← Table of contents
De Drie Musketiers dl. I en II

HOOFDSTUK XXX.

Reading edition

Het Karmelieten nonnenklooster te Béthune.

Groote misdadigers bezitten, om zoo te zeggen, een zekere geschiktheid, die hen alle hinderpalen doet te boven komen en hen aan alle gevaren doet ontsnappen, zoolang, tot de Voorzienigheid, hun snoodheid moede, paal en perk stelt aan hun goddeloos geluk.

Het was evenzoo met milady. Zij ontkwam de kruisers der beide natiën en landde te Boulogne, zonder dat eenig ongeval haar had bejegend.

Te Portsmouth aankomende, was milady een Engelsche, die de vervolgingen in Frankrijk uit la Rochelle hadden gejaagd. Te Boulogne aan wal komende, na twee dagen op zee te zijn geweest, gaf zij zich voor een Fransche uit, die de Engelschen in hun haat tegen Frankrijk te Portsmouth verontrust hadden. Milady bezat bovendien het beste paspoort in haar schoonheid en de gulheid met welke zij het geld rondom zich strooide. Van de gewone maatregelen ontslagen door haar bevalligen glimlach en beleefde manieren tegenover een Boulogne dan den tijd, die noodig was om den volgenden brief op de post te doen:

„Aan Zijne Eminentie, den Kardinaal de Richelieu, in zijn legerkamp voor la Rochelle.

Uwe Excellentie kan gerust zijn, Zijne Genade de hertog van Buckingham zal niet naar Frankrijk vertrekken.

Milady de ***.

Boulogne, 25, des avonds.

P.S. Ingevolge de begeerte Uwer Eminentie, begeef ik mij naar het Karmelieten Nonnenklooster te Béthune, waar ik uw bevelen zal wachten.”

En inderdaad, milady ging dienzelfden avond op reis. De nacht overviel haar; zij hield stil en ging in een herberg slapen; des morgens te vijf uur vertrok zij weder, zoodat zij drie uren daarna Béthune bereikte. Zij liet zich het klooster der Karmelieten nonnen aanwijzen en ging er onmiddellijk binnen. De abdis kwam haar tegemoet; milady toonde haar het bevel van den kardinaal; de abdis liet haar een kamer geven en haar een ontbijt voordienen.

Al het verledene was voor de oogen dier vrouw verdwenen, en den blik op de toekomst gevestigd, zag zij nu niet anders dan de schitterende fortuin, die de kardinaal haar toedacht; hij, dien zij zoo gelukkig had gediend, zonder dat zijn naam in het minste in die bloedige zaak was gemengd geworden. De steeds nieuwe hartstochten, die haar verteerden, gaven aan haar leven de gelijkenis dier wolken, welke in het luchtruim drijven, nu eens het azuur, dan het vuur, dan weder de duisternis des orkaans weerkaatsen en geen ander spoor achterlaten dan verwoesting en dood.

De abdis, een adellijke vrouw, hield vooral van die hofgeschiedenissen, welke zoo moeilijk de grenzen eens koninkrijks bereiken, en nog moeilijker de muren van een klooster doordringen, aan welks voet het gedruisch der wereld verstomt. Milady daarentegen was zeer bekend met de menigvuldige aristocratische intrigues, te midden van welke zij gedurende vijf of zes jaren had geleefd; zij ving dan aan met de goede abdis over de wereldsche bedrijven van het Fransche hof te onderhouden, die gepaard gingen aan de buitensporige godsvrucht des konings. Zij verhaalde haar de geheime liefdesavonturen der heeren en dames van het hof, die de abdis zeer goed bij naam kende; raakte even den liefdehandel van Buckingham met de koningin aan en sprak veel, ten einde een weinig te hooren spreken.

Maar de abdis bepaalde zich tot luisteren en tot glimlachen, zonder een woord te spreken. Intusschen, daar milady zag, dat die soort van gesprekken haar zeer vermaakten, ging zij voort, maar nu liet zij het gesprek op den kardinaal neerkomen, doch niet wetende, of de abdis al of niet kardinaalsgezind was, hield zij zich op den juisten middenweg, terwijl de nog voorzichtiger abdis van haar zijde zich niets liet ontvallen, en slechts een diepe buiging met het hoofd maakte, telkens wanneer de vreemdelinge den naam van Zijne Eminentie uitsprak. Milady begon te vreezen, dat zij zich in het klooster verschrikkelijk zou vervelen. Zij besloot dus iets te wagen, om eindelijk te zien waaraan zij zich te houden had; derhalve begon zij, aanvankelijk onder

„Ha!” dacht milady, „zij begint in mijn gesprekken behagen te scheppen. Indien zij voor den kardinaal is, dan is zij het althans niet met geestdrift.”

Toen ging zij over tot de vervolgingen door den kardinaal jegens zijn vijanden. De abdis kruiste zich, zonder verder eenige goed- of afkeuring te doen blijken. Dit bevestigde milady in het denkbeeld, dat de geestelijke dochter meer konings- dan kardinaalsgezind was.—Milady ging voort, al meer en meer uitweidende.

„Ik ben in dergelijke zaken zeer onwetend,” zeide eindelijk de abdis.... „maar hoe ver ook van het hof verwijderd en geheel vreemd aan de belangen der wereld, buiten welke wij ons bevinden, hebben wij echter zeer treurige bewijzen voor oogen van de waarheid van datgene, wat gij ons verhaalt, en een zich hier bevindende vrouw heeft veel van de vervolging en de wraak van den kardinaal te lijden gehad.”—„Een vrouw die zich hier bevindt?” zeide milady. „Ach, mijn God! die arme vrouw! hoe beklaag ik haar.”—„En gij doet wel, want zij is waarlijk te beklagen.... Gevangenis, bedreigingen, slechte behandelingen, alles heeft zij ondergaan.... Maar wat er van zij,” hernam de abdis, „de kardinaal heeft misschien gegronde redenen om aldus te handelen; en hoewel zij er als een engel uitziet, kan men niet altijd de lieden naar het uiterlijk beoordeelen.”

„Goed!” dacht milady, „wie weet, ik zal hier misschien iets ontdekken, ik ben goed op weg.”—En zij trachtte aan haar gelaat een uitdrukking van volkomen goedaardigheid te geven.

„Helaas!” zeide milady, „ik weet het, men zegt, dat men door het uiterlijk kan bedrogen worden; maar waaraan moet men anders gelooven, zoo niet aan het Frankrijk door een of anderen liefdehandel wordt teruggehouden.”—„Dan,” zeide milady met een zucht, „als zij bemint, is zij ten minste niet geheel ongelukkig.”—„Dus,” zeide de abdis, milady met belangstelling beschouwende, „is het wederom een vervolgde, die ik voor mij zie.”—„Helaas ja,” antwoordde milady.

De abdis beschouwde milady gedurende een oogenblik

Milady glimlachte bij het denkbeeld, dat in haar opkwam, dat die jonge vrouw haar gewezen kamenier kon zijn. Er mengde zich bij die herinnering aan dat meisje een herinnering van toorn, en de wraakzucht had de gelaatstrekken van die vrouw met de honderd maskers voor een oogenblik misvormd, maar dadelijk daarop namen ze weer de uitdrukking van kalmte en goedaardigheid aan.

„En wanneer kan ik die jonge vrouw zien, voor welke ik nu reeds zooveel vriendschap gevoel?” vroeg milady.—„Heden avond,” zeide de abdis, „zelfs nog wel in den loop van den dag. Maar, zooals gij mij hebt gezegd, zijt gij reeds sedert vier dagen op reis, en aangezien gij heden ochtend reeds te vijf uur opgestaan zijt, hebt gij rust noodig, ga slapen en rust wel. Tegen het uur van het middagmaal zullen wij u wekken.”

Hoewel milady zeer goed zonder slaap had kunnen blijven, opgewekt als zij was door al het prikkelende, dat een nieuw avontuur aan haar naar intrigues begeerig hart veroorzaakte, gaf zij niettemin gehoor aan den raad der abdis. Sedert twaalf of veertien dagen had

Zij nam afscheid van de abdis en begaf zich ter ruste, zachtjes in slaap gewiegd door haar wraakzuchtige denkbeelden, waarop zij natuurlijk was teruggebracht door den naam van Ketty. Zij herinnerde zich die bijna onbegrensde belofte des kardinaals, indien zij in haar onderneming mocht slagen. Zij was geslaagd, derhalve kon zij zich op d’Artagnan wreken.

Een enkele omstandigheid joeg milady schrik aan: het was de herinnering aan haar man, den graaf de la Fère, dien zij gemeend had dood, of althans uitlandig te zijn, en in welken zij Athos, den besten vriend van d’Artagnan, wedervond. Maar zij bedacht ook dat, indien hij de vriend van d’Artagnan was, hij dezen in al zijn handelingen had moeten behulpzaam zijn geweest, waardoor het hem gelukt was de plannen Zijner Eminentie te doen schipbreuk lijden, derhalve was hij, als vriend van d’Artagnan, de vijand van den kardinaal, en des te beter zou het haar gelukken hem in het net harer wraakzucht te verwarren, in hetwelk zij den jongen musketier trachtte te versmoren. De zoete hoop vervulde milady met de aangenaamste droombeelden; door deze gestreeld, viel zij weldra in slaap.

Zij werd gewekt door een zachte stem, die van het voeteinde harer legerstede voortkwam. Zij opende de oogen en ontwaarde de abdis, vergezeld van een jonge vrouw met blond haar en teedere gelaatskleur, die op haar een blik vol goedaardige nieuwsgierigheid wierp. Het aangezicht dezer jonge vrouw was haar volkomen onbekend. Beiden beschouwden elkander met nauwkeurige aandacht, onder het maken der gewone complimenten. Beiden waren schoon, maar schoon van een geheel verschillenden aard. Intusschen glimlachte milady, erkennende dat zij de jonge vrouw verreweg overtrof in voorname houding en edele manieren. Het is waar, dat het gewaad der jonge kloosterzuster niet zeer in haar voordeel was, om een dergelijken wedstrijd

„Hoe, mejuffrouw!” zeide zij tot haar, „nauwelijks heb ik u gezien, en gij wilt mij weder van uw gezelschap berooven, waarop ik trouwens, dat beken ik, reeds eenigszins had gerekend, gedurende den tijd dien ik hier moet blijven?”—„Neen, mevrouw!” antwoordde de novice, „ik vreesde alleen een slecht oogenblik te hebben gekozen. Gij sliept, gij zijt vermoeid.”—„Welnu!” zeide milady, „wat kunnen zij, die slapen, begeeren? een aangenaam ontwaken. Zoodanig ontwaken hebt gij mij geschonken, laat mij het ten volle genieten.”

En haar bij de hand nemende, trok zij haar op een leuningstoel, die nabij het bed stond.—De novice ging zitten.—„Mijn God!” zeide deze, „wat ben ik ongelukkig! Ziedaar zes maanden, dat ik hier ben, zonder eenigen den minsten schijn van uitspanning; gij komt, uw tegenwoordigheid zou voor mij een bekoorlijk gezelschap zijn geweest, en ziedaar, naar alle waarschijnlijkheid sta ik thans op het punt het klooster te verlaten.”—„Hoe?” vroeg milady, „gaat gij het dan zoo spoedig verlaten?”—„Ten minste hoop ik het,” zeide de novice met een uitdrukking van blijdschap, die zij in het minst niet trachtte te verbergen.—„Ik meen gehoord te hebben, dat gij vanwege den kardinaal te lijden hebt gehad?” ging milady voort, „dat is een reden van vriendschap te meer tusschen ons beiden.”—„Hetgeen onze goede abdis mij heeft gezegd, is dan waar, dat ook gij een slachtoffer van den kardinaal waart?”—„Stil!” zeide milady, „spreken wij zelfs hier niet derwijze over hem. Al mijn ongelukken zijn ontstaan, doordien ik bijna hetzelfde, wat gij daar zegt, aan een vrouw zeide, die ik mijn vriendin waande, doch die mij verraden heeft. En ook gij zijt immers het slachtoffer van verraad?”

Frankrijk, die ik niet ken, waar....”—„O!” riep de jonge kloosterzuster, „wat vrienden betreft, deze zult gij overal vinden, gij schijnt zoo goed te zijn en zoo schoon!”—„Dat belet niet,” hernam milady, haar glimlach verzachtende, als om er een engelachtige uitdrukking aan te geven, „dat ik alleen ben en vervolgd word.”

„Luister,” zeide de jonge vrouw, „men moet op den Hemel al zijn vertrouwen stellen; ziet gij, er komt altijd een oogenblik, dat het goede, wat men heeft gedaan, uw zaak voor God bepleit, en ziedaar, misschien is het voor u een geluk, hoe nietig en onvermogend ik ook ben, dat gij mij hebt ontmoet, want indien ik hier uit geraak, welnu, dan zullen die vermogende vrienden, die ik heb, na zich voor mij in de waagschaal te hebben gesteld, zulks ook voor u doen.”—„Ach, toen ik zeide, dat ik alleen was,” zeide milady, hopende de jonge vrouw tot spreken over te halen, en als tot zich zelve sprekende, „was zulks niet omdat ik geen vermogende vrienden had, maar die vrienden beven voor den kardinaal. Zelfs de koningin durft mij niet tegen dien verschrikkelijken minister beschermen, en ik heb het bewijs, dat Hare Majesteit, ondanks haar goedhartigheid, meer dan eens verplicht is geweest aan de gramschap Zijner Eminentie diegenen over te laten, welke haar gediend hadden.”—„Geloof mij, mevrouw! de koningin kan den schijn hebben haar vrienden aan Engeland den heer Dujart gekend, ik ken den heer de Tréville.”—„Den heer de Tréville?” riep de jonge vrouw, „kent gij den heer de Tréville?”—„Ja, zeker, zelfs zeer goed. Den kapitein van ’s konings musketiers.”—„O! maar straks zult gij zien,” riep de jonge vrouw, „dat wij volkomen kennissen zijn, bijna vriendinnen. Indien gij den heer de Tréville kent, moet gij dikwerf bij hem zijn geweest.”—„Dikwijls,” antwoordde milady, die, eenmaal dien weg hebbende ingeslagen, en ziende dat het liegen haar gelukte, hiermede tot aan het einde wilde volhouden.—„In zijn huis hebt gij eenige zijner musketiers moeten ontmoeten.”—„Allen, die hij gewoonlijk ontvangt,” antwoordde milady, voor wie dat gesprek inderdaad belangrijk begon te worden.—„Noem mij eenigen dergenen, die gij kent, en gij zult zien, dat zij tot mijn vrienden behooren.”—„Maar,” zeide milady verlegen, „ik ken den heer de Louvigny, den heer de Courtivon, den heer de Férussac.”

De jonge vrouw liet haar voleinden, en ziende dat zij ophield, zeide zij: „Kent gij niet zekeren edelman, Athos genaamd?”

Milady werd even bleek als de bedlakens, die haar dekten, en hoeveel zelfbeheersching zij ook bezat, kon zij echter een uitroep niet bedwingen, terwijl zij de

In den blik van milady blonk een zoo woest vuur, dat in elke andere omstandigheid juffrouw Bonacieux van ontzetting zou gevlucht zijn, maar nu was zij geheel vervuld van jaloezie.—„Komaan! spreek, mevrouw!” hernam juffrouw Bonacieux met een geestkracht, waarvoor men haar onbekwaam zou hebben geacht, „zijt gij zijn minnares geweest?”—„O, neen!” riep Saint Germain, zijn wanhoop, die zijner vrienden, hun nazoekingen vanaf dat oogenblik. En hoe wilt gij, dat ik mij niet verwonder, wanneer ik mij, zonder het te weten, in gezelschap bevind van haar, over wie wij zoo dikwijls hebben gesproken; van u, die hij met al de kracht zijner ziel bemint, van u, die hij mij heeft doen beminnen alvorens u gezien te hebben. Ach, eindelijk vind, eindelijk zie ik u dan?”—En milady breidde haar armen voor juffrouw Bonacieux uit, die, overtuigd van hetgeen zij haar had gezegd, niets anders meer in die vrouw, welke zij een oogenblik te voren meende een medeminnares te zijn, dan een oprechte en trouwe vriendin zag.—„Ach, vergeef mij! vergeef mij!” riep zij, in haar armen vallende; „ik bemin hem zoo innig!”

Beide vrouwen bleven een oogenblik in elkanders armen. Trouwens, indien de krachten van milady haar haat hadden geëvenaard, dan zou juffrouw Bonacieux niet dan levenloos uit die omhelzing zijn gekomen. Doch haar niet kunnende verstikken, glimlachte zij haar toe.

„O! lieve, zoete kleine!” zeide milady, „wat ben ik blijde u te zien, laat mij u beschouwen.” En deze woorden zeggende, verslond zij haar werkelijk met haar blik. „Ja, gij zijt het wel. O! naar hetgeen hij mij heeft gezegd, herken ik u nu, ik herken u volkomen.”—De arme jonge vrouw kon onmogelijk weten, wat er wreedaardigs achter dat reine voorhoofd verscholen was, achter die opene oogen, waarin zij niets anders dan

Milady herhaalde werktuigelijk: „Ja, dat is een zaligheid.”—Zij dacht aan iets anders.

„Maar nu,” zeide juffrouw Bonacieux, „is mijn lijden haast ten einde: morgen, misschien heden avond zal ik hem wederzien, en dan zal het verledene niet bestaan.”—„Heden avond? morgen?” riep milady, door die woorden uit haar gepeins gewekt.... „Wat wilt gij zeggen? wacht gij tijding van hem?”—„Ik wacht hem in persoon.”—„Hem zelven! D’Artagnan hier?”—„Hem zelven!”—„Maar dat is niet mogelijk! hij is bij het beleg van la Rochelle met den kardinaal en zal eerst na de inneming der stad naar Parijs terugkeeren.”—„Gij gelooft dat, maar is er iets ondoenlijks voor mijn d’Artagnan, dien edelen, trouwen edelman! Welnu, lees dan!” zeide de ongelukkige vrouw, in de opgewondenheid van haar hoogmoed en blijdschap milady een brief vertoonende.

„Het schrift van mevrouw de Chevreuse,” zeide milady bij zich zelve. „O! ik was wel zeker, dat zij van die zijde verstandhouding hielden.”—En zij las gretig deze weinige regels:

„Mijn lief kind!

Houd u gereed; onze vriend zal u dra zien en u niet anders zien dan om u uit de gevangenis te ontrukken, waar uw zekerheid vereischte, dat gij verborgen bleeft; bereid u dus om te vertrekken en wanhoop nooit in ons.—Onze moedige Gaskonjer heeft zich, zooals altijd, dapper en getrouw gedragen; zeg hem, dat men hem ergens zeer dankbaar is voor zijn waarschuwing.”

„Ja, ja,” zeide milady, „ja, de brief is bepaald, en kent gij ook de waarschuwing?”—„Neen; ik geloof

Op dat oogenblik hoorde men den hoefslag van een paard.... „O!” riep juffrouw Bonacieux, naar het venster ijlende, „zou hij het zijn?”

Milady was in haar bed gebleven, als van verbazing versteend; er gebeurde haar eensklaps zooveel, dat zij voor het eerst radeloos was.—„Hij, hij!” mompelde zij, „zou hij het zijn?”—En zij bleef met strakke oogen in haar bed liggen.

„Helaas! neen!” zeide juffrouw Bonacieux, „het is een man, dien ik niet ken. Hij schijnt hierheen te komen; ja, hij vermindert al den gang zijns paards; hij blijft voor de deur stilstaan en schelt.”—Milady sprong uit haar bed.—„Zijt gij wel zeker, dat hij het niet is?” vroeg zij.—„O! heel zeker.”—„Misschien hebt ge niet goed gezien.”—„O! de pluim van zijn hoed, de slip van zijn mantel zijn voldoende, wanneer ik die zie, om hem er aan te herkennen.”—Milady bleef voortgaan met zich te kleeden.—„Het doet er niet toe; die man komt hier, zegt gij?”—„Ja, hij is reeds binnen.”—„Het is òf voor u, òf voor mij.”—„O, mijn God! wat zijt gij ontroerd!”—„Ja, ik ben zoo goed vertrouwend niet als gij en vrees alles van den kardinaal.”—„Stil!” zeide juffrouw Bonacieux, „men komt.”

Inderdaad, de deur werd geopend en de abdis trad binnen.—„Zijt gij van Boulogne gekomen?” vroeg zij aan milady.—„Ja,” antwoordde deze, haar koelbloedigheid trachtende te herstellen; „wie vraagt naar mij?”—„Een man, die zijn naam niet wil zeggen, maar die vanwege den kardinaal komt.”—„En die mij wil spreken?” vroeg milady.—„Die een dame wil spreken, welke van Boulogne is gekomen.”—„Laat hem dan als het u belieft binnengaan, mevrouw.”—„Ach, mijn God, mijn God!” riep juffrouw Bonacieux, „zou het

De abdis en juffrouw Bonacieux verwijderden zich. Milady bleef alleen, de oogen op de deur gevestigd houdende. Een oogenblik later hoorde men het gerucht van sporen, die op de trap weergalmden; vervolgens naderden de voetstappen, de deur werd geopend en een man verscheen. Milady slaakte een vreugdekreet. Die man was de graaf de Rochefort, de vertrouweling Zijner Eminentie.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings