← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK XIV.

Reading edition

Huwelijkstooneel.

Zooals Athos had voorzien, duurde het niet lang, of de kardinaal ging naar beneden. Hij opende de deur

„Waar is de heer Athos gebleven?” vroeg hij.—„Eminentie!” antwoordde Porthos, „op eenige woorden, die de kastelein heeft laten ontvallen, is hij ter verkenning uitgegaan, in de veronderstelling, dat de weg niet veilig was.”—„En wat hebt gij gedaan, mijnheer Porthos?”—„Ik heb vijf pistolen van Aramis gewonnen.”—„En kunt gij thans met mij terugkeeren?”—„Wij zijn gereed, Uwe Eminentie te gehoorzamen.”—„Te paard dan, heeren! want het wordt laat.”

De stalmeester was voor de deur en hield het paard van den kardinaal bij den toom. Wat verder in de schaduw vertoonde zich een groep van twee mannen en drie paarden; die beide mannen waren zij, die milady naar het fort la Pointe, moesten geleiden en over haar bij haar inscheping waken.

De stalmeester bevestigde den kardinaal, hetgeen de twee musketiers hem omtrent Athos hadden gezegd. De kardinaal gaf zijn goedkeuring door een gebaar te kennen en nam den terugweg aan, dezelfde voorzorgen nemende, die hij, komende, had in acht genomen. Laten wij hem zijn weg naar het kamp vervolgen, en keeren wij tot Athos terug.

Een honderdtal schreden had hij in denzelfden stap voortgereden, maar zoodra hij buiten het gezicht was, wendde hij zijn paard rechts, maakte een omweg en keerde een twintigtal schreden op zijn weg terug, waar hij, in het kreupelhout verborgen, de kleine bende afwachtte; na de met galon bezette hoeden zijner vrienden en de gouden franje van des kardinaals mantel te hebben herkend, bleef hij zoo lang stil, totdat de ruiters den hoek van den weg achter zich hadden, en toen zij uit het gezicht waren verdwenen, keerde hij in vollen galop naar de herberg terug, die men voor hem, zonder eenige moeilijkheid, opende.—De kastelein herkende hem.

Athos maakte van het verlof gebruik, klom de trap zoo zacht mogelijk op, kwam in het portaal, en door de half geopende deur zag hij milady, die haar hoed opzette. Hij trad haar kamer binnen en sloot de deur achter zich. Athos stond voor de deur in zijn mantel gehuld en zijn hoed in de oogen gedrukt. Die stomme, onbeweeglijke gestalte ziende, werd milady angstig.

„Wie zijt gij, en wat wilt gij?” riep zij.

„Ja, zij is het wel,” mompelde Athos. En zijn mantel latende vallen en zijn hoed uit de oogen zettende, naderde hij milady.—„Herkent gij mij, mevrouw?” vroeg hij.

Milady naderde een schrede en trad vervolgens achteruit, alsof zij een slang had gezien.—„Goed,” zeide Athos, „ik zie, dat gij mij herkent.”—„De graaf de la Fère?” mompelde milady, verbleekende en terugdeinzende, totdat de muur haar belette verder te gaan.—„Ja, milady!” antwoordde Athos, „de graaf de la Fère in persoon, die om geen andere reden uit de andere wereld komt, dan om het pleizier te hebben u te zien.... Nemen wij ons gemak en praten wij eens, zooals de kardinaal zegt.”

Milady, door een onuitsprekelijken angst beheerscht, ging zitten, zonder één woord te spreken.

„Gij zijt een op de aarde gezonden duivel,” zeide Athos. „Uw macht is groot, dat weet ik, maar gij weet ook, dat met Gods hulp de menschen vaak de vreeselijkste duivels hebben overwonnen. Gij hebt u reeds op mijn weg gesteld, en ik meende u geveld te hebben, mevrouw! óf ik heb mij bedrogen, óf de hel heeft u weder uitgebraakt.”—Milady liet bij die woorden, welke haar zoo vreeselijke herinneringen voor den geest brachten, het hoofd met een gesmoorden zucht op de borst zinken.—„Ja, de hel heeft u weder uitgebraakt,” hernam Athos, „de hel heeft u rijk gemaakt, de hel

Milady stond als door een springveer bewogen op, en haar oogen schoten bliksemstralen.—Athos bleef zitten.

„Gij waandet mij dood, niet waar? zooals ik u dood waande; de naam van Athos heeft den naam des graven de la Fère bedekt, zooals de naam van milady de Winter dien van Anna de Breuil! Was het niet dus, dat gij u noemdet, toen uw eerwaardige broeder ons den huwelijkszegen gaf?—Onze wederzijdsche gesteldheid,” ging Athos lachende voort, „is waarlijk zonderling; wij hebben de een zoowel als de andere tot hiertoe geleefd, omdat wij elkander dood waanden, en omdat een herinnering minder grieft dan een schepsel, hoewel een herinnering soms knagend is.”

„Maar,” zeide milady, met gesmoorde stem, „wat voert u tot mij; en wat wilt gij eigenlijk?”—„Ik wil u zeggen, dat, ofschoon voor uw oogen steeds onzichtbaar, ik u echter niet uit het oog heb verloren.”—„Gij weet, wat ik heb gedaan?”—„Ik kan u dag voor dag uw daden verhalen, sedert den dag, dat gij in dienst van den kardinaal zijt getreden, tot op heden avond.”

Een glimlach van ongeloovigheid vertrok de lippen van milady.—„Luister! gij zijt het, die de diamanten haken van den schouder des hertogen van Buckingham hebt gesneden; gij zijt het, die juffrouw Bonacieux hebt doen ontvoeren; gij zijt het, die, op de Wardes verliefd en in de meening hem te ontvangen, uw deur voor den heer d’Artagnan opendet; gij zijt het, die, meenende dat de Wardes u had bedrogen, hem door zijn medeminnaar hebt willen doen om het leven brengen; gij zijt het, die, toen die medeminnaar uw schandelijk geheim had ontdekt, hem op zijn beurt door twee huurlingen, die gij hem hadt achterna gezonden, wildet doen vermoorden; gij zijt het, die, hoorende dat de kogels hun doel hadden gemist, vergiftigden wijn hebt gezonden, met een

Milady was lijkkleurig.—„Maar gij zijt dan Satan?” zeide zij.

„Misschien,” hernam Athos, „maar hoe het ook zij, luister goed; vermoord den hertog van Buckingham, dat is mij volkomen onverschillig, ik ken hem niet; en bovendien hij is een vijand van Frankrijk; maar raak aan geen enkel haar van het hoofd van d’Artagnan, die een getrouw vriend van mij is, dien ik bemin en bescherm, of ik zweer u bij het hoofd mijns vaders, de misdaad, die gij mocht beproeven te plegen, of gepleegd mocht hebben zal de laatste zijn.”—„De heer d’Artagnan heeft mij beleedigd,” zeide milady met een gesmoorde stem, „de heer d’Artagnan zal sterven.”—„Hoe is het mogelijk, mevrouw! dat men u kan beleedigen,” zeide Athos glimlachende; „hij heeft u beleedigd, en hij zal sterven?”—„Zij eerst en hij daarna.”

Athos werd als door een duizeling verblind; het gezicht van dat schepsel, hetwelk niets eener vrouw had, herinnerde hem iets vreeselijks; hij dacht aan den dag, toen hij in een minder gevaarlijk oogenblik dan dat, waarin hij zich thans bevond, haar reeds aan zijn eer had willen offeren; moordzucht overviel hem gloeiend als de koorts. Op zijn beurt stond hij op, haalde een pistool uit zijn gordel te voorschijn en trok den haan over.

Milady, bleek als een lijk, wilde om hulp roepen, maar haar verstijfde tong veroorloofde haar slechts een dof geratel voort te brengen, dat niets van een menschelijke stem had, en het gebrom van een wild dier scheen; tegen het donkerkleurig behangsel gedrongen, verhief zij zich met verwilderde haren als een levend schrikbeeld.

Tegenover een ander dan Athos zou milady eenigen twijfel hebben kunnen koesteren; maar zij kende hem. Zij bleef echter onbeweeglijk.—„Een seconde blijft u over om een besluit te nemen,” zeide hij.—Milady zag aan de vertrekking van zijn gelaat, dat het schot zou losgaan; zij bracht de hand aan haar boezem, haalde er een papier uit te voorschijn en reikte het Athos over.—„Ziedaar,” zeide zij, „en wees vervloekt.”

Athos nam het papier, stak het pistool weder in zijn gordel, naderde de lamp, ten einde zich te verzekeren, dat het wel het rechte was, ontvouwde het en las:

„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder dezes deed, wat hij heeft gedaan.

Richelieu.”

3 Augustus 1628.

„En thans,” zeide Athos, zich in zijn mantel hullende en zijn hoed op het hoofd drukkende, „thans, nu ik u de tanden heb uitgebroken, bijt nu als gij kunt.”—En hij verliet de kamer, zonder zelfs om te zien.

Voor de deur vond hij de beide mannen en het paard, dat zij bij den toom hielden.—„Mijne heeren!” zeide hij, „gij weet, dat Zijne Eminentie bevolen heeft zonder tijdverlies die vrouw naar het fort la Pointe te voeren, en haar niet te verlaten, alvorens zij aan boord is.”—Daar deze woorden volkomen met het bevel, dat zij hadden ontvangen, overeenstemden, bogen zij het hoofd, ten teeken van gehoorzaamheid.

Wat Athos betreft, deze sprong vlug in den zadel en vertrok in galop. Maar in plaats van den weg te volgen, ging hij het veld over, zijn paard geweldig aansporende

Gedurende een dier halten hoorde hij op den weg het getrappel van eenige paarden. Hij twijfelde er niet aan, dat het de kardinaal en zijn geleide was. Hij begaf zich dan ook onmiddellijk weer op weg, en na eenigen tijd te hebben voortgedraafd, bleef hij staan, wreef zijn paard met mos en boombladeren en ging ongeveer tweehonderd schreden van het kamp dwars op den weg staan.

„Werda!” riep hij in de verte, toen hij de ruiters bespeurde.—„Dat is onze moedige edelman, geloof ik,” zeide de kardinaal.—„Ja, Uwe Eminentie!” antwoordde Athos, „hij is het.”—„Mijnheer Athos!” zeide Richelieu, „ontvang mijn welgemeenden dank voor de goede waakzaamheid, die gij ons hebt betoond. Mijne heeren! wij zijn aangekomen; gaat de poort ter linkerzijde binnen; het wachtwoord is: Koning en Ré.”—Dit zeggende, groette de kardinaal met een hoofdknik de drie vrienden en ging rechts, gevolgd door zijn stalmeester; want dien nacht zou hij in het legerkamp slapen.

„Wel?” vroegen eenparig Porthos en Aramis, toen de kardinaal ver genoeg vertrokken was om niet meer te kunnen hooren; „welnu, hij heeft het papier geteekend, dat zij hem vroeg.”—„Ik weet het wel,” antwoordde Athos bedaard, „want ik heb het.”—En de drie vrienden spraken geen enkel woord vóór zij in hun kwartieren waren gekomen, behalve dat zij aan de schildwachten het wachtwoord zeiden. Alleen zond men Mousqueton naar Planchet om dezen te zeggen, dat zijn meester verzocht werd, zoodra hij van de wacht in de loopgraven zou zijn afgelost, zich onmiddellijk naar het kwartier der musketiers te begeven.

Van den anderen kant, en zooals Athos had voorzien, maakte milady, toen zij de mannen aantrof, die haar voor de deur wachtten, niet de minste moeilijkheid hen te volgen. Zij was wel een oogenblik van meening geweest zich voor den kardinaal te doen voeren en dezen alles te verhalen; maar een openbaring van haar

Bijgevolg was zij, na den geheelen nacht te hebben doorgereisd, te zeven uur des ochtends aan het fort de la Pointe gekomen, te acht uur was zij scheep gegaan en te negen uur lichtte het vaartuig het anker en ging onder zeil naar Engeland.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings