← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK IV.

Reading edition

Des nachts zijn alle katten grijs.

De door Porthos en d’Artagnan zoo ongeduldig verwachte avond genaakte eindelijk.—D’Artagnan vertoonde zich als gewoonlijk tegen negen uur ten huize van milady. Hij vond haar in een heerlijke luim; nooit had zij hem zoo goed ontvangen. Onze Gaskonjer

D’Artagnan beschouwde beurtelings die twee vrouwen, en hij was gedwongen zich zelven te bekennen, dat de natuur, haar vormende, zich bedrogen had: aan de voorname dame had zij een lage, valsche ziel gegeven; aan de kamenier daarentegen een beminnend en trouw hart geschonken.

Te tien uur begon milady eenige ongerustheid te doen blijken; d’Artagnan raadde zeer goed, wat zulks beteekende, zij zag op de pendule, stond op, ging weer zitten en glimlachte d’Artagnan toe op een wijze, die te kennen gaf: „Gij zijt zeer beminnelijk, maar gij zoudt nog beminnelijker zijn, indien gij u verwijderdet.”

D’Artagnan stond op en nam zijn hoed; milady gaf hem haar hand te kussen. De jongeling bespeurde, dat zij die drukte en begreep, dat zulks ontstond uit een gewaarwording, niet van koketterie, maar van erkentelijkheid wegens zijn vertrek.—„Zij bemint hem tot dolwordens toe!” mompelde hij.

Ketty wachtte hem niet in de voorkamer, noch in de gang, noch aan de koetspoort. D’Artagnan moest zich alleen naar de trap en de kleine kamer begeven. Ketty zat met haar handen voor de oogen en weende. Zij hoorde d’Artagnan binnenkomen, maar zij richtte het hoofd niet op. De jongeling trad naar haar toe en nam haar handen; toen barstte zij in gesnik uit.

Zooals d’Artagnan vermoedde, had milady, toen zij den brief ontving, dien zij meende het antwoord van den graaf de Wardes te zijn, in de dronkenschap harer vreugd alles aan de kamenier verhaald; vervolgens had zij haar, ter belooning voor de wijze op welke zij dezen

D’Artagnan schrikte over de verandering van haar gelaat. Zij vouwde de handen op een smeekende wijze, maar zonder één woord te durven spreken. Hoe weinig gevoelig d’Artagnan’s hart ook was, voelde hij zich verteederd door deze stomme smart; doch hij was te zeer gehecht aan zijn plannen, en vooral aan het laatste, om iets in zijn voornemens te veranderen; hij gaf aan Ketty niet de minste hoop van zijn roekelooze onderneming te zullen afzien, die hij besloten had ten uitvoer te brengen; alleen stelde hij haar die voor zooals zij werkelijk was, namelijk: als een eenvoudige wraakneming op milady voor haar koketterie en als het eenige middel, dat hem overbleef, om van haar, door vrees voor schande, de verlangde bekentenissen nopens juffrouw Bonacieux te verkrijgen. Dit plan was overigens te gemakkelijker uit te voeren, daar milady, uit hoofde van redenen welke men zich niet kon verklaren, maar die van veel gewicht schenen, Ketty had aanbevolen al de lichten van haar vertrek, zelfs die in de kamer der kamenier, uit te dooven.

Na verloop van een oogenblik hoorde men milady zich in haar slaapkamer begeven. D’Artagnan verborg zich daarop haastig in zijn kast. Nauwelijks was hij er in, of de schel klonk. Ketty keerde tot haar meesteres terug, maar liet de deur niet open; het beschot was echter zoo dun, dat men bijna alles hoorde, wat er tusschen beide vrouwen werd gezegd.

Milady scheen dronken van vreugd; zij liet zich door Ketty de minste bijzonderheden der vermeende samenkomst van de kamenier met den graaf de Wardes herhalen; op welke wijze hij den brief had ontvangen, hoe hij had geantwoord, hoe de uitdrukking van zijn gezicht was geweest, of hij verliefd scheen; en bij al

Dewijl eindelijk het uur harer samenkomst met den graaf naderde, deed milady inderdaad al het licht in haar kamer uitdooven en gelastte Ketty naar haar kamer terug te keeren en den heer de Wardes, zoodra deze zou komen, binnen te leiden.

Het wachten van Ketty was van geen langen duur. Nauwelijks had d’Artagnan door het sleutelgat der deur de donkerheid bespeurd, waarin de kamer was gedompeld, of hij trad uit zijn schuilplaats op hetzelfde oogenblik dat Ketty de gemeenschapsdeur sloot.

„Wat beteekent dat leven?” vroeg milady.—„Ik ben het,” zeide d’Artagnan half zacht, „ik, graaf de Wardes.”—„O, mijn God! mijn God!” lispte Ketty, „hij heeft niet eens het door hem zelf bepaalde uur kunnen afwachten.”—„Welnu,” zeide milady met een bevende stem, „waarom komt hij niet binnen? Graaf! graaf!” voegde zij er bij, „gij weet wel, dat ik u wacht.”

Op dezen roep verwijderde d’Artagnan zachtjes Ketty en trad de kamer van milady binnen.

Indien woede en smart een ziel kunnen folteren, dan is het die van den minnaar, die onder een vreemden naam liefdesbetuigingen ontvangt, welke voor zijn begunstigden mededinger zijn bestemd. D’Artagnan was in een door hem niet voorzienen, smartelijken toestand; de jaloezie knaagde hem aan het hart, en hij leed bijna evenveel als de arme Ketty, die op dat oogenblik in de aangrenzende kamer weende.

„Ja, graaf!” zeide milady, zoo zacht mogelijk een zijner handen in de hare drukkende; „ja, ik ben gelukkig door de liefde, welke uw blikken en uw woorden mij telkens uitdrukten, wanneer wij elkander ontmoetten. Ook ik bemin u. O! morgen, morgen wil ik een pand van u, dat mij ten bewijze zal strekken, dat gij aan mij denkt;—en daar gij mij zoudt kunnen vergeten, ziedaar.”—En zij stak een ring aan den vinger van d’Artagnan,

De eerste beweging van d’Artagnan was, haar dien terug te geven; maar milady voegde er bij: „Neen, neen, bewaar dien ring ter liefde van mij. Gij bewijst mij daarenboven, door dien aan te nemen,” ging zij met een bewogene stem voort, „een grooteren dienst dan gij u kunt verbeelden.”

„Die vrouw is vol geheimen,” dacht d’Artagnan.—Op dat oogenblik was hij op het punt alles te openbaren. Hij opende den mond, om milady te zeggen wie hij was, en met welk een wraakzuchtig doel hij was gekomen, maar zij hernam: „Arme engel! dien dat monster van een Gaskonjer bijna het leven heeft ontnomen.”—Hij was dat monster.—„Ach!” vervolgde milady, „lijdt gij nog aan uw wonde?”—„Ja, nog zeer veel,” zeide d’Artagnan, die niet wist wat te antwoorden.—„Wees gerust,” lispte milady op een niet zeer geruststellenden toon voor haar hoorder, „ik, ik zal u wreken, en gruwelijk wreken.”

„Duivelsch,” dacht d’Artagnan bij zich zelven, „het oogenblik mijner bekentenis is nog niet gekomen.”

D’Artagnan had eenige oogenblikken noodig om zich van die korte samenspraak te herstellen; al de denkbeelden van wraak, die hij had medegebracht, waren volkomen vervlogen. Die vrouw oefende op hem een ongelooflijke macht uit: hij haatte en aanbad haar tevens; hij had nooit gedacht, dat twee zoo tegenstrijdige gevoelens in hetzelfde hart konden wonen en, met elkander vereenigd, een zonderlinge, in zeker opzicht duivelachtige liefde konden vormen.

Intusschen was het reeds één uur geworden; het was tijd te scheiden. D’Artagnan, op het oogenblik van milady te verlaten, voelde niets anders meer dan een hevig leedwezen zich van haar te moeten verwijderen, en onder het hartstochtelijkst vaarwel, dat men elkander van weerszijden deed, werd er nog voor de volgende week een nieuwe samenkomst bepaald.

De arme Ketty hoopte eenige woorden aan d’Artagnan

Den volgenden dag begaf d’Artagnan zich naar Athos. Het avontuur, waarin hij was betrokken, was zoo zonderling, dat hij hem om raad wilde vragen. Hij verhaalde hem alles. Athos fronste eenige keeren de wenkbrauwen.

„Uw milady schijnt mij een allerlaagst schepsel te zijn; maar gij hebt niettemin ongelijk gehad, haar te misleiden. Gij hebt u hierdoor op de een of andere wijze een vijand gemaakt.”—Ondertusschen beschouwde Athos met aandacht den saffier met diamanten omzet, die aan den vinger van d’Artagnan de plaats van den ring der koningin had ingenomen, welken laatste hij zorgvuldig in een kistje had geborgen.—„Gij beziet dien ring?” zeide de Gaskonjer, trotsch, voor de blikken zijner vrienden een zoo rijk geschenk ten toon te kunnen spreiden.—„Ja,” zeide Athos, „hij herinnert mij een familie-juweel.”—„Hij is fraai, niet waar?” vroeg d’Artagnan.—„Heerlijk!” antwoordde Athos; „ik wist niet, dat er twee saffieren van die fraaiheid bestonden. Hebt gij dien voor uw diamant verruild.”—„Neen, het is een geschenk van mijn schoone Engelsche, of liever, van mijn schoone Fransche; want, hoewel ik het haar niet heb gevraagd, ben ik zeker, dat zij in Frankrijk is geboren.”—„Hebt gij dien ring van milady?” riep Athos met een stem, in welke het gemakkelijk was een diepe ontroering te bemerken.—„Uit eigen beweging heeft zij mij dien hedennacht gegeven.”—„Laat mij dien ring eens zien?” zeide Athos.—„Hier is hij,” antwoordde d’Artagnan, hem van zijn vinger nemende.

Athos beschouwde hem met nog meer aandacht en werd zeer bleek: vervolgens paste hij hem aan den ringvinger van zijn linkerhand; hij paste aan dien vinger, alsof hij er voor gemaakt was. Een wolk van toorn en wraak vertoonde zich op het gewoonlijk zoo kalme voorhoofd van den edelman.

Clarick gekomen zijn? En echter is het bijna niet mogelijk, dat er tusschen twee juweelen een zoo groote gelijkenis bestaat.”—„Kent gij dien ring?” vroeg d’Artagnan.—„Ik meende hem te herkennen,” zeide Athos, „maar ik heb mij vergist.”—En hij gaf hem aan d’Artagnan terug, zonder echter zijn oog er van af te wenden.

„Wees zoo goed, d’Artagnan!” zeide hij na een kort oogenblik, „doe dien ring van uw vinger, of keer den steen naar binnen; hij herinnert mij zooveel vreeselijks, dat mijn hoofd er niet toe zoude staan om met u te spreken.... Kwaamt gij mij niet om raad vragen, en zeidet gij mij niet, dat gij in verlegenheid waart omtrent hetgeen gij doen moet? maar wacht eens, geef mij dien saffier nog eens; degene, welken ik bedoel, moet aan een der zijden door een of ander toeval beschadigd zijn.”

D’Artagnan trok opnieuw den ring van zijn vinger en gaf dien aan Athos weder. Athos ontroerde.

„Zie, zie,” zeide hij, „is het niet zonderling?”—En hij toonde d’Artagnan den schrap, welken hij zich herinnerde te bestaan.—„En van wien hadt gij dien saffier, Athos?”—„Van mijn moeder, die hem van haar moeder had gekregen. Zooals ik u zeide, is het een oud juweel, dat nooit uit de familie moest gaan.”—„En gij hebt het.... verkocht?” vroeg d’Artagnan aarzelende.—„Neen,” hernam Athos met een zonderlingen glimlach; „in een verliefd oogenblik gaf ik den ring, zooals hij u is gegeven.”

D’Artagnan bleef op zijn beurt in gedachten verzonken. Hij meende in het leven van milady afgronden te zien, welker diepten donker en vreeselijk waren. Hij stak den ring niet aan zijn vinger, maar in zijn zak.

„Luister!” zeide Athos, zijn hand vattende, „gij kent de vriendschap, die ik u toedraag, d’Artagnan! indien ik een zoon had, zou ik hem niet meer beminnen dan u; welnu, geloof mij, zie af van die vrouw; ik ken haar niet, maar een soort van ingeving zegt mij, dat het een verloren schepsel, en er iets noodlottigs in haar

En Athos groette d’Artagnan met een hoofdknik, als iemand die wil te kennen geven, dat het hem niet onaangenaam zou zijn, alleen met zijn gedachten te blijven.

Te huis komende, vond d’Artagnan Ketty, die hem wachtte. De koorts gedurende een maand kon het arme kind niet meer hebben veranderd dan één uur van jaloezie en smart had gedaan. Zij was door haar meesteres naar den graaf de Wardes gezonden. Haar meesteres was krankzinnig van liefde en dronken van vreugd; zij wilde weten, wanneer de graaf haar een nieuw bezoek zou komen brengen. En de arme Ketty, bleek en bevende, wachtte op het antwoord van d’Artagnan.

Athos had een grooten invloed op den jongeling. De raad van zijn vriend, gevoegd bij de gevoelens van zijn eigen hart en de herinnering aan juffrouw Bonacieux, die hem slechts zelden verliet, hadden hem doen besluiten, thans, nu zijn hoogmoed was voldaan, milady niet weer te zien. Zijn antwoord bestond eenvoudig in een pen te nemen en den volgenden brief te schrijven, dien hij evenmin teekende als den vorigen:

„Reken niet op mij, mevrouw! sedert ik hersteld ben, heb ik aan zoovele afspraken van dien aard te voldoen, dat ik genoodzaakt ben er zekere orde in te stellen. Als het uw beurt is, zal ik de eer hebben u er kennis van te geven. Ik kus u de hand.”

Van den saffier geen enkel woord: de Gaskonjer wilde hem tot nader orde behouden en hem tot een

D’Artagnan gaf den open brief aan Ketty, die hem aanvankelijk las zonder dien te begrijpen, en bijna het verstand verloor bij het herlezen er van. Ketty kon aan dat geluk niet gelooven; d’Artagnan was verplicht haar mondeling de verzekering te geven, welke de brief haar in geschrift gaf. Welk gevaar, met het oog op het driftige karakter van milady, het arme kind ook liep, door haar meesteres dat briefje ter hand te stellen, snelde zij desniettemin zoo hard zij kon naar het Koningsplein.

Het hart der goedaardigste vrouw is onmeedoogend voor de smart eener medeminnares. Milady opende den brief met een overhaasting, gelijk die van Ketty, om haar denzelven te bezorgen; maar bij de eerste woorden die zij las, verbleekte zij, en zij verkreukte het papier; vervolgens wendde zij zich met bliksemende oogen tot Ketty.

„Wat beteekent die brief?” vroeg zij.—„Wel, dat is het antwoord op dien van mevrouw,” antwoordde Ketty bevende.—„Onmogelijk!” hernam milady, „onmogelijk, dat een edelman een dergelijken brief aan een vrouw kan schrijven.”—Vervolgens riep zij eensklaps uit:—„Mijn God! zou hij weten....”—En zij zweeg al bevende. Haar tanden knarsten; zij was lijkkleurig. Zij wilde een schrede naar het venster doen om lucht te scheppen, maar zij kon slechts den arm uitstrekken, de krachten ontbraken haar en zij viel op een leuningstoel.

Ketty meende, dat zij in onmacht viel, en snelde toe om haar corset los te maken. Maar milady stond haastig op.—„Wat wilt gij?” zeide zij, „en waarom slaat gij de hand aan mij?”—„Ik meende, dat mevrouw zich niet wel bevond en wilde haar te hulp komen,” antwoordde de kamenier, geheel verschrikt door de

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings