HOOFDSTUK VIII.
Reading edition
Een bekoorlijke verschijning.
Op het bepaalde uur waren de vier vrienden bij Athos vereenigd. De zorg over hun uitrusting was geheel verdwenen, geen gelaat droeg er meer de kenteekenen van, doch slechts die van eigene en verborgene onrust; immers onder elke vreugd is vrees voor de toekomst verborgen.
Eensklaps trad Planchet binnen, twee brieven voor d’Artagnan medebrengende. De eene was een klein, net, langwerpig briefje verzegeld met groen zegellak, waarop een duif met een olijftak stond geprent. De andere was een groote vierkante brief, met het schitterende wapen van den hertog-kardinaal verzegeld.
Op het zien van het kleine briefje sprong het hart van d’Artagnan in zijn boezem op, want hij meende het schrift te kennen, en hoewel hij dat schrift slechts eens had gezien, was de herinnering er van diep in zijn hart gebleven. Hij nam het briefje en opende het haastig.
„Ga aanstaanden Woensdag,” behelsde het, „van zeven tot acht uur des avonds, een wandeling langs den weg van Chaillot doen, en zie nauwkeurig in de koetsen, die u voorbij zullen rijden. Maar als gij op uw eigen leven en op dat van hen, die u liefhebben, gesteld zijt, maak dan niet de minste beweging, welke zou kunnen doen gelooven, dat gij haar hebt herkend, die zich aan alles blootstelt om u een oogenblik te zien.”
Geen handteekening.
„Dat is een valstrik, d’Artagnan,” zeide Athos, „ga niet.”—„Echter,” zeide d’Artagnan, „meen ik het schrift te herkennen.”—„Dat kan nagemaakt zijn,” hernam Athos; „te zeven of acht uur is thans de weg Chaillot volkomen eenzaam. Gij zoudt even verstandig doen in het woud van Bondy te gaan wandelen.”—„Maar indien wij allen gingen,” merkte d’Artagnan op, „wat duivel! men zal ons vieren zoo gemakkelijk niet verslinden, en dan nog vier lakeien, de paarden en de wapens; het zou hen al te slecht bekomen.”—„Bovendien is het een gelegenheid om onze uitrusting te vertoonen,” merkte Porthos op.—„En indien het een vrouw is, die schrijft,” zeide Aramis, „en deze vrouw niet begeerde gezien te worden, wees dan voorzichtig, d’Artagnan! haar in ongelegenheid te brengen, hetgeen een edelman niet fraai zou staan.”—„Wij zullen ons achteraf houden,” zeide Porthos, „en hij alleen zal voorgaan.”—„Goed,” verklaarde Athos, „maar een pistoolschot is spoedig gelost uit een koets, die snel voorbijrijdt.”—„Och,” zeide d’Artagnan, „men zal mij niet treffen, en dan zullen wij de koets aanvallen en hen, die er in zijn, verdelgen. Dat zal dan altijd zooveel vijanden minder wezen.”—„Hij heeft gelijk,” riep Porthos uit, „welaan, een gevecht; wij moeten buitendien onze wapens nog beproeven.”—„Wel ja, laten wij ons dat pretje gunnen,” zeide Aramis op zachten en lossen toon.—„Zooals gij wilt,” hernam Athos, „heeren, het is nu half vijf, en nauwelijks kunnen wij tijdig genoeg op den weg van Chaillot zijn.”—„Ook indien wij te laat vertrekken,” zeide Porthos, „zal men ons niet zien, wat wel jammer zou zijn. Maken wij ons dus gereed, heeren!”
„Maar gij vergeet dien tweeden brief,” zeide Athos. „Ik meen echter, dat het zegel genoeg aanduidt, dat hij wel verdient te worden opengebroken. Wat mij betreft, ik verklaar, mijn waarde d’Artagnan, dat ik er meer aan hecht, dan aan dat kleine reepje papier, hetwelk gij op uw hart drukt.”
D’Artagnan bloosde.—„Welnu, heeren!” zeide de jongeling, „zien wij eens, wat Zijne Eminentie van ons begeert.”
D’Artagnan verbrak het zegel en las den brief:
„De heer d’Artagnan, garde des konings, bij de kompagnie des Essarts, wordt heden avond te acht uur in het paleis verwacht.
La Houdinière Kapitein der gardes.”
„Duivelsch!” riep Athos uit, „ziedaar een meer verontrustende samenkomst dan de andere.”—„Ik zal het tweede bezoek doen, na het eerste te hebben afgelegd,” zeide d’Artagnan; „het eene is te zeven en het andere te acht uur. Dus wij hebben den tijd voor beide.”—„Hm! ik zou niet gaan,” zeide Aramis, „een fatsoenlijk ridder kan van een door een vrouw gegeven samenkomst niet afzien; maar een voorzichtig edelman kan zich verontschuldigen, zijn opwachting bij Zijne Eminentie te maken, vooral wanneer hij reden heeft te gelooven, dat het niet is, om er gelukwenschen te gaan ontvangen.”—„Ik ben van het gevoelen van Aramis,” zeide Porthos.—„Heeren!” antwoordde d’Artagnan, „ik heb reeds door den heer de Cavois een dergelijke uitnoodiging van Zijne Eminentie ontvangen, ik heb daaraan niet voldaan, en den volgenden dag is mij een groote ramp overkomen. Constance was verdwenen; wat er ook van moge komen, ik ga.”—„Als gij er toe hebt besloten, doe het dan,” zeide Athos.—„Maar de Bastille?” riep Aramis.—„Och! daar haalt gij mij wel uit,” zeide d’Artagnan.—„Zeker,” hernamen Aramis en Porthos met een bewonderenswaardig zelfvertrouwen en alsof het de eenvoudigste zaak der wereld was; „zeker zullen wij er u uithalen. Maar intusschen, daar wij overmorgen moeten vertrekken, zoudt gij beter doen u aan de Bastille niet te wagen.”
„Laat ons het beter aanleggen,” stelde Athos voor, „verlaten wij hem den geheelen avond niet meer; elk onzer zal hem aan een der deuren van het paleis wachten, met drie musketiers achter zich. Zien wij dan een gesloten koets er uit komen, die ons verdacht voorkomt, dan vallen wij ze aan. Het is lang geleden, dat wij met de gardes van den kardinaal niets te vereffenen
„Dat is niet noodig,” hernam Aramis, „gij kunt een der mijne krijgen.”—„Hoeveel hebt gij er dan?” vroeg d’Artagnan.—„Drie,” antwoordde Aramis glimlachende.—„Mijn waarde!” zeide Athos, „gij zijt waarschijnlijk de best betaalde dichter van geheel Frankrijk en Navarre. Luister, Aramis! gij weet zeker niet, wat gij met drie paarden zult uitvoeren, niet waar? Ik begrijp zelfs niet eens om welke reden gij drie paarden hebt gekocht?”—„Ik heb er slechts twee gekocht.”—„Is dan het derde uit de wolken gevallen?”—„Neen; het derde is mij heden morgen gebracht geworden door een knecht zonder livrei, die mij niet wilde zeggen, van wien het kwam, maar mij verzekerde, het bevel van zijn meester ontvangen te hebben....”—„Of van zijn meesteres,” viel d’Artagnan in de rede.—„Dat doet niets ter zake,” zeide Aramis blozende; „en die mij verzekerde, zeg ik, het bevel van zijn meester of van zijn meesteres te hebben ontvangen, om dat paard in mijn stal te brengen, zonder mij te zeggen van wien het kwam.”—„Alleen aan poëten gebeuren dergelijke zaken,” hernam Athos ernstig.—„Welnu, dan zullen wij iets beters doen,” zeide d’Artagnan. „Welk der twee paarden wilt gij berijden? dat, wat gij gekocht, of dat, wat men u gegeven heeft?”—„Wel, zonder twijfel dat, wat men mij heeft gegeven. Gij begrijpt wel, d’Artagnan! dat ik zoo onbeleefd niet kan zijn....”—„Jegens den onbekenden gever,” hernam d’Artagnan.—„Of
Een kwartieruurs later verscheen Porthos aan het einde der straat Férou op een prachtigen hengst. Mousqueton volgde hem op een Auvergneesch paard, klein, maar sterk. Porthos blonk van vreugd.
Tegelijkertijd verscheen Aramis aan het andere einde der straat op een kostelijk Engelsch paard. Bazijn volgde hem op een Rouaansch paard en hield bij den toom een sterken Mecklenburger, die voor d’Artagnan was bestemd. Beide musketiers ontmoetten elkander voor de deur. Athos en d’Artagnan zagen hen van uit het venster.
„Duivelsch!” zeide Aramis, „gij hebt daar een prachtig paard, mijn waarde.”—„Ja,” antwoordde Porthos, „dat is dat, wat men mij dadelijk had moeten zenden. Een ellendige grap van den echtgenoot had het andere er voor in de plaats gesteld; maar de echtgenoot is er voor gestraft; ik heb een volkomen genoegdoening verkregen.”
Nu verscheen Grimaud, bij den toom het paard van zijn meester leidende; d’Artagnan en Athos gingen naar
Zooals Porthos had gedacht, maakte de stoet een grootsche vertooning, en indien mevrouw Coquenard op den weg van Porthos ware geweest, dan zou zij hebben kunnen zien, hoe trotsch hij op zijn heerlijken Spaanschen hengst zat, en zich niet hebben beklaagd over de bres in de geldkist van haar man gemaakt.
Nabij het Louvre ontmoetten de vier vrienden den heer de Tréville, die van St. Germain terugkwam; hij hield hen staande, om hen over hun uitrusting zijn kompliment te maken, hetgeen in een oogenblik eenige honderden ledigloopers rondom hen lokte. D’Artagnan nam deze gelegenheid waar, om den heer de Tréville over den brief met het roode hertogelijke zegel te spreken. Het spreekt vanzelf, dat hij van het briefje niet repte.
De heer de Tréville keurde het door hem genomen besluit goed en verzekerde hem dat, indien hij den volgenden morgen niet zou zijn teruggekomen, hij hem wel zou vinden, waar hij ook mocht wezen. Op dit oogenblik sloeg het uurwerk der Samaritaine zes uur. De vier vrienden verontschuldigden zich wegens een af te leggen bezoek en namen van den heer de Tréville afscheid.
Een korte galop bracht hen op den weg van Chaillot. De avond begon te vallen en rijtuigen reden heen en weer. D’Artagnan, op eenigen afstand van zijn vrienden en door deze bewaakt, wierp zijn blikken in de koetsen, maar bespeurde daarin niet één gezicht, dat hij kende.
Eindelijk, na een kwartieruurs wachten, en terwijl de avondschemering al meer en meer zich uitbreidde, Sèvres. Een voorgevoel fluisterde d’Artagnan dadelijk in, dat dit het rijtuig was, hetwelk de persoon bevatte, die hem een samenkomst had bepaald. De jongeling verwonderde zich over het hevig kloppen van zijn hart. Bijna onmiddellijk stak een vrouw het hoofd uit het portier en legde twee vingers op haar mond, als om voorzichtigheid aan te bevelen en tevens een kus te zenden.
D’Artagnan slaakte een flauwen vreugdekreet. Die vrouw, of liever die verschijning,—want het rijtuig vloog als een schaduw voorbij,—was juffrouw Bonacieux....
Door een onwillekeurige beweging en ondanks de hem gedane aanbeveling, zette d’Artagnan zijn paard in galop, en in weinig sprongen bereikte hij het rijtuig; maar de opening van het portier was geheel gesloten en de verschijning verdwenen.
Toen eerst herinnerde zich d’Artagnan die aanbeveling: „Indien gij uw leven en dat van hen, die u beminnen, liefhebt, blijf dan onbeweeglijk alsof gij niets gezien hadt.” Hij bleef dus staan, bevende, niet voor zich zelven, maar voor de arme vrouw, die blijkbaar aan een groot gevaar was blootgesteld, door met hem een samenkomst af te spreken. Het rijtuig vervolgde zijn weg met dezelfde snelheid, reed Parijs in en verdween.
D’Artagnan was als vastgenageld op dezelfde plaats blijven staan, niet wetende wat te denken. Indien het juffrouw Bonacieux was geweest en zij naar Parijs terugkeerde, waartoe dan die vluchtige samenkomst, die eenvoudige oogwenk, die verloren kus? Indien, van den anderen kant, zij het niet was geweest,—hetgeen ook mogelijk kon zijn, want de avondschemering maakte een vergissing gemakkelijk;—indien zij het niet was geweest, zou het dan niet het begin van een aanslag op zijn persoon kunnen zijn, door de vrouw, voor welke men zijn liefde kende, als een lokaas te doen dienen?
De drie vrienden naderden hem. Alle drie hadden
„Als dat zoo is,” zeide d’Artagnan, „dan voeren zij haar van de eene naar de andere gevangenis. Maar wat wil men dan toch van dat ongelukkige schepsel, en hoe zal ik ooit mij met haar kunnen vereenigen?”—„Vriend!” zeide Athos ernstig, „herinner u, dat de dooden de eenigen zijn, die men niet is blootgesteld op aarde te ontmoeten. Gij weet hiervan zoowel als ik te spreken, niet waar? Derhalve, is uw minnares niet dood, en is zij het geweest, die wij hebben gezien, dan zult gij haar den een of anderen dag wedervinden. En misschien, mijn God!” voegde hij er bij op dien menschenhatenden toon, die hem eigen was, „misschien eer dan het u lief is.”
Het sloeg half acht; ingevolge de afspraak had het rijtuig nu reeds een twintigtal minuten daar moeten zijn. D’Artagnan’s vrienden herinnerden hem, dat hij nog een bezoek had af te leggen, hem tevens doende opmerken, dat het nog tijd was er van af te zien. Maar d’Artagnan was stijfhoofdig en nieuwsgierig. Hij had eenmaal besloten, dat hij naar het kardinaals-paleis zou gaan en weten, wat Zijne Eminentie hem te zeggen had. Niets kon hem van besluit doen veranderen.
Men bereikte de straat St. Honoré en het kardinaals-paleis; men vond daar de twaalf genoodigde musketiers die, al wandelende, hun krijgsmakkers verbeidden. Slechts dáár gaf men hun kennis van hetgeen er te doen was.
D’Artagnan was zeer goed bekend in het eervol korps van ’s konings musketiers, waarin men wist, dat hij eenmaal een plaats zou vervullen, zoodat men hem reeds als een kameraad beschouwde. Hiervan was het gevolg, dat allen volkomen bereid waren den last te vervullen,
Athos verdeelde hen in drie troepen, nam het bevel van den eenen troep op zich en stelde Aramis en Porthos aan het hoofd van de beide andere, en elke troep stelde zich in hinderlaag voor een der uitgangen. D’Artagnan trad van zijn kant moedig den hoofdingang binnen.
Hoewel hij op de krachtdadige ondersteuning zijner vrienden vertrouwde, was de jongeling echter niet zonder bekommering, toen hij voet voor voet de breede trap opging. Zijn gedrag jegens milady had wel iets van verraad, en hij geloofde bijna met zekerheid aan een staatkundige gemeenzaamheid tusschen die vrouw en den kardinaal; te meer, de Wardes, dien hij zoo deerlijk had gewond, was een der vertrouwelingen van den kardinaal, en d’Artagnan wist dat, indien Zijne Eminentie vreeselijk voor haar vijanden was, zij zeer aan haar vrienden was gehecht.
„Indien de Wardes de geheele toedracht onzer ontmoeting aan den kardinaal heeft verhaald, waaraan niet te twijfelen is, en hij mij herkend heeft, hetgeen waarschijnlijk is, moet ik mij zoo goed als voor veroordeeld beschouwen,” zeide d’Artagnan bij zich zelven, het hoofd schuddende. „Maar waarom heeft hij tot vandaag gewacht? Wel, dat is zeer eenvoudig: milady zal zich over mij hebben beklaagd met die huichelachtige smart, die haar zoo belangwekkend maakt, en die laatste misdaad zal den kelk hebben doen overloopen. Gelukkig zijn mijn goede vrienden waakzaam, en deze zullen niet, zonder mij te hulp te komen, mij gevankelijk laten wegvoeren. Maar de kompagnie der musketiers van den heer de Tréville kan niet alleen den oorlog tegen den kardinaal volhouden, die over al de machten van Frankrijk beschikt en voor wien de koningin zonder macht, de koning zonder wil is. D’Artagnan! mijn vriend! gij zijt dapper, gij zijt voorzichtig, gij bezit voortreffelijke
Hij kwam tot dat treurig besluit, toen hij de voorkamer binnentrad.
Hij stelde zijn brief den dienstdoenden kamerbewaarder ter hand, die hem in de receptiezaal geleidde en toen dieper het paleis binnenging. In de zaal bevonden zich vijf of zes gardes van den kardinaal, die, d’Artagnan herkennende en wetende dat hij het was, die Jussac had gekwetst, hem met een zonderlingen glimlach beschouwden. Die glimlach was voor d’Artagnan een slecht voorteeken; maar dewijl onzen Gaskonjer niet gemakkelijk vrees aan te jagen was, of liever, dewijl hij, dank zij den nationalen hoogmoed, zoo eigen aan zijn landslieden, niet spoedig liet zien wat er in zijn ziel omging, vooral wanneer zulks naar vrees zweemde, bleef hij trotsch voor de heeren gardes staan en wachtte met de hand op de heup en in een houding, die van fierheid niet was ontbloot.
De kamerdienaar kwam weder binnen en wenkte d’Artagnan hem te volgen. De jongeling meende, dat de gardes, toen zij hem zagen vertrekken, onder elkander fluisterden. Hij ging door een gang, trad een zaal en vervolgens de bibliotheek binnen, waar hij voor zich een man zag, die aan een tafel zat te schrijven. De kamerbewaarder leidde hem binnen en verwijderde zich zonder één woord te spreken.
D’Artagnan bleef staan en beschouwde dien man. Hij meende aanvankelijk in hem een rechter te zien, die processtukken onderzocht; maar hij bespeurde dra, dat de man schreef, of liever, regels van verschillende lengte verbeterde, terwijl hij lettergrepen op zijn vingers telde; nu zag hij, dat hij zich in de tegenwoordigheid eens dichters bevond.
Na verloop van een oogenblik sloeg de poëet zijn manuscript, op welks omslag Mirame, Treurspel in vijf bedrijven, stond geschreven, toe en richtte het hoofd op.
D’Artagnan herkende den kardinaal.