← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK XXVII.

Reading edition

De vrouw van Athos.

„Thans blijft ons nog over, eenig nieuws van Athos te vernemen,” zeide d’Artagnan tot den lustigen Aramis, na hem te hebben verhaald, wat er in de hoofdstad was voorgevallen sedert hun vertrek, en een voortreffelijk maal den eenen zijn thesis, den anderen zijn vermoeidheid had doen vergeten.—„Gelooft gij dan, dat hem een ongeluk is overkomen?” vroeg Aramis; op slaan en niet gauw uitscheiden. Ziedaar, waarom ik, om het u te zeggen, zoo spoedig mogelijk wilde vertrekken.”—„Ik zal trachten u te vergezellen,” zeide Aramis, „hoewel ik mij nog niet sterk genoeg gevoel te paard te rijden. Gisteren beproefde ik de roede, die gij daar ziet hangen, maar de smart dwong mij, die vrome oefening af te breken.”—„Stil, mijn vriend! men heeft immers nooit gehoord, dat men geweerschoten met roedeslagen geneest; maar gij waart ziek en de ziekte verzwakt, zoodat ik u verontschuldig.”—„En wanneer vertrekt gij?”—„Morgen, zoodra de dag aan den hemel is; rust van nacht goed uit, en morgen, indien gij kunt, zullen wij samen vertrekken.”—„Tot morgen,” zeide Aramis, „want hoe ijzersterk gij ook moogt zijn, moet gij rust hebben.”

Den volgenden dag, toen d’Artagnan de kamer van Aramis binnentrad, vond hij dezen voor het venster.—„Wat beschouwt gij toch?” vroeg d’Artagnan.—„Wel, ik bewonder die drie kostelijke paarden, welke de staljongen bij den toom houdt: dat is een vorstelijk vermaak, op dergelijke paarden te reizen.”—„Welnu, mijn waarde Aramis! gij kunt u dat vermaak verschaffen, want een dier paarden behoort u.”—„Och kom! En welk?”—„Dat van de drie wat gij verkiest, ik heb geen verkiezing.”—„En behoort dat rijke dekkleed mij ook?”—„Wel zeker.”—„Gij schertst, d’Artagnan!”—„Ik scherts niet meer, sedert gij Fransch spreekt.”—„En die vergulde pistoolholsters, dat fluweelen schabrak en dat met zilveren spijkers beslagen zadel behooren mij?”—„Aan u, zoowel als dat brieschende paard aan mij, en dat steigerende paard aan Athos.”—„Duivelsch! dat zijn schoone, drie schoone paarden.”—„Het is mij aangenaam, dat

„Lieve God,” riep Aramis, „dat verdrijft het overblijfsel van al mijn pijn; ik zou dat paard berijden met dertig kogels in het lijf. O, bij mijn ziel! wat heerlijke stijgbeugels! Hier, Bazijn! rep u, kom oogenblikkelijk!”—Bazijn verscheen zwijgend en stil op den drempel der deur.—„Scherp mijn degen, maak mijn hoed in orde, klop mijn mantel uit en laad mijn pistolen!” beval Aramis.—„Die laatste aanbeveling is overbodig,” viel d’Artagnan hem hierop in de rede, „er zijn geladen pistolen in de holsters.”—Bazijn zuchtte.—„Welaan, meester Bazijn! stel u gerust,” zeide d’Artagnan, „men verdient het koninkrijk des Hemels in alle betrekkingen.”—„Mijnheer was reeds een zoo goed theologant,” zeide Bazijn, bijna huilende, „hij zou bisschop, misschien kardinaal zijn geworden.”—„Maar, mijn arme Bazijn! komaan, overweeg eens: waartoe dient het een geestelijke te zijn, bid ik u; men vermijdt hierdoor toch niet ten oorlog te gaan; gij ziet wel, dat de kardinaal den eersten veldtocht mede zal maken, met den helm op het hoofd en den degen in de vuist; en wat zegt gij van den heer Nogaret de la Valette? Ook deze is kardinaal, maar vraag eens aan zijn lakei, hoe dikwijls hij pluksel voor hem heeft gereed gemaakt.”—„Helaas!” zuchtte Bazijn, „ik weet het, mijnheer! alles is tegenwoordig in de wereld omgekeerd.”

Onderwijl waren beide jongelieden en de lakei naar beneden gegaan.—„Houd mij den stijgbeugel, Bazijn!” zeide Aramis en sprong in den zadel met zijn gewone vlugheid en bevalligheid; maar na eenige wendingen en steigeringen van het edele dier gevoelde zijn berijder zulke hevige smarten, dat hij verbleekte en wankelde. D’Artagnan, die, zulks voorziende, hem niet uit het oog had verloren, ijlde naar hem toe, ondersteunde

„Het is wèl, mijn waarde Aramis! verzorg u nog eenigen tijd, ik zal Athos alleen zoeken.”—„Gij zijt een stalen mensch!” zeide Aramis.—„Neen, ik ben gelukkig, dat is al; maar op wat wijze zult gij, mij wachtende, den tijd verdrijven? daar gij nu geen thesis, geen uitleggingen der vingers en zegeningen te maken hebt, wel!”—Aramis glimlachte.—„Ik zal verzen maken,” zeide hij.—„Ja, welriekende verzen, van denzelfden geur als het briefje der kamenier van mevrouw de Chevreuse. Leer Bazijn ook rijmen, dat zal hem volmaken; en berijd alle dagen eenige oogenblikken het paard, dat zal u weder aan het rijden gewennen.”—„O! wees gerust,” zeide Aramis, „gij zult mij bereid vinden u te volgen.”

Zij namen van elkander afscheid, en tien minuten later draafde d’Artagnan, na zijn vriend aan Bazijn en aan de herbergierster te hebben aanbevolen, den weg naar Amiëns op.

Op wat wijze wilde hij Athos wedervinden, en zou hij hem wel vinden?—De toestand, waarin d’Artagnan Athos had gelaten, was slecht, en deze laatste kon wel bezweken zijn. Die gedachte verduisterde het voorhoofd van d’Artagnan en deed hem bij zich zelven eenige wraakgeloften prevelen. Van al zijn vrienden was Athos de oudste, en ook oogenschijnlijk het minst met zijn smaak en neigingen in overeenstemming. Echter schonk hij dien edelman boven allen de voorkeur.

Het edel en voornaam voorkomen van Athos, de weerlichten van grootheid, die bijwijlen de duisternis doorkliefden, waarmede hij zich vrijwillig omringde, die onafgebroken gelijkheid van karakter, die zijn omgang tot den gemakkelijksten van de wereld maakte, die gedwongen, bijtende scherts, die moed, welken men blind zou hebben genoemd, indien hij niet het gevolg van de zeldzaamste koelbloedigheid ware geweest; al die hoedanigheden wekten bij d’Artagnan meer achting, meer dan vriendschap op, zij wekten zijn bewondering.

Betrof het een gastmaal, dan wist Athos het beter dan iemand te regelen, elken genoodigde de plaats en den rang gevende, welke hem zijn voorouders nagelaten of hij zich zelven bezorgd had. Betrof het de geslacht-wapenkunde, dan was het wederom Athos, die al de adellijke familiën des koninkrijks kende, zoowel als hun oorsprong, hun verbintenissen, hun wapenschilden en den oorsprong er van. Er was niets, wat de welgemanierdheid betrof, of hij kende het in de minste bijzonderheden, hij kende de rechten der groote grondeigenaars en was doorkneed in de wild- en valkenjacht; zelfs op zekeren dag, dat hij over die groote kunst sprak, verbaasde hij koning Lodewijk XIII, die er toch een meester in was.

Zooals al de voorname lieden van dien tijd, verstond hij de rij- en de schermkunst in de volmaaktheid. Wat meer is, zijn opvoeding was zoo weinig veronachtzaamd, zelfs ten aanzien der schoolstudiën, welke zoo zelden bij de edellieden van dien tijd beoefend werden, dat hij glimlachte bij de brokken latijn van Aramis, welke

En nochtans zag men die uitstekende natuur, dat zoo welgevormd schepsel, die zoo reine ziel van lieverlede tot het stoffelijke leven overhellen, zooals de grijsaard naar de zoowel lichamelijke als zedelijke verstomping. Athos, in zijn oogenblikken van afzondering, en die oogenblikken waren veelvuldig, was als uitgedoofd in hetgeen zijn glans daarstelde, en zijn schitterende hoedanigheden verdwenen als in een diepen nacht. Athos, die meer dan mensch scheen, half-God, was in die oogenblikken nauwelijks mensch. Zijn hoofd hing hem op de borst, zijn oog was dof, zijn spraak zwaar en moeilijk. Athos hield dan, gedurende een uur achter elkander, zijn oog hetzij op zijn flesch en zijn glas gevestigd, hetzij op Grimaud, die gewoon op zijn wenken te gehoorzamen, in den starren blik zijns meester tot zelfs de minste begeerte las, die hij oogenblikkelijk vervulde. Waren de vier vrienden in die oogenblikken vereenigd, dan was een enkel, met geweldige moeite uitgebracht woord het eenige deel, dat Athos in het gesprek nam. Maar daarentegen dronk Athos alleen meer dan vier, zonder dat men zulks aan hem kon bespeuren, dan alleen door een meerder fronsen der wenkbrauwen en een diepere droefgeestigheid.

D’Artagnan, wiens doordringenden en onderzoekenden aard wij kennen, had, welk belang hij er ook in stelde om zijn nieuwsgierigheid te dien aanzien te voldoen, tot hiertoe de oorzaak dier wezenloosheid niet kunnen ontdekken. Nooit ontving Athos brieven, nooit deed Athos iets, dat niet al zijn vrienden wisten. Men kon

„Ach!” dacht d’Artagnan, „de arme Athos is misschien dood en door mijn schuld gestorven; want ik was het, die hem in de zaak heb betrokken, van welke hij de oorzaak niet kende, van welke hij de gevolgen niet zal kennen en welke hem geen het minste voordeel kon opleveren.”—„Zonder daarbij te rekenen,” antwoordde Planchet, „dat wij hem waarschijnlijk het

Tegen elf uur bespeurde men Amiëns; te half twaalf was men voor de deur der vervloekte herberg. D’Artagnan had dikwijls bij zich zelven overlegd, op welke wijze hij op den verraderlijken waard een dier goede wraaknemingen zou nemen, welke reeds bij voorbaat troosten. Hij trad dan de herberg binnen, met den vilten hoed op de oogen gedrukt, de linkerhand op de greep van zijn degen latende rusten, en zijn karwats in zijn rechterhand zweepende.

„Herkent gij mij?” vroeg hij den herbergier, die naderde om hem te groeten.—„Ik heb niet de eer, Excellentie!” antwoordde deze, nog verblind door de schitterende vertooning, die d’Artagnan maakte.—„Ha! gij kent mij niet?”—„Neen, edele heer!”—„Nu, dan zullen twee woorden mij u wel doen herinneren. Wat hebt gij met den edelman uitgevoerd, dien gij de stoutheid hadt, ongeveer veertien dagen geleden, als een valschen munter te behandelen?”—De herbergier verbleekte, want d’Artagnan had een dreigende houding aangenomen en Planchet volgde het voorbeeld zijns meesters.—„Ach, edele heer! spreek er mij niet van!” riep de herbergier op een huilenden toon, „ach, edele heer! hoe zwaar heb ik dien misslag geboet. Ach, ongelukkige die ik ben!”—„Ik vraag u, wat er van dien edelman is geworden?”—„Gelieve mij aan te hooren, edele heer! en wees barmhartig. In Godsnaam, ga zitten.”—D’Artagnan, stom van woede en ongerustheid, zette zich dreigend als een rechter. Planchet leunde trotsch tegen den rug van d’Artagnan’s stoel.

„Ziehier hoe het zich heeft toegedragen, edele heer!”

„Ik was door de overheid verwittigd, dat een befaamde valsche munter, in gezelschap van eenige zijner makkers, in mijn herberg zou aankomen, allen vermomd in het gewaad der gardes, of in dat der musketiers. Uw paarden, uw lakeien, uw gelaat, edele heer! was mij aangeduid.”—„Vervolgens, vervolgens?” zeide d’Artagnan, die dadelijk begreep, vanwaar het zoo nauwkeurig opgegeven signalement kwam.—„Ik nam derhalve, volgens de bevelen der overheid, die mij een versterking van zes mannen zond, de noodige maatregelen, ten einde mij van de personen der gewaande valsche munters meester te maken.”—„Al weer!” riep d’Artagnan, wien dat woord van valsche munters vreeselijk het oor kittelde.—„Vergeef mij, mijnheer! zoo ik dat woord uitspreek; maar hierin bestaat juist mijn verontschuldiging. Voor de overheid was ik bevreesd, en gij weet, dat een herbergier haar moet ontzien.”—„Maar nog eens, waar is die edelman? wat is er van hem geworden? Is hij dood? Is hij levend?”—„Geduld, mijnheer! wij zijn er.”

„Er gebeurde dan wat gij weet, en hetgeen uw overhaast vertrek,” voegde de herbergier er bij met een geslepenheid, die d’Artagnan niet ontging, „scheen te wettigen. Die edelman, uw vriend, verdedigde zich wanhopend. Zijn knecht, die door een onvoorzien toeval twist met de als staljongens verkleede gerechtslieden gezocht had....”—„O, ellendeling!” riep d’Artagnan, „gij waart het allen eens, en ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik u niet allen vermorzel!”—„Helaas! neen, edele heer! wij waren het allen niet eens, en gij zult het hooren. Mijnheer uw vriend! (vergeef mij, dat ik hem niet bij zijn edelen naam noem, dien hij zeker bezit, maar wij kennen hem niet), mijnheer uw vriend,

„Gerechte God! hem gevangen nemen, edele heer! hij heeft zich zelven gevangen genomen, dat zweer ik u. Vooreerst had hij een zwaar werk verricht; een man was onder zijn slagen bezweken, en twee anderen gevaarlijk gekwetst. De doode en de beide gekwetsten werden door hun makkers weggevoerd, en nooit heb ik weer van den een, noch van den ander hooren spreken. Toen ik weder tot bewustzijn kwam, ging ik den heer gouverneur bezoeken, aan wien ik al het voorgevallene verhaalde, hem vragende wat ik met den gevangene moest doen; maar de heer gouverneur was alsof hij uit de wolken viel; hij zeide mij, dat hij volstrekt niet wist, wat ik zeggen wilde, dat de bevelen, die mij gegeven waren, volstrekt niet van hem kwamen, en dat, indien ik het ongeluk had, aan wien het ook ware, te zeggen, dat hij het minste deel in die opschudding had gehad, hij mij zou doen hangen. Het schijnt, dat ik mij bedrogen had, mijnheer! en den een voor den ander had aangehouden, zoodat degene, dien men had moeten aanhouden, zich gered heeft.”

„Maar Athos?” riep d’Artagnan, wiens ongeduld ten top steeg, hoorende hoe de overheid de zaak aan zich zelve had overgelaten. „Wat is er van Athos geworden?”—„Daar ik nu verlangend was zoo spoedig

„‚Vooreerst,’ zeide hij, ‚verlang ik, dat men mij mijn lakei met al zijn wapens teruggeve.’

„Men haastte zich aan dat bevel te gehoorzamen; want gij begrijpt wel, mijnheer! dat wij bereid waren alles te doen, wat uw vriend verlangde. De heer Grimaud, deze heeft zijn naam gezegd, ofschoon hij ook niet veel spreekt, de heer Grimaud werd dan in den kelder gelaten, hoe gekwetst hij ook was; nadat hij bij zijn meester gekomen was, versperde deze opnieuw de deur en beval ons in onzen winkel te blijven.”—„Maar zeg dan toch,” riep d’Artagnan, „waar is hij? waar is Athos?”—„In den kelder, mijnheer!”—„Wat, ellendige! hebt gij hem al dien tijd in den kelder gehouden?”—„Hemelsche goedheid! wel neen, mijnheer! zouden wij hem in den kelder houden! Gij weet niet wat hij in den kelder doet? Ach! indien gij hem dien kondt doen verlaten, mijnheer! ik zou er u mijn geheele leven dankbaar voor zijn; ik zou u als mijn beschermheilige vereeren.”—„Dus is hij dáár, en ik zal hem dáár vinden?”—„Wel zeker, mijnheer! hij is er halsstarrig in gebleven. Dagelijks steekt men hem door het luchtgat brood aan een hooivork toe en vleesch, wanneer hij er om vraagt; maar, helaas! het is geen vleesch of brood, dat hij het meest gebruikt. Eenmaal heb ik met twee knechts getracht naar beneden te gaan; maar toen ontstak hij in een hevigen toorn. Ik hoorde het gerucht zijner pistolen,

„Zoodat, sedert dien tijd....” hernam d’Artagnan, zich niet kunnende weerhouden om het armzalig gelaat van zijn gastheer te lachen.—„Zoodat, sedert dien tijd, mijnheer!” ging deze voort, „wij het treurigste leven leiden, dat men zich kan verbeelden; want mijnheer! gij moet weten, dat al onze voorraad mondbehoeften in den kelder is; zoowel onze gebottelde wijn als de wijn op het stuk ligt er, het bier, de olie en de specerijen, het spek en de worst, en dewijl het ons verboden is er binnen te gaan, zijn wij genoodzaakt aan de reizigers, die bij ons aankomen, eten en drinken te weigeren, tengevolge waarvan onze herberg dagelijks achteruitgaat; wanneer uw vriend nog acht dagen in den kelder blijft, zijn wij arm.”—„Dan hebt gij wat gij verdient, snaak! Zag men niet aan ons voorkomen, dat wij voorname lieden en geen valsche munters waren, zeg?”—„Ja, mijnheer! ja, gij hebt gelijk,” zeide de herbergier. „Maar luister, luister, daar begint hij weer kwaad te worden.”—„Men zal hem zeker gestoord hebben,” zeide d’Artagnan.—„Maar wij moeten hem wel storen!” riep de waard; „er zijn twee Engelsche edellieden aangekomen.”—„Welnu?”—„Welnu, de Engelschen houden van goeden wijn, zooals gij weet, mijnheer! en deze hebben den besten gevraagd. Mijn vrouw zal nu aan uw vriend verzocht hebben naar beneden te mogen gaan, om dien heeren het verlangde te kunnen geven; maar hij zal, als naar gewoonte, hebben geweigerd. Ach, goede God! daar begint de Sabbath weer.”

Beide edellieden waren buiten zich zelven van toorn; zij hadden een langen tocht gemaakt en stierven van honger en dorst.

„Maar dat is dwingelandij!” riepen zij in zeer goed Fransch, hoewel met een vreemden tongval, „dat die aartsgek die goede lieden het gebruik van hun wijn niet toestaat. Welaan, wij zullen de deur intrappen en indien hij razend is, zullen wij hem dooden.”—„Zacht wat, heeren!” zeide d’Artagnan, zijn pistolen uit zijn gordelriem halende, „gij zult zoo goed zijn niemand te dooden.”—„Goed, goed!” riep de kalme stem van Athos achter de deur, „laten zij maar binnenkomen, die kindervreters, en wij zullen eens zien.”

Hoe dapper ook, zagen beide Engelsche edellieden elkander aan en aarzelden; het was alsof in dien kelder een hongerig gedrocht zich ophield, een dier reusachtige helden der volkssprookjes, wier hol niemand ongestraft binnentrad. Er heerschte een oogenblik stilte; eindelijk schaamden zich echter beide Engelschen achteruit te gaan en de kwaadaardigste van beiden ging de vijf of zes treden af, uit welke de trap bestond, en gaf tegen de deur een schop als om een muur te splijten.

„Planchet!” zeide d’Artagnan, zijn pistolen overhalende, „ik belast mij met dengene, die boven is; belast gij u met hem, die beneden is. Ha, heeren, gij wilt het gevecht? Welnu, men zal u een gevecht geven!”—„Mijn God!” riep de holle stem van Athos, „ik hoor d’Artagnan, geloof ik.”—„Waarlijk,” zeide d’Artagnan op zijn beurt de stem verheffende, „ik ben het zelf, mijn vriend!”—„Zooveel te beter,” zeide Athos: „wij zullen hun een lesje geven, die deuren-opentrappers.”

De edellieden hadden den degen getrokken; maar zij stonden als tusschen twee vuren; zij aarzelden een oogenblik, maar de hoogmoed hield de overhand en

„Ga op zijde, d’Artagnan! ga op zijde!” riep Athos, „ga op zijde, ik ga schieten.”—„Heeren!” riep d’Artagnan, wien de bezadigdheid nooit verliet; „heeren! weest er op bedacht!.... Geduld, Athos!.... Gij mengt u daar in een slechte zaak, en gij zult u laten doodschieten. Ziehier mijn knecht en ik, die drie schoten op u zullen lossen, terwijl gij uit den kelder evenveel te wachten hebt; vervolgens hebben wij nog onze degens, met welke, dat verzeker ik u, mijn vriend en ik tamelijk handig zijn. Laat mij de bereddering uwer en mijner zaken over. Zoo aanstonds zult gij te drinken hebben, daar geef ik u mijn woord op.”—„Als er overblijft....” bromde de stem van Athos spottend.

De waard voelde het koude zweet langs zijn ruggegraat loopen.—„Wat? als er nog overblijft,” mompelde hij.—„Wat duivel! er moet immers overblijven; wees dus gerust, zij zullen met hun tweeën uw geheelen kelder niet hebben leeggedronken. Mijne heeren! steekt uw degens in de scheede.”—„Welnu, steek gij uw pistolen in uw gordelriem.”—„Gaarne.”—En d’Artagnan gaf het voorbeeld.

Toen zich tot Planchet wendende, gaf hij dezen een wenk, zijn musket bij den voet te zetten. De Engelschen, nu overtuigd, staken al grommende hun degens in de scheede. Men verhaalde hun de geschiedenis der gevangenneming van Athos, en daar het echte edellieden waren, gaven zij den herbergier ongelijk.

„Thans, mijne heeren!” zeide d’Artagnan, „gaat naar uw kamers en binnen tien minuten, verzeker ik u, zal men u alles bezorgen, wat gij kunt verlangen.”—De Engelschen groetten en verwijderden zich.—„Thans, nu ik alleen ben, verzoek ik u, mijn waarde Athos! mij de deur te openen.”—„Onmiddellijk,” zeide Athos.

Daarop hoorde men een groot gerucht van op elkander vallende takkebossen en stommelende balken; het waren de verschansingen en de bolwerken van Athos, die de belegerde zelf omwierp.

Een oogenblik daarna bewoog zich de deur, en men

D’Artagnan barstte in een luid gelach uit, dat de rilling van den herbergier in een heete koorts veranderde. Tegelijkertijd verscheen Grimaud achter zijn meester, met het musket op den schouder en met een knikkend hoofd, zooals de dronken saters op de schilderijen van Rubens. Hij was van voren en van achteren besproeid met een vette vloeistof, die de herbergier erkende voor zijn beste olijfolie.

De stoet ging de gelagkamer door en nam bezit van de fraaiste kamer der herberg, die d’Artagnan zich eigendunkelijk toeëigende. Onderwijl snelden de herbergier en zijn vrouw met lampen den kelder binnen, die hun zoolang was ontzegd geworden, en waar een akelig schouwspel hen wachtte. Achter de verschansing, waarin Athos een bres had gemaakt om er uit te komen en die uit takkebossen, planken en ledig vaatwerk bestond, alles volgens de vestingbouwkunde op elkander gestapeld, bespeurde men hier en daar, in plassen van olie en wijn zwemmende, de afgekloven beenderen van hammen, terwijl een hoop gebroken flesschen den geheelen linkerhoek van den kelder vulde en een vat, welks kraan was open gebleven, door die opening

Het beeld van verwoesting en dood heerschte daar, zooals de dichter der oudheid zegt, als op een slagveld. Van de vijftig worsten, die aan de balken hadden gehangen, bleven er nauwelijks tien over. Toen drong het gehuil van den herbergier en diens vrouw het gewelf des kelders door; zelfs d’Artagnan werd er door bewogen. Athos verroerde zich niet eens. Maar op de smart volgde de woede. De herbergier wapende zich met een braadspit en stormde het vertrek binnen.

„Wijn!” riep Athos, den herbergier ziende.—„Wijn!” herhaalde de ontstelde waard, „wijn! maar gij hebt voor meer dan honderd pistolen gedronken; ik ben een bedorven, verloren, arm gemaakt man!”—„Och!” zeide Athos, „wij zijn steeds dorstig gebleven.”—„Indien gij u slechts vergenoegd hadt den wijn uit te drinken, maar gij hebt al de flesschen gebroken.”—„Gij hebt mij op een hoop gestooten, die in elkander is gevallen; dit is uw schuld.”—„Al mijn olie is verloren!”—„Olie is de beste balsem voor wonden, en Grimaud moest de wonden wel verbinden, die gij hem hadt toegebracht.”—„Al mijn worsten verslonden.”—„Er zijn ontzettend veel ratten in dien kelder.”—„Gij zult mij alles betalen,” riep de waard, buiten zich zelven.—„Drievoudige kinkel!” zeide Athos, zich oprichtende, maar hij viel oogenblikkelijk weer neder; hij had het overblijfsel zijner krachten vertoond.

D’Artagnan kwam hem te hulp door zijn karwats op te heffen. De herbergier deinsde een schrede achteruit en barstte in geween los.—„Dat zal u leeren,” zeide d’Artagnan, „de gasten, die God u zendt, beleefder te behandelen.”—„God! zeg liever de duivel!”—„Mijn beste vriend! indien gij voortgaat ons de ooren te verscheuren, zullen wij ons alle vier in uw kelder sluiten, om te zien of werkelijk de schade zoo groot is als gij zegt.”—„Welnu dan, edele heeren!” zeide de herbergier, „ik heb ongelijk, ik beken het; maar voor alle zonden is barmhartigheid; gij zijt groote heeren! en ik ben slechts een arm herbergier; gij zult medelijden

De herbergier naderde vreesachtig.—„Kom, zeg ik en vrees niet,” ging Athos voort. „Op het oogenblik, dat ik u wilde betalen, had ik mijn beurs op tafel gelegd.”—„Ja, edele heer!”—„Die beurs bevatte zestig pistolen; waar is zij?”—„Ter Griffie neergelegd, edele heer! men zeide, dat het valsch geld was.”—„Welnu, laat u de beurs teruggeven en behoud de zestig pistolen.”—„Maar Uwe Excellentie weet wel, dat de Griffie niets loslaat, wat zij eenmaal in handen heeft; indien het valsch geld ware, was er nog hoop, maar ongelukkig is het goede munt.”—„Schik het met de Griffie, mijn beste man! het raakt mij niet, te meer, daar mij geen frank overblijft.”—„Laat zien,” zeide d’Artagnan, „waar is het oude paard van Athos?”—„In den stal.”—„Hoeveel is het waard?”—„Op zijn hoogst vijftig pistolen.”—„Het is tachtig waard, neem het en wees tevreden.”—„Wat! verkoopt gij mijn paard?” zeide Athos, „verkoopt gij mijn Bajazet? En waarop zal ik te velde trekken? op Grimaud?”—„Ik heb u een ander paard medegebracht,” zeide d’Artagnan.—„Een ander?”—„Een heerlijk!” riep de herbergier.—„Welaan! indien er een ander fraaier en jonger paard is, neem dan het oude en geef te drinken.”—„Wat?” vroeg de volkomen gerustgestelde waard.—„Van den wijn, die achter op de stelling ligt; er zijn nog vijf en twintig flesschen; al de andere zijn door mijn val gebroken. Breng er zes.”—„Maar dat is een bliksemsche kerel!” zeide de herbergier bij zich zelven: „als hij nog slechts veertien dagen blijft en alles betaalt wat hij drinkt, ben ik gered.”—„En vergeet niet,” ging d’Artagnan voort, „vier flesschen van denzelfden aan die Engelsche edellieden te bezorgen.”

„Thans,” zeide Athos, in afwachting van den wijn,

D’Artagnan verhaalde hem, hoe hij Porthos had aangetroffen met een ontwricht been, en Aramis aan tafel, tusschen twee theologanten. Terwijl hij eindigde, trad de herbergier met de gevraagde flesschen binnen en een ham, die gelukkig buiten den kelder was gebleven.

„Het is wel,” zeide Athos, zijn glas en dat van d’Artagnan vullende; „ziedaar wat Porthos en Aramis betreft, maar gij, mijn vriend! wat deert u en wat is u persoonlijk wedervaren? Gij ziet er mij zoo treurig uit.”—„Helaas,” zeide d’Artagnan, „het is omdat ik de ongelukkigste van allen ben!”—„Gij, ongelukkig, d’Artagnan!” riep Athos. „Laat hooren, op wat wijze zijt gij ongelukkig, zeg mij dat eens!”—„Later,” antwoordde d’Artagnan.—„Later! en waarom later? omdat gij gelooft, dat ik te veel gedronken heb, d’Artagnan? Onthoud dit wel: nooit heb ik meer heldere denkbeelden, dan wanneer de wijn in mij is. Spreek dus, ik ben geheel oor.”

D’Artagnan verhaalde zijn avontuur met juffrouw Bonacieux. Athos luisterde naar hem zonder zijn gelaat te vertrekken en toen hij geëindigd had, zeide hij: „Altemaal niets! altemaal niets!” dat was de gewone uitroep van Athos.—„Gij zegt altijd altemaal niets! mijn waarde Athos!” zeide d’Artagnan; „dat past u in het geheel niet, u, die nooit bemind hebt.”—Het doffe oog van Athos schoot eensklaps vuur; maar het was slechts een weerlicht en het werd wederom dof en strak als vroeger.—„Het is waar,” zeide hij bedaard, „ik, ik heb nooit bemind.”—„Gij ziet dan ook wel, ongevoelig hart!” zeide d’Artagnan, „dat gij ongelijk hebt, streng jegens meer teedere harten te zijn.”—„Teedere harten, doorboorde harten!” zeide Athos.—„Wat zegt gij?”—„Ik zeg, dat de liefde een loterij is, in welke hij, die wint, den dood wint. Gij zijt wel gelukkig verloren te hebben, geloof mij, waarde d’Artagnan! En als ik u een raad mag geven, verlies dan altijd.”—„Zij scheen mij zoo oprecht te beminnen.”—„Zij

„Maar dan, groote wijsgeer!” zeide d’Artagnan, „onderwijs mij, ondersteun mij; ik heb noodig te leeren en getroost te worden.”—„Waarover u te troosten?”—„Over mijn ongeluk.”—„Uw ongeluk is belachenswaard,” zeide Athos, de schouders ophalende; „ik zou wel willen weten, wat gij zeggen zoudt, indien ik u een zekere liefdesgeschiedenis verhaalde.”—„Die u is gebeurd?”—„Of een mijner vrienden, dat doet er niet toe.”—„Verhaal, Athos! verhaal!”—„Drinken is beter.”—„Drink en verhaal.”—„Nu, dat kan,” zeide Athos, zijn glas ledigende en weder vullende: „die beide dingen gaan heerlijk samen.”—„Ik luister,” zeide d’Artagnan.

Athos overpeinsde en intusschen zag d’Artagnan hem verbleeken; hij was op die hoogte der gewone drinkers, wanneer deze neervallen en slapen. Hij droomde luide, zonder te slapen. Dat somnambulisme der dronkenschap had iets verschrikkelijks.—„Wilt gij het volstrekt?” vroeg hij.—„Ja, ik verzoek er u om.”—„Dan zal ik doen, wat gij verlangt. Een mijner vrienden,—een mijner vrienden, hoort gij wel? niet ik,” zeide Athos, zijn rede met een somberen glimlach afbrekende, „een der graven mijner provincie,—dat is van Berry, edel als een Dandolo of een Montmorency, verliefde, vijf en twintig jaar oud zijnde, op een meisje van zestien jaar, schoon als de liefde. Boven de onschuld van haar ouderdom blonk uit: een vurige geest, een niet vrouwelijke, maar dichterlijke geest. Zij behaagde niet, zij bedwelmde; zij woonde in een klein gehucht, bij haar broeder, die pastoor was. Beiden waren als vreemden in de provincie gekomen. Men wist niet, van waar zij kwamen en aangezien men haar zoo schoon en haar

„Welnu! op zekeren dag, dat zij met haar man op jacht was,” ging Athos met gesmoorde stem en zeer haastig sprekende voort, „viel zij bewusteloos van het paard. De graaf snelde te harer hulp en daar zij in haar kleederen als verstikte, sneed hij ze met zijn dolk los en ontblootte haar den schouder. Raad eens, wat zij op den schouder had, d’Artagnan?” vroeg Athos, in luid gelach uitbarstende.—„Kan ik het weten?” zeide d’Artagnan.—„Een lelie,”9) hernam Athos, „zij was gebrandmerkt!”—En hij ledigde in één teug het glas, dat hij in de hand hield.

„Wat afschuwelijkheid verhaalt gij mij daar!” riep d’Artagnan.—„De waarheid, mijn waarde! de engel was een duivelin. Het arme kind had gestolen.”—„En wat deed de graaf?”—„De graaf was een groot heer en oppermachtig rechter op zijn landgoederen; hij ging voort met de kleederen der gravin te verscheuren, bond haar de armen op den rug en hing haar op aan een boom.”—„Hemel! Athos! een moord!” riep d’Artagnan.—„Ja, een moord!” zeide Athos, bleek als een lijk; „maar men laat ons wijn ontbreken, geloof ik.”

En Athos greep de laatste flesch, die overbleef, bij den

„Dat heeft mij van den hartstocht voor schoone, dichterlijke en verliefde vrouwen genezen,” zeide Athos, zich opheffende, zonder er aan te denken het verhaal van den graaf te vervolgen; „dat God evenzoo met u handele. Drinken wij nog eens.”—„Dus zij is dood?” stamelde d’Artagnan.—„Parbleu!” antwoordde Athos. „Maar reik uw glas toe.—Ham! snaak!” riep Athos, „wij kunnen niet meer drinken.”—„Maar haar broeder?” vroeg d’Artagnan verder schroomvallig.—„Haar broeder!” hernam Athos.—„Ja, de priester.”—„O! ik deed onderzoek naar hem, om ook hem te doen ophangen; maar hij was mij vóór geweest; hij had zijn standplaats den vorigen dag verlaten.”—„En heeft men vernomen, wat die ellendeling eigenlijk was?”—„Het was de eerste minnaar en de medeplichtige der schoone, een achtenswaardig man, die zich als priester voordeed, om zijn minnares een huwelijk te bezorgen en haar lot te verzekeren. Hij zal gevierendeeld zijn, hoop ik.”—„Ach, mijn God! mijn God!” zuchtte d’Artagnan, geheel ontroerd door deze akelige geschiedenis.—„Eet toch van die ham, d’Artagnan! zij is overheerlijk,” zeide Athos, een snede afsnijdende, die hij op het bord des jongelings legde. „Hoe jammer dat er niet vier zoodanige in den kelder zijn geweest, ik zou vijftig flesschen meer hebben gedronken.”

D’Artagnan vermocht niet langer een gesprek vol te houden, dat hem krankzinnig zou hebben gemaakt; hij liet zijn hoofd in beide handen vallen en hield zich, alsof hij in slaap viel.

„Het jonge geslacht kan niet meer drinken,” zeide Athos, hem medelijdend beschouwende; „en toch is hij nog de beste.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings