← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK V.

Reading edition

Wraakzucht.

Des avonds gaf milady het bevel, d’Artagnan onmiddellijk binnen te geleiden, zoodra hij volgens gewoonte zou gekomen zijn. Maar hij kwam niet. Den volgenden dag ging Ketty opnieuw den jongeling bezoeken en verhaalde hem alles, wat er den vorigen avond was voorgevallen. D’Artagnan glimlachte. Die grimmige jaloerschheid van milady was zijn wraak. Des avonds was milady nog ongeduldiger dan den vorigen dag. Zij hernieuwde het bevel nopens den Gaskonjer; maar, zooals den vorigen dag, wachtte zij hem tevergeefs. Den daarop volgenden dag vertoonde zich Ketty bij d’Artagnan, niet meer vroolijk en levendig, gelijk de twee vorige dagen, maar integendeel treurig en neerslachtig als de dood.

D’Artagnan vroeg het arme meisje, wat haar deerde; maar deze, in plaats van te antwoorden, haalde een brief uit haar zak en stelde hem dien ter hand. Die brief was door milady eigenhandig geschreven, maar nu was hij niet aan den heer de Wardes, maar wel degelijk aan d’Artagnan gericht. Hij opende en las:

„Waarde Heer d’Artagnan!

Het is niet fraai, zijn vrienden zoo te veronachtzamen, vooral op het oogenblik, dat men hen voor een geruime poos verlaat. Mijn schoonbroeder en ik hebben gisteren en eergisteren tevergeefs op u gewacht. Zal het evenzoo van avond wezen?

Uw zeer erkentelijke, Lady de Winter.”

D’Artagnan stelde haar zooveel mogelijk gerust en beloofde haar ongevoelig te blijven voor de verleidingsmiddelen van milady. Hij verzocht haar milady te verzekeren, dat hij vol dankbaarheid was voor haar goedheid en zich aan haar verlangen zou onderwerpen. Hij durfde niet schrijven, uit vrees van zijn geschrift voor zulke geoefende oogen, als die van milady, niet genoegzaam te kunnen veranderen.

Toen het negen uur sloeg, was d’Artagnan op het Koningsplein. Het was blijkbaar, dat de dienaars in de voorkamer verwittigd waren; want zoodra hij verscheen, en zelfs alvorens gevraagd te hebben of milady te huis was, diende een hunner hem al aan.

„Laat binnenkomen,” zeide milady kortaf, maar zoo luid, dat d’Artagnan het in de voorkamer hoorde. Men geleidde hem binnen.—„Ik ben voor niemand thuis,” zeide milady, „hoort gij? Voor niemand.”—De lakei vertrok.

D’Artagnan wierp een nieuwsgierigen blik op milady;

D’Artagnan naderde haar met zijn gewone beleefdheid. Zij deed een geweldige poging om hem te ontvangen, maar nooit loochende een meer ontsteld gelaat een meer bevalligen glimlach. Op de vragen, die d’Artagnan haar nopens haar gezondheid deed, antwoordde zij: „Slecht, zeer slecht!”—„Maar dan,” zeide d’Artagnan, „kom ik op een zeer ongelegen uur, en ik ga mij verwijderen, daar gij rust noodig hebt.”—„Neen, neen,” zeide milady, „integendeel, blijf, mijnheer d’Artagnan! uw aangenaam gezelschap zal mij verzetten.”

„Zij is nooit zoo bekoorlijk geweest,” dacht d’Artagnan; „laat ik op mijn hoede zijn.”

Milady nam de bevalligste houding aan, die zij kon en gaf de meeste bekoorlijkheid aan haar gesprek. Tegelijkertijd kwam de koorts, die haar voor een oogenblik had verlaten, den glans aan haar oogen, de kleur aan haar wangen, het karmijn aan haar lippen teruggeven. D’Artagnan hervond weer die Circé, welke hem reeds met haar betooveringen had omgeven. Milady glimlachte, en d’Artagnan voelde, dat hij zich door zoo een glimlach der verdoemenis zou wijden. Een oogenblik voelde hij iets als een wroeging, wegens hetgeen hij jegens haar had misdreven.

Van lieverlede werd milady spraakzamer.... Zij vroeg d’Artagnan, of hij in zijn hart een liefde had.—„Helaas!” zeide d’Artagnan, op de sentimenteelste wijze, die hem mogelijk was, „kunt gij week genoeg zijn, mij een dergelijke vraag te doen, aan mij, die, sinds ik u zag, slechts voor u en door u adem en zucht.”

Milady glimlachte op een zonderlinge wijze.—„Dus gij bemint mij?” vroeg zij.—„Moet ik het u zeggen, en hebt gij het niet reeds bespeurd?”—„Ja wel; maar gij weet, hoe fierder harten, hoe moeilijker te overwinnen.”—„O, de moeilijkheden schrikken mij niet af,” zeide

„Duivelsch!” dacht d’Artagnan, „de toon is veranderd. Zou zij, de wispelturige, op mij bij toeval verliefd zijn geworden en genegen zijn mij een anderen saffier te geven, gelijk aan dien, welken zij aan mij voor de Wardes gaf?”

„Laat hooren,” hernam milady; „wat zoudt gij doen, om die liefde te bewijzen, van welke gij spreekt?”—„Al wat men van mij zou verlangen. Op een bevel ben ik gereed.”—„Tot alles?”—„Tot alles!” riep d’Artagnan, die van te voren wist, dat hij niet veel waagde zich derwijze te verbinden.—„Welnu, praten wij dan eens,” zeide milady, haar leuningstoel nader bij dien van d’Artagnan schuivende.—„Ik luister, mevrouw!” zeide deze.

Milady bleef een oogenblik in gepeins verzonken en als besluiteloos; vervolgens een besluit genomen hebbende, zeide zij: „Ik heb een vijand.”—„Gij, mevrouw?” riep d’Artagnan, verwondering veinzende. „Is het mogelijk, mijn God! goed en schoon als gij zijt!”—„Een doodsvijand.”—„Waarlijk?”—„Een vijand, die mij heeft beleedigd, zoo gruwelijk beleedigd, dat er tusschen mij en hem een strijd op leven en dood is. Kan ik op u, als op een bondgenoot, rekenen?”—D’Artagnan begreep dadelijk het doel van het wraakzuchtig schepsel.—„Gij kunt het, mevrouw!” antwoordde hij met geestdrift. „Mijn arm en mijn leven behooren u, zoowel als mijn liefde.”—„Dan,” zeide milady, „dewijl gij even edelmoedig als beminnelijk zijt....”—„Welnu?” vroeg d’Artagnan.—„Welnu,” hernam milady na een oogenblik zwijgens, „spreek van nu aan van geen onmogelijkheid meer.”—„Verplet mij niet onder mijn geluk!” riep d’Artagnan, zich op de knieën werpende en met kussen de hand bedekkende, die hem werd overgelaten.

—„Wreek mij op den schandelijken de Wardes,” dacht milady, „en ik zal mij later van u ontslaan, dubbele dwaas! levende degenkling!”—

—„Ja, zeg nu maar, dat gij mij bemint, na mij schandelijk

D’Artagnan hief het hoofd op.—„Ik ben gereed,” zeide hij.—„Gij hebt mij dan begrepen, waarde heer d’Artagnan!” zeide milady.—„Eén blik is voor mij genoeg, om uw bedoelingen te raden.”—„Dus wilt gij uw arm, die zich reeds zooveel roem heeft verworven, ten mijnen dienste stellen?”—„Oogenblikkelijk.”—„En,” vroeg milady, „hoe zal ik ooit een dergelijken dienst kunnen beloonen?”—„Uw liefde is de eenige belooning, die ik begeer,” zeide d’Artagnan, „de eenige, die u en mij waardig is.”—„Baatzuchtige!” zeide zij glimlachende.—„Ach!” riep d’Artagnan, een oogenblik vervoerd door den hartstocht, welken die vrouw de gave had in zijn hart te doen ontbranden; „ach! maar uw liefde voor mij schijnt niet mogelijk, en vreezende ze als een droom te doen vervliegen, ben ik ongeduldig er de verzekering van uit uw mond te hooren.”—„Verdient gij dan reeds een dergelijke bekentenis?”—„Ik wacht uw bevelen,” zeide d’Artagnan.—„Oprecht?” vroeg milady, nog twijfelende.—„Noem mij den eerlooze, die uw schoone oogen heeft doen schreien.”—„Wie zegt u, dat ik geweend heb?” riep zij.—„Ik dacht....”—„Vrouwen, zooals ik, weenen niet,” hernam milady.—„Des te beter. Welaan, zeg mij hoe hij heet?”—„Bedenk, dat in zijn naam geheel mijn geheim ligt.”—„Ik moet nochtans zijn naam kennen?”—„Ja, dat moet gij: zie eens, of ik in u ook vertrouwen stel.”—„Gij vervult mij met vreugd. Hoe heet hij?”—„Gij kent hem.”—„Inderdaad?”—„Ja.”—„Hij is niet een mijner vrienden?” hernam d’Artagnan, eenige aarzeling veinzende, om aan zijn onwetendheid te doen gelooven.—„Indien het een uwer vrienden ware, zoudt gij dan aarzelen!” riep milady, en een dreigende bliksem schoot uit haar oogen.—„Neen, al ware het mijn broeder!” riep d’Artagnan in geestvervoering. Onze Gaskonjer ging verder, zonder iets te wagen, want hij wist

D’Artagnan was inderdaad dronken van blijdschap, en in zijn waanzin geloofde hij bijna aan de misdaad van de Wardes. Indien de Wardes op dat oogenblik onder zijn bereik ware geweest, zou hij hem gedood hebben. Milady maakte van de gelegenheid gebruik.—„Hij heet....” zeide zij op haar beurt.—„De Wardes, ik weet het,” viel d’Artagnan haar in de rede.—„En hoe weet gij dat?” vroeg milady, zijn beide handen vattende en door zijn oogen in het diepste van zijn ziel trachtende te lezen.

D’Artagnan begreep, dat hij zich overijld en een misslag begaan had.

„Spreek, spreek! maar spreek dan toch,” herhaalde milady. „Hoe weet gij het?”—„Hoe ik het weet? omdat gisteren de Wardes in een gezelschap, waar ik was, een ring toonde, dien hij zeide van u te hebben ontvangen.”—„De ellendeling,” riep milady.—Die scheldnaam vond, zooals men wel kan begrijpen, weerklank in het diepste van d’Artagnan’s hart.—„Welnu,” vervolgde zij.—„Welnu, ik zal u wreken, op.... dien ellendeling,” hernam d’Artagnan, zich aanstellende als Don Japhet van Armenië.—„Ik dank u, mijn dappere vriend!” riep milady. „En wanneer zal ik gewroken zijn?”—„Morgen, onmiddellijk, wanneer gij wilt.”

Milady was gereed uit te roepen: „Onmiddellijk!” Maar zij overwoog, dat een dergelijke overhaasting d’Artagnan niet zeer gevallig zou zijn. Bovendien moest zij duizenderlei voorzorgen nemen, duizenderlei raadgevingen aan haar verdediger geven, om te voorkomen,

„Morgen,” hernam d’Artagnan, „zult gij gewroken of ik dood zijn.”—„Neen,” zeide zij, „gij zult mij wreken, maar niet sterven. Ik weet dit zeker.”—„En hoe weet gij dat?”—„Wel, het schijnt, dat gij in den strijd met hem u niet over de fortuin te beklagen hebt gehad.”—„De fortuin is een wispelturige: gisteren mij gunstig, kan zij mij morgen verraden.”—„Hetgeen wil zeggen, dat gij nu aarzelt?”—„Neen, ik aarzel niet, God beware mij, maar....”—„Stil!” viel zij hem in de rede, „ik hoor mijn broeder; het is niet noodig, dat hij u hier vindt.”

Zij schelde. Ketty trad binnen.—„Ga deze deur uit,” zeide zij tot d’Artagnan, een kleine verborgene deur openende, „en keer te elf uur terug, dan zullen wij ons gesprek voortzetten. Ketty zal u bij mij binnenleiden.”—Het arme kind meende omver te vallen op het hooren dier woorden.—„Wel, wat doet gij daar, juffer! gij blijft daar staan als een beeld. Welaan, doe den ridder uitgeleide, en hedenavond te elf uur.... gij hebt het gehoord?”

„Het schijnt, dat haar samenkomsten steeds te elf uur plaats hebben,” dacht d’Artagnan, „dat is zeker een gewoonte.”—Milady reikte hem haar hand, die hij teederlijk kuste.

„Welaan,” dacht hij, zich verwijderende en nauwelijks op de verwijtingen van Ketty antwoordende, „welaan, laat ons niet dwaas zijn; het is uitgemaakt, die vrouw is een groote misdadigster. Laat ons op onze hoede zijn.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings