HOOFDSTUK XX.
Reading edition
Officier!
Onderwijl wachtte de kardinaal uit Engeland tijding, maar hij hoorde niets anders dan hetgeen onaangenaam en dreigend was; zoodat la Rochelle werd ingesloten; en hoe zeker de uitslag ook scheen te zijn, ten gevolge der genomen voorzorgen en vooral uit hoofde van den dijk, die geen enkel schip meer in de belegerde stad
De stad had, ondanks de ongelooflijke volharding van haar burgemeester, een soort van oproer beproefd en zich willen overgeven. De burgemeester had de muiters doen ophangen. Die strafoefening bekoelde de verhitte hoofden, die toen het besluit namen van honger te sterven; een dood, die altijd langzamer en minder zeker scheen dan die door verworging.
Van hun kant namen de belegeraars van tijd tot tijd boden der belegerden gevangen, die dezen tot Buckingham zonden; of spionnen, die Buckingham naar de belegerden zond. In beide gevallen was het vonnis spoedig geveld. De kardinaal sprak slechts één woord: „Hangen!” En dan noodigde men den koning om de hangpartij te komen zien. De koning kwam sukkelend aan, nam de beste plaats in, ten einde de strafoefening in haar geringste bijzonderheden te kunnen gadeslaan. Dat was ten minste voor hem een kleine uitspanning en deed hem de langdurigheid van het beleg geduldig aanzien. Toch belette zulks niet, dat hij zich schrikkelijk verveelde en onophoudelijk er van sprak naar Parijs terug te keeren, zoodat, indien boden en spionnen hadden ontbroken, Zijne Eminentie, ondanks zijn vindingrijkheid, zeer verlegen zou zijn geweest.
Intusschen vervloog de tijd en la Rochelle gaf zich niet over. De laatste spion, dien men gevat had, was in het bezit van een brief. Die brief gaf den hertog van Buckingham wel bericht, dat de stad tot het uiterste was gekomen; maar in plaats dat hierop zou zijn gevolgd: „indien gij ons binnen veertien dagen geen hulp zendt, zullen wij ons overgeven!” volgde er eenvoudig: „indien gij ons binnen veertien dagen geen hulp zendt,
De belegerden in la Rochelle stelden derhalve alleen hun hoop op Buckingham; Buckingham was hun Messias.... Het was blijkbaar dat, zoodra zij op zekere wijze zouden vernemen, dat er op Buckingham niet meer te rekenen was, de hoop met hun moed zou verdwijnen. De kardinaal wachtte daarom ook met groot ongeduld de tijding uit Engeland, die hem moest berichten, dat Buckingham niet zou komen. Het plan, om de stad stormenderhand in te nemen, dikwerf in des konings raad ter tafel gebracht, was steeds ter zijde gelegd. Vooreerst scheen la Rochelle onoverwinnelijk te zijn; vervolgens wist de kardinaal, wat hij er ook van mocht gezegd hebben, zeer goed, dat de afschuwelijke bloedvergieting bij zoodanige ontmoeting, waarin Franschen tegen Franschen moesten strijden, een achteruitgaande beweging van zestig jaren aan de staatkunde zou geven, terwijl de kardinaal op dat tijdstip, zooals men thans zegt, een man van vooruitgang was. En waarlijk, een inneming stormenderhand van la Rochelle en het vermoorden van twee of drie duizend Hugenooten, die zich het leven zouden hebben laten ontnemen, geleek te veel in 1628 op het bloedbad van den St. Bartholomeusnacht in 1572. Eindelijk leed dit uiterste middel, van hetwelk de koning als goed katholiek volstrekt niet afkeerig was, steeds schipbreuk op dezen grondslag der generaals van de belegeraars: La Rochelle is niet anders te overwinnen dan door hongersnood.
De kardinaal kon uit zijn gedachte de vrees niet verdrijven, welke zijn vreeselijke zendelinge hem verwekte; want ook hij begreep de zonderlinge eigenschappen dezer vrouw, die dan eens een slang, dan weder een leeuwin was. Had zij hem verraden? Was zij dood? Hij kende haar te goed, om niet in elk geval te weten dat, voor of tegen hem, vriendin of vijandin, zij niet zonder groote beletselen werkeloos zou blijven; maar van waar kwamen die beletsels? Daarvan kon hij zich geen denkbeeld vormen. Overigens rekende hij, en met
Hij ging voort den vermaarden dijk te voltooien, die la Rochelle moest doen uithongeren, terwijl hij intusschen het oog liet vallen op die rampzalige stad, die zooveel diepe ellende en zooveel heldendeugd besloot, en zich de woorden van Lodewijk XI, zijn staatkundigen voorganger, zooals hij zelf de voorganger van Robespierre was, herinnerende, herdacht hij die grondstelling van den peetvader van Tristan: „Verdeelen, om te heerschen.” Hendrik IV, Parijs belegerende, liet brood en mondbehoeften over de muren werpen. De kardinaal liet briefjes in de stad werpen, in welke hij de bewoners onder het oog bracht, hoe onrechtvaardig, baatzuchtig en barbaarsch hun opperhoofden waren. Die opperhoofden hadden koorn in overvloed en deelden het niet; zij hadden tot grondstelling, want ook zij hadden grondstellingen, dat het er niet op aan kwam, dat vrouwen, kinderen en grijsaards stierven, indien slechts de mannen, die de muren moesten verdedigen, sterk en gezond bleven. Tot hiertoe, hetzij uit machteloosheid om zich er tegen te verzetten, was die grondstelling, zonder algemeen te zijn aangenomen, van theorie in praktijk gebracht; maar die briefjes maakten er inbreuk op. Die briefjes herinnerden den mannen, dat die kinderen, die vrouwen en die grijsaards, welke men den dood wijdde, hun zonen, hun gaden, hun ouders waren; dat het rechtvaardiger zou zijn, dat iedereen in de algemeene ellende deelde, ten einde eenzelfde gesteldheid een eenparig besluit zou doen nemen.
Maar op het oogenblik dat de kardinaal reeds zijn middel zag vrucht dragen en zich geluk wenschte het in werking te hebben gesteld, wist een ingezetene van la Rochelle, die van Portsmouth kwam en God weet hoe, ondanks de driedubbele waakzaamheid van Bassompierre, van Schomberg en van den hertog van Angoulême, over wien wederom de kardinaal een waakzaam oog hield, de koninklijke wachtposten had weten door te komen, binnen de stad te geraken en verhaalde een prachtige vloot te hebben gezien, die binnen acht dagen gereed was onder zeil te gaan. Daarenboven berichtte Buckingham den burgemeester, dat eindelijk het groote bondgenootschap tegen Frankrijk zou worden tot stand gebracht, en dat het koninkrijk gelijktijdig door Engelsche, keizerlijke en Spaansche legers zou worden aangevallen. Die brief werd openlijk op alle pleinen voorgelezen, en men plakte afschriften er van aan alle hoeken der straten aan, en zelfs zij, die onderhandelingen hadden aangeknoopt, braken ze af, besloten die zoo spoedig beloofde hulp af te wachten.
Deze onverwachte omstandigheid vervulde opnieuw Richelieu met ongerustheid en dwong hem wederom zijn blik naar de overzijde der zee te richten.
Onderwijl leidde het koninklijk leger, voordeel trekkende van de onrust van zijn eenig en wezenlijk opperhoofd, een vroolijk leven; levensbehoeften ontbraken niet in het legerkamp, zoo min als geld. Al de korpsen wedijverden in moedbetoon en vroolijkheid; spionnen te vangen en ze op te hangen, gewaagde ondernemingen op den dijk of in zee ten uitvoer te brengen, dwaasheden te bedenken en die koelbloedig te bedrijven, dat waren de uitspanningen, die voor het leger de dagen zoo kort maakten, welke den belegerden zoo lang vielen, die door angst en gebrek verteerd werden, maar ook voor den kardinaal, die hen zoo nauw insloot. Het gebeurde wel eens, wanneer de kardinaal, altijd te paard als de geringste ruiter van het leger, zijn peinzenden blik over die naar zijn zin zoo langzaam voortgaande werken liet weiden, welke onder zijn bevelen door de ingenieurs, die hij van alle gedeelten van Frankrijk liet komen, werden uitgevoerd, het gebeurde wel eens, zeggen wij, dat hij een of anderen musketier
Op zekeren dag, verteerd door een doodelijk verdriet, zonder hoop op een onderhandeling met de stad, zonder tijding uit Engeland, was de kardinaal uitgegaan, zonder ander doel dan om uit te gaan, en alleen vergezeld van Cahussac en de la Houdinière. Het strand volgende en de veelomvattendheid zijner denkbeelden als aan de onmetelijkheid des oceaans parende, bereikte hij, zijn paard langzaam latende voortstappen, de kruin van een heuvel, van waar hij zeven mannen ontwaarde, die achter een heg op het gras onder een groep boomen voor de brandende zonnestralen beschut te midden van een hoop ledige flesschen lagen neergevlijd. Vier dezer mannen waren onze musketiers, die zich gereed hielden naar de voorlezing van een brief te luisteren, dien een hunner had ontvangen. De brief was zoo belangrijk, dat men trom, kaarten en dobbelsteenen had vergeten. De drie anderen waren bezig een ontzaggelijk groote dikbuikige flesch met Collioure wijn te ontkurken. Het waren de lakeien dier heeren.
De kardinaal, zooals wij gezegd hebben, was in een kwade luim, en niets, wanneer hij in die gesteldheid van geest was, maakte hem onvriendelijker dan de vreugd van anderen te zien. Daarenboven had hij de zonderlingheid te gelooven, dat juist de redenen zijner treurigheid het vermaak van anderen opwekte. Een teeken aan Cahussac en la Houdinière gevende van te blijven staan, steeg hij van zijn paard en naderde die ontijdige lachers, in de hoop door het zand, dat zijn voetstappen verdoofde, en de heg, die zijn nadering bedekte, eenige woorden te kunnen opvangen van dat gesprek, hetwelk hem zoo belangrijk scheen. Slechts op tien stappen van de heg herkende hij het Gaskonjische gebabbel van d’Artagnan, en dewijl hij reeds wist, dat die mannen musketiers waren, twijfelde hij er niet aan
Men oordeele of zijn begeerte om het gesprek te beluisteren door die ontdekking heviger werd; zijn oogen namen een zonderlinge uitdrukking aan, en sluipend als een tijgerkat naderde hij de heg; doch hij had nog niets anders dan eenige niets beteekenende woorden zonder zin kunnen hooren, toen een luid en kort geroep hem deed ontroeren en de aandacht der musketiers wekte.
„Officier!” riep Grimaud.—„Gij spreekt, geloof ik, kerel!” zeide Athos, zich op een elleboog ten halve oprichtende en Grimaud door zijn vlammenden blik doende verstijven. Grimaud voegde er dan ook geen woord meer bij en bepaalde er zich toe den wijsvinger in de richting der heg uit te strekken, door dat gebaar den kardinaal en zijn geleide aankondigende.
In één sprong waren de vier musketiers overeind en groetten eerbiedig. De kardinaal scheen woedend te zijn.
„Het lijkt, dat men bij de heeren musketiers waakzaam is; komt de Engelschman over land, of beschouwen de musketiers zich als hoofd-officieren?”—„Uwe Eminentie!” antwoordde Athos, want hij alleen had te midden der algemeene verwarring de kalmte en koelbloedigheid eens edelmans behouden, die hem nooit verlieten: „Eminentie! wanneer de musketiers geen dienst doen of zoo die geëindigd is, drinken en dobbelen zij en zijn voor hun lakeien zeer groote heeren.”—„Lakeien,” bromde de kardinaal, „lakeien, die het bevel hebben hun meesters te waarschuwen, wanneer iemand voorbijkomt; dat zijn geen lakeien, dat zijn schildwachten.”—„Uwe Eminentie ziet toch wel dat, indien wij deze voorzorg niet hadden genomen, wij Uwe Eminentie zouden hebben laten voorbijgaan, zonder u onzen eerbied te betuigen en te bedanken voor de ons bewezen goedheid van ons te hebben vereenigd, D’Artagnan!” vervolgde hij, „gij, die zooeven de gelegenheid wenschtet uw dankbaarheid aan Zijne
Die woorden werden met die onveranderlijke koelbloedigheid uitgesproken, die in oogenblikken van gevaar Athos zoozeer onderscheidde, en met die bovenmatige beleefdheid, welke hem, bij zekere gelegenheden, meer majesteit gaf dan menigen geboren koning. D’Artagnan trad nader en stamelde eenige woorden van dankbetuiging, die spoedig onder den somberen blik van den kardinaal verstomden.
„Het doet er niet toe, heeren!” ging de kardinaal voort, zonder den minsten schijn zijn aanvankelijk voornemen te laten varen, ondanks de wending, die Athos aan het gesprek had gegeven, „het doet er niet toe, ik wil niet, dat eenvoudige soldaten, omdat zij het voordeel genieten in een begunstigd korps te dienen, op die wijze den grooten heer vertoonen, terwijl de krijgstucht voor hen dezelfde als voor anderen is.”
Athos liet den kardinaal volkomen uitspreken, en zich buigende ten teeken van overtuiging, hernam hij op zijn beurt: „De krijgstucht, Uwe Eminentie! hoop ik, dat in geen geval door ons is uit het oog verloren. Wij doen op dit oogenblik geen dienst, en wij meenden buiten diensttijd over onzen tijd naar willekeur te kunnen beschikken. Indien wij nogmaals zoo gelukkig mochten zijn van Uwe Eminentie eenige bijzondere bevelen te ontvangen, zijn wij gereed te gehoorzamen. Uwe Eminentie ziet,” vervolgde Athos, de wenkbrauwen fronsende, want die ondervraging begon hem te vervelen, „dat wij, om dadelijk bij het minste onraad gereed te kunnen zijn, onze wapens hebben medegenomen.”—En hij wees den kardinaal de vier musketten, die tegen elkander gezet bij de trom stonden, op welke de dobbelsteenen en de kaarten lagen.—„Uwe Eminentie gelieve te gelooven,” voegde d’Artagnan er bij, „dat wij u tegemoet zouden zijn gekomen, indien wij hadden kunnen veronderstellen, dat Uwe Eminentie met een zoo klein geleide ons naderde.”
De kardinaal beet zich op zijn knevel en een weinig la Rochelle.”—„O, heeren staatkundigen!” hernam de kardinaal op zijn beurt de wenkbrauwen fronsende, „men zou misschien in uw hersenen het geheim van vele dingen vinden, indien men er in lezen kon als in dien brief, welken gij verborgt, toen gij mij zaagt naderen.”
Een blos overdekte het gelaat van Athos; hij trad Zijne Eminentie een schrede nader.—„Men zou zeggen, dat gij ons waarlijk verdenkt, Uwe Eminentie! en wij een werkelijk verhoor ondergaan. Als dat zoo is, dat Uwe Eminentie dan zoo goed zij zich te verklaren, wij zullen dan ten minste weten, waaraan wij ons te houden hebben.”—„En indien het al een verhoor moge zijn,” hernam de kardinaal, „anderen dan gij hebben dit ondergaan, mijnheer Athos! en hebben geantwoord.”—„Daarom zeide ik ook tot Uwe Eminentie, dat gij ons slechts te ondervragen hadt en wij bereid waren te antwoorden.”—„Wat is dat voor een brief, dien gij wildet lezen, mijnheer Aramis! doch dien gij hebt verborgen?”—„Die brief is van een vrouw, Uwe Eminentie!”—„Ja, ik begrijp, die soort van brieven vereischen geheimhouding; maar men mag ze toch wel aan een biechtvader vertoonen, en gij weet, ik heb de wijding ontvangen.”—„Uwe Eminentie!” hernam Athos met een kalmte, die des te vreeselijker was, daar hij zijn hoofd waagde met derwijze te antwoorden, „Uwe Eminentie! die brief is van een vrouw, maar hij is niet geteekend Marion Delorme, noch mevrouw de Combalet, noch mevrouw de Chaulnes.”14)
„Kom, kom,” zeide hij, „gij zijt brave jongelieden, trotsch bij het zonlicht, in de duisternis, en het kan geen kwaad zich zelven goed te bewaken, wanneer men anderen zoo goed bewaakt. Mijne heeren! ik heb den nacht niet vergeten, toen gij mij tot geleide strektet bij mijn gang naar den Rooden Duiventoren. Indien er nu eenig gevaar bestond op den weg, dien ik zal volgen, zou ik u verzoeken mij te vergezellen; maar dewijl zulks het geval niet is, kunt gij blijven, waar gij zijt, uw flesschen ledigen, uw partij en uw briefwisseling eindigen. Vaartwel, mijne heeren!”
En het paard bestijgende, dat Cahussac hem had gebracht, groette hij hen met de hand en vertrok.
De vier jongelieden, overeind en onbeweeglijk staande gebleven, volgden hem met hun blikken zonder een woord te spreken, totdat zij hem uit het gezicht hadden verloren. Toen zagen zij elkander aan, allen waren ontsteld; want ondanks het vriendelijk vaarwel van Zijne Eminentie, begrepen zij, dat de kardinaal met de woede in zijn hart vertrokken was. Alleen Athos grimlachte trots en verachtelijk. Toen de kardinaal buiten het bereik der stem en uit het oog was, riep Porthos, die groote begeerte had zijn kwade luim op iemand te doen neerkomen: „Die Grimaud heeft al zeer laat geroepen.”
Grimaud wilde antwoorden om zich te verontschuldigen; Bastille zich voor uw oogen verhief, en de reusachtige Medusakop u in steenblokken had veranderd. Wel, is het samenzweren, wanneer men verliefd is! Gij zijt verliefd op een vrouw, die de kardinaal heeft doen opsluiten; gij wilt haar den kardinaal ontrukken; dat is een partij, die gij met Zijne Eminentie speelt. Die brief is uw spel. Waarom zoudt gij nu uw spel openleggen? Laat hij het raden! Wij raden wel het zijne.”—„Het is waar, Athos! wat gij zegt is zeer juist.”—„Welnu, laat er dan van het gebeurde geen sprake meer zijn, en laat Aramis de lezing van den brief zijner nicht voortzetten, waar die door de komst van den kardinaal werd afgebroken.”
Aramis haalde den brief uit zijn zak; de drie vrienden naderden hem en de drie lakeien begaven zich in een groep rondom de Damejeanne.
„Gij hebt slechts een paar regels voorgelezen,” zeide d’Artagnan, „begin dus den brief van voren aan.”—„Gaarne,” zeide Aramis.
„Waarde neef!
„Ik geloof, dat ik er toe zal besluiten naar Béthune te vertrekken, waar mijn zuster onze kleine dienstmaagd in het Karmelieten-klooster heeft doen gaan. Het arme kind heeft zich onderworpen; zij weet, dat zij niet elders kan zijn, zonder dat het heil harer ziel gevaar loopt. Intusschen, wanneer onze familiezaken zich naar wensch schikken, geloof ik, dat zij het wagen zal te zondigen, en zij tot hen zal terugkeeren, die zij beweent; te meer daar zij weet, dat men steeds aan haar denkt. Onderwijl is zij niet al te gelukkig; al wat zij begeert is een brief van haar aanstaande. Ik weet wel, dat dergelijke zaken moeilijk door de tralies kunnen; maar in alle geval, zooals ik u reeds heb bewezen, waarde neef! ben ik tamelijk slim, en ik belast mij met uw boodschap. Mijn zuster dankt u voor uw hartelijke en blijvende herinnering; zij is eenigen tijd zeer ongerust geweest; maar thans is zij eenigszins gerustgesteld, daar zij haar klerk naar ginds heeft doen vertrekken, opdat er niets onverwachts plaats hebbe.
„Vaarwel, waarde neef! schrijf ons zoo dikwijls mogelijk, namelijk telkens, wanneer gij meent zulks met zekerheid te kunnen doen.—Ik omhels u.
Marie Michon.”
„Ach! hoeveel ben ik u niet verschuldigd, Aramis?” riep d’Artagnan. „Lieve Constance! Eindelijk heb ik tijding van haar. Zij leeft, zij is in zekerheid in een klooster; zij is te Béthune, Athos?”—„Wel, op de grenzen van Artois en Vlaanderen. Wanneer eenmaal het beleg zal zijn geëindigd, kunnen wij derwaarts een reisje doen.”—„En het zal niet lang meer duren,” zeide Porthos; „want men heeft dezen morgen nog een spion gehangen, die verklaarde, dat de belegerden reeds aan het leder hunner schoenen waren begonnen. In de veronderstelling nu, dat zij, na het bovenleder te hebben gegeten, aan de zolen zullen beginnen, zie ik Bordeaux ledigende, die, hoewel destijds niet zoo beroemd zijnde als thans, het echter niet minder verdiende. „Arme dwazen! alsof de katholieke godsdienst niet de voordeeligste en de aangenaamste aller godsdiensten ware. Om het even,” hernam hij, na zijn tong tegen zijn verhemelte te hebben doen klappen, „zij zijn trouwe en dappere lieden.... Maar wat duivel doet gij toch, Aramis?” vervolgde Athos, „bergt gij den brief weder in uw zak?”—„Ja,” zeide d’Artagnan, „Athos heeft gelijk, men moet hem verbranden. En daarenboven, wie weet of de kardinaal niet een geheim bezit om in de asch te kunnen lezen.”—„Hij moet er een hebben,” zeide Athos.—„Maar wat wilt gij met den brief doen?” vroeg Porthos.—„Kom hier, Grimaud!” riep Athos.
Grimaud stond op en naderde.—„Om u te straffen zonder verlof gesproken te hebben, mijn vriend, zult gij dat papier inslikken; en vervolgens, om u voor den dienst te beloonen, dien gij ons bewezen hebt, kunt gij daarna dit glas wijn ledigen. Ziedaar vooreerst den brief, kauw hem goed.”—Grimaud glimlachte, de oogen op het glas houdende, dat Athos boordevol had geschonken; hij kauwde het papier en slikte het door.—„Bravo! mijnheer Grimaud!” zeide Athos, „en nu drink uit. Gij behoeft mij niet te danken.”
Grimaud dronk een glas Bordeaux-wijn leeg; maar zijn naar den hemel gerichte oogen spraken gedurende die liefelijke bezigheid een taal, die, hoewel stom, niet minder welsprekend was.—„En nu,” zeide Athos, „althans indien de kardinaal niet het verstandig denkbeeld mocht koesteren, om Grimaud den buik te doen openen, geloof ik, dat wij ten naasten bij gerust kunnen zijn.”
Onderwijl zette Zijne Eminentie zijn treurige wandeling voort, in zijn baard mompelende: „Onvoorwaardelijk, die vier mannen moeten de mijne zijn.”