HOOFDSTUK XXXVI.
Reading edition
Een boodschap van den kardinaal.
Drie dagen later kwamen de vier musketiers te Parijs terug; zij waren binnen de grenzen van hun verlof gebleven en gingen nog dienzelfden avond, volgens gewoonte, bij den heer de Tréville een bezoek afleggen.—„Wel, heeren!” vroeg de brave kapitein, „hebt gij u goed vermaakt gedurende uw uitstapje?”—„Ontzaglijk!” antwoordde Athos in zijn naam en in dien zijner vrienden.
Den zesden dag der volgende maand verliet de koning Parijs, de belofte houdende, die hij den kardinaal la Rochelle terug te keeren, en nog geheel bedwelmd door het gerucht, dat alom was verspreid, dat Buckingham vermoord was geworden.
Hoewel gewaarschuwd, dat de man, dien zij zooveel liefde had toegedragen, aan gevaar was blootgesteld, wilde echter de koningin, toen men haar zijn dood verkondigde, zulks niet gelooven; zij ging zelfs zoo ver onvoorzichtig uit te roepen: „Dat is valsch! hij heeft mij juist geschreven.”—Maar den volgenden dag moest zij wel geloof hechten aan dit treurig nieuws. La Porte, zooals iedereen door de bevelen van Karel I in Engeland opgehouden, was nu aangekomen, overbrenger van het laatste en akelige geschenk, dat Buckingham aan de koningin zond.
De blijdschap des konings was zeer levendig geweest; hij gaf zich de moeite niet eens ze te verbergen en deed ze zelfs in tegenwoordigheid der koningin uitbarsten. Lodewijk XIII, zooals alle zwakke geesten, ontbrak het aan edelmoedigheid. Maar dra werd de koning wederom treurig en ziekelijk; hij had niet een van die aangezichten, welke voor een langen tijd er vroolijk uitzien; hij voelde dat, als hij naar het kamp terugkeerde, hij wederom slaaf ging worden, en echter keerde hij er terug. De kardinaal was voor hem een begoochelende slang, en hij de vogel, die van den eenen tak op den anderen fladdert, zonder haar te kunnen ontkomen.
Ook was de terugtocht naar la Rochelle uiterst treurig. Onze vier vrienden vooral strekten hun krijgsmakkers tot verbazing. Zij reden naast elkander met neergebogen hoofd en somberen blik. Athos alleen richtte nu en dan zijn breed voorhoofd omhoog; dan schitterde een weerlicht in zijn oogen, een bittere glimlach zweefde op zijn lippen, en zooals zijn vrienden, gaf hij zich daarop wederom aan zijn droomerijen over.
Zoodra het geleide in de een of andere stad aankwam en zoodra zij den koning tot aan zijn verblijf hadden vergezeld, begaven de vier vrienden zich naar hun kwartier, of naar de een of andere afgelegene herberg, waar zij noch speelden noch dronken, maar fluisterend
Op zekeren dag, dat de koning op den weg halt had doen houden, om de jacht met de ekster te zien, en de vier vrienden volgens gewoonte, in plaats van aan de jacht deel te nemen, zich in een herberg aan den grooten weg ophielden, liet een ruiter, die met lossen teugel van la Rochelle was gekomen, zijn paard voor de deur der herberg stilstaan en eischte een glas wijn, terwijl hij een blik in de kamer wierp, waar de vier musketiers bij elkander waren.
„Heidaar! mijnheer d’Artagnan!” zeide hij, „zijt gij het niet, dien ik dáár zie?”—D’Artagnan richtte het hoofd omhoog en slaakte een vreugdekreet. Die man, die hem had geroepen, was zijn onbekende van Meung, van de Doodgraversstraat en van Arras. D’Artagnan trok zijn degen en snelde de deur uit. Maar dezen keer, in plaats van te vluchten, sprong de onbekende van zijn paard en trad d’Artagnan tegemoet.—„Ha! mijnheer!” riep de jongeling, „ik ontmoet u eindelijk! Dezen keer zult gij mij niet ontsnappen.”—„Dat is ook volstrekt mijn bedoeling niet, mijnheer! want nu zoek ik u. In naam des konings neem ik u gevangen.”—„Hoe! wat zegt gij?” riep d’Artagnan.—„Ik zeg u, dat gij mij uw degen moet geven, en dat zonder weerstand, mijnheer! uw hoofd is er mede gemoeid, ik waarschuw u.”—„Wie zijt gij toch?” vroeg d’Artagnan, zijn degen latende zinken, doch zonder dien over te geven.—„Ik ben de ridder de Rochefort,” antwoordde de onbekende, „de adjudant van den kardinaal de Richelieu, en ik heb bevel u tot Zijne Eminentie te geleiden....”
„Wij keeren naar Zijne Eminentie terug, mijnheer de ridder!” zeide Athos, toetredende; „en gij zult wel het woord van eer van den heer d’Artagnan willen aannemen, dat hij zich rechtstreeks naar la Rochelle zal begeven.”—„Ik moet hem in handen der gardes stellen, die hem naar het legerkamp zullen voeren.”—„Wij zullen hem tot geleide verstrekken, mijnheer! op
De ridder de Rochefort wierp een blik achter zich en ontwaarde Porthos en Aramis, die hem voor de deur hielden ingesloten; hij begreep, dat hij volkomen aan de genade van de vier mannen was overgelaten.—„Mijne heeren!” zeide hij, „indien de heer d’Artagnan mij zijn degen wil overgeven en zijn woord bij het uwe voegen, wil ik mij met uw belofte tevreden stellen, van den heer d’Artagnan naar het hoofdkwartier van den kardinaal te geleiden.”—„Ik geef u mijn woord, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en ziedaar mijn degen.”—„Dat is mij des te liever,” hernam Rochefort, „daar ik mijn reis moet vervolgen.”—„Indien het is om u met milady te vereenigen,” zeide Athos koel, „dan is het vruchteloos, gij zult haar niet vinden.”—„Wat is er dan van haar geworden?” vroeg Rochefort ongeduldig.—„Vergezel ons naar het legerkamp en gij zult het vernemen.”
Rochefort bleef een oogenblik in gedachten verzonken; daar men slechts een dagreis van Surgères was verwijderd, tot waar de kardinaal den koning moest tegemoet gaan, besloot hij den raad van Athos te volgen en met hem terug te keeren. Bovendien bood de terugreis hem een voordeel aan, namelijk in persoon den gevangene te kunnen bewaken. Men begaf zich op weg.
Den volgenden dag, des namiddags te drie uur, kwam men te Surgères aan; de kardinaal wachtte er Lodewijk XIII reeds. De minister en de koning wisselden dáár met elkander veel beleefdheden, wenschten elkander geluk met het toeval, dat Frankrijk van den halsstarrigen vijand had verlost, die Europa er tegen ophitste....; waarna de kardinaal, door Rochefort verwittigd van de inhechtenisneming van d’Artagnan en ongeduldig hem te verhooren, van den koning afscheid nam, hem uitnoodigende den volgenden morgen de werkzaamheden aan den dijk te komen bezichtigen, die voleind waren.
Toen hij des avonds in zijn hoofdkwartier van Pont terugkwam, vond de kardinaal voor het huis, dat hij bewoonde, d’Artagnan zonder degen, en de drie musketiers gewapend staan. Nu, daar hij zich bewust was van zijn macht, beschouwde hij hem met een gestrengen blik en wenkte d’Artagnan met oog en hand om hem te volgen.—„Wij wachten u, d’Artagnan!” zeide Athos luide genoeg om door den kardinaal gehoord te worden.—Zijne Eminentie fronste het voorhoofd, bleef een oogenblik staan en vervolgde toen zijn weg, zonder een woord te spreken.
D’Artagnan trad achter den kardinaal, en Rochefort na d’Artagnan binnen; de deur werd bewaakt.—Zijne Eminentie begaf zich in de kamer, welke hem tot kabinet diende, en gaf Rochefort een wenk, den jongen musketier binnen te geleiden.—Rochefort gehoorzaamde en verwijderde zich.—D’Artagnan bleef alleen met den kardinaal; het was zijn tweede samenkomst met Richelieu, en hij bekende later, dat hij overtuigd was, dat het de laatste zou zijn.
Richelieu bleef overeind, tegen den schoorsteen leunende, staan; een tafel stond tusschen hem en d’Artagnan.—„Mijnheer!” zeide de kardinaal, „gij zijt op mijn bevel in hechtenis genomen.”—„Men heeft het mij gezegd, Uwe Eminentie!”—„Weet gij waarom?”—„Neen, Uwe Eminentie! want het eenige, waarvoor men mij zou kunnen in hechtenis nemen, is u nog onbekend.”—Richelieu beschouwde den jongeling met strakken blik.—„Wel,” zeide hij, „wat moet dat beteekenen?”—„Indien Uwe Eminentie mij eerst de misdaden wil mededeelen, waarvan men mij beschuldigt, zal ik Uwe Eminentie de daden verhalen, die ik heb verricht.”—„Men beschuldigt u van misdaden, die grootere hoofden dan het uwe hebben doen vallen,” antwoordde de kardinaal.—„Welke? Uwe Eminentie!” vroeg d’Artagnan met een kalmte, die den kardinaal verbaasde.—„Men beschuldigt u, van met den vijand des koninkrijks briefwisseling te hebben gehouden; men beschuldigt u, de geheimen van den Staat te hebben verraden; men beschuldigt u, Frankrijk een man en in Engeland een anderen man heeft gehuwd, een vrouw, die haar tweeden echtgenoot door vergif om het leven heeft gebracht, en die getracht heeft ook mij te vergiftigen.”—„Wat zegt gij toch, mijnheer!” riep de kardinaal verwonderd uit, „en van welke vrouw spreekt gij op die wijze?”—„Van milady de Winter, van wie Uwe Eminentie ongetwijfeld de misdaden niet kende, toen zij haar met eenig vertrouwen vereerde.”—„Mijnheer!” zeide de kardinaal, „indien milady de misdaden heeft bedreven, welke gij zegt, dan zal zij gestraft worden.”—„Zij is het reeds, Uwe Eminentie!”—„En wie heeft haar gestraft?”—„Wij.”—„Is zij in de gevangenis?”—„Zij is dood.”—„Dood!” herhaalde de kardinaal, die niet kon gelooven, wat hij hoorde; „dood! hebt gij mij niet gezegd, dat zij dood was?”—„Tot drie malen toe heeft zij getracht mij om het leven te brengen, en ik heb haar vergiffenis geschonken; maar toen heeft zij de vrouw vermoord, die ik beminde, en ik en mijn vrienden hebben haar genomen, veroordeeld en gestraft.”
D’Artagnan verhaalde toen de vergiftiging van juffrouw Bonacieux in het Karmelieten-klooster van Béthune, de veroordeeling in het eenzame huis en de strafoefening op den oever der Lys.—Een rilling doorliep het geheele lichaam van den kardinaal, die toch niet spoedig rilde.... Maar eensklaps, alsof hij den invloed eener diepe gedachte onderging, helderde van lieverlede het aangezicht van den kardinaal op, dat tot hiertoe somber was geweest, en bleef in de volkomenste rust.—„Alzoo,” zeide hij met een stem, wier zachtheid weinig overeenstemde met de strengheid zijner woorden, „alzoo hebt gij u tot rechters opgeworpen, zonder hierbij te overwegen, dat zij, die den last niet hebben te straffen
Zijne Eminentie nam het papier en las langzaam en op elk woord drukkende:
„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder dezes deed, wat hij heeft gedaan.
Richelieu.”
3 Augustus 1628.
Na die paar woorden gelezen te hebben, verviel de kardinaal in een diep gepeins; doch hij gaf d’Artagnan het papier niet terug.—„Hij peinst door welke soort van foltering hij mij zal doen sterven,” dacht de Gaskonjer. „Welnu! in Godsnaam! dan zal hij zien, hoe een edelman sterft.”—De jonge musketier was in de heerlijkste geestgesteldheid om als een held te sterven.
Richelieu bleef steeds in gedachten verzonken; hij rolde en ontrolde het papier in zijn hand. Eindelijk edelmoedig had afgestaan.
„Ik ben verloren,” zeide d’Artagnan bij zich zelven. En hij boog zich diep voor den kardinaal, als iemand die zou zeggen: „Heer! uw wil geschiede.”
De kardinaal naderde de tafel, en zonder te gaan zitten schreef hij eenige regels op een perkament, waarvan het twee-derde reeds was ingevuld; vervolgens zette hij er zijn zegel op.
„Dat is mijn veroordeeling,” dacht d’Artagnan, „hij bespaart mij de verveling der Bastille en de langdurigheid van een rechtsgeding. Dat is waarlijk zeer beminnelijk van hem.”
„Ziedaar, mijnheer!” zeide de kardinaal tot den jongeling, „ik heb van u een volmacht terugontvangen, en ik geef er u een ander voor in de plaats. De naam is op dit brevet oningevuld; gij zult er hem inzetten.”—D’Artagnan nam het papier aarzelend aan en wierp er het oog op. Het was een aanstelling als luitenant bij de musketiers. D’Artagnan viel voor de voeten des kardinaals neer.—„Uwe Eminentie!” zeide hij, „mijn leven behoort u, beschik er voortaan over; doch die gunst, welke gij mij schenkt, heb ik niet verdiend; ik heb drie vrienden, die dezelve meer waardig zijn.”—„Gij zijt een braaf jongeling, d’Artagnan!” viel de kardinaal hem in de rede, hem vertrouwelijk op den schouder kloppende, bekoord een zoo weerbarstigen
De kardinaal keerde zich om en riep luide: „Rochefort!”—De ridder, die ongetwijfeld voor de deur was blijven staan, trad onmiddellijk binnen.—„Rochefort!” zeide de kardinaal, „gij ziet daar den heer d’Artagnan; hij behoort onder het getal mijner vrienden. Omhelst elkander en weest verstandig, indien gij er op gesteld zijt het hoofd te behouden.”
Rochefort en d’Artagnan omhelsden elkander wel niet zeer hartelijk, maar de kardinaal was tegenwoordig en sloeg hen met zijn doordringend oog gade. Zij verlieten gelijktijdig de kamer.—„Wij zullen elkander later ontmoeten, niet waar, mijnheer!” zeiden zij.—„Wanneer het u gelegen komt,” antwoordde d’Artagnan.—„De gelegenheid zal zich wel eens voordoen,” hernam Rochefort.—„Hm!” liet Richelieu hooren, de deur openende.—Beide mannen glimlachten tegen elkander, drukten elkander de hand en groetten Zijne Eminentie.
„Wij begonnen ongeduldig te worden,” zeide Athos.—„Hier ben ik, mijn vrienden!” antwoordde d’Artagnan.—„Vrij?”—„Niet alleen vrij, maar in gunst!”—„Gij moet ons dat eens verhalen.”—„Van avond, scheiden wij voor het oogenblik.”
Des avonds begaf d’Artagnan zich dan ook werkelijk naar Athos, dien hij bezig vond een flesch Spaanschen wijn te ledigen, een bezigheid, die hij elken avond stiptelijk vervulde. D’Artagnan verhaalde, hetgeen er tusschen den kardinaal en hem was voorgevallen, terwijl hij de aanstelling uit zijn zak haalde.—„Ziedaar! mijn waarde Athos! ziedaar!” zeide hij, „iets dat u natuurlijk toekomt.”
Athos glimlachte zacht en bekoorlijk.—„Vriend!” zeide hij, „voor Athos is het te veel; voor den graaf de la Fère is het te weinig. Houd die aanstelling, zij
D’Artagnan verliet de kamer van Athos en trad die van Porthos binnen. Hij vond hem in een prachtig gewaad, bedekt met schitterende borduursels, bezig zich in een spiegel te beschouwen.—„Ha! ha!” zeide Porthos, „zijt gij het, waarde vriend! hoe vindt gij, dat mij dit kleed staat?”—„Voortreffelijk!” zeide d’Artagnan; „maar ik kom u een kleed aanbieden, dat u nog beter zal staan.”—„Welk?” vroeg Porthos.—„Dat van luitenant der musketiers.”—D’Artagnan verhaalde aan Porthos zijn samenkomst met den kardinaal, en de aanstelling uit zijn zak halende, zeide hij: „Ziedaar! mijn waarde! schrijf uw naam daar op en wees mij een goed officier!”
Porthos sloeg het oog op de aanstelling, maar gaf ze aan d’Artagnan terug, tot groote verwondering des jongelings.—„Ja,” zeide Porthos, „ik zou mij hiermede zeer gestreeld vinden, maar ik kan van die gunst niet lang genoeg genot hebben. Gedurende onze reis naar Béthune is de man mijner hertogin gestorven, zoodat de geldkist des overledenen, die mij toelonkte, mij noopte de weduwe te trouwen. Zie, ik was juist bezig mijn bruiloftspak aan te passen. Behoud voor u de luitenantsplaats, mijn vriend! behoud ze voor u.”—En hij gaf de aanstelling aan d’Artagnan terug.
De jongeling trad hierop bij Aramis binnen. Hij vond dezen voor een bidbankje geknield, het hoofd op het voor hem geopend getijdeboek gedrukt. D’Artagnan verhaalde hem zijn gesprek met den kardinaal, en voor de derde maal de aanstelling te voorschijn halende, zeide hij: „Gij, onze vriend! ons licht, onze onzichtbare beschermer, neem deze aanstelling aan; gij hebt ze meer dan iemand verdiend door uw wijsheid en raad, die steeds met den gelukkigsten uitslag is bekroond geworden.”—„Helaas! waarde vriend!” zeide Aramis, „onze laatste avonturen hebben mij van het leven eens krijgsmans afkeerig gemaakt. Dezen keer is mijn besluit onherroepelijk genomen; na de belegering ga ik Lazaristen. Behoud deze aanstelling, d’Artagnan! Het krijgsmansberoep voegt u. Gij zult een moedig en gelukkig krijgsman worden.”
D’Artagnan, met de oogen door dankbaarheid vochtig en blinkend van vreugd, keerde tot Athos terug, dien hij nog aan tafel vond, in de vlam der lamp zijn laatste glas Malaga spiegelende.—„Ook zij hebben geweigerd!” sprak d’Artagnan.—„Dat is, omdat niemand dan gij, mijn waarde vriend, die gunst meer waardig is,” zeide Athos. En een pen nemende, schreef hij op de aanstelling den naam van d’Artagnan, wien hij ze teruggaf.
„Ik zal dan geen vrienden meer hebben,” zeide de jongeling. „Helaas! niets anders dan bittere herinneringen.”—En hij liet het hoofd in zijn handen vallen, terwijl twee traandroppels langs zijn wangen biggelden.
„Gij zijt nog jong,” antwoordde Athos, „en uw bittere herinneringen hebben den tijd in zoete te veranderen.”