← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK XXXI.

Reading edition

Twee verschillende soorten van duivels.

„Ha!” riepen gelijktijdig Rochefort en milady, „zijt gij het?”—„Ja, ik ben het.”—„En gij komt van....?” vroeg milady.—„Van la Rochelle; en gij?”—„Uit Engeland.”—„Buckingham....?”—„Gedood of gevaarlijk gewond; daar ik niets van hem kon verkrijgen, was ik gereed te vertrekken, toen een geestdrijver hem vermoordde.”—„Ha!” lachte Rochefort, „ziedaar een gelukkig toeval, dat Zijne Eminentie niet weinig genoegen zal doen. Hebt gij hem hiervan reeds kennis gegeven?”—„Ik heb hem uit Boulogne geschreven. Maar hoe komt gij hier?”—„Zijne Eminentie, die ongerust was, heeft mij ter uwer opsporing doen vertrekken.”—„Ik ben eerst sedert gisteren aangekomen.”—„En wat hebt gij sedert gisteren gedaan?”—„Ik heb geen tijd verloren.”—„O! daaraan twijfel ik volstrekt niet.”

„Weet gij, wie ik hier heb ontmoet?”—„Neen!”—„Raad eens.”—„Hoe wilt gij, dat ik rade?”—„De jonge vrouw, welke de koningin uit de gevangenis heeft doen bevrijden.”—„De minnares van den jongen

„Wat wilt gij? de kardinaal heeft een zwakheid voor die lieden, welke ik niet begrijp.”—„Waarlijk? welnu, zeg hem dit, Rochefort! zeg hem, dat ons gesprek in de herberg den Rooden Duiventoren door die vier mannen is beluisterd geworden; zeg hem, dat na zijn vertrek een hunner boven is gekomen en mij met geweld de volmacht heeft ontrukt, die hij mij gegeven had; zeg hem, dat zij lord de Winter van mijn overkomst in Engeland bericht hadden gezonden; dat zij ditmaal er weer bijna in geslaagd waren mijn zending te doen mislukken, zooals zij met die van de diamanten haken hebben gedaan; zeg hem, dat van die vier mannen slechts twee te vreezen zijn; zeg hem, dat de derde, Aramis, de minnaar van mevrouw de Chevreuse is; men moet dezen in het leven behouden, men kent zijn geheim, hij kan nuttig worden; wat den vierden betreft, Porthos, dat is een dwaas, een gek, een onnoozele; dat men er zich niet eens mede bezig houde.”—„Maar die vier mannen moeten op dit oogenblik bij het beleg van la Rochelle zijn.”—„Ik geloofde het ook; maar een brief, dien juffrouw Bonacieux van mevrouw de Chevreuse

„Wat heeft u de kardinaal, mij betreffende, gezegd?”—„Uw geschrevene of mondelinge berichten over te nemen en met postpaarden terug te komen. Wanneer hij zal weten, wat gij gedaan hebt, zal hij overwegen wat gij verder moet doen.”—„Moet ik dan hier blijven?”—„Hier of in de omstreken; in het legerkamp zoudt gij kunnen herkend worden, en uw tegenwoordigheid, zooals gij wel begrijpt, zou Zijne Eminentie kunnen benadeelen, vooral na hetgeen is gebeurd. Zeg mij slechts vooruit, waar gij tijding van den kardinaal wilt wachten, ten einde u te kunnen wedervinden.”—„Luister, waarschijnlijk zal ik niet hier kunnen blijven.”—„Waarom?”—„Vergeet gij dan, dat mijn vijanden elk oogenblik kunnen komen?”—„Dat is waar; maar dan zal die jonge vrouw den kardinaal ontsnappen.”—„Ach!” zeide milady met een glimlach, die haar alleen eigen was, „gij vergeet, dat ik haar beste vriendin ben.”—„O! het is waar ook; wat kan ik dan den kardinaal omtrent die jonge vrouw zeggen?”—„Dat hij gerust zij.”—„Is dat alles? Zal hij dan weten, wat het beteekent?”—„Hij zal het raden.”

„Zeg mij nu, wat ik doen moet.”—„Onmiddellijk vertrekken; ik geloof dat het nieuws, dat gij medeneemt, wel der moeite waard is om spoed te maken.”—„Mijn chais is, te Lilliers binnenkomende, gebroken.”—„Kostelijk!”—„Wat kostelijk?”—„Ja, ik heb uw chais noodig.”—„En hoe zal ik dan vertrekken?”—„Te paard.”—„Gij spreekt er zeer luchthartig over; honderd tachtig mijlen!”—„Wat beteekent dat?”—„Men zal ze afleggen. Daarna?”—„Van Lilliers terugkeerende, moet gij mij de chais zenden, met bevel aan uw knecht zich te mijner beschikking te stellen.”—„Goed.”—„Gij hebt zeker een of ander bevelschrift van den kardinaal bij u?”—„Ik heb mijn volmacht.”—„Gij zult ze aan de abdis vertoonen en haar zeggen,

„Vergeet niet, met de abdis over mij sprekende, dit op strengen toon te doen.”—„Waartoe?”—„Ik moet een offer van den kardinaal schijnen. En die arme kleine juffrouw Bonacieux moet ik immers wel vertrouwen inboezemen?”—„Dat is waar; wilt gij mij nu wel verslag doen van hetgeen gebeurd is?”—„Wel, ik heb u zulks immers verhaald; gij hebt een goed geheugen, herhaal de zaken, zooals ik ze u heb medegedeeld, een papier gaat verloren.”—„Gij hebt gelijk; zeg mij ten minste, waar ik u kan wedervinden, ten einde de omstreken niet vruchteloos te doorzoeken?”—„Wacht, ik zal het u zeggen.”—„Wilt gij een landkaart?”—„O! ik ken dit land volkomen.”—„Gij? wanneer zijt gij er dan nog geweest?”—„Ik ben er opgevoed. Gij ziet, dat het tot iets nuttig is ergens te zijn opgevoed.”—„Gij zult mij dan wachten?”—„Laat mij een oogenblik overwegen.... Wel, te Armentières.”—„Waar is dat, Armentières?”—„Een kleine stad aan de Lys. Ik behoef slechts de rivier over te steken, en ik ben in een vreemd land.”—„Goed, maar het is bepaald, dat gij de rivier niet zult overgaan dan in geval van nood.”—„Dat is overeengekomen.”—„Hoe zal ik dan weten, waar gij zijt?”—„Hebt gij uw lakei niet noodig?”—„Neen.”—„Is hij een vertrouwd persoon?”—„Beproefd.”—„Laat hem mij, niemand kent hem: ik laat hem in de plaats, die ik verlaat, en hij brengt u, waar ik ben.”—„En gij zegt, dat gij mij te Armentières zult wachten?”—„Te Armentières.”—„Schrijf mij dien naam op een stukje papier, ten einde hem niet te vergeten. De naam eener stad kan ons volstrekt niet benadeelen, niet waar?”—„Wie weet? maar om het even,” zeide milady; en zij schreef den naam op een half vel papier: „ik stel mij bloot.”—„Goed,” zeide Rochefort, het papier van milady aannemende, dat hij vouwde en in de kap van zijn hoed borg. „Bovendien, wees gerust, ik zal doen gelijk de Portsmouth, d’Artagnan en Athos in de Bastille, Aramis de minnaar van mevrouw de Chevreuse, Porthos een gek, juffrouw Bonacieux wedergevonden, en de chais zoo spoedig mogelijk te zenden, mijn lakei te uwer beschikking stellen, van u een slachtoffer des kardinaals maken, opdat de abdis geen kwaad vermoeden koestere; Armentières aan de Lys, is het niet zoo?”—„Waarlijk, mijn waarde graaf! gij hebt een bewonderenswaardig geheugen. A propos! voeg er dit nog bij.”—„Wat?”

„Ik heb een fraai bosch gezien, dat den tuin van het klooster moet begrenzen. Verzoek dat het mij vergund worde in dat bosch te wandelen; wie weet, misschien ben ik wel genoodzaakt een achterdeur uit te gaan.”—„Gij denkt aan alles.”—„En gij, gij vergeet nog iets.”—„Wat?”—„Te vragen of ik geld noodig heb.”—„Dat is ook waar. Hoeveel wilt gij?”—„Al wat gij aan goud bezit.”—„Ik heb ongeveer vijfhonderd pistolen.”—„Ik heb ook zooveel. Met duizend pistolen bestrijdt men alles. Leeg uw zakken.”—„Ziedaar.”—„Goed, vertrekt gij nu?”—„Binnen een uur, den tijd om iets te eten, gedurende welken ik een postpaard zal doen komen.”—„Voortreffelijk! Vaarwel, graaf!”—„Vaarwel, gravin!”—„Beveel mij aan bij den kardinaal.”—„Recommandeer mij aan Satan.”

Milady en Rochefort wisselden een glimlach en scheidden. Een uur later vertrok Rochefort te paard in vollen draf; vijf uren later ging hij Arras door.

Onze lezers weten reeds, hoe hij door d’Artagnan was herkend geworden, en hoe die herkenning de beangstigde musketiers hun reis deed bespoedigen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings