HOOFDSTUK XXV.
Reading edition
Vijfde dag van gevangenschap.
Intusschen had milady een halve zegepraal behaald, en dit voordeel verdubbelde haar krachten. Het was niet moeilijk mannen te overwinnen, zooals zij zulks tot hiertoe had gedaan, die gemakkelijk te verleiden waren, en wier loszinnige hofopvoeding hen spoedig in den strik deed vallen; milady’s schoonheid verrukte de zinnen, terwijl zij daarbij listig genoeg was al haar zielsgebreken te verbergen. Maar nu had zij te worstelen tegen een woesten aard, die, in zich zelven gekeerd, door verregaande strengheid ongevoelig was; godsdienstijver en boetedoening hadden van Felton een voor gewone verleidingsmiddelen ongenaakbaren dweper gemaakt. Hij koesterde in zijn verhitte hersenen zulke uitgebreide plannen, zulke verwarde voornemens, dat er geen plaats meer voor de liefde overbleef; voor dien hartstocht, dat gevoel door werkeloosheid gevoed, door verdorring uitgebreid.... Milady had dus met haar schijndeugd op de geaardheid van een tegen haar ingenomen man, en door haar schoonheid op het hart en de zinnen van een oprecht rein man inbreuk gemaakt. Eindelijk had zij de kracht leeren kennen van tot hiertoe zelfs aan haar onbekende middelen, door haar proefneming op het onwilligste schepsel, dat ooit natuur en godsdienst aan haar studie had overgegeven. Nochtans had zij gedurende den avond meermalen aan het lot en aan zich zelve gewanhoopt. Zij riep God niet aan, want, wij weten het, zij vertrouwde op den geest des kwaads, op dien onbegrensden heerscher, die zijn macht in de geringste bijzonderheden des levens doet gelden, en voor wien één granaatkorrel, zooals in de Arabische fabel, voldoende is om een verloren wereld weder te voorschijn te brengen.
Milady, goed op de ontvangst van Felton voorbereid, kon nu haar strikken voor den volgenden dag spannen; zij wist, dat haar nog slechts twee dagen overbleven,
Zooals alle inderdaad met geest begaafden, wist milady den middenweg te houden, die voor haar natuur en haar hulpmiddelen het meest geschikt was. De armoede was haar een walging, de vernedering verminderde haar grootheid op een derde gedeelte. Milady was alleen een koningin te midden van koninginnen; aan haar heerschzucht wilde zij het genot van voldanen hoogmoed voegen. Minderen te gebieden was eerder een vernedering dan een groot genot voor haar. Zeker zou zij uit haar ballingschap terugkeeren, hieraan twijfelde zij geen oogenblik, maar hoe lang zou die ballingschap wel duren? Voor een werkzamen en eerzuchtigen geest, als die van milady, zijn dagen, die niet besteed worden, verloren dagen. Hoe dan die dagen te noemen, welke men in vernedering doorbrengt! Een, twee, drie jaren te verliezen! dat is een eeuwigheid. Na den dood, of misschien na de ongenade van den kardinaal terug te komen, terug te komen wanneer d’Artagnan en zijn vrienden gelukkig en zegevierend van de koningin de belooning hadden verkregen, die zij zoo wèl verdienden voor de door hen bewezene diensten, dit waren van die verterende gedachten, die een vrouw als milady niet kon verduren. Trouwens de storm, die in haar woedde, verdubbelde haar krachten, en zij zou de muren van haar gevangenis hebben doen bersten, indien haar
Wat haar vervolgens onder dat alles het meest prikkelde, was de herinnering aan den kardinaal; wat moest hij denken, wat moest de kardinaal van haar stilzwijgen zeggen? hij, die zoo wantrouwend, zoo ongerust, zoo kwaaddenkend was? de kardinaal, niet alleen haar eenige steun, haar eenigste toeverlaat en beschermer in het tegenwoordige, maar bovendien het voornaamste werktuig harer toekomstige fortuin en wraak? Zij kende hem; zij wist, dat bij haar terugkomst na een vruchtelooze reis zij hem tevergeefs over haar gevangenschap zou onderhouden en met die spottende kalmte van den door kracht en genie machtigen ongeloovige zou antwoorden: „Gij hadt u niet moeten laten vangen.” Toen verzamelde milady al haar geestkracht, bij zich zelve den naam van Felton mompelende, hij, het eenigste licht dat tot haar in die hel binnendrong, waarin zij was gevallen, en als een slang, die zich heen en weer kronkelt om haar krachten te beproeven, zoo wikkelde zij reeds bij voorbaat Felton in de duizenderlei bochten harer vindingrijke verbeelding.
Intusschen vervloog de tijd; de klok kondigde in regelmatige volgorde het eene uur na het andere aan, terwijl elke slag van den metalen klepel als op het hart der gevangene geweldig neerviel. Te negen uur bracht lord de Winter haar het gewoon bezoek, onderzocht de vensters en de tralies, betastte den vloer en den wand, beschouwde den schoorsteen en de deuren, zonder dat gedurende dat langdurig en nauwkeurig onderzoek hij of milady één woord spraken. Ongetwijfeld begrepen beiden, dat hun wederzijdsche gesteldheid te ernstig was geworden, om den tijd in nuttelooze woorden en doelloozen toorn te verbeuzelen.
„Komaan,” zeide de baron, haar verlatende, „dezen nacht zult gij ten minste nog niet ontsnappen.”
Te tien uur plaatste Felton een schildwacht voor de deur. Milady herkende reeds zoo goed zijn stappen, als een minnares, die haar innig geliefden minnaar
Daar dit het uur der afspraak niet was, kwam Felton niet binnen. Twee uren later, op het oogenblik dat de klok middernacht sloeg, werd de schildwacht afgelost. Nu was het uur daar. Ook wachtte milady van af dat oogenblik met ongeduld. De nieuwe schildwacht begon in de gang op en neer te wandelen.
„Luister,” zeide de jongeling tot den schildwacht, „verwijder u onder hoegenaamd geen voorwendsel van deze deur, want gij weet, dat den vorigen nacht een soldaat door mylord gestraft is geworden wegens het voor een oogenblik verlaten van zijn post, en echter was ik het, die gedurende zijn korte afwezigheid in zijn plaats op wacht heb gestaan.”—„Ja, dat weet ik,” zeide de soldaat.—„Ik beveel u dus de grootste waakzaamheid. Ik,” voegde hij er bij, „ga voor de tweede maal de kamer dier vrouw onderzoeken, die, zooals ik vrees, noodlottige plannen tegen zich zelve beraamt, en welke mij gelast is geworden nauwkeurig te bewaken.”
„Goed,” mompelde milady, „ziedaar de nauwgezette Puritein, die al begint te liegen.”
Wat den soldaat betreft, deze glimlachte een weinig.—„Duivelsch, luitenant!” zeide hij, „gij zijt zoo ongelukkig niet een dergelijken last ontvangen te hebben.”—Felton bloosde. In elke andere omstandigheid zou hij den soldaat hebben berispt, die zich zoodanige scherts veroorloofde, maar zijn geweten sprak te luide dan dat zijn mond zou hebben durven spreken.—„Indien ik roep,” zeide hij, „moet gij komen; daarentegen wanneer men komt, moet gij mij roepen.”—„Ja, luitenant!” antwoordde de soldaat.
Felton trad de kamer van milady binnen. Milady stond van haar stoel op.—„Zijt gij daar?” zeide zij.—„Ik had u beloofd te komen, en ik ben gekomen.”—„Gij hebt mij nog iets anders beloofd.”—„Wat dan? mijn God!” zeide de jongeling, die ondanks zijn zelfbeheersching zijn knieën voelde knikken en het zweet zijn voorhoofd bevochtigen.—„Gij hebt mij beloofd
Felton nam het mes en legde het op tafel, zooals hij met zijn gevangene was overeengekomen. Milady volgde hem met haar blik en maakte een vergenoegd gebaar.
„Thans, luister nu....”—De aanbeveling was overbodig; de jonge officier stond overeind voor haar, naar haar woorden wachtende als wilde hij ze verslinden.—„Felton!” sprak milady met een treurige plechtigheid. „Felton! indien uw zuster, de dochter van uw vader, tot u zeide: ‚Nog jong en tot mijn ongeluk tamelijk schoon zijnde, lokte men mij in een valstrik; ik bood tegenstand, men omringde mij met nog meer lagen en gewelddadigheden, ik bleef weerstand bieden; men hoonde den godsdienst, dien ik beleed, den God, dien ik aanbid, omdat ik ter mijner hulp dien God en dat
Milady zweeg, een bittere glimlach zweefde op haar lippen.—„En wat heeft men eigenlijk gedaan?” vroeg Felton.—„Op zekeren avond besloot men dien weerstand, welken men niet kon overwinnen, krachteloos te maken; op zekeren avond mengde men onder mijn drinkwater een krachtig slaapmiddel; nauwelijks had ik mijn avondmaal genuttigd, of ik voelde van lieverlede een ongewonen slaaplust mij overweldigen; hoewel geen wantrouwen koesterende, vervulde mij echter een onbepaalde vrees, en ik trachtte mij tegen den slaap te verzetten; ik stond op, ik wilde mij naar het venster begeven, om hulp roepen, maar mijn beenen weigerden mij hun dienst, het scheen mij of de zoldering neerkwam en mij onder haar zwaarte verplette; ik strekte de armen uit, ik trachtte te spreken, maar kon slechts eenige doffe klanken voortbrengen; een onweerstaanbare verdooving maakte zich van mij meester, ik hield mij aan een leuningstoel vast, voelende dat ik zou vallen, maar dra was deze steun ontoereikend voor mijn zwakke armen, ik viel op de eene knie, vervolgens op de tweede; ik wilde bidden, God hoorde of zag mij zeker niet, en ik gleed op den grond, ten prooi aan een slaap, die den dood geleek. Van al den tijd, dien deze slaap duurde, blijft mij niet de minste herinnering over, het eenige, wat ik mij herinner is, dat ik ontwaakte in een rondvormige kamer, met prachtig huisraad voorzien, waar het daglicht slechts door een opening in de zoldering binnendrong. Overigens scheen geen enkele deur toegang tot deze kamer te verleenen, en geleek zij op een schitterende gevangenis. Het duurde lang, alvorens ik mij rekenschap kon geven van de plaats, waar ik mij bevond, en van al de bijzonderheden, die ik aanhaal; mijn geest scheen vruchteloos te worstelen tegen den donkeren nevel van dien slaap, welken ik niet van mij kon afschudden; ik had een flauw denkbeeld
„De eerlooze,” mompelde Felton.
„O ja, de eerlooze!” riep milady, de belangstelling ziende, welke de jonge officier, wiens ziel aan haar lippen scheen te hangen, in dit zonderling verhaal stelde, „o ja, de eerlooze! hij meende, dat het voldoende was mij in mijn slaap te hebben doen ontvoeren om zijn oogmerk te bereiken, hij kwam in de hoop, dat ik mijn oneer zoude aannemen, dewijl mijn schande voltooid was; hij kwam mij zijn fortuin voor het bezit van mijn hart aanbieden. Al wat het hart eener vrouw van trotsche verachting en hoonende woorden kan bevatten, stortte ik op dien man uit; ongetwijfeld was hij aan dergelijke verwijtingen gewoon, want bedaard glimlachende en met over de borst gekruiste armen hoorde hij mij aan; vervolgens, toen hij meende dat ik geëindigd had, naderde hij om mijn hand te vatten, maar ik ijlde naar de tafel, greep een mes en richtte het op mijn borst.
„‚Wanneer gij een schrede nadert,’ zeide ik tot hem, ‚dan zult gij, behalve mijn onteering, mijn dood u te verwijten hebben.’
„‚Uw dood?’ zeide hij, ‚ach neen! gij zijt een al te lieve gevangene om te kunnen veroorloven u op die wijze te verliezen. Vaarwel, mijn allerschoonste! ik zal u opnieuw bezoeken, wanneer gij in een betere stemming zult zijn.’
„Op die woorden liet hij een gefluit hooren, de vuurbol, die mijn kamer verlichtte, steeg omhoog en verdween. Ik bevond mij weder in de duisternis. Hetzelfde gerucht eener geopend en gesloten wordende deur werd een oogenblik daarna gehoord; de vurige bol daalde opnieuw en ik bevond mij alleen. Dat was een vreeselijk oogenblik; indien mij nog eenige twijfel omtrent mijn ongeluk overbleef, was die twijfel nu in een wanhopige zekerheid veranderd; ik was in de macht van een man, dien ik niet alleen verfoeide, maar dien ik verachtte, van een man, die mij reeds een noodlottig bewijs had gegeven van wat hij durfde ondernemen.”
„Maar wie was dan die man?” vroeg Felton.
Milady antwoordde niet op die vraag, maar ging met haar verhaal voort.
„Ik bracht den nacht op een stoel door, bij het minste gerucht opspringende, want omstreeks middernacht ging de lamp uit en ik bevond mij wederom in duisternis; de nacht ging echter zonder een nieuwe verschijning van mijn vervolger voorbij; de dag brak aan, de tafel was verdwenen, maar het mes hield ik nog in mijn hand. In dat mes was geheel mijn hoop.... Ik was van vermoeidheid uitgeput; de slapeloosheid deed mijn oogen gloeien; ik had geen oogenblik mij aan den slaap durven overgeven. De dag stelde mij eenigszins gerust; ik wierp mij op mijn bed, zonder mij van het mes te ontdoen, dat ik onder mijn hoofdkussen verborg. Toen ik ontwaakte, stond er wederom een gedekte tafel. Nu gevoelde ik, ondanks mijn angst, een hevigen honger; het was toen acht en veertig uren geleden, dat ik niet het minste somnambulisme, dat mij het bewustzijn deed behouden
Felton werd akelig bleek en een stuipachtige rilling doorliep zijn gansche lichaam.
„En het verschrikkelijkste,” vervolgde milady met ontroerde stem, alsof zij nog den angst ondervond van dat ontzettend oogenblik, „was, dat ik het gevaar kende, dat mij bedreigde; dat mijn ziel, indien ik mij dus kan uitdrukken, in mijn slapend lichaam waakte, dat ik hoorde, dat ik zag; wel is waar was zulks als in den droom, maar juist daarom te verschrikkelijker. Ik zag de lamp oprijzen en mij van lieverlede in de duisternis laten. Vervolgens hoorde ik dat mij welbekende gerucht der deur, hoewel die deur slechts twee malen was geopend geworden. Ik voelde inwendig, dat men mij naderde; men zegt, dat de rampzalige verdwaalde in de wouden van Amerika op die wijze de slang voelt naderen.... Ik wilde een poging doen, ik trachtte te schreeuwen; zelfs door een ongeloofelijke krachtsinspanning richtte ik mij omhoog, maar het was om onmiddellijk weder neer te vallen.”
„Maar zeg mij toch, wie uw vervolger was!” riep de jonge officier.
Milady zag met een enkelen blik al de smart, die zij Felton veroorzaakte, door op elke bijzonderheid van haar verhaal te drukken; zij wilde hem geen de minste foltering sparen. Hoe dieper zij hem in het hart zou treffen, zooveel te zekerder zou hij haar wreken. Zij ging dus opnieuw voort, alsof zij zijn uitroep niet gehoord had, of dat zij meende dat het oogenblik niet was gekomen om er op te antwoorden: „Ik hoorde hem, toen hij mij zag, uitroepen: ‚Die ellendige Puriteinen! ik wist wel, dat zij hun beulen tergden, maar ik meende, dat zij minder sterk jegens hun verleiders waren.’”
„Tot mij zelve komende,” hernam milady, „was mijn eerste beweging onder dat hoofdkussen het mes te zoeken, dat ik niet had kunnen bereiken: indien het niet ter verdediging had gediend, kon het echter nog tot uitwissching der misdaad dienen. Maar, Felton! dit mes opnemende, kwam een vreeselijk denkbeeld in mij op. Ik heb gezworen u alles te zeggen en ik zal het doen; ik heb u de waarheid beloofd, ik zal u die zeggen, al moest die tot mijn verderf strekken.”
„Het denkbeeld verrees in u!” riep Felton, „u op dien man te wreken, niet waar?”
„Welnu, ja!” zei milady, „dat denkbeeld paste een Christenvrouw niet, dat weet ik; ongetwijfeld blies de eeuwige vijand onzer ziel mij dit in. Kortom, wat zal ik u zeggen, Felton!” zeide milady, op den toon eener vrouw, die zich van een misdaad beschuldigt,—„dat denkbeeld kwam in mij op en verliet mij niet meer. Het is misschien voor deze moorddadige gedachte, dat ik thans de straf onderga.”
„Ga voort, ga voort!” zeide Felton, „ik verlang met ongeduld u tot de wraak te zien komen.”
„O, ik nam mij voor die zoo spoedig mogelijk te vervullen, ik twijfelde niet, of hij zou den volgenden nacht terugkomen; gedurende den dag had ik niets te vreezen. Ook toen het uur van het ontbijt gekomen was, aarzelde ik niet te eten en te drinken, daar het mijn voornemen was den schijn aan te nemen, alsof ik mijn avondmaal nuttigde, zonder echter iets te gebruiken; ik wilde alzoo door het voedsel des ochtends het vasten van den avond vergoeden. Ik verborg een glas water, dat ik van mijn ontbijt had gespaard, daar de dorst mij het meest had doen lijden, toen ik acht en veertig uren zonder eten of drinken was gebleven. De dag ging voorbij zonder eenigen anderen invloed op mij te hebben teweeggebracht dan mij in mijn voornemen
„Ga voort, ga voort!” herhaalde Felton, „gij ziet wel, hoe ik luister en hoe verlangend ik naar het einde ben.”
„Het werd avond,” vervolgde milady, „een herhaling van den vorigen; als naar gewoonte verscheen in de duisternis mijn avondmaal; vervolgens werd de lamp ontstoken en ik zette mij aan tafel. Ik at niets anders dan eenige vruchten en hield mij, alsof ik uit de karaf water schonk, maar ik dronk slechts dat, wat ik in mijn glas had bewaard; de verwisseling werd trouwens zoo behendig volbracht, dat mijn spionnen, indien ik er had, niets hadden kunnen bespeuren. Na het avondmaal gaf ik dezelfde blijken van verdooving als den vorigen dag; maar nu, alsof ik van vermoeidheid bezweek, of mij met het gevaar gemeenzaam maakte, hield ik mij, alsof ik in slaap viel. Ik had nu ook mijn mes wedergevonden, en veinzende te slapen, omknelde mijn hand krampachtig het hecht. Twee uren verliepen zonder dat er iets nieuws voorviel. Toen, o, mijn God! wie zou mij zulks den vorigen dag hebben gezegd, begon ik te vreezen, dat hij niet komen zou. Eindelijk zag ik de lamp opstijgen en boven in de zoldering verdwijnen; mijn kamer werd wederom in duisternis gehuld, maar ik deed een poging om ze met mijn blik te doordringen. Tien minuten ongeveer verliepen er, ik hoorde geen ander geluid dan dat van het kloppen van mijn hart. Ik smeekte den Hemel om zijn komst. Eindelijk hoorde ik het mij zoo goed bekende gerucht der deur, die geopend en weer gesloten werd; ik hoorde, ondanks de zwaarte van het tapijt, voetstappen, die den vloer deden kraken; ik zag, in weerwil der duisternis, een schim mij naderen.”
„Haast u, haast u!” viel Felton haar in de rede, „ziet gij niet, dat elk uwer woorden als gloeiend lood mij brandt!”
„‚Ha! ha!’ riep hij, mij bij den arm grijpende en mij het wapen ontrukkende, dat mij zoo slecht had gediend, ‚gij wilt mij het leven benemen, mijn schoone Puriteine! dat is meer dan haat, dat is ondankbaarheid. Och kom, wees bedaard, mijn fraai kind! ik dacht u al getemd te hebben. Ik ben niet van die dwingelanden, welke de vrouwen met geweld houden. Gij bemint mij niet? Ik geloofde het echter met mijn gewonen eigenwaan: thans weet ik, waaraan mij te houden. Morgen zult gij vrij zijn.’—Ik had slechts één begeerte, die, dat hij mij het leven zou benemen.—‚Wees op uw hoede,’ zeide ik hem, ‚want mijn vrijheid is uw oneer.’—‚Verklaar u, mijn schoone Sybille!’ antwoordde hij.—‚Ja, eenmaal vrij, zal ik alles verhalen; ik zal het geweld doen kennen, hetwelk gij jegens mij hebt gepleegd; ik zal mijn opsluiting verhalen, zal dit schandpaleis aan de wereld bekend maken! Hoe hoog ook geplaatst, zult gij beven. Boven u is er een koning, boven den koning is God!’—Hoezeer meester over zich zelven, liet mijn vervolger nochtans een beweging van toorn ontglippen. Ik kon de uitdrukking van zijn gelaat niet zien, maar ik had zijn arm voelen beven, op welken mijn hand rustte.—‚Dan zult gij van hier niet gaan,’ zeide hij.—‚Goed, goed,’ riep ik, ‚dan zal de plaats mijner foltering ook die van mijn graf zijn. Goed, ik zal hier sterven, en gij zult zien of een beschuldigende schim niet erger is dan een levende, die bedreigt.’—‚Men zal u geen enkel wapen laten,’ zeide hij.—‚Eén bestaat er, dat de wanhoop in het bereik van elk schepsel stelt, dat den moed
„Bij deze woorden verwijderde hij zich. Ik hoorde hem de deur openen en weder sluiten, en ik bleef als verplet staan, niet zoo zeer, ik beken het, door smart, dan wel door schaamte mij niet gewroken te hebben. Hij hield woord. De geheele dag en de volgende nacht gingen voorbij, zonder dat ik hem wederzag; maar ook ik hield woord; ik at noch dronk, ik had, zooals ik had gezegd, besloten mij te laten doodhongeren. Ik bracht den dag en den nacht in het gebed door; want ik hoopte, dat God mij mijn zelfmoord zou vergeven. Den tweeden nacht werd de deur geopend. Ik lag op den grond, de krachten begonnen mij te verlaten. Op het gerucht richtte ik mij met de eene hand ten halve op.
„‚Welnu,’ zeide een stem, die al te vreeselijk in mijn ooren klonk om haar niet te herkennen; ‚welnu! zijt gij wat zoeter geworden en wilt gij uw vrijheid met een enkele belofte van stilzwijgendheid betalen? Luister, ik ben een goed heer,’ voegde hij er bij, ‚en hoewel ik van Puriteinen niet houd, laat ik hen recht wedervaren, zoowel als aan de vrouwen, wanneer zij mooi zijn. Komaan, zweer mij eventjes op het kruisbeeld, meer verlang ik niet.’—‚Op het kruisbeeld!’ riep ik opstaande, want bij het hooren van die afschuwelijke stem had ik al mijn krachten wedergevonden, ‚op het kruisbeeld zweer ik, dat geen beloften, geen
Felton stond tegen een meubelstuk aangeleund en milady zag met helsche vreugde, dat misschien voor het eind van het verhaal de jonge officier reeds zijn krachten zou voelen bezwijken.