← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK XXI.

Reading edition

Een eerste dag van gevangenschap.

Keeren wij tot milady terug, die wij, door een blik op de kust van Frankrijk te werpen, voor een oogenblik uit het oog hebben verloren. Wij zullen haar in denzelfden wanhopigen toestand wedervinden, waarin wij haar hebben gelaten, en in een afgrond van sombere vertwijfeling verzonken; een donkere hel, voor wier deur zij bijna de hoop heeft verloren; want voor het eerst twijfelt, voor het eerst vreest zij.

In twee omstandigheden is haar de fortuin ontrouw geweest, in twee omstandigheden heeft zij zich ontdekt, verraden gevonden, en in die beide omstandigheden is zij bezweken tegenover den noodlottigen geest, ongetwijfeld door den Heere gezonden om haar te bestrijden.

D’Artagnan heeft haar overwonnen, zij, die onoverwinnelijke macht des boozen. Hij heeft haar in haar liefde misleid, in haar hoogmoed vernederd, in haar eerzucht bedrogen; en ziedaar, nu treft hij haar in haar fortuin, treft haar in haar vrijheid en bedreigt zelfs haar leven. Wat meer is, hij heeft een gedeelte van haar masker opgelicht, dat schild, waarmede zij zich bedekt, en dat haar zoo sterk maakt. D’Artagnan heeft van Buckingham, dien zij haat, zooals zij alles haat, wat zij eens heeft bemind, den storm afgewend, waarmede Richelieu hem in de persoon der koningin bedreigde. D’Artagnan heeft zich voor de Wardes doen doorgaan, voor wien zij de gloeiende liefdedrift eener tijgerin gevoelde, een drift, even onstuimig als dergelijke vrouwen die kunnen gevoelen. D’Artagnan kent dat vreeselijk geheim, hetwelk zij gezworen heeft, dat niemand zou kennen zonder te sterven. Ten slotte, op het oogenblik dat zij van Richelieu een volmacht ontvangt, met wier hulp zij zich op haar vijand zal wreken, wordt haar die volmacht ontrukt, en het is d’Artagnan, die haar gevangen houdt en haar naar de een of andere walgelijke Botanybay of schandelijke Tyburn van den Indischen

Daar zit zij onbeweeglijk en met gloeiende, strakke oogen in haar eenzaam vertrek; hoe wèl paren zich de uitbarstingen van het gesmoord gebrul, dat bijwijlen haar boezem ontglipt, aan het gedruisch der zich verheffende baren, die brullend, donderend als een eeuwige, onmachtige wanhoop tegen de rots uiteenspatten, op welke dit somber, trotsch kasteel gebouwd is. Hoe heerlijk schijnen haar de plannen van wraak, die zij, bij het licht der bliksemstralen, welke haar woedende gramschap haar in den geest doet zien, tegen juffrouw Bonacieux, tegen Buckingham, en vooral tegen d’Artagnan beraamt; maar die echter nog verborgen zijn in de donkere toekomst.

Ja, maar om zich te wreken, moet men vrij zijn, en om vrij te zijn, wanneer men gevangen is, moet men een muur doorbreken, traliën uitnemen, den grond doorgraven, al welke ondernemingen door een geduldigen, sterken man kunnen worden ten einde gebracht, maar voor welke de koortsachtige drift eener vrouw moet zwichten. Daarenboven wordt, om dit alles te doen, veel tijd vereischt.... maanden, jaren! en zij, zij heeft slechts tien of twaalf dagen, zooals lord de Winter heeft gezegd, haar broederlijke en vreeselijke cipier. En echter zou zij, een man zijnde, dit alles beproeven, en misschien zou zij slagen; waarom heeft de Hemel zich dan zoozeer vergist, door dien mannelijken geest in dat teedere, zwakke lichaam te doen huizen? Ook waren de eerste oogenblikken harer gevangenschap vreeselijk; en eenige stuiptrekkingen van razernij, welke zij niet kon overwinnen, hebben der natuur de schuld harer vrouwelijke

„Och! ik was dwaas mij zoo te vervoeren,” zegt zij, in den spiegel ziende, die aan haar oogen haar gloeienden blik terugkaatst, door welken zij zich zelve schijnt te ondervragen. „Geen geweld! geweld is een bewijs van zwakheid; en daarenboven, door dat middel is mij nooit iets gelukt. Misschien zou ik, indien ik mijn krachten jegens vrouwen aanwendde, kans hebben, ze nog zwakker dan ik te vinden, en ze bijgevolg kunnen overwinnen; maar het zijn mannen, waarmede ik worstel, en ik ben slechts een vrouw voor hen. Worstelen wij dus als een vrouw; mijn kracht is in mijn zwakheid.”

Toen, als om zich zelve te overtuigen, welke veranderingen zij aan haar zoo uitdrukkingsvol en edel gelaat kon geven, deed zij het achtereenvolgens allerlei uitdrukkingen aannemen, vanaf die des toorns, welke al haar trekken misvormde, tot aan die van den vriendelijksten, verleidelijksten glimlach. Eindelijk nam, onder haar behendige vingers, haar hoofdhaar al die krullingen aan, welke zij meende aan haar bekoorlijk gelaat meer schoonheid te zullen bijzetten, en lispte zij ten laatste over haar zelve tevreden: „Komaan! alles is nog niet verloren, ik ben steeds schoon.”

Het was ongeveer acht uur des avonds; milady bespeurde een bed; zij meende, dat rust gedurende weinige uren niet alleen haar hoofd en haar denkbeelden zoude verfrisschen, maar nog bovendien haar gelaatskleur. Onderwijl kwam in haar, alvorens te gaan slapen, een beter denkbeeld op. Zij had van een avondmaal hooren spreken. Reeds was zij één uur in dat vertrek, en men zou niet lang meer wachten haar eten te brengen. De gevangene wilde geen tijd verloren laten gaan, en zij besloot nog dienzelfden avond eenige pogingen aan te wenden, om het karakter te bestudeeren van hen, die haar moesten bewaken en dienen.

„Zet die tafel daar,” zeide een stem, welke de gevangene voor die van Felton herkende.—Het bevel werd volbracht.—„Gij moet kaarsen binnenbrengen en de schildwacht doen aflossen,” ging Felton voort; en dat dubbel bevel, dat de jonge luitenant denzelfden persoon gaf, bewees aan milady, dat haar dienaars dezelfde als haar bewakers waren, namelijk soldaten.

De bevelen van Felton werden overigens met een zwijgende snelheid uitgevoerd, welke een goed denkbeeld gaf van den staat, waarin hij de krijgstucht hield. Eindelijk wendde Felton, die milady nog niet had aangezien, zich tot haar.

„Ha! ha!” zeide hij, „zij slaapt. Goed, als zij ontwaakt, kan zij soupeeren.”—En hij deed eenige schreden om zich te verwijderen.—„Maar, luitenant!” zeide een minder ongevoelig soldaat dan zijn overste, en die milady was genaderd, „die vrouw slaapt niet.”—„Wat! slaapt zij niet?” riep Felton, „wat doet zij dan?”—„Zij ligt in onmacht; haar aangezicht is zeer bleek, en hoe ik ook luister, ik hoor haar ademhaling niet.”—„Gij hebt gelijk,” zeide Felton, na milady te hebben beschouwd van de plaats, waar hij stond, zonder één schrede haar te naderen. „Ga lord de Winter waarschuwen, dat zijn gevangene in zwijm ligt; want ik weet niet, wat ik doen moet; in dat geval is niet voorzien.”

De soldaat vertrok, om de bevelen zijns officiers te volbrengen. Felton ging op een stoel zitten, die bij toeval bij de deur stond, en wachtte zonder één woord te spreken en onbeweeglijk. Milady bezat die groote,

„Ha! zijt gij eindelijk ontwaakt, mevrouw!” zeide hij, „ik behoef dus hier niet meer te zijn. Als gij het een of ander mocht noodig hebben, kunt gij roepen.”—„Ach, mijn God! mijn God! wat heb ik geleden!” lispte milady, met die welluidende stem, welke, gelijk aan die der Sirenen, al diegenen bekoorde, welke zij wilde in het verderf storten.—En zij nam, zich in haar leuningstoel oprichtende, een houding aan nog bekoorlijker en ongedwongener dan die zij liggende had.

Felton stond op.—„Gij zult alzoo drie malen daags bediend worden, mevrouw!” zeide hij: „des morgens te negen uur, des namiddags te een uur, en des avonds te acht uur. Indien u zulks niet bevalt, kunt gij andere uren bepalen, dan die ik u voorstel, en omtrent dat punt zal men zich aan uw begeerte onderwerpen.”—„Maar zal men mij dan altijd geheel alleen in deze groote, treurige kamer laten?” vroeg milady.—„Een vrouw uit de omstreken is ontboden geworden, om voortaan in het kasteel te zijn, en telkens, wanneer gij haar tegenwoordigheid mocht verlangen, zal zij bij u komen.”—„Ik dank u, mijnheer!” antwoordde de gevangene nederig.—Felton maakte een lichte buiging en begaf zich naar de deur.

Op het oogenblik, dat hij den drempel zou overgaan, verscheen lord de Winter in de gang, gevolgd door den soldaat, die hem van de bezwijming van milady bericht

„Wel, wel! wat gebeurt er toch?” riep hij op spottenden toon, zijn gevangene overeind ziende en Felton gereed om te vertrekken. „Is die doode al weer verrezen? Goddam, Felton! mijn zoon! hebt gij dan niet opgemerkt, dat men u voor een schooljongen aanziet, en men het eerste bedrijf van een komediestuk speelt, waarvan wij zonder twijfel het pleizier zullen hebben al de verwikkelingen te kunnen volgen?”—„Ik twijfelde er aan, mylord!” antwoordde Felton; „maar dewijl de gevangene in alle geval een vrouw is, wilde ik jegens haar al de onderscheiding in acht nemen, welke ieder welopgevoed man aan een vrouw is verschuldigd, al is het dan niet voor haar, dan toch voor zich zelven.”

Milady liep een rilling door het gansche lichaam. Die woorden van Felton vloeiden als ijs door al haar aderen.

„Alzoo,” hernam de Winter lachende, „hebben dat fraaie hoofdhaar, zoo sierlijk ten toon gespreid, dat blanke vel en die smachtende blik uw steenen hart nog niet vermurwd?”—„Neen, mylord!” antwoordde de ongevoelige jongeling; „en geloof mij wel, er behoort meer toe dan gebaren en de koketterie eener vrouw, om mij te verleiden.”—„In dat geval, mijn brave luitenant! zullen wij milady iets anders laten zoeken en aan tafel gaan. Maar wees gerust, zij heeft een zeer vruchtbare verbeelding, en het tweede bedrijf van het tooneelspel zal spoedig het eerste volgen.”—En bij deze woorden stak de Winter zijn arm in dien van Felton en trok hem lachende voort.

„O! ik zal wel vinden, wat ik noodig heb,” mompelde milady binnensmonds; „wees gerust, arme, mislukte monnik! arme, bekeerde soldaat! die uw uniform uit een monnikspij hebt gesneden.”—„A propos, milady!” hernam de Winter, op den drempel der deur blijvende staan, „die teleurstelling moet u den eetlust niet ontnemen. Proef eens van dat hoen en dien visch, welke ik, op mijn eer, niet heb doen vergiftigen. Ik ben vrij

Dat was alles, wat milady kon verdragen. Haar handen sloten zich krampachtig om de leuning van haar stoel; dof knarsetandende volgde zij met haar oogen de beweging der deur, welke zich achter de Winter en Felton sloot, en toen zij alleen was, overviel haar een nieuwe, nog geweldiger wanhoop. Zij liet haar oogen op de tafel vallen, zag een mes glinsteren, sprong toe en greep het; maar haar teleurstelling was wreed, het lemmet was rond en van buigzaam zilver.

Een schaterend gelach klonk achter de niet geheel geslotene deur, die weder geopend werd.—„Ha! ha!” riep lord de Winter, „ha! ha! ha! ziet gij wel, mijn beste Felton! ziet gij wel, wat ik u heb voorzegd? Dat mes was voor u bestemd, mijn zoon! zij zou u vermoord hebben, hoort gij; een harer grillen is, zich op deze of gene wijze van de lieden te bevrijden, welke haar hinderen. Indien ik naar u geluisterd had, ware het mes puntig en van staal geweest en met Felton zou het dan gedaan zijn geweest; zij zou u gekeeld hebben, en na u ons allen. Zie maar eens, John! hoe ferm zij het mes houdt.”

Inderdaad, milady hield nog het onschadelijke wapen in haar krampachtige hand geklemd: maar die laatste woorden, die verregaande beleediging opende haar hand en ontspande haar krachten, ja zelfs haar wil. Het mes viel op den grond.

„Gij hebt gelijk, mylord!” zeide Felton op een toon van diepe walging, die in het diepste van het hart van milady weerklonk, „gij hebt gelijk, en ik was het, die ongelijk had.”—En beiden vertrokken opnieuw. Maar nu luisterde milady beter dan de eerste maal, en zij hoorde hun voetstappen zich verwijderen en eindelijk aan het einde van de gang geheel verdwijnen.

„Ik ben verloren!” mompelde zij; „nu ben ik in de macht van lieden, op welke ik niet meer vat heb dan

En waarlijk, zooals die laatste overweging, de werktuiglijke terugkeer tot de hoop, het aanduidde, bleven de vrees en het gevoel van zwakheid niet lang in die onpeilbare ziel bovendrijven. Milady zette zich aan tafel, at van verschillende gerechten, dronk een weinig Spaanschen wijn en voelde al haar stoutmoedigheid herleven.

Alvorens zich te bed te begeven, had zij reeds overwogen, ontleed, zich naar alle zijden omgekeerd en de woorden, gang, gebaren en teekens, ja zelfs het stilzwijgen harer bewakers in al hun deelen beschouwd; en uit deze diepe, doordachte en geleerde beschouwing had zij het besluit getrokken, dat Felton, alles bij elkander genomen, de minst onkwetsbare van beiden was.—Een woord vooral kwam telkens in de herinnering van milady weder op: „Indien ik naar u geluisterd had,” had lord de Winter tegen Felton gezegd.—Derhalve had Felton in haar voordeel gesproken, omdat lord de Winter naar Felton niet had willen luisteren.

„Hoe zwak of sterk ook,” herhaalde milady, „heeft die man echter een vonk van medelijden in zijn ziel. Van deze vonk zal ik een brand doen uitbreken, die hem zal verslinden. Wat den anderen betreft, deze kent, vreest mij, en weet, wat hij van mij te wachten heeft, indien ik ooit aan zijn handen ontsnap; het is dus nutteloos iets op hem te beproeven. Maar Felton, dat is iets anders, hij schijnt een onnoozel, rein en deugdzaam jongeling te zijn. Op dezen is het middel te beproeven, hem in het verderf te storten.”—En milady legde zich te bed en sliep met een glimlach op de lippen.

Iemand, die haar in dien slaap zou hebben gezien, had een jonge maagd meenen te zien, die aan den rozenkrans dacht, waarmede zij op het aanstaande feest haar hoofd zou bekronen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings