← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK III.

Reading edition

Waarin wordt gehandeld over de uitrusting van Aramis en Porthos.

Sedert de vier vrienden, elk voor zich, op hun uitrusting jacht maakten, bestond er geen bepaalde samenkomst meer tusschen hen: men nam het middagmaal afzonderlijk, waar men zich bevond, of liever, men ontmoette elkander, waar men kon. Ook de dienst

Men had alleen bepaald, eenmaal in de week bij elkander te komen, en wel te één uur in het huis van Athos, aangezien deze, volgens zijn eed, den drempel zijner deur niet wilde overschrijden.

Het was juist de dag der samenkomst, dat Ketty bij d’Artagnan was geweest. Nauwelijks was Ketty vertrokken, of d’Artagnan begaf zich naar de straat Férou. Hij vond Athos en Aramis philosofeerende; Aramis was eenigszins geneigd om het priesterkleed weer aan te trekken. Athos, volgens gewoonte, raadde hem dit niet aan of af. Athos wilde aan iedereen zijn vrijen wil laten. Hij gaf nooit een raad, dan wanneer men hem dien vroeg, en dan moest men dit nog wel tweemaal doen.—Gewoonlijk vraagt men alleen raad om dien niet te volgen, of om, indien men hem heeft gevolgd, aan iemand te kunnen verwijten, dien te hebben gegeven.

Porthos trad een oogenblik na d’Artagnan binnen. De vier vrienden waren dus voltallig. De vier gezichten drukten vier verschillende gevoelens uit: dat van Porthos gerustheid, dat van d’Artagnan hoop, dat van Aramis bekommering, dat van Athos onverschilligheid.

Nadat het gesprek eenige oogenblikken had geduurd, en Porthos te kennen had gegeven, dat een hooggeplaatste dame zich wel had willen belasten hem uit zijn verlegenheid te redden, trad Mousqueton binnen. Hij kwam Porthos verzoeken naar huis te komen, waar, zeide hij met een allerbedroefdst gezicht, zijn tegenwoordigheid werd vereischt.

„Is het mijn uitrusting?” vroeg Porthos.—„Ja en neen,” antwoordde Mousqueton.—„Maar wat wilt gij dan zeggen?”—„Kom, mijnheer!”

Porthos stond op, groette zijn vrienden en volgde Mousqueton.

Een oogenblik later verscheen Bazijn voor de deur.

„Wat wilt gij, mijn vriend?” zeide Aramis op dien zachten toon, welken hij aannam, telkens wanneer Tours kom.’”—„Van Tours? Ik kom!” riep Aramis. „Duizendmaal verschooning, heeren! maar die man brengt mij ongetwijfeld het nieuws, waarop ik wacht.”—En opstaande verwijderde hij zich haastig.

Nu bleven Athos en d’Artagnan alleen.

„Ik geloof, dat die snaken hun zaak hebben gevonden.... Wat denkt gij er van, d’Artagnan?” vroeg Athos.—„Ik weet, dat Porthos op den goeden weg is,” zeide d’Artagnan, „en wat Aramis betreft, om u de waarheid te zeggen, ik ben omtrent hem nooit ernstig ongerust geweest. Maar gij, mijn waarde Athos! gij, die zoo edelmoedig de pistolen van den Engelschman hebt uitgedeeld, die uw rechtmatig eigendom waren, wat zult gij doen?”—„Ik ben zeer tevreden dien snaak gedood te hebben, aangezien hij de dwaze nieuwsgierigheid had, mijn waren naam te willen kennen; maar indien ik mij van zijn pistolen had meester gemaakt, zouden zij mij als een wroeging op de ziel drukken.”—„Och kom, mijn waarde Athos! gij hebt waarlijk een te ver gaande kieschheid.”—„Spreken wij over iets anders. Wat zeide mijnheer de Tréville, die mij gisteren de eer deed mij te komen bezoeken, over uw verdachte verkeering met die Engelschen, die door den kardinaal worden beschermd.”—„Dat is te zeggen, dat ik een Engelsche vrouw bezoek, dezelfde van wie ik u heb gesproken.”—„O ja, die blonde vrouw, omtrent welke ik u een raad gegeven heb, dien gij u natuurlijk wel gewacht zult hebben te volgen.”—„Ik heb u mijn redenen gezegd. Ik heb de zekerheid verkregen, dat

Wij zullen de twee vrienden verlaten, die elkander weinig bijzonders hadden te zeggen, om Aramis te volgen.

Op het bericht, dat de man, die hem wilde spreken, van Tours kwam, zagen wij, met welke haast de jongeling Bazijn gevolgd, of liever vooruit was gesneld; hij deed op die wijze slechts één sprong van de straat Férou in de straat van Vaugirard. Te huis komende, vond hij werkelijk een man van een kleine gestalte, met geestige oogen, doch overigens in lompen gekleed.

„Zijt gij het, die naar mij hebt gevraagd?” vroeg de musketier.—„Dat is te zeggen, dat ik den heer Aramis wensch te spreken; zijt gij het, die dus heet?”—„Ik zelf, hebt gij mij iets ter hand te stellen?”—„Ja, indien gij mij zekeren geborduurden zakdoek vertoont.”—„Hier is hij,” zeide Aramis, een sleutel uit zijn borst halende en daarmede een klein ebbenhouten, met paarlemoer ingelegd kistje openende. „Hier is hij, ziedaar.”—„Goed,” zeide de bedelaar, „verwijder uw lakei.”

Want Bazijn, nieuwsgierig te weten wat de bedelaar van zijn meester verlangde, had zijn schreden naar die van hem geregeld en was bijna even spoedig als zijn meester aangekomen. Maar deze haast baatte hem niet veel. Op het verzoek van den bedelaar gaf zijn meester hem een wenk te vertrekken, en hij was wel genoodzaakt te gehoorzamen.

Toen Bazijn vertrokken was, wierp de bedelaar een snellen blik rondom zich, ten einde zeker te zijn, dat niemand hem zien of hooren kon, en toen zijn gescheurd buis openende, dat door een lederen riem kwalijk werd toegehouden, begon hij het bovenste van zijn gewaad los te tornen, waaruit hij een brief haalde. Aramis slaakte een kreet van vreugde op het zien van het zegel, kuste het schrift en met een bijna godsdienstigen

„Vriend, het lot wil, dat wij voor een zekeren tijd nog gescheiden blijven; maar de schoone dagen der jeugd zijn niet voor altijd verloren.... Doe uw plicht in het leger, ik doe den mijne elders. Neem, hetgeen brenger dezes u zal ter hand stellen; ga ten oorlog als een schoon en goed edelman, en denk aan mij. Vaarwel! of liever tot weerziens.”

De bedelaar bleef steeds voortgaan met zijn buis los te tornen; hij haalde een voor een uit zijn kleederen honderd vijftig dubbele Spaansche pistolen, welke hij op tafel telde; vervolgens opende hij de deur, groette en vertrok, zonder dat de verbaasde jongeling hem een woord had durven toespreken.—Toen herlas Aramis den brief en bemerkte, dat dezelve een postscriptum had:

„P.S. Gij kunt den brenger met alle onderscheiding ontvangen; hij is graaf en grande van Spanje.”

„O, gouden droomen!” riep Aramis, „o, wat heerlijk leven. Ja, wij zijn nog jong! Ja, wij zullen nog gelukkige dagen genieten.... O, voor u! voor u mijn liefde, mijn bloed, mijn leven! Alles, alles, alles voor mijn schoone minnares!”—En hij kuste den brief hartstochtelijk, zonder zelfs eens naar het goud te zien, dat op tafel blonk.

Bazijn krabde aan de deur; Aramis had geen reden meer hem op een afstand te houden, hij veroorloofde hem dus binnen te komen. Bazijn ontstelde op het gezicht van al dat goud en vergat, dat hij d’Artagnan moest aandienen, die, nieuwsgierig te weten wie de bedelaar was, na Athos verlaten te hebben, naar Aramis was gegaan. En dewijl d’Artagnan geen plichtplegingen met Aramis maakte, diende hij zich zelven aan, daar Bazijn zulks scheen te vergeten.

„Wel duivelsch, mijn waarde Aramis!” zeide d’Artagnan, „indien dat de pruimen zijn, die men u van Tours zendt, moet gij den tuinier, die ze plukt, mijn compliment maken.”—„Gij bedriegt u, mijn waarde!” zeide Aramis, steeds even geheimhoudend, „ze zijn van mijn boekverkooper, die mij den prijs zendt van dat éénlettergrepig dichtstuk, dat ik ginds begonnen was.”—„Waarlijk?” zeide d’Artagnan, „inderdaad, uw boekverkooper is gul, mijn waarde Aramis! dat is al wat ik u kan zeggen.”

„Hoe is het mogelijk, heeren!” riep Bazijn, „brengt een dichtstuk zooveel geld op! Ach, mijnheer! gij doet al wat gij wilt; gij zult de heeren Voiture en de Benserade op zijde streven.... O, ik houd veel van dichtkunde. Een dichter is bijna een priester.... Ach, mijnheer Aramis! wordt toch poëet, ik bid u.”—„Bazijn, mijn vriend, ik geloof, dat gij u in het gesprek mengt.”—Bazijn begreep, dat hij ongelijk had, hij boog het hoofd en vertrok.

„Zoo,” zeide d’Artagnan, „het schijnt dat gij uw voortbrengselen tegen hun gewicht aan goud verkoopt? Gij zijt wel gelukkig, mijn vriend! maar wees voorzichtig, gij zult den brief verliezen, die uit uw buis steekt en die zeker ook van uw boekverkooper is.”

Aramis bloosde tot in het wit der oogen, stak den brief dieper in zijn buis en knoopte het dicht.

„Mijn waarde d’Artagnan!” zeide hij. „Als gij wilt, zullen wij onze vrienden gaan bezoeken, en dewijl ik rijk ben, zullen wij, heden te beginnen, weer samen het middagmaal nemen, in afwachting dat gij op uw beurt rijk zult worden.”—„Waarlijk,” zeide d’Artagnan, „dat is niet te weigeren. Het is lang geleden, dat wij een behoorlijk middagmaal hebben genoten, en daar ik heden avond een min of meer gewaagde onderneming moet ten uitvoer brengen, zou het mij niet onaangenaam zijn, dat beken ik, mij met eenige flesschen ouden Bourgogne het hoofd wat op te winden.”—„Goed, het zal oude Bourgogne zijn, ik verfoei ze ook niet,” zeide Aramis, die, op het gezicht van goud, elke gedachte aan afzondering liet varen. En na drie of vier dubbele pistolen in zijn zak te hebben gestoken, om in de dadelijke

Beide vrienden begaven zich eerst naar Athos, die, getrouw aan zijn eed van niet uit te gaan, zich belastte ten zijnent het middagmaal te doen bezorgen. Daar hij zich wonderwel verstond op het aanrechten van een gastmaal, maakten d’Artagnan en Aramis geen de minste moeilijkheid, om hem dien gewichtigen last op te dragen. Vervolgens begaven zij zich naar Porthos, toen zij aan den hoek der straat du Bac Mousqueton ontmoetten, die in bedroefde houding een muilezel en een paard voor zich uitdreef.

D’Artagnan slaakte een kreet van verwondering, waaraan eenig gevoel van blijdschap niet te miskennen was.—„Wel, daar is mijn geel paard!” riep hij, „bezie eens dat paard.”—„O, wat leelijke vos!” zeide Aramis.—„Welnu, mijn waarde!” hernam d’Artagnan, „dat is het paard, waarop ik te Parijs ben gekomen.”—„Wat, kent mijnheer dat paard?” vroeg Mousqueton.—„Het heeft al een zeer vreemde kleur,” zeide Aramis; „van mijn leven heb ik zulk haar niet gezien.”—„Dat geloof ik wel,” zeide d’Artagnan; „ik heb er daarom ook drie kronen voor gekregen, en zulks moet wel voor het haar geweest zijn, want het rif is waarachtig geen achttien franken waard. Maar hoe komt dat paard in uw bezit, Mousqueton?”—„Ach!” zeide de knecht, „spreek er mij niet van, mijnheer! dat is een afschuwelijke trek van den man onzer hertogin.”—„Hoe dat, Mousqueton?”—„Wel ja, een zeer voorname dame, de hertogin, heeft op ons een zeer goed oog.... maar ik vraag u om verschooning; mijn meester heeft mij geheimhouding bevolen. Zij had ons gedwongen, een kleine gedachtenis aan te nemen: een voortreffelijken Spaanschen hengst en een Andalusischen muilezel; wonderen om te zien. Maar de echtgenoot is er achter gekomen; hij heeft in het voorbijgaan de beide heerlijke dieren, die men ons zond, in beslag genomen, Pardieu! hoewel ik gaarne Porthos op mijn geel paard had gezien. Dat zou mij een denkbeeld hebben gegeven, hoe ik, te Parijs komende, er uitzag. Maar houden wij u niet op, Mousqueton! ga de boodschap uws meesters doen, ga. Is hij te huis?”—„Ja, mijnheer!” zeide Mousqueton, „maar ik verzeker u, hij is in een zeer slechte luim.”

En hij vervolgde zijn weg in de richting der kade van de Grands Augustins, terwijl beide vrienden aan de deur van den rampzaligen Porthos schelden. Deze had hen de plaats zien overgaan, maar hij wachtte er zich wel voor, hun te openen. Zij schelden dus tevergeefs.

Intusschen vervolgde Mousqueton zijn weg; de Pont Neuf overgaande en steeds de twee bonken voor zich uitdrijvende, bereikte hij de Berenstraat. Daar gekomen bond hij, ingevolge het bevel zijns meesters, het paard en den muilezel aan den klopper der deur van den procureur; vervolgens, zonder zich over hun toekomstig lot te bekreunen, keerde hij naar Porthos terug en gaf dezen kennis van de volvoering zijner opdracht.

Na verloop van eenigen tijd begonnen de twee ongelukkige dieren, die sedert des ochtends niet meer hadden gegeten, een zoo verschrikkelijk geweld te maken, door den klopper op te heffen en dan weer te laten vallen, dat de procureur aan zijn loopjongen het bevel gaf, in de buurt te gaan onderzoeken, aan wien dat paard en die muilezel behoorden. Mevrouw Coquenard herkende haar geschenk, begreep aanvankelijk niets van deze terugbezorging; maar dra verklaarde het bezoek van Porthos haar zulks. De gramschap, die in de oogen des musketiers blonk, ondanks de moeite die hij deed zich in te houden, beangstigde de gevoelige minnares. En inderdaad, Mousqueton had zijn meester niet verheeld, dat hij d’Artagnan en Aramis had ontmoet, Parijs was gekomen, en dien hij voor drie kronen had verkocht.

Porthos vertrok, na met de procureursvrouw een samenkomst in het klooster van St. Magloire te hebben afgesproken. De procureur, ziende dat Porthos zich verwijderde, verzocht hem ten eten, welke uitnoodiging Porthos met een majestueuze houding van de hand wees.

Mevrouw Coquenard begaf zich bevende naar het klooster St. Magloire, want zij voorzag de verwijtingen, die haar wachtten; maar zij was als betooverd door de goede manieren van Porthos. Al wat een in zijn eigenliefde gekwetste man van vervloekingen en verwijtingen op het hoofd eener vrouw kan doen neervallen, liet Porthos op het gebogen hoofd der procureursvrouw neerkomen.—„Helaas!” zeide zij, „ik heb ten beste gehandeld. Een onzer klanten is paardenkooper; hij was aan het kantoor geld schuldig, maar toonde zich onwillig; ik heb toen dat paard en dien muilezel genomen voor hetgeen hij ons schuldig was. Hij had mij twee koninklijke dieren beloofd.”—„Welnu, mevrouw!” zeide Porthos, „indien hij u meer dan vijf kronen schuldig was, dan is uw paardenkoopman een dief.”—„Het is niet verboden, zoo goedkoop mogelijk te koopen, mijnheer Porthos!” zeide de procureursvrouw, zich trachtende te verontschuldigen.—„Neen, mevrouw! maar zij, die zoo goedkoop trachten te koopen, moeten anderen veroorloven, edelmoediger vrienden te zoeken.”—En Porthos, zich op zijn hiel omdraaiende, deed een stap om zich te verwijderen.

„Mijnheer Porthos! mijnheer Porthos!” riep de procureursvrouw, „ik heb ongelijk, ik beken het: ik had niet moeten dingen, waar het de uitrusting van een edelman zooals gij zijt gold.”

Porthos, zonder te antwoorden, deed een tweeden stap. De procureursvrouw verbeeldde zich hem te zien in een schitterende wolk, omringd van hertoginnen en markiezinnen, die zakken vol goud voor zijn voeten wierpen.

De procureursvrouw hing aan den arm van Porthos, en in de hevigheid harer smart riep zij: „Mijnheer Porthos! ik weet volstrekt niets van het gebeurde; weet ik iets van het paard! heb ik kennis van het tuig!”—„Gij moest het aan mij hebben overgelaten, die er mede bekend ben, mevrouw! maar gij hebt willen bezuinigen en derhalve op woekerwinst willen leenen.”—„Hierin heb ik ongelijk gehad, mijnheer Porthos! maar ik zal het herstellen, op mijn woord van eer.”—„En op wat wijze?” vroeg de musketier.—„Luister! heden avond gaat mijnheer Coquenard den hertog de Chanlais spreken, die hem heeft doen roepen. Die samenkomst zal ten minste twee uur duren; kom dus, wij zullen alleen zijn en kunnen dan onze rekening opmaken.”—„Zoo is het goed, dat heet ik spreken, mijn lieve.”—„Zult gij mij vergiffenis schenken?”—„Wij zullen zien,” antwoordde Porthos majestueus.—En scheidende herhaalden beiden: „Tot van avond?”

„Duivelsch!” dacht Porthos, zich verwijderende, „het schijnt, dat ik de geldkist van den heer Coquenard begin te naderen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings