← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK XVI.

Reading edition

De vergadering der musketiers.

Zooals Athos het had voorzien, was het bolwerk slechts bevolkt door een twaalftal gesneuvelden, zoowel eigen volk als vijanden.

„Mijne heeren!” zeide Athos, die het bevel der onderneming op zich had genomen, „terwijl Grimaud de tafel zal dekken, zullen wij beginnen de geweren en patronen bij elkander te zoeken. Wij kunnen tegelijkertijd onder dat werk over onze zaken spreken. Die heeren,” vervolgde hij, de gesneuvelden aanwijzende, „zullen ons niet beluisteren.”—„Maar wij zouden hen toch in de gracht kunnen werpen,” zeide Porthos, „na ons vooraf verzekerd te hebben, dat hun zakken niets bevatten.”—„Ja,” hernam Athos, „dat is de zaak van Grimaud.”—„Welnu dan,” zeide d’Artagnan, „laat Grimaud hen onderzoeken en ze daarna over den muur werpen.”—„Wachten wij er ons wel voor,” zeide Athos, „zij kunnen ons nog dienen.”—„Kunnen

De vier musketiers begonnen met dat werk. Toen het laatste geweer geladen was, gaf Grimaud door een wenk te kennen, dat het ontbijt gereed was. Athos antwoordde, zooals altijd, met een gebaar, dat het goed was, en wees Grimaud een soort van schilderhuis aan, waarin deze begreep, dat hij op den uitkijk moest gaan staan. Maar om de verveling zijner wacht te verzachten, veroorloofde Athos hem een brood, twee koteletten en een flesch wijn mede te nemen.

„En nu aan tafel, heeren!” riep Athos.

De vier vrienden zetten zich met over elkaar geslagen beenen, als Turken of kleermakers, op den grond.

„Maar thans,” zeide d’Artagnan, „nu gij niet meer behoeft te vreezen gehoord te worden, vertrouw ik, dat ge ons uw geheim zult mededeelen!”—„Ik hoop u tevens vermaak en glorie te bezorgen, mijne heeren!” zeide Athos. „Ik heb u een aangename wandeling bezorgd, ziedaar nu een zeer smakelijk ontbijt, en vijf personen daarginder, zooals gij door de schietgaten kunt zien, die ons voor dwazen of helden houden, en een paar soorten van krankzinnigen, die elkander tamelijk gelijken.”—„Maar het geheim?” vroeg d’Artagnan.—„Het geheim,” antwoordde Athos, „is, dat ik gisterenavond milady heb gesproken.”

D’Artagnan bracht het glas aan zijn lippen, maar bij den naam van milady begon hij zoo geweldig te beven, dat hij het weer op den grond zette, om den inhoud niet te storten.

„Gij hebt uw vr....”—„Stil toch!” viel Athos hem in de rede, „gij vergeet, mijn waarde! dat die heeren niet, zooals gij, met mijn huiselijke geheimen zijn bekend. Ik heb milady gesproken.”—„En waar dat?” vroeg d’Artagnan.—„Ongeveer twee uren van hier, in de de Roode Duiventoren.”—„In dat geval ben ik verloren,” zeide d’Artagnan.—„Neen, nog niet geheel,” hernam Athos, „want op dit uur moet zij de kust van Frankrijk hebben verlaten.”—D’Artagnan haalde adem.—„Maar bij slot van rekening,” vroeg Porthos, „wat is toch die milady?”—„Een zeer lieve vrouw,” antwoordde Athos, terwijl hij een glas schuimenden wijn ledigde.

„Schurkachtige hospes!” riep hij, „hij heeft ons wijn van Anjou in plaats van Champagne gegeven, in de meening dat wij het niet zouden bemerken.”

„Ja,” hernam hij, „een zeer lieve vrouw, jegens welke onze vriend d’Artagnan ik weet niet welke boosaardigheden heeft bedreven, waarover zij, een maand geleden, getracht heeft zich te wreken, door hem te willen doodschieten, en nu, acht dagen geleden, pogingen heeft aangewend om hem te vergiftigen, terwijl zij gisteren den kardinaal zijn hoofd vroeg.”—„Wat! den kardinaal mijn hoofd vragen?” riep d’Artagnan, bleek van schrik.—„Ja,” zeide Porthos, „zoo waar als het evangelie! ik heb het met mijn beide ooren gehoord.”—„Ik ook,” zeide Aramis.—„Dan,” zeide d’Artagnan, zijn armen moedeloos langs zijn zijden latende vallen, „is het vruchteloos langer te worstelen, het is het beste, dat ik mij voor het hoofd schiet, dan is alles geëindigd.”—„Dat is de laatste dwaasheid, waartoe men kan overgaan,” zeide Athos, „en wel eene, waaraan niets meer te veranderen is.”—„Maar ik zal nooit de handen van dergelijke vijanden ontkomen,” zeide d’Artagnan. „Vooreerst, mijn onbekende van Meung, vervolgens de Wardes, dien ik vier degensteken heb toegebracht, daarna milady, wier geheim ik heb ontdekt, en eindelijk de kardinaal, wiens wraak ik heb doen mislukken.”—„Welnu! dat zijn er niet meer dan vier, en wij zijn met ons vieren, één tegen één, pardieu! Als ik de teekens versta, die Grimaud ons maakt, dan zullen wij met eenige lieden meer te doen krijgen. Wat is er, Grimaud? Uit hoofde van het gewicht der omstandigheden veroorloof ik u te spreken, mijn vriend! maar wees kort en

En daarop den inhoud van zijn glas geledigd hebbende, dat hij naast zich neerzette, stond Athos bedaard op, nam het eerste het beste geweer en naderde een schietgat. Porthos, Aramis en d’Artagnan volgden zijn voorbeeld. Wat Grimaud betreft, dezen werd bevolen zich achter de vier vrienden te plaatsen, ten einde de geweren te laden.

Kort daarna zag men den troep verschijnen, die een soort van loopgraaf volgde, welke de stad met het bolwerk vereenigde.

„Pardieu!” zeide Athos, „het is wel de moeite waard ons voor een twintigtal kinkels, met schoppen, spaden en houweelen gewapend, te vertoonen! Grimaud had hun slechts een wenk behoeven te geven, dat zij zich moesten verwijderen, en ik ben verzekerd, dat zij ons met rust hadden gelaten.”—„Ik twijfel er toch aan, want zij naderen stoutmoedig. Daarenboven worden zij beschermd door vier soldaten en een brigadier, met musketten gewapend.”—„Zij hebben ons ook niet gezien,” zeide Athos.—„Op mijn woord,” zeide Aramis, „ik schiet ongaarne op die arme duivels van burgers.”—„Een slecht priester,” zeide Porthos, „die met ketters medelijden heeft.”—„Het is waar,” zeide Athos, „Aramis heeft gelijk, en ik zal hen waarschuwen.”—„Wat duivel gaat gij doen?” riep d’Artagnan. „Gij zult u laten doodschieten, mijn waarde!”

Maar Athos stoorde zich niet aan de waarschuwing, en Frankrijk te komen drinken.”

„Wees op uw hoede, Athos!” zeide d’Artagnan, „ziet gij niet, dat zij op u aanleggen?”—„Jawel, jawel,” zeide Athos, „maar het zijn burgers, die zeer slecht mikken en er zich wel voor zullen wachten mij te raken.”

En werkelijk werden er vier geweerschoten gelost, zoodat de kogels rondom Athos neervielen, zonder dat hij door één geraakt werd. Vier geweerschoten beantwoordden dezelve bijna gelijktijdig, maar zij waren beter dan die van de aanvallers gericht: drie soldaten vielen dood neder en een der werklieden werd gekwetst.

„Grimaud! geef mij een ander musket,” riep Athos, op de bres blijvende.

Grimaud gehoorzaamde dadelijk. Ook de drie vrienden hadden wederom hun geweren geladen. Een tweede losbarsting volgde de eerste; de brigadier en twee schansgravers vielen dood; de overigen der bende namen de vlucht.

„Welaan, heeren! doen wij een uitval!” zeide Athos.

En de vier vrienden het fort verlatende, bereikten het slagveld, raapten de vier musketten der soldaten en de piek van den brigadier op, en verzekerd, dat de vluchtelingen niet eer met loopen zouden ophouden dan bij de stad, keerden zij naar het bolwerk terug, de zegeteekenen hunner overwinning medevoerende.

Frankrijk ging verlaten.—En werwaarts begeeft zij zich?” voegde d’Artagnan er bij, die zeer ongerust was over den weg, dien milady moest volgen.—„Zij steekt naar Engeland over,” antwoordde Athos.—„En met welk oogmerk?”—„Met het oogmerk Buckingham te vermoorden, of te doen vermoorden.”

Aan d’Artagnan ontglipte een uitroep van verbazing en verontwaardiging.—„Maar dat is allerschandelijkst!” riep hij.—„Och! wat dat betreft,” zeide Athos, „ik verzoek u te gelooven, dat ik er mij weinig om bekommer. Thans, nu gij gedaan hebt, Grimaud! moet gij de piek van onzen brigadier nemen, een servet er aan vastmaken en haar dan boven op het bolwerk planten, opdat die oproerige burgers van la Rochelle kunnen zien, dat zij met brave en moedige soldaten des konings te doen hebben.”

Grimaud gehoorzaamde zonder te antwoorden; een oogenblik daarna woei de vlag boven de hoofden der vier vrienden. Een vreugdekreet, met een donderend gejuich gepaard, begroette haar verschijning. De helft van het legerkamp stond voor den ingang.

„Wat!” hernam d’Artagnan, „gij bekommert u er zoo weinig om, dat zij Buckingham vermoordt, of laat vermoorden, terwijl de hertog onze vriend is?”—„De hertog is Engelschman, de hertog strijdt tegen ons, laat zij dus met den hertog doen, wat zij wil, ik geef er evenmin om, als om die ledige flesch.”

En Athos wierp een flesch, die hij in de hand had, en uit welke hij de laatste bloeddroppels in zijn glas had geschonken, een vijftiental passen ver.

„Wacht een oogenblikje,” zeide d’Artagnan, „ik verlaat Buckingham niet op deze wijze; hij heeft ons zeer fraaie paarden geschonken.”—„En vooral zeer fraaie

D’Artagnan vouwde het open met een hand, van welke hij niet eens het beven wilde verbergen; en hij las op zijn beurt:

„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder dezes deed, wat hij heeft gedaan.

Richelieu.”

3 Augustus 1628.

„Inderdaad,” zeide Aramis, „dat is een absolutie in den volsten zin.”—„Dit papier moet verscheurd worden,” zeide d’Artagnan, die zijn doodvonnis meende te lezen.—„Volstrekt niet,” hernam Athos, „het moet zorgvuldig worden bewaard, en ik zou dat papier niet geven, al wilde men het met goudstukken bedekken.”—„En wat zal zij nu gaan doen?” vroeg de jongeling.—„Wel,” Engeland evenveel als in Frankrijk,” zeide Athos.—„Zij hindert mij overal,” zeide d’Artagnan.—„Maar dewijl gij haar in uw macht hadt,” zeide Porthos, „waarom hebt gij haar dan niet verzopen, verworgd, gehangen? Alleen de dooden komen niet terug.”—„Meent gij dat, Porthos?” antwoordde de musketier met een somberen glimlach, dien d’Artagnan alleen begreep.—„Ik bedenk iets,” zeide d’Artagnan.—„Laat hooren!” riepen de musketiers.

„Te wapen!” riep Grimaud. De jongelieden stonden haastig op en grepen hun geweren. Nu naderde een kleine krijgsbende van twintig of vijf en twintig man; doch het waren nu geen schansgravers, maar soldaten van het garnizoen.

„Willen wij naar het kamp terugkeeren?” zeide Porthos,

De vier geweerschoten vormden slechts één losbranding en vier mannen vielen. Dadelijk hierop werd de trom geroerd en de kleine bende naderde in den stormpas. Toen volgden de geweerschoten elkander onregelmatig op, maar steeds troffen die der vrienden met juistheid het doel; intusschen bleef de vijand, alsof hij het zwakke getal der vrienden gekend had, stormloopend naderen. Drie andere geweerschoten troffen weder twee mannen, de nadering der ongekwetsten werd daarom niet langzamer.

Aan den voet van het bolwerk gekomen, was de vijand nog twaalf of vijftien in getal, een laatste losbranding begroette hen, maar hield hen niet staande; zij sprongen in de gracht en beproefden de bres te beklimmen.

„Zouden wij hen van den eersten tot den laatsten verplet hebben?” vroeg Athos.—„Op mijn woord,” zeide d’Artagnan, „het schijnt wel zoo.”—„Neen,” zeide Porthos, „zie, daar vluchten er twee of drie, geheel verminkt.”—En waarlijk, een viertal dier rampzaligen, met bloed en slijk bedekt, vloden langs den hollen weg stadwaarts; dat was alles, wat van de kleine bende overbleef.

Athos zag op zijn horloge.—„Mijne heeren!” zeide hij, „het is nu een uur, dat wij hier zijn, en de weddenschap is gewonnen; maar wij moeten toonen wat spelers wij zijn, en daarenboven heeft d’Artagnan ons nog zijn denkbeeld mede te deelen.”—En met zijn gewone koelbloedigheid zette zich de musketier voor het overschot van het ontbijt neder.

„Gij wilt mijn plan kennen?” zeide d’Artagnan tot zijn drie vrienden, toen, na de schermutseling, welke voor die kleine bende een zoo rampzalig einde had genomen, zij aan het ontbijt hun plaatsen hadden hernomen.—„Ja,” hernam Athos, „gij zeidet een denkbeeld te hebben.”—„O ja, ik herinner mij,” zeide d’Artagnan, „welnu, ik ga voor de tweede maal naar Engeland, bezoek den hertog van Buckingham en waarschuw hem voor den aanslag tegen zijn leven.”—„Gij zult dat niet doen, d’Artagnan!” zeide Athos koel.—„En waarom niet, heb ik het niet reeds gedaan?”—„Ja, maar destijds waren wij niet in oorlog, de hertog van Buckingham was toen een bondgenoot en geen vijand, wat gij wilt doen, zou als verraad worden beschouwd.”

Parijs zenden, zonder dat het in het legerkamp bekend wordt? Van hier naar Parijs is een afstand van honderd veertig mijlen; en voor onze brief te Angers zou wezen, zouden wij reeds in de gevangenis zijn.”—„Wat betreft aan Hare Majesteit met zekerheid een brief te doen geworden,” zeide Aramis blozende, „hiermede zal ik mij belasten; ik ken te Tours een zeer behendig persoon.”

Aramis zweeg, Athos ziende glimlachen.—„Wel, vindt gij dat middel niet doelmatig, Athos?” vroeg d’Artagnan.—„Ik verwerp het niet geheel,” zeide Athos, „maar ik wilde alleen aan Aramis doen opmerken, dat hij het legerkamp niet kan verlaten, en elk ander dan wij niet zeker is, dat twee uren, nadat onze bode zal zijn vertrokken, al de Kapucijners, al de gerechtsdienaars, al de zwartmutsen van den kardinaal uw brief van buiten zullen kennen, en men u en uw behendigen vriend in hechtenis zal nemen.”—„Zonder daarbij te rekenen,” zeide Porthos, „dat de koningin wel den hertog van Buckingham, maar volstrekt ons niet zal redden.”—„Mijne heeren,” zeide d’Artagnan, „de tegenwerping van Porthos is zeer juist.”

Athos wenkte zijn knecht te naderen.—„Grimaud!” zeide hij, op de dooden wijzende, die in het bolwerk lagen, „gij zult die heeren opnemen en tegen den muur zetten, met de hoeden op het hoofd en het geweer in de hand.”—„O, groote man!” riep d’Artagnan, „nu begrijp ik u!”—„Gij begrijpt?” vroeg Porthos.—„En gij, Grimaud! hebt gij mij verstaan?” vroeg Athos.—Grimaud knikte van ja.—„Dan is het wel,” zeide Athos. „Keeren wij tot mijn denkbeeld terug.”—„Ik wilde toch wel eerst begrijpen,” zeide Porthos.—„Dat is niet noodig.”—„Neen, eerst het denkbeeld van Athos!” riepen gelijktijdig d’Artagnan en Aramis.—„Die milady, die vrouw, dat schepsel, die duivelin heeft, zooals gij mij hebt gezegd, d’Artagnan! een schoonbroeder, niet waar?”—„Ja, dezen ken ik zeer goed, en ik geloof zelfs, dat hij zijn schoonzuster ook niet zeer genegen is.”—„Dat kan geen kwaad,” zeide Athos, „en al verfoeide hij haar, dat zou er niet te slechter om zijn.”—„In dat geval zijn wij naar wensch bediend.”—„Maar,” hernam Porthos, „ik wilde toch wel eens weten, wat Grimaud uitvoert.”—„Stil, Porthos,” zeide Aramis.—„Hoe heet die schoonbroeder?”—„Lord Londen teruggekeerd.”—„Welnu,” zeide Athos, „dat is juist de man, die ons lijkt. Hij is het, dien wij moeten waarschuwen. Wij laten hem weten, dat zijn schoonzuster op het punt is iemand te vermoorden, en wij verzoeken hem haar niet uit het oog te verliezen. Er zal te Londen wel een inrichting zijn, zooals die der Madelonnettes en der boetvaardige zusters,12) daarin laat hij zijn schoonzuster plakken en wij zijn gerust.”—„Ja, zoo lang tot zij er weer uitkomt,” zeide d’Artagnan.—„Op mijn woord,” hernam Athos, „gij vergt te veel van mij, d’Artagnan! ik heb u gegeven, wat ik had, en ik verzeker u, dat het alles is, wat mij overblijft.”—„Het komt mij voor, dat zulks het beste is,” zeide Aramis. „Wij zullen tegelijkertijd de koningin en lord de Winter verwittigen.”—„Ja, maar door wien zullen wij den brief naar Tours en naar Londen doen bezorgen?”—„Ik ben voor Bazijn verantwoordelijk,” zeide Aramis.—„En ik voor Planchet,” zeide d’Artagnan.—„Inderdaad,” zeide Porthos, „indien wij het legerkamp niet mogen verlaten, kunnen het onze knechts.”—„Zeker,” zeide Aramis, „en nog heden schrijven wij de brieven en geven hun reisgeld.”—„Hebt gij dan geld?” hernam Athos.

De vier vrienden zagen elkander aan, een wolk verdreef den glans, die een oogenblik te voren op hun aangezicht blonk.—„Opgepast!” riep d’Artagnan, „ik zie in de verte roode en zwarte stippen, die zich bewegen. Wat zeidet gij toch van een regiment, Athos? het is een leger!”—„Het is op mijn eer waar!” hernam Athos, „daar zijn ze. Ziet eens, die veinzaards! zij naderen met stille trom en trompet. Ha! ha! zijt gij gereed, Grimaud?”

Grimaud knikte van ja en toonde een twaalftal lijken, die hij in de bevalligste houdingen tegen den muur had geplaatst, eenige met het geweer op den

„Bravo!” zeide Athos, „dat doet uw vindingrijkheid eer aan.”—„Wat er van zij, ik wenschte toch wel te begrijpen.”—„Vertrekken wij eerst, daarna zult gij begrijpen.”—„Een oogenblikje, mijne heeren, een oogenblikje; geven wij Grimaud den tijd om de tafel af te nemen.”—„Ha! de roode stippen beginnen goed zichtbaar te worden,” zeide Aramis, „en ik vereenig mij met den raad van d’Artagnan, ik geloof, dat er ons maar weinig tijd meer overblijft, om het legerkamp te bereiken.”—„Welnu!” zeide Athos, „ik ben er volstrekt niet tegen, dat wij heengaan, wij hebben gewed een uur hier te zullen blijven, en het is nu reeds anderhalf uur, er valt dus niets op aan te merken; vertrekken wij dus, heeren! vertrekken wij.”

Grimaud had zich reeds met de mand en het overige tafelgoed vooruitgespoed. De vier vrienden vertrokken achter hem en deden een tiental schreden.

„Wel!” riep Athos, „duivelsch! wat gaan wij doen, heeren?”—„Hebt gij iets vergeten?” vroeg Aramis.—„En de vlag, morbleu! men mag geen vlag in de macht des vijands laten, al is die vlag slechts een servet.”—En Athos snelde in het bolwerk terug, klom op den wal en nam de vlag; intusschen waren de aanvallers tot op een geweerschot het bolwerk genaderd en gaven een geweldig vuur op dien man, die als uit vermaak er zich aan ging blootstellen. Maar het was, alsof Athos kogelvrij was; de kogels snorden fluitend rondom hem; doch niet één enkele raakte hem.

Athos zwaaide met zijn vlag, den lieden der stad den rug keerende, en die van het legerkamp begroetende. Van weerszijden verhief zich een luid geschreeuw; van den eenen kant een kreet van woede, van den anderen kant een kreet van verwondering.—Een tweede losbranding volgde op de eerste, en drie kogels, die het servet doorboorden, maakten er een wezenlijke vlag van.

Men hoorde door het gansche legerkamp den kreet

„Kom, Athos! kom,” zeide d’Artagnan, „maken wij van onze beenen gebruik, spoeden wij ons; thans, nu wij alles, behalve geld hebben gevonden, zou het dom zijn ons te laten doodschieten.”

Maar Athos bleef majestueus voortwandelen, en zijn vrienden, ziende dat alle aanmaningen vruchteloos waren, regelden hun schreden naar de zijne. Grimaud en zijn mand waren vooruit en beiden schotvrij. Na een kort oogenblik hoorde men geweerschoten.

„Wat is dat?” vroeg Porthos, „en waarop schieten zij? Ik hoor de kogels niet fluiten, en ik zie niemand.”—„Zij schieten op de gesneuvelden,” zeide Athos.—„Maar onze dooden zullen niet antwoorden?”—„Neen, en daarom zullen zij een hinderlaag vermoeden en met elkander raadplegen; zij zullen een parlementair zenden, en wanneer zij de grap zullen hebben bemerkt, zijn wij buiten bereik. Ziedaar, waarom het onnoodig is, ons een pleuris op den hals te halen door overhaasting.”—„Ha, nu begrijp ik,” zeide Porthos vol bewondering.—„Dat is wel gelukkig,” hernam Athos, de schouders ophalende.

Toen de Franschen nu de vier vrienden bedaard zagen aankomen, hieven zij een luid vreugdegejuich aan.—Eindelijk werd er een nieuw geweervuur gehoord, en de kogels pletten zich tegen de keisteenen van den weg, rondom de vier vrienden, en floten akelig langs hun ooren. De belegerden hadden zich eindelijk van het bolwerk meester gemaakt.

„Dat zijn toch zeer onhandige lieden,” zeide Athos. „Hoeveel hebben wij er doen sneuvelen?”—„Twaalf tot vijftien.”—„Hoeveel hebben wij er verplet?”—„Acht of tien.”—„En daarentegen geen schram. Maar ja, wat deert u toch aan de hand, d’Artagnan? zij bloedt, geloof ik?”—„Het is niets,” antwoordde d’Artagnan.—„Een schampschot?”—„Niet eens.”—„Wat dan?”—Wij hebben gezegd, dat Athos d’Artagnan

Het geweervuur bleef aanhouden, maar de vrienden waren buiten schot, en de lieden van la Rochelle schoten alleen ter voldoening van hun geweten.

„Op mijn woord,” hernam Athos, „het was tijd, dat Porthos dat denkbeeld kreeg, wij zijn het kamp genaderd.... Dus, heeren! geen enkel woord meer over die zaak. Men slaat ons gade, men komt ons tegemoet, en wij zullen in zegepraal worden rondgevoerd.”

En waarlijk, zooals wij zeiden, het geheele kamp was in opschudding. Meer dan twee duizend personen hadden, als bij een tooneelvoorstelling, het goed afgeloopen

De heer de Busigny was het eerst genaderd, om Athos de hand te drukken en te erkennen, dat hij de weddenschap had verloren. De dragonder en de Zwitser hadden zijn voorbeeld gevolgd en de overige krijgsmakkers dat van deze. Het was een oneindige reeks van gelukwenschingen, handdrukken en omhelzingen, een onuitputtelijk gelach, ten koste van de lieden van la Rochelle, kortom, een zoo geweldig leven, dat de kardinaal in de meening verkeerde, dat er een oproer plaats had, zoodat hij la Houdinière, kapitein zijner gardes, zond, ten einde te vernemen, wat er gaande was. De zaak werd den afgezondene met de meeste geestvervoering verhaald.

„Wel?” vroeg de kardinaal, la Houdinière ziende.—„Wel, Uwe Eminentie! het zijn drie musketiers en een garde, die met den heer de Busigny een weddenschap hadden aangegaan om in het bolwerk Saint Gervais te gaan ontbijten, en die gedurende hun ontbijt twee uren lang de vijanden uit la Rochelle tegengehouden en ik weet niet hoeveel hunner gedood hebben.”—„Hebt gij naar de namen der drie musketiers onderzoek gedaan?”—„Ja, Uwe Eminentie!”—„Wie zijn zij?”—„De heeren Athos, Porthos en Aramis.”—„Altijd mijn drie dapperen,” mompelde de kardinaal. „En de garde?”—„De heer d’Artagnan.”—„Altijd mijn jonge knaap! Het is besloten; die vier mannen moeten mij behooren.”

Dienzelfden avond sprak de kardinaal den heer de Tréville over de heldendaad van dien ochtend, welke het onderwerp van al de gesprekken in het legerkamp was; de heer de Tréville, die het verhaal van dat avontuur uit den mond der uitvoerders zelf had gehoord, deelde het in al zijn bijzonderheden den kardinaal mede, zonder de episode van het servet te vergeten.

„Het is wel, mijnheer de Tréville!” zeide de kardinaal,

Dienzelfden avond berichtte de heer de Tréville dat goede nieuws aan de drie musketiers en aan d’Artagnan, hen alle vier voor den volgenden ochtend aan het ontbijt noodigende.

D’Artagnan was zich van blijdschap geen meester meer. Immers men weet, dat de droom zijns levens was eenmaal musketier te worden. De drie vrienden waren ook zeer verblijd.

„Op mijn woord,” zeide d’Artagnan tot Athos, „gij hebt daar een zeer gelukkigen inval gehad, en zooals ge zeidet, hebben wij roem behaald en een allerbelangrijkst gesprek kunnen houden.”—„Dat wij thans kunnen hervatten, zonder dat iemand eenig kwaad vermoeden op ons zal hebben, want met Gods hulp zullen wij voortaan voor kardinalisten worden gehouden.”

Dienzelfden avond ging d’Artagnan den heer des Essarts begroeten en hem zijn bevordering mededeelen. De heer des Essarts, die d’Artagnan zeer genegen was, bood hem zijn goede diensten aan, ter tegemoetkoming in de onkosten, welke die verandering van korps na zich sleepte. D’Artagnan weigerde, maar de gelegenheid gunstig vindende, verzocht hij hem de waarde van den diamant te bepalen, dien hij hem ter hand stelde, en welken hij te gelde wilde maken. Den volgenden morgen te acht uur trad de knecht van den heer des Essarts bij d’Artagnan binnen en stelde hem een zak met zeven duizend franken ter hand. Dat was de som, die de diamant der koningin had opgebracht.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings