← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK XXVI.

Reading edition

De thesis van Aramis.

D’Artagnan had aan Porthos niets van de wonde of van de procureursvrouw gezegd. Hoe jong ook, was onze Bearnees een zeer wijs jongeling, en hij had den schijn aangenomen alles te gelooven, wat hem de ijdele musketier had verhaald, daar hij verzekerd was, dat de vriendschap door een ontdekt geheim verloren gaat,

Intusschen bleef langs den geheelen weg een diepe droefheid zijn hart beknellen door de gedachte aan die jonge, lieve juffrouw Bonacieux, die hem den prijs zijner diensttoewijding moest schenken. Doch haasten wij ons het te zeggen; die droefheid ontsproot bij den jongeling minder uit leedwezen wegens zijn verloren geluk, dan wel uit de vrees, die hij koesterde, dat de arme vrouw aan een of ander ongeluk was blootgesteld. Immers, hij twijfelde er niet aan of zij was het offer der wraak van den kardinaal geworden, en zooals men weet was de wraak Zijner Eminentie vreeselijk. Hoe hij nog genade in de oogen van den minister had gevonden, wist hij zelf niet; maar de heer de Cavois zou hem dit zeker hebben geopenbaard, indien die kapitein der gardes hem had thuis gevonden.

Niets doet sneller den tijd voorbijgaan en verkort meer den weg dan een gedachte, die uitsluitend al de zielsvermogens van hem, die overweegt, tot zich trekt. Het uitwendige leven gelijkt dan een slaap, van welken dat denkbeeld de ziel is; door dien invloed heeft de tijd geen maat, de uitgestrektheid geen afstand meer: men vertrekt van de eene plaats, men komt aan de andere aan, dat is al. Van de doorgeloopene tusschenruimte blijft niets in het geheugen over dan een onduidelijke nevel, die duizend beelden van boomen, bergen en landschappen omhult.

Het was ten prooi aan deze zinsbegoocheling, dat d’Artagnan, zich aan de bewegingen van zijn paard vrijwillig overgevende, de zes of acht mijlen aflegde, die Chantilly van Crèvecoeur scheiden, zonder dat hij,

D’Artagnan was een gelaatkundige; een blik op het vroolijke gezicht der dikke meesteres van de herberg geslagen was voldoende om hem te doen begrijpen, dat hij met haar niet behoefde te veinzen, en hij van een zoo vergenoegd uiterlijk niets te vreezen had.

„Mijn lieve juffrouw!” vroeg d’Artagnan, „zoudt gij mij kunnen zeggen, wat er van een mijner vrienden is geworden, dien wij genoodzaakt waren hier, eenige dagen geleden, achter te laten?”—„Een fraai jongeling van drie of vier en twintig jaar, zacht van aard, beminnelijk en welgemaakt?”—„Dezelfde.”—„Daarbij aan den schouder gewond?”—„Juist.”—„Wel, mijnheer! hij is nog altijd hier.”—„Ha, pardieu! mijn lieve juffrouw!” zeide d’Artagnan, van zijn paard springende en den toom Planchet op den arm werpende, „gij geeft mij het leven weder; waar is hij, die waarde Aramis, dat ik hem omhelze, want ik beken, dat ik met ongeduld verlang hem te zien?”—„Vergeef mij, mijnheer! maar ik twijfel, of hij u op dit oogenblik wel zal kunnen ontvangen.”—„Waarom! is er een dame bij hem?”—„Jezus, mijn God! wat zegt gij daar? De arme jongen! Neen, mijnheer! hij heeft geen dame bij zich.”—„Wie is er dan bij hem?”—„De pastoor van Montdidier en de overste der jezuïeten van Amiëns.”—„Mijn God!” riep d’Artagnan, „is het dan erger met den armen jongeling?”—„Neen, mijnheer! integendeel, maar tengevolge zijner ziekte heeft de genade hem getroffen en hij is besloten in een geestelijke orde te treden.”—„Het is waar ook,” zeide d’Artagnan, „ik had vergeten, dat hij slechts musketier ad interim was.”—„Dringt mijnheer er steeds op aan, om hem te spreken?”—„Meer dan ooit.”—„Welnu, mijnheer!

D’Artagnan volgde de aangewezen richting en vond een dier uitwendige trappen, zooals men er nog op de binnenplaatsen der ouderwetsche herbergen aantreft; maar men naderde zoo gemakkelijk niet den toekomstigen abt; de toegang tot de kamer van Aramis was niet minder goed bewaakt dan de tuinen van Armida. Bazijn stond in de gang en versperde hem den doorgang met te meer kordaatheid, daar Bazijn, na veeljarigen proeftijd, zich eindelijk nabij het doel waande, waarnaar hij zoo lang had gestreefd. Immers de droom van den armen Bazijn was steeds geweest een geestelijke te dienen, en hij wachtte ongeduldig het oogenblik af, hetwelk hij in de toekomst voorzag, dat Aramis eindelijk het krijgsmanskleed zou afwerpen om zich in het priestergewaad te hullen. De dagelijks door den jongeling vernieuwde belofte, dat dit oogenblik niet ver meer af was, had hem alleen in dienst van een musketier doen blijven; een dienst, waarin het, naar zijn zeggen, niet kon missen of hij moest zijn ziel verliezen. Bazijn was dus ten toppunt van vreugd. Volgens alle waarschijnlijkheid zou voor dezen keer zijn meester niet meer van besluit veranderen. De vereeniging van lichamelijke met zielesmart had de zoolang verwachte uitwerking teweeggebracht.

Aramis, zoowel naar ziel als naar lichaam lijdende, had eindelijk oog en hart op den godsdienst gericht en als een waarschuwing des hemels het dubbel ongeluk beschouwd, dat hem was overkomen, namelijk: de plotselinge verdwijning van zijn minnares en zijn wonde aan den schouder.

Men begrijpt dat voor Bazijn, in de gesteldheid van geest, waarin hij zich bevond, niets onaangenamer kon zijn dan de komst van d’Artagnan, die zijn meester wederom in den maalstroom der wereldsche denkbeelden kon medesleepen, waarin hij reeds zoo lang zich gewenteld had. Hij besloot dus de deur standvastig te

Maar d’Artagnan stoorde zich volstrekt niet aan de welsprekendheid van meester Bazijn, en daar hij geen de minste neiging gevoelde met den knecht van zijn vriend in woordenwisseling te treden, duwde hij hem eenvoudig met de eene hand ter zijde, terwijl hij met de andere den knop van deur No. 5 omdraaide. De deur ging open en d’Artagnan trad de kamer binnen.

Aramis, gekleed in een zwarten rok en bedekt met een soort van plat en rond hoofddeksel, dat veel op een priesterkapje geleek, zat voor een langwerpig vierkante tafel, die zwichtte onder een aantal rollen papier en dikke folianten; aan zijn rechterhand zat de overste der jezuïeten en aan zijn linkerhand de pastoor van Montdidier. De gordijnen waren ten halve neergelaten en lieten slechts een geheimzinnig licht doordringen, dat voor vrome overwegingen als bestemd scheen.

Al de wereldsche voorwerpen, die het oog boeien, wanneer men de kamer eens jongelings binnentreedt, en vooral wanneer die jongeling musketier is, waren als door toovernij verdwenen en ongetwijfeld uit vrees, dat het zien van den degen, de pistolen, den gevederden hoed en de borduursels en kanten van allerlei aard en soort zijn meester tot wereldsche gedachten zou hebben overgehaald, had Bazijn op een en ander de hand gelegd. Maar in hun plaats meende d’Artagnan in een donkeren hoek iets naar een roede gelijkende te zien, die aan een spijker tegen den muur hing.

Op het gerucht, dat d’Artagnan bij het openen der deur maakte, richtte Aramis het hoofd op en herkende zijn vriend. Maar tot groote verwondering van d’Artagnan

„Goeden dag, mijn waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „het is mij aangenaam u te zien.”—„Mij ook,” zeide d’Artagnan, „ofschoon ik nog niet zeker ben, dat het Aramis is, tot wien ik spreek.”—„Tot hem zelven, mijn vriend! tot hem zelven; maar wat heeft u kunnen doen twijfelen?”—„Ik vreesde mij in de kamer bedrogen te hebben en meende aanvankelijk in die van een of ander geestelijke binnen te gaan; vervolgens overviel mij een andere schrik, door u in het gezelschap dier heeren te zien, namelijk dat gij ernstig ziek waart.”

De twee zwarte mannen wierpen op d’Artagnan, wiens bedoeling zij begrepen, een eenigszins dreigenden blik, maar deze stoorde er zich niet aan.—„Ik hinder u misschien, waarde Aramis,” ging d’Artagnan voort, „want naar hetgeen ik zie, moet ik gelooven, dat gij dien heeren uw biecht zegt.”—Aramis bloosde bijna onmerkbaar.—„Mij hinderen! wel neen, in het geheel niet, waarde vriend! dat zweer ik u, en ten bewijze van hetgeen ik u zeg, veroorloof mij vooreerst mij te verblijden u gezond en ongedeerd terug te zien.”

„Ha! hij komt nader,” dacht d’Artagnan, „dat is gelukkig.”

„Want mijnheer, die mijn vriend is, is aan een groot gevaar ontkomen,” ging Aramis voort met zalving, d’Artagnan aan beide geestelijken voorstellende.—„Dank God, mijnheer,” antwoordden deze, zich gelijktijdig buigende.—„Ik heb het niet verzuimd, eerwaarden!” hernam de jongeling, hun groet beantwoordende.—„Gij komt juist te stade, waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „om aan de woordenwisseling deel te nemen en die met uw oordeel bij te lichten. Mijnheer de overste van Amiëns, mijnheer de pastoor van Montdidier en ik redetwisten over eenige godgeleerde vraagpunten, wier belangrijkheid ons sedert een geruime poos bezig houdt; ik zou ook gaarne uw oordeel er over hooren.”—„Het oordeel van een krijgsman is van zeer stalle had gezeten, en met welgevallen zijn witte en als die eener vrouw zoo vleezige hand beschouwende, die hij in de hoogte hield om het bloed er uit te doen zakken; „derhalve, zooals gij hebt gehoord, d’Artagnan! mijnheer de principaal zou willen, dat mijn thesis leerstellig ware, terwijl ik tot het denkbeeldige van het onderwerp overhel: het is dan uit dien hoofde dat mijnheer de overste mij dit onderwerp voorstelde, hetwelk nog niet is behandeld geworden, en waarin ik genoegzame stof zie, om het heerlijk te ontwikkelen: Utramque manem in benedicendo clericis inferioribus necessariam esse.”

D’Artagnan, wiens geleerdheid wij kennen, gaf evenmin eenig teeken deze aanhaling te verstaan, als toen de heer de Tréville er hem eene deed bij het zien van den ring, welken hij meende, dat d’Artagnan van Buckingham had ontvangen.—„Hetgeen wil zeggen,” hernam Aramis, om het hem gemakkelijk te maken, „beide handen zijn onontbeerlijk aan den priester van minderen rang, wanneer hij den zegen geeft.”—„Een heerlijk onderwerp!” riep de jezuïet.—„Fraai en leerrijk,” herhaalde de pastoor, die, bijna even goed het prorsus admirabile!” vervolgde Aramis, „maar het vereischt een grondige studie der kerkvaders en der H. Schrift. Ik heb dan ook, met alle nederigheid, aan die geleerde heeren geestelijken verklaard, dat de nachtwachten en de dienst des konings mij de studie een weinig hadden doen verzuimen. Het zou derhalve voor mij gemakkelijker zijn een onderwerp mijner eigen keuze te bewerken: facilius natans, dat, ten aanzien der moeilijke godgeleerde vraagpunten, zou wezen hetgeen de zedekunde, ten aanzien van de bovennatuurkunde, in de wijsbegeerte is.”

D’Artagnan verveelde zich doodelijk; de pastoor ook.

„Zie eens wat exordium!” riep de jezuïet.—„Exordium!” herhaalde de pastoor, om ook iets te zeggen.—„Quem ad modum inter coelorum immensitatem.”—Aramis wierp een schuinschen blik op d’Artagnan en hij zag, dat zijn vriend geeuwde als om zijn kaakbeenderen te ontwrichten.—„Laat ons Fransch spreken, eerwaarde vader!” zeide hij tot den jezuïet, „de heer d’Artagnan zal des te meer van onze woorden vrucht hebben.”—„Ja, ik ben vermoeid van de reis,” zeide d’Artagnan, „en al dat latijn ontgaat mij.”

„Vooreerst,” zeide de jezuïet met zekere teleurstelling, terwijl de vergenoegde pastoor oogen vol dankbaarheid op d’Artagnan sloeg: „zie het voordeel, dat er uit deze verklaring te trekken is. Mozes, Gods dienaar, hij is niets meer als dienaar, verstaat gij? Mozes geeft met de handen den zegen; hij laat zich beide armen ondersteunen, terwijl de Hebreërs hun vijanden verslaan; bijgevolg zegent hij met beide handen. Bovendien, wat zegt het Evangelie? Imposuite manus en niet manum, leg de handen op en niet de hand.”—„Leg de handen op,” herhaalde de pastoor, die beweging makende.—„Tot den heiligen Petrus integendeel, van wien de Porrige digitos, hef de vingers op; begrijpt gij het nu?”—„Zeker,” antwoordde Aramis met zekere zelfvoldoening, „maar het is iets zeer scherpzinnigs.”—„De vingers,” hernam de jezuïet, „de heilige Petrus zegent met de vingers, de paus geeft dus ook zijn zegen met de vingers. En met hoeveel vingers geeft hij dien? met drie vingers, één voor den Vader, één voor den Zoon en één voor den Heiligen Geest.”—Alle aanwezigen kruisten zich; d’Artagnan meende dit voorbeeld te moeten volgen.—„De paus is de opvolger van den heiligen Petrus en vertegenwoordigt de drie Goddelijke machten; de overige ordines inferiores5) der kerkelijke hiërarchie zegenen door den naam der heilige aartsengelen en engelen. De minste klerken, zooals onze diakens en kosters, zegenen met den wijwaterskwast, die een oneindig getal zegenende vingers voorstelt. Ziedaar het onderwerp vereenvoudigd: Argumentum omni denudatum ornamento. Ik zou hierover twee boekdeelen van de dikte als dit kunnen schrijven,” eindigde de jezuïet, en in zijn geestverrukking sloeg hij op den H. Chrysostomus in folio, dat de tafel onder dat gewicht boog.—D’Artagnan rilde.

—„Het is waar,” zeide Aramis, „ik ben overtuigd van de schoonheden dezer thesis; maar tegelijk moet ik bekennen, dat ze voor mij te zwaar is. Ik had dezen tekst gekozen: zeg mij eens, waarde d’Artagnan, of hij niet naar uw zin is? Non inutile est desiderium in oblatione, of liever: Een weinig leedwezen misvoegt niet bij een offerande aan den Heere.”—„Ho!” riep de jezuïet, „die tekst riekt naar den brandstapel; een dergelijk voorstel vindt men in den Augustinus van den ketter Jansenius, wiens boek vroeg of laat door de handen des beuls zal worden verbrand. Wees op uw hoede, mijn jonge vriend! gij helt over tot valsche grondstellingen; gij zult verloren gaan, mijn jonge vriend!”—„Gij zult verloren gaan,” herhaalde de pastoor, smartelijk Desideras diabolum,6) rampzalige!” riep de jezuïet.—„Betreurt hij den duivel? Ach! mijn jonge vriend!” hernam de pastoor zuchtende: „betreur den duivel niet, ik smeek het u.”

D’Artagnan begon half mal te worden; hij meende in een gekkenhuis te zijn en even gek te worden als degenen, die hij zag. Maar hij was genoodzaakt te zwijgen, volstrekt de taal niet verstaande, welke in zijn tegenwoordigheid gesproken werd.

„Maar luister dan toch,” hernam Aramis met een beleefdheid, onder welke men een weinig ongeduld bemerkte, „ik zeg niet dat ik betreur; neen, nooit zal ik dat woord uitspreken, dat niet rechtzinnig is.”—De jezuïet hief de handen ten hemel; de pastoor deed evenzoo.—„Neen, maar ik beken, dat het niet fraai is, den Heere datgene aan te bieden, waarvan men volkomen afkeerig is geworden. Heb ik gelijk, d’Artagnan?”—„Ik geloof het wel, pardieu!” riep deze.—De pastoor en de jezuïet deden een sprong op hun stoelen.—„Ziehier van waar ik uitga; het is een sluitrede; der wereld ontbreekt het niet aan bekoorlijkheden: ik verlaat de wereld, derhalve offer ik iets op; en de H. Schrift zegt uitdrukkelijk: Offert den Heere!”—„Dat is waar,” rondeau7) hierop gemaakt, dat ik verleden jaar aan den heer Voiture heb laten lezen, en waarmee die groote man mij heeft geluk gewenscht.”—„Een rondeau!” zeide de pastoor werktuigelijk.—„Zeg op, zeg op!” riep d’Artagnan, „dat zal min of meer het gesprek veranderen.”—„Neen, want het is godsdienstig,” antwoordde Aramis; „het is berijmde godgeleerdheid.”—„Duivelsch!” liet d’Artagnan hooren.—„Hier is het,” zeide Aramis, op min of meer nederigen toon, die echter niet vrij was van huichelarij:

„Gij! die beweent een vreugdevol verleden, In treurigheid uw dagen thans verslijt; Van uwe ramp zult gij dra zijn bevrijd, Indien gij Gode wijdt uw tranen en gebeden. Gij! die beweent enz.”

D’Artagnan en de pastoor schenen tevreden. De jezuïet bleef in zijn denkwijze volharden.—„Hoed u voor een ongewijden stijl in godgeleerde voorstellingen. Wat zegt dan ook de H. Augustinus? Severus sit clericorum sermo.”8)—„Ja, dat het Sermoen duidelijk zij,” zeide de pastoor.—„Derhalve,” haastte zich de jezuïet hierop in te vallen, ziende dat zijn helper in de war was; „derhalve zal uw thesis aan niemand dan aan de dames behagen, zij zal geschat worden als een pleidooi van meester Patru.”—„Dat geve God!” riep Aramis verheugd.—„Gij ziet,” riep de jezuïet, „de wereld verheft in u nog luide haar stem: Altissima voce. Gij volgt de wereld, mijn jonge vriend! en ik vrees, dat de genade niet krachtig genoeg zij.”—„Stel u gerust, eerwaarde heer! ik stel mij zelven verantwoordelijk.”—„Dat is wereldsche verwatenheid.”—„Ik ken mij zelven, eerwaarde vader! mijn besluit is onherroepelijk.”—„Dan wilt gij volstrekt die thesis uitwerken?”—„Ik voel mij geroepen die te behandelen, en morgen hoop ik, dat gij zult tevreden zijn over de verbeteringen, die ik er op uw raad in heb gemaakt.”—„Werk langzaam,” zeide de pastoor; „wij verlaten u in de heerlijkste gesteldheid.”—„Ja, de grond is reeds genoeg bezaaid,” zeide de jezuïet, „en wij behoeven niet te vreezen, dat een gedeelte van het zaad op de rots is gevallen, het andere langs den weg verloren gaat en dat de vogels des hemels het overige hebben verslonden. Aves coeli comoederunt illam.”—„Dat de pest u verstikke met uw latijn,” dacht d’Artagnan, wiens geduld ten einde raakte.—„Vaarwel, mijn zoon! tot morgen.”—„Vaarwel, jonge roekelooze!” zeide de jezuïet; „gij belooft een der lichten van de kerk te worden; de hemel geve, dat dit licht geen verslindend vuur worde!”—D’Artagnan, die gedurende een uur zijn nagels van ongeduld had afgeknaagd, was aan het vleesch begonnen.

De beide zwarte mannen stonden op, groetten Aramis en d’Artagnan en naderden de deur. Bazijn, die er voor was blijven staan en die dezen godgeleerden twist in vrome verheffing des harten had aangehoord, ijlde naar hen toe, nam den pastoor het getijdeboek en den jezuïet het misboek af, waarop hij, eerbiedig vooruit gaande, hun den weg baande. Aramis vergezelde hen tot beneden aan de trap en keerde toen dadelijk naar d’Artagnan terug, die nog in zijn overwegingen verzonken was.

Nu alleen zijnde, bewaarden beide vrienden aanvankelijk een onaangename stilte; echter moest een van beiden die het eerst verbreken, en daar d’Artagnan scheen besloten te hebben die eer aan zijn vriend te laten, zeide Aramis:

tetragones en vruchten.”—„Wat verstaat gij onder tetragones?” vroeg d’Artagnan ongerust.—„Hieronder versta ik spinazie,” hernam Aramis, „maar ik zal er voor u eieren bij laten voegen, hoewel dit een geweldige inbreuk op de voorschriften is; want eieren is vleesch, omdat zij het hoen voortbrengen.”—„Dat maal is niet zeer smakelijk; maar om bij u te blijven, zal ik mij er aan onderwerpen.”—„Ik ben u voor de opoffering erkentelijk,” zeide Aramis; „en mocht het u al niet lichamelijk tot nut zijn, het zal echter, dit verzeker ik u, uw ziel voordeelig zijn.”

„Dus hebt gij waarlijk besloten, Aramis! tot den geestelijken stand over te gaan? Wat zullen onze vrienden zeggen! wat zal de heer de Tréville denken! zij zullen u als een deserteur behandelen, dat verzeker ik u.”—„Ik ga niet tot den geestelijken stand over,

„Ik was dan van af mijn negende jaar in het seminarie en een en twintig jaar oud; nog drie dagen en ik zou tot priester worden gewijd, en alles ware gedaan geweest. Op zekeren avond, dat ik mij volgens gewoonte naar een huis begaf, waar ik mij steeds naar genoegen bevond—men is jong, wat zal ik zeggen, men is zwak—trad een officier, die mij met een afgunstig oog het leven der Heiligen aan de meesteres des huizes zag voorlezen, eensklaps en zonder aangediend te zijn binnen. Juist had ik dien avond de episode van Judith in verzen overgebracht en herhaalde ze aan de dame, die mij allerhande soort van komplimenten maakte en op mijn arm geleund ze met mij opnieuw overlas. De houding, die, ik beken het, wel wat los was, kwetste dien officier; hij zeide niets, maar toen ik heenging, volgde hij mij en sprak mij aan:

„‚Mijnheer de abt! houdt gij van rottingolie?’—‚Ik kan het u niet zeggen, mijnheer!’ antwoordde ik, ‚want niemand heeft mij die ooit durven geven.’—‚Welnu, luister dan, mijnheer de abt, indien gij in het huis terugkeert, waar ik u heden avond heb ontmoet, dan zal ik het durven.’

„Ik geloof, dat ik bevreesd werd; ik werd zeer bleek, ik voelde mijn knieën knikken; ik trachtte een antwoord te geven, dat ik niet vond en zweeg. De officier wachtte een antwoord, maar ziende dat het weg bleef, lachte hij mij uit, keerde mij den rug toe en trad het huis weder binnen. Ik keerde naar het seminarie terug.

„Ik ben een echt edelman, zooals gij hebt kunnen Parijs bezoeken en trof met hem een overeenkomst, dat hij mij dagelijks een les zoude geven, en alle dagen, gedurende een jaar, nam ik die. Vervolgens hing ik, juist op den verjaardag dat ik beleedigd was geworden, mijn geestelijk gewaad aan een spijker, kleedde mij volkomen in een edelmans kleeding en begaf mij naar een bal, dat een dame mijner kennis gaf, waar ik wist, dat mijn man zich zou bevinden. Het was in de straat der Trouwe Burgers, dicht bij het slot la Force. Mijn officier was er werkelijk; ik naderde hem op het oogenblik dat hij een minnelied zong, terwijl hij teederlijk een vrouw toelonkte; ik sprak hem aan te midden van het tweede couplet.

„‚Mijnheer!’ zeide ik hem, ‚mishaagt het u steeds, dat ik in zeker huis in de straat Payenne ga en wilt gij mij nog rottingolie geven, indien ik er toe overga u ongehoorzaam te zijn?’—De officier beschouwde mij met verwondering en zeide: ‚Wat wilt gij, mijnheer? ik ken u niet!’—‚Ik ben,’ antwoordde ik, ‚de jonge geestelijke, die het leven der heiligen voorleest en Judith in verzen overbrengt.’—‚Ha! nu herinner ik mij,’ zeide de officier op spottenden toon, ‚wat wilt gij?’—‚Ik wenschte, dat gij zoo vriendelijk wildet wezen een kleine wandeling met mij te doen.’—‚Morgen ochtend, als het u belieft en dan met het grootste vermaak.’—‚Neen, neen, niet morgen ochtend, oogenblikkelijk.’—‚Als gij het volstrekt begeert?’—‚Wel ja, ik begeer het.’—‚Welaan dan, dames!’ zeide de officier, ‚een oogenblikje; alleen den tijd om mijnheer

„Wij vertrokken. Ik bracht hem in de straat Payenne, juist op de plek, waar hij, een jaar te voren, op hetzelfde uur, mij het kompliment had gemaakt, dat ik u heb medegedeeld.... Het was een heerlijke maneschijn. Wij stonden met den degen tegenover elkander, en bij den eersten uitval stak ik hem dood.”

„Duivelsch!” zeide d’Artagnan.

„En,” ging Aramis voort, „daar de dames hun zanger niet zagen terugkeeren, en men hem in de straat Payenne vond, met een degensteek in het lijf, geloofde men, dat ik het was, die hem dus had toegetakeld, en de zaak werd ruchtbaar. Ik was dus genoodzaakt voor zekeren tijd den geestelijken stand vaarwel te zeggen.... Athos, met wien ik omstreeks dien tijd in kennis kwam, en Porthos, die mij buiten mijn schermlessen met eenige aardige stooten had bekend gemaakt, haalden mij over een plaats bij de musketiers te verzoeken. De koning was mijn vader, die gedurende het beleg van Arras sneuvelde, zeer genegen geweest, en men stond mij mijn verzoek toe.... Gij begrijpt dus wel, dat het oogenblik voor mij nu is gekomen, om in den schoot der kerk terug te keeren?”

„En waarom liever nu dan gisteren of morgen? Wat is u dan toch gebeurd, om zulke akelige denkbeelden te koesteren?”

„Die verwonding, mijn waarde d’Artagnan! is voor mij een waarschuwing des hemels geweest.”—„Die verwonding, och! ze is bijna genezen, en ik ben zeker, dat het deze niet is, die u thans het meest doet lijden.”—„En welke dan?” vroeg Aramis blozende.—„Gij lijdt aan een hartwonde, die pijnlijker, bloediger is, en u door een vrouw is toegebracht.”—Het oog van Aramis schitterde ondanks hem zelven.—„Och,” zeide hij, zijn ontroering onder een schijnbare onverschilligheid verbergende, „spreek mij van die zaken niet; zou ik hierover denken! zou ik liefdesmart gevoelen, vanitas vanitatum, zou ik, volgens uw gevoelen, mij het hoofd hebben op hol gemaakt, en voor wie? voor een of ander naaistertje, voor de kamenier van dezen of genen kanunnik, aan welke ik in een of ander garnizoen het hof zou hebben gemaakt? foei!”—„Vergeef mij, mijn waarde Aramis! maar ik dacht, dat gij uw oog op iets hoogers had gevestigd?”—„Op iets hoogers? En wat ben ik, om zooveel eerzucht te koesteren?.... Een arme musketier, van duistere, onbeduidende afkomst, die voor dienstbaarheid een afschuw heeft en in de groote wereld volstrekt niet op zijn plaats is.”—„Aramis! Aramis!” riep d’Artagnan, zijn vriend twijfelachtig aanziende.

„Als stof,” ging Aramis voort, „keer ik tot stof terug.... Het leven is vol vernedering en smarten,” vervolgde hij, al meer en meer somber wordende; „al de draden, die het aan het geluk hechten, verbreken alras in de hand des menschen, vooral de gouden draden.... Ach, mijn waarde d’Artagnan!” hernam Aramis met een zweem van smart, „geloof mij, verberg wel uw wonden, wanneer gij gekwetst mocht zijn. De stilte is de laatste vreugd der ongelukkigen; wacht u iemand, wie het ook zij, op het spoor uwer smarten te brengen: de nieuwsgierigen zuigen onze tranen op, als de vliegen het bloed van een gewonde hinde.”—„Welaan, mijn waarde Aramis!” zeide d’Artagnan, op zijn beurt een diepen zucht slakende, „dat is mijn eigen geschiedenis, die gij daar verhaalt.”—„Hoezoo?”—„Ja, een vrouw, die ik beminde, die ik aanbad, is mij gewelddadig ontrukt geworden. Ik weet niet waar zij is, en werwaarts men haar heeft gevoerd; misschien is zij in de gevangenis, misschien is zij dood.”—„Maar gij hebt ten minste den troost te kunnen zeggen, dat zij u niet vrijwillig heeft verlaten; dat, indien gij geen tijding van haar ontvangt, zulks ontstaat, doordien elke gemeenschap met u voor haar is afgebroken, terwijl....”—„Terwijl?”—„Niets, niets,” antwoordde Aramis.—„Dus gij hebt besloten volkomen afstand van de wereld te doen, dat besluit is onherroepelijk

D’Artagnan glimlachte en antwoordde niet.—Aramis vervolgde: „En echter, zoolang ik nog tot de wereld behoor, wil ik u over u, over onze vrienden spreken.”—„En ik,” zeide d’Artagnan, „ik wilde over u zelven spreken; maar ik zie u van alles vervreemd: de liefde verfoeit gij, uw vrienden zijn schimmen, de wereld is een graf.”—„Helaas!” zeide Aramis met een zucht, „gij zult het bij u zelven ondervinden.”—„Spreken wij er dan niet meer van,” hernam d’Artagnan, „laten wij dien brief verbranden, die u zeker de een of andere getrouwheid van uw naaistertje of uw kamenier bericht.”—„Welken brief?” vroeg Aramis haastig.—„Een brief, die in uw afwezigheid is bezorgd geworden en dien men aan mij heeft ter hand gesteld.”—„Maar van wien is die brief?”—„Och! van de een of andere beproefde gezelschapsjuffer, van een wanhopende naaister, misschien wel van de kamenier van mevrouw de Chevreuse, die genoodzaakt zal zijn geweest met haar meesteres naar Tours terug te keeren en die, om eens fraai voor den dag te komen, welriekend papier genomen en haar brief met een hertogelijke kroon zal hebben verzegeld.”—„Wat zegt gij daar?”

„Zie, ik geloof hem verloren te hebben,” zeide d’Artagnan, zich houdende alsof hij dien zocht. „Gelukkig, dat de wereld een graf, dat de menschen en bijgevolg ook de vrouwen schimmen zijn en de liefde een gevoel is, dat gij verafschuwt.”—„O, d’Artagnan! d’Artagnan! gij doet mij sterven.”—„Eindelijk heb ik hem,” zeide d’Artagnan en haalde den brief uit zijn zak.

Aramis sprong toe, greep den brief, las of liever verslond dien, terwijl een glans op zijn gelaat verscheen.

„Het schijnt, dat de kamenier een fraaien stijl heeft,” zeide de boodschapper onverschillig.—„Ik dank u, Tours terug te keeren; zij is mij niet ontrouw en bemint mij steeds. Kom, mijn vriend, kom, laat ik u omhelzen. Het geluk benauwt mij.”—En beide vrienden begonnen rondom den foliant van den H. Chrysostomus te dansen, terwijl zij aardig de bladen der thesis vertrapten, die op den grond gevallen waren.

Op dat oogenblik trad Bazijn met de spinazie en de eierstruif binnen.—„Verwijder u, ongelukkige!” riep Aramis, hem zijn priesterkapje in het gezicht werpende, „keer terug vanwaar gij komt; neem die afschuwelijke groente en dien ellendigen koek mede. Vraag een gelardeerden haas, een vetten kapoen, een schapenbout en vier flesschen oude Bourgonje.”

Bazijn, die zijn meester aanzag en niets van die verandering begreep, liet treurig de eierstruif en de spinazie op den grond vallen.

„Ziedaar nu het oogenblik, om uw leven aan den Koning der Koningen te wijden,” zeide d’Artagnan, „indien gij er op gesteld zijt, Hem een beleefdheid te doen, non inutile desiderium in oblatione.”—„Ga naar den duivel met uw latijn, mijn waarde d’Artagnan! laat ons drinken, morbleu! laat ons drinken; en vertel mij eens, wat er ginds zoo al is voorgevallen.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings