← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK VII.

Reading edition

De huishouding der Musketiers.

Toen d’Artagnan buiten het Louvre was, en hij zijn vrienden raadpleegde, op welke wijze hij van zijn aandeel in de veertig pistolen gebruik moest maken, gaf Athos hem den raad, een goeden maaltijd in den Mastappel te bestellen, Porthos dien, van een lakei te nemen en Aramis, een bekoorlijke minnares te zoeken. Men zat nog dienzelfden dag aan het maal, terwijl de nieuwe lakei aan tafel bediende. Het maal was door Athos besteld en de lakei door Porthos bezorgd. Deze was een Picardiër, dien de prachtlievende musketier dienzelfden dag op de brug de la Tournelle had aangetroffen, zich vermakende met in het water kringen te spuwen. Porthos oordeelde, dat deze bezigheid het bewijs was eener bedachtzame en oplettende zielsgesteldheid, en had hem daarom zonder eenige verdere aanbeveling aangenomen. De voorname houding van den edelman, in wiens dienst hij meende te komen, had Planchet (zoo heette de Picardiër) overgehaald; maar hij was eenigszins teleurgesteld, toen hij bemerkte, dat de plaats reeds was ingenomen door een anderen knecht, eerbied koesterde, zich verbeeldende de bevelen zijns meesters volkomen begrepen te hebben, spoed maakte om ze te volvoeren, doch dan gewoonlijk juist het verkeerde volbracht. Athos trok dan de schouders op en ranselde Grimaud. Alleen bij die gelegenheden ontvielen hem eenige woorden.

Porthos, zooals men heeft kunnen opmerken, bezat een geheel anderen aard dan Athos; niet alleen dat hij veel sprak, maar hij deed zulks zeer luide; trouwens, hij stoorde er zich niet aan, men moet hem dit recht laten wedervaren, of men naar hem luisterde of niet; hij sprak alleen uit praatzucht en om het vermaak zich zelven te hooren. Hij sprak over alles, behalve over wetenschappelijke zaken, voor welke hij een aangeboren haat liet blijken, dien hij zeide den geleerden reeds sedert zijn kindsheid toe te dragen. Van minder voorname houding dan Athos, deed het gevoel dier minderheid hem vaak jegens dien edelman onbillijk zijn en trachtte hij dezen door schitterende kleeding in de schaduw te stellen. Doch in zijn eenvoudig musketiersgewaad, en alleen door de wijze op welke hij het hoofd achterover wierp en den voet neerzette, nam Athos vanzelf de plaats in, die hem toekwam, terwijl hij den pralenden Porthos een trede deed dalen. Porthos troostte zich hierover, door de voorzaal van Tréville’s hotel en de wachtkamer van het Louvre van zijn liefdesgevallen te doen weergalmen, zaken waarover Athos nooit sprak. En voor het oogenblik, na zoowel adellijke als burgerdames over de tong te hebben laten gaan, sprak Porthos over niets minder dan van zekere vreemde prinses, die hem ongeloofelijk veel liefde bewees. Het spreekwoord zegt: zoo meester zoo knecht; gaan wij dus van den

Mousqueton was een Normandiër, wiens vreedzame naam Bonifacius door zijn meester in den veel meer welluidenden krijgsmansnaam van Mousqueton was veranderd. De voorwaarde, die hem in dienst van Porthos had doen treden, was: dat deze hem kleeding en huisvesting zou verschaffen en zulks met de meeste pracht. Bovendien begeerde hij niets anders, dan twee uren daags te zijner beschikking te behouden, om die toe te wijden aan zekere nijverheid, wier opbrengst toereikend was ter bestrijding zijner overige behoeften. Porthos had het akkoord aangegaan; een heerlijke zaak voor hem. Hij liet voor Mousqueton uit zijn afgelegde kleedingstukken en mantels buizen en broeken snijden, dank zij een zeer behendigen kleermaker, die hem de kleedingstukken als nieuw terug bezorgde door ze te keeren, en wiens vrouw verdacht werd, Porthos zijn aristocratische gewoonten somwijlen te doen afleggen; zoo zag Mousqueton, achter zijn meester voorttredende, er zeer goed uit.

Aramis, van wien wij meenen genoegzaam het karakter te hebben beschreven, een karakter trouwens, dat wij, zooals dat zijner wapenbroeders, in zijn ontwikkeling kunnen volgen, had een knecht, die Bazijn werd genoemd. Uit hoofde der hoop zijns meester, om eenmaal tot den geestelijken stand over te gaan, was hij altijd in het zwart gekleed, zooals het den dienaar eens geestelijken betaamt. Hij was geboortig uit Berry en vijf en dertig tot veertig jaar oud, van zachtmoedigen, vreedzamen aard en mollig van lichaam; hij besteedde de vrije oogenblikken, die hem zijn meester liet, met het lezen van stichtelijke boeken; als het vereischt werd, maakte hij een maal voor twee personen gereed, dat wel is waar uit weinig gerechten bestond, maar overheerlijk was. Overigens was hij stom, blind, doof, kortom van een beproefde trouw.

Thans, nu wij ten minste oppervlakkig zoowel meesters als knechts kennen, kunnen wij tot de door

Op zekeren tijd, dat hij een samenkomst met een hertogin had afgesproken, trachtte hij dien zelfs van Athos ter leen te verkrijgen. Athos, zonder één woord te spreken, ledigde zijn zakken, bracht al zijn kostbaarheden bij elkander, beurzen, rijgsnoeren en gouden kettingen en bood dit alles Porthos aan; „maar wat den degen betreft,” zeide hij, „die is op zijn plaats vastgeklonken en verlaat die niet, dan wanneer de eigenaar de woning verlaat.”

Behalve dien degen bezat hij nog een portret, een edelman uit den tijd van Hendrik III voorstellende, prachtig gekleed en versierd met de orde van den Heiligen Geest. Het gelaat van dat portret had wel eenige gelijkenis met dat van Athos en bezat een soort van familietrek, die genoegzaam aanduidde, dat die groote heer, ridder der koninklijke orden, een zijner voorvaders was geweest. Eindelijk stond een kostbaar gouden kistje, met hetzelfde wapen versierd, dat zich ook op den degen en het portret bevond, midden op den schoorsteenmantel en stak niet weinig af bij het overige huisraad. Athos droeg steeds den sleutel van dat kistje, dat niets anders dan brieven en andere

Porthos bewoonde zeer ruime vertrekken in een huis van een zeer prachtig aanzien, in de straat Vieux Colombier. Telkens wanneer hij met eenige vrienden zijn vensters voorbijging, voor een van welke Mousqueton steeds in groote livrei te zien was, hief Porthos het hoofd op en met de hand het huis aanwijzende, zeide hij: „Ziedaar mijn woning!” Maar nooit vond men hem te huis, nooit verzocht hij iemand bij zich en niemand was er, die zich een denkbeeld vormen kon van de werkelijke schatten, die deze oogenschijnlijk prachtige woning bevatte.

Aramis bewoonde eenige kleine vertrekken, bestaande in een klein salon, een eetzaal en een slaapkamer, welke laatste, evenals de overige, het benedengedeelte van het huis besloeg en op een kleinen, frisschen, groenen, lommerrijken en voor het oog der geburen ondoordringbaren tuin uitkwam.

Wat d’Artagnan betreft, wij weten op wat wijze hij was gehuisvest en hebben reeds met zijn lakei, meester Planchet, kennis gemaakt.

D’Artagnan, die zeer nieuwsgierig was, zooals trouwens allen, die den geest van intrigue bezitten, stelde alle pogingen in het werk om er achter te komen, wie toch eigenlijk Athos, Porthos en Aramis waren; want onder deze oorlogsnamen verborg elk hunner zijn adellijken geslachtsnaam, vooral Athos, die in al zijn handelingen den edelman vertoonde. Hij wendde zich tot Porthos om een en ander nopens Athos en Aramis te vernemen, en tot Aramis om Porthos te leeren kennen. Ongelukkig wist Porthos omtrent het leven van zijn zwijgenden vriend niets anders dan datgene, wat er van was uitgelekt. Men zeide, dat hij zware rampen in zijn liefde had ondervonden en dat een vreeselijk verraad voor altijd het leven van dien beminnelijken man had vergald. Maar waarin dat verraad bestond, was voor de geheele wereld een geheim. Behalve den waren naam van Porthos, dien de heer de Tréville alleen kende, zoowel

Op zekeren dag, na hem langdurig over Porthos ondervraagd te hebben en door hem het gerucht vernemende, dat van de goede vertrouwelijkheid des musketiers met een prinses in omloop was, wilde nu ook d’Artagnan een en ander van de verliefde avonturen van hem, dien hij ondervroeg, weten.—„En gij, mijn waarde vriend!” zeide hij, „gij, die over de baronessen, de gravinnen en de prinsessen der anderen spreekt?”—„Vergeef mij,” viel Aramis hem in de rede, „hierover sprak ik, omdat Porthos er zelf over spreekt, en hij al die fraaiigheden in mijn tegenwoordigheid voor het publiek heeft uitgekraamd. Maar wees verzekerd, mijn waarde heer d’Artagnan! dat, indien ik hiermede op een andere wijze was bekend geraakt, of hij mij zulks had toevertrouwd, niemand dat geheim strenger bewaard zou hebben dan ik.”—„Ik twijfel hieraan niet,” hernam d’Artagnan; „maar in alle geval geloof ik, dat gij zelf tamelijk gemeenzaam zijt met zeker geslachtswapen, waarvoor de geborduurde zakdoek niet weinig grond geeft, en die mij de eer heeft bezorgd, met u in kennis te raken.”

Nu werd Aramis niet meer boos, maar hij nam een zeer nederige houding aan en antwoordde vriendelijk: „Mijn waarde! houd toch in het oog, dat ik tot de kerk behoor en alle wereldsche zaken vlied. De zakdoek, dien gij mij hebt zien ontvallen, was mij niet gegeven geworden, maar werd door een mijner vrienden bij mij

Het was d’Artagnan niet mogelijk, welke moeite hij ook deed, iets naders nopens zijn drie nieuwe vrienden te vernemen. Hij bepaalde er zich dus voorloopig toe alles te gelooven, wat men hem over hun verleden verhaalde, van de toekomst zekerder en vollediger mededeelingen verwachtende. Intusschen beschouwde hij Athos als een Achilles, Porthos als een Ajax en Aramis als een Jozef. Overigens was de leefwijze der vier jongelieden van een vroolijken aard: Athos speelde, doch steeds met verlies. Echter leende hij nooit van zijn vrienden één penning, hoewel zijn beurs steeds voor hen geopend was; en wanneer hij op zijn woord had gespeeld, ging hij altijd zijn schuldeischer des

Planchet, de knecht van d’Artagnan, verdroeg de weelde goed; hij ontving dagelijks anderhalve frank, en gedurende een maand kwam hij te huis vroolijk als een vink en vol voorkomendheid jegens zijn meester. Toen de wind des tegenspoeds begon te waaien over de huishouding der Doodgraversstraat, dat is te zeggen, toen de veertig pistolen van koning Lodewijk XIII zoo niet geheel, althans gedeeltelijk waren verteerd, begon hij klachten aan te heffen, die Athos akelig, Porthos onwelvoegelijk en Aramis dwaas vond. Athos gaf dus aan d’Artagnan den raad den snaak weg te jagen; Porthos, dat men hem vooraf een dracht slagen zou geven, en Aramis beweerde, dat een meester niets anders dan het goede, dat men van hem zeide, behoefde af te wachten.

D’Artagnan overwoog en besloot Planchet bij voorbaat een pak slaag te geven, hetgeen werd uitgevoerd met de nauwgezetheid, welke d’Artagnan gewoon was in alle dingen in acht te nemen. Toen, na hem duchtig te hebben afgerost, verbood hij hem zijn dienst te verlaten zonder zijn verlof; „want,” voegde hij er bij, „de toekomst moet mij geluk schenken, ik wacht dan ook stellig betere tijden. Uw fortuin is dus gemaakt, wanneer gij bij mij blijft, en ik ben een al te goed meester, om u uw fortuin te doen ontgaan, door u verlof te geven om te vertrekken.”

Deze handelwijze boezemde den musketiers voor het doorzicht van d’Artagnan veel eerbied in. Planchet was niet minder door bewondering opgetogen en sprak niet meer van te vertrekken. De vier jongelingen leefden samen; d’Artagnan, aan hoegenaamd geen gewoonten verslaafd, dewijl hij uit de provincie te midden van een voor hem geheel nieuwe wereld terechtkwam, maakte zich onmiddellijk de gewoonten zijner vrienden eigen. Men stond des winters te acht en des zomers tegen zes uur op, waarna men bij den heer de Tréville naar het wachtwoord ging vernemen en zien hoe de zaken dáár stonden. D’Artagnan, ofschoon

De heer de Tréville, die hem op het eerste gezicht naar waarde had geschat en hem veel vriendschap toedroeg, hield niet op, hem den koning aan te bevelen. Ook de drie musketiers betoonden van hun kant hun jeugdigen makker veel genegenheid. Die vriendschap, welke deze vier mannen vereenigde, en de behoefte elkander drie of viermaal daags te zien en te spreken, dan nopens een tweegevecht, dan wegens zaken of uitspanningen, deed hen elkander achterna loopen als de schaduw het lichaam en men ontmoette steeds de onafscheidbaren, elkander zoekende, tusschen het Luxembourg en het plein St. Sulpice, of van de straat Vieux Colombier tot aan het Luxembourg.

Intusschen verwezenlijkten zich de beloften van den heer de Tréville. Op zekeren dag beval de koning den ridder des Essarts, d’Artagnan als kadet in zijn gardekompagnie in te lijven. D’Artagnan hulde zich al zuchtende in die uniform, welke hij voor tien jaren zijns levens tegen den musketiersrok zoude hebben willen verruilen. De heer de Tréville beloofde hem echter die gunst na een tweejarigen leertijd, die trouwens kon verkort worden, indien de gelegenheid zich aanbood, dat d’Artagnan den koning een of anderen dienst bewijzen of een schitterende daad verrichten kon. D’Artagnan verwijderde zich op die belofte en den volgenden dag nam zijn dienst een aanvang. Toen was de beurt aan Athos, Porthos en Aramis, om met d’Artagnan de wacht te betrekken, wanneer het de beurt van dezen was: zoodat de kompagnie van den ridder des Essarts, op den dag dat d’Artagnan werd ingelijfd, vier manschappen in plaats van één verkreeg.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings