HOOFDSTUK XV.
Reading edition
Tabbaard en degen.
Den dag na dien, op welken het verhaalde was voorgevallen en Athos nog niet was teruggekeerd, werd den heer de Tréville door d’Artagnan en Porthos van zijn verdwijning kennis gegeven. Wat Aramis betreft, deze had een verlof van vijf dagen verzocht en bevond zich te Rouaan, zooals men zeide wegens familiezaken.
De heer de Tréville was de vader zijner soldaten. De geringste, de minst bekende van hen was, eenmaal in het gewaad der kompagnie gehuld, even zeker van zijn hulp en zijn ondersteuning, als zijn broeder zelf zou hebben kunnen zijn. Hij begaf zich dus oogenblikkelijk naar den luitenant-geweldiger.
Men liet den officier komen, die den post van het Roode Kruis kommandeerde en de verkregen inlichtingen bevestigden, dat Athos voor het oogenblik in het fort l’Evêque gevangen zat. Athos had alles doorstaan, hetgeen wij Bonacieux hebben zien ondergaan. Wij hebben het tooneel van het in tegenwoordigheid stellen van beide gevangenen bijgewoond. Athos, die tot hiertoe niets had gezegd, uit vrees dat d’Artagnan, op zijn beurt verontrust wordende, de noodige tijd zou ontbreken, verklaarde van af dat oogenblik, dat hij Athos heette en niet d’Artagnan. Hij voegde er bij, dat hij noch den heer, noch mejuffrouw Bonacieux kende en nooit een van beiden gesproken had; dat hij tegen tien uur des avonds naar den heer d’Artagnan, zijn vriend, was gegaan, om hem een bezoek te brengen en dat hij tot dat uur ten huize van den heer de Tréville was geweest, zijnde daar ten middagmaal genoodigd; twintig getuigen, voegde hij er bij, konden dit bevestigen; en hij noemde verschillende voorname edellieden, onder anderen den hertog de la Trémouille.
De tweede commissaris was in even groote verlegenheid als de eerste tengevolge der eenvoudige en standvastige verklaring van den musketier, op wien hij wel l’Evêque verlatende, zonder Athos gevonden te hebben, bij Zijne Majesteit binnentrad.
Als kapitein der musketiers was het den heer de Tréville geoorloofd zich altijd voor den koning te vertoonen. Men kent de vooringenomenheid des konings tegen de koningin, een vooringenomenheid die behendig door den kardinaal werd gevoed, daar deze, in zaken van intrigues, oneindig meer de vrouwen dan de mannen vreesde. Een der voornaamste oorzaken dezer vooringenomenheid was de vriendschap van Anna van Oostenrijk voor mevrouw de Chevreuse. Die twee vrouwen verwekten hem meer ongerustheid, dan de oorlog met Spanje, de twist met Engeland en de geldelijke verlegenheid, waarin men zich toen bevond. In zich zelven was hij overtuigd, dat mevrouw de Chevreuse niet alleen der koningin in haar politieke intrigues de behulpzame hand bood, maar, hetgeen hem nog meer hinderde, ook in haar verliefde intrigue.
Op de eerste woorden van den kardinaal, die hij den koning toesprak en door welke hij hem berichtte, dat mevrouw de Chevreuse, die men meende dat te Tours, de plaats harer ballingschap, zich ophield, naar Parijs was gekomen en gedurende de vijf dagen van haar verblijf aldaar de politie het spoor bijster had weten te maken, geraakte de koning in hevigen toorn. Grillig en ontrouw, wilde de koning echter Lodewijk de Rechtvaardige en Lodewijk de Kuische worden genoemd. Het nageslacht zal moeilijk zich een denkbeeld van dat karakter kunnen vormen, hetwelk de geschiedenis alleen door daden, maar nooit door redeneeringen zal Parijs was gekomen, maar dat ook de koningin opnieuw in verstandhouding met haar was geraakt door middel van een dier geheimzinnige briefwisselingen, welke men in die tijden een kabaal noemde; toen de kardinaal bevestigde dat, op het oogenblik van de fijnste draden van het weefsel te ontwarren en, voorzien van al de bewijzen, den zendeling der koningin bij de bannelinge op heeter daad te betrappen, een musketier gewelddadig den loop der justitie had gestuit, door met ontblooten degen eenige brave gerechtslieden aan te vallen, die belast waren met onpartijdigheid de geheele zaak te onderzoeken, ten einde ze aan Zijne Majesteit, Lodewijk XIII, voor te leggen, naderde deze een schrede het vertrek der koningin met die bleeke en stomme verontwaardiging, die, wanneer zij uitbarstte, den jongen vorst tot de verregaandste wreedaardigheid bracht. Echter, bij dit alles had de kardinaal niet eens den naam van den hertog van Buckingham genoemd.
Het was op dat oogenblik, dat de heer de Tréville binnentrad, koel, beleefd en in een onberispelijke kleederdracht. Door de tegenwoordigheid des kardinaals en door de ontstelde gelaatstrekken des konings verwittigd van hetgeen er had plaats gehad, gevoelde zich de heer de Tréville sterk als Simson tegenover de Philistijnen. Lodewijk XIII had reeds de hand op den knop der deur gelegd. Op het gerucht, door de komst des heeren de Tréville veroorzaakt, wendde hij het hoofd om.
„Gij komt juist te goeder ure, mijnheer!” riep de koning, die, wanneer zijn drift tot zekere hoogte was gestegen, niet kon veinzen, „ik hoor daar fraaie zaken van uw musketiers.”—„En ik,” zeide de heer de Tréville koel, „heb er Uwe Majesteit fraaie te verhalen van uw gerechtslieden.”—„Wat belieft?” vroeg de koning op hoogen toon.—„Ik heb de eer Uwer Majesteit ter kennis te brengen,” ging de Tréville op denzelfden toon voort, „dat een zwerm van procureurs, l’Evêque te voeren en dat alles op een bevelschrift, hetwelk men mij heeft geweigerd te vertoonen, een man van een onberispelijk gedrag en van een bijna beroemd geslacht, die aan Uwe Majesteit bovendien gunstig bekend is: den heer Athos.”—„Athos!” zeide de koning werktuigelijk, „inderdaad, ik ken dien naam.”—„Dat Uwe Majesteit zich herinnere,” hernam de heer de Tréville, „de heer Athos is de musketier, die in dat noodlottig tweegevecht, hetwelk u bekend is, het ongeluk heeft gehad, den heer de Cahussac een zoo gevaarlijke wonde toe te brengen. A propos!” ging de heer de Tréville voort, zich tot den kardinaal wendende, „de heer de Cahussac is geheel hersteld, niet waar?”—„Ik dank u,” zeide de kardinaal, van toorn op zijn lippen bijtende.—„De heer Athos was een zijner vrienden gaan bezoeken,” hernam de heer de Tréville, „een jongen Bearneeschen kadet bij de gardes Uwer Majesteit, in de kompagnie van mijnheer des Essarts, doch de kadet was op dat oogenblik afwezig; nauwelijks had hij zich in de kamer zijns vriends, hem afwachtende, tot lezen neergezet, of een zwerm van gerechtsdienaars en soldaten kwam het huis belegeren en de deuren openstooten.”
De kardinaal gaf den koning een teeken, dat beteekende: „Het betreft de zaak, waarover ik u heb gesproken.”—„Wij weten dit altemaal wel,” hernam de koning; „want zulks heeft op ons bevel plaats gehad.”—„Dan is het ook voor den dienst Uwer Majesteit, dat men een zijner musketiers onschuldig heeft gevangen genomen, als een misdadiger tusschen twee gerechtsdienaars geplaatst, en te midden eener brutale volksmenigte dien eervollen man heeft vervoerd, die tienmaal zijn bloed in den dienst Uwer Majesteit heeft vergoten en gereed is hetzelve nog te storten!”—„Wel
De koning zag den kardinaal aan.—„Een procesverbaal strekt tot bewijs,” zeide de kardinaal, luide de stomme vraag Zijner Majesteit beantwoordende, „en de beleedigde personen hebben dit opgesteld, wat ik de eer heb Uwer Majesteit aan te bieden.”—„Een procesverbaal van gerechtslieden, is dat wichtiger dan het eerewoord eens krijgsmans?”—„Kom, kom, Tréville, zwijg!” zeide de koning.—„Indien Zijne Eminentie eenig vermoeden heeft op een mijner musketiers,” zeide de Tréville, „wil ik zelf een onderzoek uitlokken en mij aan de geroemde rechtvaardigheid van den kardinaal onderwerpen.”—„In dat huis,” ging de kardinaal even bedaard voort, „waar de justitie zich heeft begeven, woont, geloof ik, een Bearnees, een vriend der musketiers.”—„Uwe Eminentie bedoelt den heer d’Artagnan?”—„Ik bedoel een jongeling, dien gij beschermt, mijnheer de Tréville!”—„Ja, Uwe Eminentie! dezelfde.”—„Vermoedt gij niet, dat die jongeling een slechten raad heeft gegeven?....”—„Aan den heer Athos, aan iemand, die eens zoo oud is als hij?” viel de heer de Tréville hem in de rede; „neen, Uwe Eminentie! Daarenboven, de heer d’Artagnan heeft den avond bij mij doorgebracht. Zou Zijne
„Dat huis is verdacht, Tréville!” zeide de koning; „misschien wist gij het niet.”—„Inderdaad, Sire! het was mij onbekend. In alle geval, het kan in elk gedeelte van hetzelve verdachte lieden bevatten: maar ik ontken, dat zulks het geval is in dat gedeelte, hetwelk de heer d’Artagnan bewoont, dit kan ik u bevestigen, Sire! want indien ik zijn woorden kan gelooven, bestaat er geen trouwer onderdaan Uwer Majesteit of grooter bewonderaar van den kardinaal.”—„Is het niet die zekere d’Artagnan, die eenigen tijd geleden Jussac een wonde toebracht, bij gelegenheid van een tweegevecht in de nabijheid van het Barrevoeter-Karmelieten klooster?” vroeg de koning, den kardinaal aanziende, die van spijt dacht te barsten. „En den volgenden dag Bernajoux?”—„Ja, Sire! ja, dezelfde. Uwe Majesteit heeft een goed geheugen.”—„Welaan, wat besluiten wij?” vroeg de koning.—„Dat hangt van Uwe Majesteit meer af dan van mij,” zeide de kardinaal; „ik zou de schuld durven bevestigen.”—„En ik ontken ze,” zeide de Tréville. „Maar
„Intusschen,” ging de Tréville voort, „is het zeer treurig, dat in dezen jammerlijken tijd het reinste leven, de onloochenbaarste deugd niet iemand voor schande en vervolging kan vrijwaren. Ook zal het leger niet zeer tevreden wezen, dit kan ik verzekeren, blootgesteld te zijn aan strenge behandelingen wegens politiezaken.”
Dit was een gewaagd gezegde, maar de Tréville uitte het, van zijn zaak zeker. Hij wilde een uitbarsting uitlokken, omdat er alsdan vuur ontstaat, en het vuur licht geeft.—„Politiezaken!” riep de koning, op de woorden van de Tréville drukkende, „politiezaken! en hoe weet gij dat? Bemoei u met uw musketiers en breek mij het hoofd niet. Het schijnt, naar u te hooren, dat wanneer men een musketier in hechtenis neemt, Frankrijk in gevaar zou zijn. Wat geweld voor één musketier! Ik zal, ventrebleu! tien, honderd, ja, de geheele kompagnie in hechtenis doen nemen, zonder dat men één woord zal spreken!”—„Van af het oogenblik dat Uwe Majesteit hen verdacht houdt,” zeide de Tréville, „zijn de musketiers schuldig; daarom ook, Sire! ben ik bereid u mijn degen over te geven; want, na mijn soldaten beschuldigd te hebben, zal, hieraan twijfel ik niet, de kardinaal er toe overgaan mij zelven te beschuldigen, het is daarom beter dat ik mij gevangen stel met den heer Athos, die reeds in hechtenis is, en den heer d’Artagnan, dien men ongetwijfeld in hechtenis zal nemen.”—„Koppige Gaskonjer! wilt gij zwijgen!” riep de koning.—„Sire!” hernam de Tréville, zonder in het minst zich aan dat bevel te storen, „beveel dat men mijn musketier in vrijheid, of dat men hem terechtstelle.”—„Men zal hem terechtstellen,” zeide de kardinaal.—„Welnu, des te beter! want in dat geval zal ik aan Zijne Majesteit het verlof verzoeken om voor hem te pleiten.”
„Overweeg, Sire!” merkte de kardinaal op, „dat indien wij den gevangene op die wijze ontslaan, wij de waarheid niet zullen ontdekken.”—„De heer Athos zal steeds tegenwoordig zijn,” hernam de Tréville, „om de gerechtspersonen te antwoorden, wanneer deze hem willen ondervragen. Hij zal niet deserteeren, mijnheer de kardinaal! wees gerust, ik ben voor hem verantwoordelijk.”—„Inderdaad, deserteeren zal hij niet,” zeide de koning; „en men zal hem altijd wel vinden, zooals de heer de Tréville zegt. Bovendien,” voegde hij er bij, met zachte stem tot Zijne Eminentie, dien hij smeekende aanzag, „stellen wij hen gerust, dat is staatkundiger.”
Die staatkunde van Lodewijk XIII deed op Richelieu’s gelaat een glimlach verschijnen.—„Beveel, Sire!” zeide hij, „gij hebt het recht gratie te verleenen.”—„Het recht van gratie is alleen van toepassing op schuldigen,” zeide de Tréville, die het laatste woord wilde behouden, „en mijn musketier is onschuldig. Het is dus geen gratie, die gij zult geven, maar recht.”—„En hij is op het fort l’Evêque?” vroeg de koning.—„Ja, Sire! afgezonderd, in een cachot als de grootste misdadiger.”—„Duivelsch, duivelsch!” mompelde de koning, „wat moet ik doen?”—„Het bevel tot invrijheidstelling teekenen en daarmede gedaan,” hernam de kardinaal; „ik geloof met Uwe Majesteit, dat de borgstelling des heeren de Tréville meer dan voldoende is.”
Toen hij gereed was zich te verwijderen, glimlachte de kardinaal hem toe en zeide tot den koning: „Er heerscht een zeer goede verstandhouding tusschen de hoofden en de soldaten uwer musketiers, Sire! dat is zeer voordeelig voor den dienst en loffelijk voor allen.”—„Hij zal mij onvermijdelijk den een of anderen leelijken trek spelen,” dacht de Tréville; „men heeft nooit het laatste woord met zoo iemand. Doch laat ons haast maken, want de koning kan alle oogenblikken van denkwijze veranderen; en bij slot van rekening is het moeilijker iemand in de Bastille of het fort l’Evêque te brengen, die er uitkomt, dan er een gevangen in te houden, die er reeds in is.”
De heer de Tréville deed een zegevierenden intocht in het fort l’Evêque, waaruit hij den musketier bevrijdde, wiens kalme onverschilligheid hem niet één oogenblik verlaten had. Vervolgens, toen hij voor het eerst d’Artagnan wederzag, zeide hij tot dezen: „Gij zijt het aardig ontsnapt; uw degenstoot, Jussac toegebracht, is nu betaald. Nu blijft die van Bernajoux nog over, wees dus op uw hoede.”
Trouwens, de heer de Tréville had gelijk den kardinaal te wantrouwen en te gelooven, dat alles nog niet gedaan was; want nauwelijks had de kapitein der musketiers de deur achter zich gesloten, of Zijne Eminentie zeide tot den koning: „Thans, nu wij slechts alleen met ons beiden zijn, willen wij eens ernstig spreken, indien Uwe Majesteit dit behaagt, Sire! de hertog van Buckingham was sedert vijf dagen te Parijs en is niet vóór heden ochtend vertrokken.”