baden, een kuipbad nemen: Tale of a — = bakersprookje; —s = boterkooper; —-fish = knorhaan; —-frock = japon, die gewasschen kan worden; —-man = een der twee bekwaamste advocaten van het vroegere Court of Exchequer (de andere werd Postman genoemd); —-pair = soort v. roeiboot; —-thumping = lawaaierige oratie; —ber = soort v. houweel; —by = tobvormig, tonvormig; dof klinkend.
Tuba, tjûbə, tuba (muziekinstr.).
Tube, tjûb, subst. buis, pijp, tube, kanaal, lampeglas; — verb. van pijpen of buizen voorzien: The — = de ondergrondsche spoorweg in Londen; India-rubber — = gummislang; Test-— = reageerbuisje.
Tuber, tjûbə, vleezig gezwel, knol, aardappel; Tubercle, tjûbək’l, knolletje, kleine tuberkel; Tubercular, tjubɐ̂kjulə, vol knobbels of tuberkels: — consumption; Tuberculous, tjubɐ̂kjulɐs, lijdende aan tuberculose, vol tuberkels; Tuberculosis = tuberculose; Tuberose, tjûbərous, tjûbərous, subst. tuberoos (plant); adj. met knobbels of uitwassen; subst. Tuberosity, tjûbərositi, knobbeligheid, gezwel, zwelling; Tuberous = Tuberose.
Tubular, tjûbjulə, buis-, koker- of cylinder-vormig; — boiler = stoomketel met vlampijpen; — bridge = kokerburg; — post = luchtdrukpost; Tubule, tjûbjûl, pijpje, buisje; Tubuliform = in den vorm van een buisje.
Tuck, tɐk, subst. opnaaisel, omslag, netje, lekkernijen, eetlust; trommelslag, rapier; — verb. opschorten, omslaan, inslaan, optrekken, vouwen, opstroopen, instoppen, zich zat eten (out), vollen (van laken), tokken (van eene kip): — of drum = slag op trom; It was nip and — with us = het kwam er op aan, was een strijd op leven en dood; —-shop = suikerbakkerij; —-in (= —-out) = traktatie; I have —ed them in warmly = heb ze ingestopt; The handkerchief about his neck was —ed in at the bosom = was (nl. de punten er van) in zijn borst gestopt; He —ed up his sleeves = stroopte op; They —ed him up as best they could = pakten hem in; Tucker = kanten halskraag of chemisette; Tuck(ing)-mill = volmolen.
Tucum, tjûk’m, Z.-Amer. palmsoort.
Tudor, tjûdə, subst. en adj. (van) Tudor: — style = Gothisch-Engelsche bouwstijl.
Tuesday, tjûzdi, Dinsdag.
Tufa, tjûfə, tufsteen; —ceous, tjufeišəs, gelijkend op, bestaande uit —.
Tuff, tɐf, tuf(steen).
Tuft, tɐft, subst. bosje (haar), kuif, trosje, hoop, groep, kwast (aan muts, etc.), spitse baard; — verb. in bosjes of hoopjes verdeelen (groeien), met kwastjes of trosjes versieren: Ricquet-with-a-—; —-hunter = klaplooper, flikflooier; —ed = met kwastje of trosjes versierd, met spitsen kinbaard, in trosjes groeiend.
Tug, tɐg, subst. krachtige haal, ruk, sleepboot, rommelwagen of rammelkast; — verb. krachtig trekken of halen, rukken, sleepen: — of war = touwtrekken; The real — of war will come on the electoral question = de ware strijd; I had a hard — of it = het heeft me veel moeite gekost; He was —ged like a dog by fate = door het lot als een hond heen en weer gesleept; We were —ging against wind and tide = roeiden tegen; —boat = sleepboot.
Tuition, tjuiš’n, onderwijs, opzicht; adj. —al = —ary.
Tula, tûlə, stad in Rusland; kookplaats (Indië); —-metal = allooi van zilver, koper, lood en zwavel.
Tulip, tjûlip, tulp; Tulipomania, tjûlipəmeinjə, tulpenmanie (17e eeuw); adj. en subst. Tûlipomaniac.
Tulle, tûl, tule.
Tumble, tɐmb’l, subst. val, buiteling, verwikkeling; — verb. rollen, vallen, buitelen, neervallen, neergooien, opgooien, onderstboven gooien, tuimelen, bewegingen en verdraaiingen met het lichaam maken; —-down = bouwvallig: It would be good to improve those —-down fever-dens off the face of the earth = die bouwvallige koortsholen van den aardbodem te doen verdwijnen; To — in = naar kooi gaan; To — to = bemerken, begrijpen, vatten, snappen, op krijgen met, aanpakken; — up, will you? = allo uit je bed; Tumbler = buitelaar, kunstenmaker, tuimelaar (glas of duif), glas zonder voet; Tumbling tricks = kunsten van acrobaten.
Tumbrel, tɐmbr’l, Tumbril, tɐmbril, mestkar, stortkar, ammunitiekar.
Tumefaction, tjûmifakš’n, zwelling, gezwel, puist;—verb. Tumefy; Tumid, tjûmid, gezwollen, uitgezet, bombastisch; —ity, tjumiditi, gezwollenheid, hoogdravendheid = —ness; Tumour, tjûmə, gezwel, zweer, puist.
Tump, tɐmp, subst. heuveltje; — verb. aanaarden, eene hoogte vormen om eene plant; een gedood dier naar huis sleepen (Amer.).
Tumtum, tɐmtɐm, een W.-Ind. pisangschotel; maag (scherts.); dog-cart (Anglo-Ind.).
Tumult, tjûmɐlt, opschudding, beroering, opwinding, verwarring, oploop; —uariness, tjumɐltjuərinəs, subst. v. —uary, tjumɐltjuəri, verward, opgewonden, oproerig, ontstuimig = —uous, tjumɐltjuəs; subst. —uousness.
Tumulus, tjûmjulɐs, grafheuvel.
Tun, tɐn, vat, ton (van seer verschillende afmetingen voor wijn, bier, etc.); gistvat eener brouwerij, zuiplap; — verb. in ’t vat doen; —-bellied = met ronden, dikken buik.
Tunbridge, tɐnbridž, stad in Kent; —-ware = kastenmakerswerk met ingelegde stukken van verschillend gekleurd hout.
Tundra, tûndrə, tundrə, toendra.
Tune, tjûn, subst. klank, toon, wijsje, melodie, juiste toonhoogte, stemming, harmonie; eendracht, gemoedsgesteldheid, stemming; — verb. stemmen, aanheffen, zingen, doen aanpassen: The — the old cow died of = een echte treurzang; I’ll make you sing another (change your) — = zal je wel anders leeren; To be in — = gestemd, gemutst; My piano is out of — = ontstemd: He was rather out of — to-day = niet erg gestemd; That costs to the — of fifty pounds = dat zal zoowat vijftig p. kosten; —ful = welluidend, zangerig; subst. —fulness; —less = klankloos, stil, onwelluidend; —r = stemmer.
Tungsten, tɐŋst’n, wolfram; Tungstic acid.
Tunic, tjûnik, tunica, militaire rok, vlies; —le = kleine tunica, vliesje.
Tuning, tjûniŋ: —-fork = stemvork; —-hammer, —-key = stemhamer, stemsleutel.
Tunis, tjûnis; Tunisian = (bewoner) v. T.
Tunkers, tɐŋkəz, sekte van Duitsch-Amerikaansche wederdoopers = Dunkers.
Tunnage, tɐnidž, tonnemaat. Zie Tonnage.
Tunnel, tɐn’l, subst. pijp, schoorsteenpijp, tunnel, fuik (= —-net); — verb. (als) een tunnel maken door (onder), doorboren, in een fuik vangen: —s of light = lichtbundels; —-pit, —-shaft = toegang tot het midden van een tunnel van uit den bovengrond.
Tunny, tɐni, tonijn.
Tup, tɐp, subst. ram; — verb. dekken, bokken.
Turan, tjûrân; Turanian, tjûreinj’n.
Turban, tɐ̂b’n, tulband, tulbandvormige hoofdtooi.
Turbid, tɐ̂bid, troebel, modderig, drabbig; verward, onrustig, stormachtig; subst. Turbidity = —ness.
Turbinate, tɐ̂binit, ronddraaiend, spiraalkegelvormig.
Turbine, tɐ̂bin, turbine; —-steamer.
Turbit, tɐ̂bit, meeuwtje (soort duif).
Turbot, tɐ̂bət, tarbot.
Turbulence, Turbulency, tɐ̂bjulens(i), onstuimigheid, beroering, oproerigheid, rumoerigheid; adj. Turbulent.
Turco, tûəkou, tɐ̂kou, Fransch soldaat in ’t Algerijnsche kol. leger.
Turd, tɐ̂d, drek.
Tureen, tjurîn, soepterrine; —-ladle = soeplepel.
Turf, tɐ̂f, subst. zode, grasveld, plag, turf; renbaan; — verb. met zoden of plaggen beleggen: Black heaps of — = stapels turf; A sod of — = zode; He is on the — = leeft van (doet aan) wedrennen en wedden op renpaarden; I have broken with the — and sold my stud off = doe niet meer aan de rensport; —-clad = met zoden bedekt; —-cutter; —-fire; —-hedge = scheiding door eene bank van zoden; —-house = stulp van plaggen; —-moss = veenland; —man = liefhebber van rensport; —-seat = zodenbank; —-spade = spade om zoden te steken; —ing: —ing-iron, —ing-spade = spade voor het steken van zoden; —less = zonder zoden; Turfite, tɐ̂fait = —man; Turfy = vol zoden; tot wedrennen of de renbaan behoorende.
Turgent, tɐ̂dž’nt, gezwollen, opgeblazen: Turgescence, Turgescency, tɐ̂džes’ns(i), opgezwollenheid, opgeblazenheid; Turgescent = zwellend; Turgid, tɐ̂džid, gezwollen, opgeblazen, hoogdravend; subst. —ity, tɐ̂džiditi = —ness.
Turin, tjûrin, Turijn; Turinese, tjûrinîz, tjûrinîs, (bewoner) van T.
Turk, tɐ̂k, Turk: Turk’s head = “kop van Jut” op kermissen; ragebol; —ish, subst. en adj. Turksch(e taal): —ish bath = bad (van 116° tot 165°); —ish delight = soort v. lekkers; —ophile, tɐ̂kəfail, Turkenvriend.
Turkey, tɐ̂ki, Turkije, kalkoen: To talk —; Zie Talk; —-bird (Zie Wry-neck); — carpet = Turksch vloerkleed, Smyrnasch tapijt; —-cock = kalkoensche haan: She turned as red as a —-cock; —-hen = kalkoensche hen.
Turmoil, tɐ̂môil, verwarring, ontsteltenis, herrie, sloven; — verb. in onrust zijn, zich afsloven.
Turn, tɐ̂n, subst. draai, omwenteling, bocht, kromte, hoek, wandelingetje, verandering, wisselvalligheid, gelegenheid, aanleiding, doel, daad, voorval, dienst, mode, strekking, gedaante, aard, neiging, luim, stemming, poets, grap, beurt, karweitje, zenuwschok, woordstelling (in een zin), ophanging, etc.; — verb. wenden, keeren, draaien, vormen, omkeeren, aanwenden, richten, strekken, overhalen, bekeeren, verdraaien, veranderen, vertalen, overbrengen, overpeinzen, doen gisten, schiften, verzuren, walgen, terugkeeren, weerstaan (een vijand), weifelen, etc.: A — of fate = lotswisseling; In the — of a hand = in een oogenblik; At the — of the river, road = bij de bocht; The — of a wager = de kans; His answers are mere —s of wit = geestige zetten, wendingen; A — of work = klein karwei; One good — deserves another = de eene dienst is den anderen waard; I am good for a — at any game = doe gaarne mee aan een spelletje; There is a quaintness of — in his style = zijn stijl heeft een zonderling cachet; The news gave me such a — = deed me erg schrikken; That soldier seems to have a — for desertion = neiging tot desertie te hebben; That will hardly serve your — = dat zal je wel niet kunnen dienen; We must take —s = elkaar afwisselen; Things have taken a favourable — = een gunstigen keer genomen; He does so at every — = bij elke gelegenheid; We must go there by —s, in —(s) = om beurten; You must do it in — = op uwe beurt; Each in his — = ieder op zijne beurt; The tide was on the — = het getij begon te kenteren; Done to a — = goed gaar; — for — = leer om leer; These advantages —ed to real account = leverden inderdaad wat op; My brain (head) —s = ik word duizelig; The leaves — in autumn = worden geel; The mutton has —ed with the hot weather = is bedorven; We were —ed adrift = wij werden aan wind en golven ten prooi gegeven; He —ed aside = keerde zich om; To — loose = loslaten (van honden bijv.); To — pale = bleek worden; To — sour = zuur worden; He —ed his back = hij draaide zich om, hij vluchtte; He —ed his back (up)on us = wendde ons den rug toe (ook fig.); It —ed the balance (scale) = deed de schaal omslaan; He has —ed his coat = is afvallig geworden; She —ed colour = verschoot van kleur; To — the corner = het hoekje (crisis van een ziekte) te boven zijn, beter worden; The railway-shares have —ed the corner and are increasing = hebben zich hersteld en gaan omhoog; To — a couplet = een versje maken; She can — an epigram and point a satire = iets geestig zeggen en satiriek zijn; He shaved twenty men and never —ed a hair = en sneed hen geen enkele maal; To — one’s hand to = zich toeleggen op; He could — his hand to many things = kon van alles maken; The news has —ed his head (brain) completely = heeft zijn hoofd op hol gebracht; He —ed informer on me = hij verklikte mij; Will you — the key? = omdraaien; A merchant must — his money = steeds omzetten; I will try to — a penny = een duit te verdienen; — the points = verzet den wissel; To — the enemy’s position = omtrekken; To — soldier = soldaat worden; The medicine —s my stomach = ik walg van; The tables were —ed = de bordjes werden verhangen; I —ed the tables upon him = sloeg hem met zijn eigen wapens; deed de kans keeren; To — tail = op de vlucht gaan; To — turtle = omslaan: Everything has —ed turtle = alles ligt overhoop; To — about = zich omkeeren; — again = keer terug, om; To — away = zich afwenden: He —ed away from the path of duty = verliet; I have —ed him away = weggezonden, ontslagen; To — money away = opsparen, wegleggen; To — back = omkeeren, terugkeeren; The leaf was —ed down (back) at the top = het blad was bovenaan omgeslagen; Everything was —ed upside down = onderstboven gekeerd; —-down = omgeslagen, dubbelgevouwen; ook subst. liggende boord; — of a letter = omgevouwen rand; I have —ed it in = naar binnen gevouwen; He —ed it in his mind = overlegde het bij zichzelf; To — in = naar kooi gaan; He —ed in with me = ging met mij naar bed; The road —s in and out = kronkelt gedurig; To — into = veranderen in; — this into Dutch = vertaal dat in ’t N.; He —ed German ballads into English verse = bracht … over; He —ed of a deadly colour = werd doodsbleek; He is —ed (of) fifty = boven de vijftig; The hour was —ed of six = het was over zes; To — off the gas, the steam = uitdraaien, afsluiten; To — off an article = op ’t papier gooien; To — on the gas = de gaskraan open zetten; She —ed on her tears = begon te schreien; Everything —s on your answer = hangt af van; The fate of the country —s on the king’s decision = hangt af; — him out = zet hem de deur uit; We have —ed out the cows = de koeien in de weide gedaan; It —ed out wrong, right = kwam verkeerd, goed uit, liep verkeerd, goed af; He did not — out much = het resultaat van zijn arbeid was gering; I have —ed it inside out = heb het binnenste buiten gekeerd; He will — out trumps after all = toch nog een flinke vent worden; It —ed out to be = bleek te zijn; The book is well —ed out = ziet er keurig uit; A well —ed-out stranger = net gekleed; His clothes had been —ed out by the best tailor = waren geleverd; —-out = pronk, pak, vertooning, mooie equipage, groote menigte, ontvangst, afmarsch, werkstaking, uitsluiting, wisselspoor, opbrengst; He —ed over more than fifty thousand pounds a year = zette om; We have —ed over a new leaf = zijn met een nieuw blad, een heel ander leven begonnen; He —ed over and continued reading = sloeg het blad om; I have —ed it over and over = van alle kanten bekeken; The money was —ed over to the owner = werd overgemaakt aan den eigenaar; The boat was —ed over = werd omgeworpen, sloeg om; I —ed it over in my mind = ik overlegde het bij mijzelf; Let us — over = van plaats veranderen; —over = onderstboven werping, soort gebak, omzet; adj. omgeslagen, ingericht om om te slaan: —over table = klap(speel)tafeltje; He —ed round = veranderde van houding, keerde zich om; She loved him for some time, and then —ed round (to another) = zette toen haar zinnen op een ander; I must have time to — round = tijd om te overleggen of overwegen; His eyes were —ed to the stage = op het tooneel gericht; What shall I — to? = wat zal ik nu doen, nu aanpakken; You must try to — this to profit, advantage, account = trachten te profiteeren van; To — up = omhoogslaan, omslaan, opduiken, te voorschijn komen, gebeuren etc.: I hope something will — up in time = dat er zich nog wat zal voordoen (opdoen); — up page the seventh = sla op; — it up = schei uit daarmee! To — up one’s nose at = den neus optrekken voor; I —ed his arguments upon himself = sloeg hem met zijn eigen woorden; I —ed upon him suddenly = draaide me plotseling naar hem om, viel hem aan; The conversation —ed upon all kinds of topics = liep over allerlei onderwerpen; She will be married —ed Michaelmas = na; —-bench = kleine draaibank; —-cap = schoorsteengek; —-coat = afvallige; —-cock = opzichter v. de waterleiding; —-down collar; —dun = snorder (jongensspeelgoed); —key = cipier; —pike = tolhek, slagboom, wenteltrap; —pike-man = tolgaarder; —pike-road = straatweg met tollen; —-screw = schroevendraaier; —-sick = draaiziek; —sole = kroontjeskruid; heliotroop; —spit = spitomdraaier; —stile = molentje, haspel op voetpaden; —-stone = soort steenlooper; —-table = draaischijf (op spoorwegen); —er = kunstdraaier, varieteit van duif; —ery = kunstdraaierij, draaiwerk; Turning, subst. draai, bocht, afwijking, kronkeling: —-lathe = draaibank; —-platform = draaischijf (voor spoorwagens); —-point = keerpunt.
Turnip, tɐ̂nip, raap, knol, dik horloge; —-radish = knolradijs.
Turpentine, tɐ̂p’ntain, terpentijn; Terpentiny = met terpentijn bedekt, vol terpentijn.
Turpitude, tɐ̂pitjûd, laagheid, verdorvenheid.
Turquoise, tɐ̂kôiz, tɐ̂kîz, tɐ̂koiz, turkoos (edelsteen).
Turret, tɐrət, torentje, draaibare toren op een oorlogschip; —-ship = torenschip; —ed = met torentjes; Turriculate(d), tərikjulit(-eitid), gelijk een torentje, voorzien van torentjes.
Turtle, tɐ̂t’l, subst. tortelduif; zeeschildpad(soep); — verb. schildpadden vangen; —-back = helmslak; —-dove = tortelduif; —-shell = schildpad; —-soup = schildpadsoep.
Tuscan, tɐsk’n, subst. Toskaner; adj. van Toskane: — order = Toskaansche bouwstijl; Tuscany = Toskane.
Tush, tɐ̂š, pst! stil! poe! hoektand.
Tusk, tɐsk, slagtand (v. olifant of wild zwijn): —ed = met slagtanden; —er = olifant of wild zwijn met goed ontwikkelde slagtanden; —y = —ed.
Tussaud, tusou.
Tussle, tɐs’l, subst. worsteling, kloppartij; — verb. worstelen, vechten: We had a sharp — with the enemy = een vinnigen strijd.
Tussock, tɐsək, bosje, lok, bosje gras, heuveltje; adj. —y.
Tut, tɐt, st! pst! stil! poeh! och kom!
Tutelage, tjûtəlidž, voogdij(schap), onmondigheid; Tutelar(y), tjûtələ(ri), beschermend: — angel; — spirits = beschermgeesten; Tutor, tjûtə, subst. voogd, (privaat)onderwijzer, een der professoren aan een college belast met het algemeen toezicht (= College —), of die de studie leidt (Private —); — verb. onderwijzen, berispen; —ial, tjutôriəl, behoorende tot, uitgeoefend door een Tutor; —ship = voogdijschap; onderwijzersbetrekking, tutorschap.
Tutta, tutâ, geheel; Tutti, tuti, allen (muz.).
Twaddle, twod’l subst. beuzelpraat, gewauwel; — verb. wauwelen, kletsen; —r = leuteraar.
Twain, twein: In — = in tweeën.
Twaite, tweit, elft. Z. Thwaite.
Twang, twaŋ, subst. scherp geluid, neusgeluid, neusklank, smaakje, onaangename smaak; — verb. gonzen, klinken, aanslaan, doen klinken, eruit gooien (out): There is a — about it = er is een leelijk smaakje aan; To speak with a — = door den neus spreken; The —ing of a full-toned guitar = het scherpe geluid van eene krachtige guitaar; A —ing sound = scherp, doordringend geluid.
Twankay, twaŋkei, ordinaire groene thee.
’Twas, twoz, samentr. van It was.
Tweak, twîk, subst. kneep, klem (fig.); — verb. knijpen: To — a person by the nose, To — a person’s nose = iemand bij zijn neus trekken.
Tweed, twîd, stof voor manskleeren; adj. van tweed: Heather — = bruine —.
Tweedle, twîd’l, zacht strijken over, vedelen, doedelen, vleien, bepraten: He insisted upon the difference between —dum and —dee = het verschil tusschen een half dozijn en zes.
Tweel, twîl; Zie Twill.
’Tween, twîn, samentr. van Between.
Tweeze, twîz, étui met instrumenten = —r-case; A pair of —rs = haartangetje.
Twelfth, twelfth, subst. en adj. (het) twaalfde; —-cake = driekoningengebak; —-day (—-tide) = Driekoningen; —-night = de avond van (vóór) Driekoningen; Twelve, twelv, twaalf: The — = de twaalf apostelen, de twaalve; Some writers strike — all at once = verschieten hun kruid al dadelijk; —month = een jaar: In a —month, A —month hence, By this time —month, This day —month = over een jaar, in een jaar; —pence = een shilling; —penny = van twaalf stuiver waarde; —score = 240, afstand van 240 yards, boogschotsafstand.
Twentieth, twentiəth, subst. en adj. (het) twintigste; Twenty, twenti, twintig.
Twibill, twaibil, tweesnijdende bijl, hellebaard.
Twice, twais, tweemaal; —-told = tweemaal verteld, welbekend.
Twiddle, twid’l, langzaam ronddraaien; zich snel omdraaien, glinsteren, spelen met: To — one’s thumbs = duimpje draaien, de handen in den schoot leggen.
Twig, twig, subst. takje, wichelroede; — verb. opletten, gadeslaan, “snappen”: Just as the — is bent, the tree is inclined = jong gewend, oud gedaan; In prime — = naar de nieuwste mode; I —ged you there = daar had ik je, snapte ik je; Twiggy = vol takjes.
Twilight, twailait, subst. schemering, flauw idee; adj. schemerend, onduidelijk.
Twill, twil, subst. keper; — verb. keperen.
Twin, twin, subst. tweeling: adj. tweeling—, dubbel, gepaard; — verb. paren, gepaard zijn, tweelingen werpen: The —s = Tweelingen (sterrenbeeld); —-born = tegelijk geboren; —-brother = tweelingbroeder; —-sister = tweelingzuster.
Twine, twain, subst. draai, kronkeling, omarming, twijn, getwijnd garen, touw; — verb. draaien, twijnen, omarmen, samenweven, kronkelen, zich slingeren: The ivy —d about the old tree = slingerde zich.
Twinge, twinž, subst. plotselinge pijn, steek, kneep, wroeging; — verb. knijpen, nijpen, steken, pijn doen: She felt —s of conscience for treachery = had gewetensknaging over haar verraad; A — of the gout, jealousy = aanval; My side —s = ik heb steken in de zijde.
Twinkle, twiŋk’l, subst. schittering, flikkering, fonkeling, oogenblikje; — verb. fonkelen, schitteren, flikkeren: In a — = the twinkling of an eye = in een oogwenk.
Twinter, twintə, koe of schaap van 2 jaar, twenter.
Twirl, twɐ̂l, subst. snelle draai, pirouette; — verb. snel (doen) ronddraaien: To give a thing a — = laten draaien; I —ed the teetotum = zette het A-al-tolletje; To — one’s thumbs = duimpje draaien; She —ed in a polka = danste de polka.
Twist, twist, subst. draai, bocht, kronkel(ing), vlecht, spuuglok, koord, tabak in rollen gedraaid, verrekking, verwikkeling; mengsel van brandewijn en jenever; — verb. draaien, vlechten, twijnen, (zich) wringen, strengelen, kronkelen, winden, verdraaien: I can — him round my (little) finger = hem om mijn vinger winden; To — up one’s mustachios = opdraaien; A —ed note = knijpbriefje; Twister = verdraaiing, moeielijk vraagstuk, leugen; wervelwind (Amer.), met een draai weggeslingerde bal (cricket): He can spin a — = liegen of het gedrukt staat; Twisty = vol kronkels en bochten; A —-twirly imp = een verdraaide, in allerlei bochten verwrongen kabouter.
Twit, twit, plagen, verwijten, honen: I —ted him with his superhuman patience = ik verweet hem.
Twitch, twitš, subst. plotselinge ruk, zenuwtrekking (= Convulsive —); — verb. rukken, grijpen, eene zenuwtrekking hebben.
Twite, twait, ringmusch, boommusch.
Twitter, twitə, subst. gekweel, gesjilp, gepiep, trilling, zenuwachtigheid, schrik; — verb. kweelen, sjilpen, trillen van begeerte: To be (all) in (of) a — = beven van angst.
Twittle-twattle, twit’ltwot’l, gewauwel.
’Twixt, twikst, samentr. van Betwixt: A mere — and between = tusschending.
Two, tû, twee(tal): I will make him do so in — —s = “één, twee, drie”; I could smash him like — —s = kon hem te pletter slaan; To bite, cut, tear in — = in tweeën; He will always put — and — together = zijne gewoonte is te vergelijken, alles in aanmerking te nemen; A —-edged sword = tweesnijdend; —-faced = met twee gezichten, bedriegelijk, onoprecht; —fold = tweevoudig, dubbel; A —-foot ruler = liniaal van twee voet; —-handed = met twee handen (te hanteeren); We made a —-hour stop at the hotel = rustten twee uur; —-masted; —-pair = twee trappen hoog: A —-pair front (back) = voorkamer (achterkamer) twee hoog; —pence, tɐp’ns, dubbeltje: He is not good for —pence = geen lor waard; Not to care —pence for = geen lor geven om; —penny, tɐpəni, van twee stuiver waarde, gering: —penny tube = electr. ondergrond. Londensche spoorweg; —penny-half penny, tɐp’ni-heip’ni, van geringe waarde, onbeteekenend; —tails = olifant.