← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK XXXI.

Reading edition

Engelschen en Franschen.

Op het bepaalde uur begaven de vrienden zich met hun vier lakeien achter het Luxembourg, in een omheind veld, waar geiten graasden. Athos gaf eenig geld aan den herder, opdat deze zich zou verwijderen. De lakeien werden op schildwacht gesteld. Dra naderde een zwijgende

„Met dat alles,” zeide lord de Winter, toen de drie vrienden waren genoemd geworden, „weten wij nog niet, wie gij eigenlijk zijt, en wij willen niet met zoodanig genoemden een gevecht aangaan. Dat zijn herdersnamen, die namen.”—„Gij begrijpt wel, mylord!” zeide Athos, „dat het valsche namen zijn.”—„Hetgeen ons te meer doet verlangen de ware namen te vernemen,” antwoordde de Engelschman.—„Gij hebt wel met ons gespeeld zonder ze te kennen,” zeide Athos, „en derwijze, dat gij van ons twee paarden hebt gewonnen.”—„Dat is waar, maar toen waagden wij slechts ons geld, terwijl wij nu ons bloed wagen. Men speelt met de geheele wereld; men vecht slechts met zijns gelijken.”—„Dat is waar,” zeide Athos. En hij nam een der vier Engelschen, met wien hij zou strijden, ter zijde en fluisterde dezen zijn naam in het oor. Porthos en Aramis deden van hun zijde hetzelfde.

„Is dat u genoeg?” vroeg Athos aan zijn tegenpartij, „en beschouwt gij mij als genoegzaam edelman, om mij de eer te bewijzen den degen met mij te kruisen?”—„Ja, mijnheer!” antwoordde de Engelschman groetende.—„Welnu, wilt gij thans, dat ik u wat zegge?” hernam Athos koel.—„Wat?” vroeg de Engelschman.—„Dat gij beter hadt gedaan niet te eischen, dat ik mij bekend maakte.”—„Waarom dat?”—„Omdat men mij overleden waant, en omdat ik reden heb te wenschen, dat men niet verneemt, dat ik nog in leven ben, en mij dus genoodzaakt vind u te dooden, ten einde te voorkomen, dat mijn geheim ontdekt wordt.”—De Engelschman beschouwde Athos, zich verbeeldende dat deze schertste; maar Athos schertste in het geheel niet.—„Mijne heeren!” zeide Athos, zich tot

En tegelijkertijd blonken acht degens in de stralen der ondergaande zon, en het gevecht begon met een woede, die zeer natuurlijk was tusschen lieden, welke elkander op twee wijzen vijandig waren. Athos schermde met evenveel bedaardheid en nauwkeurigheid, alsof het in een schermzaal ware geweest. Porthos, waarschijnlijk van zijn te groot vertrouwen genezen door zijn ontmoeting te Chantilly, speelde een spel vol slimheid en voorzichtigheid. Aramis, die den derden zang van zijn gedicht moest eindigen, haastte zich als iemand, die geen tijd heeft te verliezen.

Athos was de eerste, die zijn vijand doodde. Hij had hem slechts één stoot toegebracht, maar zooals hij hem had gewaarschuwd, was de stoot doodelijk geweest, daar de degen het hart had doorboord. Porthos was de tweede, die zijn vijand op het gras uitstrekte; hij had hem de dij doorstoken. Toen nam Porthos den Engelschman, die hem zijn degen had overgegeven, in zijn armen en geleidde hem naar zijn koets. Aramis drong op den zijnen zoo hevig aan, dat, na hem slechts een vijftigtal schreden te hebben doen wijken, hij hem buiten gevecht stelde. Wat d’Artagnan betreft, deze had slechts eenvoudig verdedigenderwijze gehandeld; vervolgens, toen hij zijn vijand zeer vermoeid vond, deed hij hem door een geweldigen slag den degen uit de hand vliegen. De baron, zich ontwapend ziende, deed twee of drie schreden achteruit; maar bij die beweging gleed zijn voet uit en hij viel achterover. D’Artagnan was in één sprong op hem: „Mijnheer, ik zou u kunnen dooden, want gij zijt in mijn macht; maar ik schenk u, uit liefde voor uw zuster, het leven.”

D’Artagnan was ten toppunt van vreugd; hij had het plan verwezenlijkt, dat hij te voren had beraamd, en dat, bij het ontluiken, op zijn gelaat den glimlach deed ontstaan, van welken wij gesproken hebben.

De Engelschman, verheugd met een edelman van

Terwijl Porthos en Aramis hem ontkleedden, in de hoop dat zijn wond niet doodelijk mocht zijn, viel een zware beurs van tusschen zijn gordelriem. D’Artagnan raapte die op en reikte haar aan lord de Winter over.

„En wat duivel! wilt gij, dat ik hiermede uitvoer!” vroeg de Engelschman.—„Gij kunt die aan zijn familie teruggeven,” zeide d’Artagnan.—„Zijn familie bekommert zich wat over dat bagatel; zij erft vijftien duizend louis d’or rente.... Geef die beurs aan uw lakeien.”

Onderwijl was Athos d’Artagnan genaderd.

„Ja,” zeide hij, „geef die beurs niet aan onze, maar aan de Engelsche lakeien.”—Athos nam de beurs en wierp die den koetsier toe: „Voor u en uw makkers.”

Deze onbaatzuchtige handelwijze in een volkomen geldeloozen man trof zelfs Porthos, en deze Fransche edelmoedigheid, overal door lord de Winter en zijn vriend verhaald, verwierf algemeene goedkeuring, behalve bij de heeren Grimaud, Mousqueton, Planchet en Bazijn.

„En thans, mijn jonge vriend, want ik hoop, dat gij mij veroorlooft u dien naam te geven,” zeide lord de Winter, „nog heden avond zal ik u, indien gij zulks verkiest, aan mijn zuster, lady Clarick, voorstellen, want ik wil, dat zij u op haar beurt vriendschap toedrage; en daar zij niet geheel en al met het hof onbekend is, zal misschien één woord, in het vervolg ten uwen voordeele gezegd, niet vruchteloos zijn.”

D’Artagnan bloosde van blijdschap en boog ten teeken van goedkeuring. Lord de Winter gaf d’Artagnan, hem verlatende, het adres zijner zuster; zij woonde op het Koningsplein No. 6, destijds de meest voorname wijk. Bovendien verbond hij zich, om hem aan haar voor te stellen.

Meung en Douvres mocht herkennen, want dan zou zij weten, dat hij tot de vrienden van den heer de Tréville behoorde, en bijgevolg met ziel en lichaam den koning was toegedaan, hetgeen hem in dat geval een gedeelte zijner voordeelen zou doen verliezen, daar hij, aan milady bekend zijnde, zooals hij haar kende, met haar gelijk spel zou spelen.

Wat dat begin van liefdehandel met den graaf de Wardes betrof, hierover bekreunde zich onze verwaten jongeling weinig, ofschoon de graaf jong, schoon, rijk en zeer in de gunst van den kardinaal was. Het is niet voor niets, dat men twintig jaar oud en te Tarbes geboren is.

D’Artagnan begon met zich naar huis te begeven en aldaar zich op schitterende wijze te kleeden; vervolgens ging hij naar Athos, en naar gewoonte verhaalde hij dezen alles. Athos luisterde naar zijn plannen, schudde het hoofd en beval hem, met min of meer smart, voorzichtigheid aan.

„Wat,” zeide hij hem, „gij hebt nauwelijks een minnares verloren, die gij goed, bekoorlijk, volmaakt vondt, en zie, daar loopt gij weder een andere na.”—D’Artagnan gevoelde de waarheid van dat verwijt.—„Ik bemin juffrouw Bonacieux met mijn hart, terwijl ik milady met mijn hoofd bemin,” zeide hij, „en door mij aan haar te doen voorstellen, tracht ik er achter te komen, welke rol zij aan het hof speelt.”—„De rol, die zij speelt, pardieu! het is niet moeilijk die te raden, na al hetgeen gij mij hebt gezegd. Zij is de een of andere zendelinge des kardinaals, een vrouw die u in een valstrik

Lord de Winter kwam op het bepaalde uur; maar Athos, te voren gewaarschuwd, begaf zich in het naaste vertrek. Hij vond dus d’Artagnan alleen, en daar het bij achten was, nam hij den jongeling met zich mede.

Een fraaie koets, met twee heerlijke paarden bespannen, stond voor de deur, zoodat zij in één oogenblik op het Koningsplein waren.

Milady de Winter ontving d’Artagnan met veel bevalligheid. Haar hotel was buitengewoon prachtig, en hoewel de meeste Engelschen, door den oorlog verjaagd, Frankrijk verlieten, of gereed waren het te verlaten, had milady aan haar huis nieuwe onkosten gemaakt, hetgeen bewees, dat de algemeene maatregel, die de Engelschen deed vertrekken, haar niet aanging.

„Gij ziet,” zeide lord de Winter, d’Artagnan aan zijn zuster voorstellende, „een jongeling, die mijn leven in zijn macht heeft gehad en van zijn voordeel geen misbruik heeft willen maken, hoewel wij, om twee oorzaken, vijanden waren, daar ik hem had beleedigd en Engelschman ben. Bedank hem dus, mevrouw! indien gij mij eenige vriendschap toedraagt.”

Milady fronste even de wenkbrauwen; een nauwelijks zichtbare nevel betrok haar voorhoofd, en een zoo zonderlinge glimlach zweefde op haar lippen, dat den jongeling, die deze drievoudige gelaatsvertrekking beschouwde, een rilling overviel.

De broeder zag niets, hij had zich omgekeerd, om

„Wees welkom, mijnheer!” zeide milady met een stem, wier zonderlinge zachtheid zeer afstak bij de kenteekenen van kwade luim, welke d’Artagnan had opgemerkt; „want gij hebt heden een eeuwig recht op mijn erkentelijkheid verkregen.”

De Engelschman keerde zich toen om en verhaalde de bijzonderheden van het tweegevecht, zonder iets te vergeten. Milady luisterde naar hem met de grootste aandacht; intusschen kon men gemakkelijk zien, dat, welke poging zij ook deed om haar gewaarwordingen te verbergen, dit verhaal haar niet aangenaam was: het bloed steeg haar naar het hoofd en haar kleine voet stampte onder haar rok. Lord de Winter bemerkte niets; maar toen hij geëindigd had, naderde hij een tafel, waarop een flesch Spaansche wijn stond, vulde twee glazen en met een wenk verzocht hij d’Artagnan te drinken.

Deze wist, dat het een Engelschman onaangenaam was, indien men dit weigerde; hij naderde dus de tafel en nam het tweede glas. Hij had milady niet uit het oog verloren, en in den spiegel bespeurde hij de verandering, welke er op haar gelaat had plaats gegrepen. Thans, nu zij meende niet meer te worden gadegeslagen, vertrok een gewaarwording, welke naar wreedheid geleek, haar gezicht. Zij beet met woede op haar zakdoek.

Op dat oogenblik trad de lieve, kleine kamenier binnen, die door d’Artagnan reeds was opgemerkt. Zij zeide tot lord de Winter eenige woorden in het Engelsch, die onmiddellijk daarop d’Artagnan verlof vroeg zich te mogen verwijderen, ter verontschuldiging aanvoerende het gewicht der zaak, die hem riep, en zijn zuster belastende voor hem verschooning te verkrijgen.

D’Artagnan wisselde een handdruk met lord de Winter en keerde tot milady terug. Het gezicht dier vrouw had met een verwonderlijke beweegbaarheid deszelfs bevallige uitdrukking hernomen; alleen duidden eenige kleine, op haar zakdoek verspreide bloedvlekjes

Het gesprek nam een aangename wending. Milady scheen zich volkomen hersteld te hebben. Zij verhaalde, dat lord de Winter slechts haar schoonbroeder en niet haar eigen broeder was; zij was met een jongeren broeder van hem gehuwd geweest, die haar weduwe met een kind had gelaten. Dat kind was de eenige erfgenaam van lord de Winter, wanneer deze zich niet in het huwelijk zou begeven.

Dit alles deed d’Artagnan een sluier vermoeden, maar hij kon nog niet onderscheiden, wat er onder dien sluier verborgen was.—Trouwens, na verloop van een half uur, dat het gesprek had geduurd, was d’Artagnan overtuigd, dat milady zijn landgenoote was; zij sprak zoo zuiver Fransch en met zooveel smaak, dat hieromtrent bij hem niet de minste twijfel overbleef.

D’Artagnan was onuitputtelijk in verliefde spreekwijzen en betuigingen van toewijding. Al de beuzelarijen, die onze Gaskonjer zich liet ontvallen, beantwoordde milady met een bevalligen glimlach. Eindelijk was het oogenblik daar; d’Artagnan, de gelukkigste der menschen, nam afscheid van milady en verliet de zaal.

Op de trap ontmoette hij de lieve kamenier, die in het voorbijgaan hem zacht aanraakte, tot aan de oogen rood wordende hem daarvoor verschooning verzocht met een zoo zachte stem, dat haar onmiddellijk vergiffenis werd geschonken.

D’Artagnan kwam den volgenden dag terug en werd nog beter dan den vorigen dag ontvangen. Lord de Winter was niet tegenwoordig, en milady hield dien avond de eer van het bezoek op. Zij scheen een groot belang in hem te stellen, vroeg hem van waar hij kwam, wie zijn vrienden waren, en of hij niet wel eens had gedacht in dienst van den kardinaal te gaan.

D’Artagnan, die, zooals men weet, voor een jongeling van twintig jaren zeer voorzichtig was, herinnerde zich toen de vermoedens, die hij nopens milady koesterde.

Milady veranderde met de meeste gemakkelijkheid van gesprek en vroeg d’Artagnan, op de meest losse wijze der wereld, of hij nooit in Engeland was geweest. D’Artagnan antwoordde, dat hij er door den heer de Tréville gezonden was geworden, om over een remonte van paarden te onderhandelen, en hij er zelfs vier tot proeve had medegebracht.

Milady beet zich gedurende het gesprek drie of vier malen op de lippen; zij had met een jongeling te doen, die ondoorgrondelijk was.

Op hetzelfde uur als van den vorigen dag vertrok d’Artagnan. Op de trap ontmoette hij wederom de lieve Ketty (dit was de naam der kamenier). Deze beschouwde hem met een uitdrukking van geheimzinnige welwillendheid. Maar d’Artagnan was zoo vervuld met haar meesteres, dat hij voor niets anders oogen had dan voor hetgeen van deze kwam.

D’Artagnan keerde den volgenden dag en den daarop volgenden dag weder tot milady terug, en telkens ontving hem milady even vriendelijk.—Ook ontmoette hij elken avond de schoone kamenier, hetzij in de voorkamer, in de gang of op de trap.

Maar, zooals wij hebben gezegd, sloeg d’Artagnan volstrekt geen acht op de zonderlinge volharding der arme Ketty.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

DE DRIE MUSKETIERS.

II.

Titelpagina
Titelpagina

DE DRIE MUSKETIERS.

DOOR

Alexander Dumas.

Opnieuw bewerkt naar het Fransch.

Blankwaardt en Schoonhoven

Rijswijk (Z.-H.)

TWEEDE DEEL.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings